Nota van wijziging - Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende invoeging van een experimenteerhoofdstuk teneide een mogelijkheid te bieden om de effectiviteit en de doelmatigheid van onderdelen van het reïntegratie- en activeringsbeleid in de praktijk vast te stellen (Wet experimenten WW)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 1998–1999

26 394

Wijziging van de Werkloosheidswet, houdende invoeging van een experimenteerhoofdstuk teneinde een mogelijkheid te bieden om de effectiviteit en de doelmatigheid van onderdelen van het reïntegratie- en activeringsbeleid in de praktijk vast te stellen (Wet experimenten WW)

Nr. 9

NOTA VAN WIJZIGING

Ontvangen 22 april 1999

Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:

1

Het in artikel I voorgestelde artikel 130 van de Werkloosheidswet wordt als volgt gewijzigd:

  • a. 
    Het derde lid komt te luiden: 3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen informeert Onze Minister elk jaar voor 1 oktober omtrent de wijze waarop dit instituut en de uitvoeringsinstellingen het volgende kalenderjaar uitvoering zullen geven aan het eerste lid.
  • b. 
    Het vijfde lid komt te luiden: 5. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald:
  • a. 
    welke instrumenten dienen te worden ingezet voor de uitvoering van het eerste lid;
  • b. 
    het aantal werknemers ten aanzien van wie werkzaamheden worden opgedragen als bedoeld in het eerste lid;
  • c. 
    dat de hoogte van de vergoeding door het Landelijk instituut sociale verzekeringen aan de uitvoeringsinstellingen ten behoeve van het laten verrichten van de werkzaamheden afhankelijk is van het resultaat van die werkzaamheden;
  • d. 
    dat Onze Minister nadere regels kan stellen omtrent onderdeel c.

2

Het in artikel I voorgestelde artikel 130c, derde lid, komt te luiden: 3. Het Landelijk instituut sociale verzekeringen informeert Onze Minister elk jaar voor 1 oktober omtrent de wijze waarop dit instituut en de uitvoeringsinstellingen het volgende kalenderjaar uitvoering zullen geven aan het eerste lid.

TOELICHTING

1a en 2

Het derde lid van de voorgestelde artikelen 130 en 130c van de Werkloosheidswet (WW) bepaalt dat het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv) jaarlijks in zijn plan van werkzaamheden vermeldt op welke wijze het uitvoering zal geven aan het eerste lid van die artikelen. De regering beoogde hiermee vooraf inzicht te verkrijgen in de mate waarin en de wijze waarop het Lisv uitvoering wenst te geven aan de sluitende aanpak en de preventieve inzet van middelen uit de wachtgeldfondsen. Gebleken is echter dat het plan van werkzaamheden van het Lisv voor dit doel onvoldoende inzicht geeft in de voor het daaropvolgende kalenderjaar voorgenomen uitvoering van de experimenten. Dit stemt niet overeen met hetgeen de regering voor ogen stond bij het opstellen van de artikelen 130, derde lid, en 130c, derde lid, van de WW. Gelet hierop ligt het in de rede de informatieverplichting op grond van die artikelen los te koppelen van het plan van werkzaamheden. Verder is het tijdstip waarop het Lisv de beoogde informatie over de voorgenomen uitvoering van de experimenten dient te verschaffen verschoven van 1 augustus naar 1 oktober. Hierdoor wordt het Lisv beter in staat gesteld de informatie te verzamelen en te ordenen.

1b

In het voorgestelde artikel 130, vijfde lid, van de WW is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur het aantal werknemers kan worden bepaald ten aanzien van wie een instrument als bedoeld in onderdeel a van dat lid dient te worden ingezet. Bij het concipiëren van betreffende algemene maatregel van bestuur, het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW, is onderkend dat deze bevoegdheid pas kan worden aangewend zodra een volledig zicht bestaat op het voor het experiment beschikbare budget. Dit budget is echter mede afhankelijk van voortschrijdende inzichten omtrent de besparingen in de uitkeringslasten als gevolg van de extra reïntegratietrajecten die in het kader van het experiment aan WW-gerechtigden worden aangeboden. Het budget kan verder worden beïnvloed door bijdragen vanuit het Europees Sociaal Fonds en vanuit fondsen die door sociale partners worden beheerd.

Voor het eerste kalenderjaar van het experiment (1999) zijn geen besparingen op de uitkeringslasten geraamd en wordt geen rekening gehouden met additionele inkomsten. De taakstelling voor het Lisv kan daarom worden gebaseerd op de voor het experiment beschikbaar gestelde rijksbijdrage van 40 mln. Voor de jaren vanaf 2000 kan op dit moment geen reële taakstelling worden geformuleerd. Door de taakstelling jaarlijks bij ministeriële regeling te laten bepalen wordt voorkomen dat het Tijdelijk besluit sluitende aanpak WW ieder jaar op dit onderwerp moet worden aangepast.

Voorts is de koppeling tussen de taakstelling en de vaststelling van de instrumenten die dienen te worden ingezet in het kader van de sluitende aanpak losgelaten. Het moet immers mogelijk zijn om wel vast te stellen voor hoeveel werkloze werknemers een reïntegratietraject in gang moet worden gezet, maar de keuze van de instrumenten over te laten aan de uitvoerende instanties.

De onderdelen c en d van het voorgestelde artikel 130, vijfde lid, WW bieden de mogelijkheid om bij algemene maatregel of ministeriële regeling te bepalen dat de hoogte van de ten laste van het geoormerkte budget uit het Algemeen werkloosheidsfonds te bekostigen vergoedingen aan de uitvoeringsinstellingen voor in te kopen reïntegratietrajecten geheel of ten dele worden gerelateerd aan het met dit traject behaalde resultaat. In het kader van de sluitende aanpak streeft het kabinet naar de introductie van vormen van resultaatfinanciering.

Het wil zo mogelijk nog dit jaar een aanzet geven aan een meer op resultaten gebaseerde vorm van financiering van de vergoedingen die de uitvoeringsinstellingen ontvangen voor de door hen in te kopen reïntegratietrajecten. In het kader van de sluitende aanpak wordt onder resultaat in beginsel gedacht aan plaatsing van een werkzoekende in een reguliere dienstbetrekking met een minimale omvang en duur. Analoog aan hetgeen hieromtrent is opgenomen in het kabinetsstandpunt inzake de Structuur uitvoering werk en inkomen (SUWI), zal de financiering van werkzaamheden gericht op de activering van in fase 4 geïndiceerde WW-gerechtigden vooralsnog niet worden gerelateerd aan een plaatsingsresultaat.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.