Verslag - Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende onder meer verlenging van de periode gedurende welke de uitkeringen ten laste van een wachtgeldfonds komen

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1997–1998 Nr. 134a

25 617

Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende onder meer verlenging van de periode gedurende welke de uitkeringen ten laste van een wachtgeldfonds komen

VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN

WERKGELEGENHEID1

Vastgesteld 8 december 1997

De leden van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hadden met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Dit voorstel had nog wel aanleiding gegeven tot enige opmerkingen en vragen.

De leden van de fractie van de VVD hadden sympathie voor dit wetsvoorstel. Zij voegden hier echter wel aan toe dat het een verdere stap is in de ontwikkeling dat de financiële verantwoordelijkheid komt ten laste van het bedrijfsleven (m.n. de werkgevers) terwijl de rijksoverheid steeds meer zeggenschap naar zich toe trekt. Dit bovendien zonder een grondige discussie, die de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nu eenmaal – helaas – niet met het parlement wenst te voeren. Waar blijft het – overigens in de sociale verzekeringen niet in alle consequenties door te voeren – principe dat wie betaalt bepaalt?

De aan het woord zijnde leden vonden de uitkomst van het onderscheid tussen de voorgestelde goedkeuring van het lastenplafond en de vaststelling van de wachtgeldpremie analoog aan de werkloosheids-premie wel erg subtiel. Waarom is in dit laatste geval sprake van een te grote ingreep in de beleidsvrijheid van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) en bij de goedkeuring van de werkloosheidspremie niet?

1 Samenstelling:

Van de Zandschulp (PvdA), Heijmans (VVD), (voorzitter), Gelderblom-Lankhout (D66), Jaarsma (PvdA), Rongen (CDA), Veling (GPV), Van den Broek-Laman Trip (VVD), Batenburg (AOV), J. van Leeuwen (CDA), Van den Berg (SGP), Hendriks, Hofstede (CDA), De Wit (SP), De Haze Winkelman (VVD), Zwerver (GL).

De opvatting van sociale partners «de wachtgelden zijn van ons» is zo denken deze leden door min of meer recente maatregelen achterhaald. Zij zouden graag een verhelderende uiteenzetting van de staatssecretaris zien. Dit laatste gold ook een in hun ogen tegenstrijdigheid tussen de memorie van toelichting (Kamerstukken II 1997/98, 25 617, nr. 3) en de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 1997/98, 25 617, nr. 5). In de eerste wordt in het kader van het premiebeleid gesproken over de verantwoordelijkheid van de minister voor koopkracht, lastenontwikkeling en werkgelegenheid – m.a.w. een voortzetting van het huidige (onjuiste) beleid terwijl in de laatste wordt gezegd dat bij de vaststelling van de wachtgeldlastenplafonds inkomenspolitieke overwegingen geen rol zullen spelen. Of worden inkomenspolitieke doeleinden bereikt door een «verevening» tussen wachtgeld- en werkloosheidspremies? In de nota naar aanleiding van het verslag II wordt immers gesteld dat de premie voor de wachtgeldverzekering een werkgeverspremie wordt en dat de werkloosheidspremie zodanig wordt aangepast dat op macroniveau de lasten van de beide premies fifty-fifty verdeeld blijven over werkgevers en werknemers. Tast deze opzet de bedoeling van het wetsvoorstel – de herverdeling van verantwoordelijkheden – niet aan?

De leden van de CDA-fractie hadden met veel belangstelling kennis genomen van dit wetsvoorstel.

De CDA-fractie is in zijn algemeenheid voorstander van positieve beïnvloeding van de arbeidsmarkt en heeft ook niet op voorhand bezwaar tegen een herverdeling van verantwoordelijkheden, zoals volgens de memorie van toelichting door dit wetsvoorstel wordt beoogd. Dat neemt niet weg dat er bij deze leden toch nog wat vragen gerezen waren.

Een aantal sectoren zal met relatief sterke kostenstijgingen te maken krijgen (zie ook memorie van toelichting op blz. 6). Kan de staatssecretaris aangeven welke extra druk ontstaat op arbeidsintensieve sectoren versus arbeidsextensieve sectoren?

Past het eventueel extra belasten van arbeidsintensieve bedrijven en bedrijfstakken in het werkgelegenheidsbeleid van het kabinet? De evaluatie van de verlenging van de wachtgeldperiode van 8 naar 13 weken, ingegaan per 1 januari 1996, heeft nog niet plaatsgevonden. Waarom wordt voor deze nieuwe verlenging van 13 weken naar 6 maanden niet eerst deze evaluatie afgewacht? In hoeverre houdt deze haast verband met de tekorten in het AWf?

Deze vragen klemmen temeer omdat in de memorie van toelichting op blz. 5 met zoveel woorden gezegd wordt dat dit wetsvoorstel slechts «een moeilijk kwantificeerbaar beperkt neerwaarts effect op de WW-lasten» zal hebben. Dat betekent dus dat met deze herverdeling van verantwoordelijkheden de werkloosheid niet of nauwelijks extra wordt bestreden. Tot slot vroegen deze leden in hoeverre er nog sprake is van het adagium dat de betaler bepaalt of, anders gezegd, in hoeverre kunnen sectoren de wachtgeldpremie-hoogte mede bepalen.

De leden van de PvdA-fractie hadden ten principale geen bezwaar tegen de voorgestelde verlenging van de sectorspecifieke wachtgeldperiode. Zij vonden de inhoudelijke argumentatie hiervoor in de toelichtende stukken echter wel erg mager.

Waar hier sectorenworden benoemd als drager van verdergaande premiedifferentiatie WW, hadden zij een beschouwing verwacht over de betekenis van sectororganen en het belang van sectoren als mededrager van kabinetsbeleid. Verder hadden zij meer informatie verwacht over (verschillen tussen) sectoren. De inhoudelijke argumentatie voor dit wetsvoorstel blijft huns inziens steken in een nogal abstract-theoretisch betoog.

Dat is des te opvallender, nu de voorgestelde verlenging een herhalingsoefening is (na de eerdere verlenging van 8 naar 13 weken). Een eerste aanzet tot effectmeting van de eerdere verlenging ontbreekt (nagenoeg) geheel.

De nota naar aanleiding van het verslag II stelt wel dat de eerdere verlenging van de wachtgeldperiode effectief is «in de zin dat inmiddels in een aantal sectoren werkgevers op sectorniveau tot afspraken komen om de instroom in werkloosheid terug te dringen» (Kamerstukken II 1997/98, 25 617, nr. 5, blz. 2 onderaan en blz. 3 bovenaan), maar een inventarisatie van aantallen of soort afspraken of de effecten ervan ontbreekt. Verderop worden tenslotte op blz. 7 twee voorbeelden genoemd van twee (bouw-)sectoren «die bezig zijn met plannen om door middel van het sparen van overwerkuren het beroep op WW in de winter terug te dringen». Zijn er meer sectoren met (uitgewerkte) maatregelen of plannen om het beroep op (kortdurende) WW terug te dringen, eventueel ook los van de specifieke problematiek van seizoenwerkloosheid om? Een tweede punt dat bij lezing terstond opvalt, is dat hier gekozen wordt voor sectoralepremiedifferentiatie. Eerdere wetgeving inzake eigen (werkgevers-)risico of premiedifferentiatie (Wulbz, Pemba) sloeg het sectorale niveau bewust over en koos ervoor om de individuele arbeidsorganisatie direct aan te spreken. Deze leden hadden daarom hier een grondige beschouwing verwacht waarom juist bij het werkloosheidsrisico – in tegenstelling tot het ziekte- of arbeidsongeschiktheidsrisico – de sector het meest aangewezen aangrijpingspunt voor premiedifferentiatie is. [Terzijde zij opgemerkt dat het stellen van deze vraag vooralsnog geenszins opgevat mag worden als een pleidooi voor premiedifferentiatie WW op individueel bedrijfsniveau].

De leden van de PvdA-fractie misten een beschouwing over de vraag in hoeverre sectoren sterk genoeg zijn om het gedrag van de onder hun sector vallende werkgevers effectief te kunnen beïnvloeden en welke instrumenten daarbij aan de sector ten dienste staan. Zij veronderstelden dat in goed georganiseerde sectoren, waar in overleg tussen werkgevers en werknemers gemeenschappelijke regelingen functioneren inzake scholing, arbeidsomstandigheden- en arbeidsmarktbeleid de sector wellicht een heel goede drager is voor premiedifferentiatie WW. In andere sectoren ontbreken wellicht de voorwaarden en de instrumenten om effectief om te gaan met premiedifferentiatie WW. De leden van de PvdA-fractie vroegen om een beschouwing van het kabinet hierover, liefst met voorbeelden geïllustreerd.

De leden van de PvdA-fractie hadden onvoldoende inzicht in de reikwijdte van het instrument van lastenplafonnering.

De nota naar aanleiding van het verslag II stelt dat het instrument lastenplafond «uitsluitend(cursivering door leden van de PvdA-fractie) bedoeld (is) om in bepaalde situaties een sector de gelegenheid te geven zich in te stellen op het feit dat de wachtgeldlasten van het eerste halfjaar werkloosheid volledig voor rekening van de sector komen». (blz. 7). Indien dit de enige ratio van lastenplafonnering is, dan is deze plafonnering toch een overgangsmaatregel gedurende één of enkele jaren na invoering van dit wetsvoorstel? De desbetreffende wetteksten (onderdelen C en E) bevatten echter geen horizonbepaling.

De memorie van toelichting tapt uit een ander vaatje en geeft argumenten van meer structurele aard voor lastenplafonnering. Citaat: «Lasten die voortvloeien uit een algehele periode van laagconjunctuur dan wel structurele neergang, moeten voorzover ze de draagkracht van de sector te boven gaan, verevend kunnen worden met het AWf. Het is niet de bedoeling dat de sector door te hoge wachtgeldlasten in een neerwaartse spiraal terechtkomt» (blz. 3).

Volgens de memorie van toelichting is er na 1 maart 1997 sprake van een toename van het aantal wachtgeldfondsen. Kan dit toegelicht worden? Wat is naar de mening van het kabinet het optimale aantal wachtgeldfondsen? Vormen uitzendbureaus een eigen wachtgeldfonds of wordt de kortdurende werkloosheid van uitzendkrachten toegerekend aan de sectoren van de inlenende bedrijven?

De minister deelt het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren in. Het Lisv heeft de bevoegdheid om wachtgeldfondsen in te stellen. De memorie van toelichting stelt hierover: «De indeling van het bedrijfs-en beroepsleven ten behoeve van de instelling van wachtgeldfondsen door het Lisv kan de indeling in sectoren door de minister op grond van artikel 51 van de Organisatiewet sociale verzekeringen niet doorkruisen.

Laatstbedoelde indeling is derhalve ook medebepalend voor de instelling van wachtgeldfondsen« (blz. 5).

Wat betekent hier «medebepalend»? Kunnen beide geciteerde zinnen opnieuw uitgelegd worden, waarbij de relatie tussen de ministeriële indeling en de instelling van wachtgeldfondsen precies wordt opgehelderd, zo vroegen deze leden.

In de Sociale Nota ’98 wordt op blz. 49 een korte, maar interessante passage gewijd aan een eventuele verruiming van het instrument van werktijdverkorting (WTV). Onder voorwaarden acht de SER verruiming van WTV mogelijk bij inbedding in sectoraal werkgelegenheidsbeleid, waarbij financiering primair vanuit de sector plaatsvindt. Blijkens de nota naar aanleiding van het verslag II lijkt verruiming van het WTV-instrument mogelijk per 1-1-1998. Nu deze datum wel zeer aanstaande is, verzochten de leden van de PvdA-fractie om nadere informatie hierover.

Vertrouwende dat deze vragen tijdig zullen worden beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het onderhavige wetsvoorstel voldoende voorbereid.

De voorzitter van de commissie, Heijmans

De griffier van de commissie, Heijnis

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.