Verslag wetgevingsoverleg - Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende onder meer verlenging van de periode gedurende welke de uitkeringen ten laste van een wachtgeldfonds komen

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1997–1998

25 617

Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende onder meer verlenging van de periode gedurende welke de uitkeringen ten laste van een wachtgeldfonds komen

Nr. 8

VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG

Vastgesteld 13 november 1997

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft op 10 november 1997 overleg gevoerd met de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende onder meer verlenging van de periode gedurende welke de uitkeringen ten laste van een wachtgeldfonds komen (25 617). Van het overleg brengt de commissie bijgaand stenografisch verslag uit.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Wolters

1 Samenstelling:

Leden: Wolters (CDA), voorzitter, Van Nieuwenhoven (PvdA), Doelman-Pel (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), ondervoorzitter, Scheltema-de Nie (D66), Van Middelkoop (GPV), Schimmel (D66), Rosen-mö ller (GroenLinks), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Middel (PvdA), Van Hoof (VVD), Noorman-den Uyl (PvdA), Adelmund (PvdA), Dankers (CDA), Giskes (D66), Marijnissen (SP), Essers (VVD), Van der Stoel (VVD), Van Dijke (RPF), Bakker (D66), Klein Molekamp (VVD), Van Blerck-Woerdman (VVD) en Meyer (groep-Nijpels). Plv. leden: Terpstra (CDA), Oudkerk (PvdA), Soutendijk-van Appeldoorn (CDA), Mulder-van Dam (CDA), Sterk (PvdA), Visser-van Doorn (CDA), Van der Vlies (SGP), Fermina (D66), Rabbae (GroenLinks), Van der Ploeg (PvdA), G. de Jong (CDA), Dijksma (PvdA), M.M.H. Kamp (VVD), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Apostolou (PvdA), Heeringa (CDA), Van Boxtel (D66), J.M. de Vries (VVD), B.M. de Vries (VVD), Leerkes (Unie 55+), Van Vliet (D66), Hofstra (VVD), Hoogervorst (VVD) en Nijpels-Hezemans (groep-Nijpels).

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Van Dijk

Stenografisch verslag van een wetgevingsoverleg van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Maandag 10 november 1997 Aanvang 11.50 uur

Voorzitter: Wolters

Aanwezig zijn 8 leden der Kamer, te weten:

Wolters, Van Nieuwenhoven, Van Hoof, Biesheuvel, Meyer, Schimmel, Rosenmö ller en Van Middelkoop,

alsmede de heer De Grave, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die vergezeld is van enige ambtenaren van zijn ministerie. Van hen heeft de heer Van Loo (dir. soc. verz.) het woord gevoerd.

Aan de orde is de behandeling van: - het wetsvoorstel Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende onder meer verlenging van de periode gedurende welke de uitkeringen ten laste van een wachtgeldfonds komen (25617).

De voorzitter: Het woord is aan mevrouw Van Nieuwenhoven.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Ik zie daarvan af, voorzitter.

De voorzitter: Dan is het woord aan de heer Van Hoof.

De heer Van Hoof (VVD): Voorzitter! Deze verlenging van de wachtgeldperiode past in het kabinetsbeleid om tot een herverdeling van financiële verantwoordelijkheid te komen en prikkels neer te leggen om de schade te beperken. In dit verband gaat het om de kortdurende werkloosheid, maar die zal ongetwijfeld doorwerken naar de langdurige werkloosheid. Vanuit die optiek is het een positieve maatregel. Het zal binnen de eigen sector werken. Dat lijkt mij op zich niet zo’n probleem,

omdat het op macroniveau uiteindelijk toch positieve effecten heeft op het terugdringen van de werkloosheid. Er is, mede naar aanleiding van een stuk dat door de Koninklijke Horeca Nederland naar de staatssecretaris gestuurd is, overigens alle aanleiding om door te filosoferen over premiedifferentiatie per onderneming. Ik zal mij bedwingen, omdat er – zoals bekend – nog een onderzoek door het departement wordt uitgevoerd. Dat wachten wij dan maar af.

Als je ergens een prikkel neerlegt, moet dat ook echt een prikkel zijn. Daarvoor vraag ik toch nog even aandacht. Het bestaan van de franchise zou tot een verhoging van de premie kunnen leiden die vervolgens via het AWF weer verevend wordt in verband met de hoogte van de lastenplafonds. Ik begrijp dat die lastenplafonds door de minister beleidsmatig vastgesteld gaan worden en dat hij van jaar tot jaar zal bekijken in hoeverre aanpassingen nodig zijn. Het is mij nog steeds niet helemaal duidelijk aan de hand waarvan dat zal gaan gebeuren. Wij hebben daar in de schriftelijke voorbereiding vragen over gesteld en antwoorden gekregen. Het uitgangspunt is dat de lasten door de eigen sector worden opgebracht, dat de wachtgeldpremie structureel dekkend moet zijn en dat er geen inkomenspolitieke overwegingen een rol mogen spelen. Mijn vraag betreft de laatste zin van dat antwoord, namelijk dat de plafonds uitsluitend bedoeld zijn om in bepaalde situaties de sector de gelegenheid te geven zich in te stellen op de verlenging. Komt er dus een moment waarop de sector ingesteld is en de plafonds definitief zijn?

Ik maak mij er zorgen over dat beoogde prikkels door het spelen met die plafonds uiteindelijk weer weg verevend zullen worden. Kan de staatssecretaris garanderen dat dit niet zal gebeuren?

De heer Biesheuvel (CDA): Voorzitter! Het is jammer dat wij nog niet de definitieve gegevens over de vorige verlenging van het wachtgeldfonds hebben. De staatssecretaris heeft daarover in de schriftelijke behandeling gesteld dat de sectoren met veel seizoenwerkloosheid al maatregelen hebben genomen op basis van de eerste verlenging. De vraag is of deze verlenging van 13 weken naar een half jaar niet een ’’overkill’’ zal worden, juist voor de sectoren die met veel seizoenwerk-loosheid te maken hebben. Zij hebben de prikkel gevoeld en daarop gereageerd. Wordt deze nieuwe prikkel niet een maatje te groot? Wat zullen volgens de staatssecretaris de effecten op de mobiliteit tussen de sectoren zijn? Leidt de verlenging niet tot minder mobiliteit? Als deze premiedifferentiatie voor het wachtgeld zijn beslag heeft gekregen, wacht de staatssecretaris dan eerst de effecten daarvan af, voordat hij begint aan een discussie over de premiedifferentiatie voor de WW?

Mevrouw Schimmel (D66): Voorzitter! Als motivering voor deze operatie geeft de staatssecretaris verruiming van het belang van de financiering op sectorniveau. In de pers is wel eens gesuggereerd dat op deze manier de tekorten in het algemeen werkloosheidsfonds weggewerkt moeten worden ten koste van de overschotten in het wachtgeldfonds. Het lijkt mij prettig voor de staatssecretaris om nog eens op die kwestie in te gaan. Wij hebben vorige week een wetgevingsoverleg gevoerd met de minister van Binnenlandse Zaken over het onder de werknemersverzekeringen brengen van overheidspersoneel. Er worden daarnaar twee onderzoeken gedaan. Sociale Zaken gaat na hoever je kunt gaan met differentiatie van de premie voor de WW. Binnenlandse Zaken onderzoekt wat het effect van de financiering van werkloosheid van overheidspersoneel is op het in dienst nemen of in dienst blijven van mensen in overheidsdienstverband. Het is belangrijk om bij die twee onderzoeken rekening te houden met de vraag of er eenzelfde regime van werkloosheidsverzekering moet gelden voor de grote groep die in Nederland wordt bestreken door de marktsector en de overheidssector. Misschien heb ik er een verkeerde indruk van, maar het lijkt mij dat de twee onderzoeken nogal onafhankelijk van elkaar worden gedaan. Voor mijn fractie is het belangrijk dat de operatie van het onder de werknemersverzekeringen brengen van overheidspersoneel ook in haar totaliteit kan plaatsvinden. Per 1 januari 1998 gaat het misschien voor de WAO op, maar heel veel is toch afhankelijk gesteld van die onderzoeken. Wellicht kan de staatssecretaris het licht van Sociale Zaken erop doen schijnen in hoeverre de onderzoeken worden gecoö rdineerd vanuit die vraagstelling. Ik heb begrepen dat het LISV inmiddels het lastenplafond heeft vastgesteld en daar een sectorspecifieke correctie in heeft gebracht voor de invoering van de franchise en een uniforme correctie voor de verlenging van de wachtgeldperiode. Zoals de heer Van Hoof heeft gezegd is het de bedoeling dat de sector zich instelt op de verlenging van de wachtgeldperiode. Het beroep op het AWF zal in dezelfde orde van grootte zijn als nu bij toepassing van deze lastenplafonds. Maar dit zal toch niet het definitieve lastenplafond worden? Anders zal de verlenging van de wachtgeldperiode niet het effect scoren dat er meer premies worden gedifferentieerd op sectoraal niveau. Dit lijkt mij dus een overgangsperiode. Hoe moeten wij het lastenplafond 1998 beoordelen in het licht van een wat meer structurele situatie? Overigens snap ik nog niet hoe de verschuiving tussen het

AWF en de sectoren tot stand komt. Ik verzoek de staatssecretaris om dat uit te leggen.

De heer Meyer (groep-Nijpels): Voorzitter! Ik ben blij dat de meer technische aspecten van deze wijziging door de voorgaande sprekers zijn behandeld. De wijziging heeft tot doel om mensen zo snel mogelijk aan het werk te krijgen. Ik ben ontzettend bang, dat het in het tegendeel kan ontaarden. Er is een aantal wetten dat ertoe strekt om werklozen weer aan het werk te helpen. Werkgevers zijn helaas geen politici. Zij proberen winst te maken. Het gevolg is dat vooraf grote drempels worden opgeworpen om deze mensen weer aan het werk te krijgen. Ik vrees dat het contraproductief gaat werken. Ik noem de Wet op de medische keuringen, een goede wet, maar ze keert zich tegen de sollicitanten. De meeste werkgevers beginnen bij de poort al af te wijzen. Ik ben doodsbang, dat hetzelfde met dit wetsvoorstel zal gebeuren. De drempels worden te hoog. Kan niet worden onderzocht wat de gevolgen van het wetsvoorstel zullen zijn? Het betreft dan ook personen die niet meer worden aangenomen na die wachttijd van zes maanden. Hoe zit het met seizoenarbeiders? Enkele maanden gelden heb ik gewezen op het merkwaardige fenomeen dat Spaanse arbeiders in MiddenNederland worden aangenomen en dat de arbeidsvoorziening niet in de staat is om dat te onderkennen. De administratieve verwerking duurde zo lang dat het werk al afgelopen was.

Staatssecretaris De Grave: Voorzitter! In de memorie van toelichting staat wat de bedoeling van dit wetsvoorstel is. Ook ik heb kennis genomen van andersoortige persberichten. Het zijn natuurlijk onjuiste speculaties. Eerlijkheidshalve moet ik er wel bij zeggen dat het effect beleidsmatig niet ongewenst wordt geacht. Ik doel dan op het effect dat optreedt richting AWf/fonds.

Mevrouw Schimmel (D66): De speculaties zijn niet zo onjuist, want dit wetsvoorstel is redelijk snel na het andere wetsvoorstel ingevoerd.

Staatssecretaris De Grave: Ik dacht dat ik een net antwoord gaf. Volgens mij spreek ik mevrouw Schimmel niet helemaal tegen.

Mevrouw Schimmel (D66): Een minder net antwoord is ook wel eens leuk.

Staatssecretaris De Grave: Die discussie heeft al plaatsgevonden. Dit is een bijkomende overweging geweest. Het gaat over het beleidsmatig doortrekken van een eerder uitgesproken lijn van de kant van het kabinet. Als dit alleen maar zou zijn gedaan om rond de schuif AWF en Wachtgeldfonds iets te bereiken, dan zou het een buitengewoon moeilijk verhaal zijn geworden. Het is het doortrekken van iets, wat al door het kabinet in gang is gezet. Een bijkomend element is geweest het feit, dat na de uitspraak van de rechter in dit dossier nog iets kan worden bereikt wat algemeen zeer wenselijk wordt gevonden. Voorzitter! Het is een onderwerp dat past in een aantal voorstellen dat tot doel heeft in de sociale zekerheid te komen tot beïnvloeding van het afwegingsgedrag van werkgevers. Hoe staat het met de voor- en nadelen in de praktijk? De heer Van Hoof vraagt zich af of men bij de vaststelling van de plafonds wel op voldoende wijze zal uitgaan van de beïnvloeding door werkgevers. De heer Meyer maakt zich daarover zorgen. Voorzitter! Was het maar zo dat bij dergelijke zaken en het afwegen van regelgeving alle effecten in dezelfde richting wezen. Dat zou gemakkelijk zijn maar het is zelden zo. De vraag is steeds wat daarin je politieke en bestuurlijke afweging is. Ik constateer dat de ontwikkelingen, aangegeven in het nieuwe ZARA-rapport niet ongunstig zijn. De vele negatieve gedragsreacties die waren voorspeld, blijken toch niet of maar in zeer beperkte mate op te treden. Daarnaast zijn de voordelen, in de zin van een grotere afweging bij werkgevers over hun verantwoordelijkheid, wel degelijk aanwezig. Ik ben er dus niet negatief over maar geef de heer Meijer wel gewonnen dat steeds goed moet worden nagegaan hoe de effecten zijn.

De heer Meyer (groep-Nijpels): U spreekt nu alleen over mensen die al aan het werk zijn.

Staatssecretaris De Grave: Neen, het ZARA-werkgeverspanel gaat ook met nadruk in – mede op verzoek van mevrouw Adelmund – op de vraag of daardoor bij werkgevers gedragsreacties ontstaan zoals ze door u worden bedoeld. Mijn stelling, opgenomen in de brief die ik de Kamer heb toegezonden, is dat tot nu toe geen signalen zijn ontvangen die dit onderbouwen. Met andere woorden: men heeft wél de winst ten aanzien van bestaande werknemers vastgesteld, maar tot nu toe kan niet worden vastgesteld dat er gedragsreacties optreden die het voor nieuwe intreders veel moeilijker zouden maken. Overigens moet een en ander nog in het kader van de Wet op de medische keuringen blijken; de Kamer heeft daar unaniem voor gestemd. Verder wijs ik erop dat wij niet de indruk moeten hebben dat werkgevers maar in en uit kunnen laten stromen wat zij willen. Goed personeel zal, zo blijkt uit tal van rapporten, in de komende tien jaar dé bepalende factor zijn in concurrentieverhoudingen. Je ziet meer en meer dat werkgevers niet meer kunnen vragen wat zij willen en dat niet altijd beschikbaar is wat zij wensen. De tijd dat een werkgever kon kiezen uit tien gezonde, blanke, Hollandse jongens van 29, is écht voorbij. Er zal op een andere wijze moeten worden geoordeeld over wat er aan zittend personeel is en wat er aan aanbod komt. Wij pogen dit op allerlei manieren te beïnvloeden. De Wet op de reïntegratie is een scharnierelement in dit beleid, naast wetgeving die beoogt om ten aanzien van de verantwoordelijkheid van werkgevers voor hun personeel een juiste afweging vast te leggen. Het beantwoorden van de vraag waar in dit geheel het optimum ligt is, afgezien van politieke afwegingen, een kwestie van voortdurend beoordelen hoe het loopt. Ik vind dat het kabinet hiermee tot nu toe op een zeer verantwoorde wijze omgaat.

De heer Meyer (groep-Nijpels): Voorzitter! Ik ben het eens met de staatssecretaris dat op dit moment kabinet en Kamer hun uiterste best doen voor deze mensen, maar ik vraag aandacht voor de groep waar ook Melkert het over heeft. Dat zijn de mensen die geen enkele kans maken maar die op grond van het feit dat er nu sprake is van een andere markt, wel aan het werk komen. Op het moment dat er een omslag komt, vallen zij in een enorm gat.

Staatssecretaris De Grave: Voorzitter! De minister en ik zullen er geen verschil van mening over hebben, dat het onderwerp participatie en werk altijd op de politieke agenda zal blijven staan. Ik zal niet meemaken dat het daarvan verdwijnt. Hoezeer men zich ook inspant om mensen aan het werk te krijgen, die mensen zijn het kwetsbaarst wanneer het conjunctureel tegenzit. Dat neemt allemaal niet weg dat wij er in deze tijd in slagen om 10.000 mensen die vroeger ook in beleidsmatige zin werden afgeschreven, weer aan werk te helpen zodat zij werkervaring kunnen opdoen. Wellicht zijn zij daardoor zelf in staat om uit een uitzichtloze situatie van sociale isolatie te groeien, en hun leven in eigen hand te nemen. Nogmaals, zij zijn natuurlijk kwetsbaar op het moment dat de conjunctuur weer tegen zit. Dat moet ons er echter niet van weerhouden, alles te doen om die mensen op dit moment, bij de huidige conjunctuur, de gelegenheid te geven om te werken. De waarschuwingen van de heer Meyer hebben een andere kant: de vragen van de heer Van Hoof. Hij zegt terecht, dat het kabinet ervoor moet zorgen dat zijn bedoelingen in de praktijk worden geëffectueerd. Bij de vaststelling van het lastenplafond moet goed worden opgelet. Wij hebben in de nota naar aanleiding van het verslag heel duidelijk aangegeven, waarom wij hebben bepaald dat de vaststelling van het lastenplafond de goedkeuring van de minister behoeft. Dat past binnen de regelgeving voor ZBO’s. Er is altijd een element bij van de macrobe-leidsverantwoordelijkheid van het kabinet. Het is absoluut niet de bedoeling om die weer terug te draaien, al weet je nooit of dat in andere kabinetten weer opkomt. Als andere kabinetten slechte dingen willen doen, houd je dat toch niet tegen. Dat doen zij dan helaas. De inzet van dit kabinet is echter heel helder. Ik geloof dat het een bestuurlijk instrument is dat past binnen de regelgeving voor ZBO’s. De wijze waarop wij het willen gebruiken is vrij overtuigend aangegeven door het kabinet. De zaak moet niet uit de klauwen lopen. Het is denkbaar dat in bepaalde situaties de schok te groot is, met alle negatieve effecten van dien. Dat willen wij niet.

In de praktijk zien wij dat nu in de voorstellen van het LISV. Eigenlijk blijkt, dat ondanks de toch wel forse aanpassingen iedereen onder het plafond kan blijven, behalve de schilders. Die krijgen even de tijd om zich aan te passen. Uiteindelijk zullen ook de schilders binnen hun eigen verantwoordelijkheid opereren, waar het de samenhang tussen werkloosheid en kosten betreft. In de praktijk zal blijken hoe die functioneert. De evaluatie is natuurlijk nuttig in die zin, dat je bij een volgende stap idealiter eens even wilt weten wat de effecten van de voorgaande stap zijn geweest. In de nota naar aanleiding van het verslag is aangegeven hoe buitengemeen complex dat in dit geval juist is. De ontwikkeling van de werkgelegenheid kent zoveel exogene en endogene factoren, dat het bijna onmogelijk is om aan te geven welk element de eerste maatregel tot verlenging van de verantwoordelijkheid voor het wachtgeld met zich brengt. Je moet beleidsmatig in macrotermen blijven bekijken of het wel of niet gewenst wordt geacht.

Alle sprekers hebben erop gewezen, dat de discussie in volle hevigheid terugkomt op het moment dat het kabinet komt met zijn notities/ voorstellen over de premiedifferentiatie. Wij zijn daar volop mee bezig. Dat wij daar nog niet mee zijn gekomen, mag voor een deel van de Kamer duidelijk maken dat wij zeer zorgvuldig zijn met de prikkelende werking, die ervan moet uitgaan en waarvoor dat deel wat minder enthousiast is. Wij zijn er bepaald niet blind voor, dat er rond de prikkels ook weer andere elementen zijn. Je moet een goed evenwicht vinden. Dat neemt niet weg, dat de discussie ongetwijfeld tot politieke conclusies leidt, naar ik taxeer aan het einde van de kabinetsperiode. Er zijn verschillende interessante elementen, zoals de Kamer heeft gemerkt bij haar bezoek aan Amerika. Er zijn ook een aantal risico’s. Wij zullen vervolgens in politieke zin uiteindelijk een afweging moeten maken.

De heer Biesheuvel (CDA): U weet toch dat een aantal Kamerleden na terugkomst genezen bleken?

De heer Van Hoof (VVD): Nee, dat is niet waar.

De heer Biesheuvel (CDA): Een aantal wel, absoluut!

Staatssecretaris De Grave: Daar blijkt al uit hoe lastig dit onderwerp is. Dat de commissie in Amerika is gaan kijken, doet mij wel deugd. Dat houdt niet in, dat ik verwacht dat daarmee het verstand op nul gaat. Amerika is Nederland niet. Wij moeten altijd kijken welke goede elementen wij kunnen meenemen voor ons systeem. Wij hebben natuurlijk een ander stelsel, dus dat kan niet klakkeloos en blindelings gebeuren. Er is echter ook geen enkele reden om denigrerend te spreken over Amerikaanse toestanden en je vervolgens niet te oriënteren welke voordelen en mogelijkheden er zijn. Als er evenwicht is, leidt dat alleen maar tot winst.

Mevrouw Schimmel wees erop dat op het punt van de OOW-operatie onderzoek van BiZa en onderzoek van SZW plaatsvindt. Ik heb mij laten verzekeren dat op dit punt nauwe afstemming tussen SZW en BiZa plaatsvindt, zodat niet twee departementen opnieuw het wiel uitvinden. Het was voor mij overigens nieuw dat BiZa daarmee bezig was, maar ambtelijk wist men er alles van en was ook sprake van afstemming.

Bij de seizoenarbeiders is altijd sprake van een lastig evenwicht. Bij seizoenarbeid moet niet een sfeer bestaan dat het ideaal is en dat er voor de rest de WW is. Dat is niet de bedoeling en dat kan ook niet. Men kan niet drie maanden werken onder het mom van goed verdienen, om vervolgens negen maanden WW te hebben. Dat is geen goed systeem. Dat is ook verspilling van inzet van mensen en ook verspilling van collectieve middelen. Je ziet dat op de eerste maatregelen ook gedragsreacties komen. Schilders kijken in hoeverre de seizoensgevoeligheid kan worden verminderd. Men is er creatief mee bezig. Er is natuurlijk ook overloop naar andere sectoren, want die mensen zijn natuurlijk ook in staat om andere dingen te doen. Als iemand in staat is om zwaar werk te verrichten in de tuinbouw of in de appeloogst, houdt dat niet in dat hij niet in staat zou zijn om in andere maanden van het jaar in bepaalde delen van de samenleving zijn bijdrage te leveren. Dit wordt sterk beïnvloed en bevorderd door dit soort maatregelen. Daar moet wel een juist evenwicht in zijn. Het mag niet zo zijn dat via de WW-verantwoordelijkheid bepaalde sectoren economisch niet kunnen renderen. Vandaar ook de wachtgeld-plafonds. Wij zullen die zaak natuurlijk ook goed in de gaten houden.

Over Spaanse seizoenarbeiders zijn Kamervragen gesteld. Die worden zeer binnenkort beantwoord. Ik verwijs daarnaar, omdat daarop zorgvuldig en in alle nuances antwoord wordt gegeven.

De heer Biesheuvel (CDA): Ik had nog gevraagd of de staatssecretaris van dit voorstel een verminderde mobiliteit tussen sectoren verwacht.

Staatssecretaris De Grave: In het algemeen ben ik daar positief over. Ik verwacht dat deze maatregel ertoe zal leiden dat sectoren meer zullen letten op het voorkomen van uitval en wellicht meer contact zullen zoeken met andere sectoren om tot afstemming te komen. Dat zou bevorderlijk zijn voor mobiliteit tussen sectoren. Ik zie dus het argument wel, maar alles afwegende ben ik daar per saldo positief over, ook als het gaat om mobiliteit. Ten slotte moet ik nog een tweede nota van wijziging indienen.

De heer Van Loo: In de eerste nota van wijziging wordt in onderdeel C het maximumbedrag vervangen door een maximumpercentage. Dat had ook in onderdeel E moeten gebeuren. Dat gebeurt nu in de tweede nota van wijziging.

De voorzitter: Ik constateer dat wij thans dit wetsvoorstel voldoende hebben behandeld.

Sluiting 12.20 uur.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.