Nota n.a.v. het verslag - Wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1994–1995

24 221

Wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie)

Nr. 5

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 21 juni 1995

  • 1. 
    Inleiding

Met grote waardering hebben wij kennisgenomen van het gedetailleerde verslag van de leden van de fracties van de Tweede Kamer. Wij zijn de fracties zeer erkentelijk voor hun bijdrage aan de voorspoedige behandeling van dit wetsvoorstel.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de PvdA-fractie wanneer de voorstellen tot toepassing van Amber in de overheidssector naar de Tweede Kamer worden gezonden, kunnen wij meedelen, dat in de bij deze nota naar aanleiding van het verslag gevoegde nota van wijzigingen, onder III, de doorvertaling van de in het wetsvoorstel Amber opgenomen regelingen naar de overheidssector haar beslag heeft gekregen. Voor een toelichting daarop verwijzen wij naar de bij die nota van wijziging behorende toelichting.

De leden van de fracties van het CDA, het GPV en de RPF hebben gevraagd naar de reden van late indiening van het wetsontwerp, terwijl al in een interview van 6 april jl. door de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid was aangekondigd dat tot afschaffing van de malusregeling zal worden overgegaan. In antwoord op deze vragen willen wij opmerken dat het betreffende voorstel reeds op 3 mei jl., derhalve twee en halve week na het betreffende interview, ter advisering aan de Raad van State is gezonden. Mede gezien het feit dat het wetsontwerp naast de afschaffing van de malusregeling ook een groot aantal reïnte-gratie-maatregelen bevat, kan niet gesteld worden dat het wetgevingsproces een te lange tijd in beslag heeft genomen.

In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van het GPV, waarom invoering reeds per 1 juli a.s. moet plaatsvinden, kunnen wij het volgende opmerken.

Wij zijn van mening dat het om een belangrijk wetsontwerp gaat. Na de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep deed de vraag zich voor of het systeem van de malus gehandhaafd zou moeten blijven tot aan het moment dat het, overeenkomstig de in het regeerakkoord opgenomen voornemens, zou worden afgeschaft. De uitkomst van deze afweging is dat de malus zo snel mogelijk moet worden afgeschaft. Deze vervroegde afschaffing heeft echter tot gevolg dat een financiële prikkel, gericht op het door de werkgever in dienst houden van werknemers met een arbeidsongeschiktheidsuitkering, vervalt. Ook wordt daardoor de verdeling van financiële prikkels tussen werkgevers en werknemers, zoals die was opgenomen in de Wet Terugdringing Arbeidsongeschiktheidsvolume, gewijzigd. Deze verbreking van het evenwicht is voor ons slechts dan acceptabel als tegenover het vervallen van de malus voldoende positieve maatregelen staan gericht op reïntegratie op de arbeidsmarkt van personen met een arbeidshandicap. In het nu voorliggende wetsvoorstel is het beoogde evenwicht aanwezig. Bij de voorbereiding en de indiening bij de Tweede Kamer is grote spoed betracht. De reden dat wij, voorzover mogelijk, streven naar inwerkingtreding van de in dit wetsvoorstel opgenomen maatregelen op 1 juli 1995 is dat wij groot belang hechten aan de voorgestelde maatregelen inclusief de afschaffing van de malus. Wij zijn verheugd dat de Kamer op voortvarende wijze meewerkt aan een snelle invoering.

De leden van de fractie van het GPV waarschuwen voor overhaaste wetgeving. Naar onze opvatting is er weliswaar sprake van een snelle procedure, maar niet van overhaaste wetgeving.

De leden van de SP-fractie constateren dat onderdelen van het wetsvoorstel nog nader uitgewerkt dienen te worden in maar liefst 8 algemene maatregelen van bestuur en 2 ministeriële regelingen. Naar aanleiding daarvan merken wij op, dat niet de haast waarmee dit wetsvoorstel moet worden besproken, debet is aan het verschuiven van een aantal zaken naar een latere fase, doch het feit, dat regeling van deze zaken, gelet op het niet te vermijden gedetailleerde karakter daarvan, zich minder leent voor verankering in de wet. Het heeft zeker niet in onze bedoeling gelegen om over deze onderwerpen een discussie met de Kamer te ontlopen. In de memorie van toelichting is namelijk bij een aantal maatregelen aangegeven wat de inhoud van de regeling op hoofdlijnen zal zijn. Verwezen moge worden naar de punten 5.2.1. en 5.2.2. van de toelichting, waarin respectievelijk de loonsuppletie en de inkomenssuppletie voor zelfstandigen aan de orde komen. Hetzelfde geldt voor de op artikel 16, derde lid, van de WAGW te baseren ministeriële regeling.

De mogelijkheden tot het treffen van algemene maatregelen van bestuur, zoals deze voorkomen in het voorgestelde artikel 62 WAO inzake de loonkostensubsidie zijn, op enkele aanpassingen na, ontleend aan de huidige tekst van artikel 59n van de AAW.

De leden van de SGP-fractie vragen waarom het voornemen om oudere arbeidsongeschikten in aanmerking te laten komen voor een verlengde WW-uitkering niet in dit wetsvoorstel is opgenomen of zelfs maar wordt genoemd.

Het voorliggende wetsontwerp voorziet in de afschaffing van de bonus-malussysteem en in daarvoor in de plaats komende nieuwe reïntegratie-instrumenten voor personen met een arbeidshandicap. De voorstellen in dit wetsontwerp hebben dan ook niet in directe zin te maken met de in de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) neergelegde aanscherping van het arbeidsongeschiktheidscriterium, noch met de opvang van de inkomensgevolgen die voor betrokkenen op kunnen treden na herbeoordeling aan de hand van dat nieuwe criterium. Zij kunnen dan ook los van de maatregelen die het kabinet in dit laatste kader voorstaat in werking treden. Overigens was het ook niet mogelijk laatstbedoelde maatregelen reeds in het voorliggende wetsontwerp op te nemen, aangezien ten tijde van het opstellen van het wetsvoorstel nog niet beschikt kon worden over een aantal rapporten over de gevolgen van de toetsing aan het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium en van het Schattingsbesluit. Het kabinet achtte het noodzakelijk over deze rapporten te beschikken, alvorens een besluit te nemen over aanpassing van (de toepassing van) het Schattings-besluit en over het verzachten van de inkomensgevolgen van de personen die op grond van een herbeoordeling aan de hand van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium hun arbeidsongeschiktheidsuitkering geheel of gedeeltelijk verliezen. Als bekend zijn deze rapporten inmiddels beschikbaar, hetgeen heeft geleid tot de op 2 juni 1995 aan de Kamer gerichte brief over de toepassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium.

2.1 Algemeen

De leden van de CDA-fractie informeren naar de inschatting van het kabinet of de wetsvoorstellen inzake de privatisering van de Ziektewet en de introductie van premiedifferentiatie en opting out in de WAO op een voldoende parlementair draagvlak kunnen rekenen. Zij wijzen daarbij op het SER-advies en op de wens van de fracties van D66 en de PvdA om de uitgangspunten van het SER-advies nadrukkelijk te betrekken bij de behandeling van de kabinetsplannen.

Zoals door deze leden terecht wordt opgemerkt, zijn de wetsvoorstellen inzake de versterking van de marktwerking in de ZW en WAO voor advies voorgelegd aan de Raad van State. In de wetsvoorstellen wordt uitvoerig ingegaan op het SER-advies. Na bestudering van het advies van de Raad van State zal het kabinet de wetsvoorstellen zo snel mogelijk bij de Kamer indienen. Uiteraard mag worden verwacht dat het SER-advies bij de discussie over de voorstellen zal worden betrokken. Het kabinet ziet die discussie met vertrouwen tegemoet, maar acht het thans prematuur om op die discussie vooruit te lopen.

Met de leden van de GPV-fractie zijn wij van mening dat de premiedifferentiatie in de arbeidsongeschiktheidsregelingen het alternatief is voor de afschaffing van de malus. In het regeerakkoord is deze koppeling ook gemaakt. De uitspraken van de Centrale Raad van Beroep hebben echter tot gevolg gehad dat het kabinet voor een hernieuwde afweging kwam te staan. Het eerder invoeren van de maatregelen op het terrein van het flankerend beleid die aanvankelijk deel uitmaakte van de voorstellen inzake de versterking van marktwerking maakte het echter mogelijk de malus versneld af te schaffen en tegelijkertijd de kansen op de arbeidsmarkt voor mensen met arbeidshandicap te vergroten.

De leden van de RPF-fractie geven aan dat één van de argumenten voor het afschaffen van het bonus-malussysteem is dat het als onredelijk wordt ervaren dat de malus ook verschuldigd is als de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid geheel, dan wel nagenoeg geheel in de privésfeer ligt en vragen zich af of dit niet pleit voor een bezinning op de vraag naar herinvoering van het onderscheid tussen het «risque social» en het «risque professionel», dit mede in het licht het streven van het kabinet de verdeling van de verantwoordelijkheden fundamenteel aan de orde te stellen.

In de passage uit de memorie van toelichting waar de leden van de RPF-fractie op duiden wordt de kritiek op de malus verwoord. De verwoording van de hierboven omschreven kritiek op de malus, zoals geuit door organisaties van werkgevers, moet niet uitgelegd worden als het onderschrijven van de wenselijkheid van het onderscheid tussen het «risque social» en het «risque professionel».

De leden van de RPF-fractie stellen in verband met de kabinetsvoornemens inzake introductie van marktwerking en premiedifferentiatie in de WAO de vraag of het reëel is te veronderstellen dat de individuele ondernemer zich zal laten leiden door de eventuele dreiging van een hogere premie. Voorts wijzen de leden van de RPF-fractie op de dreigende selectie op gezondheidsrisico’s. Zij stellen de vraag of het kabinet denkt dat het nu gepresenteerde pakket reïntegratiemiddelen dit risico in voldoende mate kan ondervangen.

Ook de leden van de SP-fractie hebben op dit punt vragen gesteld. Zij vragen nader in te gaan op de problemen die bij invoering van premiedifferentiatie in de WAO zullen rijzen voor werkzoekenden met een slechte gezondheid. Hoe denkt de regering aan die problemen het hoofd te kunnen bieden, zo vragen deze leden.

Inderdaad is het kabinet van mening dat individuele werkgevers zich in hun gedrag en bedrijfsbeleid in belangrijke mate zullen laten leiden door het instrument van de premiedifferentiatie. Het kabinet acht hierbij het uitgangspunt dat kosten daar moeten worden neergelegd waar ze het beste beheerst en beïnvloed kunnen worden, zeer belangrijk. Een aanwijzing voor de effectiviteit van financiële instrumenten wordt mede gevormd door de effecten bij het reeds ingezette beleid inzake bestrijding van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, waar het betreft de invoering van premiedifferentiatie en de invoering van de zogenoemde twee/zeswekenmaatregel in de ZW.

Overigens zal in de toelichting bij de wetsvoorstellen betreffende de ZW, AAW/WAO nadrukkelijk worden ingegaan op de wijze waarop de voorgenomen maatregelen van invloed kunnen zijn op het gedrag van bedrijven. Eveneens zal daar uitvoerig aandacht besteed worden aan het te voeren flankerend beleid, dat noodzakelijk is om risico’s van gezondheidsselectie zoveel mogelijk te mitigeren. Het kabinet onderkent dat meer verantwoordelijkheid voor de werkgever voor ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid kan leiden tot een selectie op gezondheidsrisico’s bij het vervullen van vacatures.

De leden van de fractie van de SP stellen de vraag aan de orde of het niet meer voor de hand ligt om de debatten over het wetsvoorstel Amber uit te stellen tot er meer duidelijkheid bestaat over de plannen rond privatisering van de ZW en de premiedifferentiatie/marktwerking in de WAO.

Zoals hiervoor vermeld hechten wij grote waarde aan de afschaffing van de malus en het zo snel mogelijk van kracht worden van de in Amber opgenomen reïntegratiemaatregelen. Dit met het oog op de verbetering van de positie op de arbeidsmarkt van arbeidsgehandicapten. Er is derhalve geen reden om het debat over het wetsvoorstel Amber uit te stellen.

2.2 Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep

Bij het opstellen van de malusregeling, de leden van de RPF-fractie vroegen hiernaar, zijn de strenge eisen die de Centrale Raad van Beroep aan de motivering van de beschikking stelt, niet voorzien. De nieuwe eisen omtrent de inhoud en motivering van beschikkingen vloeien voor een belangrijk deel voort uit de codificatie van dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur in de Algemene wet bestuursrecht.

Het kabinet deelt de opvatting van de fractie van het RPF, dat de rechterlijke macht de bonus-malus-regeling voor een belangrijk deel heeft ontkracht, niet. De Centrale Raad van Beroep heeft de aan haar voorgelegde beslissingen namelijk niet op de door de werkgevers aangevoerde principiële gronden vernietigd, doch uitsluitend vanwege de ontoereikende motivering. Er is vooralsnog in de jurisprudentie geen aanwijzing te vinden voor de door de fractie van de RPF aangevoerde stelling, dat alleen malusbeslissingen mogen worden uitgevoerd, indien duidelijk is dat de werkgever mede verantwoordelijk is voor de arbeidsongeschiktheid van de werknemer.

2.3  Bonus

De leden van de fractie van GroenLinks stellen de vraag nader te motiveren waarom de bonus geen zelfstandige toegevoegde waarde heeft ten opzichte van de loonkostensubsidie.

De bonus heeft geen zelfstandig toegevoegde waarde omdat in alle gevallen waarin een bonus kan worden verstrekt, het ook mogelijk is een loonkostensubsidie toe te kennen. Daarnaast heeft de loonkostensubsidie het voordeel dat de betaling zich uitstrekt over een langere periode en er dus een stimulans voor de werkgever blijft bestaan om de werknemer in dienst te houden.

2.4  Samenvatting

Het kabinet is van mening, dat het voorliggende wetsvoorstel op geen enkele manier afhankelijk is van de voorstellen ter versterking van de marktwerking op het terrein van de ZW en WAO. Derhalve zal een eventuele politieke meerderheid voor (één van) de SER-adviezen geen consequenties hebben voor wetsvoorstel Amber

Naar het oordeel van het kabinet dient dit wetsvoorstel op zijn eigen merites te worden beoordeeld en is het van belang dat de in dit voorstel opgenomen reïntegratiemaatregelen, ter versterking van de arbeidsmarktpositie van degenen met een arbeidshandicap zo spoedig mogelijk in werking treden.

2.5  Overgangsrecht

In het nader rapport is een overzicht gegeven van de kosten, die verband houden met de uitvoering van de voorgestelde overgangsregeling. In dit overzicht is rekening gehouden met alle kosten die door de Raad van State zijn genoemd. Derhalve is de indruk die bij de CDA-fractie bestaat, dat het overzicht niet volledig is, onjuist.

Door de fracties van het CDA, SGP en VVD is gevraagd naar de mogelijkheid de malusregeling met terugwerkende kracht af te schaffen. Het kabinet heeft tegen een dergelijke regeling ernstige bezwaren. Zoals bekend had de bonus-malusregeling meerdere doelstellingen. Enerzijds was deze regeling bedoeld als financiële prikkel voor de werkgever om een bijdrage te leveren aan het verminderen van het arbeidsongeschiktheidsvolume, anderzijds als kostendekkend financieringssysteem voor het stimuleren van het in dienst nemen van arbeidsongeschikte werknemers door de toekenning van de bonus. Door het afschaffen van de malus met terugwerkende kracht zou de nauwe samenhang tussen deze instrumenten komen te vervallen. Het met terugwerkende kracht afschaffen van de bonusregeling is immers uit het oogpunt van de rechtszekerheid niet mogelijk.

Bovendien zijn aan de afschaffing van de malusregeling belangrijke financiële gevolgen verbonden. Hierbij gaat het niet alleen om de terugbetaling van de reeds geïnde malussen, maar ook om kosten die door de uitvoering moeten worden gemaakt bij de afhandeling van de verzoeken om terugbetaling. Bovendien moet niet worden uitgesloten dat werkgevers, die naar achteraf blijkt ten onrechte een malus hebben betaald, de hiermee verband houdende schade, zoals rente over het betaalde bedrag aan de malus en eventuele procesrechtelijke kosten die zij hebben gemaakt, zullen proberen te verhalen bij de bedrijfsvereniging. Hetzelfde geldt voor de kosten die werkgevers hebben gemaakt aan wie een malus is opgelegd, en die zij nog niet hebben betaald. Derhalve bestaat een reële kans dat het bedrag dat bij het volledig afschaffen van de malusregeling moet worden terugbetaald, beduidend hoger zal zijn dan het totaal dat aan malussen door de bedrijfsverenigingen is geïnd. Deze kosten dienen dan bijvoorbeeld door een tijdelijke opslag op de premie te worden betaald door alle werkgevers, derhalve ook door degenen, die met veel inspanning en ter voorkoming van de malus passende arbeid voor hun gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers hebben gerealiseerd. Ook om die redenen acht het kabinet het afschaffen van de malusregeling met terugwerkende kracht niet wenselijk.

Hetzelfde geldt voor de mogelijkheid om aan de afschaffing van de malusregeling een beperkte terugwerkende kracht te geven tot 15 februari 1995, zoals de leden van de VVD-fractie hebben voorgesteld. Bovendien kunnen aan de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep op zich onvoldoende redenen voor de afschaffing van de malusregeling per die datum worden ontleend. Immers in de betreffende uitspraken is de Raad wel tot vernietiging van de betreffende beslissingen overgegaan, doch deze vernietiging heeft plaatsgevonden vanwege een onvoldoende motivering en niet vanwege principiële redenen, zoals onverbindendheid van de malusregeling. Derhalve zou ook het aanknopen van de afschaffing van de malusregeling aan de datum van de betreffende uitspraken een zekere willekeur inhouden.

Door de leden van de fractie van het GPV is gevraagd naar de mogelijkheid vanaf 1 juli geen malussen meer op te leggen, maar de malusregeling eerst per 1 januari 1996 af te schaffen. Ook dit voorstel acht het kabinet geen begaanbare weg. Het verschuldigd zijn van de malus vloeit immers rechtstreeks voort uit de wet en is geen bevoegdheid van het uitvoeringsorgaan. Derhalve zou het voorstel om per 1 juli geen malussen meer op te leggen neerkomen op het gedogen van een contra legem uitvoering. Het is vanzelfsprekend dat het kabinet hiermee niet kan instemmen.

In het nader rapport hebben wij aangegeven dat het beperken van het overgangsrecht tot het mogelijk maken van de inning van de nog niet betaalde, maar onherroepelijk geworden malussen tot rechtsongelijkheid zal leiden. In tegenstelling tot de leden van de fractie van de RPF acht het kabinet een dergelijke beperking dan ook niet mogelijk.

Door de leden van de GPV- en SGP-fracties is gevraagd naar de middelen welke het kabinet ter beschikking staan om de bedrijfsverenigingen te dwingen met het opleggen van de malusbeslissingen door te gaan. Het kabinet wil voorop stellen dat zij er van uitgaat, dat wanneer de bedrijfsverenigingen bij wet een taak krijgen opgedragen, zij deze correct en loyaal zullen uitvoeren en dat er derhalve op voorhand geen reden is over te gaan tot middelen om zulks af te dwingen. Mocht echter blijken dat geen – correcte – uitvoering plaatsvindt, dan is het allereerst aan het Ctsv, als toezichthoudend orgaan, om hiertegen op te treden. In de Osv zijn hiervoor aan Ctsv verscheidene instrumenten gegeven, zoals het onthouden van goedkeuring aan (uitvoerings-)besluiten van de bedrijfsverenigingen of het geven van aanwijzingen.

Door de leden van de D66- fractie is nog gevraagd welke bedrijfsverenigingen achterstanden hebben bij de malusoplegging. In het algemeen kan worden gesteld dat met name door de vernietigingen van de bij de rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep aanhangige beroepszaken bij alle bedrijfsverenigingen achterstanden zijn ontstaan bij de malusopleggingen. Bovendien heeft de uitwerking door het Tica van de eisen die de Centrale Raad van Beroep stelt aan de malusbeslissing, en de implementatie daarvan in de uitvoeringsorganisatie voor een verdere onvermijdelijke vertraging gezorgd.

Gezien de eisen, waaraan de motivering van de malusbeschikking volgens de opvatting van de Centrale Raad van Beroep moet voldoen, wordt verwacht dat veel werkgevers door deze motivering overtuigd zullen raken van de juistheid van de afgegeven beslissing. Om die reden is bij de nog op te leggen malussen, de leden van de RPF-fractie vroegen hiernaar, uitgegaan van een beperkt aantal beroepszaken. Bij deze schatting heeft ook een rol gespeeld dat in de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep de principiële door de werkgever aangevoerde bezwaren tegen de malusregeling niet gegrond zijn verklaard.

In antwoord op vragen van de D66-fractie over de medische onderbouwing van de malusbeslissingen, willen wij het volgende opmerken. Zoals uit de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep blijkt, behoeft de bedrijfsvereniging bij de malusbeschikking niet integraal de medische en arbeidskundige gegevens van de werknemer te verstrekken, doch kan zij volstaan met een transcriptie hiervan.

Voorts dient, volgens de Raad, in beroep door de rechter slechts toetsing van die medische en arbeidskundige gegevens plaats te vinden, indien de werkgever tegen deze gegevens gemotiveerde bezwaren heeft ingebracht. Ook al is sprake van een gemotiveerd bezwaar van de werkgever, dan betekent dit niet zonder meer dat de betreffende gegevens aan de werkgever moeten worden overgelegd. Met name wanneer de werknemer geen toestemming tot overlegging van de stukken verleent, bieden de artikelen 8:29 en 8:32 van de Algemene wet bestuursrecht de mogelijkheid om de betreffende gegevens niet aan de werkgever maar wel bijvoorbeeld aan zijn advocaat te verstrekken. De Raad meent dat de rechter per geval moet beoordelen in hoeverre ten aanzien van bepaalde stukken het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer moet leiden tot uitsluiting of tot enige vorm van beperkte kennisname zoals is geregeld in eerder genoemde artikelen van de Awb. Deze procedure kan er in bijzondere gevallen - zoals bij ernstige psychische problemen - toe leiden dat bepaalde medische gegevens niet in de procedure gebracht kunnen worden. Een gevolg hiervan kan zijn dat de bedrijfsvereniging niet in staat is aan te tonen dat zij een juiste beslissing heeft genomen, zodat de malusbeslissing alsnog moet worden vernietigd.

  • 3. 
    Afschaffing bonus-malussysteem en de reïntegratie van personen met een arbeidshandicap

Leden van de fracties van de PvdA, D66, GroenLinks en de RPF hebben vragen gesteld over de toenemende selectie op gezondheid en de negatieve effecten daarvan voor de arbeidsmarktpositie van mensen met een arbeidshandicap.

Wij hebben goede nota genomen van het advies «Werk op maat» van de Nationale Commissie Chronisch Zieken en de daarin aangegeven knelpunten en mogelijke oplossingen. Diverse elementen uit dit advies zijn terug te vinden in de hier voorgestelde maatregelen. Het kabinet beseft dat deze maatregelen selectie op gezondheidsrisico niet kunnen voorkomen, maar wel verzachten, om met de woorden van de leden van de SGP te spreken. Het antwoord op de vraag van de leden van D66 of de voorliggende reïntegratie-instrumenten voldoende countervailing power zullen genereren en een vergelijkbare vraag van de leden van de RPF, kan dus niet met zekerheid positief worden beantwoord. Wij nemen aan dat deze problematiek aandacht zal blijven vragen. Overigens willen wij u wijzen dat ook in het wetsvoorstel inzake de premiedifferentiatie en marktwerking in arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (PEMBA) nadere maatregeleen aan u zullen worden voorgelegd. Terwijl de hier voorgestelde maatregelen beogen de reïntegratie van mensen met een arbeidshandicap te bevorderen, zijn de bedoelde beleidsmaatregelen in het wetsvoorstel PEMBA meer gericht op het voorkomen van een oneigenlijke selectie.

Ook wij onderkennen de noodzaak van een terughoudend gebruik van de medische aanstellingskeuring. Tijdens het hoofdlijnendebat over de medische keuringen in uw Kamer op 7 en 8 februari jl. heeft de Staatssecretaris van SZW gepleit tegen het oneigenlijk gebruik van deze keuringen; met name de onmogelijkheid en onwenselijkheid om eventueel toekomstig ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid te voorspellen is daarbij aan de orde geweest. Benadrukt is de noodzaak van een goed arbeidsomstandigheden- en verzuimbeleid, dat op het niveau van ondernemingen in Nederland gestalte moet krijgen. Dit zal een preventief effect hebben op het ontstaan van ziekte en arbeidsongeschiktheid.

Het kabinet hecht grote waarde aan het Protocol Aanstellingskeuringen en spant zich in om de opname van dit protocol en de totstandkoming van een goede klachtenregeling in CAO’s te stimuleren. Tijdens voornoemd debat is toegezegd de werking van dit protocol over twee tot drie jaren te evalueren. Aan de hand van de resultaten van deze evaluatie zal bezien worden of deze vorm van zelfregulering voldoende effect in de praktijk heeft gehad en of eventuele nadere maatregelen, in wetgevende zin, noodzakelijk zijn.

In het, door de leden van de fractie van Groen Links aangehaalde, jaarverslag van het Breed Platform Verzekeringen, staat dat het er op lijkt dat de selectie op gezondheid steeds verder naar voren in de sollicitatieprocedure verschuift. Deze ontwikkeling baart ook het kabinet zorgen. Het wervings- en selectiebeleid is primair de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers. In het kabinetsstandpunt van 1993 (Tweede Kamer 1992/1993, 23 020, nrs. 1 en 2) heeft het vorige kabinet zijn waardering uitgesproken over de Aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid uit 1991. Maar ook heeft het zijn zorgen geuit ten aanzien van de effectiviteit van de aanbevelingen, gelet op de te geringe doorwerking op ondernemingsniveau. In 1996 zal de overheid de doorwerking van deze aanbevelingen in CAO’s en in het ondernemingsbeleid onderzoeken. Verder zal de Stichting van de Arbeid advies worden gevraagd over de mogelijkheden om zelfregulering en deskundigheidsbevordering door middel van CAO-afspraken te stimuleren. In antwoord op de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks naar de taak van de overheid in deze, kan gezegd worden, dat deze vooral een stimulerende en signalerende taak is.

Echter bescherming dient gewaarborgd te zijn in situaties waar fundamentele waarden in het geding zijn. Daarbij moet ondermeer aan het non-discriminatiebeginsel worden gedacht. In de Algemene wet gelijke behandeling is dit beginsel niet voor leeftijd en handicap opgenomen. Daarom wordt de noodzaak en de mogelijkheid onderzocht om tot non-discriminatie wetgeving te komen. Als de resultaten van een onderzoek naar discriminatie op handicap bekend zijn (eind 1995) zal een nader standpunt worden ingenomen. Hiermee is tevens een antwoord gegeven op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA, welke nadere maatregelen de regering denkt te nemen om ongewenste risicoselecties te voorkomen.

Deze leden hebben voorts gevraagd of de regering nog nadenkt over verdere verbeteringen voor de arbeidsmarktpositie van chronisch zieken.

Het verbeteren van de arbeidsmarktpositie van mensen met een arbeidshandicap zal meer inspanningen, dan de voorgestelde reïntegratie-maatregelen en maatregelen op het terrein van werving en selectie,

vergen. Wij willen u, ondermeer, wijzen op de voorgenomen aanscherping van de ontslagbescherming voor arbeidsongeschikten in het kader van de preventieve toets, zoals aangekondigd in de reaktie van 2 juni jl. op vragen van het kamerlid Adelmund.

Verder zal de Nationale Commissie Chronisch Zieken gevraagd worden een activiteitenprogramma op te starten ten behoeve van deskundigheidsbevordering, voorlichting en bewustmaking van de verschillende actoren op de arbeidsmarkt (werkgevers, arbeidsbemiddelaars, arbeids-deskundigen, organisatiedeskundigen, beroepskeuzeadviseurs, ondernemingsraden, personeelsfunctionarissen). Dit zal kunnen bijdragen aan een beter inzicht in de potentiële mogelijkheden van de mensen met een arbeidshandicap en aan het wegnemen van vooroordelen. Het kabinet heeft hiervoor een bedrag van drie miljoen in drie jaar uitgetrokken.

Naast de Nationale Commissie Chronisch Zieken, is ook aan de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Geneeskunst (KNMG) gevraagd een mogelijke bijdrage te leveren waar het de deskundigheidsbevordering van artsen betreft.

In overleg met de Commissie zal in de komende periode worden geïnventariseerd, waar mogelijkheden liggen om binnen de kaders van het overheidsbeleid een (verdere) bijdrage te leveren. Verder zal de overheid de arbeidsmarktpositie van mensen met een arbeidshandicap de komende jaren monitoren. Binnenkort zal de Commissie hierover advies uitbrengen.

Of de arbeidsmarktpositie van mensen met een arbeidshandicap zal verbeteren, zal niet alleen afhangen van de effectiviteit van voornoemde maatregelen. Ook de inzet van alle betrokken partijen en hun bereidheid om zich hiervoor in te zetten, zullen bepalende factoren zijn. Het is dan ook verheugend dat de NCCZ voornemens is, in vervolg op het debat «Mensen met gezondheidsproblemen aan het werk», een rol te spelen als «belangenmaker en bruggenbouwer». De Commissie zal met partijen verder praten over concretisering van plannen voor behoud en verbetering van de arbeidsmarktpositie in brede zin. In het binnenkort te verschijnen meerjarenprogramma chronisch zieken van de NCCZ wordt hieraan aandacht besteed. Het kabinet acht de inzet van alle partijen hierbij van groot belang.

De leden van de fracties van D66, PvdA en GroenLinks hebben een vraag gesteld over de Wet arbeid gehandicapte werknemers (WAGW). Door de leden van de fractie van D66 wordt onder meer verwezen naar de behandeling van het wetsvoorstel loonkostensubsidie reïntegratie eigen werkgever in het kader waarvan de toenmalige Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is ingegaan op de registratieverplichting en de quotumverplichting.

Hoewel hij in eerste instantie niet onwelwillend stond tegenover een verdere uitwerking van de registratieverplichting heeft hij in het verdere verloop van de behandeling aangegeven dat de registratieverplichting een nadrukkelijke relatie heeft met de quotumverplichting en tevens aangegeven de quotumverplichting als een ultimum remedium te beschouwen. Dit alsmede de voornemens van het kabinet om tot een administratieve lastenverlichting voor werkgevers te komen, heeft er toe geleid dat is gezocht naar een alternatief voor de registratieverplichting.

Op ambtelijk niveau is bij het GAK nagegaan of het mogelijk is om op basis van reguliere informatiestromen inzicht te krijgen in het aantal gehandicapte werknemers per bedrijfstak. Bij het GAK blijkt dit inderdaad mogelijk te zijn. Ook bij de andere uitvoeringsinstellingen lijken zich geen problemen voor te doen. In aansluiting hierop is begin juni een brief aan het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) verzonden waarin het college wordt verzocht om de verschillende uitvoeringsinstellingen te benaderen om de gewenste gegevens ter beschikking te stellen. Het is onder meer de bedoeling om met deze gegevens als uitgangspunt overleg te voeren met de sociale partners over de deelname van mensen met een handicap aan het arbeidsproces. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat via de weg van overleg hetzelfde, zo niet meer, bereikt kan worden dan met het dwingend opleggen van een quotumverplichting.

4.1 Algemeen

De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Zij vragen of «tijdens de verbouwing de verkoop wel doorgaat». Verder vragen de leden van de fractie van D66 welke vorderingen er zijn gemaakt met betrekking tot taakstellingen voor reïntegratie voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

Het Ctsv heeft onderzocht hoe de overdracht van de arbeidsbemiddeling van de GMD naar de bedrijfsverenigingen is verlopen. In de vergadering van 24 mei heeft het Ctsv geconcludeerd dat de continuïteit van de uitvoering van de taak «arbeidsbemiddeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten» in de overgangssituatie van de GMD naar de bedrijfsverenigingen is gewaarborgd.

De 13 bedrijfsverenigingen, die bij het GAK een contract hebben, hebben begin 1995 aan het GAK de opdracht gegeven om voor het eerste half jaar van 1995 de arbeidsbemiddelende taak voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten uit te voeren. De bedrijfsverenigingen hebben in hun begroting van 1995 daar ook een budget voor opgenomen. Ook de andere bedrijfsverenigingen hebben via hun eigen uitvoeringsinstelling met het GAK een contract gesloten voor de uitvoering van de arbeidsbemiddeling voor het eerste half jaar van 1995.

Dat betekent dat alle bedrijfsverenigingen zich zelf een taak hebben gesteld op het gebied van reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

Op dit moment voeren alle bedrijfsverenigingen contractbesprekingen met het GAK, Arbeidsvoorziening en/of particuliere bemiddelaars voor de uitvoering van de bemiddelingsactiviteiten in het tweede half jaar van 1995.

Het Tica zal mij binnenkort informeren over de concrete plannen van de bedrijfsverenigingen.

Ik kan u dus verzekeren dat tijdens de verbouwing de verkoop zeker doorgaat en dat de bedrijfsverenigingen hun taak actief oppakken.

De leden van de VVD-fractie zijn van mening dat de regie van de arbeidsbemiddeling bij de uitkerende instantie moet liggen en dat de procescoö rdinatie dus niet automatisch bij arbeidsvoorziening moet liggen en dat er daarnaast een mogelijkheid moet zijn voor de uitkerende instantie om ook elders in te kopen.

Op dit moment ligt de regie voor de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsongeschikten bij de bedrijfsvereniging. De bedrijfsvereniging is daarvoor tenslotte verantwoordelijk. De bedrijfsvereniging kan zelf bepalen waar de bemiddelingsactiviteiten kunnen worden ingekocht (zie mijn brief van 4 november 1994). Op dit punt is er dus geen verschil van mening tussen de visie van het kabinet en de leden van de VVD-fractie.

In de toekomst als er meer structureel wordt samengewerkt tussen arbeidsvoorziening en de bedrijfsverenigingen zullen deze instanties gezamenlijk cliënten indiceren. De bedrijfsvereniging blijft verantwoordelijk voor de uitstroom van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de begrippen «bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging» en «inkoop van arbeidsbemiddeling bij Arbeidsvoorziening» impliceren dat Arbeidsvoorziening zonder die inkoop geen taak heeft ten aanzien van de gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

In de Invoeringswet Osv is er voor gekozen om gezien het belang van de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten, deze taak voorlopig over te dragen van de Gemeenschappelijk Medische Dienst naar de bedrijfsverenigingen. De bedoeling is dat de bedrijfsverenigingen zoveel mogelijk actieve traject-bemiddelingsactiviteiten voor deze doelgroep inzetten, hetzij via de bemiddelingseenheid van het GAK, via Arbeidsvoorziening of via particuliere bemiddelaars. Arbeidsvoorziening heeft net zoals naar alle andere werkzoekenden een algemene taak (informatie, advies, verwijzing).

Op deze wijze wordt op een zakelijke manier tussen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de bedrijfsverenigingen samengewerkt.

4.2 De bemiddelingspopulatie

De leden van de RPF-fractie vragen waarom de staatssecretaris ervan afziet de bemiddelingspopulatie in de wet zelf op te nemen. Is dat gebeurd met het oog op verdergaande wijzigingen van de arbeidsongeschiktheidsregelingen? De leden van de VVD-fractie merken in dit verband op dat het voornemen om de bemiddelingspopulatie uit te breiden met hen, die geen relatie hebben tot een arbeidsongeschiktheidsregeling of de WW en als gevolg van een functionele beperking een extra belemmering hebben bij de toetreding tot de arbeidsmarkt, sympathiek overkomt. Ze stellen daarbij wel de vraag, in hoeverre een dergelijke groep eenduidig te benoemen is en hoe in de praktijk goed en controleerbaar vast te stellen is of iemand tot deze groep behoort?

De Partij van de Arbeid ondersteunt dit voornemen, maar vraagt in dit verband tegelijk duidelijk aan te geven hoe lang personen die tot minder dan 15% of 25% zijn afgeschat en personen die na het ziektewetjaar niet in aanmerking komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering tot de bemiddelingspopulatie blijven behoren.

Impliceren de begrippen «bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging» en «inkoop van arbeidsbemiddeling bij Arbeidsvoorziening» dat Arbeidsvoorziening zonder die inkoop geen taak heeft ten aanzien van deze populatie? Hoe wordt voorkomen dat zich ten aanzien van de reïntegratie van ex-arbeidsongeschikten en gedeeltelijk arbeidsongeschikten een geheel eigen circuit gaat ontwikkelen?

Wij hebben bewust gekozen voor een «kapstokartikel» in de WAGW en een nadere invulling in een ministeriële regeling om daarmee ook flexibeler te kunnen inspelen op de in de praktijk gebleken behoefte aan gecoö rdineerde inzet van arbeidsmarktgerichte instrumenten en middelen, zoals ook in het NCCZ-advies «Werk op maat» ten aanzien van mensen met een arbeidshandicap is aangegeven. Daarbij zal ook worden ingegaan op de procedure voor de beoordeling van de onderhavige categorie.

De leden van de fractie van D66 onderschrijven de duidelijker omschrijving van de bemiddelingspopulatie waarop de reïntegratie-maatregelen van toepassing zijn. De leden van de D66-fractie vragen de staatssecretaris of dat ook geldt voor alle reïntegratiemaatregelen. Ook vragen de leden van de D66-fractie zich af of ongerijmdheden zoals vermeld in het rapport van het Hugo Sinzheimerinstituut (niet verdiend?) daarmee tot de verleden tijd gaan behoren. Daarbij gaat het om de volgende ongerijmdheden. Verzekerde wordt in het kader van de arbeidsongeschiktheidswetgeving als geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt beoordeeld, maar wordt vervolgens door dezelfde of andere instanties als arbeidsongeschikt (bedrijfsvereniging afdeling WW, particuliere verzekering) als «niet bemiddelbaar (bemiddeling bedrijfsver- eniging, RBA) of als niet plaatsbaar (Sociale Werkvoorziening) behandeld. Soms wordt een WW-uitkering geweigerd. «Een arbeidsdeskundige geeft aan dat er sprake is van discrepantie tussen de systematiek van de schatting en die van de arbeidsbemiddeling: verpleegkundigen (functieniveau 5) worden wel afgeschat of lagere functieniveaus (bijvoorbeeld functieniveau 2 van plantenstekker) maar worden daar vervolgens niet naar bemiddeld».

In een ander geval wordt een verzekerde afgeschat op minder dan 15% maar blijkt hij niet in aanmerking te komen voorwerk bij het Werkvoorzieningschap omdat hij medisch arbeidsongeschikt wordt bevonden.

Ook lijkt de groep vroeggehandicapten duidelijk afgebakend te zijn, maar ook hier kan een samenloop van omstandigheden tot onverwachte complicaties leiden. De leden van de D66-fractie verwijzen naar hetgeen daaromtrent op pagina 54/55 van het desbetreffende rapport is gesteld.

Wij zijn van mening, dat met de nader aangeduide groepen alsmede een nadere in de ministeriële beschikking te regelen groep van mensen met een arbeidshandicap veel van de in het rapport van het Hugo Sinzheimerinstituut gegeven voorbeelden tot het verleden zullen behoren.

Naar analogie van de Wagw toepassing zullen personen die tot minder dan 15% resp 25% worden afgeschat en geen recht meer hebben op een AAW/WAO-uitkering gedurende 1 jaar na afschatting tot de bemiddelingspopulatie worden gerekend.

In artikel 16 van de Wagw is de bemiddelingstaak voor de bedrijfsverenigingen geregeld, met daaraan verbonden de bevoegdheid om diensten in te kopen gericht op herinschakeling van gedeeltelijk arbeidsongeschikten in het arbeidsproces, een en ander zal nader vorm krijgen in het kader van de komende samenwerking tussen bedrijfsverenigingen, gemeenten en de RBAs.

Deze bemiddelingstaak voor de bedrijfsverenigingen is tijdelijk en zal op termijn worden overgedragen aan de arbeidsvoorziening.

In de beoogde samenwerking tussen arbeidsvoorziening en de uitvoeringsorganisaties voor de sociale zekerheid zal geen plaats meer zijn voor aparte circuits.

  • 5. 
    Concrete reïntegratie-instrumenten

De leden van de fracties van CDA en D66 refereren aan de werkzaamheden van een projectgroep die de diverse maatregelen op het terrein van de reïntegratie moest inventariseren. Het is inderdaad juist, dat - zoals de leden van de fractie van het CDA vragenderwijs constateren - de in het wetsvoorstel voorgestelde reïntegratiemaatregelen het resultaat zijn van de werkzaamheden van deze projectgroep. Met dit pakket van maatregelen kan de eerder aangekondigde stroomlijning van reïntegratie-instrumenten - de leden van de VVD-fractie hebben hierna gevraagd -worden bereikt.

De leden van de fractie van D66 wijzen erop dat geen uitvoeringstechnisch advies is ontvangen van het Tica. Deze leden betreuren dit, aangezien goede uitvoering van eminent belang is voor de effectiviteit van de maatregelen.

Ik deel deze zienswijze over het belang van een goede uitvoering. Daarom is bij de voorbereiding van het wetsvoorstel zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de technische kennis van de uitvoeringsorganisatie via persoonlijke netwerken van de beleidsvoorbereiders en wetstechnici. Daarnaast is ook over het wetsvoorstel Amber een technisch commentaar gevraagd aan het Tica. Naar men van die zijde heeft verzekerd, zal dit commentaar tijdig beschikbaar zijn om bij het gedetailleerd uitwerken van de maatregelen in lagere regelgeving te kunnen worden gebruikt.

De leden van de fracties van CDA en RPF, stellen de vraag aan de orde naar de samenhang tussen de diverse reïntegratie-maatregelen.

Bij de samenstelling van het pakket van reïntegratiemaatregelen is uitgegaan van de verminderde arbeidsmarktpositie en de financiële gevolgen daarvan voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Daarbij is het bestaande instrumentarium zodanig aangepast en uitgebreid dat enerzijds werkzoekenden met een arbeidshandicap worden gestimuleerd om werk te aanvaarden, en anderzijds financiële prikkels worden versterkt om de door werkgevers ervaren belemmeringen voor het in dienst nemen van gedeeltelijk arbeidsongeschikten weg te nemen.

Gezien de uiteenlopende categorieën en de verschillende situaties waarmee de onderhavige doelgroep kan worden geconfronteerd is hierbij maatwerk geboden, waarbij diverse instrumenten naar gelang de individuele situatie kunnen worden ingezet. In dat licht achten wij de voorgestelde diversiteit aan maatregelen, die op het eerste gezicht de indruk kan wekken van versnippering, noodzakelijk, willen de inspanningen van de bedrijfsverenigingen tot herinschakeling in het arbeidsproces van werkzoekenden met een functiebeperking kans van slagen hebben.

De fracties van PvdA, VVD, D66, GroenLinks, SGP en RPF vragen naar de werking van reeds bestaande reïntegratie-instrumenten. Gezien de door enkele leden al geconstateerde veelheid aan regelingen is het zeer relevant om zicht te hebben op de mate van gebruik en effectiviteit van het reïntegratie-instrumentarium als geheel en van de onderscheiden regelingen. Het is tot nu toe niet gelukt een betrouwbaar beeld te krijgen van de mate waarin het instrumentarium wordt toegepast. Daar informatie over de mate van toepassing al moeilijk te verkrijgen is, blijkt door de verscheidenheid aan instrumenten en de verschillende aangrijpingspunten in het geheel niet vast te stellen welke effecten aan welk instrument moet worden toegerekend.

Dit houdt niet tegen dat over een aantal van deze instrumenten enige informatie beschikbaar is.

Bewust van het belang van deze vragen is enige malen aan eerst SVr en later CTSV verzocht het aantal toepassingen van de verschillende regelingen te onderzoeken. Dit blijkt in de praktijk grote problemen op te leveren. Een belangrijke reden is dat toekenning van een voorziening vaak niet in een geautomatiseerd systeem wordt opgenomen en alleen vermeld staat in het dossier. Voorts verschillen de rapportages van bedrijfsverenigingen aan de SVr en het CTSV onderling en zijn daardoor moeilijk te vergelijken.

Voor zover bekend wordt van een aantal regelingen (exclusief het bonus/malussysteem) hieronder het gebruik aangegeven:

tijdens het eerste ziektejaar:

– artikel 30/31 ZW (aanvulling ziekengeld bij gedeeltelijke werkhervatting)

toepassingen in 1993: 207 577

– artikel 30 ZW (sanctie werknemer/werkgever bij niet aanvaarden/ aanbieden passende arbeid)

toepassingen in 1993: sancties werknemers onbekend, sancties werkgevers ± 25 (1992).

– artikel 71a WAO (vervolgplan/reïntegratieplan en sanctiemogelijkheid)

toepassingen in 1993: GAK: 52 616 (gemeten in de 12e week van arbeidsongeschiktheid)

na het eerste ziektejaar:

– artikel 31.4 AAW; artikel 42.4 WAO (uitstel schatting na scholing)

toepassingen in 1994 (alleen BVG bekend): ca. 60

– artikel 12.3 AAW; artikel 21.4 WAO (direct afschatten bij niet volgen van scholing)

toepassingen in 1994 (alleen BVG bekend): geen

– artikel 21a AAW; artikel 21.4 WAO (herziening naar hoger dagloon of hogere grondslag)

toepassingen in 1994 (alleen BVG bekend): ca. 400

geldend tijdens en na het eerste ziektejaar:

– artikel 59n AAW (loonkostensubsidie (lks) en inwerk- en begeleidingssubsidie (ibs) voor reïntegratie bij eigen [vanaf 1-1-1995] of nieuwe werkgever):

toepassingen in 1993: lks 2189, ibs 1336

toepassingen in 1994: lks 2725, ibs 1693

– artikel 57.1 en 57.a AAW (subsidie individuele resp. collectieve voorzieningen werknemers)

toepassingen in 1993: 7200 (individueel), 1800 (collectief).

– artikel 57.6 AAW (verhaal van loonkosten)

toepassingen in 1993: voor zover bekend geen.

– artikel 8 WAGW (loondispensatie)

toepassingen in 1993: 850

– artikel 11 Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid (verhoging som van loon en uitkering tot het minimumloon)

toepassingen in 1993: geen (recentelijk ingevoerd).

– TAW (Besluit taakverlichting alleenstaande werkenden/AAW)

toepassingen in 1993: onbekend, (uit SVr onderzoek bleek in1990: 31 toekenningen)

– Regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers toepassingen in 1993: geen (1-4-94 ingevoerd)

toepassingen in 1994 (alleen BVG bekend): ca. 5

Onderzoek naar de effectiviteit heeft tot nu toe slechts fragmenten geleverd van het gewenste beeld. Het voornemen is de nieuw in te voeren instrumenten tezamen met de bestaande instrumenten op te nemen in een monitor die kwantitatieve ontwikkelingen volgt. Daarnaast moet kwalitatief onderzoek vragen naar effectiviteit, bekendheid en ervaringen met de toepassing van de verschillende instrumenten beantwoorden. Zoals gebruikelijk zal de Kamer zo snel mogelijk over de resultaten van deze onderzoeken en rapportages geïnformeerd worden.

Op dit moment is het dan ook niet mogelijk van elk van deze instrumenten aan te geven of de resultaten voldoen aan de gestelde doelstellingen. Men dient zich hierbij overigens te bedenken dat een aanzienlijk aantal werkgevers naast de wettelijke instrumenten ook zelf werkaanpassingen treft en bekostigt voor langdurig zieke werknemers.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de PvdA-fractie aan te geven welke data de regering nastreeft met betrekking tot de inwerkingtreding van de diverse voorgestelde maatregelen, kunnen wij meedelen, dat het streven erop is gericht de voorgestelde reïntegratiemaatregelen zo snel als mogelijk is, in werking te laten treden. Een en ander zal mede afhankelijk zijn van de mogelijkheden tot implementatie van de regelingen door de uitvoeringsinstanties. Uiteraard is in dit kader ook van belang, of er op grond van de voorgestelde wijziging van artikel 76 WAO door het Tijdelijk instituut voor coö rdinatie en afstemming ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds voor de betreffende reïntegratiemaatregel tijdig een budget is vastgesteld dat door het College van toezicht sociale verzekeringen is goedgekeurd.

Voor sommige van de nieuw voorgestelde maatregelen, zoals de loonsuppletie en de inkomenssuppletie voor zelfstandigen, geldt voorts dat deze in een algemene maatregel van bestuur nader moeten worden uitgewerkt. Deze zullen in ieder geval niet in werking kunnen treden voordat de betreffende algemene maatregelen van bestuur tot stand zijn gekomen. Uiteraard zal ook daarmee de nodige spoed worden betracht.

Uit een eerste steekproef is gebleken dat nieuwe instrumenten zoals de proefplaatsing een invoeringstijd vergen van zeker enige maanden.

De implementatie van de voorgestelde garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikten en de bepalingen die strekken tot uitvoering van de motie Van Dijke (herziening of toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkering bij toename van de arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan de uitkering eerder is toegekend of herzien) zal naar verwachting een kortere invoeringstijd vergen en kunnen daarom op kortere termijn in werking treden. Dit geldt overigens ook voor de voorgestelde verbetering van reeds bestaande reïntegratie-instrumenten, zoals beschreven in § 5.1. van het algemeen deel van de toelichting.

De leden van de fractie van de Partij van de Arbeid vragen zich af of het gewenst is een deel van de banen in het kader van het 40 000-banenplan te oormerken voor ex-arbeidsongeschikten en gedeeltelijk arbeidsge-schikten.

In het kader van het 40 000-banenplan is het aan de gemeente om kandidaat-werknemers voor te dragen. De gemeente heeft op grond van artikel 2 van de regeling extra werkgelegenheid werkzoekenden ook de mogelijkheid andere personen voor te dragen dan de primaire doelgroep van uitkeringsgerechtigen in het kader van de Algemene Bijstandswet en aanverwante gemeentelijke uitkeringsregelingen, mits deze langer dan een jaar werkloos werkzoekend zijn.

Daartoe behoren nadrukkelijk ook de groepen die de vragenstellers bedoelen. Bij de monitoring van de uitvoering van de regeling zal worden nagegaan welk gebruik gemeenten van deze bevoegdheid maken. Het oormerken van arbeidsplaatsen voor specifieke doelgroepen is op dit moment niet aan de orde.

De leden van de fractie van de SP stellen de vraag of de genoemde reïntegratiemaatregelen bedoeld zijn om de negatieve gevolgen van de nieuwe WAO te verzachten.

De in Amber opgenomen reïntegratiemaatregelen hebben tot doel om de kansen op de arbeidsmarkt voor personen met een arbeidshandicap te verbeteren. Het instrument van de loonsuppletie levert daaraan een bijdrage. Het pakket maatregelen zou ook zonder de per 1 augustus 1993 gewijzigde arbeidsongeschiktheidsregelingen van groot belang zijn geweest.

5.1.1 Loonkostensubsidie

De leden van de VVD-fractie zijn berichten ter ore gekomen dat van de zijde van de bedrijfsverenigingen zeer terughoudend wordt omgegaan met de eind vorig jaar tot stand gekomen loonkostensubsidieregeling bij reïntegratie van de eigen werknemer. Dit omdat deze niet zou aansluiten bij de toch al bestaande verplichting van de werkgever tot reïntegratie van de eigen werknemer.

Hoewel op de werkgever de verplichting rust al het mogelijke te doen om de betreffende werknemer in dienst te houden en ander passend werk te bieden, zijn er, zoals destijds in het kader van de parlemenaire behandeling van het wetsvoorstel tot uitbreiding van de loonkostensubsidieregeling is opgemerkt, grenzen aan de mogelijkheden tot reïntegratie. Met name in deze grensgevallen kan een duwtje in de rug helpen. Aangezien de desbetreffende wet, bezien tegen deze achtergrond, een beperkte strekking. heeft, lag het ook niet voor de hand, dat op uitgebreide schaal van die mogelijkheid gebruik zou worden gemaakt.

Voorts vragen de leden van de SGP-fractie of het niet voor de hand ligt om, nu het loonkosten-subsidie-instrument nog verder wordt uitgebouwd, een integratie te bewerkstelligen met de wet ter bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn (Wet Vermeend/Moor).

Wij hebben begrip voor de gedachte die deze leden opwerpen, maar achten deze integratie niet opportuun om de volgende redenen: Aan de expliciete keuze voor een pakket van maatregelen toegespitst op de groep (ex-)arbeidsongeschikten heeft de overweging ten grondslag gelegen dat er weliswaar vergelijkbare omstandigheden denkbaar zijn wat de arbeidsmarktpositie van deze groep en die van langdurig werklozen betreft, maar dat de belemmeringen voor reïntegratie in het arbeidsproces voor de groep mensen met een arbeidshandicap over het geheel genomen hardnekkiger van aard zijn en extra ondersteuning vragen.

In het verlengde daarvan wijzen wij erop dat de hoogte van de loonkostensubsidie van 25% substantieel hoger is dan de WBA- vrijstelling (die in de nieuwe constellatie van een – veel lager – vast bedrag uitgaat).

5.1.2 Toepassing Regeling Vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers

Het toepassen van de Regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers op chronisch zieken met een uitkering of een voorziening komt de leden van de RPF-fractie oneigenlijk voor. Is deze regeling niet bij uitstek bedoeld voor mensen die zichzelf beslist niet zelfstandig kunnen redden, zoals verstandelijk gehandicapten en chronisch psychiatrische patiënten? Deze leden dringen erop aan een kostenraming te maken van de gevolgen van de voorgestelde bredere toepassing van deze regeling.

De leden van de D66-fractie zijn het met de verruiming eens maar vragen zich af wat moet worden begrepen onder de volgende zinsnede: De veronderstellingen ten aanzien van het gebruik van de regeling zijn gebaseerd op de ruime uitleg zoals die nu ook zal worden uitgedragen. Derhalve worden hiervoor ook geen extra lasten geraamd. De leden van de fractie van D66 constateren dat het gebruik van deze regeling vaak veel problemen met zich mee brengt. De bedrijfsvereniging kan aan de werkgever een persoonlijke vergoeding geven voor de persoonlijke ondersteuning.

Op grond van artikel 3 van de Regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers kunnen organisaties deze persoonlijke ondersteuning verlenen. Deze organisaties kunnen te maken krijgen met verschillende bedrijfsverenigingen, dit heeft als gevolg dat er extra inspanningen moeten worden geleverd om die persoonlijke ondersteuning te leveren. De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat deze extra inspanningen de kwaliteit en kwantiteit van de reïntegratie niet ten goede komt. De bedrijfsvereniging kan aan de werkgever een vergoeding geven voor noodzakelijke persoonlijke ondersteuning van deze werknemer. Dit betekent dat de werkgever deze persoonlijke ondersteuning eerst moet voorschieten en daar zijn werkgevers niet zo happig op. De leden van de D66-fractie vragen de regering hierop te reageren.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af of de regering nog nadenkt over verdere verbeteringen voor de specifieke categorie chronisch zieken?

De leden van de fractie van GroenLinks werpen de vraag op hoe vaak die regeling op dit moment wordt toegepast. Is het gewaagd te stellen dat deze regeling niet bepaald als een reïntegratie-instrument bij uitstek geldt? En wat moeten we in redelijkheid van de voorgestelde verruiming verwachten? Zullen daar nu werkelijk meer dan hoogstens een handvol arbeidsongeschikten mee geholpen zijn?

Het in het NCCZ-advies «Werk op maat» voorgelegde voorstel tot uitbreiding van de «Regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers» tot de doelgroep chronisch zieken is aanleiding geweest om de feitelijke beperkte toepassing van de regeling, te heroverwegen. De NCCZ pleit er krachtig voor deze beperking terug te draaien.

De regeling staat nu al open voor de gehele doelgroep van de Wagw, maar wordt door de uitvoering slechts toegepast voor verstandelijk gehandicapten en mensen met een psychische handicap. Bij de begroting van de maatregel is reeds uitgegaan van een ruime toepassing. Dit betekent in feite dat momenteel sprake is van onderuitputting. Het Tica zal daarom worden verzocht, zoals in de toelichting bij het wetsvoorstel toegezegd, de uitvoeringsinstructie aan te passen.

Gezien het persoonsgebonden karakter van de regeling kan de procedure voor het in aanmerking komen voor deze ondersteuning enige inspanning van de werkgever vergen. Wij achten dit echter geen onoverkomenlijke belasting voor werkgevers. Afzonderlijke werkgevers zullen over het algemeen slechts in een gering aantal gevallen een beroep hoeven te doen op de regeling. Deze inspanning hoeft tenslotte slechts bij aanvraag te worden verricht.

Ten onrechte veronderstellen de leden van de fractie van D66 dat de vergoeding slechts ter beschikking komt wanneer de kosten eenmaal zijn gemaakt.

In tegenstelling tot de verwachting van de leden van de fractie van GroenLinks, verwachten wij dat de verruimde toepassing van de regeling werkgevers aanleiding zal geven om hiervan ook voor chronisch zieken met een arbeidshandicap in toenemende mate gebruik te maken.

5.1.3 Startersregeling voor zelfstandigen

De leden van de fractie van de SGP willen graag weten hoe de bestaande startersregeling zelfstandigen functioneert. De leden van de RPF-fractie hebben niet de illusie dat een verbetering van de benutting van de bestaande regelingen zal leiden tot substantiële verbeteringen in de sfeer van de reïntegratie. Zij vragen of er voldoende inzicht bestaat in het gebruik en de effectiviteit van deze regelingen. Ook de leden van de fractie van GroenLinks zijn niet enthousiast over de voorstellen ten aanzien van de startersregeling voor zelfstandigen. Zij merken op dat deze voorstellen niet tegemoet komen aan in de praktijk gerezen knelpunten van zelfstandigen, bijvoorbeeld het knelpunt dat na drie jaar werken als zelfstandige de WAO-bescherming vervalt en zelfstandigen in de positie kunnen komen dat voortzetting van hun bedrijf om die reden economisch niet langer verantwoord is. Over de antwoorden op de Kamervragen die hierover onlangs zijn gesteld, waren de leden van de fractie van GroenLinks niet tevreden.

Voor zover op dit moment bekend, functioneert de startersregeling neergelegd in het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz) goed. De uitgaven in het kader van dit besluit hebben de afgelopen jaren een stijgende lijn vertoond. Er werd in 1993 in totaal voor ruim f 150 mln. aan Bz-uitkering verstrekt. In het eerste kwartaal van 1994 lag het totaalbedrag aan

Bz-uitgaven op meer dan f 50 mln. Jaarlijks wordt aan enkele duizenden zelfstandigen een Bz-uitkering verstrekt; in 1993 ging het om uitkeringen aan ongeveer1500 startende ondernemers.

De levensvatbaarheid van nieuwe ondernemingen die een Bz-starters-krediet hebben ontvangen lijkt groter te zijn dan die van andere startende ondernemingen. Dit jaar wordt een evaluatie-onderzoek van het Bz uitgevoerd, waarbij ook de effectiviteit van de regeling aan de orde zal komen. Wellicht ten overvloede wordt opgemerkt dat tegelijk met de inwerkingtreding van de (heringerichte) Algemene bijstandswet (Abw), ook een nieuw, op deze Abw aansluitend Besluit bijstandsverlening zelfstandigen in werking zal treden (zie Staatsblad 1995, 203). De hoofdlijnen t.a.v. beginnende zelfstandigen in dit nieuwe besluit in combinatie met de nieuwe Abw wijken niet in belangrijke mate af van die van het huidige Bz.

Op het voorbeeld dat de leden van de fractie van GroenLinks aan de orde stellen, wordt elders in deze nota onder het kopje «inkomens-suppletie gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen» ingegaan.

In de memorie van toelichting is opgenomen dat voor die werknemers met een arbeidshandicap, die geen beroep kunnen doen op het Bijstandsbesluit zelfstandigen, voorzieningen kunnen worden verstrekt in het kader van artikel 57, eerste lid, AAW. Dit kan worden overwogen indien de arbeid als zelfstandige als de enige of allerbeste mogelijkheid voor iemand moet worden gezien om zijn arbeidsongeschiktheid te verbeteren. Bovendien moet aannemelijk zijn, dat de betrokkene ook de capaciteiten bezit als zelfstandige te werken en zich als zodanig te handhaven. De leden van de fractie van D66 vragen, hoe het bovenstaande aannemelijk kan worden gemaakt.

In de uitvoeringspraktijk zal in dit soort gevallen onder meer gekeken worden naar het ondernemingsidee van de betrokkene, naar de soort en de omvang van zijn arbeidshandicap en de te verwachten ontwikkelingen daarvan, naar zijn kennis en persoonlijke vaardigheden en zijn persoonlijke situatie, en ten slotte ook naar de marktsituatie, de voorgenomen lokatie voor het bedrijf en de daarvoor geldende vestigingseisen. Al naar gelang de betrokkene beter op deze punten «scoort», heeft hij meer kans op inzet van een voorziening op grond van art. 57, eerste lid, AAW.

Het bevreemdt de leden van de fractie van D66, dat in de memorie van toelichting wordt aangekondigd dat de uitvoerders van het Bijstandsbesluit zelfstandigen en van artikel 57, eerste lid, AAW erop gewezen zullen worden dat deze instrumenten voor daarvoor in aanmerking komende gevallen daadwerkelijk dienen te worden ingezet. Zij vragen of dit impliceert dat aan de inzet daarvan wordt getwijfeld, en tevens vragen zij hoe de staatssecretaris deze instrumenten onder de aandacht zal brengen.

Wij kunnen niet inzien waarom het vreemd zou zijn bij de uitvoerders van het Bz en van artikel 57, eerste lid, AAW, nog eens extra aandacht te vragen voor de inzet van deze instrumenten voor personen met een arbeidshandicap die een eigen bedrijf willen starten. Wij zullen hiervoor in een aan deze uitvoeringsorganen gerichte brief aandacht vragen.

Deze leden hebben ten slotte nog een opmerking gemaakt over artikel 57, eerste lid, AAW. Dit artikel regelt de bevoegdheid van de bedrijfsvereniging om de kosten die de werkgever maakt om de werkplek aan te passen, te vergoeden. Deze leden zijn van mening dat dit artikel belemmerend kan werken omdat de werkgever eerst geld moet investeren en pas (veel) later het geld zou terug krijgen.

Allereerst zij er op gewezen dat de aanpassing op de werkplek met name wordt vergoed op basis van artikel 57a AAW, althans voorzover het aanpassingen voor werknemers betreft. Zelfstandigen kunnen deze kosten vergoed krijgen op basis van artikel 57 AAW. Naast aanpassingen op de werkplek bestaan er de werkvoorzieningen. Het betreft dan veeleer voorzieningen die kunnen worden meegenomen. Deze voorzieningen kunnen worden verstrekt op grond van artikel 57, eerste lid, AAW.

Reeds in 1990 is onderkend dat de lange aanvraagprocedure van met name de aanpassingen op de werkplek een knelpunt kunnen vormen bij de reïntegratie. Dit kwam naar voren uit het evaluatie-onderzoek naar de werking van de WAGW waarover de Tweede Kamer in 1990 werd gerapporteerd. Tevens werd in dit onderzoek geconstateerd dat specifieke voorzieningen die ten laste komen van het Algemeen arbeidsongeschiktheidsfonds slechts een ondergeschikte rol spelen bij de reïntegratie.

In het najaarsoverleg van 1990 werd overigens wel afgesproken dat de uitvoeringsorganen zou worden verzocht er naar te streven om de beslistermijnen met betrekking tot voorzieningen, met name die in de werksfeer, terug te brengen. Er zou moeten worden gestreefd naar een termijn van drie maanden. Inmiddels is het Besluit beslistermijnen sociale verzekeringswettten in werking getreden. In dit besluit is vastgelegd dat een beschikking met betrekking tot de verstrekking van voorzieningen dertien weken na ontvangst van de aanvraag dient te worden afgegeven. Hiervan uitgaande lijkt het ons dat indien een werkgever tijdig contact zoekt met de uitvoeringsinstelling en overleg voert over de werkplekaanpassing, er sprake kan zijn van een spoedige vergoeding van kosten zodat de werkgever deze kosten niet hoeft voor te schieten.

5.1.4 Scholing met behoud van uitkering

De CDA-fractie vraagt of, nu per 1 april jl. de subsidie van het CBA voor opleidings- en scholingskosten van gedeeltelijk arbeidsongeschikten is beëindigd, de financiering ter zake in voldoende mate vanuit artikel 57, eerste lid AAW wordt opgevangen. Ook de leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de beschikbaarheid van voldoende middelen voor de financiering van de opleidings- en scholingskosten en of die middelen ook worden ingezet voor degenen die dat nodig hebben.

De bedrijfsverenigingen zijn per 1 januari 1995 verantwoordelijk geworden voor de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Op grond van deze taak en mede op grond van artikel 57 van de AAW kunnen bedrijfsverenigingen alle kosten in verband met de bemiddeling, inclusief de daarvoor noodzakelijke scholing, bekostigen. De kosten van de opleidingen en scholing zullen door het Tica primair worden vergoed uit het overgebleven CBA-budget (2 miljoen) en zodra het budget is uitgeput, ten laste komen van het Aaf.

Het kabinet gaat er vanuit dat de bedrijfsverenigingen, conform de wetgeving de middelen doelmatig en doeltreffend inzetten. Het Ctsv zal daar toezicht ophouden en zonodig maatregelen nemen.

Inkomensvoorziening tijdens opleiding of scholing

Het verheugt ons dat de leden van de fracties van de VVD en D66 met ons van mening zijn dat het op artikel 76 WW getroffen scholingsbesluit van het Tica verruimd en verduidelijkt moet worden. Zoals in de memorie van toelichting gesteld, zal hiertoe een verzoek worden gericht aan het Tica. Uiteraard – dit in antwoord op een vraag van de leden van de VVD-fractie – zal daarin de door het kabinet en parlement wenselijk geachte richting en doelstelling van de gevraagde aanpassingen worden aangegeven. De leden van de RPF-fractie vragen te reageren op het standpunt van de RCO (brief van 19 juni 1995), dat het huidige systeem voldoende mogelijkheden biedt om op effectieve wijze scholing tijdens werkloosheid mogelijk te maken, omdat de een-jaarstermijn in de meeste gevallen voldoende moet zijn, terwijl bij een langere scholing aanspraak kan worden gemaakt op een uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW). De leden van de SP-fractie vragen naar aanleiding van hetgeen in de inleiding van paragraaf 5.1.4 van de toelichting is gesteld voor wie een vervolguitkeringsduur WW van drieënhalf jaar geldt.

Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven, zijn de criteria waaraan een bepaalde opleiding of scholingsmogelijkheid moet voldoen, wil deze met behoud van WW-uitkering (alsmede, indien nodig, met doorbreking van de maximumduur van de WW-uitkering) kunnen worden gevolgd, neergelegd in een op grond van artikel 76 WW getroffen scholingsbesluit van het Tica. Eén van de daarin opgenomen regels is, dat de opleiding of scholing niet langer mag duren dan een jaar. Deze regel is indertijd in het besluit opgenomen omdat, mede gezien eerdere ervaringen, werd aangenomen dat het mogelijk moest zijn iedere WW-gerechtigde via een opleiding van een jaar of korter weer voldoende mogelijkheden te geven op de arbeidsmarkt. Deze aanname is echter onjuist gebleken voor WW-gerechtigden met een arbeidshandicap. Zij zullen immers juist door hun handicap vaker ingrijpender moeten om-, her- of bijscholen dan andere WW-gerechtigden. Met het oog daarop zal met name voor deze groep aan het Tica worden verzocht zijn besluit bij te stellen. De opmerking dat bij scholing van langer dan een jaar ook een beroep zou kunnen worden gedaan op de Algemene Bijstandswet is in haar algemeenheid niet juist. Allereerst staat de wettelijke bepaling in combinatie met het Tica-besluit scholing met behoud van WW-uitkering in het geheel niet toe, indien de scholing langer duurt dan een jaar. Een constructie ingevolge welke het eerste scholingsjaar met behoud van WW-uitkering zou kunnen worden gevolgd, en de rest van de scholingsduur met behoud van uitkering ingevolge de ABW, is derhalve niet mogelijk. Zou dat wèl mogelijk worden gemaakt, dan zou vervolgens het risico onstaan dat de sociale dienst anders over de noodzakelijkheid van de opleiding oordeelt dan de bedrijfsvereniging, met als gevolg dat de kans aanwezig zou zijn dat betrokkene achteraf de opleiding zou moeten afbreken. Ook dit zou wel weer kunnen worden opgelost, maar daarmee zouden betrokkenen uiteindelijk toch in een beduidend slechtere positie terechtkomen dan de positie die door ons wordt voorgesteld. Immers, alle betrokkenen zouden dan na een jaar aangewezen raken op de bijstand. De bijstandsuitkering is niet alleen vaak lager dan die van de WW, maar is bovendien, anders dan de WW-uitkering, afhankelijk van het partnerinkomen en het vermogen. Wij zijn van mening dat ons voorstel, namelijk uitbreiding voor de betrokken groep van de maximumduur op grond waarvan met behoud van WW-uitkering (en overigens ook van eventuele AAW/WAO-uitkering) scholing kan worden gevolgd zowel eenvoudiger (één loket), als efficiënter (geen risico van verschillende oordelen t.a.v. de noodzakelijkheid) als gunstiger voor betrokkenen is.

Aan de leden van de SP-fractie kan nog worden geantwoord dat de duur van de vervolguitkering WW drieënhalf jaar is voor personen die op hun eerste werkloosheidsdag 57,5 jaar of ouder waren. Door deze vervolguitkeringsduur wordt bereikt dat de WW-uitkering van deze groep precies door kan lopen tot de maand waarin men de leeftijd van 65 jaar bereikt, op welk moment de WW-uitkering stopt en de uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet ingaat.

De leden van de fractie van D66 hebben vernomen dat het in de praktijk lang kan duren voordat men toestemming krijgt voor het volgen van een opleiding of een scholing. De scholingsbepaling zou moeilijk uitvoerbaar, dan wel arbeidsintensief zijn. Zij vragen hierop een reactie te geven.

Bij de beoordeling van de vraag of het aan een individuele WW-gerechtigde zal worden toegestaan scholing met behoud van uitkering te volgen, moeten twee sub-vragen worden beantwoord. Allereerst moet worden onderzocht of de gewenste opleiding of scholing voldoet aan de criteria uit het bovenbedoelde Tica-besluit. Dit is de zogenaamde «objecttoets». Bij het verrichten van de objecttoets speelt het oordeel van het arbeidsbureau over de arbeidsmarktrelevantie van de opleiding een belangrijke rol. Daarnaast moet worden nagegaan of de betreffende opleiding of scholing voor betrokkene noodzakelijk kan worden geacht (subjecttoets). Ook hier zal het oordeel van het arbeidsbureau veelal van belang zijn. In het verleden is de samenwerking tussen arbeidsbureaus en bedrijfsverenigingen op het punt van scholing soms stroef verlopen, hetgeen er onder omstandigheden inderdaad toe kon leiden dat het lang duurde voordat men antwoord kreeg op de vraag of men met behoud van uitkering aan een opleiding kon beginnen. De afgelopen jaren is de samenwerking op dit punt echter verbeterd, onder andere door het instellen van een duidelijke procedure die in acht moet worden genomen bij de behandeling van aanvragen tot scholing met behoud van WW-uitkering. Verwacht wordt dat de samenwerking en daarmee ook de besluitvormingsprocedure, nog zullen verbeteren naarmate de betrokken uitvoeringsorganen nauwer met elkaar zullen gaan samenwerken. Als bekend heeft het kabinet vergaande beleidsvoornemens op dit punt (m.n. één-loketmodel voor de dienstverlening van arbeidsbureaus, uitvoeringsinstellingen werknemersverzekeringen en sociale diensten).

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of niet ook het scholingsbeleid ten aanzien van personen met een volledige WAO- of AAW-uitkering mede voor verruiming in aanmerking komt. Tevens vragen zij in hoeverre bij een intensief scholingsbeleid door de bedrijfsverenigingen financiële tekorten zijn te verwachten en of de regering bereid is in financiële zin garanties te treffen opdat (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten optimaal gebruik kunnen maken van het scholingsinstrument. De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de beschikbaarheid van voldoende middelen voor de financiering van de opleidings- en scholingskosten. Hoe kan worden bewerkstelligd dat er voldoende middelen beschikbaar zullen komen en dat daarvan ook waar nodig gebruik zal kunnen worden gemaakt?

Het scholingsbeleid voor personen met een volledige arbeidsongeschiktheidsuitkering is naar onze mening ruim genoeg, zeker na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel. Anders dan de WW, kennen de AAW en de WAO niet de uitkeringsvoorwaarde dat men beschikbaar dient te zijn voor arbeid. Daar waar het volgen van een opleiding of scholing afbreuk doet aan die beschikbaarheid, hoeft, anders dan in de WW, in de AAW of WAO dan ook niet geregeld te worden dat desondanks het recht op uitkering blijft bestaan: dat gebeurt in principe automatisch. Ook kennen de AAW en de WAO geen maximum-uitkeringsduren, zodat een duurdoorbreking in die wetten niet geregeld hoeft te worden. Het enige dat wèl mogelijk is, is dat tijdens en ten gevolge van de opleiding of scholing de mate van arbeidsongeschiktheid afneemt. In dat geval zou zonder nadere bepaling de uitkering moeten worden herzien of ingetrokken. In het voorliggende wetsontwerp wordt nu voorgesteld een dergelijke herziening of intrekking onmogelijk te maken (men leze de voorgestelde vierde leden van de artikelen 32 AAW en 43 WAO). Wat betreft de niet met de voorziening in het inkomen verband houdende kosten van een opleiding of scholing kan een beroep worden gedaan op het (ruim geformuleerde) artikel 57 AAW. Voor zover ons bekend, zijn er geen signalen dat verruiming van (de toepassing van) dit artikel nodig is.

Aangenomen dat het scholingsbeleid doelmatig zal worden toegepast – hierop ziet het College van toezicht sociale verzekeringen toe – valt van een intensiever scholingsbeleid ook een grotere uitstroom naar betaalde arbeid en daarmee een besparingseffect in de werknemersverzekeringen te verwachten. Wij voorzien bij een intensief scholingsbeleid dan ook geen financiële tekorten. Het zal de taak van het Tica worden, per reïntegratiemaatregel en per kalenderjaar een budget, afkomstig uit het

Arbeidsongeschiktheidfonds (Aof), vast te stellen, onder goedkeuring van het Ctsv en met toestemming van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Indien het voor scholing gereserveerde budget naar de mening van de Minister ontoereikend is, zal deze toestemming aan het Tica-besluit kunnen worden onthouden.

De leden van de fractie van D66 vragen of artikel 77 van de WW ook geldt ten aanzien van de bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging.

Artikel 77 van de WW, een artikel dat gaat over werken met behoud van WW-uitkering, is nog niet in werking getreden. Wij nemen hier dan ook aan dat de leden van de fractie van D66 bedoelen te vragen, of artikel 76 WW ook zal gelden ten aanzien van de bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging. Het antwoord daarop is, dat artikel 76 WW kan gelden voor iedere WW-gerechtigde, derhalve ook voor WW-gerechtigden die tevens behoren tot de bemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging.

De leden van de fractie van D66 stellen ook een vraag over de in het wetsvoorstel opgenomen nieuwe vierde leden van de artikelen 32 AAW en 43 WAO. In die leden wordt voorgesteld te bepalen dat de bedrijfsvereniging de uitkering van een AAW/WAO-gerechtigde tijdens het volgen van een opleiding of scholing niet ter zake van een daaruit voortvloeiende afname van de arbeidsongeschiktheid mag intrekken of herzien, tenzij artikel 12, derde lid, AAW of artikel 21, vierde lid, WAO van toepassing is. Dat wil zeggen: tenzij betrokkene in onvoldoende mate meewerkt aan het bereiken van een gunstig resultaat van de opleiding of scholing. De leden van de fractie van D66 vragen nu hoe kan worden vastgesteld of sprake is van «voldoende meewerken».

Vooropgesteld zij dat het antwoord op deze vraag in de uitvoeringspraktijk zal moeten worden gevonden. Daarbij zal er ten aanzien van de personen waar het hier om gaat, dat wil zeggen ten aanzien van personen die reeds met een opleiding zijn gestart, logischerwijze in eerste instantie van worden uitgegaan dat zij voldoende zullen meewerken aan het bereiken van een gunstig resultaat ervan. De vraag zal dan veeleer zijn, in welke gevallen geconstateerd moet worden dat er sprake is van een «onvoldoende meewerken». Hiervan zal in ieder geval sprake zijn indien de opleiding zonder redelijke gronden wordt afgebroken dan wel zonder redelijke gronden examens worden gemist, toetsen onvoldoende worden gemaakt omdat deze duidelijk slecht zijn voorbereid, of werkstukken niet worden ingeleverd. In andere gevallen zal het aan de uitvoeringsorganisatie zijn om na te gaan of sprake is van onmacht of van onwil. Zonodig is er de rechter, die in individuele gevallen het oordeel van de bedrijfsvereniging zal kunnen toetsen.

De leden van de fractie van D66 wijzen op een in het rapport van het Hugo Sinzheimer Instituut gegeven voorbeeld waarin de uitkomst van de schatting de reïntegratie van de verzekerde belemmert omdat de verzekerde geen gelegenheid meer krijgt om een reeds gevolgde opleiding of scholing af te maken. De leden van deze fractie vroegen om een reactie hierop in relatie met het voorliggende wetsvoorstel.

Zoals in het bovenstaande reeds op een vraag van de leden van de fractie van GroenLinks is geantwoord, is in het voorliggende wetsvoorstel geregeld dat de AAW/WAO-uitkering van degene die schoolt met behoud van uitkering tijdens die scholing ten gevolge van een eventuele hierdoor toegenomen arbeidsgeschiktheid niet mag worden ingetrokken of herzien. Dit doet echter niet af aan de mogelijkheid dat deze uitkering tijdens het volgen van de scholing om andere redenen dan een ten gevolge van de scholing toegenomen arbeidsgeschiktheid kan worden herzien. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn indien betrokkene tijdens het volgen van de scholing geconfronteerd wordt met een herbeoordeling op basis van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium. Heeft betrokkene een WAO-uitkering, dan zal in dit soort gevallen echter veelal recht op WW-uitkering ontstaan. Mede gezien het voornemen het Tica te verzoeken zijn besluit inzake scholing met behoud van WW-uitkering voor de betrokken groep te verruimen, zal de scholing na een dergelijke afschat-ting vaak kunnen worden voortgezet met behoud van WW-uitkering (en met een eventueel restant van de AAW/WAO-uitkering).

De leden van de fractie van D66 gaan nog in op het feit dat diverse vroeggehandicapte jongeren sinds de invoering van de wet TBA niet in aanmerking komen voor een AAW-uitkering en dat dit voor hen tevens inhoudt dat zij niet in aanmerking komen voor een AAW-voorziening in de vorm van een opleiding aan een specifiek scholingsinstituut voor gehandicapten.

Deze problemen hebben zich inderdaad voorgedaan. Dit kwam ondermeer voort uit het feit dat de bedrijfsverenigingen en de voormalige Gemeenschappelijke Medische Dienst een verschillende opvatting hadden over het scholingsbeleid op grond van artikel 57 van de AAW.

In tegenstelling tot de GMD waren de bedrijfsverenigingen van mening dat de groep personen die minder dan 15/25% arbeidsongeschikt was geen scholingsvoorziening op basis van artikel 57 kon worden toegekend. Inmiddels heeft het Tijdelijk instituut voor coö rdinatie en afstemming (Tica) een mededeling doen uitgaan waarin de bedrijfsverenigingen wordt aanbevolen bij de toekenning van scholingsvoorzieningen de doelgroepen van de voormalige GMD te hanteren, waaronder personen die minder dan 15/25% arbeidsongeschikt zijn. De doelgroepomschrijving voor scholing komt overeen met de bemiddelingspopulatie zoals deze altijd door de GMD werd gehanteerd.

Een en ander houdt in dat daarmee de belemmering voor de onderhavige groep om een opleiding te kunnen volgen aan een specifiek scholingsinstituut voor gehandicapten is weggenomen. Voorts zal vó ó r 1 september van dit jaar het bestuur van het Tica zich opnieuw beraden op de rëintegratieproblematiek en een nader standpunt bepalen. Ten slotte is bij het Tica een projectgroep ingesteld die zich bezig houdt met alle reïntegratiemogelijkheden van personen met een arbeidshandicap. Deze projectgroep zal zich op korte termijn onder meer buigen over de stroomlijning van de toegang van gehandicapten tot de specifieke scholingsinstituten.

Financiering opleidings- en scholingskosten

Het voorstel inzake de financiering van opleidings- en scholingskosten heeft bij de leden van de CDA-fractie de vraag opgeroepen of de bekostiging hiervan in voldoende mate vanuit art. 57, eerste lid, AAW wordt opgevangen. Immers, per 1 april jongstleden is de subsidie van het CBA weggevallen.

Naar aanleiding van het vervallen van de CBA-subsidie per 1 april jl. heeft het Tica de bedrijfsverenigingen bij mededeling van 20 maart 1995 onder meer de mogelijkheid van inzet van middelen op grond van artikel 57, eerste lid, AAW onder de aandacht gebracht. Wij hebben nog geen signalen opgevangen die erop zouden kunnen duiden dat inzet van dit artikel niet of niet in voldoende mate mogelijk is. Wel is het zo, dat met de CBA-subsidie tevens het aanknopingspunt voor het aanvragen van een subsidie uit het Europees Sociaal Fonds (ESF) is vervallen, en dat de beoordeling op basis van artikel 57 AAW per individuele arbeidsgehandicapte dient te geschieden, daar waar bij betaling uit het voormalige CBA-budget ook een collectieve beoordeling mogelijk was. De projectgroep van het Tica waaraan in het bovenstaande reeds is gerefereerd, zal zich inspannen om deze twee problemen op te lossen. Wat betreft het eerste probleem wordt daarbij in eerste instantie onderzocht of het mogelijk is de voorzieningen ex artikel 57 AAW aanknopingspunt te laten zijn bij aanvraag van een subsidie uit het ESF.

5.2.1 Loonsuppletie

De leden van de fractie van D66 betwijfelen of het inzetten van loonsuppletie dezelfde structurele reïntegratie-effecten zal genereren als het veranderen van de schatting op de hoogst bereikbare theoretische loonwaarde. Het veranderen van de hoogst bereikbare theoretische loonwaarde doet naar de mening van de leden van de D66-fractie meer recht aan de verzekeringsgedachte van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Daarnaast wijzen deze leden er op dat de loonsuppletie tijdelijk is.

Na het van kracht worden van de Wet TBA is het niet meer mogelijk om bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid rekening te houden met de werkelijke verdiensten van een belanghebbende. Dit omdat arbeidsmarktelementen in het geheel geen rol meer mogen spelen bij de vaststelling van de mate door arbeidsongeschiktheid. Op het vervallen van deze mogelijkheid is onder andere van arbeidsdeskundigen veel kritiek geuit, omdat dit nadelige gevolgen zou hebben op de mogelijkheid om gedeeltelijk arbeidsongeschikten weer in te schakelen. Aan deze kritiek wordt tegemoet gekomen door het introduceren van een loon- en inkomenssuppletie.

Deze loon- en inkomenssuppletie kan gedurende maximaal 4 jaar worden toegekend en heeft tot gevolg dat het «gat» tussen de theoretische verdiencapaciteit en de werkelijke verdiensten tijdelijk geheel of gedeeltelijk kan worden overbrugd. Dit zal de reïntegratie in dat soort gevallen vergemakkelijken. Het feit dat de loon- en inkomenssuppletie in de tijd afloopt stimuleert de betrokkene om te streven naar het realiseren van de maximale verdiensten. Dit draagt bij aan de maximale reïntegratie van de belanghebbende. Dit kan zich temeer voordoen omdat in de meeste gevallen zal blijken dat de werknemer het voor de krachten en bekwaamheden berekende werk goed aankan.

Het is naar onze mening niet waarschijnlijk dat de tijdelijkheid van de loon- en inkomenssuppletie belangrijke nadelige gevolgen zal hebben voor de reïntegratie. Het verrichten van betaalde arbeid zal in het algemeen voor de belanghebbende in financiële zin voordeliger zijn dan het langdurig aangewezen zijn op een uitkering. Ook uit overwegingen van participatie en integratie in de samenleving is het verrichten van betaalde arbeid te prefereren boven het ontvangen van een uitkering.

De verzekeringsgedachte zoals die ten grondslag ligt aan het sociaal verzekeringstelsel houdt in dat diegenen die verzekerd zijn ook recht op een uitkering kunnen verkrijgen als voldaan wordt aan de voorwaarden die de verzekering daaraan verbindt. Of bij het vaststellen van het eventuele recht op uitkering uitgegaan wordt van de hoogst bereikbare loonwaarde dan wel van een andere loonwaarde is niet van wezenlijke invloed op de het feit of al dan niet recht gedaan wordt aan de verzekeringsgedachte.

De leden van de fractie van D66 vragen om een vergelijking tussen het loonopstapje en de loonsuppletie. Daarbij wijzen zij erop dat het opstapje vrijwel niet heeft gewerkt.

Het opstapje is tot stand gekomen bij de stelselherziening die per 1 januari 1987 heeft plaatsgevonden. Het opstapje maakte het mogelijk om gedurende maximaal 2 jaar een gedeeltelijke arbeidsongeschikte 1 klasse hoger in te delen bij feitelijke herintreding in het arbeidsproces. Het indelen in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse betekent in het algemeen een verhoging van de uitkering met 7% of maximaal 8,75%. Uit een vergelijking blijkt dat de loon- en inkomenssuppletie een hogere tegemoetkoming kan inhouden en dat die gedurende een langere periode kan worden toegekend.

De oorzaak dat het opstapje maar in beperkte mate is toegepast is dat het ook mogelijk was om het zelfde effect te bereiken door de schatting te baseren op de gerealiseerde verdiencapaciteit. Dit bracht minder administratieve rompslomp met zich en gaf een permanente in plaats van een tijdelijke tegemoetkoming. Uit het feit dat het opstapje niet op grote schaal is toegepast mag niet afgeleid worden dat dit ook voor de loon- en inkomenssuppletie zal gelden. De loonsuppletie kan als onderhandelingsinstrument worden ingezet naar werkgevers, maar het is echter primair een tegemoetkoming van de werknemer. De werkgever wordt niet verplicht om de afbouw van de loonsuppletie op te vangen door het overeengekomen loon te verhogen, tenzij dit met de werknemer is afgesproken.

De leden van de fractie van D66 leiden uit de memorie van toelichting af dat de loonsuppletie ook minder dan 20% kan bedragen en vragen hoe de afbouw in vier jaar plaatsvindt.

Deze leden stellen terecht vast dat de loonsuppletie lager kan zijn dan 20%. Dit kan als het verschil tussen de theoretische verdiencapaciteit en de werkelijke verdiensten minder bedraagt dan 20%. Het kan immers niet de bedoeling zijn dat de werkelijke verdiensten en de loonsuppletie meer bedragen dan het maatmaninkomen van de belanghebbende. De loon- en ook de inkomenssuppletie zal nader worden uitgewerkt in een algemene maatregel van bestuur. Het voornemen is om daarin vast te leggen dat de afbouw in een periode van vier jaar in gelijke stappen plaatsvindt.

De leden van de SP vragen zich af of de opgedane ervaringen met het Schattingsbesluit geen aanleiding zijn tot het opnieuw mogelijk maken van de schatting op basis van gerealiseerde verdiencapaciteit. Ook de leden van de fractie van GroenLinks bepleiten het weer invoeren van de schatting op basis van gerealiseerde verdiencapaciteit.

Het vervallen van de mogelijkheden om de schatting te baseren op de gerealiseerde verdiencapaciteit is, in het kader van de besluitvorming over TBA, uitgebreid aan de orde geweest. De uitkomst van deze discussie is dat het weer mogelijk maken van de schatting op basis van gerealiseerde verdiencapaciteit niet aanvaardbaar is. De redenen daarvoor zijn dat dit tot gevolg heeft dat arbeidsmarktfactoren weer een rol gaan spelen bij de schatting en dat ook de scheiding tussen de begrippen werkloos en arbeidsongeschikt niet meer helder is.

5.2.2 Inkomenssuppletie voor zelfstandigen

De leden van de fractie van D66 vragen een reactie op een aantal voorbeelden uit het rapport van het Hugo Sinzheimer instituut «Niet verdiend». Het betreft een voorbeeld van een mevrouw die ondanks een progressieve ziekte in haar eigen onderhoud voorziet door als zelfstandige werkzaam te zijn en er mee geconfronteerd wordt ziet het feit dat het maximaal 3 jaar mogelijk is om de inkomsten uit arbeid die niet voor de krachten en bekwaamheden van een belanghebbende berekend zijn te anti-cumuleren met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daarna volgt schatting.

Dit is een problematiek die eerder ook in kamervragen gesteld door de heer Leerkes aan de orde is geweest (kamervragen gesteld op 17 maart met kenmerk 294 950 5340). Kortheidshalve verwijzen wij daarnaar.

Het tweede voorbeeld gaat over een zelfstandige met een laag inkomen. Bij de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid speelt de hoogte van het inkomen een belangrijke rol.

De mate van arbeidsongeschiktheid wordt vastgesteld door een vergelijking van het maatmaninkomen en hetgeen de belanghebbende nog kan verdienen. De mate van arbeidsongeschiktheid is afhankelijk van het verlies aan verdiencapaciteit. Door deze systematiek is de kans dat een belanghebbende met een laag inkomen nog een inkomen kan verdienen dat in de buurt komt bij hetgeen de belanghebbende eerder verdiende groter dan in het geval de belanghebbende een hoog inkomen verdiende. Dit is niet uitsluitend het geval bij zelfstandigen, maar geldt ook bij werknemers.

In de voorbeelden genoemd op blz. 47 is geen sprake van op zelfstandigen toegespitste gevallen.

Het is daarom niet duidelijk welk voorbeeld deze leden bedoelen en er kan dan ook geen reactie op worden gegeven.

De leden van de fractie van D66 zijn van mening dat het beter is, zelfstandigen werkzaam in het eigen bedrijf te blijven ondersteunen. Dit omdat zij anders terug moeten vallen op een uitkering. Deze uitkering zal altijd hoger zijn dan de financiële bijdrage.

De leden van GroenLinks bepleiten het mogelijk maken van de schatting op basis van gerealiseerde verdiencapaciteit.

Het gevolg van het voorstel van de leden van de D66-fractie is dat blijvend rekening wordt gehouden met het verschil tussen de theoretische verdiencapaciteit in veelal functies in loondienst en de werkelijke verdiensten in het eigen bedrijf. Het voorgaande komt neer op een schattting op basis van de gerealiseerde verdiencapaciteit voor zelfstandigen werkzaam in het eigen bedrijf. Dit is ook hetgeen de fractie van GroenLinks bepleit. In het geval dat dit voor zelfstandigen wordt toegestaan is er geen reden meer om dit niet toe te staan voor werknemers. Dit is voor ons zoals al eerder opgemerkt niet aanvaardbaar omdat dit tot gevolg heeft dat arbeidsmarktfactoren weer een rol gaan spelen bij de schatting en dat ook de scheiding tussen de begrippen werkloos en arbeidsongeschikt niet meer helder is.

Door de introductie van de inkomenssuppletie krijgen gedeeltelijk arbeidsongeschikte zelfstandigen die werkzaam willen blijven in het eigen bedrijf de mogelijkheid dat te proberen met een tegemoetkoming voor het «gat» tussen de theoretische verdiencapaciteit en de werkelijke verdiensten. Indien men hier niet toe in staat is, en geen ander werk vindt is men mogelijk aangewezen op een uitkering. Zoals gesteld zijn de voorstellen van de leden van de fracties van D66 en GroenLinks niet de juiste wijze om daar aan tegemoet te komen.

Gevraagd wordt naar de verhouding tussen de artikelen 33 AAW en 44 WAO en de inkomenssuppletie.

Op basis van de artikelen 33 AAW en 44 WAO vindt verrekening plaats van inkomsten uit arbeid, die niet voor de krachten en bekwaamheden van een belanghebbende berekend is, met de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze verrekening vindt gedurende maximaal 3 jaar plaats waarna schatting volgt. Bij de inkomenssuppletie gaat het altijd om inkomen dat minder bedraagt dan de theoretische verdiencapaciteit. Verrekening op basis van artikel 33 AAW en artikel 44 WAO vindt uitsluitend plaats als de belanghebbende meer verdient dan zijn theoretische verdiencapaciteit. Toepassing van de inkomenssuppletie en van artikel 33 AAW en 44 WAO kan dus niet plaatsvinden. Hetgeen is opgemerkt met betrekking tot de inkomenssuppletie geldt ook voor de loonsuppletie.

Tot slot zien deze leden in de periode van 3 jaar die is opgenomen in de artikelen 33 AAW en 44 WAO een belemmering voor zelfstandige ondernemers om zelf in hun inkomen te voorzien. Deze leden bepleiten ook in dit geval een garantieregeling.

Voor deze categorie uitkeringsgerechtigden waarvan het recht op uitkering wordt beëindigd of verlaagd op basis van inkomsten uit een eigen onderneming geldt de bij dit wetsvoorstel ingevoerde wachttijd van 4 weken in de gevallen dat de arbeidsongeschiktheid toeneemt, deze voortkomt uit dezelfde oorzaak en de toename zich voordoet binnen een periode van 5 jaar. Het recht op uitkering kan ook toegekend worden als de verzekering inmiddels geëindigd was. Door deze kortere wachttijd en de mogelijkheid dat recht op uitkering ontstaat, ook indien de verzekering inmiddels was geëindigd wordt in hoge mate tegemoet gekomen aan de wensen van deze leden.

5.2.3 Garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikten)

De leden van de PvdA-fractie vragen voorts de categorie personen, op wie de voorgestelde garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikten betrekking heeft, nog eens duidelijk te definië ren.

Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat de voorgestelde garantieregeling betrekking heeft op personen die een uitkering op grond van de WAO ontvangen en die op of na de dag waarop zij de leeftijd van 50 jaar bereiken inkomsten uit arbeid in dienstbetrekking gaan verdienen.

Daarbij zijn twee categorieën te onderscheiden, te weten

  • 1. 
    de personen wier WAO-uitkering in verband met die inkomsten wordt beëindigd en
  • 2. 
    de personen wier WAO-uitkering in verband met die inkomsten naar een lager arbeidsongeschiktheidspercentage wordt herzien.

Voor de personen, genoemd in categorie 1, die ter zake van opnieuw intredende arbeidsongeschiktheid binnen 5 jaar na die werkhervatting recht hebben op toekenning van WAO-uitkering, geldt de dagloongarantieregeling, zoals neergelegd in het eerste lid van het voorgestelde artikel 61 WAO.

Voor de personen, genoemd in categorie 2, die wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid binnen 5 jaar na die werkhervatting recht hebben op herziening van hun WAO-uitkering, geldt de dagloongarantieregeling, zoals neergelegd in het tweede lid van het voorgestelde artikel 61 WAO.

De leden van de fractie van D66 brengen in dat verband de in hoofdstuk II van de Wet Terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen opgenomen stimuleringsregeling ter sprake. Zij vragen waarom zo weinig gebruik is gemaakt van die regeling. Er is nooit onderzocht waarom het effect van de stimuleringsuitkering beperkt is gebleven. Als reden kan gedacht worden aan het feit dat de uitkering moest worden aangevraagd in plaats van dat hij ambtshalve werd toegekend. Een reden zou ook kunnen zijn dat de stimuleringsuitkering weinig bekendheid genoot. Verder was de tijd waarin een aanvraag kon worden gedaan kort. (Maatregel is op 1 augustus 1993 ingevoerd. Op 28 december 1993 zijn de nadere regels voor de uitvoering van deze maatregel in de Staatscourant gepubliceerd. De werkingsduur van de maatregel was beperkt tot 1 februari 1994).

Door de hier aan het woord zijnde leden wordt opgemerkt dat het vaak niet aan de oudere arbeidsongeschikten ligt dat zij niet aan de slag komen maar dat de werkgevers hier terughoudend tegenover staan. Deze leden zijn van mening dat er voor deze groep meer gedaan moet worden. Zij vinden het dan ook noodzakelijk om hier een extra stimulans in te brengen. Terecht wordt door deze leden opgemerkt dat de andere, in dit wetsvoorstel opgenomen, reïntegratie-instrumenten ook werken ten aanzien van deze groep werknemers. Hierbij kan ook gedacht worden aan de medewerkingsverplichting van werkgevers bij werkhervatting (artikel 46 WAO/35 AAW/30 ZW) en de daarop staande sancties bij weigering.

Naar aanleiding van de toelichting op het voorgestelde artikel 61 WAO zeggen de leden van de D66-fractie niet overtuigd te zijn door de gegeven argumenten om de in dat artikel genoemde termijn op vijf jaar te stellen. Voor gevalsdossiers betreffende arbeidsongeschiktheidsgevallen waarvoor een uitkering werd toegekend geldt in beginsel een bewaartermijn van 5 jaar na het einde van het jaar waarin voor het betreffende geval voor het laatst uitkering is verstrekt. Een dergelijke bewaartermijn houdt verband met het steeds voortschrijdende aanwas van het dossierbestand. Bij deze leden bestaat enige onduidelijkheid over de genoemde misbruikgevoeligheid. In de toelichting op artikel 61 wordt gesproken over «eventuele misbruikgevoeligheid». Hiermee is niet gezegd dat de mogelijkheid tot misbruik reëel aanwezig is. Een poging daartoe is echter niet uit te sluiten. Het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium maakt oneigenlijk- dan wel misbruik echter nagenoeg onmogelijk.

De leden van de fractie van GroenLinks stellen in het kader van de «proefplaatsing» de leeftijdsgrens van 50 jaar aan de orde. Aangenomen wordt dat die leden de leeftijdsgrens in de garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikten bedoelen. Gevraagd wordt waarom die grens bij 50 jaar ligt. Zoals opgemerkt in de memorie van toelichting komt die leeftijdsgrens ook voor in de zogenaamde stimuleringsregeling opgenomen in de wet TBA. Deze regeling liep af op 1 februari 1994. Voorts wordt opgemerkt dat het een feit is dat de arbeidsmarktpositie van oudere arbeidsongeschikten zwak is. De garantieregeling voor 50-jarigen en ouder kan een extra prikkel verschaffen om een werkkring te aanvaarden

5.2.4 Herziening of toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering bij toename van de arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan de uitkering eerder is toegekend of herzien

De leden van de RPF-fractie stellen het op prijs dat de motie Van Dijke c.s. (kamerstukken II, 1994/1995, 23 900, nr 27) positief gewaardeerd wordt. Zij vragen zich, na vaststelling dat dit de bedoeling van de motie niet aantast, af of de bezwaren verbonden aan het achterwege laten van een wachttijd ondenkbaar is. Zij wijzen daarbij op artikel 29 AAW en artikel 39 WAO op basis waarvan ook herziening van de uitkering zonder wachttijd plaatsvindt.

Ook de leden van de VVD-fractie zijn niet overtuigd van onmogelijkheid om de uitkering direct te laten herleven. Zij stellen ook de vraag naar de mogelijkheid om de wachttijd van vier weken terug te brengen

Een belangrijk kenmerk van de herzieningen die op basis van de artikelen 29 AAW en artikel 39 WAO plaats kunnen vinden is dat het steeds gaat om de herziening van de uitkering wegens toeneming van de arbeidsongeschiktheid binnen één maand na toekenning of eerdere herziening van de uitkering. Het betreft vaak gevallen waarin achteraf moet worden vastgesteld dat er geen sprake was van een stabiele situatie van de belanghebbende. Bij deze herziening van de uitkering binnen één maand kan veelal teruggevallen worden op een kortgeleden afgeronde beoordeling. Daarnaast geldt dat de herziening slechts in een beperkt aantal gevallen kan voorkomen omdat de eis geldt dat de toename van de arbeidsongeschiktheid zich moet voordoen binnen één maand na de toekenning of de eerdere herziening. Herziening of toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van de uitwerking van motie Van Dijke c.s. zal zich veelvuldig kunnen voordoen, ook geruime tijd na de eerdere toekenning of herziening van de uitkering dan wel het bereiken van het einde van de wachttijd. Dit heeft tot gevolg dat de bezwaren verbonden aan de directe toekenning of herziening van de uitkering veel groter zijn dan bij toepassing van de artikelen 29 AAW en artikel 39 WAO. Dit is voor ons voldoende reden om een wachttijd van vier weken te hanteren, temeer omdat dit de bedoeling van de motie niet aantast.

In de arbeidsongeschiktheidsregelingen is sprake van een wachttijd van 52 weken, vier weken of onmiddellijke herziening of toekenning. Hiervoor is uiteengezet waarom het niet wenselijk is om de uitkering zonder wachttijd te herzien of toe te kennen. Het hanteren van een andere wachttijd dan vier weken is uit een oogpunt van consistentie van wetgeving niet aan te bevelen.

De leden van de fractie van D66 stellen vast dat de wachttijd van 4 weken tot gevolg heeft dat de werkgever gedurende deze 4 weken het loon zal moeten doorbetalen en geven aan dat dit tot gevolg kan hebben dat een werkgever zo’n belanghebbende niet aanneemt. Om deze belemmering voor reïntegratie weg te nemen stellen deze leden voor in dit soort gevallen voorschot op de uitkering te verlenen dat mogelijk teruggevorderd kan worden.

Ook de leden van de VVD-fractie vragen naar de negatieve gevolgen van een wachttijd van vier weken.

Uit hetgeen hiervoor is opgemerkt blijkt dat het vanuit uitvoeringstechnisch oogpunt noodzakelijk is om aan een wachttijd van vier weken vast te houden. Dit heeft tot gevolg dat gedurende deze periode ook geen recht op arbeidsongeschiktheidsuitkering kan ontstaan en dat dus ook geen voorschot verstrekt kan worden.

Vastgesteld moet worden dat tot op dit moment de wachttijd veelal 52 weken bedraagt. Er is dus sprake van een substantiële verbetering. Daarnaast zal in dit soort gevallen vaak de mogelijkheid bestaan om artikel 29 b ZW toe te passen. Het door deze leden gevreesde anti-revaliderende effect doet zich dan niet voor.

De leden van de D66-fractie bepleiten de mogelijkheid om onder omstandigheden na een langere periode van vijf jaar terug te vallen op verhoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Zij bepleiten dit omdat het niet uitgesloten is dat bepaalde ziektes zich na een periode langer dan vijf jaar zich opnieuw manifesteren.

Vastgesteld moet worden dat de mogelijkheid om de uitkering bij toename van de arbeidsongeschiktheid binnen een periode van 5 jaar op grond van de dezelfde oorzaak, een substantiële verbetering is voor met name die uitkeringsgerechtigden waarvan de verzekering voor de arbeidsongeschiktheidsregelingen is geëindigd. Door de periode van vijf jaar wordt aangesloten bij de bewaartermijnen die voor de uitvoeringsinstellingen gelden en wordt de periode ook in de omvang beperkt. Het stellen van welke termijn dan ook zal tot de bezwaren kunnen leiden die deze leden opwerpen. Het onbeperkt mogelijk maken van de herleving van uitkeringsrechten is uit een oogpunt van beheersbaarheid en uitvoerbaarheid niet aanvaardbaar. Op basis van het voorgaande houden wij vast aan de periode van 5 jaar.

Met hetgeen hiervoor is opgemerkt is ook de vraag van de leden van de SGP-fractie over de nadere onderbouwing beantwoord.

5.2.5 Proefplaatsing

De leden van de fractie van D66 vroegen naar het verschil tussen het huidige artikel 44 WAO en het «nieuw» voorgestelde instrument van proefplaatsing. Is het niet zo dat op grond van artikel 44 WAO ook nu al proefplaatsing mogelijk is?

Artikel 44 WAO bepaalt dat de WAO-uitkering van degene die inkomsten uit arbeid geniet niet wordt ingetrokken of herzien zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, kan worden beschouwd. In plaats daarvan vindt anticumulatie met (eventuele) inkomsten uit die arbeid plaats. Het nieuwe instrument van proefplaatsing is echter vooral bedoeld om de gevolgen van onbeloonde proefplaatsing voor de WW-uitkering op te vangen. Deze uitkering eindigt immers zodra men werk op een proefplaats gaat verrichten. De in het proefplaatsingsartikel voorgestelde reïntegratie-uitkering is bedoeld om dit laatste inkomensverlies op te vangen.

Wij zijn blij dat ook de leden van de GPV-fractie sympathie hebben voor het nieuwe reïntegratie-instrument van proefplaatsing. Deze leden vroegen zich echter wel af, hoe mogelijk misbruik door werkgevers valt te voorkomen. Zo verwachten zij dat het voor werkgevers verleidelijk wordt een piekbelasting in de produktie door middel van proefplaatsingen op te vangen. Immers, werkgevers zullen niet verplicht zijn de desbetreffende werknemer aan het eind van de proefplaatsing in dienst te nemen! Ook de leden van de RPF-fractie vroegen of de regeling niet fraude-gevoelig was. Deze leden hebben tevens opgemerkt, dat het een tot de doelgroep van de proefplaatsing behorende cliënt vrij zal staan een aanbod tot proefplaatsing te weigeren. Zij vroegen of is overwogen om – conform dat het geval is bij de Jeugdwerkgarantiewet – een maximum aantal weigeringen toe te staan voordat wordt overgegaan tot het opleggen van sancties. Ook de leden van de VVD-fractie wijzen op deze twee punten. Zij zijn van mening dat enerzijds de werknemer moet kunnen worden verplicht tot deelname aan proefplaatsing indien dat door de bedrijfsvereniging mogelijk en zinvol wordt geacht. Aan de andere kant dient dan de werkgever na een geslaagde proefplaatsing verplicht te worden een betaalde baan aan te bieden. Deze leden verwachten bovendien dat daarmee het risico op verdringing van beloonde werkzaamheden zal worden beperkt. De leden van de SP-fractie vragen zich af of aan degene die gaat werken op een proefplaats niet op een of andere manier toch na geslaagde plaatsing een arbeidscontract voor bepaalde of onbepaalde tijd moet worden gegarandeerd. Daarbij zou kunnen worden aangesloten bij de voorstellen in het kader van de dispensatie van het minimumloon. Voorts vragen zij of het, indien het na de proefplaatsing tot een arbeidsovereenkomst komt, de werkgever niet zou moeten worden verboden nog eens een proeftijd van twee maanden te bedingen.

Wij hebben er bewust van afgezien, het reïntegratie-instrument van proefplaatsing te belasten met teveel voorwaarden voor de werkgever en de werknemer. Zo zou een verplichting voor de werkgever om iemand na een proefplaatsing van drie maanden aan te stellen op een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde of bepaalde tijd, naar onze mening de werkgever teveel afschrikken. Wat betreft de voornemens op het terrein van de dispensatie van het minimumloon wordt op dit punt opgemerkt, dat de dispensatietermijn waaraan op dit moment gedacht wordt veel langer (namelijk twee jaar) zal kunnen duren dan de proefplaatsing (namelijk drie maanden). Het ligt bij een «proefperiode» van twee jaar veel meer voor de hand een verplichte indienstname aan het einde daarvan te regelen, dan na een proefperiode van drie maanden.

Hoewel wij de geachte van de leden van de SP-fractie om de werkgever te verbieden een proeftijd te bedingen indien iemand na een proefplaatsing betaald in dienst komt op zich sympathiek vinden, zijn wij toch van mening dat het te ver zou gaan iets dergelijks te regelen. Hiertoe zou het in het Burgerlijk Wetboek (BW) een uitzondering moeten worden gemaakt op de voor alle arbeidscontracten geldende, in zeer brede kring bekende regel dat een proeftijd mag worden overeengekomen en dat deze niet langer mag zijn dan twee maanden. Met een uitzondering op deze regel voor de betrokken groep, zou deze heldere regel worden vertroebeld, terwijl dit bovendien zou leiden tot een uitzonderingsbepaling in het BW. Dit komt de eenvoud van de regelgeving niet ten goede. Ten slotte zou in dat geval ook de werknemer de mogelijkheid verliezen om een proeftijd te bedingen, daar waar de werknemer onder omstandigheden (bijvoorbeeld indien blijkt dat de werkgever zodra sprake is van betaalde werkzaamheden toch meer (en wel: voor de werknemer te veel) van de werknemer gaat eisen) baat kan hebben bij deze proeftijd.

Misbruik van de werkgever zoals aangegeven door de leden van de GPV-fractie zal gedeeltelijk kunnen worden voorkomen door onderdeel d van het derde lid van het voorgestelde artikel 63 WAO. Is dat onderdeel van toepassing, dan mag de bedrijfsvereniging de reïntegratie-uitkering niet toekennen. Bovendien zal de bedrijfsvereniging bij een vermoeden van misbruik anders dan in dat onderdeel bedoeld, de reïntegratie-uitkering kunnen weigeren. De betrokken cliënten zullen dan niet bereid zijn op de aangeboden proefplaats te gaan werken. Ten slotte kunnen ook de cliënten, mocht een proefplaats door een dergelijke werkgever worden aangeboden, weigeren. Het instrument van proefplaasting zal derhalve bij een oplettend beleid van de bedrijfsverenigingen en alerte cliënten niet erg gevoelig zijn voor fraude door de werkgever. Fraude door de werknemer, in die zin dat hij bijvoorbeeld een reïntegratie-uitkering aanvraagt en toegekend krijgt, terwijl hij in feite op vakantie gaat, is theoretisch mogelijk, maar zal praktisch toch moeilijk uitvoerbaar zijn. Het in onderdeel c, van het derde lid van het voorgestelde artikel 63 WAO, dat wil zeggen de eis van aanwezigheid van een tweetal door de werkgever ten behoeve van de werknemer afgesloten verzekeringen, zal dit soort misbruik ernstig bemoeilijken. Daarnaast is het in principe mogelijk met de werkgever toch enige vorm van beloning af te spreken, en deze inkomsten niet op te geven bij de bedrijfsvereniging. Ook dit zal echter niet vaak voorkomen, omdat de werkgever daarmee het risico loopt dat reeds tijdens de proefplaatsing een arbeidsovereenkomst is ontstaan. Overgens zal alle fraude door de werknemer moeten worden bestraft met een niet-toekenning of een blijvende of tijdelijke verlaging van de reïntegratie-uitkering (ook verlaging tot nul-niveau is mogelijk). Deze sanctie zal bij inwerkingtreding van het «Wetsvoorstel boeten en maatregelen» (kamerstukken II, 23 909) worden omgezet in een verplichting een boete op te leggen.

Wij zijn van mening dat het niet wenselijk is een gedeeltelijk arbeidsgeschikte met recht op WW-uitkering te verplichten op straffe van een korting op de uitkering onbeloonde arbeid op een proefplaats te accepteren. Voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte dient de proefplaatsing een positieve prikkel te zijn. Door te laten zien wat hij kan, kan hij eventuele bedenkingen van een potentiële werkgever wegnemen. Dit resultaat zal waarschijnlijk in mindere mate worden bereikt indien betrokkene tot meewerken aan een proefplaatsing wordt gedwongen.

De leden van de RPF- en SGP-fractie zijn, net als het kabinet, beducht voor het risico van verdringing dat uit kan gaan van een instrument als de proefplaatsing. Laatstgenoemde leden vragen of het mogelijk is de mogelijke omvang daarvan aan te geven. De leden van de fractie van D66 hebben uit de toelichting begrepen dat het nieuwe reïntegratie-instrument van proefplaatsing de laatste hindernis bij de werkgever moet wegnemen. De leden van deze fractie zijn van mening dat dit instrument heel sterk moet zijn, daar de werkgever, als men al bij dit laatste instrument is beland, niet snel over te halen is. Zij zijn dan ook van mening dat de maximumduur van drie maanden niet flexibel genoeg is. Indien betrokkenen daardoor grotere arbeidsmarktkansen krijgen, pleiten deze leden voor een flexibelere termijn, ó ók als daarmee het risico van verdringing groter wordt. De leden van de fractie van D66 merken in vervolg op hun opmerking over een flexibeler termijn nog op, dat dit met name van belang kan zijn voor de werkgever van degene die tijdens de proefplaatsing ziek wordt.

Op de vragen van de RPF- en de SGP-fractie kan geantwoord worden, dat het niet mogelijk is de omvang van de verdringingseffecten aan te geven. Er zal naar verwachting wel sprake zijn van enige mate van verdringing, maar deze zal, juist door beperking van de termijn van proefplaatsing tot maximaal drie maanden, slechts beperkt zijn. Anders dan de leden van de fractie van D66 veronderstellen, is het niet zo, dat de proefplaatsing per definitie altijd als «laaste redmiddel» moet worden ingezet. Integendeel, het is zeer goed mogelijk te starten met een proefplaatsing en vervolgens betaald in dienst te komen met een loonkostensubside, al dan niet in combinatie met een loonsuppletie. De passage in de memorie van toelichting waaraan deze leden hun veronderstelling ontlenen, is slechts bedoeld om aan te geven dat de proefplaatsing naast eventuele inzet van andere middelen een extra middel kan zijn om de werkgever over de streep te trekken. Wij hebben wel enig begrip voor de opmerking van de leden van de fractie van D66, dat de duur van de proefplaatsing flexibeler (lees: langer) zou moeten kunnen zijn dan de nu voorgestelde maximumtermijn van drie maanden, maar zijn toch van mening dat het wetsvoorstel hier niet voor zou moeten worden aangepast. Enerzijds niet, omdat daarmee het risico van verdringing van betaalde arbeid in onze ogen te groot wordt en anderzijds niet, omdat de regeling dan weer ingewikkelder zou worden. Immers, in dat geval zou weer moeten worden bepaald voor welke groepen welke maximumtermijnen zouden moeten gaan gelden. Wel konden wij ons geheel vinden in de opmerking van de leden van de fractie van D66 dat werkgevers van personen die tijdens de proefplaatsing ziek worden belang zouden kunnen hebben bijeen flexibeler termijn van proefplaatsing. In het wetsvoorstel zoals dat naar uw Kamer is gezonden, is, met het oog op het voorkomen van een te grote belasting van de uitvoeringsorganisatie, geregeld dat de reïntegratie-uitkering wordt stopgezet zodra de onbeloonde werkzaamheden onderbroken of beëindigd worden. Wij zijn het met de leden van de fractie van D66 eens dat dit achteraf gezien voor degene die door ziekte genoopt is zijn onbeloonde werkzaamheden te staken, alsmede voor zijn werkgever, een te hard gelag kan vormen. Daarom zal in de tezamen met deze nota toegezonden nota van wijziging op dit wetsvoorstel worden opgenomen dat in afwijking van bovengenoemde hoofdregel de verstrekking van de reïntegeratie-uitkering wordt voortgezet indien een werknemer na ziekte tijdens de proefplaatsing (ten gevolg waarvan hij een uitkering op grond van de Ziektewet ontvangt) zijn onbeloonde werkzaamheden hervat. De maximumperiode van drie maanden zal dan worden verlengd met de periode gedurende welke betrokkene een Ziektewet-uitkering heeft ontvangen, zodat in totaal drie maanden overblijven waarin betrokkene heeft kunnen werken met een reïntegratie-uitkering.

Tevens vragen de leden van de RPF- en SGP-fractie of proefplaatsing kan leiden tot een verlenging van de WW-uitkering en zo ja, waarom daar dan voor gekozen is. Het instrument van proefplaatsing leidt niet zozeer tot verlenging van de maximale uitkeringsduur WW, maar tot opschorting van de einddatum. Immers, bij aanvang van de werkloosheid krijgt men recht op een bepaalde WW-uitkeringsduur die men al naar gelang men langer werkloos blijft, consumeert. Tijdens de proefplaatsing wordt de WW-uitkering tijdelijk stopgezet. Mocht de proefplaatsing niet leiden tot indiensttreding bij de werknemer, dan herleeft de WW-uitkering op het moment dat de proefplaatsing eindigt. Men mag dan nog dat gedeelte van de WW-uitkeringsduur consumeren, waarop men bij aanvang van de proefplaatsing recht had. Aldus wordt de einddatum derhalve opgeschoven over een termijn die gelijk is aan de duur van de proefplaatsing. In onze ogen is dit een – voor de betrokkenen – bijkomend voordeel van de wijze waarop het instrument van proefplaatsing is geregeld.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen waarom ten aanzien van de proefplaatsing een leeftijdsgrens van 50 jaar wordt gehanteerd, beneden welke grens – als wij de vragen van deze leden goed begrijpen – geen reïntegratie-uitkering zou kunnen worden verstrekt. Zij pleiten voor een ruimere toepassing van de regeling.

Deze vragen berusten kennelijk op een misverstand, voortkomend uit de opsomming in de eerste alinea van paragraaf 5.2.5 van de memorie van toelichting. Daar staat onder meer, dat het voorstel om arbeidsongeschikten van ouder dan 50 jaar de mogelijkheid te geven om terug te vallen op hun oude arbeidsongeschiktheidsuitkering indien zij na aanvaarding van werk wederom arbeidsongeschikt worden, de motivatie om daadwerkelijk een nieuwe werkkring te aanvaarden zal doen toenemen. Het gaat hier echter om een ander instrument dan proefplaatsing, namelijk om een garantieregeling voor oudere arbeidsongeschikten. Op dat instrument wordt in paragraaf 5.2.3 van de memorie van toelichting (alsmede in een ander onderdeel van deze nota) ingegaan. In het kader van het reïntegratie-instrument proefplaatsing zal geen leeftijdsgrens worden gehanteerd.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen tevens naar de mogelijke negatieve repercussies die de proefplaatsing kan hebben voor de hoogte van de uitkering. Hoe kan de regering voorkomen dat het instrument van proefplaatsing ongebruikt blijft omdat arbeidsongeschikten bevreesd zullen zijn na de proefplaatsing hun uitkering kwijt te raken? Is de regering ervan op de hoogte dat WAO-ers nu al bang zijn om de bedrijfsvereniging ervan in kennis te stellen dat zij als vrijwilliger actief zijn?

In onze ogen dient een proefplaatsing geen negatieve repercussies te hebben voor de hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Daarom is voorgesteld om in artikel 32, vijfde lid, AAW en 63, tiende lid, WAO te regelen dat de AAW/WAO-uitkering tijdens deze plaatsing niet wordt ingetrokken of herzien. De negatieve gevolgen van de proefplaatsing voor de WW-uitkering (deze eindigt voor het aantal uren van de proefplaatsing) worden opgevangen door de reïntegratie-uitkering. Indien de proefplaatsing niet leidt tot een arbeidscontract bij de werkgever, herleeft de WW-uitkering na de proefplaatsing tot de oorspronkelijke omvang. In theorie is het mogelijk dat de AAW/WAO-uitkering ter zake van een door de proefplaatsing toegenomen arbeidsgeschiktheid na de proefplaatsing wordt ingetrokken of herzien. Naar verwachting zal dit echter, mede gezien toch beperkte maximumduur van de proefplaatsing en het feit dat deze kennelijk niet tot een baan heeft geleid, echter weinig voorkomen.

De leden van de SGP-fractie vragen of iets gezegd kan worden over de financiële gevolgen van proefplaatsing. Aan deze leden kan worden geantwoord, dat over die financiële gevolgen van proefplaatsing op dit moment niets meer kan worden gemeld dan in de financiële paragraaf van de memorie van toelichting reeds wordt gemeld. Dat wil zeggen: er worden vooralsnog noch positieve, noch negatieve effecten van verwacht, daar het besparende effect van meer of eerdere reïntegratie naar betaalde arbeid naar op dit moment wordt verwacht zal opwegen tegen de extra kosten voor reïntegratie-uitkeringen.

Het kabinet is voorstander van een ruimhartig toekenningsbeleid. De leden van de fractie van D66 vinden dit criterium te onduidelijk. Zij zijn van mening dat wanneer er gevraagd wordt om een proefplaatsing nadat alles is geprobeerd, deze moet worden toegekend. Deze leden vrezen dat er, indien de bedrijfsverenigingen te veel vrijheid wordt gegeven, van dit instrument niet optimaal gebruik zal worden gemaakt. De leden van de PvdA-fractie vragen of het pleidooi voor een ruimhartig toekenningsbeleid niet ook voor de andere reïntgratie-instrumenten zou moeten gelden.

Zoals reeds in het bovenstaande is aangegeven, is het niet zo dat het instrument van proefplaatsing alleen als «laatste redmiddel» mag worden gebruikt. Combinatie met andere reïntegratie-instrumenten, ook instrumenten die na de plaatsing kunnen worden ingezet, zoals de loonkostensubsidie en de loonsuppletieregeling is zeer wel mogelijk. De vrees van de leden van de fractie van D66, dat zonder het instrument van proefplaatsing zonder een toekenningsverplichting voor de bedrijfsvereniging niet voldoende zal kunnen worden toegepast, delen wij niet. Daarbij tekenen wij aan dat bij introductie van de door de leden van de fractie van D66 voorgestane verplichting budgettair een open-einderegeling zou ontstaan. Dit is, mede gezien het nieuwe karakter van dit reïntegratie-instrument in de sociale verzekeringen, in onze ogen ongewenst.

Uiteraard zijn wij niet alleen voorstander van een ruimhartig toekenningsbeleid van de reïntegratie-uitkering bij proefplaatsing, maar van een ruimhartig toepassingsbeleid - binnen de grenzen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de daarvoor te bestemmen budgets - van de reïntegratie-instrumenten in het algemeen.

5.2.6 Budgettering reïntegratiemaatregelen

De leden van de D66-fractie brengen met betrekking tot de budgettering van de reïntegratiemaatregelen onder onze aandacht dat aan de bedrijfsverenigingen ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds een door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming vastgesteld budget wordt toegekend dat door het College van toezicht sociale verzekeringen is goedgekeurd. In dit kader verwijzen deze leden naar het verzoek van de fractieleden van D66, gedaan tijdens de behandeling van het wetsvoorstel 23 784 (Wijziging van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, houdende uitbreiding van de loonkostensubsidieregeling), om taakstellingen op te stellen ten aanzien van reïntegratie arbeidsgehandicapten. Destijds is gesteld dat het op dat moment naar de mening van de eerste ondergetekende belangrijker was de benodigde bemiddelingscapaciteit zo snel mogelijk beschikbaar te krijgen dan op voorhand al over taakstellingen te praten. Daarbij is aangegeven dat degene die uiteindelijk de verantwoordelijkheid voor de bemiddeling heeft, afspraken maakt over de dienstverlening in kwalitiatief en kwantitatief opzicht en dat daarbij dan ook taakstellingen aan de orde zullen komen.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de wijze waarop kan worden gegarandeerd dat in voldoende mate wordt voorzien in financiële en personele middelen ten behoeve van inkoop door de bedrijfsverenigingen van diensten door arbeidsvoorziening en andere intermediairs voor de bemiddeling van arbeidsgehandicapten. Tevens vragen zij of de regering bereid is te bevorderen dat, meer principieel gesteld, geld uit sociale zekerheidsfondsen wordt ingezet voor de financiering van reïntegratiemaatregelen.

Het kabinet gaat ervan uit dat de bedrijfsverenigingen in het kader van hun uitstroombevorderende taak, zowel de nodige personele middelen, als de voor deze maatregelen te reserveren financiële middelen uit het AOF doelmatig en doeltreffend zullen inzetten. Het is de taak van het Ctsv om daar nauw op toe te zien en zonodig maatregelen te treffen.

Met de inzet van fondsmiddelen ten behoeve van de reïntegratie van mensen met een arbeidshandicap is een princiële keuze gemaakt om de besteding van premiegelden niet langer uitsluitend te beperken tot het betalen van uitkeringen, maar deze tevens aan te wenden voor de bevordering van de uitstroom uit de uitkering en herinschakeling van (ex-)uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces.

Hiermee komt een duidelijker accent te liggen op de activerende rol van het stelsel van sociale zekerheid.

5.2.7 Overig

De gedachte van de leden van de fractie van GroenLinks om, in het kader van een verbeterde preventie, de arbeidsongeschiktheidsuitkering van de werknemer te verhalen op de werkgever indien deze door de schuld van de werkgever arbeidsongeschikt is geraakt, zal aan de orde komen in het kader van de heroriëntatie op de Arbeidsomstandighedenwet. Voor een diepgaande discussie over deze ingewikkelde materie is het nu nog te vroeg.

Voorts vragen de leden van de SGP-fractie of het niet voor de hand ligt om, nu het loonkosten-subsidie-instrument nog verder wordt uitgebouwd, een integratie te bewerkstelligen met de wet ter bevordering van de werkgelegenheid voor werkzoekenden die zeer langdurig werkloos zijn (Wet Vermeend/Moor).

Wij hebben begrip voor de gedachte die deze leden opwerpen, maar achten deze integratie niet opportuun om de volgende redenen: Aan de expliciete keuze voor een pakket van maatregelen toegespitst op de groep (ex-)arbeidsongeschikten heeft de overweging ten grondslag gelegen dat er weliswaar vergelijkbare omstandigheden denkbaar zijn wat de arbeidsmarktpositie van deze groep en die van langdurig werklozen betreft, maar dat de belemmeringen voor reïntegratie in het arbeidsproces voor de groep mensen met een arbeidshandicap over het geheel genomen hardnekkiger van aard zijn en extra ondersteuning vragen.

In het verlengde daarvan wijzen wij erop dat de hoogte van de loonkostensubsidie van 25% substantieel hoger is dan de WBA-vrijstelling (die in de nieuwe constellatie van een - veel lager - vast bedrag uitgaat).

  • 6. 
    Volume- en financiële effecten

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de financiële doelstelling 1995 voor wat betreft de AAW en WAO reeds is bereikt. Dit naar aanleiding van hetgeen is verwoord met betrekking tot het ingeboekte gedragseffect als gevolg van het bonus-malussysteem.

Bij de invoering van het bonus-malussysteem is verondersteld dat dit systeem werkgevers zal stimuleren maatregelen te nemen teneinde de uitstoot van werknemers naar de arbeidsongeschiktheidregelingen te beperken. Als gevolg van deze gedragseffecten zijn besparingen ingeboekt in de AAW en WAO.

In het regeerakkoord was opgenomen dat het bonus-malussysteem met ingang van 1-1-1996 zou worden ingetrokken. Vanaf deze datum zijn derhalve geen gedragseffecten meer verondersteld. Afschaffing per 1-7-1995 leidt niet tot een verdere bijstelling van de ingeboekte bedragen.

De besparingen als gevolg van het bonus-malussysteem maken onderdeel uit van de totale raming van de AAW- en WAO-uitgaven, zoals deze zijn vastgelegd in de financiële onderbouwing van het regeerakkoord. Uitgangspunt van de inboeking van het regeerakkoord was een behoedzaam scenario. In het regeerakkoord werd al de verwachting uitgesproken van een ten opzichte van dit scenario optredende volumedaling van 1 mld. in 1998 (gesaldeerd over alle fondsen). Een deel van deze volumedaling heeft zich inmiddels voorgedaan. Dit is in de Kaderbrief gepresenteerd.

Uit het met betrekking tot de volumedaling en de gedragseffecten van het BMS vermelde mag echter niet zonder meer worden afgeleid dat de financiële doelstelling al is bereikt. Het uitgavenbeeld in het regeerakkoord moet worden gezien als een zeer voorzichtige raming. Dit teneinde te voorkomen dat voortdurend additioneel zou moeten worden omgebogen indien zich tegenvallers zouden voordoen. In dit licht moeten de verwachte en deels gerealiseerde volumedalingen dan ook worden bezien. Gezien de mogelijkheden om door middel van premiedifferentiatie en marktwerking het volume nog lager te doen uitkomen dan, met inachtneming van het bovenstaande, ten tijde van het regeerakkoord werd geraamd heeft het kabinet in het regeerakkoord aangekondigd de voorbereiding van daarop betrekking hebbende regelgeving ter hand te nemen. Doelstelling met betrekking tot de AAW- en WAO-uitgaven blijft derhalve een reductie van deze uitgaven.

CPB-verwachtingen

De leden van de RPF-fractie vragen het kabinet te reageren op de verwachtingen van het CPB betreffende de instroom in de WAO.

Aangenomen wordt dat deze leden doelen op de toespraak van de directeur van het CPB, de heer Don, op 14 juni jl. Daarin sprak de heer Don de verwachting uit dat het volume in de WAO op termijn weer zal stijgen tot meer dan 1 miljoen personen. Deze toename van het volume zou veroorzaakt worden door de toenemende vergrijzing van de bevolking.

Het is het kabinet niet bekend welke concrete veronderstellingen aan de genoemde voorspelling ten grondslag hebben gelegen. Niet ontkend kan worden dat de vergrijzing op zichzelf een opwaartse druk op de instroom in de WAO kan hebben. Daar staat tegenover dat de huidige ontwikkeling met betrekking tot het volume een dalende lijn vertoont. Een toename van het volume zou betekenen dat ofwel deze dalende tendens meer dan ongedaan wordt gemaakt door de gevolgen van de vergrijzing ofwel dat het CPB veronderstelt dat aan deze dalende tendens op zichzelf een einde komt dan wel een combinatie van beide. Een nadere analyse van de bijdrage van de verschillende determinanten (zoals herkeuringsoperatie, polisaanpassing, conjuncturele ontwikkelingen e.a.) aan dit fenomeen is noodzakelijk. Nu is het nog veel te vroeg om een uitspraak te kunnen doen over de gevolgen van de ingevoerde en nog in te voeren maatregelen ten aanzien van de volume-ontwikkeling over een tijdspanne van enige tientallen jaren. Wel is het kabinet van mening, met de heer Don, dat de gevolgen van de vergrijzing in de verder gelegen toekomst op zichzelf al een belangrijke reden vormen om de volume-ontwikkeling in de WAO nauwlettend te blijven volgen.

6.2 Afschaffing bonus- malussysteem

Opbrengst bonus-malussysteem en de relatie met de AAW-premie

De leden van een aantal fracties hebben vragen gesteld met betrekking tot de opbrengst van het bonus-malussysteem, mede in relatie tot de AAW-premie.

De leden van de GPV-fractie vragen hoe het mogelijk kan zijn dat de afschaffing van het BMS een opwaarts effect op de AAW-premie kan hebben. Deze leden denken dat bedoeld is dat de daling van de premie geen doorgang vindt. De leden van de fractie van de RPF vragen of afschaffing met volledig terugwerkende kracht een opwaarts effect op de premie van 0,3% heeft. Ook de leden van de CDA-fractie merken op dat volledige terugwerkende kracht een opwaarts effect op de AAW-premie zal hebben. De leden van de fractie van D66 merken op dat onduidelijk is hoe groot het saldo van bonussen en malussen is. Tevens constateren deze leden dat de AAW-premie als gevolg van afschaffing van het BMS niet zal stijgen door volume-ontwikkeling na invoering van TBA. De leden van de SGP-fractie vragen naar het totaal geïnd bedrag aan malussen. Tevens vragen deze leden naar de verhouding tussen uitgaven (bonussen) en inkomsten (malussen). Ten slotte vragen de aan het woord zijnde leden of het uitgekeerde bedrag aan bonussen nog is veranderd sinds het SVr-onderzoek «De bonus in praktijk». De leden van de fractie van GroenLinks ten slotte vragen welke kosten thans zijn gemoeid met de toekenning van de bonusuitkering.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de gerealiseerde en nog te verwachten inkomsten en uitgaven uit hoofde van de bonus-malusregeling.

Tabel 1. Gerealiseerde en verwachte inkomsten en uitgaven BMS (mln. gld en op transactiebasis)

 

Bedragen x 1 mln gld

1992

1993

1994

1995

1996

Totaal

Uitgaven (bonus) Inkomsten (malus)

11 0

22 165

25 220

15 200

0 30

73 615

Het saldo BMS wordt door het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aaf) geboekt op transactiebasis. Dit houdt in dat de bedragen worden toebedeeld aan de jaren, waarop deze betrekking hebben; dit hoeft niet noodzakelijkerwijze samen te vallen met het werkelijke tijdstip van inning dan wel uitkering. Op kasbasis moet nog een bedrag van ca. 414 mln worden geïnd.

In de – vastgestelde – AAW-premie voor 1995 is rekening gehouden met het saldo van het BMS, uitgaande van handhaving van de regeling gedurende geheel 1995. Intrekking van het BMS per 1-7-1995 betekent dat een deel van de verwachte opbrengst voor 1995 niet zal worden gerealiseerd. Voor de AAW-premie voor 1995 heeft dit geen effect meer. Wel betekent voortijdige intrekking dat – partieel gezien, dat wil zeggen abstraherend van andere factoren – minder inkomsten voor het Aaf zullen worden gerealiseerd. Dit heeft een neerwaartse invloed op het vermogen ultimo 1995 en de verwachte inkomsten voor 1996 en dus een opwaartse invloed op de AAW-premie van 1996. Benadrukt dient te worden dat dit een partiële analyse is; uiteraard hebben ook andere factoren, waaronder als belangrijkste de volume-ontwikkeling, invloed op de AAW-premie voor 1996. Als gevolg van een gunstiger dan voorziene volume-ontwikkeling is het mogelijk dat de uiteindelijke AAW-premie voor 1996 lager kan zijn dan voor 1995 gold. Dit laatste in antwoord op de vraag van de leden van de D66-fractie.

Indien de intrekking van de malusinning met volledig terugwerkende kracht wordt ingevoerd betekent dit dat in totaal ca. 615 mln. aan premiebaten moet worden gerestitueerd. In termen van de AAW-premie betekent dit een stijging met 0,3%-punt.

Kosten intrekking bonus-malusregeling

De leden van de CDA-fractie hebben de indruk dat het kabinet niet alles tot maatschappelijke kosten rekent wat de Raad van State als zodanig aangeeft.

De leden van de fractie van de SP zien graag toegelicht hoe de genoemde bedragen op pagina 26 (door Tica geraamde uitvoeringskosten van de nieuwe werkwijze ten aanzien van malusbeslissingen) zich verhouden tot de bedragen die door het kabinet worden genoemd op de pagina’s 29 en 30 van de memorie van toelichting en op de pagina’s 2 en 3 van het nader rapport.

De Raad van State noemt als maatschappelijke kosten «het totaal van de ... uitvoeringskosten»... Dit bedrag moet tezamen met de overige kosten van overheid en het bedrijfsleven, waartoe behoren de kosten van de rechterlijke toetsing,....». «In de toelichting moet inzicht worden gegeven hoeveel van deze beslissingen bij de rechter bestreden zijn en welk belang daarmee gemoeid is. Tevens moet worden aangegeven welke bedragen met de rechterlijke toetsing zijn gemoeid, zowel ten aanzien van de overheid als ten aanzien van het bedrijfsleven».

In de memorie van toelichting, alsmede in het nader rapport worden zowel uitvoeringskosten (43,8 + 21,25 mln.) als de kosten van overheid (13,43 + 0,768 mln.) en bedrijfsleven (17 mln.) genoemd. Het kabinet is derhalve van mening alle relevante maatschappelijke kosten in de beschouwing te hebben betrokken.

In antwoord op de vragen van de SP-fractie kan worden gesteld dat, behoudens het verschil dat het Tica bij zijn aanvankelijke raming uitging van een schatting van 37 500 maluszaken en het kabinet van een bijgestelde raming van ca. 36 000 maluszaken, het verschil tussen de door het Tica en door het kabinet geraamde uitvoeringskosten wordt veroorzaakt door een andere inschatting van het percentage werkgevers dat beroep zal instellen tegen nog op te leggen malusbeslissing. Bij zijn aanvankelijke berekening ging het Tica uit van 50%. Om redenen genoemd bij zijn raming is het kabinet uitgegaan van een lager percentage (ca. 25%). Het aantal beroepszaken is daardoor lager en daarmee ook de kosten die daarmee samenhangen.

Effecten bonus-malusregeling

De leden van de RPF-fractie vragen naar de effecten van het bonus-malussysteem in het kader van de terugdringing van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen. De leden van de fractie van GroenLinks verzoeken in hetzelfde kader een toelichting op de passage op pagina 57 van de memorie van toelichting.

De vraag van de leden van de RPF-fractie naar de volume-effecten van het bonus-malussysteem is moeilijk te beantwoorden. Het bonus/malussysteem vormde een onderdeel van het pakket maatregelen in de wet TAV en het effect is daarom al moeilijk te isoleren van het effect van andere maatregelen. Dit werd helemaal onmogelijk na het van kracht worden van de wet TBA. Onderzoekers van de SVr hebben in ieder geval geen onmiddellijk effect op het volume vast kunnen stellen.

In antwoord op het verzoek van de leden van de fractie van GroenLinks het volgende. Het bedrag van 70 mln betreft de ingeboekte besparing als gevolg van gedragseffecten van het bonus-malussysteem. Het gaat dus uitdrukkelijk niet om bedragen die gemoeid zijn met bonusuitkeringen. Het genoemde besparingsbedrag was becijferd, uitgaande van handhaving van het BMS gedurende geheel het jaar 1995. Intrekking van het BMS per 1-7-1995 zou kunnen inhouden dat het ingeboekte besparingsbedrag verminderd zou moeten worden. Zoals gesteld in de memorie van toelichting wijst de huidige volume-ontwikkeling er op dat het beoogde gedragseffect zich, weliswaar vervat in de totale volumeontwikkeling, daadwerkelijk heeft voorgedaan.

6.3 Intensivering flankerende maatregelen gericht op (re)integratie

Reïntegratiemaatregelen

Loonkostensubsidieregeling

De leden van de fractie van D66 vragen op welke aannames de berekening van de toename van 10 000 arbeidsplaatsen als gevolg van de uitbreiding van de loonkostensubsidieregeling berust. Tevens vragen de aan het woord zijnde leden naar het huidige gebruik van de loonkostensubsidieregeling, alsmede naar de toepassing van de loonkostensubsidie reïntegratie eigen werkgever. Ten slotte vragen de aan het woord zijnde leden op welk onderzoek het huidige structurele gebruik van de regeling is gebaseerd. Ook de leden van de SGP-fractie vragen naar de effecten van de uitbreiding van de loonkostensubsidieregeling zoals die per 1-1-1995 is ingegaan.

Op het gebruik van de huidige loonkostensubsidieregeling wordt elders in deze nota uitvoerig ingegaan. Met betrekking tot de toepassing van de loonkostensubsidie reïntegratie eigen werkgever zijn thans nog geen gegevens voorhanden. Deze uitbreiding van de regeling is immers pas met ingang van 1-1-1995 van kracht geworden; hierover zijn nog geen realisatiecijfers beschikbaar.

De uitbreiding van het gebruik van de huidige loonkostensubsidieregeling betreft een schatting op basis van het huidige gebruik van de loonkostensubsidieregeling en de bonusuitkering tezamen. Verondersteld is dat de verhoging van de subsidie, alsmede het gegeven dat één regeling in de plaats komt voor twee naast elkaar bestaande regelingen (loonkostensubsidie en bonusuitkering), zal leiden tot een toename van het gebruik.

Het huidige toepassingsbereik zoals genoemd in de memorie van toelichting is gebaseerd op de realisatiegegevens met betrekking tot de loonkostensubsidieregeling en bonusuitkering, alsmede met het geraamde gebruik van de uitbreiding van de loonkostensubsidie tot reïntegratie bij de eigen werkgever.

Loonsuppletieregeling

De leden van de RPF-fractie vragen om een nadere onderbouwing van de geraamde kosten van de loonsuppletieregeling.

Verondersteld is dat het gebruik van genoemde regeling gelijk zal zijn aan het gebruik van de loonkostensubsidieregeling. Het betreft immers dezelfde doelgroep. Dit betekent dat aangenomen is dat jaarlijks ca. 10 000 personen gebruik zullen maken van de regeling. Na vijf jaren is – bij veronderstelde gelijkblijvende instroom en een duur van de suppletie van vier jaren – het structurele niveau bereikt. Uitgaande van een gemiddelde suppletie in het eerste jaar van ca. f 2500,– en rekening houdend met het gegeven dat de gemiddelde duur in het eerste jaar als gevolg van de geleidelijke instroom slechts een half jaar bedraagt zijn de kosten in het eerste jaar (afgerond) 10 mln. In het tweede jaar stroomt eenzelfde groep in (wederom voor een gemiddelde duur van een half jaar) en ontvangt de groep van het eerste jaar gedurende het tweede jaar een gemiddelde suppletie ter hoogte van 75% van het bedrag dat zij in het eerste jaar ontvingen. Tezamen bedragen de totale kosten (afgerond) 30 mln.

Op deze wijze stroomt het bestand vol, zij het dat de hoogte van de suppletie in het derde en vierde jaar wordt afgebouwd. In het vijfde jaar ten slotte is de structurele situatie bereikt. Dan komt immers de suppletie van de groep die in het eerste jaar is ingestroomd te vervallen.

Verruiming van scholingsmogelijkheden

De leden van de fractie van D66 vragen waarom sprake is van een maximumraming voor wat betreft de geraamde kosten.

Bij de raming van de kosten van de verruiming van de scholingsmoge-lijkheden is verondersteld dat iedereen die gebruik maakt van de regeling zich nog in de loongerelateerde uitkeringsperiode van de WW bevindt. De hoogte van de uitkering is in dat geval maximaal. Indien iemand zich reeds in de vervolguitkering bevindt zal de uitkering lager zijn, en daarmee de extra kosten.

De maximumraming moet derhalve worden gezien tegen veronderstelling dat iedereen zich in de loongerelateerde fase bevindt.

Toepassing regeling vergoeding persoonlijke ondersteuning gehandicapte werknemers

De leden van de RPF-fractie verzoeken een kostenraming te maken van de voorgestelde bredere toepassing van deze regeling.

De ruime uitleg, zoals die zal worden uitgedragen, is geen uitbreiding die in dit wetsvoorstel wordt voorgesteld. Deze ruime uitleg bestond ook al voordien. Gebleken is echter dat deze niet altijd door de uitvoeringsinstanties werd toegepast. Meer nadruk zal worden gelegd op toepassing van deze brede uitleg. De kosten hiervan zijn reeds verwerkt in de ramingen. In de memorie van toelichting is om deze reden aangegeven dat hiervoor geen extra kosten zijn ingeboekt.

Proefplaatsing met behoud van uitkering

De leden van de SGP-fractie vragen naar de financiële gevolgen van de proefplaatsing.

Verondersteld is dat de regeling proefplaatsing met behoud van uitkering het sluitstuk van de reïntegratiemaatregelen vormt. Aangenomen mag worden dat betrokkenen eerst zullen trachten gebruik te maken van de overige regelingen. Indien iemand gebruik maakt van de proefplaatsing zullen er in eerste instantie geen financiële gevolgen optreden. De uitkering blijft immers gewoon doorlopen. Pas als iemand daarna in dienst wordt genomen zullen besparingen optreden. Van inboeking van deze besparingen is vooralsnog afgezien.

Aantal reïntegraties

De leden van de fractie van GroenLinks vragen aan te geven hoe het aantal geslaagde reïntegraties sinds 1 augustus 1993 zich verhoudt tot het aantal in de daaraan voorafgaande periode. Daarnaast vragen deze leden hoeveel reïntegraties op basis van het voorgestelde pakket van maatregelen kunnen worden verwacht.

Thans zijn nog geen gegevens voorhanden met betrekking tot het aantal werkhervattingen sinds 1 augustus 1993. In het Ctsv-rapport «Volumeeffecten van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidscriterium» is hiervan reeds melding gemaakt. Op het ontbreken van gegevens in zijn algemeenheid is elders in deze nota met betrekking tot de effectiviteit van bestaande maatregelen ook aandacht besteed.

Ten aanzien van het verwachte aantal geslaagde reïntegratie als gevolg van de voorstellen in dit wetsvoorstel mogen wij deze leden verwijzen naar de memorie van toelichting, paragraaf 6.

De leden van de RPF-fractie vragen naar een reactie op het idee om het instrument van de afdrachtkorting te gebruiken als voertuig om de (re)integratie van ondermeer personen met een arbeidshandicap te vergemakkelijken. De middelen gemoeid met loonkostensubsidie en andere instrumenten zouden structureel kunnen worden ingezet om de afdrachtkorting ten behoeve van de betrokken werknemers met een arbeidshandicap structureel te vergroten.

Ten aanzien van dit idee willen wij het volgende opmerken. De voorgestelde maatregelen in onderhavig wetsvoorstel zoals bijvoorbeeld de werkgeverssubsidie, de mogelijkheid tot proefplaatsing met behoud van uitkering en de loonsuppletie regeling zijn zodanig gekozen dat de kans op (re)integratie van de betrokkenen zo groot mogelijk is. Aanwending van de gereserveerde financiële middelen voor een structurele verhoging van de afdrachtkorting voor werknemers met een arbeidshandicap zou in feite betekenen dat er een generiek (dat wil zeggen voor elke werknemer met een arbeidshandicap indentiek) instrument voor de betrokkenen wordt ingezet. Hierdoor zou minder met de specifieke omstandigheden waarin deze werknemers verkeren rekening kunnen worden gehouden en wordt de kans op (re)integratie van de betrokkenen ons inziens aanmerkelijk geringer. Daarnaast is er de vraag of de met dit voorstel beoogde administratieve lastenverlichting opweegt tegen de geringere kans tot re(integratie).

De leden van de fractie van D66 wijzen erop dat geen uitvoeringstechnisch advies is ontvangen van het Tica. Deze leden betreuren dit, aangezien goede uitvoering van eminent belang is voor de effectiviteit van de maatregelen.

Ik deel deze zienswijze over het belang van een goede uitvoering. Daarom is bij de voorbereiding van het wetsvoorstel zoveel mogelijk gebruik gemaakt van de technische kennis van de uitvoeringsorganisatie via persoonlijke netwerken van de beleidsvoorbereiders en wetstechnici. Daarnaast is ook over het wetsvoorstel Amber een technisch commentaar gevraagd aan het Tica. Naar men van die zijde heeft verzekerd, zal dit commentaar tijdig beschikbaar zijn om bij het gedetailleerd uitwerken van de maatregelen in lagere regelgeving te kunnen worden gebruikt.

De leden van de fractie van de PvdA vragen aandacht voor de toepassing van artikel 29b Ziektewet. Zij zijn van mening dat de formulering van dit artikel onnodig beperkend is, en in de praktijk ook niet altijd juist wordt uitgelegd. Zij vragen daarom het desbetreffende artikel anders te formuleren.

Met de leden van de fractie van de PvdA zijn wij van mening dat de feitelijke toepassing van artikel 29b ZW nog enige verbetering behoeft. Deze is echter opgenomen in het concept wetsvoorstel uitbreiding loondoorbetalingsverplichting bij ziekte, dat thans bij de Raad van State aanhangig is. Bij dit wetsvoorstel wordt de Ziektewet ingrijpend herzien. Dit betekent dat artikel 29b ZW hoe dan ook niet in zijn huidige vorm kan voortbestaan. Om te voorkomen dat de Ziektewet twee maal in korte tijd gewijzigd zou moeten worden, is besloten die onderdelen van het flankerend beleid die betrekking hebben op de Ziektewet in één keer te behandelen bij de uitbreiding van de loondoorbetalingsverplichting.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, R. L. O. Linschoten

De Minister van Binnenlandse Zaken, H. F. Dijkstal

De Staatssecretaris van Defensie, J. C. Gmelich Meijling

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.