De behandeling van:het wetsvoorstel Wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie) (24221);de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over ontslagbescherming van gedeeltelijk arbeidsongeschikten (22977, nr. 7);de brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het arbeidsongeschiktheidscriterium (22187, nr. 32). 

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (Wet afschaffing malus en bevordering reïntegra-tie) (24221);
  • de brief van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over ontslagbescherming van gedeeltelijk arbeidsongeschikten (22977, nr. 7);
  • de brief van de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het arbeidsongeschiktheidscriterium (22187, nr. 32).

De (algemene) beraadslaging wordt geopend.

©

A.J. (Arthie)  SchimmelMevrouw Schimmel (D66): Mijnheer de voorzitter! De nieuwe WAO is te ver doorgeschoten. Daarover is iedereen het intussen gelukkig eens. De eerste signalen kwamen al snel. Het Landelijk samenwerkingsverband regionale platforms arbeidsongeschiktenorganisaties heeft in februari 1994 in samenwerking met het Hilda Verwey Jonkerinstituut het rapport Onomkeerbaar schrijnend gepresenteerd. In juli 1994

kwam de Nationale commissie chronisch zieken samen met het Breed platform verzekeringen met een eerste klachteninventarisatie. Daarna kwam in februari 1995 weer een rapport van het Hilda Verwey Jonker-instituut en ten slotte moesten we wachten op de rapporten van het Hugo Sinzheimer-instituut en het College van toezicht sociale verzekeringen, totdat we vandaag eindelijk de werking van de nieuwe WAO bespreken.

D66 heeft al tijdens de begrotingsbehandeling in december concrete voorstellen gedaan om iets te doen aan de situatie van mensen, die door de nieuwe WAO het zwaarst getroffen werden. Hetgeen we naar voren brachten tijdens die begrotingsbehandeling is bevestigd door de rapporten van het College van toezicht sociale verzekeringen.

De mensen die ons brieven schrijven of hebben geschreven over de nieuwe WAO hebben het gevoel of ze in een Kafkaiaanse situatie zijn beland. Wat is er aan de hand met de nieuwe WAO? Bijna niemand is meer volledig arbeidsongeschikt volgens de strikte medische voorschriften. Je moet niet meer op je eigen benen kunnen staan of wel een heel zware ziekte hebben met een onduidelijke afloop, wil je nog medisch volledig arbeidsongeschikt zijn. Daarna gaat bijna iedereen door naar de computer van de bedrijfsvereniging, waarin altijd wel functies staan die iemand nog kan vervullen, hoe ziek hij of zij ook is. De computer heeft als opdracht de uitkering zo laag mogelijk te laten zijn. Mensen krijgen vervolgens geen hulp bij reïntegratie als ze volledig of gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn verklaard. Mensen worden geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt verklaard, maar worden door de bedrijfsvereniging afdeling werkloosheidswet als arbeidsongeschikt of door arbeidsvoorziening als niet bemiddelbaar of door de sociale werkvoorziening als niet plaatsbaar behandeld. Er zijn nauwelijks mogelijkheden voor de mensen om bezwaren tegen de functies naar voren te brengen en te laten opnemen in de arbeidsongeschikt-heidsbeoordeling. Bovendien worden de mensen vaak onheus bejegend door de bedrijfsvereniging.

Het effect van de nieuwe WAO is, dat vele mensen hun uitkering verliezen of verlaagd zien en wanhopig raken. De angst van mensen die opgeroepen worden voor een herbeoordeling is dan ook heel groot. De regering onderkent gelukkig nu ook de problemen van de nieuwe WAO en in de brief van de staatssecretaris worden oplossingen aangedragen om de werking van de nieuwe WAO te verzachten, zowel voor de mensen die voor het eerst een WAO-aanvraag indienen als voor de mensen die opgeroepen worden voor een herbeoordeling. De vraag is of deze maatregelen voldoende zijn of dat er nog meer gedaan moet worden.

Een van de meest bizarre uitkomsten van de nieuwe WAO is, dat deze de reïntegratie belemmert in plaats van bevordert. Dat was toch de bedoeling van de wet, namelijk om de arbeidsparticipatie te bevorderen. De nieuwe WAO belemmert de reïntegratie op vier manieren volgens het college van toezicht. De mogelijkheden om een praktische schatting toe te passen zijn verdwenen. Voor structureel overleg tussen arbeidsdeskundige en keuringsarts is geen tijd meer. Een persoon over de einddatum Ziektewet heen tillen om te kijken of hij in een medisch stabiele situatie komt, is taboe. Mensen op medische gronden 80-100 te beoordelen totdat zij, medisch gezien, stabiel zijn, is aan strikte regels gebonden. De staatssecretaris geeft daarvoor oplossingen.

Allereerst noem ik het verdwijnen van de mogelijkheden om tot praktische schattingen te komen. De reïntegratie van de werknemer wordt daardoor belemmerd. De staatssecretaris onderkent dit probleem. Hij komt met drie maatregelen die het effect moeten verminderen: maximering van de verdiencapaciteit op eigen maat-maninkomen, het gebruiken van het computerprogramma als reïntegratiemiddel en de loonsuppletie. Naar onze opvatting zal dat de pijn maar gedeeltelijk wegnemen. Ik wil vervolgens iets zeggen over de loontoeslag.

Wij hebben in de schriftelijke voorbereiding van de wet een voorbeeld genoemd van een timmerman van 45 jaar die uitvalt met rugklachten. De timmerman is aan het einde van het ziektejaar niet meer in staat om zijn eigen werk te hervatten. Hij verdiende ƒ 3400 bruto per maand. Voor de berekening van zijn WAO-uitkering wordt uitgegaan van het hoogste loon dat iemand in theorie nog kan verdienen. In zijn geval is dat ƒ 3000. Op grond hiervan heeft hij geen recht meer op een uitkering. Hij kan concreet bij zijn eigen werkgever nog ƒ 2375 in een andere functie verdienen.

Vroeger werd de mate van arbeidsongeschiktheid bepaald door het verschil tussen de ƒ 3400 en de ƒ 2375. Dat werkte in de praktijk reïntegrerend. Dat kan nu niet meer. De staatssecretaris onderkent dit probleem. Om de reïntegratie weer te bevorderen, stelt de staatssecretaris voor om de timmerman een loontoeslag te geven van maximaal 20% van zijn theoretische loon. Die loontoeslag wordt in vier jaar afgebouwd; 20% van zijn theoretische loon bedraagt ƒ 600. Mij is onduidelijk of dat ƒ 600 per maand is, per kwartaal, per jaar of per vier jaar. Kan de staatssecretaris dat verduidelijken?

Na vier jaar is deze loontoeslag afgebouwd. Is het reëel om te veronderstellen – dat doet de staatssecretaris – dat deze timmerman in vier jaar maximale verdiensten kan realiseren om dit gat te overbruggen? Wij willen kiezen voor een andere benadering, namelijk door te kijken naar het gemiddelde theoretische loon dat de timmerman nog zou kunnen verdienen. Dan krijgt hij nog een uitkering op basis van 15-25% arbeidsongeschiktheid. Waarom vinden wij deze weg aantrekkelijker?

Op die manier wordt meer recht gedaan aan de realiteit. Waar het de fractie van D66 vooral om gaat, is niet de verdiscontering terug te brengen in het systeem, maar de fictie van het hoogste theoretische loon eruit te halen. Daarmee wordt de kwaliteit van het computerprogramma een stuk beter. Dat zo’n benadering gevolgen kan hebben voor het ontstaan of de hoogte van een uitkering is een tweede aspect.

Bovendien biedt de loontoeslag van de staatssecretaris alleen soelaas voor mensen die daadwerkelijk een plaats vinden bij de eigen of een andere werkgever en niet voor mensen die dat niet lukt. Ook het TICA pleit, tot mijn vreugde, in het gisteravond bij mij bezorgde advies voor een dergelijke benadering. Volgens het TICA hoeft het Schattingsbesluit niet te worden veranderd. Uitvoeringsrichtlijnen kunnen in die zin worden ontwikkeld en conform artikel 2 van het Schattingsbesluit. Graag een reactie van de staatssecretaris!

De heer Biesheuvel (CDA): Voorzitter! Bepleit mevrouw Schimmel de invoering van de mediaan in het Schattingsbesluit? En, zo ja, waarom heeft zij dat niet besproken in het coalitie-overleg dat uiteindelijk heeft geleid tot de brief die op 2 juni naar de Kamer is gestuurd? Ik heb begrepen dat de inhoud van die brief het resultaat van het coalitie-overleg tot nu toe is.

Mevrouw Schimmel (D66): Ik pleit voor een andere benadering teneinde de kwaliteit van het computersysteem te verbeteren. Daar gaat het op dit ogenblik om. Waar ik dit ook bespreek, het blijft de inzet van de fractie van D66 om dat computersysteem kwalitatief te verbeteren. De staatssecretaris doet ook allerlei voorstellen om de uitvoeringsprogramma’s aan een betere kwalitatieve beoordeling te onderwerpen.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik begrijp dat, wellicht afhankelijk van het antwoord van de staatssecretaris, u met een voorstel komt om de mediaan in te voeren in het Schattingsbesluit.

Mevrouw Schimmel (D66): Ja. Voorzitter! Wat het maximeren van de verdiencapaciteit op het eigen maat-maninkomen betreft, heb ik het volgende probleem. Het gat tussen de daadwerkelijke verdiensten en de theoretische verdiensten wordt in de meeste gevallen veroorzaakt, doordat werknemers die part-time werken volgens de bedrijfsverenigingen in lichter, ander, werk nog wel full-time zouden kunnen werken. Dus ook als maat-manloon en theoretisch loon gelijk zijn, levert dit een probleem op. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: als een werknemer voor 20 uur geschikt wordt verklaard voor zijn eigen werk, wordt er dan ook in het computerprogramma alleen naar 20-urige functies gezocht?

Het tweede anti-reïntegratie-effect van de nieuwe WAO is dat er nauwelijks goed en periodiek overleg plaatsvindt tussen de keuringsarts en de arbeidsdeskundige. Alles lijkt geautomatiseerd te verlopen en de mens staat daarbij niet meer centraal. De staatssecretaris wil daarover aan het TICA een signaal afgeven. De inhoud van dat signaal moet volgens onze fractie zijn dat na de eerste selectie van functies door de computer keuringsarts en arbeidsdeskundige overleg voeren over de vraag of de functies door de WAO-aanvrager kunnen worden uitgevoerd. De keuringsarts moet uiteindelijk de functies goedkeuren en daarbij rekening houden met de mogelijkheden van de aanvrager. De onderzoeken door de keuringsarts en de arbeidsdeskundige moeten kort na elkaar plaatsvinden en de aanvrager moet persoonlijk te horen krijgen wat de uitslag is. Ook moet de aanvrager tijd hebben om de functies op hun uitvoerbaarheid te beoordelen. Dit kan leiden tot een nieuwe beoordeling bij twijfel in verband met de gezondheid of in verband met de mogelijkheden van de aanvrager. Nieuwe keuringsartsen en arbeidsdeskundigen moeten goed worden ingewerkt. Er moet een gedragscode komen voor keuringsartsen en arbeidsdeskundigen voor de bejegening van de aanvrager. Keuringsartsen moeten ook elkaars werk controleren. D66 is altijd voorstander geweest van de instelling van een onafhankelijk keuringsinstituut. In dit geval vraag ik de staatssecretaris of hij ervoor is om een onafhankelijke second opinion in te voeren. Er moet goede voorlichting aan aanvragers komen over de werkwijze bij en de uitkomst van de keuring. Het zou goed zijn als een extern onderzoeksbureau steekproeven doet om na te gaan hoe het nu werkelijk in de praktijk gaat. De keuringsarts moet contact opnemen met de huisarts en specialist, zoals de staatssecretaris ook voorstelt.

Dit alles betekent volgens de fractie van D66 dat er meer tijd moet worden vrijgemaakt om te komen tot een zorgvuldige en uitgebreide beoordeling. Er hangt voor de desbetreffende mensen te veel van af. Om dat te realiseren, moet er ook ruimte worden gemaakt. Vorig jaar werden meer dan 100.000 aanvragen ingediend voor een WAO-uitkering en moesten er 60.000 mensen worden herbeoordeeld. Met de eisen die wij stellen aan de zorgvuldigheid en uitgebreidheid van de beoordeling, is het waarschijnlijk niet mogelijk om zoveel mensen te keuren. Daarom stellen wij voor, het Cohortenbesluit te temporiseren. Per jaar zou in onze opvatting niet meer dan de helft van de mensen moeten worden herbeoordeeld die nu opgenomen zijn in het Cohorten-besluit.

De huidige medische voorschriften om volledig arbeidsongeschikt te worden verklaard, zijn heel strikt. Alleen bij hoge uitzondering kan de keuringsarts besluiten dat iemand geen mogelijkheden meer heeft en betrokkene volledig medisch arbeidsongeschikt verklaren. Het is alles of niets. Het kan voorkomen dat mensen goedgekeurd worden die er slecht aan toe zijn. Over klachten als ME, fibromyalgie en whiplash bestaat geen overeenstemming. De staatssecretaris vindt dat die overeenstemming er moet komen. Dat zijn wij met hem eens, maar er zijn ook andere knelpunten gesignaleerd, bijvoorbeeld door het Platform tripartiet overleg reuma, de Diabetesvereniging en de Nierstichting. Ik ga ervan uit dat deze en andere knelpunten ook worden meegenomen. Het TICA is al bezig om de medische voorschriften te verbeteren. Kan de staatssecretaris aangeven wat daarin staat en wanneer die in werking treden? De fractie van D66 vindt het ook belangrijk dat er op vakinhoudelijk gebied sprake is van inschakeling van de medische beroepsgroep. Ook willen wij graag de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport hierbij betrekken. Ik krijg graag een reactie van de minister op de vraag of een dergelijk overleg al gaande is.

Ik ben al ingegaan op de verplichte contacten tussen keuringsarts, huisarts en specialist. Wij zijn tevreden met het voorstel van de staatssecretaris, waardoor er nu meer mogelijkheden komen om tot uitstel van de definitieve schatting te komen. Ook zijn wij tevreden met de ruimere mogelijkheden om de uitkering van mensen te doen herleven of te verhogen na terugkeer van de klachten.

Het computerprogramma van de bedrijfsvereniging is duidelijk op korte termijn aan een ingrijpende verandering toe. De staatssecretaris stelt een aantal veranderingen voor die wij van harte ondersteunen. In het computerprogramma mogen alleen functies worden opgenomen die representatief zijn voor de Nederlandse arbeidsmarkt, dus geen rare functies meer. Er mogen geen functies in worden opgenomen die niet representatief zijn voor de kenmerken van die functies in hun algemeenheid. De functiebelasting moet overeenkomen met de belastbaarheid van de verzekerde, dus geen marginale overschrijding meer. Het arbeidspatroon moet overeenkomen met de belastbaarheid van de verzekerde. Er moet een regionale spreiding van functies zijn.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik wil u een vraag stellen over de marginale overschrijdingen. De staatssecretaris zegt daar in zijn brief van 2 juni ook iets over. Bent u het daar niet mee eens? Vindt u dat er nooit sprake mag zijn van een marginale overschrijding?

Mevrouw Schimmel (D66): Dat hangt ervan af of het contact tussen de verzekeringsgeneeskundige, de keuringsarts, en de arbeids-deskundige goed op gang komt. Als dat gebeurt, kijkt de keuringsarts, zoals ik al eerder heb gezegd, nog naar de functies die er zijn en die, gezien de belastbaarheid, voor de mensen geschikt zijn. Dan wordt in een persoonlijk contact gezamenlijk bekeken of een functie nog verricht kan worden door de desbetreffende persoon. Zolang dat contact niet tot stand is gebracht, lijkt het mij inderdaad niet verstandig om in het computerprogramma ook functies te zoeken die tot een marginale overschrijding van de belastbaarheid leiden. Het is òf een automatisch systeem, waarin je invoert dat je dit niet doet, òf een goed systeem, waarbij keuringsartsen en arbeids-deskundigen kijken welke mogelijkheden er zijn om een specifieke functie te laten vervullen door de aanvragen van de WAO.

De heer Biesheuvel (CDA): U maakt de marginale overschrijding dus afhankelijk van het teamoverleg tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsgeneeskundige. Dat is dan duidelijk.

Staatssecretaris Linschoten: Voordat hier een misverstand over ontstaat, wil ik enige duidelijkheid verschaffen. Ik ga er ook van uit dat in al die gevallen waarin functies aan de orde zijn die in de categorie marginale overschrijding thuishoren, inderdaad nader overleg plaatsvindt tussen de arbeidsdeskundige en de verzekeringsgeneeskundige. Dat is bij mijn weten ook de huidige praktijk.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik wil dat bevestigen. Wie zijn oor te luisteren legt, kan haast niet ontkomen aan het feit dat er dan een sterretje wordt gezet op het rapport en dat er vervolgens overleg plaatsvindt. Ik ga zelf ook nog in op het structurele karakter van het teamoverleg. Ik ben dus blij met de uitleg van zowel de staatssecretaris als mevrouw Schimmel.

Mevrouw Schimmel (D66): De staatssecretaris stelt dat drie functies de ondergrens is voor de beoordeling. Als ik de brief goed lees, moeten die functies ieder 30 arbeidsplaatsen vertegenwoordigen. Waarom kiest de staatssecretaris niet voor vijf functies, zoals de SER destijds heeft voorgesteld? De staatssecretaris stelt ook dat de functies representatief moeten zijn qua loon. Ik heb hier al het een en ander over gezegd. Wij vinden dat het realistisch is om uit te gaan van de gemiddelde loonwaarde. Ook dat stond in het meerderheidsadvies van de SER. Het TICA vindt dat ook. De D66-fractie vindt het goed dat de staatssecretaris het computerprogramma gaat gebruiken voor reïntegratie. Het computerprogramma mag niet allesbepalend zijn; het is slechts een hulpmiddel. Ten slotte zou, wat ons betreft, het computerprogramma op zijn waarde onderzocht moeten worden door een onafhankelijk onderzoeksbureau.

Voorzitter: Esselink

Mevrouw Schimmel (D66): Voorzitter! Wat de zelfstandigen betreft, hebben de aanpassingen van de staatssecretaris vooral betrekking op de inkomenstoeslag. Ik verwijs naar wat ik heb gezegd over de loontoeslag. Ik vraag mij af of deze aanpassing voldoende is om de slechte gevolgen die de WAO voor zelfstandigen heeft, op te vangen. Door de nieuwe WAO moeten veel zelfstandigen die nog wel enige arbeid in eigen bedrijf kunnen verrichten, vaak dit bedrijf opgeven, omdat zij volledig goedgekeurd worden. Ik noem een voorbeeld. Een 50-jarige boer met knieklachten kan een deel van zijn werkzaamheden niet meer uitvoeren. Hij vraagt een AAW-uitkering aan. Het inkomen is ƒ 40.000 bruto per jaar; dat is ƒ 3333 per maand. Volgens de nieuwe schattingsmethodiek wordt aangegeven wat de boer elders in loondienst kan verdienen. Dat blijkt ƒ 2800 bruto per maand te zijn. Hij heeft geen recht meer op een AAW-uitkering. Zonder hulp kan hij zijn bedrijf niet voortzetten.

Resultaat: het bedrijf moet worden verkocht; de boer moet een RWW-uitkering aanvragen en ander werk zoeken. Zijn de inkomenstoeslag en de andere maatregelen van de staatssecretaris voldoende om het bedrijf in stand te houden? Een vervolguitkering WW geldt niet voor kleine zelfstandigen. Hetzelfde geldt voor reïntegratiemaatregelen. Ook de startersregeling gaat in dit geval niet op. Geldt de inkomenstoeslag alleen, als er nog recht op een AAW-uitkering bestaat? Ik hoor hier graag een reactie van de staatssecretaris op.

Ook ten aanzien van de vroeg-gehandicapte stel ik de staatssecretaris de vraag of de maatregelen voldoende zijn. Ik geef een voorbeeld. Een nu 26-jarige man is rond zijn 18de jaar volledig arbeidsongeschikt verklaard wegens een verstandelijke jeugdhandicap. Op jeugdige leeftijd is hij toevertrouwd aan instellingen in de zwakzinnigenzorg. Na het verlaten van het speciaal onderwijs is hij aangewezen op de wachtlijst van de sociale werkvoorziening. Hij maakt onder begeleiding gebruik van de mogelijkheid, te gaan werken in het vrije bedrijfsleven, gebruik makend van de mogelijkheid van loon-dispensatie. Na twee jaar werken biedt de sociale werkvoorziening een baan aan, die hij accepteert. Van het orthopedagogisch behandelcentrum verhuist hij naar een gezinsvervangend tehuis. Langzaamaan integrerend volgt hij nu een zelfstandig-wonenprogramma. De jongeman is opgeroepen voor herbeoordeling. Zijn mate van arbeidsongeschiktheid wordt bepaald door hetgeen hij theoretisch nog zou kunnen verdienen, te vergelijken met wat hij nu verdient. Op grond hiervan is betrokkene volledig arbeidsongeschikt verklaard; hij verliest zijn AAW-uitkering. Niet alleen verliest hij zijn AAW-uitkering, maar hij krijgt ook geen bijstandsuitkering, omdat zijn huisgenoten in het zelfstandig-begeleidenprogramma een uitkering ontvangen, hij voordeurdeler wordt en zijn huisgenoten onderhoudsplichtig. De toepassing van de Regeling persoonlijke ondersteuning wordt gestopt, evenals de mogelijkheid, loondispensatie te verlenen. De sociale werkvoorziening zal voortaan volledig zijn loon moeten betalen, en het is niet onwaarschijnlijk dat deze jongeman zijn baan verliest. Dit gevolg van de nieuwe WAO lijkt mij volstrekt tegengesteld aan alles wat wij willen op dit gebied, namelijk participatie van de vroeg-gehandicapten in de samenleving. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Voorzitter: Weisglas

Mevrouw Schimmel: Voorzitter! Het kabinet stelt voor, de WAO’er die op 1 augustus 1993 45 jaar is, en de WAO’er die op 1 augustus 1993 41 jaar is en al sinds 1 januari 1987 een uitkering heeft, een vervolguitkering WW te geven tot hun 65ste jaar. Dat wil zeggen dat deze mensen geen beroep meer hoeven te doen op de bijstandswet, maar een vervolguitkering krijgen die geen inkomens-en vermogenstoets kent. Wij vinden het terecht dat het kabinet een oplossing heeft gevonden voor de onzekere financiële situatie, waarin de oudere herkeurde WAO’er terecht is gekomen. De uitgangssituatie van de herbeoordeelde WAO’er verschilt wezenlijk van de nieuwe WAO-aanvrager. Dit heeft gevolgen voor de kansen op en voorwaarden voor werk of uitkering, ingeval de keuring/herkeuring een gedeeltelijke of volledige arbeidsongeschiktheid oplevert. Het bestaan van een dienstverband met de eigen werkgever is bij de nieuwe WAO-aanvragers van groot belang. Bij gedeeltelijke goedkeuring wordt eerst bij de eigen werkgever gekeken of passende arbeid voorhanden is. Bij de herbeoordeelde oudere WAO’er zal het dienstverband met de oude werkgever veelal niet meer bestaan. Met een aparte inkomensvoorziening voor deze WAO’ers, die na herbeoordeling goedgekeurd dan wel gedeeltelijk goedgekeurd worden, wordt dat erkend. Overigens vindt de D66-fractie dat, of het nu de nieuwe aanvragers betreft of de groep die herbeoordeeld wordt, het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium voor beide groepen zodanig veranderd moet worden, dat voor beide groepen een rechtvaardige beoordeling plaatsvindt.

Ik kom nu toe aan het wetsvoorstel Amber.

De heer Biesheuvel (CDA): Nu u overstapt van de brief van de staatssecretaris van 2 juni naar het wetsvoorstel, heb ik een vraag aan u. Hoe zou u het karakter van de brief van 2 juni willen omschrijven? Is dat een compromis, of is het voor de

D66-fractie een begin van de nadere invulling van de eigen inbreng?

Mevrouw Schimmel (D66): Het allerbelangrijkste is dat de brief wezenlijke veranderingen aanbrengt in het arbeidsongeschiktheidscriterium. Het gaat erom dat het criterium zodanig wordt ingevuld en toegepast, dat daardoor voor mensen een rechtvaardige beoordeling van hun mate van arbeidsongeschiktheid ontstaat. Ik heb allerlei voorwaarden genoemd die daaromtrent vervuld moeten worden, maar dat is de essentie van de brief.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik begrijp dat de brief voor u dus niet voldoende is.

Mevrouw Schimmel (D66): Ik heb aan de staatssecretaris vragen gesteld over het punt, van welke loonwaarde moet worden uitgegaan bij de arbeidskundige beoordeling.

De heer Biesheuvel (CDA): U heeft gesteld dat u nog met een aanvulling komt. In feite moet ik dus constateren dat wat in de pers een compromis is genoemd – ik doel op de brief van 2 juni, waar we wat lang op hebben moeten wachten – voor u inhoudt dat uw handen vrij blijven om verder te gaan.

Mevrouw Schimmel (D66): Ik kan herhalen wat ik net heb gezegd: de essentie van de brief is dat er een fatsoenlijk arbeidsongeschiktheidscriterium komt, zowel voor de nieuwe aanvragers van de WAO als voor de mensen die worden herbeoordeeld, zodat niemand bang hoeft te zijn als de oproep van de bedrijfsvereniging op de deurmat ligt.

De heer Biesheuvel (CDA): U vindt het dus bespreekbaar om verder te gaan dan in de brief staat.

Mevrouw Schimmel (D66): Ik heb gezegd dat wat betreft de kwaliteit van de beoordeling er een aantal punten een rol spelen, zoals de arbeidskundige en de medische beoordeling. In de brief staan daarover heel goede punten. Wat betreft de arbeidskundige beoordeling heb ik aan de staatssecretaris gevraagd of het niet beter zou zijn, uit te gaan van de gemiddelde loonwaarde in plaats van van de theoretisch hoogst bereikbare loonwaarde. Dat was overigens ook het advies van het TICA. Het TICA voegt eraan toe dat daarbij het Schattingsbesluit als zodanig niet veranderd hoeft te worden, maar dat dat kan plaatsvinden door middel van de uitvoeringsrichtlijnen zoals opgenomen in artikel 2 van het Schattingsbesluit.

De heer Biesheuvel (CDA): Wij komen er nog wel op terug.

De heer Marijnissen (SP): Er zijn zo’n tien bossen gekapt om in de kranten ruimte te geven aan PvdA en D66 om en plein public te delibereren over hoe slecht de WAO was en hoe goed die gaat worden. Mevrouw Schimmel heeft daarbij steeds de stelling betrokken dat er gesproken moet worden over het fenomeen van de herkeuringen, met name voor degenen die al wat langer in de WAO zitten. Waar is dat punt gebleven?

Mevrouw Schimmel (D66): Wij proberen het arbeidsongeschiktheidscriterium in die mate te veranderen dat het voor iedereen – of je nu gekeurd wordt of herkeurd – een fatsoenlijke keuring wordt. Daar gaat het om. Mensen die al langer een uitkering hebben – in onze opvatting zijn dat mensen die op 1 januari 1987 al een uitkering hadden – en opgeroepen worden voor een herkeuring en naar aanleiding daarvan in de bijstand zouden geraken, moeten in de opvatting van D66 een fatsoenlijke, zachte landing krijgen. Het gaat ons er niet om dat de herkeuringen worden gestopt, maar dat er een fatsoenlijke keuring plaatsvindt in Nederland. Dat is overigens ook hetgeen waar de WAO-platforms op aandringen. Als je de aanbevelingen in de rapporten leest – onomkeerbaar schrijnend, presteren en niet verdienen – zie je dat die zich vooral op dat kernpunt richten: de keuring moet aan bepaalde voorwaarden voldoen. Daarover gaat het in deze discussie. Het gaat er niet om dat iemand één maal gekeurd moet worden en vervolgens nooit meer iemand te zien zal krijgen. Daar hebben de regionale platforms al jaren voor gepleit. Dat automatisme was ook niets. Eén keer gekeurd worden en dan nooit meer iets horen, dat deugt ook niet.

De heer Marijnissen (SP): Ik stel vast dat mevrouw Schimmel erg doordraaft, want dat had ik allemaal niet gevraagd. Ik heb gevraagd waar haar punt is gebleven. Alle zaken die zij nu noemt om te rechtvaardigen dat zij in eerste aanleg heeft gesproken over het stopzetten van de herkeuringen voor die heel speciale categorie en alle argumenten die zij nu aanvoert, had zij toen ook kunnen bedenken. Waarom heeft zij niet eerst nagedacht voordat zij, ten overstaan van al die WAO’ers ging pleiten voor stopzetting van die keuringen? Waarom heeft zij dat nu ingetrokken?

Mevrouw Schimmel (D66): Mijnheer Marijnissen, waarom heeft u niet goed gelezen? U kunt nergens, uit welke stukken dan ook, halen dat ik heb gepleit voor het stoppen van herkeuringen.

De heer Marijnissen (SP): Ik heb hier een stukje uit de Volkskrant voor mij en daar staat het volgende in: D66 wil de herkeuringen stoppen voor WAO’ers die al geruime tijd een uitkering hebben, bijvoorbeeld tien jaar, zegt kamerlid Schimmel.

Mevrouw Schimmel (D66): D66 wil ervoor zorgen dat mensen die al een langere tijd een uitkering hebben, in dit geval zes jaar, van 1 januari 1987 tot 1 januari 1993, een fatsoenlijke landing maken als na herkeuring blijkt dat ze in de bijstand komen.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Is mevrouw Schimmel het met mij eens dat zij in de aanloop naar dit debat, die vrij lang is geweest, verwachtingen heeft gewekt bij mensen die langdurig arbeidsongeschikt zijn, dat zij mogelijkerwijs via haar inzet gevrijwaard zouden worden van herkeuringen?

Mevrouw Schimmel (D66): Wij hebben nooit gepleit voor het stopzetten van herkeuringen. Dat heeft men tijdens de begrotingsbehandeling in december 1994 ook kunnen merken. Wij hebben er altijd voor gepleit de effecten van de herkeuringen te verzachten.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Dat zou dus betekenen dat alle kranten die iets geschreven hebben over de inzet van D66 om mensen die tien jaar arbeidsongeschikt zijn niet meer te laten herkeuren, dat allemaal uit hun duim hebben gezogen.

Mevrouw Schimmel (D66): De inzet van D66 is altijd geweest om mensen die langdurig een uitkering hebben, niet in een situatie te doen belanden waarin zij een beroep moeten doen op de bijstandswet.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Dat is een ander punt. Ik twijfel niet aan de integere bedoelingen van mevrouw Schimmel, dat zij niet alleen die langdurig arbeidsongeschikten niet meer wilde laten herkeuren maar dat zij ook nog een aantal andere dingen wilde. Ook dat is in de kranten gekomen, maar het gaat hier nu om dat specifieke punt. Deze mensen die herkeurd moeten worden, zitten al met een geweldig probleem. Ik zal daar zo iets over zeggen. Maar mevrouw Schimmel heeft verwachtingen gewekt. Dat is toch niet uit de lucht komen vallen? Die verwachtingen worden hier dus niet waar gemaakt. Ik vind dat naar de betrokken groep toe uitermate schadelijk.

Mevrouw Schimmel (D66): Ik heb die verwachtingen niet gewekt. Ik heb in de debatten hier in de Kamer altijd gewezen op het feit dat die groep een zachte landing moet maken. Ik heb er ook op gewezen dat het erom gaat hoe er wordt gekeurd, dat er een fatsoenlijk systeem van keuren is.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Voorzitter! Nog een laatste vraag aan mevrouw Schimmel. Als ik met een voorstel zou komen om arbeidsongeschikten die tien jaar in de WAO zitten, te vrijwaren van de herkeuring, zou u daar dan voor of tegen zijn?

Mevrouw Schimmel (D66): Ik ben ervoor om iedereen fatsoenlijke keuringen te laten ondergaan. Daar gaat het om.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Dat betekent dus in de optiek van D66 dat iedereen herkeurd zal blijven worden?

Mevrouw Schimmel (D66): Ik ben niet tegen herkeuringen. Het gaat om de wijze waarop wordt herkeurd.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Ik ben niet tegen keuren, maar ik ben wel tegen herkeuren volgens nieuwe criteria waarbij mensen op vrijdag nog ziek en op maandag weer beter zijn, zonder dat er in hun ziekteproces iets veranderd is. Je kunt dat mensen niet uitleggen. U zou er verstandig aan doen om in ieder geval datgene wat u gesuggereerd heeft naar buiten toe, hier een beetje waar te maken. Want dat is ook een onderdeel van de politiek, zij het maar een klein onderdeel.

Mevrouw Schimmel (D66): Het waarmaken moet gebeuren via de nieuwe arbeidskundige beoordeling. Hierbij zou bijvoorbeeld als uitgangspunt kunnen worden gekozen om niet naar een belachelijk hoog theoretisch loon te kijken, maar naar een gemiddeld loon. Er komt dan een fatsoenlijker arbeidsongeschiktheidsschatting uit.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Dat is een voorstel dat geldt voor iedereen die in aanmerking komt voor de herkeuring. Ik zal dat ook ondubbelzinnig steunen. Maar de suggestie die in het verleden is gewekt is een andere, omdat het hier de oudere arbeidsongeschikten betreft. Ik houd staande dat u wel degelijk de suggestie heeft gewekt dat zij kunnen worden gevrijwaard. U rept daar nu echter met geen woord over. Dat is uitermate teleurstellend, niet voor mij, maar vooral voor die groep die op uw steun rekent.

Mevrouw Schimmel (D66): De enige suggestie die is gewekt is dat de oudere herkeurde arbeidsongeschikte ook een zachte landing zal gaan maken, als hij na herkeuring in de bijstand zal geraken.

Voorzitter! Ik kom nu toe aan het wetsvoorstel. Mensen met een arbeidshandicap hebben, zoals bekend, een slechte arbeidsmarktpositie. De groep gedeeltelijk goedgekeurde of volledig goedgekeurde WAO’ers wijkt op het punt van belangrijke arbeidskenmerken in negatieve zin af van het gemiddelde beeld van de werkzoekende. De leeftijd is hoger, de gezondheid is slechter. Door de kleinere kans op werkhervatting gaat deze groep langzamerhand een steeds groter deel van het bestand aan werkzoekenden vormen. Een vreemde zaak is dat aan WW-aanvragers uit de WAO minder vaak een WW-uitkering wordt toegekend dan aan overige ontslagwerkzoekenden. De afwijzing wordt vooral veroorzaakt doordat deze mensen vaker niet beschikbaar zijn voor arbeid wegens ziekte dan de overige ontslagwerkzoekenden. Graag hoor ik een reactie van de staatssecretaris op dit punt.

Er is een extra inspanning door de arbeidsbureaus en de particuliere bemiddelingsorganisaties onder regie van de bedrijfsverenigingen, aangevuld met wettelijke maatregelen, nodig om de positie van mensen met een arbeidshandicap te verbeteren. Op dit moment voeren alle bedrijfsverenigingen contractbesprekingen met het GAK/ arbeidsvoorziening en/of particuliere bemiddelaars voor de uitvoering van de bemiddelingsactiviteiten in het tweede halfjaar van 1995, nadat ze al in het eerste halfjaar het GAK de opdracht hadden gegeven om de arbeidsbemiddeling uit te voeren. Wat zijn de resultaten van het eerste halfjaar?

Binnenkort zal het TICA de staatssecretaris informeren over de concrete plannen. Wij zijn niet alleen geïnteresseerd in de plannen maar vooral in de resultaten.

Het is voor de fractie van D66 van belang dat er, nadat de beschikking van de bedrijfsvereniging op de deurmat van de WAO-verzekerde is gevallen – waarna de verzekerde weer geacht wordt de arbeidsmarkt op te gaan – binnen een maand een gesprek plaatsvindt met de bedrijfsvereniging over een reïntegratieplan met de betreffende persoon. Wij willen een dergelijke reïntegratie-verplichting wettelijk vastleggen om een concrete reïntegratie-inspanning een duw te geven. In de korte tijdspanne die ons ter beschikking stond, hebben wij een amendement voorbereid om dit wettelijk vast te leggen.

Een dergelijk reïntegratieplan moet samen met betrokkene worden opgesteld door een reïntegratietaak-groep, waarin de bedrijfsvereniging samenwerkt met de instellingen die daarvoor in aanmerking komen. In het reïntegratieplan moeten alle stappen worden genomen om de desbetreffende persoon zo snel mogelijk te bemiddelen, het loonsuppletie-instrument toe te passen, de loonkostensubsidie toe te passen, persoonlijke begeleiding te verschaffen, scholing aan te bieden of een proefplaatsing te bewerkstelligen. Voorts moet worden gekeken naar de mogelijkheden voor plaatsing in banenpools, in het 40.000-banenplan van de minister of in de sociale werkvoorziening. Kortom, wij staan een niet vrijblij- vende, planmatige aanpak voor, waarin een reïntegratietaakgroep ervoor zorgt dat alles in het werk wordt gesteld dat een WAO’er niet in de steek wordt gelaten.

De staatssecretaris stelt een aantal reïntegratiemaatregelen voor. De meeste daarvan zijn niet nieuw maar worden uitgebreid, zoals de loonkostensubsidie. Er zijn maatregelen waarvan de toepassing wordt verruimd, zoals de uitbreiding van de bemiddelingspopulatie, de regeling persoonlijke begeleiding, de startersregeling voor zelfstandigen, scholing met behoud van uitkering en proefplaatsing. Voorts worden sommige maatregelen opnieuw ingevoerd, zoals de garantieregeling voor de oudere WAO’er. De echte nieuwe regelingen zijn de loontoe-slag voor de werknemer en de inkomstentoeslag voor de zelfstandige.

De loonkostensubsidie wordt met 5% verhoogd. De staatssecretaris verwacht daarvan een structureel effect van 10.000 extra toepassingen bovenop de structurele toepassing van 35.000. De cijfers die hij presenteert in de nota naar aanleiding van het eindverslag, geven een heel ander beeld, namelijk dat de loonkostensubsidie slechts 2700 keer is toegepast. Er zit nogal een groot verschil tussen 35.000 en 2700. De uitbreiding van de regeling persoonlijke begeleiding is een goede zaak. Het is eigenlijk ongehoord dat die regeling aan onderuitputting lijdt. De garantieregeling oudere arbeidsongeschikten lijkt erg op de stimuleringsregeling van een paar jaar geleden. Die had wel een erg korte werkingsduur. Wat is de bedoeling van deze nieuwe garantieregeling? Gaat die ook zo kort duren? Ik ben blij dat de regering onze suggestie met betrekking tot de proefplaatsing overneemt om de proefperiode te verlengen met de periode waarin de persoon niet kan werken wegens ziekte.

Over alle reïntegratiemaatregelen moet ik toch nog een opmerking kwijt. Het is treurig om te zien hoe weinig er bekend is over de toepassing en de werking van deze reïntegratie-instrumenten. Het is eigenlijk ongehoord dat wij zo weinig inzicht hebben in het aantal keren dat zij toegepast worden en de resultaten daarvan. Er worden bij de volume-effecten getallen genoemd die naar mijn gevoel nergens op gebaseerd zijn, omdat wij niet weten wat er nu in de praktijk gaande is. Daarom verzoek ik de staatssecretaris, zo snel mogelijk te komen met een rapportage om dat inzichtelijk te maken.

Wij zijn tevreden over de ontslagbescherming. Steeds meer WAO’ers worden goedgekeurd zonder dat er sprake is van werkhervatting. Daarom wordt ook steeds minder vaak een ontslagaanvraag wegens arbeidsongeschiktheid ingediend. De mensen zijn immers volledig goedgekeurd. Dit gevaar wordt in ieder geval door de nieuwe regeling ondervangen.

Voorzitter! Ik kom te spreken over de malus. Het is jammer dat de opmerkingen die de fractie van D66 hierover heeft gemaakt, niet door de regering zijn opgenomen noch zijn beantwoord in de nota naar aanleiding van het verslag. Ik herhaal in het kort dat wij er niet rouwig om zijn dat de malus verdwijnt. De malus heeft een anti-reïntegratie-effect gehad, en dat is een heel slechte zaak. Dat wordt ook geconstateerd door de Nationale commissie chronisch zieken. Als de malus verdwijnt, dan zijn er nog steeds voldoende mogelijkheden om de werkgever te confronteren met de financiële consequenties van arbeidsongeschiktheid. Onder de huidige regelgeving is het al mogelijk dat de werkgever door de bedrijfsvereniging wordt aangesproken als hij niet naar passende arbeid zoekt. Er kan ook op hem worden verhaald wat de werknemer aan loon kan verdienen. Als de werkgever nalaat om een terugkeerplan op te stellen, kan de bedrijfsvereniging, of de terugkeer nu reëel is of niet, de uitkering verhalen. In hoeverre worden deze mogelijkheden eigenlijk daadwerkelijk toegepast?

Omtrent het overgangsrecht wil ik het volgende zeggen. Het doorzetten van de malusoplegging is alleen geboden indien de maatschappelijke kosten lager zijn dan de te genereren opbrengsten. Het door de regering gegeven overzicht van de kosten lijkt ons aan de lage kant. De regering verwacht dat het aantal beroepszaken aanzienlijk lager zal zijn dan vorig jaar, omdat de door de Centrale raad van beroep voorgeschreven uitgebreide motivering met name tot doel heeft, de werkgever te overtuigen van de juistheid van de afgegeven beslissing.

Dit overtuigt ons niet. Er moet ernstig rekening mee worden gehouden dat de werkgevers, gezien de toch nog hoge abstractiegraad van de onderbouwing van de beslissing, massaal in beroep blijven gaan tegen de malusoplegging, zeker met het oog op de afschaffing hiervan. In die gevallen kan een betere onderbouwing alleen plaatsvinden met gebruik van persoonlijke, vaak medische gegevens. De verwachting is dat betrokkenen niet geneigd zullen zijn toestemming te verlenen voor het verstrekken van persoonlijke medische gegevens.

Dit zal ertoe leiden dat ofwel de bedrijfsverenigingen het onderbouwingsproces moeten staken ofwel de rechter bepaalt dat er niet voldaan is aan de vereisten voor een eerlijk proces. De beroepszaken zullen daardoor, analoog aan de uitspraak van de Centrale raad van beroep, door de rechter gegrond worden verklaard en de malusbeslissingen zullen alsnog, ondanks alle inspanningen van de bedrijfsverenigingen, vernietigd worden. De bedrijfsverenigingen komen voor hogere kosten te staan bij vernietiging van deze beslissingen door de rechter, door de extra inspanning voor een betere onderbouwing en door het betalen van proces- en griffiekosten.

Ook het TICA heeft ernstige twijfels bij de voorstelling van zaken van de staatssecretaris. Het TICA geeft een andere berekening van de uitvoeringskosten dan de staatssecretaris en wijst nog eens op de grote weerstand op de malusoplegging nadat de malus is afgeschaft. Je zou kunnen zeggen dat de bedrijfsverenigingen wellicht iets beters te doen hebben. Daarom vragen wij de staatssecretaris om een reactie.

Ten slotte spreken wij er onze teleurstelling over uit dat de staatssecretaris zo terughoudend is met de quotumverplichting in de WAGW. Wij vinden dit een goed instrument en zouden er bij de staatssecretaris op aan willen dringen tenminste ervoor te zorgen dat het wettelijk minimum van 3% daadwerkelijk wordt geëffectueerd, zonodig met wettelijke maatregelen. Graag een reactie.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Ik ken uw opvatting met betrekking tot de quotering in het kader van de WAGW. U was daar in het verleden altijd positief over. Mag ik u zo verstaan dat u vindt dat aan het reïntegratiepakket van de staatssecretaris op dit moment een vorm van quotering zou moeten worden toegevoegd met een in de wet vastgelegd minimumpercentage van 3 voor alle ondernemingen?

Mevrouw Schimmel (D66): Ja. Zo mag u mij verstaan.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Mocht de staatssecretaris daar niet al te enthousiast over zijn in zijn eerste termijn, wilt u dan de Kamer een uitspraak in die richting voorleggen zodat een en ander mogelijkerwijs kan worden vastgelegd?

Mevrouw Schimmel (D66): Wij hebben, meen ik, in september 1990 een dergelijke motie aan de Kamer voorgelegd, naar aanleiding van de evaluatierapporten die zo’n ontzettend slecht resultaat te zien gaven, niet alleen in het bedrijfsleven, maar ook bij de overheid zelf, waar nog een slechter resultaat te zien was. Deze motie is destijds afgewezen. Daarom wil ik eerst horen wat de staatssecretaris ervan vindt. Daarna zien wij wel verder.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Ik vind het in ieder geval een goede zaak dat de fractie van D66 quotering in beeld brengt.

De heer Biesheuvel (CDA): Mevrouw Schimmel somt een aantal bezwaren op ten aanzien van het voorstel van de staatssecretaris met betrekking tot de malus. Ik denk dat zij een juiste conclusie trok over het verwachtingspatroon als het gaat om de beroepszaken na behandeling van het wetsvoorstel. Tot welke conclusie komt zij nu precies? Is het voor haar bespreekbaar om de malus met volledig terugwerkende kracht in te trekken?

Mevrouw Schimmel (D66): Ik wil eerst horen wat de reactie van de staatssecretaris is op de punten die ik heb opgenoemd. Dat lijkt mij het verstandigste.

De heer Biesheuvel (CDA): Dat kan ik mij voorstellen. Ook op dit punt zijn er echter kranteberichten verschenen. Wellicht dat u hierover wat duidelijkheid kan verschaffen. Ik heb gisteren in de kracht mogen lezen dat de fractie van D66 als inzet heeft om in ieder geval het volledig intrekken van de malus boven tafel te houden.

Mevrouw Schimmel (D66): U hoort aan mijn argumenten dat er sterke argumenten tegenover zullen moeten staan om mij te overtuigen van de weg die de staatssecretaris wil bewandelen.

De heer Biesheuvel (CDA): Dan gaan wij vandaag proberen u onze argumenten nog eens aan te bieden.

©

P. (Paul)  RosenmöllerDe heer Rosenmöller (GroenLinks): Mijnheer de voorzitter! Misschien mag ik beginnen met het maken van een ongebruikelijke opmerking, en wel over de procedure, al is het een beetje een kruistocht tegen beter weten in en al vormen procedures niet mijn sterkste kant.

In de voorbereiding heb ik gemerkt dat het voor een serieuze kamerfractie - en alle fracties zijn serieus - nagenoeg onmogelijk is om zorgvuldig met de regering te debatteren over dit belangrijke wetsvoorstel inzake de herkeuringen en de reïntegratie van arbeidsongeschikten. De coalitiepartijen hebben gedurende weken en misschien wel maanden gesproken met elkaar en, al dan niet formeel, met het kabinet. Daar ding ik niet op af, dat vind ik allemaal prima. Maar dat men ons geen gelegenheid geeft om dit debat op een serieuze wijze voor te bereiden, vind ik ernstig voor de positie van het parlement, al gaat het mij daar niet in de eerste plaats om. Het gaat mij vooral om maatschappelijke organisaties die vanaf het in werking treden van de TBA op 1 augustus 1993 bezig zijn om het proces via de uiteindelijk politieke besluitvorming te beïnvloeden.

De feiten zijn dat wij op 2 juni een brief hebben gekregen en vorige week een wetsvoorstel. Het is dus niet populistisch om te zeggen dat het onderwerp hier op een achternamiddag wordt afgeraffeld; het is de werkelijkheid. Dat vind ik uitermate pijnlijk. Ik ben de laatste om welke nota of welk wetsvoorstel dan ook op te houden of om tijd te rekken, maar een zorgvuldige behandeling is nagenoeg onmogelijk. Ik heb pas gisteravond om half tien het advies van het TICA ontvangen. Om half elf was de secretaresse van de heer Buurmeijer aan de telefoon met de vraag of ik het had ontvangen. Ik heb maar aan haar gevraagd wat er in staat, want dat gaat misschien iets sneller dan het lezen van 50 pagina’s. Voorzitter! Zo is het nagenoeg onmogelijk om een serieus debat over dit gevoelige onderwerp te voeren. Genoeg hierover!

De heer Biesheuvel (CDA): Het is eruit!

De heer Van Middelkoop (GPV): Voorzitter! Ik deel de bezwaren die de heer Rosenmö ller verwoordt en ik zal er straks ook iets over zeggen. Voelt hij wat voor het idee om – nu wij toch aan het debatteren zijn – de bewindslieden aan te horen en na afloop van de eerste termijn de balans op te maken en te bespreken of het getuigt van zorgvuldige wetgeving om het debat te volvoeren tot en met de stemmingen?

De voorzitter: Ik stel voor, het debat af te werken tot en met de eerste termijn van de regering en dan de balans op te maken. De Kamer kan dan beslissen hoe zij in meerderheid wil omgaan met dit debat. Ik vind het niet dienstig om dat nu te bespreken.

De heer Van Middelkoop (GPV): Voorzitter! Daar ben ik het helemaal mee eens. Het is alleen soms verstandig om een idee tijdig in de week te leggen.

De voorzitter: Dat hebt u dan nu gedaan.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Voorzitter! Ik maak er nog een opmerking over, als u mij toestaat. Ik had zo’n idee in mijn achterhoofd. Nu de heer Middelkoop en u het eruit halen, vind ik de suggestie het overwegen waard, niet als doel op zich maar bijvoorbeeld ook om na te gaan of op basis van de reactie van de bewindslieden het nog mogelijk is om iets te amenderen. Ook aan het opstellen van amendementen zijn wij gewoon niet toegekomen.

Voorzitter! De nieuwe WAO bestaat sinds 3 augustus 1993. In het debat over de TBA – zoals dat in het jargon heet – heeft mijn fractie duidelijk gemaakt dat zij het een zeer slechte wet vindt. De eerste vijf jaren van dit decennium overziend, moet ik zeggen dat de aanloop naar het debat en het debat zelf een absoluut dieptepunt van politieke besluitvor- ming hebben gevormd. Dat zeg ik niet omdat wij blind zouden zijn voor het probleem dat heel veel mensen arbeidsongeschikt waren, maar omdat wij een totaal andere visie hadden op de beste benadering van dat probleem. Preventie en reïntegra-tie waren daarbij steekwoorden. Wij moeten leren om anders te kijken naar de manier waarop de arbeid in dit land georganiseerd is. Met een uitermate hoge produktiviteit en jaarlijkse produktiviteitsstijging is betaalde arbeid in dit land topsport geworden. Je moet niet raar opkijken dat dit ook leidt tot een gigantische uitstoot van arbeid via arbeidsongeschiktheid. Tevens is niet meegegaan in de richting van een verlaging van de uitkering en herkeuring tegen andere criteria.

Uit de cijfers blijkt dat de wet spijkerhard was. De volumedaling is uitermate fors evenals de bezuiniging. De ellende voor degenen die ermee geconfronteerd worden is echter dubbel fors. Aan de ene kant is er sprake van mensen die arbeidsongeschikt of gehandicapt zijn, hetgeen al triest genoeg is. De ellende is dubbel fors omdat via de parlementaire besluitvorming in het begin van de jaren negentig een herkeuringsoperatie ten tonele is gevoerd die leidt tot een fnuikende onzekerheid. De resultaten van de herkeuring zijn namelijk navrant.

Voordat ik hierop nader inga, wil ik een andere kant van de medaille belichten. Dit punt is bij de aanloop van dit debat al aan de orde gesteld, onder andere door D66. Misschien kan men hierop nu al reageren? Het gaat om de vraag welke consequenties uit die enorme bezuiniging moeten worden getrokken. Welke ruimte zal ontstaan voor verbetering van de uitkering van mensen die arbeidsongeschikt zijn? Ik heb Gerrit Jan Wolffensperger als fractievoorzitter van D66 aan het begin van dit jaar horen zeggen: dan is het moment aangebroken om voor de volledig arbeidsongeschikten terug te gaan naar een uitkeringsniveau van 70% van het laatstverdiende salaris. Mevrouw Schimmel zei hierover niets. Zij kan menen dat dit nu het moment daarvoor niet is, maar dan was februari zeker het moment niet om dat aan te kondigen. Ik ben benieuwd naar de manier waarop zij met dat vraagstuk omgaat.

Mevrouw Schimmel (D66): Ik hoop dat de heer Rosenmö ller mij toestaat om hierop in tweede termijn terug te komen.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Zo daagt u mij uit om de tweede termijn vandaag te houden. Ik ben erg benieuwd naar het antwoord. U moet toch niet tussen de eerste en tweede termijn nog nadenken over iets wat uw fractievoorzitter in februari jongstleden al heeft voorgesteld? U hebt daar zelf vier maanden over kunnen nadenken.

Mevrouw Schimmel (D66): Onze inzet in dit debat betreft een verbetering van de keuring. Daar zitten de grootste knelpunten. Wij hebben een voorstel gedaan om bij de arbeidskundige beoordeling tot een kwalitatieve verbetering tot het systeem te komen. De gemiddelde loonwaarde dient te worden gehanteerd in plaats van de hoogste theoretische loonwaarde, waardoor de meesten hun uitkering verliezen en verlaagd zien worden. Wij hebben ook gezegd dat wij niet opnieuw een verdiscontering willen inbrengen. Nogmaals, wij willen dat idiote fictieve element van het hoogste loon eruit halen. De consequentie hiervan kan zijn dat een uitkeringsrecht ontstaat of verhoogd wordt. Op deze manier proberen wij ook iets te doen aan de verzekeringsgedachte die in de oorspronkelijke arbeidsongeschiktheidsverzekering aanwezig was, maar verdwenen is door die extreme anti-verdiscontering.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Vanaf de begroting hebben wij allerlei procedures ontwikkeld om dit debat over de WAO te voeren. Ik realiseer mij heel goed dat het nu niet primair gaat om het verhogen van de uitkeringen voor mensen die volledig arbeidsongeschikt zijn. Ik ken de afspraken in het regeerakkoord. Ik ben daar niet aan gehouden, maar u wel. Dat laat onverlet dat de heer Wolffensperger dat heeft gezegd. Het zou interessant zijn om dat signaal in februari ook namens uw fractie hier nog eens te onderstrepen, al zou het alleen maar zijn in procedurele zin dat uw fractie daaraan wil vasthouden en daar in de loop van dit jaar, bijvoorbeeld als de discussie over de toekomst van het sociale-zekerheidsstelsel meer fundamenteel besproken wordt, op wil terugkomen. Dat zou een niet mis te verstaan signaal zijn. Anders blijft het altijd maar weer de krant en niet de Kamer. Het zou leuk zijn als wij in de Kamer niet alleen die krant lezen, maar ook die verhalen in de krant in de Kamer horen. Dat is het enige wat ik zeg. Maar goed, ik hoop dat dit toch nog in tweede termijn komt.

Aanvankelijk was er een behoorlijke mate van euforie over de daling van het volume. Het begint er nu echter zo langzamerhand een beetje op te lijken dat de meest rabiate voorstanders van deze wet zo langzamerhand merken en er niet meer omheen kunnen, dat er iets mis is. Wat ons betreft zijn er heel veel dingen mis. In de Wet TBA, de WAO van 1993, is gezegd dat wij de oude gevallen zouden ontzien. Dat heeft gegolden voor de uitkeringshoogte. Het heeft niet gegolden voor de uitkeringsvoorwaarden. De kleine lettertjes van het Schattingsbesluit zijn voor die groep mensen redelijk ’’dodelijk’’. Daarom hebben wij bij de behandeling van de begroting eind vorig jaar al de stelling betrokken dat wij de herkeuringen moeten stoppen. Wij hebben daar drie goede argumenten voor. Ik vraag de staatssecretaris om daarop te reageren.

De geest van de behandeling van de WAO was dat wij de oude gevallen moesten ontzien. En wat blijkt nu, ook uit de cijfers die de staatssecretaris ons heeft doen toekomen via het CTSV? Daaruit blijkt dat 29% van die mensen de uitkering verliest en dat 18% van de mensen die uitkering verlaagd ziet worden. Dan wordt toch een belofte geschonden. Daar wordt toch een belofte gebroken. Ik realiseer mij goed – wat dat betreft sta ik midden in de politieke werkelijkheid – dat je een behoorlijke portie moed moet hebben en het moet kunnen opbrengen om tot die conclusie te kunnen komen dat de herkeuringen gestopt moeten worden. Wij weten welke politieke lading dit onderwerp heeft. Als wij echter allen ook buiten dit huis kijken – en wij doen dat allemaal, wij hebben allen met die groepen gesproken – dan moet je toch durven onderkennen dat hier een fors probleem ligt en dat dat een argument is om de herkeuringen te stoppen.

Ik ben in het paasreces een dag meegelopen bij het GAK met een verzekeringsgeneeskundige. Ik zal niet zeggen dat ik de herkeuringen aan den lijve heb ondervonden, want mijn fysieke toestand was daar te goed voor. Ik mocht daar in elk geval wel een dag bij zijn. Daaraan ontleen ik mijn tweede argument. In het interruptiedebat met collega Schimmel hadden wij het daar ook over. Aan mensen die op vrijdag arbeidsongeschikt zijn, die op maandag bij het GAK moeten komen voor een herkeuring, terwijl in hun ziektebeeld niets veranderd is, en die vervolgens tegen andere criteria worden gekeurd, kun je niet duidelijk maken dat zij op maandagmiddag te horen krijgen dat zij gedeeltelijk of geheel zijn goedgekeurd. Het gaat dus om mensen die in het verleden arbeidsongeschikt zijn verklaard in de oude keuringssystematiek en die met die nieuwe systematiek worden geconfronteerd. Die mensen breng je niet de logica van deze wijziging die op hen van toepassing is, aan het verstand. Dat is ook begrijpelijk. Dat kan ook niet. Waar je die conclusie zou moeten trekken, moet je ook bereid zijn om dat instrument te herzien voor die groep mensen. Ook, omdat het eigenlijk niet helpt. Het helpt wel als het gaat om geld en als het erom gaat, de mensen uit de WAO te krijgen. Dat was echter niet in eerste instantie de bedoeling. De gedachte was om te bezien wat mensen nog kunnen, waar op zichzelf niets mis mee is, en ze vervolgens te bemiddelen voor de arbeidsmarkt.

Met die reïntegratie, die ervoor zou moeten zorgen dat mensen die arbeidsgeschikt worden verklaard weer kans maken op de arbeidsmarkt, is heel veel mis. Dat verloopt diep treurig op dit moment. Ik heb ergens gelezen dat dit in 10% van de gevallen lukt. Ik vraag de staatssecretaris om daarover iets meer gegevens te verstrekken. Weet hij welk percentage van de arbeidsgeschikt verklaarde mensen weer de stap naar de arbeidsmarkt heeft kunnen maken, onder erkenning van het feit dat de stukken van de staatssecretaris al het trieste beeld geven dat wij eigenlijk nauwelijks iets weten van de echte effecten van de reïntegratiemaatregelen. In tweede termijn zal ik een motie over de herkeuring indienen.

Wij zijn met de herkeuringsoperatie nog niet halverwege. De genoemde argumenten kunnen in het proces dat wij nog voor ons hebben, wel eens zwaarder gaan wegen voor de oudere leeftijdsgroepen. Het CTSV schrijft op pagina 78 van zijn rapport over de volumeeffecten dat, naarmate wij langer met het arbeidsongeschiktheidscriterium werken, de gevolgen nadeliger zullen zijn. Verder zullen de herkeuringen voor de ouderen nog ongunstiger uitpakken in verband met de verdiscontering van voor 1987. Dit kan ertoe leiden dat de percentages van 29, geen uitkering meer, en 18, verlaging van de uitkering, een opwaartse druk krijgen. De hardste klappen gaan dus nog vallen als wij straks de ouderen herkeuren.

Ook in de aanloop van dit debat is er veel over de ouderen gezegd. De Partij van de Arbeid heeft het voorstel gedaan om de grens om mensen niet meer te herkeuren, te verlagen van 50 jaar naar 45 jaar. De grens van 50 jaar is arbitrair; dat is altijd zo met het trekken van een grens op dit gebied. De grens van 45 is vergelijkbaar arbitrair. De vraag is of de redenering die indertijd gold om mensen boven 50 jaar uit te zonderen van de herkeuring, niet ook moet gelden voor de groep van 45 jaar en ouder. Ik denk dat dit zeker het geval is.

Nu hoor ik de staatssecretaris al zeggen: daar komt weer de arbeidsmarktcomponent. Daar komt hij echter zelf ook mee. In zijn brief van 2 juni schrijft hij op bladzijde 2 dat er, gezien de arbeidsmarktpositie van de groep van 45 tot 50 jaar, iets moet worden gedaan aan de inkomensgevolgen. Er is in de optiek van de staatssecretaris dus een argument gelegen in de slechte arbeidsmarktpositie van de 45- tot 50-jarigen om hen op een vergelijkbare manier te behandelen als de 50-plussers. Ik maak mij er niet veel illusies over dat de Kamer straks instemt mijn motie om de herkeuringen te stoppen. Dan moet ik naar een terugvalpositie. Het is in ieder geval minder slecht als wij de 45-jarigen en ouderen ontzien van de herkeuringen.

Het verbaast mij zeer dat het voorstel van de fractie van de Partij van de Arbeid niet in het voorstel van het kabinet is teruggekomen. Een fractie heeft natuurlijk uiteindelijk altijd een zelfstandige positie, hoewel wij op de voet hebben kunnen volgen dat er regelmatig overleg was. Desalniettemin ben ik zeer benieuwd naar het standpunt van de fractie van de Partij van de Arbeid, datgene wat mevrouw Adelmund hierover zal zeggen.

Dat is zo belangrijk, omdat het bij het voorstel om 45-jarigen en ouderen te ontzien bij de herkeurin- gen, om 117.000 WAO’ers gaat van de 345.000 die herkeurd worden. Hiermee heb je dus een derde van de populatie te pakken. Dat is niet mis. Ik zet dit aftegen de inkomens-reparatie die de staatssecretaris namens het kabinet aan de Kamer voorstelt. Die heeft materiële betekenis voor 9500 mensen. Vroeg of laat moet je dan gaan tellen. Dat aantal van 9500 is dus echt een doekje voor het bloeden.

Staatssecretaris Linschoten:

Voordat wij op dit punt heel grote misverstanden krijgen, wil ik even reageren. De mensen waarop de heer Rosenmöller duidt, ondergaan direct een inkomensverbetering als gevolg van het voorstel dat ik doe. Voor de volledige groep geldt dat hun sociale-verzekeringspositie wordt verbeterd. Dat is dan ook de kracht van het voorstel. Wellicht kan de heer Rosenmöller er eens over nadenken of het voorstel dat ik voor deze groep doe, beter is voor hun positie dan het alleen stopzetten van de herkeuringen voor die beperkte groep.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): De discussie daarover ga ik graag aan met de staatssecretaris. Als ik echter kan aantonen dat het voor die groep beter is de herkeuringen te stoppen, hoop ik dat ik bij de staatssecretaris een gewillig oor vind om die betere argumenten gehonoreerd te krijgen.

De heer Van Hoof (VVD): De heer Rosenmöller dingt nu wat af op het voorstel van het kabinet. Is hij vergeten dat mevrouw Brouwer van GroenLinks tijdens de behandeling van de TBA een motie heeft ingediend die bijna precies inhoudt wat het kabinet nu voorstelt?

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Nee, voorzitter, natuurlijk ben ik dat niet vergeten. Ik zal ook niet zeggen dat hetgeen het kabinet voorstelt - ik kom er straks nog nadrukkelijker over te spreken - een verslechtering is. Dat hoort u mij niet zeggen. Maar daar waar ons principiële standpunt met betrekking tot de herkeuringen volstrekt helder is en daar ook geen misverstand over kan bestaan, is het ook helder dat wij inspelen, in maximale zin, op datgene dat via collega’s van andere fracties in deze Kamer naar voren is gebracht.

De heer Van Hoof (VVD): Maar dat betekent, voorzitter, dat de heer Rosenmöller nu bezig is met alleen een politiek spel en het inhoudelijk met het kabinet eens is.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Laat u het maar aan mij over op welke punten ik het met het kabinet eens ben. Als u uit mijn mond zou willen horen dat het voorstel van het kabinet voor de verlengde vervolguitkering WW een verbetering is ten opzichte van de val naar de bijstand, dan is natuurlijk het onomwonden antwoord daarop: ja, het is een verbetering; het haalt een scherp kantje eraf.

De vraag is vervolgens, voorzitter, of wij niet verder kunnen en moeten, ook tegen de achtergrond van het feit dat er, sinds het door de heer Van Hoof aangehaalde debat over de TBA en de daar door collega Brouwer ingediende motie, nogal wat gebeurd is. Ook wij zien de maatschappelijke werkelijkheid en ook wij zien welke consequenties de herkeuringsoperatie heeft gehad. Ook wij, zo zeg ik ook tegen de heer Van Hoof, hebben het misschien op het moment dat wij de TBA bespraken, onvoldoende belicht of kunnen belichten, omdat daar in het middelpunt van de belangstelling stond de discussie over de hoogte en de duur van de uitkering, en niet of veel minder het punt van de herkeuringen en het Schattings-besluit, waarover wij nadien met elkaar hebben gesproken.

De heer Van Hoof (VVD): Voorzitter! De heer Rosenmöller verwijst nu naar de maatschappelijke werkelijkheid. Die maatschappelijke werkelijkheid kennen wij allemaal voor een belangrijk deel uit onder andere rapporten die daarover zijn uitgebracht. Hij zal het met mij eens zijn -ik kom daar in mijn termijn op terug - dat uit die rapporten blijkt, dat het grootste deel van de problemen in de uitvoering zit; die uitvoering betreft alle keuringen. Waar de heer Rosenmöller het alleen maar over heeft, is over de herkeuringen; hij gaat voorbij aan de uitvoeringsproblemen zoals die neergelegd zijn in al die rapporten: de maatschappelijke werkelijkheid waar we het over hebben. De heer Rosenmöller mag misschien wel met terugwerkende kracht vinden dat hij zich bij de TBA anders had moeten opstellen, maar aan de andere kant denk ik dat het te gemakkelijk is om nu te opereren zoals hij doet.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Voorzitter! Dat is absoluut niet het geval. Er zijn uitvoeringsproblemen, maar ik vind de herkeuringen als zodanig evident onrechtvaardig. Dat heb ik beargumenteerd, met drie argumenten. Daarom vind ik dat je dit proces moet stopzetten, los van de problemen in de uitvoering. Ik zeg dan niet: laat die mensen maar zitten. Ik heb hier onderbouwd waarom ik tegen de herkeuringen ben zoals ze op dit moment plaatsvinden. Daarnaast ben ik ernaar op zoek om voor die mensen het maximale uit dit debat te slepen. Dat ik daarin weinig steun van de VVD-fractie zal krijgen, is mij zo langzamerhand wel duidelijk.

Voorzitter! Ik heb de staatssecretaris hier meerdere keren voorgehouden dat het met betrekking tot de reïntegratie maar weinig is en dat we in een situatie gekomen zijn - ik sprak een jaar of anderhalf jaar geleden van: dreigen te komen -waarin mensen met een WAO-uitkering worden herkeurd, waarna het voor hen WW en bijstand wordt. Ik heb gemerkt dat je daar een gevoelige snaar bij de staatssecretaris raakt, want dat was niet de bedoeling, zo heeft hij ook onomwonden gezegd. En dan is er echt iets mis.

Toch zou ik, voordat ik iets over de kabinetsvoorstellen zeg, nog een algemene opmerking willen maken. Ik zou de staatssecretaris willen uitnodigen in te gaan op de meer algemene vraag wat nu de kern-fouten zijn in de bestaande wetgeving, regelgeving en uitvoering. Ik beperkt mij daarbij niet alleen tot de uitvoering, zo zeg ik tegen collega Van Hoof. Voorts zou ik de staatssecretaris willen vragen of hij de percentages van mensen die geen uitkering meer krijgen of die hun uitkering verlaagd zien, een tegenvaller vindt, of hij dat ook in politieke zin vervelend vindt en of zijn pakket er ook op gericht is om die percentages te laten veranderen. Kortom, wat is nu precies de analyse van het probleem en wat is het doel, ook in die zin, van wat de staatssecretaris nastreeft? Ik zeg dit, omdat ik het pakket, met betrekking tot zowel de wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium en de brief van 2 juni, als de reïntegratie, het karakter vind hebben van een beetje dit en een beetje dat. Het is lang niet allemaal slecht, maar wat mij in essentie ontgaat, is waar de staatssecretaris uiteindelijk wil uitkomen.

Voorzitter! Ik heb al iets gezegd over het verlengen van de vervolguitkering voor de mensen die voor 1 augustus 1993 45 jaar en ouder waren en voor de mensen die voor 1 januari 1987 35 jaar en ouder waren. Dat is – zo zegt ook de staatssecretaris – grotendeels dezelfde groep. De motivatie is, dat de arbeidsmarktsituatie zwak is. Als dat inderdaad de motivatie is, vraag ik de staatssecretaris waarom hij deze maatregel neemt voor die mensen en waarom hij deze mensen niet vrijwaart van de herkeuring. Die maatregel is wat mij betreft veel beter, maar daarover kunnen we debatteren. Ik heb de cijfers genoemd: het is nog geen 3% van het totale aantal te herkeuren mensen en dat vind ik inderdaad een doekje voor het bloeden.

Voorzitter! Er is zoveel commotie over de ouderengroep geweest, dat ik het van de fractie van D66 ongelooflijk vindt om het vrijwaren van de oudere arbeidsongeschikten in dit debat te laten voor wat het is. Zij hebben in mijn beleving – en naar mijn idee in de beleving van het gehele land – gesproken over het vrijwaren van de oudere arbeidsongeschikte. Daarmee wordt het probleem alleen maar verergerd. Het is opnieuw zout in de wonden strooien en dat mag en kan dit onderwerp niet hebben.

Voorzitter! Er is misschien ook een vergeten groep en dat zijn de geremigreerde WAO’ers. Ik heb daar ooit schriftelijke vragen over gesteld en antwoorden gekregen van de staatssecretaris. Op het moment dat zij arbeidsgeschikt verklaard worden, vallen zij echt in een gat. Zij hebben verder namelijk geen recht meer op WW of bijstand in het land van herkomst. Wil de staatssecretaris daar nog eens naar kijken? Moet de remigratieregeling op dat punt niet worden uitgebreid?

Het is duidelijk, dat de nieuwe normen en de praktijk van de herbeoordeling in hun samenhang te streng uitpakken. Mensen die nog een halfjaar te leven hebben, worden voor de WAO geweigerd. Mensen die uit de WSW worden ontslagen omdat ze niet meer meekomen, komen niet voor de WAO in aanmerking. Afgeschatte WAO’ers krijgen geen WW, omdat ze kennelijk onvoldoende beschikbaar zijn voor werk. Mensen voelen zich wat dat betreft toch een beetje geïntimideerd en miskend. WAO’ers krijgen volstrekt tegenstrijdige verhalen te horen van keuringsartsen en behandelend artsen en dat kan natuurlijk ook niet. ME-patiënten – velen hebben ons benaderd – worden niet serieus genomen, in ieder geval niet op alle momenten. Alles wat nog twee benen en twee armen heeft, kan blijkbaar werken. In het klachtenoverzicht van onder andere het Landelijk WAO-beraad zijn genoeg van dergelijke schrijnende situaties voorgekomen. Los van de discussie over de waardering van die schrijnende situaties wil ik de staatssecretaris vragen of hij van mening is, dat met de toepassing van zijn voorstellen dergelijke schrijnende situaties ook tot het verleden zullen behoren en dat wij over een jaar hier niet over dezelfde onderwerpen staan te praten. Dat moet op zijn minst de doelstelling zijn.

Voorzitter! Een belangrijk element in de praktijk van de verzekeringsge-neeskundige is de VG-standaard ’’geen benutbare mogelijkheden’’. Men blijkt die standaard maximaal op te rekken, maar toch mensen naar de arbeidsdeskundige te sturen die eigenlijk niet reëel bemiddelbaar zijn. De verlenging van de termijn, waar het niet mogelijk is de mogelijkheden duurzaam vast te stellen, is een stap in de goede richting maar dat neemt niet weg dat de standaard voor de overige categorieën – meestal is er wel een medische eindtoestand – wel erg rigide is geformuleerd. Eigenlijk kan de VG alleen maar mensen volledig arbeidsongeschikt verklaren, die volstrekt hulpbehoevend zijn. Men heeft geprobeerd iedere verwijzing naar sociale omstandigheden en andere niet medische aspecten uit te bannen. Daar is men in geslaagd maar het resultaat is onbevredigend. Met name de groep mensen die – zoals Simon Knepper zei – een medisch imponerende aandoening heeft, zoals kanker, AIDS, ernstige reuma of twee keer per week een nierdialyse moeten ondergaan, wordt door de nieuwe VG-praktijk geweld aangedaan. Het FIS vindt altijd wel een functie. Kan voor die groep mensen bij de verzekeringsgeneeskundigen niet meer beleidsvrijheid ontstaan?

Een tweede knelpunt vormen de niet objectiveerbare klachten: de bekende term ’’medisch objectief’’. De staatssecretaris zal het TICA voorstellen daarvoor een standaard te laten ontwikkelen. Ik vraag mij af wat die 17.000 mensen die ME hebben daarvoor kopen. Mijn vraag is of het ook in dit debat niet wat concreter kan, bijvoorbeeld: bij het vaststellen van het belastbaarheid-spatroon rekening houden met het feit dat deze mensen na korte inspanning langer rust nodig hebben, dat zij beperkt zijn in hun uithoudings- en concentratievermogen en dat de belastbaarheid vaak aan sterke wisselingen onderhevig is. Kan de standaard ’’geen benutbare mogelijkheden’’ ook van toepassing zijn op mensen met ME, vraag ik de staatssecretaris.

Het derde knelpunt is het ontbreken van standaardoverleg met de behandelend sector. De staatssecretaris zegt, dat hij het TICA zal melden dat ’’de kwaliteit van de gevalsbehandeling in individuele gevallen prioriteit heeft’’ boven een snelle beslissing. Maar wat betekent dat concreet? Moet er altijd overleg plaatsvinden met de behandelende sector of altijd als de keurling, degene die gekeurd wordt, dat vraagt?

Hetzelfde probleem doet zich voor met betrekking tot het teamoverleg. Mevrouw Schimmel sprak daar ook al over. In de pers hebben wij iets kunnen lezen over de wijzigingen na 1993. Die wijzigingen hebben weinig plezier teweeg gebracht bij degenen die het werk moeten doen. Op zichzelf is dit natuurlijk ook een teken aan de wand. Dat betekent niet dat zij het alleen maar leuk vonden en goed konden doen in de situatie van voor 1993. Er is dus te weinig tijd en de situatie staat onder druk. Dat komt de kwaliteit van het werk niet echt ten goede.

Voorzitter! Dan kom ik te spreken over de praktijk van de arbeids-deskundigen. Op het moment dat wij spreken over de schattingsmethodiek en het duiden van functies, komen wij in de ongrijpbare, mysterieuze wereld van het functieinformatiesysteem terecht. Als er iets is wat zeer theoretische is en wat zeer weinig relatie heeft met de werkelijkheid, is het wel dat functie-informatiesysteem en de manier waarop ermee wordt omgegaan.

Door de nieuwe schattings-systematiek veranderde een fors aantal factoren. De mediane loonwaarde werd de hoogste loonwaarde. Passende arbeid werd gangbare arbeid. Het aantal van vijf in redelijkheid op te dragen functies werd beperkt tot drie, eventueel zelfs minder. Regionaal werd landelijk. Zo werden WAO’ers in Zuid-Limburg afgeschat op de functie garnalen-peller in Delfzijl en nog wat van dat soort kleinigheden. Voor de betrokkenen ging het echter niet echt om een kleinigheid.

Voorzitter! De staatssecretaris wil nu de bepaling schrappen dat ook op minder dan drie functies afgeschat kan worden. Dat is oké. Toch blijft het Schattingsbesluit op dit punt wel erg streng. Zo blijft het mogelijk dat je wordt afgeschat op één functie met veel arbeidsplaatsen en op twee functies met één of twee arbeidsplaatsen. Het zou beter zijn om ook ten aanzien van het aantal arbeidsplaatsen per functie een minimum van bijvoorbeeld tien op te nemen. Het probleem met functies met een gering aantal arbeidsplaatsen, zoals vuurtorenwachter – ze bestaan nog steeds –, schaapherder enzovoorts, is dat ze moeilijk als erg reëel kunnen worden gezien en dat ze vaak verricht moeten worden aan de andere kant van het land. Verder blijft het totaal van dertig erg aan de lage kant. Door de SVR en de SER is altijd het getal van vijftig arbeidsplaatsen genoemd, overigens met verschillende opvattingen ten aanzien van het aantal functies. Kan de staatssecretaris daar nog eens nadrukkelijker op ingaan?

Een voorgenomen wijziging betreft de landelijke spreiding van de functies. Zojuist sprak ik al even over regionaal versus landelijk. Wat staatssecretaris Linschoten daarover zegt, vind ik aan de vage kant. Hij gaat er een vraag over stellen aan het TICA. Dat had hij natuurlijk een paar maanden geleden ook wel kunnen doen. De vraag is nu of het Schattingsbesluit op dat punt ook zal worden aangepast. Zojuist sprak ik al over de schatting naar de hoogste loonwaarden. De mediaan zou beter zijn, zou meer recht doen aan het idee van de herkeuring en het geheel iets minder theoretisch maken. In die zin hebben wij dat voorstel altijd gesteund en als mevrouw Schimmel de Kamer daarover een uitspraak voorlegt, zullen wij het voorstel voor schatting naar de mediaan, niet naar de hoogste, maar naar, zeg maar, de gemiddelde loonwaarde, uiteraard steunen.

Voorzitter! De conclusie op dit punt is duidelijk. De fractie van GroenLinks bepleit het stoppen van de herkeuringen. Echter, met welke uitkomst is de staatssecretaris tevreden? Ik zie deze vraag los van zijn brief. Waarin zou alles moeten resulteren? Wanneer is de misrekening van 1993 naar zijn eigen idee goedgemaakt? Met dit pakket wordt misschien een klein beetje van de scherpe kantjes afgehaald en wordt iets gedaan aan de schrijnende gevallen. Ik vraag mij echter sterk af of de massale afschattingen niet toch door zullen gaan. De vraag is of de staatssecretaris het voor mogelijk houdt, dat de genoemde percentages ook in dezelfde orde van grootte blijven of dat het succes van zijn pakket alleen maar succes is op het moment dat die percentages worden verlaagd.

Voorzitter! Dan nog één vraag over de terugwerkende kracht van alle maatregelen. Om wille van de tijd zal ik mijn opmerkingen heel kort formuleren. Ik heb het idee dat de staatssecretaris een aantal van zijn voorstellen met terugwerkende kracht wil invoeren, maar een aantal ook niet.

Voorzitter! Het CTSV heeft gezegd dat de nieuwe WAO belemmerd werkt voor reïntegratie, terwijl het juist daar allemaal van moet komen. Reïntegratie, kans op werk, is natuurlijk uitermate belangrijk. Er bestaat een serie voorstellen om die reïntegratie ook tot daadwerkelijke resultaten te brengen, maar de effectiviteit is uitermate gering. Ik moet eerlijk zeggen dat ik geschrokken ben van de bladzijden 16 en 17 van de nota naar aanleiding van het verslag, die wij gisteren in de loop van de namiddag kregen, waarin duidelijk staat dat de effectiviteit van een serie van die reïntegratie-maatregelen uitermate beperkt is. Deelt de staatssecretaris dat oordeel?

Ik moet natuurlijk ook iets zeggen over de bonus/malus. Ik kan mij iets voorstellen bij de afschaffing van de malus. De malus heeft verkeerd uitgepakt. Werkgevers zijn scherper gaan selecteren in hun aanneem-beleid, en dat was natuurlijk niet de bedoeling van de malus. Wat dat betreft, mogen wij de werkgevers daarover nog wel eens zeer kritisch bejegenen. Constaterend dat dit een van de redenen is die ten grondslag liggen aan het afschaffen van de malus, is het de vraag of dat ook niet een argument is dat straks bij nieuwe voorstellen van het kabinet nadrukkelijk aan de orde komt. De staatssecretaris heeft de afgelopen periode immers onomwonden betoogd dat het eigenlijk het mooiste zou zijn als wij de malus afschaffen en de dag daarop de premiedifferentiatie invoeren. De staatssecretaris heeft in de stukken ook met zoveel woorden gezegd, dat de premiedifferentiatie mogelijk hetzelfde effect met zich brengt en dus zal leiden tot de situatie waarin de gezondheid bij de selectie een steeds sterker criterium wordt en ook als zodanig door werkgevers wordt gehanteerd. Laten wij eerlijk zijn: wij leven in een land waarin het gros van de werkgevers nog steeds het liefst die blonde jongen, gezonde man of misschien in toenemende mate ook vrouw heeft. ’’Blond haar, blauwe ogen’’, dat is nog steeds de norm. Ik denk dat de staatssecretaris daar nog eens heel nadrukkelijk bij moet stilstaan, ook bij de ontwikkeling van zijn plannen voor premiedifferentiatie.

Zoals gezegd: de afschaffing van de malus is prima. Ik vind overigens dat de staatssecretaris een aantal sterke argumenten heeft om niet met een aantal fracties mee te gaan op het punt van de terugwerkende kracht. Dat is weer een punt waar ik de staatssecretaris in steun.

Als het om reïntegratie gaat, is het, ook gezien de beperkte effecten, de vraag of wij niet zo langzamerhand het moment naderen dat wij van drang naar iets meer dwang moeten gaan. Het pakket dat er nu ligt, betreft grotendeels subsidievarianten. Dat lijkt en is misschien voor een deel ook aardig. Het heeft in het verleden, zoals wij hebben kunnen zien, echter niet al te veel opgeleverd. Er spreekt volgens mij een beetje een houding uit van: daar kan niemand tegen zijn, de werkgevers en werknemers zullen ervoor zijn en de uitvoeringsorganisaties zullen met een aantal kanttekeningen voor zijn. Bij die uitvoeringsorganisaties is natuurlijk ontzettend veel in beweging. Mevrouw Schimmel sprak er al van, dat tijdens de verbouwing de verkoop moet doorgaan. Dat is een populaire vertaling van wat ik zelf ook bedoel. Wij zien dat de prijsprikkels en ook de Wet TBA nadelig werkt voor reïntegratie. Het is dan ook noodzakelijk dat de uitvoeringsorganisaties de bemiddeling en reïntegratie nog nadrukkelijker op de agenda zetten.

Dat wil aldaar nogal eens wat zwakjes zijn.

Het pakket lijkt mij eerlijk gezegd wat indrukwekkender dan het nu is. Ook hier vraag ik de staatssecretaris naar zijn visie en achterliggende gedachten met betrekking tot de voorstellen die hij doet. Hoeveel zoden zullen zij aan de dijk zetten? Is dat straks ook te controleren? Ik denk het niet. Ik heb er een enkele vraag over.

Over het instrument van de loonkostensubsidies zeggen de arbeidsdeskundigen: het is een monstrum in de uitvoering. Zij zeggen: het is nauwelijks te gebruiken en in veel gevallen werkt het averechts. Ik kan dat niet goed beoordelen. Het idee hebbend dat deze mensen verstand van zaken hebben, vraag ik de staatssecretaris om op dat element in te gaan.

Voorzitter! Op zichzelf zijn wij positief gestemd over de proefplaatsing. Wij willen echter wel waarschuwen voor misbruik en voor verdringing. De staatssecretaris is hier in de nota naar aanleiding van het verslag al wel op ingegaan, maar ik wil graag dat hij daar in dit plenaire debat ook nog iets over zegt.

Ik rond af met een vijftal voorstellen. Ik doe die voorstellen, omdat ik vind dat het reïntegratiepakket aanmerkelijk steviger moet worden.

  • 1. 
    Het weer invoeren van de praktische schatting op basis van de gerealiseerde verdiensten. De arbeidsdeskundigen, bij uitstek de mensen die hier in de praktijk mee bezig zijn, roepen eigenlijk massaal om herinvoering van de praktische schatting. Ik vraag de staatssecretaris hierop te reageren en dit punt een beetje te abstraheren van zijn verdediging dat je dan weer de verschuiving krijgt van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid. Hij moet dit afwegen tegen het belang van reïntegratie en de noodzaak om de reïntegratie te versterken; dit tegen de achtergrond van het feit dat de resultaten van de reïntegratie tot nu toe gebrekkig zijn.
  • 2. 
    Het tegengaan van oneigenlijk gebruik van aanstellingskeuringen en het opstellen van een sollicitatiecode. Daardoor kunnen oneigenlijke vormen van selectie van personeel worden voorkomen. De Nationale commissie chronisch zieken heeft daar een pleidooi voor gehouden. Ik ondersteun dat.
  • 3. 
    Het verlengen van de duur van de ontslagbescherming bij ziekte. Ik

geloof dat dit een punt is voor de minister van Sociale Zaken.

  • 4. 
    De invoering van een regres-plicht. Ook daar heb ik in het verslag een punt van gemaakt.
  • 5. 
    De quotering. Hier moet ik wat meer over zeggen.

Quotering is natuurlijk een paardemiddel. Wij spreken evenwel over de mogelijke invoering van premiedifferentiatie. Wij hebben een wet die de reïntegratie belemmert, maar onderkennen wel het belang van reïntegratie en de noodzaak dat deze mensen perspectief krijgen op de arbeidsmarkt. Daarom denk ik dat je inderdaad moet gaan praten over paardemiddelen. Daarvoor is het noodzakelijk dat wij inzicht hebben in gegevens. In de schriftelijke behandeling van de loonkostensubsidiewet die wij hier eind vorig jaar hebben behandeld, schrijft de staatssecretaris: daarom zal spoedig een concept-AMvB als bedoeld in artikel 10 van de WAGW aan de Raad van State worden aangeboden, ingevolge welke werkgevers verplicht worden om een daartoe strekkende administratie bij te houden, waaruit blijkt welke dienstverbanden met gehandicapte werknemers bestaan. Je moet dus weten waar je over praat. Weten is meten: dat is ook ten aanzien van andere onderwerpen een bekend pleidooi.

Nu lees ik in de nota naar aanleiding van het verslag in reactie op vragen van ons en ook van de fracties van PvdA en D66: hoewel de staatssecretaris in eerste instantie niet onwelwillend stond tegenover een verdere uitwerking van de registratieverplichting, heeft hij in het verloop van de behandeling van dat wetsvoorstel aangegeven dat de registratieverplichting een nadrukkelijke relatie heeft met de quotum-verplichting. Collega Biesheuvel heeft daar toen ook vragen over gesteld aan de staatssecretaris. Dit is natuurlijk zo ongeveer het understatement van het jaar. Eind vorig jaar zegt de staatssecretaris dat hij een algemene maatregel van bestuur gaat maken, waardoor die registratie wordt opgelegd. Dat is inderdaad een administratieve last voor de werkgevers, maar gezien het onderwerp was dat blijkbaar noodzakelijk. Dat was een opvatting van de staatssecretaris. In het stuk van gisteren staat echter: de staatssecretaris stond er niet onwelwillend tegenover; het heeft een relatie met quota; gezien de administratieve lasten, gaat de staatssecretaris nu bekijken of hij het op een andere manier kan doen.

Laat ik de staatssecretaris zeggen dat ik absoluut niet vasthoud aan registratie of verzwaring van de administratieve lasten. Waar het mij om gaat, is de inzichtelijkheid van de gegevens. De staatssecretaris mag er in zijn eerste termijn nog even op reageren waarom wij daar een kleine driekwart jaar op hebben moeten wachten. Dit laat onverlet dat ik van hem wil weten of ik via de route van het College van toezicht sociale verzekeringen vergelijkbare gegevens krijg, als wanneer die algemene maatregel van bestuur er geweest zou zijn. Hij houdt ons die route in de nota naar aanleiding van het verslag voor. De weg waarlangs dit gebeurt, interesseert mij, eerlijk gezegd, niet. Als het met minder administratieve lasten kan, is dat prima. Wij moeten die gegevens echter hebben. Het gemak waarmee de staatssecretaris zich er hier van afmaakt, kan dus niet. De staatssecretaris heeft er natuurlijk wel gelijk in dat dit een directe relatie heeft met quotering. Mijn fractie is altijd voorstander geweest van quotering. In het debat zal ik de staatssecretaris straks proberen duidelijk te maken dat wij op dat punt een eerste stap moeten zetten. Ook daarover heb ik een motie achter de hand. Wat mevrouw Schimmel daarover heeft gezegd, zou een begin kunnen zijn.

Conclusie: de fractie van GroenLinks is van mening dat de herkeuringen moeten worden stopgezet. Wij zullen daarover een motie opstellen. Wij hebben een motie achter de hand voor de next-best-optie, voor de 45- en 50-jarigen. Over de reïntegratie heb ik een aantal voorstellen gedaan, waarvan ik hoop dat de staatssecretaris daar heel serieus op in zal gaan.

De voorzitter: Ik veroorloof mij om op te merken dat uw schattingsvermogen wat uw eigen spreektijd betreft – u had bij mij 20 minuten opgegeven – niet bijzonder hoog is. Maar het is uw recht.

©

P.J. (Pieter Jan)  BiesheuvelDe heer Biesheuvel (CDA): Mijnheer de voorzitter! Vandaag staan twee onderwerpen centraal: het wetsvoorstel afschaffing malus en de brief van 2 juni, die hoofdzakelijk over de herkeuringen gaat. De verbinding

De heer Van Hoof (VVD).

tussen deze twee onderwerpen is dat zowel in de brief van 2 juni als in het wetsvoorstel uitgebreid over de reïntegratie wordt gesproken.

Ik begin met het wetsvoorstel afschaffing malus. Je zou bijna kunnen zeggen: lang gewacht en toch gekregen. Maar het is nog even afwachten of het wetsvoorstel dat de intrekking van de vermaledijde malusregeling vastlegt, op alle fronten wel zo enthousiast wordt begroet. Het wetsvoorstel heeft de prachtige naam ’’Amber’’ meegekregen, wat staat voor barnsteen. Toch moeten we er alert op zijn dat deze wet niet als een steen op de maag komt te liggen.

De bonus/malus-regeling heeft vanaf het begin onder zware kritiek gestaan. Ze was opgezet als een regeling die werkgevers moest stimuleren, voor een werknemer die dreigde arbeidsongeschikt te worden binnen de onderneming een andere baan te zoeken. Het is echter nooit een stimulans in de goede richting geweest. Dat kwam mede omdat bij de start van de regeling enkele zeer ongelukkige uitwerkingen over het hoofd waren gezien. Hoewel deze er na korte tijd uit zijn gehaald, bleef de bonus/malus-regeling haar slechte naam behouden. Dat kwam met name doordat het als zeer onredelijk werd ervaren dat een malus moest worden betaald als een werknemer arbeidsongeschikt werd, zonder dat

er maar een relatie was met de arbeidsomstandigheden binnen het bedrijf. Met andere woorden: een werkgever kan nog zo goed investeren in veilige arbeidsomstandigheden binnen zijn bedrijf, toch gaf dat nog geen enkele garantie op het voorkomen van het moeten betalen van een malus.

Heden ten dage wordt nog wel eens onderschat dat het malussysteem bovendien eerder een belemmering werd voor reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsgeschikten, dan een stimulans tot het zoeken naar een oplossing voor een werknemer die dreigde in de WAO te komen. De negatieve prikkel zorgde voor een negatieve tendens. Heus niet alleen werkgevers van met name het midden- en kleinbedrijf, maar ook werknemers zelf protesteerden tegen deze regeling. De CDA-fractie heeft bij meerdere gelegenheden getracht, aanpassingen op te nemen in de bonus/malus-regeling, teneinde de oorspronkelijke bedoelingen nog enigszins te kunnen bereiken. Zo hebben wij ondermeer voorgesteld, dat wanneer een werknemer volledig arbeidsongeschikt werd verklaard, geen malus meer zou worden opgelegd. Achtergrond daarvan was dat het enigszins merkwaardig is, dat je een verplichting krijgt als werkgever een baan binnen een onderneming te moeten zoeken voor iemand die volledig arbeidsonge- schikt is verklaard. Staatssecretaris Ter Veld en haar opvolger, de heer Wallage, weigerden aan ons verzoek gehoor te geven. Daardoor bleef de bonus/malus-regeling haar slechte naam behouden.

Het failliet van de malusregeling werd steeds manifester. Het werd onvermijdelijk dat naar alternatieven ter vervanging moest worden gezocht. Aanvankelijk had de CDA-fractie daarbij een directe ruil voor ogen, te weten afschaffing van de genoemde regeling en invoering van een premiedifferentiatiesysteem in de WAO. Ik moet met leedwezen constateren dat dit binnen de vorige coalitie niet bespreekbaar was. Jammer, want door het lange uitblijven van een alternatief kwam ook het moment steeds dichterbij dat de koppeling tussen het afschaffen en tegelijkertijd invoeren van een nieuwe regeling steeds meer onder druk kwam te staan. Toen het volledig falen van de malusregeling in de praktijk duidelijk waarneembaar was, heeft de CDA-fractie de directe koppeling losgelaten. Dat was de reden dat wij als CDA-fractie bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in november jongstleden het kabinet hebben gevraagd om zo snel mogelijk de bonus/malus-regeling in te trekken.

De heer Van Hoof (VVD): Ik krijg bijna tranen in mijn ogen van dit verhaal.

De heer Biesheuvel (CDA): Zo probeer ik het ook te vertellen.

De heer Van Hoof (VVD): Ik heb echter het gevoel dat de heer Biesheuvel teksten van de VVD-fractie uit de vorige coalitie aan het voorlezen is. Verder vraag ik mij het volgende af. Als hij dit in de loop der tijd allemaal heeft geconstateerd en vond dat het allemaal zo verschrikkelijk slecht was, waar is dan het initiatiefwetsvoorstel van de CDA-fractie gebleven?

De heer Biesheuvel (CDA): Ik kom nog terug op uw rol. Ik probeer de geschiedenis weer te geven. Wij probeerden het eerst in de coalitie tot stand te brengen. Dat is niet gelukt.

De heer Van Hoof (VVD): Het gaat niet om mijn rol. De vraag was aan u gericht, mijnheer Biesheuvel. Mijn vraag was: waarom heeft u, dat allemaal vaststellende, in die periode dan geen initiatieven genomen, anders dan de aanpassingen, om te zorgen dat die bonus/malus wegging? U kon namelijk inschatten dat, als u daarvoor in de coalitie geen steun kon vinden, er in de Kamer waarschijnlijk wel een brede steun voor was. Waarom heeft u dat niet gedaan?

De heer Biesheuvel (CDA): Er lag een initiatiefwetsvoorstel van uw hand, maar dat trok u schielijk weer in toen het erop aan kwam steun te verwerven. U heeft voorkomen dat er een open discussie over kon worden gevoerd. Dat initiatiefwetsvoorstel lag er namelijk, maar toen het aankwam op behandeling, trok u het onmiddellijk in.

De heer Van Hoof (VVD): Ik begrijp dat de vraag niet eenvoudig te beantwoorden is, maar ik wil haar toch voor een derde keer stellen. Waarom heeft u niet zelf, op basis van al die argumenten tegen de bonus/malus en ondanks het feit dat u op dat punt geen vriendschap kon vinden in de coalitie, een initiatiefvoorstel opgesteld, wetende dat er wel steun in de Kamer was? U moet dan niet verwijzen naar onze initiatieven, want die hebben wij wel genomen en daar dragen wij verantwoordelijkheid voor. Het gaat er nu om wat u heeft gedaan of, liever gezegd, wat u niet heeft gedaan en waarom niet.

De heer Biesheuvel (CDA): U heeft blijkbaar niet naar mijn betoog geluisterd. Ik heb mijn betoog opgebouwd naar tijdsvolgorde. U kunt dan wel zeggen dat u zo braaf kwam met uw initiatief, dat u vervolgens weer introk, maar wij hebben in november jongstleden een motie ingediend, die u niet steunde. Ik heb steeds nadrukkelijk naar voren gebracht dat het ons aanvankelijk ging om een koppeling. Over het intrekken van de bonus/malusregeling en ter vervanging daarvan een premiedifferentiatiesysteem in de WAO was ook met u niet te praten, want u ging aanvankelijk alleen over tot het intrekken van een bonus/malus-systeem. Ik betwijfel dan ook ten zeerste of daar wel een meerderheid voor was. Het is echter interessant om dat met terugwerkende kracht van u te horen.

De heer Van Hoof (VVD): U had het kunnen proberen en dan had u waarschijnlijk de uitslag als plezierig ervaren. Het initiatiefwetsvoorstel is overigens nog niet ingetrokken.

De heer Biesheuvel (CDA): U heeft hem wel ingetrokken als het ging om de verdere behandeling. Het wetsvoorstel ligt er blijkbaar wel, maar de VVD-fractie heeft in de vaste commissie voor Sociale Zaken benadrukt dat het niet in procedure genomen moest worden. Ik vind het verwijt aan ons adres dan ook een beetje halfslachtig.

De heer Van Hoof (VVD): U weet ook waarom wij dat hebben gedaan, omdat dit kabinet precies ging doen wat het vorige kabinet niet deed en wat u onder het vorige kabinet naliet, namelijk zorgen dat de bonus/malus waarschijnlijk per 1 juli wordt afgeschaft.

De heer Biesheuvel (CDA): Dan heeft men er wel ontzettend lang over gedaan.

De heer Van Hoof (VVD): Beter laat dan nooit. Bij u was het nooit.

De heer Biesheuvel (CDA): Dat is op zich niet juist. In hoeverre bent u zelf als het ging om aanpassingen van het bonus/malus-systeem bereid geweest om ons te steunen? Als ik dat nog eens nalees, hadden wij best wat meer steun kunnen krijgen van de toenmalige oppositie.

De heer Van Hoof (VVD): De heer Biesheuvel gaat nu weer terug en zegt dat hij in het begin steun had willen hebben voor kleine aanpassingen. Het ging ons echter niet om kleine aanpassingen, maar om het feit dat die bonus/malus weg moest. Wij hebben initiatieven genomen op het moment dat wij vonden dat wij de verantwoordelijkheid moesten nemen. Dat kan ik van hem niet zeggen. Vervolgens heeft het nieuwe kabinet die verantwoordelijkheid genomen. Daarom zou ik als ik hem was niet zo zuur doen, maar zeggen: fantastisch kabinet, dat hebben jullie goed gedaan, want dat is wat wij ook altijd wilden.

De heer Biesheuvel (CDA): U moet zich niet flinker voordoen dan u in werkelijkheid bent. Toen namelijk het moment daar was om uw initiatiefwetsvoorstel te bespreken,

heeft u de procedure ingetrokken. Verder heeft u op de momenten dat wij de koppeling legden tussen een bonus/malus-systeem en een premiedifferentiatiesysteem WAO nooit willen onderhandelen. En ten slotte was er, toen het ging om noodzakelijke aanpassingen binnen de bonus/malus, met u ook niet te praten. Er was met u alleen maar te praten over volledige intrekking.

De heer Van Hoof (VVD): Voorzitter! Het bonus/malus-systeem was slecht en door de aanpassingen waar de heer Biesheuvel mee kwam, werd het niet minder slecht. We hadden het bonus/malus-systeem gewoon van tafel moeten halen. Dat hadden we moeten doen.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik constateer dan dat de huidige coalitie, als de regeling zo slecht was, er wel verdraaide lang over heeft gedaan. Meer dan een jaar, want we behandelen nu pas het wetsvoorstel.

De heer Van Hoof (VVD): Voorzitter! Dat is natuurlijk echt onzin. De heer Biesheuvel weet precies hoe wetsprocessen verlopen. Hij weet ook welke tijd er staat voor het advies van de Raad van State. In die zin is het overdreven om hier nu zo demagogisch te schetsen dat het een jaar geduurd heeft. Hij doet wat dat betreft te kort aan wat er wel gebeurd is. Nogmaals, hij zou zijn zegeningen moeten tellen. Er is nu breed in de Kamer – want ik neem aan dat ook de heer Biesheuvel deze afschaffing van de bonus/malusregeling steunt – een draagvlak. Dat heeft de heer Biesheuvel nooit kunnen bereiken.

De heer Biesheuvel (CDA): Deze paarse coalitie heeft er meer dan een jaar over gedaan om dit wetsvoorstel neer te leggen, terwijl er nota bene een initiatiefwetsvoorstel van de VVD lag. U had dat dan toch zo kunnen overnemen! U maakt mij dan ook niet wijs dat er ineens zo’n geweldige snelheid in de paarse coalitie zit.

Mevrouw Schimmel (D66): Ik vind dat de heer Biesheuvel zich heel erg flink voordoet. Ik herinner hem eraan dat bij de behandeling van de Wet TAV met name de D66- en de VVD-fractie amendementen hebben ingediend om de malus niet in te voeren dan wel aan een lager loonbedrag te koppelen. De motieven van de VVD en van D66 lagen waarschijnlijk verschillend. D66 was bang voor het averechtse effect. Ik herinner me echter niet dat het CDA in woorden of door stemgedrag hieraan steun heeft gegeven. Als de heer Biesheuvel dan zegt dat het CDA, toen het met kleine veranderingen kwam, ook geen steun van de oppositie kon verwachten, dan lijkt met dat een beetje ’’veel geschreeuw maar weinig wol’’.

De heer Biesheuvel (CDA): Maar u moet hier nu ook niet gaan suggereren dat de VVD en D66 zo gelijk dachten over de bonus/malusregeling in de vorige periode. Dat snijdt absoluut geen hout. Laten we daar ook even reëel in zijn.

Mevrouw Schimmel (D66): Ik zeg dat wij bij de behandeling van de Wet TAV beide amendementen en moties hebben ingediend, wellicht vanuit verschillende motieven. D66 verwachtte dat het een averechts effect zou hebben op de mensen die zouden moeten gaan reïntegreren. Maar er lagen, zij het vanuit verschillende motieven, wel amendementen en moties. Er kunnen verschillende opvattingen leven waarom de bonus/malus niet deugt, maar ze lagen er wel.

De heer Biesheuvel (CDA): Dat neemt bij mij toch niet het beeld weg dat op de momenten dat de bonus/malus had kunnen worden aangepast, de steun ontbrak. Dat wordt nu afgedaan met ’’kleine wijzigingen’’. Ik zeg dan: ja, maar wel met grote gevolgen voor de individuele werkgevers. Toen was die steun er niet. En dan is er nog iets. Ik kom dan toch weer op het punt waar de heer Van Hoof met zo’n boog omheen ging. Toen wij bij de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in november jongstleden het kabinet hebben gevraagd zo snel mogelijk de bonus/malus in te trekken, werd die motie niet gesteund, ook niet door de heer Van Hoof en zijn VVD-fractie. En het ging nota bene om een motie die dezelfde strekking had als het initiatiefwetsvoorstel waar de heer Van Hoof zo groots op is, maar dat we nooit hebben kunnen behandelen omdat hij de procedure wilde tegenhouden in de vaste kamercommissie.

De heer Van Hoof (VVD): Voorzitter! Ik begrijp wel dat het regeerakkoord geen stuk is dat de heer Biesheuvel iedere dag diepzinnig zit te bestude-

De heer Biesheuvel (CDA): Ik ben niet zo onder de indruk van het regeerakkoord!

De heer Van Hoof (VVD): Dat is dan misschien de verklaring voor het probleem. Als hij dat namelijk wel had gedaan, had hij kunnen zien dat bij het aantreden van dit kabinet de aankondiging van het afschaffen van de bonus/malus al was gedaan. De heer Biesheuvel heeft vervolgens in de loop der tijd niet alleen bij de behandeling van de begroting, maar ook daarna – op momenten dat wij er hier over spraken, onder andere via mondelinge vragen aan de staatssecretaris – meegemaakt dat er uitspraken zijn gedaan van de kant van het kabinet over het moment dat de afschaffing van de bonus/malus gerealiseerd zou zijn. Hij zal met mij kunnen vaststellen dat dit kabinet in die zin heel snel is geweest en dat het vooruitgelopen is op de oorspronkelijke datum in het regeerakkoord. Nogmaals, ik vind dat hij de zaak overdrijft.

De heer Biesheuvel (CDA): Voorzitter! Wij zullen van mening blijven verschillen over het tempo waarin paars geopereerd heeft, als het om de bonus/malus gaat. Naar mijn idee is uiteindelijk pas de uitspraak van de rechter op 15 februari jl. de oorzaak geweest dat de coalitie overtuigd was dat er iets moest gebeuren. Laten we er reëel zijn. Die uitspraak was vernietigend. Ook het kabinet moest erkennen dat het zo niet verder kon en dat er maatregelen genomen zouden moeten worden. En zowaar, op 6 april jl. kondigde de staatssecretaris aan dat per 1 juli a.s. de malusregeling zou worden ingetrokken. Hiertoe is rijkelijk laat een wetsvoorstel ingediend. Wil hij 1 juli nog halen, dan zal hij ook nog van de Eerste Kamer volledige medewerking, ook in procedurele zin, moeten zien te verwerven.

Voorzitter! Hoewel het kabinet de directe koppeling van de afschaffing van de malusregeling met de invoering van een alternatief heeft laten lopen, wordt toch in de memorie van toelichting een relatie gelegd met een alternatief, zij het op ren.

termijn. Het gaat hier om de plannen van de staatssecretaris inzake het afschaffen van de Ziektewet en de invoering van het systeem van ’’opting out’’ in de WAO. Dit plan staat immers in het regeerakkoord en dus zou het ongeschonden moeten worden doorgevoerd. Premier Kok sprak bij de presentatie van deze plannen van een draagvlak. Daarmee bedoelde hij het draagvlak in het parlement. Dat de Sociaal-economische raad de plannen van het kabinet had afgekraakt, daar stoorde hij zich niet aan. Had de SER maar moeten lezen wat in het regeerakkoord stond!

Toch heeft de heer Kok, en met hem staatssecretaris Linschoten, te vroeg gejuicht. Inmiddels is duidelijk geworden dat de fracties van de PvdA en D66 de uitgangspunten van de Sociaal-economische raad bij de beoordeling van de kabinetsplannen ter zake nadrukkelijk willen betrekken. Dat doet mij bijzonder deugd. Naar aanleiding van opmerkingen van de CDA-fractie hierover wordt in de nota naar aanleiding van het verslag gezegd: natuurlijk mag ervan worden uitgegaan dat het SER-advies bij de discussie over de voorstellen zal worden betrokken. ’’Betrokken worden bij’’ is wel heel eufemistisch uitgedrukt als bedacht wordt, dat bij de presentatie van de kabinetsplannen maar van één ding kon worden uitgegaan: het kabinetsvoorstel. Dat kan nog een leuke discussie worden in het najaar!

Overigens is het nu veel te vroeg om een koppeling te leggen, ook al is die op afstand, tussen de bonus/malus-regeling en de plannen inzake de privatisering van de Ziektewet en de opting out bij de WAO. Het is opvallend dat het kabinet met name in de nota naar aanleiding van het verslag graag wil blijven spreken over een directe koppeling met een pakket van maatregelen, zij het dat het in dit geval dan gaat om het pakket van maatregelen van de reïntegratie. Feitelijk is dat op zichzelf juist – zie zowel de brief van 2 juni als het wetsvoorstel – maar deze relatie heeft het kabinet in eerdere discussies met het parlement nooit zo direct aangebracht.

Voorzitter! Een belangrijk onderdeel in het wetsvoorstel inzake het afschaffen van de bonus/malusregeling is het overgangsrecht. Het kabinet wil voorkomen dat rechtsongelijkheid ontstaat tussen werkgevers als het gaat om de ingangsdatum van het afschaffen van de malusregeling. In feite kan die rechtsongelijkheid maar op een manier teniet worden gedaan, namelijk door het afschaffen met een volledige terugwerkende kracht. Teneinde de uitvoering ervan zo eenvoudig mogelijk te doen zijn, zou gedacht kunnen worden aan een meldingssysteem door werkgevers bij de bedrijfsvereniging die de malus heeft opgelegd. De financiële consequentie van het volledig terugdraaien is naar onze mening, dat een en ander dan verrekend zal moeten worden met de premie van de AAW. Gezien het feit dat de malusregeling zo omstreden is, kan voor een eenmalige aanpassing van de AAW-premie ongetwijfeld een draagvlak aanwezig zijn. Is het kabinet nagegaan welke eenmalige opslag er op de premie AAW zou komen bij een volledig terugdraaien? Wij hebben uit een berekening van het VNO/NCW inmiddels begrepen dat dat zou neerkomen op een premieaanpassing van 0,3%. Lijkt het kabinet dat reëel?

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Voorzitter! De heer Biesheuvel bepleit een volledige terugwerkende kracht. Minister-president Lubbers heeft indertijd onder andere bij de behandeling van het wetsvoorstel TAV gezegd dat er een soort evenwicht was. De malus, de boete voor de werkgever, staat tegenover de ingreep in hoogte en duur voor de werknemer. Als de heer Biesheuvel met terugwerkende kracht de malus ongedaan wil maken, betekent dat vanuit die evenwichtsgedachte dan ook niet dat je met terugwerkende kracht de ingrepen in de hoogte en de duur ongedaan moet maken?

De heer Biesheuvel (CDA): Voorzitter! Ik ben mij zeer bewust van het evenwicht in de bijdragen van werkgevers, werknemers en uitkeringsgerechtigden bij de WAO-maatregelen. Als het malussysteem wordt afgeschaft, zou er ook voor de werkgevers iets tegenover moeten staan. Die koppeling heb ik ook steeds aangegeven als het gaat om een premiedifferentiatiesysteem. Vanwege het volledig falen van het malussysteem en het niet direct inhoud kunnen geven aan een premiedifferentiatiesysteem voor de WAO, moet je een keuze maken. Die keuze is op dit moment dat wij de directe koppeling loslaten, maar dat met ons, als het gaat om het premiedifferentiatiesysteem, nog steeds te praten is. Ik realiseer mij heel goed dat in tijd de directe koppeling wordt losgelaten. Daardoor is er, in tijd, ook minder evenwicht als het gaat om de bijdrage die van de drie participanten wordt gevraagd. Dat moet op zich ingehaald worden. Dat zal bij de discussie over de toekomst van de WAO en de Ziektewet verder inhoud moeten krijgen.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): U spreekt nu over een andere koppeling, namelijk de koppeling met de premiedifferentiatie. Erkent u echter dat de toenmalige ministerpresident hier de relatie heeft gelegd tussen de prikkel voor de werkgevers, de malus, en de prikkel voor de werknemers, de ingreep in hoogte en duur?

De heer Biesheuvel (CDA): Mij staat dat nog zeer helder voor ogen. Overigens is dat een van de redenen dat wij, als het gaat om de verzachting van de maatregelen en de brief van 2 juni, daar op zich positief over denken en zelfs een stap verder willen gaan. Dat is een van de motieven die wij daarbij aanbrengen, mede vanwege wat u nu aan de orde stelt.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Dan zit er dus een tijdelijke, dubbele onevenwichtigheid in uw voorstel. De voorstellen met betrekking tot premiedifferentiatie zullen pas later komen. Ook wordt bepleit de malus met terugwerkende kracht in te voeren.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik weet niet of er sprake is van een dubbele onevenwichtigheid. De koppeling wordt in tijd losgelaten. Dat is op zich juist. Ik ben mij dat bewust. Ik vind echter dat de koppeling moet worden losgelaten omdat: a. de maatregel als zodanig faalt en b. deze belemmerend is voor de reïntegratie van juist diegenen waar u en ik voor willen opkomen.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Dan schept dan wel verwachtingen voor het pakket met aanpassingen als het gaat om de voorstellen van het kabinet.

De heer Van der Vlies (SGP): Op zichzelf zit er een zekere logica in de redenering van de heer Biesheuvel. Wij hebben indertijd een wet gemaakt die, achteraf bezien, verkeerde effecten heeft. Wij moeten dus van de wettelijke bepaling af en dan ook consequent. Een ieder die er onder gebukt is gegaan, moet genoegdoening ontvangen. Wat is nu het doorslaggevende argument: het karakter, de effecten van de maatregelen of het ongelijk behandeld gaan worden van werkgevers die tot nu toe aangeslagen zijn op een malus en die er vanaf een bepaalde datum van gevrijwaard zullen zijn? Dat laatste argument is ons vanuit werkgeverskring vrij krachtig aangereikt.

De heer Biesheuvel (CDA): Het doorslaggevende argument met betrekking tot het overgangsrecht is de rechtsongelijkheid. De oplossing die het kabinet naar voren brengt zal een grotere mate van rechtsongelijkheid teweeg brengen dan het voorstel dat ik lanceer, dat neerkomt op het volledige terugdraaien.

Een amendement ter zake is ingediend. Ik hoor graag de argumenten van het kabinet en de collega’s. Op die manier is het wellicht mogelijk om beter inhoud te geven aan dat waar het allemaal om begonnen is: meer gedeeltelijk arbeidsgeschikten reïntegreren. Ik hoop dat van ganser harte.

De brief van het TICA, die ook mij gisteravond laat bezorgd is samen met een zelfde telefoontje als de heer Rosenmöller heeft gekregen, komt tot dezelfde conclusie als de CDA-fractie in het verslag van 20 juni jl. Het kabinet geeft met betrekking tot de afweging van de maatschappelijke kosten en de te genereren opbrengst een beeld waarvan het maar zeer de vraag is of het in de praktijk bewaarheid zal worden.

Zowel in de brief van 2 juni als in het wetsvoorstel is een pakket van reïntegratiemaatregelen aangekondigd. Op zich is dat terecht. Als het gaat om de vraag waar het beleid veel meer inhoud zou moeten krijgen, dan is dat bij de reïntegratie. Reïntegratie is zelfs het sleutelwoord als het gaat om de problematiek waar wij voor staan. Toch wil ik namens de CDA-fractie opmerken dat het van het grootste belang is dat er een samenhang tussen de maatregelen bestaat. Er mag geen concurrentie zijn tussen de regelingen onderling. Is er, zo vragen wij ons af, een analyse gemaakt van de werking van de nu voorgestelde maatregelen? Het probleem is vaak dat er van de praktische werking van dit soort maatregelen zo weinig bekend is. Meerdere collega’s hebben dat al gezegd. Je zou bijna kunnen zeggen dat de praktijk weleens harder is dan de leer, ook als het om de reïntegratiemaatregelen gaat.

Na snelle lezing van de brief van het TICA moet ik zeggen dat het instituut daar wel heel ver in gaat. Het vraagt vrij indringend of het kabinet het probleem van de samenloopsituaties wel in voldoende mate heeft onderkend. Het TICA legt ook een aantal eisen voor, waaraan een reïntegratiemodel moet voldoen. De vraag is dus of de brief van het TICA gisteravond ook bij het kabinet is bezorgd, met begeleidend telefoontje. Ik verzoek de bewindslieden om op die brief in te gaan, te meer daar het TICA vraagt om bestuurlijk overleg over dit pakket van reïntegratiemaatregelen voordat de afzonderlijke instrumenten in werking treden. Het zou jammer zijn als dat bestuurlijk overleg zou leiden tot vertraging van de invoering, want mijn fractie onderschrijft de noodzaak van reïntegratie-maatregelen. Niettemin, hoe beoordelen de staatssecretaris en de minister dit verzoek van het TICA?

Voorzitter! Er zijn ook opmerkingen over de voorgestelde maatregelen zelf gemaakt. Ik voeg er een aan toe. De proefplaatsing blijkt nogal fraudegevoelig te zijn. Als deze kwalificatie daar nu al aan wordt gegeven, moeten wij er dan wel mee beginnen?

In dit debat staan ook de herkeuringen centraal. De CDAfractie heeft bij het verschijnen van het rapport van het College van toezicht sociale verzekeringen over de uitwerking van de nieuwe WAO in de praktijk, gevraagd naar het standpunt van de staatssecretaris ter zake. Er waren uit de evaluatie van de werking van de nieuwe WAO onderdelen te destilleren die moesten worden aangepast. Daarnaast hadden de fracties van de PvdA en D66 zich publiekelijk danig geroerd over de door hen gewenste veranderingen in de WAO. De verwachtingen waren hoog gespannen. Alleen, hoe zou nu de VVD-fractie daar tegenover staan? Deze kwam in het begin niet verder dan de zwartepiet toe te spelen aan de uitvoering.

De drie coalitiepartners, die toch al zo verdeeld zijn over de uitgangspunten van de sociale zekerheid, hebben er lang over gedaan om eruit te komen. De brief van 2 juni jl. moest het gezamenlijke standpunt over de herkeuringen bevatten. Er blijkt uit dat de verwachtingen inderdaad te hoog gespannen zijn geweest. Want waar is nu het voorstel gebleven om de WAO-gerechtigden die voor 1 augustus 1993 een uitkering hadden en 45 jaar of ouder zijn, volledig te vrijwaren van de herkeuringen? En hoe zijn nu precies de herkeuringen geregeld van mensen die al langer dan tien jaar in de WAO zitten? En hoe is het met de lijst van ziekten van D66? En hoe is het met de gedachte van D66 om een mediaan in te voeren?

Tja, en na al die vragen dringt zich de vraag op wat nog het karakter is van de brief van 2 juni. Is dat alleen een startpunt of zijn de coalitiepartijen hieraan gebonden? Ik houd mij maar vast aan de opmerking die mevrouw Adelmund hier enkele weken geleden heeft gemaakt, namelijk dat haar handen niet gebonden zijn.

Mevrouw Schimmel (D66): Ik wijs de heer Biesheuvel erop dat ik met de lijst van 200 ziekten kwam tijdens de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om vooral iets te doen voor mensen die heel erg ziek waren en toch werden goedgekeurd. Wat zei de heer Biesheuvel tijdens die begrotingsbehandeling? Hij zei: ’’Mevrouw Schimmel, er is helemaal niets aan de hand. U wist toch waar wij als wetgever aan begonnen?’’. Dat heeft hij tijdens de begrotingsbehandeling gezegd en dus moet hij nu geen goede sier maken met zijn opvattingen. Hij heeft tijdens de begrotingsbehandeling voorgesteld om de bevindingen van het college van toezicht en het rapport van het Hugo Sinzheimer-instituut af te wachten, want daarna zouden wij pas een gefundeerd oordeel kunnen vellen. Ik pik dit dus niet.

De heer Biesheuvel (CDA): Maar ik pik ook iets niet, mevrouw Schimmel, als u zulke woorden wilt gebruiken. U heeft verwachtingen gewekt die u gewoon niet kunt waarmaken. Dat constateer ìk dan maar eens. U hebt hier verwachtingen gewekt.

Mevrouw Schimmel (D66): Mijnheer Biesheuvel! Als u goed hebt geluisterd, weet u dat ik bij het begin van mijn betoog heb gezegd dat het hier gaat om de verbetering van de keuring. Daar is mijn hele verhaal op gericht geweest. Als die keuring verbetert, verbetert de situatie van de mensen die een nieuwe WAO-aanvraag indienen en van de mensen die voor een eenmalige herbeoordeling worden opgeroepen. Voor degenen onder de laatstgenoemden die 45 jaar zijn of op 1 augustus 1993 al zes jaar een uitkering hadden, zorgen wij dat er een fatsoenlijke inkomensvoorziening is. Daar heeft het vorige kabinet niet voor gezorgd, mijnheer Biesheuvel.

De heer Biesheuvel (CDA): Wat moet ik met de dingen die u nu zegt? Wat is dan de waarde van de brief van 2 juni? Maakt u uw opmerkingen hard? We kunnen wel met stemverheffing gaan praten, maar laten we daar nu eens eerlijk over zijn. Wat moet ik met deze uitlatingen?

Mevrouw Schimmel (D66): Het gaat niet om stemverheffingen, het gaat om wat ik zeg: de verbetering van de keuring, de inkomensvoorziening voor mensen die alleen nog maar een beroep op een bijstandsuitkering kunnen doen. Dat zijn geen woorden; dat zijn daden. Dat is inhoud, wetgeving, het zijn rechten die worden gecreëerd. U hebt dat niet gedaan in het vorige kabinet. En ik ben niet van plan om weer dezelfde opmerkingen tegen u te maken. Ik heb het verhaal nu al driemaal aan u verteld.

De heer Biesheuvel (CDA): Wij zijn hier in het parlement om in gemeen overleg een oplossing te vinden. Als u met uw opmerking een discussie met mij wilt uitsluiten, is dat uw zaak. Ik constateer dat de brief van 2 juni op een aantal onderdelen ingaat, maar dingen die u gezegd hebt bijvoorbeeld rondom de mediaan komen daar niet in voor. Ik merk dat ik gelukkig toch nog een discussie-mogelijkheid met u krijg.

Mevrouw Schimmel (D66): Het verschil tussen de politieke cultuur waarin u bent opgegroeid en waarin ik opgroei, is dat wij hier gewoon in de Kamer discussiëren aan de hand van zakelijke argumenten. Wellicht kan de arbeidskundige beoordeling nog worden veranderd omdat de extreem hoge loonwaarde tot extreem hoge toepassingen kan leiden, maar wij praten daar gewoon op deze plek met elkaar over. Iedereen kan zich daarover een mening vormen, argumenten aanvoeren en een oplossing aanreiken. Daar gaat het hier om.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik vraag of u meer ruimte hebt dan in de brief van 2 juni staat. Dat is toch een normale vraag? Wat is daar fout aan en waarom wordt u daar nu boos om?

Mevrouw Schimmel (D66): Ik zeg toch tegen u dat hier de mogelijkheid bestaat om op grond van zakelijke argumenten met elkaar te discussië-ren? Dat is het antwoord dat ik u geef. U snapt gewoon niet in welke politieke cultuur wij leven. Daarin kun je normaal met elkaar discussië-ren.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik snap heel goed in welke cultuur wij leven. Dat heb ik gisteren gemerkt toen Schiphol aan de orde was. Vandaag merk ik dat bij dit onderwerp. Ik snap dat heel goed, daar loop ik lang genoeg voor mee. In de brief van 2 juni komt de coalitie niet verder dan dat de herkeuringen doorgang vinden en dat een uitloopregeling wordt gecreëerd in de Werkloosheidswet. Nota bene, dat is de VVD die zich altijd verzet heeft tegen een verdere uitbouw van de WW-regeling. Blijkbaar heeft deze partij dit onderdeel vanwege de lieve vrede geaccepteerd.

Wij hebben uitvoerig gesproken over de vraag of de coalitie zich aan dit compromis gebonden voelt. Ik heb al gemeld dat mevrouw Adelmund in dit huis zei dat haar handen ongebonden zijn. Het bewijs daarvoor kan zij leveren door een voorstel van de CDA-fractie te steunen dat beoogt een groep oudere WAO-gerechtigden uit de herkeuringen te houden. Wij denken hierbij aan het volgende.

Geen herkeuringen meer voor degenen die vóór 1 augustus 1993 reeds een uitkering hadden en na genoemde datum 50 jaar of ouder zijn. Ik overweeg sterk om een motie van deze strekking in tweede termijn in te dienen. Wij vinden het voor deze groep WAO-gerechtigden te veel gevraagd om zich te onderwerpen aan herkeuringen. Als het om herkeuringen gaat, moet deze groep verder ongemoeid blijven.

Als de PvdA serieus is over de herkeuringen van oudere WAO’ers, dan steunt zij ons voorstel. Mevrouw Adelmund stelt vandaag in het Utrechts Nieuwsblad dat het in haar ogen nooit meer echt goed komt met de WAO. Toch, zo zeg ik u, kan het mooier worden dan het kabinet nu voorstelt. U kunt voor een politieke meerderheid zorgen voor het ontzien van een groep oudere WAO-gerechtigden.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Ik ken ook het voorstel van de CDA-fractie, omdat dit ook bij die voorbeschouwing van dit debat hoorde. Hoe moet ik het mij voorstellen dat mensen moeten wachten tot zij 50 worden en als zij net op het randje zitten, elke keer amechtig naar de brievenbus moeten lopen om te kijken of die uitnodiging voor de herkeuring er wel of niet is? Levert dat voor die mensen op een bepaalde manier geen onzekerheid op, onder erkenning van het feit dat u een groep wilt vrijwaren van de herkeuring? Dat is op zich winst.

De heer Biesheuvel (CDA): Ja. Ik kan niet ontkennen dat ik weer een leeftijdsgrens trek, waar iemand wel of niet onder valt. De strekking van het voorstel komt op het volgende neer. In de Wet TBA was er een statische leeftijdsgrens. Iemand die in juli 1993 49 was, werd wel herkeurd. Iemand die in juli 1993 50 was, werd niet herkeurd. Dan ontstaat de situatie dat iemand op zijn 53ste aan de beurt is voor een herkeuring. De heer Rosenmöller zei zeer treffend in zijn eigen bijdrage dat wij iets extra’s moeten doen voor de oudere groep die herkeurd gaat worden en waar de klappen vallen. Dat is in feite de achtergrond van het voorstel dat wij doen. Dan zal afhankelijk van het keuringstempo die leeftijdsgrens iets opschuiven. Met het tempo dat er nu is, praten wij waarschijnlijk over de mensen die nu 47 zijn. Als het keuringstempo trager wordt, wat zou kunnen als wij het teamoverleg inderdaad inhoud gaan geven, zou dat invloed hebben en zakt uiteraard die leeftijdsgrens.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Politiek is ook duidelijk zijn. Het voorstel is wel duidelijk, maar niemand weet eigenlijk precies of hij daar voordeel aan kan hebben. Er zit natuurlijk een onzekerheidsmarge in. Op welk moment ben je 50 en op welk moment word je herkeurd? Nu even die duidelijkheid, zeker als u een relatie legt met het misschien iets meer in de tijd uitschuiven van de herkeuringen, waar mevrouw Schimmel ook iets over heeft gezegd. Nu gaan wij even bruggetjes bouwen, zeker als u mevrouw Adelmund hoort. Zij heeft voorgesteld om de mensen van 45 jaar en ouder te ontzien. Is het voor u bespreekbaar, als die herkeuringen in de tijd iets worden getemporiseerd, dat wij dan hier zeggen dat de mensen van 45 jaar en ouder worden ontzien bij de herkeuringen? Dat is waar u materieel dicht bij zit, maar als het gaat om het zoeken naar meerderheden heeft uw fractie met de fractie van de PvdA en ondergetekende in elk geval een meerderheid. In een open debat moet dat kunnen.

De heer Biesheuvel (CDA): Laat ik het als volgt formuleren. Toen wij inderdaad enige tijd geleden met dit voorstel kwamen, concentreerden wij ons op die leeftijd van 50 jaar in 1993. Nu, in combinatie met mijn opmerking over teamoverleg, begrijp ik heel goed dat wij qua praktische uitwerking dicht bij het voorstel van mevrouw Adelmund zitten. De vraag is dan inderdaad of dit zou kunnen leiden tot het in elkaar schuiven. Wat ons betreft valt daar over te denken.

De heer Rosenmöller (GroenLinks): Ik heb gezegd dat de herkeuringen gestopt moeten worden, maar de next best oplossing is het ontzien van de ouderen. Als mevrouw Adelmund dat ook vindt, is het dan voor u bespreekbaar om via uw fractie daarvoor een meerderheid te krijgen? Ik heb al gezegd dat ik op dit punt een motie in de achterzak heb.

De heer Biesheuvel (CDA): Gezien de feitelijke constatering dat mijn voorstel zeer dicht bij het voorstel van mevrouw Adelmund uitkomt, sluit ik dat bruggetje niet uit. In de fractie moet daarover uiteraard wel gesproken worden, maar wij hebben nog een hele dag.

De heer Van Hoof (VVD): Voordat bij de heer Biesheuvel het gevoel ontstaat dat hij de meerderheid heeft, nog een andere vraag.

De heer Biesheuvel (CDA): Uw inleidende opmerking dat ik wat...?

De heer Van Hoof (VVD): Laat u die maar schieten. Misschien kunt u antwoord geven op mijn vraag.

De voorzitter: Laat dat een les zijn dat u voortaan inleidende opmerkingen gewoon achterwege kunt laten.

De heer Van Hoof (VVD): Ik heb deze les geleerd, voorzitter. Dank u wel.

U heeft gezegd dat u oudere WAO’ers wilt ontzien, mijnheer Biesheuvel. Kunt u ook aangeven waarom u dat wilt doen? U heeft alleen gezegd dat u dat vindt, maar waarom vindt u dat?

De heer Biesheuvel (CDA): Omdat naar mijn idee dat de kwetsbaarste groep is.

De heer Van Hoof (VVD): In welke zin vindt u dat dit de kwetsbaarste groep is?

De heer Biesheuvel (CDA): Ja, ik weet waar u naar toe wilt.

De heer Van Hoof (VVD): Nee, ik wil naar uw antwoord.

De heer Biesheuvel (CDA): Dat zal ik ook geven, namelijk ook als het om de arbeidsmarktpositie gaat. Dat wil ik hier ronduit erkennen. Ik weet namelijk wat uw volgende opmerking is.

De heer Van Hoof (VVD): Wat bedoelt u met deze erkenning?

De heer Biesheuvel (CDA): Dat het een zeer kwetsbare groep is, die extra bescherming nodig heeft en meer ontzien moet worden dan het kabinet nu voorstelt.

De heer Van Hoof (VVD): U doet dus een voorstel voor deze groep vanwege de positie op de arbeidsmarkt.

De heer Biesheuvel (CDA): Ook.

De heer Van Hoof (VVD): Wat is er dan gebeurd tussen 1993 en nu? Toen hebt u in het kader van de TBA niet alleen hier plenair, maar ook in de schriftelijke voorbereiding van het wetsvoorstel letterlijk gezegd dat wij moeten voorkomen dat er een verdisconteringssysteem terugkomt.

Wat is voor u het argument om nu terug te komen van datgene wat u in 1993 hebt gezegd? Wij weten allemaal hoe dat gegaan is: bij McDonald’s, langs de snelweg, hier in de Kamer en noem maar op. Waarom komt u nu terug van datgene wat u toen voor de poorten van de hel hebt weggesleept?

De heer Biesheuvel (CDA): Wat bent u toch heerlijk voorspelbaar. Deze vraag lag er dik bovenop voordat ik een antwoord gaf.

De heer Van Hoof (VVD): Dan hebt u het antwoord dus klaar.

De heer Biesheuvel (CDA): Gaat dat maar zo makkelijk. Ik heb precies hetzelfde voor ogen als wat u voor ogen hebt met de brief van 2 juni. In die zin erkent ook u dat een groep extra bescherming nodig heeft. Alleen schuift u de hete aardappel voor een aantal groepen door naar de vervolguitkering WW, terwijl ik vind dat een groep oudere WAO’ers extra bescherming nodig heeft.

De heer Van Hoof (VVD): U zit er nu compleet naast. De brief van 2 juni bevat geen element van verdiscontering. Daarin gaat het om de gevolgen en de reactie op de gevolgen van de keuring voor twee groepen. In het keuringsproces wordt geen rekening gehouden met de kansen op de arbeidsmarkt. Dat wilt u wel gaan doen, terwijl u het twee jaar geleden absoluut niet wilde. Ik hoor graag van u wat er in de tussentijd veranderd is, anders dan dat u nu oppositiepartij bent geworden.

De heer Biesheuvel (CDA): En u weer in de regering zit en denkt consequent te zijn, bijvoorbeeld met de vervolguitkering WW. In feite gaat het alleen om de groep die overigens al in de TBA beschermd werd. Daarin ging het nog om de statische leeftijd van 50 jaar. De erkenning dat een bepaalde groep WAO-gerechtigden extra bescherming nodig heeft, was er dus al bij de TBA-wetgeving. Die erkenning breid ik mede namens mijn fractie nu iets uit.

De heer Van Hoof (VVD): Ik begrijp dat de heer Biesheuvel nu het verdisconteringsprincipe loslaat dat hij twee jaar geleden had.

De heer Biesheuvel (CDA): Nee, ik laat dat niet los.

De heer Van Hoof (VVD): Dan kunt u niet met het voorstel komen waarmee u nu komt.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik breid alleen de bescherming van een groep oudere WAO-gerechtigden uit. Misschien denkt u dat het CDA probeert, langs een slinkse weg de verdiscontering weer in de WAO te krijgen. Dat is niet het geval. Overigens wijs ik erop dat u de doelgroep uit 1987 extra bescherming biedt, tegen de gevolgen van de verdiscontering. Als het om zuiverheid op de graat gaat, moeten wij elkaar dus maar niet de maat nemen. Ik wil de discussie natuurlijk wel met u aangaan, maar het is de vraag of ook u geen boter op het hoofd hebt.

De heer Van Hoof (VVD): De zuiverheid op de graat betreft de vraag of wij in het keuringsproces rekening houden met arbeidsmarktelementen of niet. Dat is bij ons op dit moment niet aan de orde. Wel hebben wij maatregelen genomen tegen de gevolgen van het keuringsproces. Dat is de zuiverheid op de graat die ik in verband met de verdiscontering bij u niet kan vinden.

De heer Biesheuvel (CDA): U neemt toch ook extra maatregelen voor de groep die in 1987 35 was, juist vanwege de verdiscontering? Met alle respect, als het om bescherming bij kansen op de arbeidsmarkt gaat, zitten u en ik niet zover uit elkaar. Maar goed, creëer die afstand maar. Dat is wellicht wat beter voor de coalitie; u hebt het misschien nodig op dit moment.

De heer Van Hoof (VVD): Het gaat voor die groep uit 1987 niet om rekening houden met verdiscontering, maar juist om het feit dat er geen verdiscontering is.

De heer Biesheuvel (CDA): Het gaat erom dat de gevolgen voor hen extra groot zijn als zij herkeurd worden.

De heer Van Hoof (VVD): Dat is dus geen verdiscontering.

De heer Biesheuvel (CDA): Wij praten het nog wel een keer uit.

De heer Van Hoof (VVD): U komt nu niet alleen terug van uw standpunt over de verdiscontering, maar ook van dat over het volumeprobleem. Twee jaar geleden zei u met veel nadruk dat het volumeprobleem aangepakt moest worden. De doelstelling van de TBA was een daling naar 758.000 WAO’ers. Het CDA vond dat niet voldoende en wilde daarna verder gaan met nadere maatregelen. Wat u nu doet, is juist terugdraaien. Opnieuw stel ik de vraag waarom u van gedachten bent veranderd.

De heer Biesheuvel (CDA): Wat u wilt, is dat wij zeggen dat het nog strenger moet en dat de brief van 2 juni niet streng genoeg is. Zover krijgt u mij niet. Het gaat om de evaluatie in de praktijk van de TBA-wetgeving. Wij constateren dat er dingen zijn gebeurd die onvoldoende zijn voorzien of nooit zo door ons bedoeld zijn. Ik vind dat daarbij heel reëel gesproken mag worden over verbeteringen; daar staan wij open voor.

Als mij gevraagd wordt mijn zegeningen te tellen, dan wil ik die zeker tellen en zelfs wil ik ze – gegeven mijn achtergrond – één voor één tellen. De zegening van de brief van 2 juni is, dat er een eerste stap is gezet; maar die stap gaat niet ver genoeg, als het om de oudere WAO-gerechtigden gaat. Dat is, kort samengevat, mijn standpunt namens de CDA-fractie.

De heer Van Hoof (VVD): Wat u nu zegt, is dat u eigenlijk van hetgeen het vorige kabinet onder leiding van een CDA-minister gedaan heeft, volledig afstand neemt en vindt dat dit teruggedraaid moet worden.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik roep voor de tweede keer – wat heerlijk voorspelbaar! –: neen! Ook als wij nog in de regering hadden gezeten, hadden wij óók om een evaluatie van de TBA gevraagd en wellicht waren wij dan meteen uitgekomen bij een bescherming voor de oudere WAO-gerechtigden en hadden wij niet met moties en dergelijke hoeven te komen. Immers, wat kwam u, mijnheer Van Hoof, van verre, als het om de brief van 2 juni gaat: u was niet te bewegen. Ik roep in herinnering dat de staatssecretaris op een bepaald moment in De Telegraaf liet melden: slikken of stikken. Laten wij daar even reëel in zijn: de beweging die gekomen is met de brief van 2

juni, is niet op het conto van de VVD-fractie te schrijven.

Staatssecretaris Linschoten: Voorzitter! Voordat mij weer verkeerde woorden in de mond worden gelegd, merk ik hier op dat ik via geen enkele krant tegen wie dan ook ’’slikken of stikken’’ heb gezegd.

De heer Biesheuvel (CDA): Dan hoop ik dat u nog een ingezonden stuk schrijft in die krant, om aan te geven dat u het zo niet gezegd heeft.

De voorzitter: De opmerking van de staatssecretaris staat nu in de Handelingen van de Tweede Kamer.

De heer Biesheuvel vervolgt zijn betoog. Ik wijs hem en ook de andere leden erop dat het vraagstuk van de tweede termijn, zoals opgebracht door de leden Rosenmö l-ler en Van Middelkoop, in de loop van de dag theoretischer aan het worden is, wanneer men zich niet wat meer beperkt.

De heer Biesheuvel (CDA): Voorzitter! Behalve voor de groep van de oudere WAO-gerechtigden, wil ik ook aandacht vragen voor de groep van zelfstandigen. In die zin was ik blij dat mevrouw Schimmel deze groep nog eens extra noemde: de groep van zelfstandigen die wel eens dreigt vergeten te worden, als het om arbeidsongeschiktheid gaat. Indien de positie van de werknemer in de WAO versterkt wordt, dan zou op zichzelf de vraag gerechtvaardigd zijn hoe de staatssecretaris omgaat met de boer, de tuinder en de middenstander, als het om arbeidsongeschiktheid gaat.

Zo zou de CDA-fractie willen weten of het voorstel van de staatssecretaris om te komen tot een maximering van de verdiencapaciteit op het eigen maatinkomen, op een of andere manier toepasbaar is voor de zelfstandige. Het kabinet heeft besloten om een tijdelijk en in de tijd aflopend loonsuppletiesysteem te introduceren voor zelfstandigen. De vraag is, als je kijkt naar de positie van de zelfstandigen en de positie van de werknemers, of die tijdelijkheid gerechtvaardigd is voor iemand die recht heeft op een gedeeltelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering en ervoor kiest in het eigen bedrijf werkzaam te blijven. Is het dan niet zo dat die zelfstandige weer vastloopt, indien de loonsuppletie wordt stopgezet, en vervolgens in precies dezelfde situatie zit als daarvóór? Met andere woorden gezegd: praat je dan niet over uitstel van executie?

Voorzitter! Over het Schattings-besluit en het functieinformatiesysteem merk ik het volgende op. De brief van de staatssecretaris van 2 juni bevat op zichzelf niet eens zoveel concrete dingen, als het om aanpassingen van het Schattingsbesluit en het FIS gaat, want er moet nog veel overlegd worden met het TICA. Mijn vraag is ook, waarom de brief van 2 juni op onderdelen niet concreter kon.

In zijn algemeenheid moet overigens gesteld worden dat, als je de brief goed leest, aan het werk van een arbeidsdeskundige door het Schattingsbesluit meer veranderd is dan aan het werk van een verzeke-ringsgeneeskundige. Dit is althans mijn indruk.

De opmerkingen in de brief inzake de operationalisering van het begrip ’’algemeen geaccepteerde arbeid’’ in het FIS, in relatie tot de regionale spreiding van functies die in het FIS zijn opgenomen, zijn mijns inziens zeer terecht. Om met een variant op ’’FIS’’ te spreken: de visverwerkende industrie is tenslotte ook niet overal in het land te vinden.

Ik heb de indruk dat het voorstel van het kabinet met betrekking tot het gebruik van het functieinformatiesysteem bij de eerste aanzet voor reïntegratie op zichzelf geen beleidsaanpassing is, zij het dat het tot nu toe geen standaardbeleid was. De staatssecretaris stelt in zijn brief dat de uitkomsten van het functie-informatiesysteem niet alles bepalend moeten zijn. Hoe ruimhartig wil overigens de staatssecretaris dat ermee wordt omgegaan? Ook het TICA maakte er een opmerking over. Een arbeidsdeskundige moet toch op een relatief goede manier kunnen terugvallen op het systeem?

De staatssecretaris wil nog veel overleggen met het TICA, als het gaat om het concretiseren van zijn gedachten. Op welke wijze wil hij de Kamer inlichten over het resultaat van het overleg met het TICA en om welke termijn gaat het? Als het om reïntegratie gaat, hebben we te maken met een van de sleutelwoorden voor de inhoud van het beleid ten aanzien van gedeeltelijk arbeidsgeschikten.

Ten aanzien van de moeilijk objectiveerbare aandoeningen zal in overleg met het TICA gekomen worden tot het ontwikkelen van een VG-standaard. Dat kost ook nogal wat tijd. De vraag is overigens in hoeverre de praktijk zich zal ontwikkelen, nu de rechtbank van Den Haag gisteren of eergisteren een uitspraak heeft gedaan, waarin de diagnose ME – de vermoeidheids-ziekte – is erkend. De vraag is even of de staatssecretaris met het overleg met het TICA niet wordt ingehaald door deze uitspraak. Overigens blijft er ten aanzien van de moeilijk objectiveerbare aandoeningen altijd een probleem. Op dit moment gaat het om ME en whiplash, maar nog niet zo lang geleden hadden we het over hyperventilatie en daar hoor je naar verhouding weer wat minder over. Heeft de praktijk blijkbaar toch nog een mogelijkheid gevonden om daarvoor oplossingen te vinden of is een standaard per se nodig, opdat meer houvast wordt gegeven aan de verzekeringsgeneeskundigen?

Voorzitter! In het rapport van het college van toezicht is onder andere aangegeven, dat veel te weinig tijd wordt genomen voor teamoverleg tussen de verzekeringsgeneeskun-dige, de arbeidsdeskundige en de wetstechnische beoordelaar. Op zichzelf is dat een goed punt. De brief van de staatssecretaris is hierover niet altijd even duidelijk, want hoe kan je teamoverleg beperken tot gevallen, waarin dit van belang is voor de kwaliteit van de gevalsbehandeling? Het is wellicht onvermijdelijk dat het teamoverleg structureel is. Wij zijn op zichzelf voorstander van meer teamoverleg, maar ik besef dat dit kan leiden tot een lager keuringstempo met alle gevolgen vandien. Maar daarover hebben we zojuist gesproken met de heer Rosenmö ller.

Voorzitter! De staatssecretaris wil artikel 4 van het Schattingsbesluit met terugwerkende kracht laten vervallen. Beneden het aantal van drie verschillende in Nederland uitgeoefende functies mag niet meer geduid worden. Realiseert de staatssecretaris zich, dat dit tot veel dossieronderzoek leidt, omdat het blijkbaar niet gemarkeerd is in de dossiers? Met andere woorden: wellicht ontkomt hij er niet aan, een meldingssysteem in te voeren, dat betrokkenen die bericht hebben gehad dat zij onder artikel 4 van het Schattingsbesluit vallen, zich kunnen melden. Voor betrokkenen is het namelijk een uitermate belangrijke beslissing, hoewel ik heb begrepen dat het niet om zoveel mensen gaat. Echter, voor degenen die het betreft, is het zeer ingrijpend.

Voorzitter! Mevrouw Schimmel heeft vaak gesteld, dat weer teruggegaan moet worden naar het systeem van de mediaan. Ik geef toe, dat wij dat niet gesteund hebben. In mijn ogen haal je het hart uit het Schattingsbesluit als de mediaan weer zou worden ingevoerd. Maar wellicht wil D66 meedenken met de next-best-oplossing, namelijk het duiden van meer dan drie verschillende functies in Nederland uitgeoefend, in plaats van drie. Wellicht kunnen wij op een ook voor haar acceptabel resultaat komen als je tot meer dan drie te duiden functies zou komen. Of je op tien moet uitkomen – zoals de heer Rosenmö ller zegt – of op vijf, weet ik niet zozeer. Maar is de staatssecretaris bereid te spreken over meer dan drie en hoe denkt mevrouw Schimmel daarover? Wellicht is dat iets voor de tweede termijn, als next-best-oplossing naast het weer invoeren van het mediaansysteem.

Voorzitter! Wij krijgen ontzettend veel vragen over de herkeuringen van vroeggehandicapten. Kan de staatssecretaris klip en klaar aangeven wat het beleid is met betrekking tot deze herkeuringen?

De staatssecretaris weet als geen ander de inhoud van het zogenaamde Rozij-project, dat ook wel het Breman-project wordt genoemd, naar de werkgever die ontzettend veel gedaan heeft voor de positie van verstandelijk gehandicapten in het bedrijfsleven. De Vrije Universiteit heeft onlangs een onderzoek gedaan naar arbeidsintegratie van verstandelijk gehandicapten. De conclusie is dat dit nog aantrekkelijker is, zowel voor de werkgever als de betrokken verstandelijk gehandicapte als voor de overheid, dan wellicht de stichting Rozij/Werk ooit voor mogelijk had gehouden. Wil de staatssecretaris iets zeggen over dat onderzoek van de VU? Ik neem aan dat hij dat onderzoek kent. Wil de staatssecretaris ook bevorderen dat de belemmeringen die er, nadat er een kamerbrede bemoeienis is geweest, in verband met de stichting Rozij/Werk toch nog zijn, worden weggenomen? De mensen is langzamerhand het water tot de lippen gestegen. Het is ook te gek voor woorden, dat binnenkort een verstandelijk gehandicapte die ongeveer 28 jaar is door het succes van dit werk wellicht volledig arbeidsgeschikt wordt verklaard. Voorzitter! Dat was niet de bedoeling. Als het om bescherming van mensen gaat, heb ik met name deze groep voor ogen. Ik veronderstel dat voor deze staatssecretaris een half woord genoeg is. Hij weet namelijk heel goed waarop ik doel.

Voorzitter! Samenvattend: de bonus/malus mag wat de CDA-betreft geheel van tafel. Wat het voorstel voor de herkeuringen betreft: een stap in de goede richting, maar nog niet ver genoeg.

©

L.C. (Leen) van DijkeDe heer Van Dijke (RPF): Mijnheer de voorzitter! Ons land telde in 1990 verhoudingsgewijs bijna tweemaal zoveel arbeidsongeschikten als de ons omringende landen. Dat blijkt uit een in april aan de Kamer aangeboden onderzoek dat in opdracht van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid werd uitgevoerd. Het lijkt mij niet onredelijk om te veronderstellen dat dit beeld – ongeacht welke kanttekeningen er ook bij te plaatsen zijn – vijf jaar later in grote trekken nog hetzelfde is.

Het is dan ook geen wonder dat de Nederlandse wetgever forse inspanningen wil verrichten en ook daadwerkelijk heeft verricht om dat beeld te doorbreken. Het politieke klimaat was daarvoor begin jaren negentig gunstig. De WAO-gerechtigden zijn getrakteerd op de wetten TAV en TBA die hun aantal in ras tempo moeten doen afnemen. Dat lijkt aardig te lukken, maar nu wordt het echter steeds meer duidelijk, dat de medaille een erg doffe keerzijde heeft. Velen die op grond van de aangescherpte arbeidsongeschiktheidscriteria zijn goedgekeurd, dreigen in een sociaal isolement te komen als blijkt dat zij geen bij hun gezondheidssituatie passende baan kunnen vinden. Velen hangt nog een herbeoordeling boven het hoofd en dat beheerst heel hun leven, zo blijkt uit talloze brieven die wij daarover krijgen. Die brieven beschrijven situaties die mij telkens diep in het hart raken. Gelukkig lijkt het politieke klimaat opnieuw gunstig te zijn om ditmaal toch de ernstigste pijn weg te nemen. Zo taxeer ik in elk geval ook de kabinetsplannen die de afgelopen weken zijn gepresenteerd en waarover we nu praten.

Eerst wil ik dan ingaan op de brief van de staatssecretaris van 2 juni.

Het meest opvallende onderdeel daarvan is het voornemen de WW-vervolguitkering te verlengen voor oudere arbeidsongeschikten die hun AAW/WAO-uitkering geheel of gedeeltelijk verliezen. De RPF-fractie vindt deze oplossing getuigen van goede wil en ook van de nodige creativiteit. In elk geval moet voorkomen worden dat de herkeurde oudere arbeidsongeschikten bijvoorbeeld hun huis moet ’’opeten’’ als zij via de WW in de bijstand terechtkomen. Ik sta dan ook niet bij voorbaat negatief tegenover dit voorstel. Het viel mij overigens wel op, dat de vakcentrales in hun reactie, verzonden op 16 juni jl., op de brief van 2 juni, hun pleidooi voor stopzetting van de huidige herbeoordelingsoperatie niet meer expliciet herhaalden. Wij moeten daar natuurlijk niet uit opmaken, dat zij hun pleidooi geheel los hebben gelaten, maar ik signaleer dit wel. Het lijkt mij stug dat zij zoiets eenvoudigweg zouden zijn vergeten.

Dit betekent uiteraard niet dat wij hier het ei van Columbus op tafel hebben liggen. Zo hebben jonge arbeidsongeschikten aan de voorstellen helemaal niets, al besef ik dat hun positie op de arbeidsmarkt minder slecht is dan die van hun oudere lotgenoten, althans in theorie. Daarnaast heeft deze optie ook geen enkele betekenis voor personen die geen verdienende partner hebben en die over geen vermogen beschikken. Klopt het dat nog geen 10.000 personen enige baat hebben bij dit voorstel? Dat zou al met al een zeer schrale oogst zijn. Ik vrees dan, dat de regering moet erkennen dat het overgrote deel van de mensen die het hier aangaat, in de kou blijft staan. Voor hen is dan de zogenaamde zachte landing niet meer weggelegd. De meesten dreigen dan alsnog keihard met hun neus op de straat te vallen. Dat moet het kabinet toch ook zodanig onbevredigend vinden, dat het daarmee geen genoegen wenst te nemen.

Wat betreft de leeftijdsgroep waarvoor de regeling zou moeten gelden, denk ik dat bij elke grens wel vraagtekens te zetten zijn. Ik krijg echter de indruk dat het kabinet het zichzelf en ook de uitvoeringsorganisaties niet gemakkelijk maakt: niet alleen de 45-plussers vallen eronder, maar ook degenen die sinds

1987 onafgebroken een arbeidsongeschiktheidsuitkering hebben en toen 35 jaar of ouder waren. Is niet overwogen om gewoon de leeftijdsgrens van 43 jaar te stellen? De 35-jarigen van 1987 hebben nu immers die leeftijd. Ik wil in het verlengde hiervan aandacht vragen voor de gevolgen van de herbeoordelingsoperatie voor de opbouw van de pensioenen. Als ik het goed heb, hebben de WAO-gerechtigden evenals de WW-gerechtigden wel een pensioenopbouw. Dat geldt echter niet voor degenen die aanspraak maken op een WW-vervolguitkering. De gevolgen van herbeoordeling zijn dus niet alleen direct voelbaar, maar hebben ook betekenis voor de langere termijn. Ik wil voor dit punt zeker de aandacht van de staatssecretaris vragen. Heeft hij enig zicht op de omvang van deze problematiek? Vindt hij dat de goedgekeurde arbeidsongeschikten die een WW-vervolguitkering hebben, op één lijn moeten worden gesteld met arbeidsgeschikten met een WW-vervolguitkering? Ik overweeg op dit punt de Kamer tot een uitspraak te brengen.

Ik heb nog een vraag in dit verband naar aanleiding van de brief die het Breed platform verzekeringen ons gisteren stuurde. Daarin wordt gesteld dat mensen worden goedgekeurd, vervolgens een WW-uitkering aanvragen en deze niet verkrijgen omdat men te ziek is om arbeid te verrichten en daardoor niet beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Als dat waar is, is dat te gek voor woorden. Ik wil daarop dan ook graag de reactie van de staatssecretaris.

Ik kom dan bij de voorgestelde wijziging in de toepassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium. De RPF-fractie heeft met instemming kennis genomen van de beoogde verruiming van het regime. Het is alleszins redelijk als meer rekening wordt gehouden met de situatie op de arbeidsmarkt. Ik vraag de aandacht voor de suggestie van de SER in het WAO-advies van 1991. Daarin is gekozen voor minimaal acht arbeidsplaatsen van 50 met een ondergrens van enerzijds twee functies en anderzijds tien arbeidsplaatsen per functie. De RPF-fractie is niet ten volle overtuigd van de wenselijkheid om bij het duiden van de functie mee te wegen of die functie beschikbaar is in de regio waar betrokkene woont. Het staat namelijk zonder meer vast dat de arbeidsmarktpositie van de goedgekeurde arbeidsongeschikte moeilijk is. Ik vraag mij heel aarzelend af: is het heel onredelijk als wij over de grenzen van de eigen regio heen kijken?

In dit verband wil ik aandacht vragen voor de berichten over de te soepele houding van artsen in Marokko. De herbeoordeling daar heeft geen gevolgen voor de arbeidsongeschikten. Hier wordt naar mijn oordeel met twee maten gemeten. Ik vind dat onacceptabel. Wat kan de regering hieraan doen? Vormen andere landen, bijvoorbeeld Turkije, een zelfde probleem op dit punt?

In de brief van 2 juni van de staatssecretaris wordt het wetsvoorstel Amber aangekondigd. Vorige week donderdag ontvingen wij inderdaad het wetsvoorstel, dat al op 1 juli in werking moet treden. De RPF-fractie kan zich hier voor een groot deel in vinden; ik ga zo op de inhoud in. Dat doe ik echter pas nadat ik mijn grote ongenoegen heb uitgesproken over de gevolgde procedure; anderen spraken daar ook al over. Een beetje gedegen voorbereiding, ook van de kant van de Kamer, had geen kwaad gekund. Ik vind dat de staatssecretaris in de nota naar aanleiding van het verslag ook niet overtuigend heeft aangegeven waarom dat per se toch voor 1 juli in het Staatsblad moet komen. Daar is in elk geval geen budgettaire noodzaak voor. Ik merk op dat ik moeite heb met de haastwetgeving waarmee wij nu worden geconfronteerd. In een tijdsbestek van een week is sprake van: indiening van het wetsvoorstel, inclusief een nota van wijziging, schriftelijke ronde en plenair debat, inclusief eind-stemming. Ik vind dat allemaal wel erg veel van het goede. Die haast blijkt ook wel uit de beantwoording in de nota naar aanleiding van het verslag, die soms onnauwkeurig en incompleet was. Waarom is toch voor deze manier gekozen? Plannen om het bonus/malus-systeem af te schaffen, waren toch ruim een jaar geleden al in een vergevorderd stadium? De staatssecretaris diende als kamerlid zelfs al een initiatiefwetsvoorstel van deze strekking in. Daarnaast zijn de voorgestelde reïntegratie-instrumenten toch ook niet helemaal uit de lucht komen vallen. Al met al was het geen fraaie vertoning. Staat inmiddels vast, zo vraag ik de staatssecretaris, of de Eerste Kamer de verregaande bereidheid aan de dag wil leggen om het wetsvoorstel tijdig af te handelen? Ik heb daar zo mijn twijfels over.

Mijnheer de voorzitter! Ik kom op de inhoud van de wet. De RPF-fractie steunt de afschaffing van het bonus/malus-systeem. Ik werd in die gedachte gesterkt, toen ik in de nota naar aanleiding van het verslag las dat totaal geen inzicht bestaat in de effecten die dit systeem heeft op het volumebeleid. De afschaffing van het bonus/malus-systeem wordt gekoppeld aan de marktwerking en de premiedifferentiatie. Wij wachten het wetsvoorstel ter zake met belangstelling af. In dit stadium wil ik de regering reeds de vraag voorleggen of het wel verstandig is om daarbij opnieuw een wijziging van de uitvoeringsorganisatie voor te stellen. Zou dat, gelet op de ingrijpende wijzigingen die achter ons liggen, en die in de toekomst nog te verwachten zijn in het kader van de bezuinigingen die wij volgend jaar tegemoet kunnen zien, een goed traject zijn? De RPF-fractie denkt van niet en vraagt de regering daarom, op dit punt even pas op de plaats te maken. Ook op dit punt overweeg ik de Kamer om een uitspraak te vragen.

Ik heb in het verslag enige scepsis getoond ten aanzien van het te verwachten gedragseffect bij de werkgevers. Is het reëel om te veronderstellen dat de individuele ondernemer zich door het fenomeen premiedifferentiatie zodanig laat prikkelen dat dit gevolgen heeft voor de uitstroom? Ik ben daar minder optimistisch over dan de regering. Bij de parlementaire behandeling van het nog in te dienen wetsvoorstel hoop ik nadrukkelijk aandacht te vragen voor de dreigende risicoselectie. Ik heb begrepen dat bij sollicitatiegesprekken in toenemende mate geïnteresseerd wordt geïnfor-meerd naar de gezondheidstoestand van de sollicitant.

Mijnheer de voorzitter! Ik kom op het door het kabinet voorgestelde overgangsrecht. Dit kent naast positieve kanten wel degelijk nadelen. Er wordt bewust voor gekozen om een systeem dat wordt verfoeid, gedurende enige tijd zijn onsympathieke werk te laten doen. Dat is te billijken met het oog op de rechtsongelijkheid. Ik kan mij ook voorstellen dat afschaffing met volledige terugwerkende kracht een al te forse financiële tegenvaller zou zijn, nog afgezien van de onbalans die zou ontstaan tussen datgene wat wij aan middelen beschikbaar houden voor afschaffing van de malus, en wat wij beschikbaar hebben voor werkgevers in het integratietraject. Alles afwegende, kan ik vooralsnog met het wetsvoorstel leven. Ik hoor wel graag welke argumenten eventueel nog worden gewisseld om tot een andere opzet te komen.

Een van de redenen om tot afschaffing van de malus over te gaan, is dat deze boete ook wordt opgelegd, als de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid geheel of nagenoeg geheel in de privésfeer ligt. Mijn daaraan gekoppelde vraag in het verslag over het onderscheid tussen risque social en risque professionel wordt door de regering wel erg gemakkelijk onder de tafel geschoven. Ik zou het op prijs hebben gesteld, als de staatssecretaris een en ander wat serieuzer had genomen. Wij zijn met een serieuze zaak bezig. Ik vind het dus niet fraai dat hij mij met een kluitje in het riet stuurt. Ik hoor graag een wat fatsoenlijker reactie op dit punt.

In het wetsvoorstel Amber wordt ook een heel pakket aan reïntegratie-instrumenten gepresenteerd. Het is toe te juichen dat het kabinet echt werk wil maken van de verbetering van de arbeidspositie van mensen met een arbeidshandicap. Het is dan ook opvallend dat in het onderzoek, waarmee ik mijn bijdrage begon, wordt geconstateerd dat in Duitsland het gebruik van arbeidsongeschiktheidsregelingen relatief laag is, mede door een sterke nadruk op die reïntegratie-activiteiten. Hoewel ik positief sta tegenover de inzet van het kabinet op dit punt, ben ik kritisch ten opzichte van de hoeveelheid integratieregelingen die wij straks hebben. Er ontstaat een heel versnipperd pakket aan maatregelen, waarin de doorsnee werkgever geen inzicht meer heeft, laat staan de arbeidsongeschikten. Dat moet toch wel heel ontmoedigend werken. Het lijkt mij dat wij daar iets aan moeten doen. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt het hele pakket opgesomd, waarvoor dank. Het heeft mij echter teleurgesteld dat in dezelfde nota totaal niet is ingegaan op mijn suggestie om in plaats hiervan uit te gaan van financieringsstroom in bijvoorbeeld de fiscale sfeer. Ik verwijs kortheidshalve naar pagina 6 van het verslag. Ik hoor hier graag een serieuze reactie op. Ik wil hier graag uitgebreider op ingaan.

Ik wijs in dit verband ook op het bericht dat wij van het TICA ontvingen. Toen ik mijn vrouw gisteren het plan voorlegde om in het flanel te gaan, werd er nog aangebeld voor die berichten van het TICA. Het telefoontje dat de heer Rosenmö ller nog heeft gehad, heb ik, kennelijk gelet op het late tijdstip, moeten ontberen. Het TICA wijst op een fundamentele nieuwe benadering. Het lijkt mij dat het TICA daar een punt heeft wat wij zeker niet zomaar moeten wegdrukken. Dat pleit er te meer voor om de suggesties die ik heb gedaan, bijvoorbeeld ten aanzien van een route in de fiscale sfeer, breder te bespreken dan de staatssecretaris heeft gedaan.

Mijnheer de voorzitter! Zoals gezegd, komen de verschillende instrumenten ons wel sympathiek voor. Ik loop er enkele langs. De beoogde uitbouw van de loonkostensubsidie kan op onze steun rekenen. Ik vraag mij wel af, hoe efficiënt dit instrument is. Kan daar meer inzicht in worden gegeven?

Mijnheer de voorzitter! De RPF-fractie is de regering zeer erkentelijk voor de wijze, waarop invulling is gegeven aan de motie-Van Dijke c.s. betreffende herziening dan wel toekenning van een uitkering bij gebleken toename van oorspronkelijke klachten. Een wachttijd van vier weken lijkt mij billijk. Het beperken van de rechten tot een periode van vijf jaar kan ik niet onderschrijven. Ik vind het ook raar dat de staatssecretaris dit punt heeft ingebracht. De uitvoeringstechnische problemen lijken mij beslist niet onoverkomelijk, en op het punt van de beheersbaarheid ben ik allerminst pessimistisch, zeker niet zo pessimistisch als de regering. Ik verwacht dat er slechts zeer weinigen na vijf jaar nog terecht aanspraak zullen maken op deze regeling. Ik zou de beperkende voorwaarden dan ook uit dit wetsvoorstel willen lichten, omdat verschillende chronische ziekten na meer dan vijf jaar in verhevigde vorm kunnen terugkeren. Ik denk dat ik hiervan geen voorbeelden hoef te noemen. Ik heb op dit punt een amendement ingediend. Ik wijs nog op de vraag die het TICA oproept over de terugwerkende kracht.

Ik vraag, wat proefplaatsingen betreft, aandacht voor de verdringingseffecten, en voor een mogelijke verlenging van de WW-uitkering. De antwoorden in de nota naar aanleiding van het eindverslag lijken mij adequaat, maar de fraudegevoeligheid is toch een taai punt. Ik wil dat de staatssecretaris daar nog iets over zegt. Ook het ontbreken van een sanctie bij weigering om gebruik te maken van een proefplaatsing, lijkt mij een aandachtspunt.

Ik wil mij aansluiten bij wat de heer Biesheuvel heeft gezegd over het Rozij-project. Het moet mij van het hart dat er bij mij sprake is van groeiende ergernis over de wijze, waarop we hier in de Kamer met dit probleem omgaan. Ik heb geprobeerd, via diverse wegen de aandacht van de staatssecretaris voor dit punt te activeren, wat mij kennelijk niet is gelukt. Het dreigt een slepende kwestie te worden. Ik verzoek de staatssecretaris, hier wat serieuzer werk van te maken, en vooral meer haast te maken. Dit prachtige project dat nu toch al een tijdje gaande is, dreigt stuk te lopen op de weerbarstigheid van de Kamer. Het lijkt mij dat de staatssecretaris voor het reces moet aangeven, waar wij staan met deze zaak, en hoe we uit de nu gerezen problematiek kunnen komen. Verder lijkt het mij dat, als de staatssecretaris hier niet toe bereid is – daar ga ik niet van uit – de Kamer om een uitspraak moet worden gevraagd om uit de gerezen problematiek te komen.

De (algemene) beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 13.00 uur tot 13.45 uur geschorst.

Voorzitter: Deetman

©

De voorzitter: De ingekomen stukken staan op een lijst die op de tafel van de griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan, dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.