Nadere memorie van antwoord - Wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1995–1996 Nr. 1b

24 221

Wijziging van een aantal sociale verzekeringswetten (Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie)

NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 13 oktober 1995

Met waardering hebben wij kennis genomen van het nader voorlopig verslag van de fracties van de Eerste Kamer. Wij gaan er vanuit dat de beantwoording van de gestelde vragen in deze nadere memorie van antwoord zal bijdragen aan een spoedige plenaire behandeling door uw kamer.

De commissie is verrast en verwonderd over de opmerking in de memorie van antwoord waarin wij aangeven er van uit te mogen gaan de beleidsvoornemens, aangekondigd in de brief van 2 juni (Kamerstukken II, 1994/1995, 22 187, nr. 32) ook op de steun van Eerste Kamer te kunnen rekenen. Wij kunnen deze verwondering van de commissie billijken en zijn bij nadere overweging tot de conclusie gekomen dat deze opmerking beter niet gemaakt had kunnen worden. Wij verzoeken u de opmerking als niet gemaakt te beschouwen.

Door de leden van de fracties van het CDA, de SP en Groen Links zijn vragen gesteld over het capaciteitsbeslag dat het overgangsrecht van de malusregeling en de verschillende reïntegratiemaatregelen zullen leggen op het beschikbare aantal arbeidsdeskundigen. Naar aanleiding van deze vragen kunnen wij opmerken, dat eerst na het beschikbaar komen van de aanvullende rapportage van het Tica over de malusregeling een exacte inschatting is te maken van het, voor de uitvoering van de verschillende regelingen, benodigde personeel. Inmiddels is echter al door het GAK vooruitlopend op de definitieve rapportage van het Tica een onderzoek gedaan naar de vereiste capaciteit. Daaruit blijkt dat bij het GAK in voldoende mate arbeidsdeskundigen beschikbaar zijn om zowel de arbeidsongeschiktheidswetgeving als de malusregeling en de voorgestelde reïntegratiemaatregelen uit te voeren. Bij deze inschatting heeft een rol gespeeld, dat door de verminderde instroom in de WAO en AAW arbeidskundige capaciteit is vrijgekomen. Voorts heeft de recente introductie van de managers arbeidsongeschiktheid op de districtskantoren geleid tot een verbetering van de produktiviteit. Bovendien is het mogelijk gebleken een deel van de – meer eenvoudige – werkzaamheden van de arbeidsdeskundigen te laten uitvoeren door nieuw aangestelde medewerkers arbeidskundige sector. Omdat ook de voorgestelde reïntegratiemaatregelen werkzaamheden omvatten die niet strikt noodzakelijk door de arbeidsdeskundige zelf, maar vanzelfsprekend wel onder zijn supervisie, behoeven te worden verricht, verwacht het GAK dat de uitvoering van de in het wetsvoorstel opgenomen voorstellen niet tot capaciteitsproblemen zal leiden.

Gegeven deze inschatting van de grootste uitvoeringsinstelling en gezien de wijze waarop het GAK door herverdeling van werkzaamheden, ruimte heeft geschapen om met een zelfde aantal arbeidsdeskundigen meer werk te verrichten, delen wij de bezorgdheid van de leden van de fractie van het CDA niet, dat de uitvoering van de malusregeling ten koste zal gaan van de toepassing van de reïntegratiemaatregelen.

Door de leden van de fractie van het CDA is een gespecificeerd overzicht gevraagd van de achterstanden bij de uitvoering van de malusregeling. Op basis van recente door het Ctsv verstrekte gegevens kan het volgende overzicht worden verstrekt:

 

Bedrijfsvereniging

aanzeg-

beslis-

bedragen

bedragen (in

 

gingen

singen

(in mln.)

mln.)

  • 1. 
    TAB

2 174

1 087

4,9

1,0

  • 2. 
    Zuivel

526

469

3,9

2,1

  • 3. 
    Bouw

9 050

8 439

31,1

6,7

  • 4. 
    Hout

1 467

1 297

6,2

2,2

  • 8. 
    Grafische

1 666

1 462

10,5

3,4

  • 10. 
    Metaalindustrie

6 465

5 682

40,9

17,6

  • 11. 
    Metaalnijverheid

8 921

7 862

47,9

12,4

  • 15. 
    Bakkers

1 600

152

0,5

1,5

  • 16. 
    Samenwerking

1 523

1 216

4,0

0,5

  • 18. 
    Detam

20 946

14 859

41,1

4,3

  • 19. 
    Habivi

1 388

1 238

9,7

4,5

  • 20. 
    Koopvaardij

225

186

1,6

0,9

  • 21. 
    Vervoer

6 835

5 985

33,4

12,0

  • 22. 
    Horeca

3 946

3 536

15,4

4,3

  • 23. 
    Gezondheid

24 003

15 448

121,5

35,2

  • 24. 
    Overheid

467

419

1,4

0,6

  • 25. 
    Banken

19 503

17 137

136,0

56,6

  • 26. 
    Nwe Algemene

2 057

1 801

8,3

3,5

  • 27. 
    Nwe Industriële

8 379

7 536

56,2

29,4

  • 40. 
    ABP

12 126

5 076

20,7

14,4

Totaal:

133 267

100 887

575,3

213,2

Bovenstaande tabellen hebben betrekking op werknemers wier eerste WAO-dag is gelegen voor 1 juli 1994. Malusaanzeggingen voor werknemers die na die datum recht op een WAO-uitkering hebben gekregen, zijn niet opgenomen, omdat na inwerkingtreding van het wetsvoorstel voor hen geen malus meer is verschuldigd. De in het overzicht vermelde geïnde bedragen zijn op kasbasis tot en met juni 1995.

De CDA-fractie vraagt of het niet meer voor de hand had gelegen op basis van de uitkomsten van het in gang zijnde onderzoek van het Ctsv al dan niet te komen tot het uitbreiden van het reïntegratie-instrumentarium. Immers zo stellen de leden van de CDA-fractie op basis van het medio oktober te verwachten resultaat van het onderzoek zal worden bezien welke conclusies ten opzichte van het reïntegratie-instrumentarium, waaronder de loonkostensubsidies moeten worden getrokken. Ook de fractie van Groenlinks zou graag eerst geïnformeerd willen worden over de onderzoekresultaten van de bestaande instrumenten alvorens hun gevraagd wordt akkoord te gaan met een nieuwe serie reïntegratie-middelen.

Het onderzoek van het Ctsv heeft betrekking op één reïntegratie-maatregel, namelijk de loonkostensubsidie. Op basis van een enkel onderzoek naar één maatregel kan natuurlijk geen evaluatie van het gehele pakket plaats vinden. Toch geeft dit onderzoek wel een indicatie van de betreffende problematiek. Uit het Ctsv-rapport blijkt dat drie jaar na invoering er relatief weinig loonkostensubsidies worden toegekend. Het kabinet ging in haar verwachtingen uit van 15 000 plaatsingen, waarvan 11 500 met loonkostensubsidie. Die verwachte 15 000 plaatsingen blijken wel gerealiseerd maar vaak zonder dat daarbij een loonkostensubsidie werd toegekend.

Bij het antwoord op de vraag of een reïntegratiemaatregel zoals de loonkostensubsidie effectief is, gaat het er vooral om of de maatregel als middel effectief is om het doel van reïntegratie te bereiken. Reïntegratie-middelen zijn immers geen doel op zich. De mate waarin een maatregel wordt toegepast kan nog geen antwoord geven op de vraag of de maatregel al dan niet effectief is. Uit het onderzoek van het Ctsv blijkt dat over het aantal arbeidsongeschikten dat juist door de loonkostensubsidie een baan heeft gevonden (de effectiviteit van de maatregel) geen uitspraak valt te doen. Wel bleek dat door de loonkostensubsidie een aantal werkgevers over de streep te trekken is, hetgeen de onderhandelingspositie van de arbeidsdeskundige van de bedrijfsvereniging versterkt.

Het kabinet veronderstelde dat financiële prikkels noodzakelijk zijn om werkgevers over de streep te kunnen trekken om arbeidsongeschikten aan een baan te helpen of aan het werk te houden. Blijkbaar is het niet in iedere situatie noodzakelijk om hiervoor reïntegratiemiddelen toe te passen. Voor verschillende situaties zullen verschillende reïntegratie-middelen, verschillende soorten prikkels gewenst zijn om daar waar nodig de doorslag te geven. Het kabinet stelt met het wetsvoorstel Amber daarom een samenhangend pakket van reïntegratiemaatregelen voor om het doel van versterking van (re)integratie van werknemers te bereiken. Het kabinet acht het niet wenselijk de beleidsontwikkeling te zeer afhankelijk te maken van een volledig inzicht in de werking van alle bestaande maatregelen, daar dit ongewenste gevolgen heeft voor de daadkracht en de consistentie en samenhang van het beleid. Juist de samenhang in het beleid is immers essentieel voor de effectiviteit daarvan.

Met het voorgaande is ook de vraag van leden van de fractie van GroenLinks beantwoord, waarop wij de verwachting baseren dat reïntegratiemaatregelen een succes zullen zijn terwijl alle signalen over de praktijk tot nu toe aangeven dat het allemaal weinig uithaalt en op grond waarvan een omslag wordt verwacht.

De leden van de CDA- fractie zijn van mening dat een doorbreking van het evenwicht in financiële prikkels ongewenst is, maar achten de noodzaak van een overzichtelijk reïntegratie-instrumentarium dat adequate mogelijkheden biedt voor de uitvoering minstens zo belangrijk. Zij vragen daarom om een zorgvuldige toetsing van de toepassing in de praktijk.

Wij zijn met deze leden van mening dat zorgvuldig zal moeten worden getoetst of de aan de voorgestelde maatregelen verbonden verwachtingen ook daadwerkelijk zullen worden gerealiseerd.

Zoals eerder opgemerkt in de Memorie van Antwoord is met de aanpassing en uitbreiding van het bestaande instrumentarium voor reïntegratie van gedeeltelijk arbeidsongeschikten beoogd een pakket van maatregelen samen te stellen dat de mogelijkheden biedt tot maatwerk. Bij de aanpassing is rekening gehouden met de eerdere ervaringen.

De leden van de CDA-fractie vragen voorts naar het tijdstip waarop het gehele pakket van maatregelen in werking kan treden. De leden van de SP-fractie zouden voorts graag vernemen wanneer de ontwikkeling van individuele reïntegratietrajecten en de uitwerking van het reïntegratieplan van het Tica verwacht wordt.

Het streven is erop gericht om, gezien de bestaande behoefte aan verbetering van het huidige instrumentarium, de voorstellen op een zo kort mogelijke termijn in werking te doen treden.

Wij hebben daarbij goede nota genomen van de kanttekeningen van het Tica en met name van het voorstel om in afwachting van de uitwerking van het reïntegratiemodel van het Tica, de inwerkingtreding van de afzonderlijke instrumenten uit te stellen tot een nader overleg hierover met het bestuur van het Tica.

Het door het Tica aangekondigde reïntegratie-model zal echter, naar nu blijkt, naar verwachting niet eerder dan in het voorjaar 1996 beschikbaar komen. Gezien deze termijn acht het kabinet het niet doelmatig om met de verbetering van het bestaande instrumentarium te wachten. Vanzelfsprekend zullen wij de voorstellen van het Tica op hun merites bezien en zullen wij dan ook in de gelegenheid zijn om de eerste ervaringen in de uitvoering met het nu voorgestelde pakket daarbij te betrekken.

De vraag van de leden van de CDA-fractie of het haalbaar is dat de amvbs waarin de loon- en inkomenssuppletie zal worden geregeld nog voor het einde van het jaar in het Staatsblad worden geplaatst, kan bevestigend worden beantwoord.

De leden van de fractie van de PvdA plaatsten vraagtekens bij de uitvoerbaarheid van de overgangsregeling van de malus, omdat nog geen goede werkwijze voor de afhandeling van de malus-zaken beschikbaar is. Naar aanleiding hiervan willen wij opmerken, dat de Tica-werkgroep die zich thans bezighoudt met de voorbereiding van de instructies, juist tot doel heeft een goede uitvoerbaarheid van de regeling te verzekeren. Door uitvoerig en nauwgezet alle, inmiddels bekende, knelpunten die zich bij de uitvoering van de malus kunnen voordoen in kaart te brengen en op te lossen, wordt voorkomen dat de afwerking van de achterstanden bij de malusregeling in de toekomst vertraagd zal worden. Een eenduidige uitvoering heeft ook als voordeel, dat binnenkort aan alle werkgevers duidelijkheid kan worden verschaft over de wijze waarop de malusregeling zal worden afgehandeld.

Overigens is de algemene verwachting van de bedrijfsverenigingen dat met de nieuwe instructies van het Tica de malusregeling uitvoerbaar is.

De leden van de PvdA-fractie constateerden dat de Memorie van Antwoord naar hun mening heenglijdt langs hun vragen over het verdere overleg met verzekeraars over de toegankelijkheid van aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen voor nieuwe toetreders tot de arbeidsmarkt met een sterk verhoogd a.o.-risico. Zij refereren daarbij aan het plenaire debat bij de behandeling van de wet Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) en de Wet medefinanciering aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (MAAV).

Bij de plenaire behandeling van de Wet MAAV in december 1993 is door mevrouw Soetenhorst-de Savornin Lohman, de heer van de Zandschulp en de heer Veling aandacht gevraagd voor de positie van de nieuwkomers op de arbeidsmarkt. Staatssecretaris Wallage heeft destijds toegezegd over deze problematiek in 1994 vervolggesprekken te zullen voeren met verzekeraars.

Wij kunnen u daarover thans het volgende meedelen. Aangezien het door verzekeraars gevoerde acceptatiebeleid voor zover ons bekend tot op heden niet geleid heeft tot een problematische positie van nieuwkomers op de arbeidsmarkt, was er voor ons geen aanleiding hierover contact te zoeken met de verzekeraars. Er hebben ons geen signalen bereikt dat er op dat punt knelpunten zijn ontstaan. Het feit dat op de faciliteit van de wet MAAV uiteindelijk maar door een zeer beperkte groep een beroep is gedaan beschouwen wij in dat verband ook als een duidelijke aanwijzing dat de groep werknemers met een verhoogd arbeidsongeschiktheidsrisico die behoefte heeft aan een W.A.O. aanvullende-verzekering en voor wie de toegankelijkheid daartoe problematisch is, zeer beperkt is. Desondanks willen wij de toezegging van onze ambtsvoorganger gaarne gestand doen. Op zeer korte termijn zal de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de verzekeraars voor een oriënterend gesprek uitnodigen.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening onder het begrip toekenning, zoals dat gehanteerd wordt in artikel 43a WAO naast toekenning, ook heropening te kunnen verstaan. Bij heropening van de WAO-uitkering moet dan naar het oordeel van deze leden worden uitgegaan van het vroegere dagloon. Bij het toekennen van de uitkering moet een nieuw dagloon worden vastgesteld.

Voor de wijze waarop de dagloonvaststelling plaatsvindt verwijzen wij naar hetgeen daaromtrent is opgemerkt in de memorie van antwoord (Kamerstukken I, 1995/1996, 24 22, nr. 1).

In artikel 43a WAO is bewust het begrip «toekenning van de arbeidsongeschiktheidsuitkering» gehanteerd. Dit begrip omvat niet het begrip heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zoals dat is opgenomen in artikel 47 WAO, eerste lid. Naar onze mening moet de mogelijkheid van heropening van de uitkering uitsluitend gereserveerd blijven voor die gevallen waarin de arbeidsongeschiktheidsuitkering is beëindigd en binnen één maand weer moet worden heropend vanwege opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid. Bij toekenning op basis van artikel 43a WAO is de periode die is verlopen tussen intrekking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering of het bereiken van het einde van de wachttijd en de opnieuw ingetreden arbeidsongeschiktheid maximaal 5 jaar.

Aan de leden van de fractie van de PvdA moet worden toegegeven dat de in de memorie van antwoord aangeduide complicaties als het gaat om de hoogte van het dagloon zich kort na het van kracht worden van artikel 43a WAO kunnen voordoen zonder dat op dat moment de aanpassing van de dagloonregels op basis van artikel 14 WAO, tweede lid al zijn beslag heeft kunnen krijgen. Wij zullen aan het Tica verzoeken spoed te betrachten bij beantwoording van de vraag of de dagloonregels moeten worden aangepast en daarbij het verzoek doen om, indien tot aanpassing wordt besloten, dit met terugwerkende kracht te doen.

Met de leden van de PvdA-fractie zijn wij van mening dat het wenselijk is dat belanghebbenden die op basis van artikel 39a WAO respectievelijk artikel 43a WAO na een wachttijd van vier weken recht hebben op herziening of toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en daarnaast ook recht hebben op een ZW-uitkering, ook onder de toepassing van artikel 29b ZW moeten kunnen vallen. Artikel 29b ZW maakt dit ook mogelijk. Vereist is wel dat voldaan wordt aan de voorwaarden die gelden voor de toepassing van artikel 29 b ZW. De anti-cumulatie die noodzakelijk is als gelijktijdig recht bestaat op een ZW-uitkering en een arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van de artikelen 39a en 43a WAO en de artikelen 29a en 32a AAW kan gebaseerd worden op artikel 32 ZW, vierde lid. De daartoe strekkende ministerië le regeling zal op korte termijn worden getroffen. Uitgangspunt van de anti-cumulatieregeling zal zijn dat de ZW-uitkering slechts wordt uitbetaald voorzover deze de arbeidsongeschiktheidsuitkering overtreft.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in een aantal gevallen voor een betrokkene onvoordelig kan zijn. Zij geven daarvan een aantal voorbeelden. Deze voorbeelden onderstrepen naar de mening van deze leden de noodzaak om de problematiek van de motie Van Dijke c.s. (Kamerstukken II, 1994/1995, 23 900, nr. 27) genuanceerd te benaderen en ook in de wettekst zelf de toekenning van een nieuwe uitkering en de heropening van een beëindigd uitkeringsrecht afzonderlijk te benaderen.

Naar aanleiding hiervan merken wij het volgende op.

Onderdeel van de met algemene stemmen door de Tweede Kamer aanvaarde motie Van Dijke c.s. is dat bij toename van de oorspronkelijke klachten de arbeidsongeschiktheidsuitkering direct, zonder wachttijd moet herleven, dan wel moet worden verkregen. Op basis van uitvoeringstechnische argumenten, waarvoor wij verwijzen naar de memorie van toelichting (Kamerstukken II, 1994/1995, 24 221, nr. 3), is besloten bij de uitvoering van de motie Van Dijke c.s. een wachttijd van vier weken te hanteren alvorens een (nieuw) uitkeringsrecht toe te kennen. Nadrukkelijk doel van de motie Van Dijke c.s. is om de wachttijd voor de arbeidsongeschiktheidsuitkering te beperken. Als voordelen, die voor een belanghebbende aan een kortere wachttijd verbonden zijn, kunnen onder andere worden genoemd de beperking van de op de werkgever rustende loondoorbetalingsverplichting tot het deel van het loon dat de arbeid-ongeschiktheidsuitkering overstijgt en een kortere periode van onzekerheid voor de belanghebbende omtrent het verkrijgen van recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Deze voordelen hebben er mede toe geleid de motie Van Dijke c.s. uit te voeren. Het feit dat de kortere wachttijd voor belanghebbenden onder omstandigheden ook nadelige gevolgen kan hebben weegt naar onze mening niet op tegen de daaraan verbonden voordelen.

Op de nadelige gevolgen van een wachttijd van vier weken die deze leden schetsen gaan wij hierna in. Wij zetten daarbij naast elkaar wat enerzijds de gevolgen voor een belanghebbende zijn ingeval van toekenning van een uitkering en wat anderzijds de gevolgen zijn ingeval van heropening van de uitkering. Deze beide posities worden beschreven in verband met het feit dat deze leden de geschetste nadelige gevolgen gebruiken om hun argumentatie te onderstrepen dat onderscheid gemaakt moet worden tussen toekenning van de uitkering enerzijds en heropening van de uitkering anderzijds.

Het eerste nadelige gevolg dat deze leden schetsen is dat een wachttijd van 52 weken veel vaker tot een bovenwettelijke aanvulling leidt dan een versnelde toekenning van een WAO-uitkering. Allereerst moet daarbij opgemerkt worden dat in het algemeen slechts dan recht op een bovenwettelijke aanvulling zal bestaan als de belanghebbende op het moment dat de arbeidsongeschiktheid intreedt in dienstbetrekking werkzaam is. In dat geval is de belanghebbende verzekerd voor de ZW. Zoals hiervoor al opgemerkt kan er dan sprake zijn van samenloop van een ZW- uitkering en een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Uiteraard dient dan anti-cumulatie plaats te vinden. De vraag of al dan niet recht bestaat op een bovenwettelijke aanvulling ingeval van samenloop van een ZW-uitkering en een arbeidongeschiktheidsuitkering is afhankelijk is van de arbeidsovereenkomst van de betrokkene werknemer. De inhoud van arbeidsovereenkomsten op dit punt behoort nadrukkelijk niet tot onze verantwoordelijkheid. De vraag of het nadeel zich eventueel zal voordoen is niet afhankelijk de vraag of er sprake is van toekenning danwel heropening van de uitkering. Ingeval er op basis van de arbeidsovereenkomst eventueel gedurende een bepaalde periode recht bestaat op aanvulling van de arbeidsongeschiktheidsuitkering zal deze periode bij het toekennen van een uitkering in het algemeen starten. Ingeval van heropening van de uitkering is het waarschijnlijker dat recht op een eventuele aanvulling bestaat gedurende de periode die nog restte op het moment van intrekking van de uitkering.

Het tweede nadelige gevolg dat deze leden schetsen is dat door een wachttijd van vier weken de arbeidsongeschiktheidsuitkering op een eerder moment wordt toegekend dan bij een wachttijd van 52 weken.

Daardoor is de belanghebbende op het moment van toekenning van de uitkering jonger en bestaat de mogelijkheid dat gedurende een kortere periode recht bestaat op een loondervingsuitkering en dat de vervolguitkering daardoor lager is. Dit gevolg kan inderdaad optreden. Dit weegt naar onze mening echter niet op tegen de voordelen van de kortere wachttijd zoals hiervoor weergegeven. Dit gevolg treedt zowel op ingeval van toekenning van de uitkering als bij heropening van de uitkering.

Ingeval er voor gekozen zou zijn om de uitkering in een aantal gevallen te heropenen in plaats van toe te kennen brengt de systematiek van de WAO mee dat de uitkering heropend wordt in de toestand waarin de uitkering is ingetrokken. Dit kan voor de belanghebbende nadelig zijn. Immers, indien een arbeidsongeschiktheidsuitkering is ingetrokken op het moment dat recht bestond op een vervolguitkering en deze uitkering later weer wordt heropend, bestaat op dat moment recht op een vervolguitkering en niet op een loondervingsuitkering. Dit is bij het opnieuw toekennen van de uitkering wel het geval.

Het laatste nadelige gevolg dat deze leden schetsen is dat een belanghebbende die niet verzekerd is voor het WAO-gat door de kortere wachttijd eerder geconfronteerd zal worden met dat gat. Dit is een gevolg dat inderdaad kan optreden. Wij zijn ook hier van mening dat de voordelen van een kortere wachttijd ruimschoots opwegen tegen de eventuele nadelen. Daarnaast geldt dat dit probleem zich bij heropening van de uitkering eerder zal voordoen dan bij het opnieuw toekennen van een uitkering.

Op basis van het voorgaande achten wij het niet noodzakelijk om tot wijziging van artikel 43a WAO te komen zoals door deze leden bepleit.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich voorts naar aanleiding van het gestelde in de memorie van antwoord af waarom vanuit een niet-WAO verzekerde positie de erkende beroepsziekten wel en de hernieuwde uitval «uit dezelfde oorzaak» niet onder de nawerkingsbepalingen moeten vallen, waarbij zij stellen dat het toch voor de hand ligt om alle situaties van nawerking onder het nawerkingsartikel (artikel 17 WAO) te brengen.

Artikel 17 WAO geeft een regeling voor een aantal situaties waarin personen die niet meer verzekerd zijn, ter zake van hun na afloop van de verzekeringsperiode ontstane arbeidsongeschiktheid toch aanspraken aan de verzekering kunnen ontlenen, de zogenaamde nawerking. Een van deze situaties betreft het geval dat een iemand geruime tijd na het einde van de verzekering arbeidsongeschikt wordt ten gevolge van een beroepsziekte die is veroorzaakt door werkzaamheden die hij of zij verrichtte tijdens de verzekering. Geeft artikel 17 dus een regeling voor gevallen waarin arbeidsongeschiktheid (voor de eerste maal) optreedt na afloop van de verzekeringsperiode, het voorgestelde artikel 43a geeft een regeling voor gevallen waarin de arbeidsonschiktheid voor de eerste maal optreedt tijdens de verzekeringsperiode, de uitkering vervolgens wordt ingetrokken of, na doorlopen wachttijd, niet wordt toegekend, terwijl binnen vijf jaar betrokkene weer arbeidsongeschikt wordt uit dezelfde oorzaak. Op grond van het voorgestelde artikel 43a geldt in dat geval terzake van deze hernieuwde arbeidsongeschiktheid uit dezelfde oorzaak niet opnieuw een wachttijd van 52 weken, maar slechts een van vier weken, en geldt daarbij tevens niet de eis dat men verzekerd moet zijn om voor toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in aanmerking te komen. Het gaat hier dus met andere woorden niet om een nawerking van de verzekeringsperiode, maar als het ware om een nawerking van de eerder al opgetreden arbeidsongeschiktheid. Wij zien dan ook geen reden om de in het voorgestelde artikel 43a geregelde situaties op te nemen bij de in artikel 17 geregelde nawerking van de verzekering.

De PvdA-fractie merkt op het verbazingwekkend te vinden dat bij een opting-out variant de wetgever wel eisen dient te stellen inzake inkomens-bescherming, maar in het geheel niet inzake (medewerking aan) reïntegratie-inspanningen. Bij de discussie over de voornemens van het kabinet met betrekking tot het uitstappen uit de WAO en de waarborgen daaromheen zullen vragen zoals de PvdA-fractie nu stelt ongetwijfeld uitgebreid aan bod komen. Een voorschot nemende op deze discussie willen wij nu reeds opmerken dat enig verschil in eisen niet verbazingwekkend is. Immers marktpartijen, i.c. verzekeraars en pensioenfondsen, hebben een intrinsiek belang bij het maximaal toepassen van reïntegratie-instrumenten. Zij willen immers de arbeidsongeschiktheidslasten zo laag mogelijk houden.

De leden van de PvdA-fractie zijn teleurgesteld over het gestelde in de memorie van antwoord over artikel 61 van de WAO. De memorie van antwoord, zo merken deze leden op, herhaalt slechts het gestelde in de memorie van toelichting. De aan het woord zijnde leden zien zich daarom gedwongen om een nieuwe poging tot uitlokking van een reactie te doen, zowel inzake de wetstechniek als inzake de materiële betekenis van het voorgestelde artikel 61 van de WAO.

Bij de wetstechnische benadering merken deze leden het volgende op.

Zij constateren dat de voorgestelde wettekst een bodem legt in de uitkeringspositie van de betreffende categorie personen bij hernieuwde WAO-toetreding. Met die constatering kan worden ingestemd. De wettekst, zo vervolgen die leden, legt die bodem bij het ’oude’ dagloon. Zij verwijzen in dat verband naar artikel 14 van de WAO. De wettekst, aldus die leden, refereert niet aan het begrip ’vervolgdagloon’. Hier wordt door die leden verwezen naar artikel 21b van de WAO. Als reactie hierop het volgende. In het eerste lid van het voorgestelde artikel 61 komt tweemaal het woord ’dagloon’ voor. De eerste maal dat het woord dagloon wordt genoemd gaat het om het ’dagloon’ dat wordt vastgesteld op basis van de verdiensten uit de laatste dienstbetrekking. De tweede maal dat het woord «dagloon» wordt genoemd is bedoeld aan te geven «dat het gaat het om het dagloon dat voor de berekening van de laatstelijk ontvangen loondervingsuiktkering of vervolguitkering in aanmerking werd genomen». Hier gaat het, zo is bedoeld, met andere woorden om onderscheidenlijk het dagloon volgens artikel 14 van de WAO en het vervolgdagloon volgens artikel 21b van de WAO. Deze uitleg verklaart tevens waarom bij de indexeringsformulering wordt verwezen naar zowel artikel 14 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag als naar artikel 15 van de WAO en niet alleen naar artikel 15 van de WAO, zoals naar de uitleg van de leden van de PvdA-fractie zou moeten.

Nu over een eenduidige uitleg van betreffende voorgestelde tekst discussie mogelijk blijkt is het kabinet van mening dat zulks voorkomen moet worden. Om die reden zal bij nota van wijziging op de bij de Tweede Kamer in behandeling zijnde Veegwet (Kamerstukken II 1994/95, 24 326) in het eerste lid van artikel 61 na het tweede woord dagloon worden ingevoerd: of vervolgdagloon.

Met betrekking tot het tweede lid van artikel 61 zijn de leden van de PvdA-fractie van mening dat dit lid geen extra bescherming biedt, vergeleken met de bestaande systematiek.

Een eenmaal vastgesteld dagloon kan in beginsel niet worden herzien, behoudens de in artikel 40 van de WAO en de in de dagloonregels WAO neergelegde uitzonderingen. Deze uitzonderingen betreffen alle een verhoging van het dagloon.

Op de keper beschouwd hebben de aan het woord zijnde leden gelijk als zij stellen dat het tweede lid van het voorgestelde artikel 61 van de WAO in wezen geen extra bescherming biedt. In verband hiermee zal bij nota van wijziging op de eerder genoemde Veegwet worden voorgesteld om het tweede lid te schrappen.

De leden van de PvdA-fractie brengen artikel 40, vierde lid, van de WAO ter sprake. Ingevolge dat vierde lid kan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid regels stellen op grond waarvan, ingeval van herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering in verband met toegenomen arbeidsongeschiktheid tijdens het ontvangen van een vervolguitkering, opnieuw een loondervingsuitkering kan worden toegekend en het percentage als bedoeld in artikel 21b, derde lid, kan worden verhoogd, mits de betrokkkene bij de toeneming van zijn arbeidsongeschiktheid ter zake van het verrichten van werkzaamheden op grond van de WAO verzekerd was. Deze leden constateren dat tot op heden geen ministeriële regeling is getroffen. Daarbij stelden die leden de vraag of het kabinet is teruggekomen op het bij de behandeling van het wetsvoorstel TBA ingenomen standpunt dat er een oplossing moet komen voor de situatie waarin een gedeeltelijk arbeidsgeschikte, die zijn restcapaciteit tijdens de vervolguitkering volledig benut en vervolgens geconfronteerd wordt met toenemende arbeidsongeschiktheid. Het antwoord op die vraag is nee. Deze TBA-toezegging is, zulks in antwoord op een eveneens door betreffende leden gestelde vraag, evenmin in het vergeetboek geraakt. Hoewel dat geen excuus is voor het feit dat er nog geen regels zijn gesteld, heeft prioriteitstelling hier parten gespeeld. Toegezegd wordt dat in overleg met het Tica thans zo spoedig als mogelijk is ter zake regels zullen worden gesteld.

Met betrekking tot de materiële betekenis van het voorgestelde artikel 61 merken de leden van de PvdA-fractie op dat, indien onder de dagloongarantie mede een vervolgdagloongarantie wordt begrepen, de materiële betekenis van dat artikel fors wordt verminderd. Naar aanleiding van die opmerking volgt hier een citaat uit de memorie van toelichting waarin tevens duidelijk wordt gemaakt waarom er ook sprake kan zijn van een vervolgdagloongarantie. «In de gevallen waarin de WAO-gerechtigde bijvoorbeeld tussen het tijdstip van werkhervatting en de herziening van de WAO-uitkering ter zake van toegenomen arbeidsongeschiktheid wegens afloop van de termijn waarover hij recht heeft op een loondervingsuitkering inmiddels een vervolguitkering ontvangt, dan dient de garantie niet te worden gesteld op de arbeidsongeschiktheidsuitkering waarop hij laatstelijk voor aanvang van die werkhervatting recht had, doch op het (lagere) niveau van de vervolguitkering. Bij niet-werkhervatting zou hij immers na afloop van de loondervingsperiode ook een lagere WAO-uitkering hebben ontvangen.»

In tegenstelling tot hetgeen de aan het woord zijnde leden stellen gaat het in het eerste lid van het voorgestelde artikel 61 van de WAO niet uitsluitend om volledig arbeidsongeschikte personen, doch om personen die «recht hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering». Dat kunnen dus ó ó k personen zijn die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn.

Op de vraag of er gegevens bekend zijn over de frequentie dat volledig herstel van verdiencapaciteit in de tijd exact samenvalt met werkhervatting en wel tegen een lager loon dan de theoretische verdiencapaciteit, moet ontkennend worden geantwoord.

De aan het woord zijnde leden komen terug op een door hen in het voorlopig verslag gestelde vraag. Die vraag is aldus begrepen, namelijk of de in het eerste lid van het bedoelde artikel 61 zich ook uitstrekt tot degene die als gevolg van herstel zijn WAO-uitkering beëindigd ziet en via een korte WW-fase werk aanvaardt tegen een lager loon. Omdat de WAO-uitkering in het gegeven voorbeeld niet werd beëindigd in verband met werkaanvaarding, is die vraag ontkennend beantwoord. Zou betrokkene binnen vijf jaar opnieuw geheel arbeidsongeschikt worden dan is de in het voorgestelde artikel 61 opgenomen garantieregeling evenmin op hem van toepassing. De vraag of deze persoon (WAO-gerechtigde) een beroep kan doen op artikel 17 van de Dagloonregels invoeringswet stelselherziening, moet ontkennend worden beantwoord. Zoals vermeld in de memorie van antwoord houdt dat artikel een dagloongarantieregeling in voor personen die binnen 30 maanden na het ontstaan van de primaire werkloosheid opnieuw werkloos worden.

De leden van de PvdA-fractie zijn van mening dat ook de groep «oude gevallen», die thans onderworpen worden aan herbeoordeling, in aanmerking zouden dienen te komen voor extra reïntegratiemaatregelen. Nu het kabinet de specifieke positie van deze groep erkent en hierin gedeeltelijk tegemoetkomt in de inkomenssfeer zou ook iets extras in de reïntegratiesfeer voor deze groep gedaan kunnen en moeten worden, zo menen deze leden. Zij noemen in dit verband de beperking van de loonsuppletie tot personen met een arbeidsongeschiktheids-uitkering en het feit dat de inkomensgarantie oudere arbeidsongeschikten alleen geldt wanneer de arbeidsongeschiktheids-uitkering wordt beë indigd in verband met aanvaarding van een dienstbetrekking.

Hierover zij opgemerkt dat de inkomensbescherming voor de «oude gevallen» die na de herbeoordeling al dan niet gedeeltelijk een beroep moeten doen op een werkloosheidsuitkering vooral tot gevolg heeft dat deze groep niet geconfronteerd wordt met de toets op het partnerinkomen of de vermogenstoets. Het betreft een bescherming op minimumniveau. Voor degenen uit deze groep die na de herbeoordeling geen recht meer hebben op een arbeidsongeschiktheidsuitkering kan er daarom geen inkomensnadeel ontstaan bij werkaanvaarding als die kans zich voordoet. Dit kan zich wel voordoen voor degenen met een (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheidsuitkering. De loonsuppletie beoogt voor hen een overgangsfase te bieden in de inkomensachteruitgang ten opzichte van de uitkeringssituatie die bij werkaanvaarding kan optreden. De inkomensgarantie oudere arbeidsongeschikten is relevant voor de situatie waarin na reïntegratie in het arbeidsproces binnen vijf jaar opnieuw recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontstaat. Ook deze situatie zal zich voor de groep die hier aan de orde is niet voordoen. De toespitsing van de afzonderlijke maatregelen op de onderscheiden groepen past in de lijn van het door het kabinet beoogde maatwerk.

De leden van de fractie van GroenLinks hebben een aantal vragen met betrekking tot de loonkostensubsidie. Deze leden willen weten wat de oorspronkelijke raming was van de uitgaven uit hoofde van de loonkostensubsidie, wanneer en om welke reden deze raming is bijgesteld, wat de nieuwe prognose is en welke de oorzaken zijn van het tegenvallend gebruik van de loonkostensubsidie.

De loonkostensubsidie is ingevoerd bij de wet TAV. De totale maximale kosten werden in dit wetsvoorstel structureel geraamd op 260 mln voor de subsidies en 60 mln voor inwerkvergoedingen voor wat betreft de GMD-populatie. Deze raming was gebaseerd op een raming van het rapport Tripartiete Werkgroep Volumebeleid Arbeidsongeschiktheidsregelingen (TWVA). In dit rapport werden de kosten geraamd op 270 mln; deze werden destijds door alle drie betrokken partijen (werkgevers, werknemers en overheid) onderschreven. Op basis van nieuwe berekeningen werden deze kosten in het wetsvoorstel TAV geraamd op 320 mln voor de GMD-populatie; daarnaast werd de uitbreiding van de subsidie tot het ABP geraamd op 70 mln. De totale kosten werden derhalve structureel geraamd op 390 mln. In beide ramingen (TWVA en TAV) was er van uitgegaan dat zowel de hoogte als de duur van de subsidie maximaal zou zijn, nl. vier jaar.

Naar aanleiding van de eerste realisatiecijfers zijn de structurele kosten nadien neerwaarts bijgesteld tot 100 mln structureel. De uitbreiding van de loonkostensubsidie naar de eigen werkgever werd, op basis van deze kosten van 100 mln, daarna geraamd op 85 mln structureel, zodat de totale maximale kosten structureel op 185 mln werden geraamd. Ten slotte is deze laatste raming nogmaals neerwaarts bijgesteld naar aanleiding van nadere realisatiecijfers tot 135 mln structureel. De neerwaartse bijstellingen zijn gepleegd in 1993 en 1994 naar aanleiding van de realisatiecijfers van de SVr.

In onderstaand overzicht zijn de ramingen voor de loonkostensubsidie gepresenteerd voor de structurele situatie.

Tabel. Ramingen van de structurele kosten van de huidige loonkostensubsidie/ inwerksubsidie (mln. gld)

Structureel

TWVA                                                                                                      270

TAV                                                                                                           390

Herziene raming n.a.v. realisaties                                                         100

Raming na uitbreiding subsidie tot eigen werkgever                         185

Herziene raming van realisaties                                                            135

De raming van 135 mln ten slotte is als uitgangspunt gehanteerd bij de uitbreidingen die zijn voorgesteld in het wetsvoorstel Amber. Hierin wordt immers, in verband met het vervallen van de bonus/malusregeling, voorgesteld om de maximale loonkostensubsidie op te hogen naar 25% (nu 20%).

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zijn in de eerste tabel op pagina 22 de geraamde kosten van de huidige loonkostensubsidie (dat wil zeggen bij ongewijzigd beleid) en de bonusregeling tezamen voor de jaren 1996 tot en met 1999 alsmede voor de structurele situatie gepresenteerd. De uitgaven uit hoofde van de bonusregeling zijn daarbij geraamd op ca. 35 mln in 1996, oplopend tot ca. 40 mln in de structurele situatie. Met betrekking tot de loonkostensubsidie gaat het om de uitgaven voor subsidies, aangegaan vanaf 1996. De verplichtingen die in eerdere jaren zijn aangaan en in 1996 en latere jaren tot uitgaven leiden zijn hierin niet meegenomen. Deze uitgaven veranderen immers niet als gevolg van het wetsvoorstel. De kosten van de huidige loonkostensubsidieregeling, aangegaan vanaf 1996, zouden bij ongewijzigd beleid derhalve oplopen van 15 mln in 1996 tot 135 mln in de structurele situatie. Nogmaals zij benadrukt dat hierin niet de uitgaven uit hoofde van eerder aangegane verplichtingen zijn inbegrepen.

In de tabel in de memorie van toelichting zijn tevens de ramingen voor de nieuwe loonkostensubsidie gepresenteerd. Deze lopen op van 30 mln in 1996 tot 274 mln in de structurele situatie.

In de effectenrapportage loonkosten- en inwerk- en beleidingssubsidie geeft het Ctsv als verklaringen voor relatief lage aantal toekenningen:

– met de aanvraag samenhangende administratieve lasten, die overigens niet onnodig belastend zijn;

– de relatie met andere positieve prikkels als de bonus en KRA/WBA;

– de beperkte rol die de loonkostensubsidie speelt bij het wervings- en selectiegedrag van werkgevers en de onbekendheid van de loonkostensubsidie.

De leden van GroenLinks-fractie stellen nogmaals de doorbreking van het financiële evenwicht aan de orde die ontstaat doordat de malus bij aanvaarding van dit wetsvoorstel per 1 juli 1995 wordt afgeschaft en het pas per 1 januari 1997 mogelijk blijkt de premiedifferentiatie in de WAO te realiseren. Bij indiening van dit wetsvoorstel gingen wij er vanuit dat de doorbreking van het financiële evenwicht een half jaar zou duren. Dit werd door ons aanvaardbaar geacht omdat het mogelijk bleek een aanzienlijk pakket flankerende maatregelen op korte termijn te realiseren. Nu blijkt de doorbreking van het evenwicht een anderhalf jaar te gaan duren door het voorziene uitstel van de maatregelen op het terrein van de AAW/WAO. Wij betreuren dat, maar stellen ook vast dat bij het in werking treden van het onlangs ingediende wetsvoorstel Uitbreiding loondoorbetalingplicht bij ziekte de werkgever een forse extra financiële stimulans krijgt om het ziekteverzuim en daarmee op termijn het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen terug te dringen. Voorts verwachten wij dat het pakket reïntegratiemaatregelen ook nu nog voldoende compensatie biedt.

De leden van de fractie van GroenLinks vragen om een helder en concreet antwoord op de vraag naar de inhoud van de amvb’s. Deze leden kan worden meegedeeld dat het bij de amvb loonsuppletie (voor personen die in dienstbetrekking werken) gaat om middels een suppletie het «gat» tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op de theoretische verdiencapaciteit en de arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op de werkelijke verdiensten tijdelijk geheel of gedeeltelijk te overbruggen. Bij de amvb inkomenssuppletie (voor zelfstandigen) gaat het om het «gat» tussen de arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op de theoretische verdiencapaciteit voor functies in loondienst en de arbeidsongeschiktheidsuitkering gebaseerd op de werkelijke verdiensten in het eigen bedrijf.

De loon- en inkomenssuppletie zal maximaal 20% van de theoretische verdiencapaciteit van een belanghebbende bedragen. Afbouw daarvan zal plaatsvinden in een periode van vier jaar in gelijke stappen. Gedacht wordt aan:

het eerste jaar 100% suppletie;

het tweede jaar 75%;

het derde jaar 50%;

het vierde jaar 25%;

het vijfde jaar nihil.

Het is voorts de bedoeling dat de loon-/inkomenssuppletie tezamen met de arbeidsongeschiktheidsuitkering en het loon/het inkomen uit bedrijf of beroep niet meer zal bedragen dan het maatmaninkomen.

De reden waarom nog steeds energie wordt gestopt in de uitvoering van de malusregeling, de fractie van Groen Links vroeg hiernaar, is dat bedrijfsverenigingen gehouden zijn wetten uit te voeren zolang deze van kracht zijn. Zulks geldt vanzelfsprekend ook voor de malusregeling. Aangezien in het overgangsrecht is voorzien in een afschaffing van de regeling per 1 juli 1995, dienen de bedrijfsverenigingen malussen die tot die datum zijn verschuldigd, op te leggen en te innen.

Zoals reeds werd opgemerkt in de memorie van antwoord zijn door de bedrijfsverengingen wel malussen aangezegd, maar heeft afgifte van de malusbeschikkingen vertraging ondervonden door onduidelijkheden over de te volgen werkwijze. Van een -feitelijke- afschaffing van de malusregeling is, zoals het lid van de fractie van Groen Links veronderstelt, geen sprake.

Naar de wijze waarop de bedrijfsverenigingen aan de malusregeling uitvoering hebben gegeven, wordt door het Ctsv momenteel onderzoek. Wanneer uit dit onderzoek blijkt dat door de bedrijfsverenigingen niet norm-conform wordt gehandeld zullen hiertegen, de fractie van Groen Links vroeg hiernaar, in eerste instantie door het Ctsv maatregelen genomen te worden. Wij verwachten binnenkort door het Ctsv te worden geïnformeerd over de uitkomsten van het onderzoek en over de conclusies, die het College hieruit heeft getrokken.

Uit de reactie van de GroenLinks-fractie op de meer verplichtende aanpak van de reïntegratie leiden wij af dat deze leden daarvan weinig effect verwachten. Op dit moment biedt de bestaande capaciteit die ingezet kan worden ten behoeve van de reïntegratie van cliënten uitsluitend de mogelijkheid om op reïntegratie gerichte activiteiten aan te bieden aan cliënten die daaraan mee willen werken. Dit achten wij voor de toekomst een onjuiste situatie vanuit het belang dat wij hechten aan de rë integratie op de arbeidsmarkt van arbeidsgehandicapten. De capaciteit die ingezet kan worden ten behoeve van reïntegratie zal vergroot moeten worden. Dit leidt uiteraard tot de inzet van extra menskracht en middelen. Deze extra inzet zal gefinancierd moeten worden uit de arbeidsongeschiktheidsfondsen. Het Tica onderzoekt op dit moment wat de gevolgen in de vorm van benodigde capaciteit zullen zijn van een meer verplichtende aanpak van de reïntegratie. Het al dan niet meewerken aan reïntegratie mag voor mensen die geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn geen vrijblijvende zaak zijn. Indien in een concreet geval door een belanghebbende niet wordt meegewerkt aan gewenste/noodzakelijke reïntegratie-activiteiten kan dit tot het opleggen van een sanctie leiden. Het gaat daarbij om sancties die opgelegd kunnen worden in het kader van de toepassing van belang zijnde wetten zoals de AAW, WAO, WW, IOAW en ABW.

Desgevraagd kunnen wij de leden van de GroenLinks-fractie meedelen dat wij uiteraard kranten lezen en dat wij over de toepassing van het arbeidsongeschiktheidsbegrip een groot aantal brieven ontvangen. Een aantal van deze brieven zijn vergelijkbaar met de brief die deze leden aan het verslag hebben toegevoegd. Mede naar aanleiding van signalen uit de samenleving is in het afgelopen jaar intensief met het parlement gediscussieerd over de gevolgen van de toepassing van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidsbegrip. Deze discussie heeft tot gevolg gehad dat op dit moment een tweetal wijzigingen van het Schattingsbesluit worden voorbereid en dat de uitvoeringspraktijk is of binnenkort zal worden aangepast aan de beleidsvoornemens in de brief aan de Tweede Kamer van 2 juni 1995 (Kamerstukken II, 1994/1995, 22 187, nr. 32). Deze maatregelen hebben tot gevolg dat arbeidsongeschiktheidsschattingen in nieuwe gevallen op een verantwoorde manier kunnen plaatsvinden.

Voor belanghebbenden die op grond van een arbeidsongeschiktheids-schatting geheel of gedeeltelijk arbeidsgeschikt worden geacht worden, bij aanvaarding van dit wetsvoorstel, door de extra reïntegratie-instrumenten de kansen op de arbeidsmarkt verbeterd ten opzichte van de nu bestaande situatie.

In het geval dat de belanghebbende, die de brief heeft geschreven die deze leden aan het verslag hebben toegevoegd, gekeurd moet worden zal dit overeenkomstig de aangepaste uitvoeringspraktijk gebeuren. Daarbij zal ook het gewijzigde Schattingsbesluit worden toegepast. In het geval de uitkomst van de keuring is dat er geen sprake meer is van volledige arbeidsongeschiktheid zal de belanghebbende eventueel gebruik kunnen maken van het bij aanvaarding van dit wetsvoorstel uitgebreidere pakket van reïntegratie-instrumenten.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen waarom de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wilde wachten met het versturen van een brief aan het Tica over de implementatie van de beleidsvoornemens die zijn opgenomen in de brief aan de Tweede Kamer van 2 juni 1995 (Kamerstukken II, 1994/1995, 22 187, nr. 32) over de toepassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium. De reden om te wachten met het versturen van deze brief tot na de stemmingen was dat het na deze stemmingen duidelijk was dat de Tweede Kamer kon instemmen met de beleidsvoornemens van het kabinet op het punt van de toepassing van het arbeidsongeschiktheidscriterium. Dit was belangrijk om naar het Tica en ook naar de samenleving toe duidelijk aan te geven dat de zo spoedig mogelijke implementatie van de in de brief opgenomen beleidsvoornemens niet alleen de wens van het kabinet was, maar ook van de Tweede Kamer. In dit geval vonden wij dat van groot belang, ook al was dat strikt genomen niet noodzakelijk.

Met de leden van de fractie van GroenLinks zijn wij van mening dat maatregelen worden getroffen om een bepaald doel te bereiken. Dat is uiteraard ook het geval met de in dit wetsvoorstel opgenomen reïntegratiemaatregelen. Het is naar onze mening niet zinvol om in deze fase van de beleidsontwikkeling eventuele criteria en meetpunten vast te leggen aan de hand waarvan de effecten beoordeeld kunnen worden, omdat de werking van deze reïntegratiemaatregelen door een groot aantal factoren beïnvloedt zullen worden waarvan de effecten op dit moment niet zijn te overzien.

Naar aanleiding van de vragen van de leden van de SP-fractie naar een alternatief voor de quotum verplichting in de Wagw zij vermeld dat het Ctsv de bedrijfsverenigingen inmiddels heeft verzocht relevante gegevens te verstrekken over het aantal gehandicapte werknemers per bedrijfstak. Naar verwachting zal hierover in november meer bekend zijn.

Het lid van de SP-fractie verzoekt nader aan te geven welke reïntegratie-maatregel bedoeld wordt die in de memorie van toelichting (Kamerstukken I, 1995/1996, 24 221, nr. 1) wordt aangeduid met «overname van het ziekterisico». Hiermee duiden wij artikel 29b ZW aan. Op basis van dit artikel kan de bedrijfvereniging, als aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan, op verzoek van de werkgever het ziekengeld stellen op het dagloon van de werknemer. De belangrijkste voorwaarde die gesteld wordt aan het toepassen van artikel 29b ZW, na wijziging op basis van dit wetsvoorstel, is dat het moet gaan om een werknemer die in de drie jaren voorafgaand aan zijn dienstbetrekking recht had op een uitkering op grond van de AAW of de WAO of het einde van de wachttijd van 52 weken voor de AAW of de WAO heeft bereikt en aansluitend niet arbeidsongeschikt is geacht op basis van die wetten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, R. L. O. Linschoten

De Minister van Binnenlandse Zaken, H. F. Dijkstal

De Staatssecretaris van Defensie, J. C. Gmelich Meijling

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.