Brief staatssecretaris over intrekking van het wetsvoorstel - Wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging wekeneis)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1994–1995 Nr. 2691

23 415

Wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging wekeneis)

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID HOUDENDE INTREKKING VAN HET WETSVOORSTEL

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

1 De vorige stukken inzake dit wetsvoorstel zijn verschenen onder de nrs. 172 en 172a,

vergaderjaar 1993–1994.

Den Haag, 16 mei 1995

Op 23 september 1993 werd een wetsvoorstel tot wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging wekeneis; Kamerstukken II, 1993/94, 23 415, nrs. 1–3) bij de Tweede Kamer ingediend. In dat wetsontwerp werd voorgesteld één van de toetredingsvoorwaarden tot het recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW), namelijk de wekeneis, aan te scherpen. Deze eis hield op dat moment in dat men in de 12 maanden direct voorafgaande aan het intreden van de werkloosheid in ten minste 26 weken diende te hebben gewerkt, wilde recht kunnen bestaan op WW-uitkering. Voorgesteld werd de periode waarin het aantal van 26 weken diende te worden gehaald te verkorten tot 39 weken (derhalve van 26 uit 52 naar 26 uit 39).

Tijdens de parlementaire behandeling kwam onderzoek van de Federatie van Bedrijfsverenigingen beschikbaar, waaruit bleek dat de voorgestelde aanscherping van de wekeneis een substantieel lagere besparing met zich zou brengen dan oorspronkelijk geraamd. Daarom heeft mijn ambtsvoorganger de Eerste Kamer, waar het wetsvoorstel inmiddels berustte, bij brief van 17 december 1994 (Kamerstuknummer I, 1993/94, 23 415, nr. 172a) in overweging gegeven de behandeling van het wetsvoorstel voorlopig aan te houden.

Vervolgens heeft mijn ambtsvoorganger zich beraden over vervangende maatregelen in de WW. Dit heeft ertoe geleid dat op 3 maart 1994 een het wetsvoorstel tot wijziging van de Werkloosheidswet en enkele andere wetten (WW-pakket, Kamerstukken II, 1993/94, 23 630, nrs. 1–3) werd ingediend. Hierin werd allereerst voorgesteld de wekeneis aan te scherpen tot 35 uit 52.

Daarnaast werd voorgesteld de zogenaamde 3 uit 5-eis, een voorwaarde voor voortzetting van de WW-uitkering na het eerste halfjaar, te verscherpen tot een 4 uit 5-eis en de duur van de vervolguitkering voor personen die op hun eerste werkloosheidsdag jonger waren dan 57,5 jaar met één jaar te verlengen. Ten slotte werd voorgesteld in de WW en in een tweetal andere wetten delegatiebepalingen op te nemen grond waarvan regels gesteld zouden kunnen worden terzake van het begrip passende arbeid.

Op 9 juni 1994 stelde de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer haar voorlopig verslag op dit wetsvoorstel vast (nr. 5). Gedurende de kabinetsformatie van afgelopen zomer bleek echter dat de nieuw te vormen paarse coalitie andere voornemens met de WW had dan het vorige kabinet. Daarom is de memorie van antwoord op laatstgenoemd wetsvoorstel nooit geschreven.

De voornemens van het nieuwe kabinet werden opgenomen in een derde, geheel nieuw wetsvoorstel, te weten het wetsvoorstel tot wijziging van de Werkloosheidswet en enkele andere wetten (aanscherping referte-eisen WW, Kamerstukken II, 1994/95, 23 985, nrs. 1–3), welk wetsvoorstel op 15 november 1994 bij de Tweede Kamer werd ingediend. In dit wetsontwerp werd voorgesteld de wekeneis aan te scherpen tot 26 uit 39 en de 3 uit 5-eis aan te scherpen tot een 4 uit 5-eis. Bovendien zou de 4 uit 5-eis in de toekomst een toegangsvoorwaarde voor het recht op uitkering moeten worden, naast de aangescherpte wekeneis. Net als in het bovengenoemde tweede wetsontwerp werd voorgesteld de vervolguitkering voor personen die aan beide eisen voldoen en op hun eerste werkloosheidsdag jonger waren dan 57,5 jaar, met één jaar te verlengen. Voor diegenen, die in de toekomst niet zouden kunnen voldoen aan de 4 uit 5-eis maar wel aan de verscherpte wekeneis, werd een zogenaamde kortdurende uitkering geïntroduceerd (een half jaar tegen 70% van het minimumloon dan wel 70% van het dagloon, indien dat lager is). Daarnaast werd voorgesteld delegatiebepalingen op te nemen ter zake van het begrip passende arbeid (zoals uit het bovenstaande blijkt was dit ook al een onderdeel van het tweede wetsontwerp). Ten slotte werd nog voorgesteld de wachtgeldperiode te verlengen tot 13 weken, en om ook de werkloosheidsuitkeringen terzake van seizoenwerkloosheid de eerste 13 weken uit de betrokken wachtgeldfondsen te laten financieren.

Het wetsvoorstel aanscherping referte-eisen WW werd op 1 december en op 21 december jl. door de Tweede Kamer respectievelijk Eerste Kamer aanvaard en is gepubliceerd als wet van 22 december 1994, Staatsblad 955. Het grootste deel is op 1 maart 1995 in werking getreden.

Zoals uit het bovenstaande reeds blijkt, treden de in de wet van 22 december 1994 opgenomen maatregelen geheel in de plaats van maatregelen die werden voorgesteld in het wetsvoorstel wijziging wekeneis en in het wetsvoorstel WW-pakket. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel aanscherping referte-eisen is dan ook reeds het voornemen opgenomen de eerstgenoemde twee wetsvoorstellen in te trekken. Daartoe gemachtigd door de Koningin trek ik de voorstellen van wet hierbij in.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, R. L. O. Linschoten

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.