Nota n.a.v. het verslag - Voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1996–1997

24 760

Voorziening tegen geldelijke gevolgen van langdurige arbeidsongeschiktheid voor jonggehandicapten (Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten

Nr. 8

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET NADER VERSLAG

Ontvangen 24 oktober 1996

I ALGEMEEN

  • 1. 
    Inleiding

Het kabinet heeft met waardering kennis van genomen van de instemming die de meeste fracties hebben betoond met de wijzigingen die in onderhavig wetsvoorstel zijn aangebracht. Zo onderschrijven de leden van de fractie van het CDA het nut van een meldingstermijn voor arbeidsongeschiktheid van 13 weken, al blijven zij met het kabinet van mening verschillen over de basistaak die de overheid heeft ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Voor wat betreft mijn reactie op hun bezwaren tegen de intrekking van de AAW wil ik verwijzen naar de nota naar aanleiding van het nader verslag bij de WAZ. De leden van de D66-fractie zijn tevreden over het feit dat de termijn van 3 maanden waarbinnen de Wajong-uitkering wordt ingetrokken of herzien, niet wordt gehandhaafd. Ook achten zij het positief dat de mogelijkheid wordt geopend dat de uitkering zonder aanvraag daartoe kan worden geopend. Het verheugt de leden van de fractie van GroenLinks dat schoolverlaters gedurende een sollicitatieperiode onder de bescherming van de Wajong blijven vallen. Met instemming namen zij er kennis van dat invoering van de regeling met één jaar is opgeschoven. De leden van de RPF stellen nog enkele vragen over de regeling van samenloop. Op een aantal punten hebben de diverse fracties nog nadere vragen gesteld. Hieronder zal daar op worden ingegaan.

  • 2. 
    Wenselijkheid van een afzonderlijke voorziening voor jonggehandicapten en studerenden

De leden van de fractie van GroenLinks vragen of een adequaat beleid, gericht op de bevordering van de combineerbaarheid van arbeid en zorg niet juist gebaat zal zijn met een mix van collectieve wettelijke maatregelen en bovenwettelijke aanvullingen. De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het kabinet het, gezien het feit dat mantelzorg in Nederland vooral een vrouwenzaak is, verdedigbaar, zelfs nastrevenswaardig en in overeenstemming met het overige beleid vindt dat mantelzorgsters zelfs van de minimale sociale bescherming worden uitgesloten.

Ik merk op dat in de nota «Arbeid en Zorg» maatregelen in het vooruitzicht worden gesteld die ertoe moeten leiden dat de sociale zekerheid geen belemmeringen meer oplevert voor het opnemen van onbetaald verlof. Waar het om de combineerbaarheid van arbeid en zorg gaat blijft het verrichten van arbeid centraal staan. Het treffen van eventuele aanvullende maatregelen wordt aan de sociale partners overgelaten. Het kabinet denkt aan op het onbetaald verlof gerichte maatregelen in de sfeer van de werknemersverzekeringen met een beperkte duur die gelijk is aan de maximale duur van het wettelijk recht op ouderschapsverlof. Eén en ander laat echter onverlet dat het kabinet meent dat voor wat betreft de verzorgers van naaste verwanten deze niet tot de kring van rechthebbenden van de Wajong moeten behoren. Het principiële uitgangspunt hierbij is dat ieder – of het nu om mannen of vrouwen gaat – zoveel mogelijk door middel van eigen arbeid in het levensonderhoud moet voorzien. In dat kader heeft het kabinet aangegeven dat verzorgers van naaste verwanten de keuze hebben om aan betaalde arbeid deel te nemen. Ter adstructie hiervan zij opgemerkt dat het door zaken als de extramurale voorzieningen in de gezondheidszorg, het persoonsgebonden budget in de thuiszorg, en mogelijkheden van bredere verdeling van zorgtaken in familieverband niet per sé nodig zal zijn dat zorgtaken op full-time-basis door een bepaalde verwant worden verricht. Voor de goede orde zij hier opgemerkt dat slechts ongehuwden die naaste verwanten verzorgen die tot hun huishouding behoren onder de bescherming van de AAW vallen. Het betreft derhalve een beperkte afgebakende groep uit de brede groep waarop de leden van de fractie van GroenLinks het oog hebben.

De leden van deze fractie vragen voorts hoe het in dit verband zit met de positie van (ex-)zelfstandigen of schoolverlaters. Zij vragen of deze, redenerend vanuit het grote maatschappelijke belang van mantelzorg, zodra zij zich enige tijd richten op de verzorging van naaste verwanten, geen aanspraak verdienen op een AAW-achtige bescherming.

Hoewel het hier gaat om personen die geen dekking vanuit de werknemersverzekeringen kennen meent het kabinet ook hier dat, gezien hetgeen is opgemerkt in de memorie van toelichting en hetgeen in antwoord op de vorige vraag van deze leden is opgemerkt over mogelijke spreiding van de zorg niet moet worden gekomen tot een uitbreiding van de Wajong.

De leden van de fractie van GroenLinks missen in de nota naar aanleiding van het verslag een antwoord op de vraag of de integratie van jonggehandicapten niet wordt bemoeilijkt door het gegeven dat werkgevers eigen risicodrager kunnen worden. Eigen risicodragers zullen een groot financieel belang hebben bij de reïntegratie van hun eigen werknemers. Zij vragen of het kabinet niet erkent dat door meer marktwerking in de WAO jonggehandicapten nog verder van de arbeidsmarkt zullen worden geïsoleerd.

Het kabinet veronderstelt dat de leden van de GroenLinks-fractie niet doelen op de reïntegratie van jonggehandicapten, die vanuit een dienstverband (meer) arbeidsgehandicapt zijn geraakt, maar op de integratie van jonggehandicapten, die niet eerder werkzaam zijn geweest. Het wetsvoorstel Pemba geeft werkgevers een sterkere prikkel om enerzijds arbeidsongeschiktheid te voorkomen en anderzijds wegens ziekte uitgevallen werknemers in passende arbeid te herplaatsen. De arbeidsrechtelijke norm voor werkgevers om voor eigen arbeid ongeschikt geraakte werknemers in passende arbeid te herplaatsen is overigens al in 1978 door de Hoge Raad geformuleerd.

Het kabinet is niet van mening dat de introductie van marktwerking in de arbeidsongeschiktheidsregelingen tot een verdere isolatie van de jonggehandicapten van de arbeidsmarkt leidt. In de nota naar aanleiding van het verslag is reeds aangegeven dat de werkgelegenheid voor arbeidsgehandicapten wordt gestimuleerd door de mogelijkheden van de premiekwijtscheldingsregeling WAO. Aangezien eigen risicodragers deze premie eveneens dienen te betalen, hebben ook zij een financieel belang bij het vergroten van het aandeel arbeidsgehandicapten in het personeelsbestand. Deze regeling kan ook voor de arbeidsmarktpositie van een deel van de jonggehandicapten positieve effecten hebben. Voor een groot deel van de jonggehandicapten geldt overigens dat de aard en de ernst van de handicap het niet waarschijnlijk maakt dat zij in staat zullen zijn om functies te bekleden, die een werkgever beschikbaar kan stellen.

De leden van de fractie van GroenLinks wijzen er voorts op dat indien studenten aan niet-erkende opleidingen, arbeidsongeschikt worden zij niet onder de werking van de Wajong vallen. Het argument van het kabinet dat studenten voldoende keuzemogelijkheden hebben waar het gaat om wel erkende opleidingen zou volgens deze leden wel juist zijn, maar anderzijds een onvoldoende argument vormen om deze groep uit te sluiten. Volgens deze leden zou doorslaggevend moeten zijn dat studenten aan niet-erkende opleidingen feitelijk in dezelfde omstandigheden verkeren als andere studenten en dat het wel of niet verzekerd zijn voor de Wajong bij de aanvang van een opleiding in de praktijk geen punt van afweging mag vormen. Deze leden merken op dat daar waar het kabinet onlangs het recht op kinderbijslag voor deze studenten heeft afgeschaft, zij de bescherming van deze groep nu nog uitholt. Zij vragen zich af of dit eigenlijk nog wel redelijk is.

In antwoord hierop merk ik allereerst op dat voor de toepassing van de AAW personen als student worden beschouwd als hun voor werkzaamheden beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door of in verband met het volgen van onderwijs of van een beroepsopleiding, voor zolang zij de leeftijd van 30 jaar nog niet hebben bereikt. Dat is geregeld in het besluit van 28 april 1980, Stb. 263. In de toelichting op betreffende bepaling is gesteld dat voor wat betreft de omschrijving van het begrip student, is aangesloten bij de omschrijving van het bestaande begrip studerende in de kinderbijslagwetten. In het kader van de AAW is derhalve het gevoerde beleid ten aanzien van de kinderbijslagwetten doorvertaald naar de invulling van het begrip student in de AAW. Conform het regeerakkoord is het kinderbijslagrecht voor 18-plussers per 1 januari 1996 afgeschaft. Het betrof hier kinderbijslag voor 18-plussers die onderwijs volgen aan niet-erkende onderwijsinstellingen en aldus geen aanspraak konden maken op studiefinanciering. In verband hiermee acht het kabinet het niet gewenst om studenten, studerend aan niet erkende opleidingen onder de werking van de Wajong te brengen. Eén van de overwegingen om het recht op kinderbijslag voor 18-plussers af te schaffen vormde het feit dat het veelal onderwijs betrof ten aanzien waarvan geen kwaliteitsbewaking door of onder auspiciën van de onderwijsinspectie plaats vond. Voorts werd het onwenselijk geacht dat twee regelingen voor studerenden van 18 jaar en ouder naast elkaar zouden bestaan, namelijk de Algemene Kinderbijslagwet en de Wet op de Studiefinanciering.

Afgezien van het feit dat naar de mening van het kabinet er voor studenten reeds voldoende keuzemogelijkheden bestaan om aan een erkende onderwijsinstelling de door hen gewenste opleiding te volgen,

staat daarnaast voor nog niet erkende instellingen altijd de mogelijkheid open om een erkenning aan te vragen.

Van belang in deze is nog wel dat in artikel 75 van de Wajong is bepaald dat kinderen van 18 jaar en ouder van wie de ouders kinderbijslag ontvangen op grond van een in het kader van de Algemene Kinderbijslagwet geldende overgangsregeling, eveneens onder de werking van de Wajong vallen.

  • 3. 
    Handhaving van recht op, hoogte en duur van de arbeidsongeschiktheidsuitkering

De leden van de CDA-fractie stellen vast dat in de wachttijd van 52 weken aanspraak bestaat op kinderbijslag dan wel bijstandsuitkering ter hoogte van de kinderbijslag ter hoogte van ruim f 300,- per maand. Zij vragen of dit onder het huidige AAW-regime net zo geregeld is, en of het kabinet nu werkelijk van mening is dat zij hiermee het recht op, en de hoogte en duur van de uitkering ook voor de groep 18- tot 21-jarigen handhaaft.

Ook onder het huidige AAW-regime geldt, dat tijdens de wachttijd van 52 weken, jongeren van 18 tot 21 jaar recht op bijstand behouden. De wisseling van AAW naar Wajong leidt voor deze groep tijdens de wachttijd dus niet tot wijzigingen.

Het recht op de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt thans niet aangetast als een jonggehandicapte arbeid gaat verrichten wanneer hij een beroep doet op artikel 11 van de regeling samenloop. In artikel 12 van de regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering en inkomsten uit arbeid wordt geregeld dat de duur van de toepassing van artikel 11 in combinatie met artikel 33 AAW niet wordt beperkt tot 3 jaar. De leden van de D66-fractie en van de RPF-fractie vragen het kabinet of deze regeling onverkort gehandhaafd blijft en of deze regeling een structureel karakter kan krijgen.

In dit verband is het volgende van belang.

In het kader van de uitvoering van de motie-Leerling c.s. betreffende het zgn. Bremanproject (kamerstukken II, 1992/93, 22 800, XV, nr. 39) is op 24 december 1992 een adviesaanvrage gericht aan de Sociale Verzekeringsraad (SVr). Aan de SVr is advies gevraagd over een afwijkende anticumulatieregeling gebaseerd op het toen geldende artikel 34, derde lid, van de AAW respectievelijk artikel 45, derde lid, van de WAO. Deze afwijkende anticumulatieregeling zou moeten gelden voor degenen die behoren tot de personenkring van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) en daarnaast gaan werken met loondispensatie. Indien de anticumulatie voor de hier bedoelde personen leidt tot een totaal inkomen dat lager is dan het minimumloon, zou de anticumulatiegrens moeten worden verhoogd tot het niveau van het minimumloon. Hierdoor zou het inkomensverschil tussen enerzijds werkzaamheden in het kader van de WSW en anderzijds werkzaamheden in het vrije bedrijfsleven onder toepassing van loondispensatie voor genoemde groep worden opgeheven.

De SVr heeft in zijn vergadering van 18 maart 1993 een afwijkende anticumulatieregeling als structurele oplossing voor het geconstateerde inkomensverschil afgewezen. Wel vond een meerderheid van de Raad dat de afwijkende anticumulatieregeling een tijdelijke oplossing kon vormen in afwachting van een structurele oplossing. Gelet hierop en op het feit dat de afwijkende anticumulatieregeling niet in alle gevallen een afdoende oplossing biedt – bijvoorbeeld in gevallen waarin wel sprake is van loondispensatie maar niet van een arbeidsongeschiktheidsuitkering – is door de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een mondeling overleg op 15 september 1993 te kennen gegeven voor de korte termijn het meerderheidsadvies van de SVr te willen volgen. Dit heeft zijn neerslag gevonden in de artikelen 11 en 12 van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid. Het was – gelet op het vorenstaande – uitdrukkelijk niet de bedoeling dat de artikelen 11 en 12 (voor zover dat ziet op personen op wie artikel 11 van toepassing is) van de genoemde regeling een structureel karakter zouden krijgen. Het kabinet is dan ook van oordeel dat deze artikelen – onder technische aanpassing aan de vervanging van de AAW door de WAZ en de Wajong – onverkort gehandhaafd dienen blijven.

Gezien de vergelijkbaarheid van de mensen met een verstandelijke handicap die met de ondersteuning van een jobcoach kunnen werken en de mensen met een verstandelijke handicap die in het kader van de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW) werken zijn de leden van de fractie van D66 van mening dat voor beide groepen dezelfde rechten voor het behoud van Wajong rechten zouden moeten gelden. Met andere woorden voor beiden dient artikel 49 lid 3 van toepassing te zijn.

In antwoord hierop merk ik het volgende op. Thans is voor de door deze leden bedoelde doelgroep de samenloop van loon en arbeidsongeschiktheidsuitkering geregeld in de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met inkomsten uit arbeid. In artikel 12 van dat besluit is bepaald dat de maximale toepassingstermijn van drie jaar van de artikelen 33 van de AAW en 44 van de WAO niet geldt voor personen op wie o.a. artikel 11 van dat besluit van toepassing is. In het kader van de evaluatie van de jobcoach-regeling zal nader worden bezien of er aanleiding is genoemde doelgroep mee te nemen in bedoelde uitzonderingspositie.

De leden van de D66- en de RPF-fractie vragen het kabinet wat wordt verstaan onder «de huidige AAW-benadering» ingeval er zowel recht bestaat op Wajong- als op WAO- of WAZ-uitkering voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid.

Ingeval zowel recht bestaat op Wajong- als op WAO- of WAZ-uitkering is sprake van samenloop van uitkeringsrechten. Daarbij moet voor elke uitkering de mate van arbeidsongeschiktheid worden bepaald. De mate van arbeidsongeschiktheid wordt afgeleid van het verschil tussen het inkomen dat iemand voorheen als gezond persoon verdiende, het maatmaninkomen, en de resterende verdiencapaciteit. Bij de WAO wordt voor de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid uitgegaan van het looninkomen dat men voorheen als werknemer verdiende en de resterende verdiencapaciteit in loondienst. Bij de AAW wordt thans voor het vaststellen van de mate van arbeidsongeschiktheid het maatman-inkomen gesteld op het totale inkomen uit arbeid en wordt de resterende verdiencapaciteit bepaald op al hetgeen betrokkene met gangbare arbeid nog kan verdienen. Deze AAW-benadering zal ook in het kader van de WAZ en de Wajong worden gehanteerd. Hierdoor wordt bereikt dat qua uitkeringshoogte dezelfde uitkomst resulteert als thans het geval is. Dit past bij het uitgangspunt van het regeerakkoord dat de huidige polisvoorwaarden worden gehandhaafd.

  • 4. 
    Mogelijkheden tot arbeidsdeelname voor jonggehandicapten

De leden van de CDA-fractie constateren dat het kabinet geen sluitende aanpak heeft voor de arbeidsbemiddeling van jonggehandicapten. Jonggehandicapten en studenten zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering behoren wel tot de arbeidsbemiddelingspopulatie van de bedrijfsvereniging, maar de bedrijfsvereniging kent deze jongeren niet, tenzij deze zich zelf melden. Deze leden vragen of het kabinet niet van mening is, dat de arbeidsbemiddeling voor jongeren sluitend moet zijn.

Deze vraag interpreteer ik zo, dat deze leden vragen of het kabinet het niet wenselijk vindt dat iedere jonggehandicapte of student automatisch als bemiddelingskandidaat bekend is bij de bedrijfsvereniging. Hierop kan het volgende worden geantwoord. Het kabinet vindt een sluitende aanpak in bovengenoemde zin slechts voor die jonggehandicapten of studenten die – al dan niet op basis van uitkeringsverplichtingen – werkzoekend zijn zinvol en gewenst. Jonggehandicapte personen die niet werkzoekend zijn of zouden moeten zijn, hebben geen behoefte aan arbeidsbemiddeling en hoeven derhalve ook niet als cliënt voor de bemiddeling bij de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB) bekend te zijn. Voor werkzoekende jonggehandicapten of studenten geldt het volgende. Jonggehandicapten of studenten met een uitkering op basis van de Wajong, zullen, nu zij een uitkering krijgen van de NAB, ook automatisch bij die bedrijfsvereniging bekend zijn als te bemiddelen arbeidsgehandicapten. Hetzelfde geldt voor studenten met een uitkering ingevolge één van de werknemersverzekeringen (bekend bij de bedrijfsvereniging die de uitkering verstrekt). Arbeidsgehandicapte jongeren of studenten met een bijstandsuitkering of zonder sociale-zekerheidsuitkering, zullen, indien zij werkzoekend zijn en niet weten dat zij bij de NAB terecht kunnen, daar veelal toch komen via het arbeidsbureau of de gemeentelijke sociale dienst.

Geconcludeerd kan worden dat de door deze leden bedoelde sluitende aanpak voor werkzoekende arbeidsgehandicapte jongeren en studenten reeds bestaat, zij het dat betrokkenen zich soms eerst aan een loket zullen vervoegen dat niet kan helpen bij de arbeidsbemiddeling. Het oplossen van de zogenaamde «lokettenproblematiek» heeft in een ander kader reeds de aandacht van het kabinet. Het is een belangrijk onderdeel van de activiteiten van de Regiegroep Samenwerking Werk en Inkomen (SWI). Naar aanleiding van het in januari te verwachten eindadvies van de Regiegroep zal het kabinet in een kabinetsstandpunt zijn visie op de samenwerking en daarmee op de oplossing van de lokkettenproblematiek kenbaar maken en deze bespreken met de Kamer.

De leden van de CDA-fractie menen verder dat het probleem van chronisch arbeidsongeschikte leerlingen op een VSO-school die stage lopen nog niet voldoende is opgelost. Zij vallen slechts onder de Wajong als zij jonggehandicapt in de zin van de Wajong zijn. Deze leden menen dat, omdat deze leerlingen wel in staat zijn om te werken, zij veelal niet aan deze definitie voldoen. Zij vragen of dit betekent dat zij dan niet ingevolge de Wajong verzekerd zijn of dat zij verplicht als werknemer verzekerd zijn.

Naar aanleiding van de opmerking van deze leden dat deze stagiaires, omdat zij werken, veelal niet aan de definitie van jonggehandicapte voldoen merk ik het volgende op. Of men jonggehandicapt is of niet, wordt bepaald op grond van artikel 2 van de Wajong. Het gaat hier om arbeidsongeschikte studerenden die thans nog onder de Wet op de studiefinanciering, doch met ingang van 1 januari 1997 onder de Wet tegemoetkoming studiekosten vallen. Bovendien gaat het om voltijd-studerenden. Deze studerenden vallen derhalve onder de Wajong, los van het feit of in het kader van de opleiding nu een stage wordt vervuld of niet. Als deze studenten een stageplaats gaan vervullen doet zich het feit voor, dat men niet alleen onder de Wajong valt, maar ook is verzekerd ingevolge de ZW en de WAO. De verzekering ingevolge de ZW en de WAO houdt verband met het volgende.

Ervan uitgaande dat de overeenkomst tussen de stagewerkgever en de stagiaire geen arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is, leidt artikel 4, eerste lid, onder g, van de ZW, er toe dat de stagiaire ingevolge die wet verzekerd is, als een beloning wordt ontvangen die niet uitsluitend uit onderricht bestaat. Artikel 4, eerste lid, onder g, van de WAO, leidt tot verzekering, ook al wordt uitsluitend onderricht of zelfs geheel geen beloning ontvangen. Voor wat betreft het recht op ZW-uitkering zij nog opgemerkt dat, omdat het niet gaat om een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, bij ziekte tijdens de stage geen sprake is van loondoorbetaling op grond van artikel 1638c van het BW. Wel zal dan, op grond van artikel 29, tweede lid, onder a, van de ZW ziekengeld kunnen worden ontvangen, vooropgesteld dat aan de voorwaarde van artikel 4, eerste lid, onder g, van de ZW wordt voldaan.

  • 5. 
    Uitvoering door een bedrijfsvereniging

De leden van de fractie van D66 merken op dat de overdracht van de bemiddelingstaak van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging (NAB) naar arbeidsvoorziening vooralsnog niet plaatsvindt en dat het Lisv deze taak van de NAB tijdelijk overneemt. Daarbij vragen deze leden zich af of het Lisv het inkoopbeleid van de NAB (de lopende contracten) ten behoeve van de arbeidsbemiddeling van vroeggehandicapten en mensen met een arbeidshandicap zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering integraal zal overnemen.

In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Invoeringswet OSV 1997 (IOSV 1997) (kamerstukken II, 1996–1997, 25 047 nr. 3) is opgenomen dat het niet mogelijk is om de arbeidsbemiddelingstaak van arbeidsgehandicapte personen bij de inwerkingtreding van de nieuwe uitvoeringsorganisatie werknemersverzekeringen over te hevelen van de bedrijfsverenigingen en het FAOP naar de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Zo spoedig mogelijk zal evenwel alsnog tot de benodigde wetgeving worden overgegaan.

Het voorgaande heeft, zoals deze leden terecht stellen, tot gevolg dat het Lisv op dit punt de taak van de NAB zal overnemen.

Op basis van het wetsvoorstel IOSV 1997 (artikel 5) gaan alle vermogensbestanddelen van de bedrijfsverenigingen en dus ook die van de NAB over op het Lisv. Onderdeel van deze vermogensbestanddelen zijn de lopende contracten die de NAB heeft gesloten ten behoeve van de arbeidsbemiddeling van vroeggehandicapten en mensen met een arbeidshandicap zonder arbeidsongeschiktheidsuitkering. Dit betekent dat het Lisv het beleid van de NAB, voorzover het vastligt in de lopende contracten, integraal zal overnemen.

  • 6. 
    Overgangsrecht

De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar aanleiding van het ingezette overgangsrecht of het kabinet is afgestapt van haar uitgangspunt dat het onwenselijk zou zijn dat tot in lengte van jaren twee verschillende regimes gelden.

Ten antwoord merk ik op dat in de onderhavige voorstellen wat betreft het overgangsrecht ten gevolge van het intrekken van de AAW is gekozen voor een zodanige invulling dat bestaande uitkeringsrechten worden gehandhaafd. De leden van de fractie van GroenLinks hebben gelijk als zij vervolgens op basis van dit overgangsrecht concluderen dat het rechtszekerheidsbeginsel in deze prevaleert boven het gelijkheidsbeginsel. Voor het kabinet was bij de Pemba-voorstellen uitgangspunt dat de hoogte en duur van de uitkeringsrechten na de overgang naar het nieuwe systeem zijn gewaarborgd. Hiermee wordt recht gedaan aan de afspraken zoals opgenomen in het regeerakkoord. Dit betekent dat er geen horizonbepaling in de wetsvoorstellen is opgenomen, zodat gedurende een lange periode op onderdelen twee uitkeringsregimes naast elkaar zullen bestaan. Zou er wel een horizonbepaling zijn opgenomen dan zou aan de toezegging van handhaving van hoogte en duur van de uitkering en hiermee aan een harde voorwaarde voor de voorstellen uit het regeerakkoord geen recht zijn gedaan. Het kabinet onderkent dat dit uitvoeringstechnische consequenties heeft. De uitvoering zal groepen met oude uitkeringsrechten moeten onderscheiden van groepen met nieuwe uitkeringsrechten. Het kabinet heeft met name vanwege de uitvoeringstechnische implicaties terughoudendheid betracht bij het van toepassing verklaren van de AAW-bepalingen. Het gaat slechts om een beperkt aantal bepalingen en overigens is op betrokkene met oude uitkeringsrechten het WAZ- dan wel het Wajong-regime van toepassing. Hiermee wordt bereikt dat de uitvoeringstechnische implicaties van het afzien van een horizonbepaling zo gering mogelijk zijn terwijl tegelijkertijd de hoogte en duur van de uitkering worden gewaarborgd.

II ARTIKELEN

Artikelen5en 6

De leden van de CDA-fractie constateren dat een groot deel van de studenten wordt uitgesloten van de Wajong. Zij vragen of het kabinet kan motiveren waarom hiertoe is besloten en of deze groepen wel recht op een AAW-uitkering hadden.

De opmerking van de leden van de CDA-fractie dat «een groot deel» van de studenten van de Wajong wordt uitgesloten, kan het kabinet niet onderschrijven. In het kader van de AAW wordt onder student verstaan degene, wiens voor arbeid beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door studie. In artikel 5 van de Wajong is dit uitgangspunt vertaald in het nader benoemen van groepen studerenden voor wie een financieringsregeling geldt op grond waarvan kan worden aangenomen dat de voor arbeid beschikbare tijd grotendeels in beslag wordt genomen door studie. In dit verband zij erop gewezen dat de AAW dateert van vóór de Wet op de studiefinanciering. Het kabinet acht het gewenst dat gekomen wordt tot een adequate afstemming tussen de Wajong en de huidige studiefinanciering.

Op grond van de in de Wajong opgenomen definitie van studerenden zal het voor degenen die hun rechten op studiefinanciering hebben verbruikt evenwel niet meer mogelijk zijn om voor een uitkering in aanmerking te komen. Uitgaande van de algemene lijn in het voorliggend wetsvoorstel dat alleen dan een dekking vanuit de Wajong wordt aangeboden als de betrokkene niet in staat is geweest zelf inkomen te verdienen, wordt het niet wenselijk geacht personen in een dergelijke situatie onder de Wajong te laten vallen. Van hen kan immers worden gezegd, dat zij door de studie wel binnen die tijd af te ronden, in staat zouden zijn geweest, zelf in het inkomen te voorzien.

In dit verband zij er tenslotte op geattendeerd dat indien vanwege bijzondere omstandigheden, waaronder ziekte, een student de studie niet binnen de genormeerde tijd heeft kunnen afronden, de onderwijsinstelling de betrokken student uit het afstudeerfonds financieel kan ondersteunen. Indien van een dergelijke ondersteuning sprake is valt de betrokken student nog onder de werking van de Wajong.

Voorzover deze leden in hun vraag tevens hebben gedoeld op studenten aan een niet-erkende opleiding zij verwezen naar het antwoord op de desbetreffende vraag van leden van de fractie van GroenLinks.

Artikel 9

De leden van de D66-fractie vragen of het na de inwerkingtreding van de OSV 1997, als gevolg waarvan het Lisv de taken van de bedrijfsvereni- gingen en het Tica gaat uitvoeren, nog zo kan zijn dat door verschillende uitvoeringsinstellingen verschillende beleidsregels worden toegepast, met name ook waar het gaat om de ophoging van de Wajong-uitkering als bedoeld in artikel 9 van de Wajong, zodat een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling kan ontstaan tussen bij de bedrijfsvereniging (bedoeld is uvi) in uitkering zijnde jonggehandicapten en overige gehandicapten (WAO/WAZ).

In verband hiermee breng ik het volgende onder de aandacht van deze leden. Na inwerkingtreding van de OSV 1997 is het Lisv bevoegd beleidsregels vast te stellen met betrekking tot de toepassing van artikel 9 Wajong, artikel 22 WAO en artikel 10 WAZ. Het gaat hier om de bevoegdheid, de arbeidsongeschiktheidsuitkering, die is berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, gedurende een situatie van voorlopig blijvende hulpbehoevendheid, te verhogen tot 100% van de uitkeringsgrondslag. Deze bevoegdheid komt nadrukkelijk niet toe aan de uitvoeringsinstellingen.

In het algemeen is het Lisv bevoegd de inhoud van beleidsregels te differentiëren als dit noodzakelijk is bezien vanuit het belang dat moet worden gehecht aan regionale en of sectorale uitvoering van de sociale verzekeringswetten. Uiteraard moet daarbij het aspect van de rechtsgelijkheid de noodzakelijke aandacht krijgen. De OSV 1997 als zodanig heeft geen invloed op de bestaande mogelijkheden om de sociale verzekeringswetten gedifferentieerd uit te voeren.

De kans dat het Lisv naar regio en of sector verschillende beleidsregels zal toepassen bij het gebruik van de bevoegdheid om de arbeidsongeschiktheidsuitkering op te hogen acht het kabinet verwaarloosbaar. Het kabinet gaat er derhalve vanuit dat na de inwerkingtreding van de OSV 1997 de beleidsregels, die zullen gelden voor de ophoging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering op basis van de onderscheiden wetten, in hoge mate vergelijkbaar zullen zijn.

De leden van de fractie van GroenLinks merken op dat het te simpel is om de toeslag die sommige gehandicapten ontvangen bij de draagkracht, die een rol speelt bij huursubsidie, op te tellen. Dit, omdat die toeslag niet is bedoeld om de draagkracht te vergroten, maar om een compensatie te bieden voor het onevenredige ongemak dat de zeer zware handicap met zich brengt.

Allereerst kan worden opgemerkt dat bij de toepassing van de Wet individuele huursubsidie altijd rekening wordt gehouden met het totale belastbare inkomen. De fiscale wetgever heeft de aanvullende (doel)uitkeringen een onderdeel gemaakt van het belastbare inkomen. Voorts kan worden opgemerkt dat uitgaven wegens ziekte of invaliditeit aftrekbaar zijn, voor zover die uitgaven een drempel overschrijden. Dit leidt aldus tot een verlaging van het belastbaar inkomen en dus tot een verhoging van de huursubsidie. In dat verband wordt tot slot nog opgemerkt dat de huursubsidie in de eerste plaats een instrument vormt waarmee in de woonlast van de individuele burger wordt tegemoet gekomen en is dan ook niet bedoeld om de draagkracht van de burger in zijn algemeenheid op peil te houden. Niet ontkend kan worden dat de draagkracht van betrokkene in eerste instantie altijd wordt verhoogd als gevolg van de betreffende toeslag. Dat deze toeslag bestemd is om bepaalde kosten te dekken doet hieraan niet af.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, F. H. G. de Grave

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.