Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van een aantal sociale-verzekeringswetten ter verkorting van beslistermijnen bij beschikkingen op aanvraag (Wet beslistermijnen sociale verzekeringen) (27248).

De beraadslaging wordt geopend.

©

J. (Hannie) van LeeuwenMevrouw Van Leeuwen (CDA): Ondanks de duidelijke waarschuwingen van de staatssecretaris in de Tweede Kamer is in november 1999 bij de behandeling van de Veegwet SZW 1999 besloten het Besluit beslistermijnen socialeverzekerings-wetten (BBSW) na het jaar 2000 niet meer te verlengen met als exacte vervaldatum 1 januari 2001. Bij amendement is toen deze beslissing afgedwongen en dat vroeg om nieuwe wetgeving reeds per 1 januari 2001 met kortere beslistermijnen in de sociale-verzekeringswetten zelf en niet op de door de staatssecretaris gevraagde datum van 1 januari 2002. De CDA-fractie betreurt dit in hoge mate en voelt zich dan ook met de rug tegen de muur gezet. Het steekt dan bovendien dat de Tweede Kamer bij de behandeling van het gevraagde wetsvoorstel niet zodanige spoed heeft betracht dat ook in dit huis een adequate behandeling mogelijk is. Genoeg gezegd over de procedure, maar het moest wel worden gezegd, omdat de inhoud van het voorliggende wetsvoorstel geenszins het afdoen als een hamerstuk rechtvaardigt. Vandaar nog deze weliswaar korte, plenaire behandeling.

Ook de CDA-fractie hecht uiteraard aan zo kort mogelijke beslistermijnen in het kader van de sociale-zekerheidswetgeving. Hiermede zijn uiteindelijk alle partijen gediend. Meer nog staan voor ons echter de duidelijkheid en de zorgvuldigheid centraal, want als de beslistermijnen niet of nauwelijks kunnen worden gehaald, dan zijn noch de uitvoeringsorganisaties noch de cliënt – en deze bepaald niet in de laatste plaats – hiermede gediend. Integendeel, dan wordt slechts het tegendeel bereikt: ongemotiveerde werknemers in de uitvoeringsorganisaties en teleurgestelde cliënten. Bovendien is het noodzakelijk, dat de beslissingen – mede gelet op eventuele beroepsprocedures – goed worden gemotiveerd. En de vraag is juist nu of de voorliggende voorstellen in dit opzicht wel de toets der kritiek kunnen doorstaan. Niet alleen de Raad van State, maar ook het toezichtsorgaan – het CTSV – hebben immers met argumenten onderbouwd voor een ander systeem geopteerd. In feite kiest de staatssecretaris nu echter voor een gemengd systeem, namelijk een systeem van vaste termijnen, variërend binnen de redelijke termijn (bijvoorbeeld van twee tot vier weken) maar evenzeer ook langer en hiernaast ook de redelijke termijn van maximaal acht weken met de mogelijkheid van een niet aan een tijdsduur gebonden verlenging. Terecht wijst het CTSV erop, dat vaste termijnen de duidelijkheid, maar ook de rechtszekerheid ten goede komen, zowel voor de betrokken aanvragers als voor de betrokken uitvoeringsorganisaties. Ook de rol van de toezichthouder, die toch moet oordelen over recht- en doelmatigheid van de wijze, waarop uitvoeringsorganisaties aanvragen afhandelen, kan dan beter worden uitgeoefend. Op dit argument is onzes inziens onvoldoende ingegaan. Wil de staatssecretaris dit alsnog doen?

Voeg daar dan nog bij, dat het gebruik van de ’’redelijke termijn’’ – toch min of meer een vangnet – nu blijkbaar uitgangspunt is geworden en dan in wezen nog op een vaste gemaximeerde termijn van acht weken, dan is toch de conclusie gerechtvaardigd dat de staatssecretaris zich toch in alle denkbare bochten heeft gewrongen om aan de wensen van de Tweede Kamer nog zoveel mogelijk tegemoet te komen. De CDA-fractie maakt zich dan ook zorgen of dit wetsontwerp wel de noodzakelijke duidelijkheid en zorgvuldigheid kan teweegbrengen.

In het wetsvoorstel valt voorts een duidelijk onderscheid te constateren tussen de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen. Bij de volksverzekeringen worden, met uitzondering van de buitenland-gevallen, alle beslistermijnen teruggebracht tot de redelijke termijn. Dat wil dus zeggen dat op de nationale gevallen binnen de redelijke termijn van acht weken dient te zijn beslist. Toch is het ons opgevallen dat in het artikelsgewijze commentaar van de Sociale verzekeringsbank wordt opgemerkt, dat in het kader van de AOW en de ANW ’’in ruim driekwart van de nationale gevallen dit metterdaad het geval is’’. Dat betekent dan toch dat in 20 tot 25% van de gevallen – hoeveel zijn er dat er jaarlijks? – de redelijke termijn naar de situatie van vandaag wordt overschreden. Bij de AKW ligt het percentage van beslissingen binnen de acht weken hoger, namelijk op 93. Overigens noemt de staatssecretaris in de stukken voor de AOW en de ANW andere, dat wil zeggen hogere, percentages.

Onze vraag is nu, mijnheer de voorzitter, of de staatssecretaris er stilzwijgend van uitgaat dat bij die 20 tot 25% en bij die 7% er altijd sprake zal zijn van een verlenging, soms zelfs van langer dan acht weken. Dit laatste uiteraard in het geval dat een onderzoek naar de rechtsfeiten dit rechtvaardigt. Hoezeer de CDA-fractie ook overtuigd is van de zorgvuldigheid waarmee met name de Sociale verzekeringsbank in het algemeen acteert, ook met betrekking tot de beslistermijnen voor de volksverzekeringen, dit tendeert voor de CDA-fractie toch naar het volgen van het advies van de Raad van State, hoezeer dit ook thans door de feitelijke gang van zaken onmogelijk is geworden.

Gaat de staatssecretaris er daarentegen van uit dat het percentage van 20 tot 25 nog aanzienlijk moet worden teruggedrongen, dan vraagt de CDA-fractie zich af of dit technisch mogelijk is. Het overschrijden van de termijnen hangt in veel gevallen nauw samen met het ontbreken van de noodzakelijke informatie. Daarmee mag toch niet de hand worden gelicht? Kortom, wij zijn benieuwd naar de uitleg van de staatssecretaris in deze.

Met betrekking tot de werknemersverzekeringen is er sprake van een nog veel warriger beeld. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt op pagina 7 gesteld, dat een groot aantal beslistermijnen, van nu dertien weken, wordt verkort tot de redelijke termijn. Hier lijkt toch sprake te zijn van een al te optimistische voorstelling van zaken. Ik heb slechts een beperkt aantal bekortingen kunnen ontdekken en onderschrijf de passage op pagina 4 van de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer, dat een aanzienlijk aantal beslistermijnen, ondanks de wens tot verkorting, voorlopig toch op langer dan de redelijke termijn wordt gesteld.

Dit alles kan overigens en uiteraard niet los worden gezien van de SUWI-operatie, waardoor de uitvoering van de werknemers- verzekeringen over een aantal jaren ingrijpend wordt gewijzigd. Terecht wordt door de staatssecretaris gesteld dat alle beslistermijnen dan opnieuw moeten worden bezien en dat er bovendien nieuwe beslistermijnen zullen moeten worden geregeld. Arme cliënt! Juist vanwege de praktisch haalbare termijnen – de nieuwe termijnen zullen anders ongewenste gevolgen hebben – wordt hij of zij nu met een ratjetoe van termijnen geconfronteerd. En voor hoe lang? Heet dat klantvriendelijkheid?

Uit de diverse stukken heeft de CDA-fractie nogmaals bevestigd gekregen, mijnheer de voorzitter, dat zelfs de huidige werkelijke termijnen nog steeds de wettelijke overschrijden. Juist daar waar het van het grootste belang is snelheid te betrachten – bijvoorbeeld bij arbeidsongeschiktheid en reïntegratie – kunnen de uitvoeringsorganisaties een verkorting van de termijnen nog steeds niet waarmaken. Al vele malen heeft de CDA-fractie op deze zorgelijke situatie gewezen. De signalen zijn duidelijk: er is nog steeds geen keer ten goede. Lees de rapporten van het LISV en het CTSV, maar ook pagina 18 van de nota naar aanleiding van het verslag; dat geeft toch wel een onthutsend beeld te zien. Hoezeer ook de vele reorganisaties, waar onder de SUWI-operatie, als verontschuldiging kunnen worden aangevoerd – overigens is de politiek daar mede voor verantwoordelijk – daarmee kan de wetgever niet volstaan. Anders komt het beleid met betrekking tot snelle reïntegratie om de WAO-instroom te beperken, eveneens in de lucht te hangen. In dit kader rijst dan ook de vraag of de stellingname van de staatssecretaris op pagina 3 van de nota naar aanleiding van het verslag aan de Tweede Kamer houdbaar is. Hij zegt daar: ’’Ik vind dat het LISV en de UVI’s de komende tijd alle zeilen moeten bijzetten om de bestaande termijnen, die ik in dit wetsvoorstel uit het BBSW heb overgenomen, alsnog te halen.’’ Welke stok achter de deur heeft de staatssecretaris nu in feite?

Tegen de achtergrond van de door de uitvoeringsorganisaties aangevoerd knelpunten, nog los van de SUWI-operatie, vreest de CDA-fractie hier toch wel moeilijkheden. Het tekort aan verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen wordt bijvoorbeeld zeker de eerste jaren nog onvoldoende ingelopen. Het wetsvoorstel over het zogeheten poortwachtersmodel moet nog worden ingediend en de behandeling hiervan in beide Kamers zal ongetwijfeld ook de nodige tijd vergen. Kortom, de twijfel bij de CDA-fractie blijft vooralsnog bestaan, zeker ook gelet op de diverse rapportages over de tijdigheid. Wij moeten echter ook constateren dat er grote verschillen zijn tussen de UVI’s.

Vanwege die twijfel heeft de CDA-fractie het advies van de Raad van State met meer dan gewone belangstelling bestudeerd. Het gaat hier om het advies om vooralsnog niet tot verkorting van de wettelijke beslistermijnen over te gaan, maar het systeem van de belastingdienst over te nemen. De CDA-fractie wil graag toegeven dat de door de staatssecretaris hiertegen aangevoerde uitvoeringstechnische bezwaren, namelijk die van de dubbele registratie en die van de moeilijker aansturing, bepaald wel hout snijden. Wel roept dit van de weeromstuit de vraag op of, als over enige jaren een met de belastingdienst vergelijkbare situatie is ontstaan, te weten een grotere invloed van de bewindslieden en één uitvoeringsorganisatie, de staatssecretaris dan alsnog overname van het systeem van de belastingdienst zal overwegen.

Met het aangevoerde inhoudelijke argument hebben wij aanzienlijk meer moeite. Het is juist dat de cliënt pas bezwaar en beroep kan aantekenen, als de wettelijke termijn is verstreken, ook als de interne streeftermijn is gehaald. Bij kortere wettelijke beslistermijnen – die moeten echter voortdurend verlengd worden – treedt evenzeer een voor de cliënt onbevredigende situatie op. Weliswaar is er dan de mogelijkheid om na het verstrijken van de redelijke termijn bezwaar en beroep aan te tekenen, maar daar staat de onzekerheid bij verlenging tegenover. Waar het echter in het advies van de Raad van State vooral om gaat, is dat een grotere discrepantie tussen wettelijke en werkelijke termijn leidt tot het negeren in de praktijk van de gestelde termijnen dan wel tot een onzorgvuldige besluitvorming die in rechte geen stand houdt. Een overheid die termijnen met voeten laat treden, ondermijnt haar gezag en verliest haar betrouwbaarheid. De praktijk van de laatste jaren heeft vooral dat eerste argument maar al te zeer bewezen. De staatssecretaris weet dat ook. De CDA-fractie verwacht dan ook serieuze aandacht voor de geschetste problematiek.

In dit kader noem ik ten slotte nog een punt. De aanvankelijk beoogde bekorting van de termijn voor een beschikking over de verzekeringsplicht van 13 naar 8 weken heeft uiteindelijk toch geen vertaling gekregen in het wetsvoorstel, mede gelet op de bezwaren uit de kringen van de uitvoeringsorganisaties. Deze termijn zou namelijk uiterst moeilijk haalbaar zijn. Daarmee is het echte probleem echter niet opgelost, maar is het voorlopig vooruitgeschoven. De echte vraag is hoe lang het nog kan duren, eer de harmonisatie van ondernemersbegrippen een feit zal zijn geworden. Wat dat betreft, zijn wij na lezing van de brief van 16 mei 2000 in het kader van het project Marktwerking, deregulering en wetgevingskwaliteiten benieuwd naar de feitelijke stand van zaken op dit moment. In deze brief wordt immers door het kabinet een reactie gegeven op de bevindingen van de werkgroep Harmonisatie ondernemers- en zelfstandigenbegrip. Zal het inderdaad mogelijk zijn om aan de hand van de aanbevelingen van deze werkgroep over enkele jaren een substantiële vooruitgang in dit opzicht te hebben geboekt?

Uiteraard heeft de CDA-fractie eveneens kennisgenomen van de brief van 22 november jongstleden aan de Tweede Kamer over sancties ofwel schadevergoedingen. In die brief wordt verwezen naar de notitie Termijnen voor bestuur en rechter. De CDA-fractie kan zich voorstellen dat het verstrekken van schadevergoedingen bij te laat beslissen door de uitvoeringsorganisaties vragen van principiële aard oproept, maar dat betekent toch niet dat een standpunt in dezen maar steeds moet worden opgeschoven? Dat komt het rechtsgevoel niet ten goede. Bovendien wekt een softe aanpak ook de indruk dat de wetgever twijfelt aan de haalbaarheid van de nu op te leggen termijnen. In Publieke Zaken van december 2000 wijst de Nationale ombudsman erop dat het kabinet zich er in genoemde notitie – de staatssecretaris beroept zich daarop – wel erg gemakkelijk vanaf maakt, ten detrimente van de burger. De wetgever gaat gemakkelijk vrijuit. De uitvoeringsorganisaties sociale verzekeringen behoeven zich blijkbaar niet aan termijnen te houden, maar de burger wordt met allerlei maatregelen, sancties en boeten geconfronteerd.

De beslissing moet dus niet overhaast worden genomen, maar wel zo spoedig mogelijk. Daar gaat het om. Dat neemt niet weg dat de CDA-fractie de twee bezwaren tegen het geven van schadevergoeding die nu reeds worden aangegeven, vooralsnog niet deelt, zeker niet waar het de inzet van personeel betreft. In het niet beschikbaar zijn van personeel kan en mag geen argument worden gevonden om een op zichzelf noodzakelijke beslissing niet te nemen.

Ik kom aan het slot van mijn betoog. Mijn collega Jaarsma heeft namens de PvdA-fractie, later overgenomen door de gehele commissie, een interessante problematiek aangekaart over de mogelijkheden van een particuliere verzekeringsmaatschappij om bij overschrijding van de beslistermijnen de geleden uitkeringsschade via de rechter terug te vorderen. Mijn fractie is benieuwd wat de staatssecretaris daarop zal antwoorden.

©

R.Ch. (Ruud)  HessingDe heer Hessing (D66): Voorzitter! Het voorliggende wetsvoorstel beslistermijnen sociale verzekeringen is op 22 juli van dit jaar aangeboden aan de Tweede Kamer. Op 23 november jongstleden is het aangeboden aan de Eerste Kamer. De staatssecretaris heeft haast met het wetsvoorstel. De vraag is waarom hij het niet eerder heeft ingediend. Het desbetreffende amendement uit de Tweede Kamer dat bij de behandeling van de Veegwet Sociale Zaken en Werkgelegenheid 1999 is aangenomen, dateert immers van 23 november 1999. Dan is 22 juli 2000 wellicht een beetje aan de late kant. Aan het overleg met de SVB, het LISV en de uitvoeringsinstellingen kan het niet hebben gelegen, want dat overleg verliep volgens de memorie van toelichting in een constructieve sfeer. Gaarne een reactie van de staatssecretaris. Voor de volledigheid moet hier wel aan worden toegevoegd dat de Tweede Kamer de nodige tijd voor de behandeling heeft genomen, want het verslag is pas op 10 oktober jongstleden opgesteld. Dat resulteert voor deze Kamer per saldo in een heel korte beoordelingstijd.

Los daarvan is mijn fractie niet geheel overtuigd van de haast die is geboden. Zeker, het Besluit beslistermijnen sociale verzekeringen vervalt op 1 januari aanstaande, maar zonder een nadere regeling zullen de vangnetbepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht automatisch per 1 januari van toepassing zijn. Dat betekent dat alle betrokken instellingen hun beschikking binnen redelijke termijn zullen moeten afgeven: maximaal acht weken, met een verlengingsmogelijkheid met een redelijke termijn, indien niet binnen die acht weken kan worden beschikt.

Er ontstaan formeel gezien in het geheel geen problemen op 1 januari aanstaande als deze wet niet zou worden aangenomen. Wel doemen er voor het LISV en de UVI’s praktische problemen op, omdat deze instellingen in veel gevallen niet in staat zijn binnen acht weken een beschikking af te geven. Stel nu dat deze wet niet op 1 januari aanstaande zou kunnen ingaan, maar bijvoorbeeld pas op 1 maart. Dan zou er in de periode van 1 januari tot 1 maart niet adequaat kunnen worden gereageerd. Dan zouden de uitvoeringsinstellingen verlengingsbriefjes moeten sturen. Dat zou wellicht een punt zijn met het oog op de rechtszekerheid, maar de UVI’s worden dan nog eens met de neus op de feiten gedrukt, in die zin dat het afgeven van beschikkingen gewoon te lang duurt.

Als het om feiten gaat, dan blijkt dat de UVI’s die niet op een rijtje hebben. In de memorie van antwoord aan deze Kamer geeft de staatssecretaris aan dat over de feitelijk door de UVI’s gehaalde termijnen helaas zeer weinig harde cijfers beschikbaar zijn. Heeft de staatssecretaris wellicht een indicatie van de termijnen, waarbinnen thans door de UVI’s beschikkingen worden afgegeven? Op basis van welke gegevens precies heeft de staatssecretaris ervoor gekozen in het voorliggende wetsvoorstel een termijn van dertien weken aan te houden voor de WAZ, de Wajong, de WAO en de Wet REA? Waarop baseert hij deze grens? Moet die termijn niet langer zijn? De kern van het voorstel is immers aansluiting te zoeken bij reële termijnen, maar dan moet wel bekend zijn om welke termijnen het gaat. En geeft deze onzekerheid niet aan dat het beter zou zijn geweest om meer tijd te nemen voor een definitieve termijnstelling: liever één keer goed, dan twee keer half?!

En de voor de hand liggende vraag aan de staatssecretaris is of hij kan aangeven op welk moment de UVI’s deze vrij essentiële gegevens – het gaat hier immers om de ’’core business’’ – dan wél kunnen aanleveren. Mijn fractie neemt aan dat die gegevens snel boven tafel komen, want in de memorie van antwoord is aangegeven dat het LISV ernaar streeft om op 1 juli 2001 zover te zijn dat 90% van de einde wachttijdbeoordelingen tijdig wordt verricht. Op 1 januari 2002 dient maar liefst 90% van alle arbeidsonge-schiktheidskeuringen tijdig plaats te vinden.

En vindt de staatssecretaris het overigens niet merkwaardig dat hij pas naar aanleiding van dit wetsvoorstel aan het LISV gaat vragen om een aanmerkelijke verbetering in de levering van de tijdigheidscijfers door de UVI’s? Was er dan geen aanleiding om eerder een beter beeld te hebben van de prestaties van de UVI’s?

Voorzitter! Dan nog het punt van de sancties. Voor aanvragers gelden wél sancties wanneer termijnen niet worden gehaald, maar voor de instellingen geldt dat niet. Net als de Belastingdienst wordt er bij te late besluitvorming louter rente vergoed. Leuker kan men het blijkbaar ook niet maken op het terrein van de sociale zekerheid. Mijn fractie vindt dit een mager uitgangspunt. Het wel of niet recht hebben op bijvoorbeeld een WAO-uitkering is in veel gevallen wel iets anders dan geld terugkrijgen van de Belastingdienst. De huidige wijze van werken legt geen enkele druk op de uitvoeringsinstellingen om een uiterste inspanning te leveren om wél tijdig een beslissing af te geven.

In de memorie van antwoord aan deze Kamer heeft de staatssecretaris een wel heel bijzonder argument ingezet om zich af te zetten tegen schadevergoedingen. Mevrouw Van Leeuwen sprak daar ook over. De staatssecretaris geeft aan dat voor het uitbetalen van schadevergoedingen personeel ingezet moet worden, dat zich dan niet meer bezig kan houden met het werk waar het eigenlijk om gaat: tijdig beschikken. Dat is een testimonium paupertatis. Het kan niet, want wij hebben er de mensen niet voor! Het mag duidelijk zijn dat mijn fractie door dit argument geenszins overtuigd is van de onmogelijkheid om schadevergoedingen uit te keren, integendeel. Mijn fractie zou het argument eigenlijk willen omkeren: mag uit deze stellingname worden afgeleid dat de staatssecretaris op zich wél voorstander is van sancties, mits de uitvoeringsinstellingen voldoende zijn toegerust om deze taak op te pakken? En als deze vraag bevestigend beantwoord wordt, is de staatssecretaris dan bereid om te bezien wat er precies nodig is om het daarheen te leiden?

Ten slotte, voorzitter, het betalen van rente is nog geen automatisme, dat gebeurt alleen op aanvraag. De staatssecretaris wil nog bezien of wellicht rente ambtshalve verstrekt kan worden, mits dit uitvoeringstechnisch en financieel verantwoord is. Als het probleem klaarblijkelijk uitvoeringstechnisch is, dan heeft mijn fractie er een hard hoofd in dat dit gaat lukken. Want ook hier geldt het argument van de staatssecretaris: er moet personeel ingezet worden om de rente te gaan uitkeren en dat personeel kan zich dan niet meer bezighouden met het werk waarom het eigenlijk gaat: tijdig beschikken. Kan de staatssecretaris niet gewoon toezeggen dat hij rentebetalingen gaat invoeren?

©

M.F. (Ria)  JaarsmaMevrouw Jaarsma (PvdA): Mijnheer de voorzitter! Mijn bijdrage bestaat uit twee onderdelen: één namens de PvdA-fractie en een andere namens de gehele commissie voor SZW. Ik begin met de inbreng van de PvdA-fractie.

Voorzitter! Toen ik vorige week mijn ANW-inkomensmutatieformulier voor de SVB invulde, zag ik dat de boete voor het niet tijdig doorgeven van inlichtingen was verhoogd tot minimaal ƒ 300. Vorige week sprak ik ook een collega-weduwe die af en toe als onderwijsgevende invalt en die als gevolg daarvan wisselende inkomsten heeft. Zij was er nog niet in geslaagd de afrekening van de SVB over het éérste halfjaar 2000 te krijgen. Ze overweegt nu maar te stoppen als invaller in het onderwijs, hetgeen de bewindslieden van OCW ongetwijfeld niet zullen toejuichen. Het merkwaardige is dat er voor de SVB geen enkele sanctie staat op het verzuimen dat te doen wat men moet doen.

Voorzitter! De werkelijkheid binnen de uitvoering van de sociale zekerheid is een heel andere dan dit wetsvoorstel suggereert. De Raad van State adviseerde de wet aan de werkelijkheid aan te passen. Mijn fractie is het met de staatssecretaris eens dat de uitvoeringswerkelijkheid zich aan de wet dient aan te passen. De vraag is echter: hoe?

Het kabinet wil geen sancties op overschrijding van de termijnen. Ik heb gevraagd of dat moet worden geïnterpreteerd als een onwaarschijnlijk hoog vertrouwen in de maakbaarheid van de samenleving door middel van wetgeving. Die vraag is niet beantwoord. Vermoedelijk omdat deze werd gerangschikt in de categorie ironie of, erger nog, cynisme. Maar ik bedoel het wel degelijk serieus. Hoe denkt het kabinet met name de UVI’s en straks de UWV – die geloof ik intussen anders heet, maar dat weet ik niet zeker – te dwingen tot wetsconforme uitvoering? Wat hebben wij immers aan een wet die slechts op papier bij de letter blijft en overtredingen onbestraft laat, zodat er geen enkele prikkel voor prestatieverbetering is?

Dat het intussen hoogst noodzakelijk is, de besluitvaardigheid van de UVI’s aan te passen aan de urgentie van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek, lijkt zo langzamerhand zonneklaar. De vele verhalen van gedeeltelijk arbeidsongeschikten die dolgraag willen werken, maar die maanden van het kastje naar de muur worden gestuurd, geven dat aan. Wij konden ze lezen in de verslagen van de aan de overzijde gehouden hoorzittingen, en vorige week nog in de Volkskrant. Dat is natuurlijk buitengewoon kwalijk. Van een kabinet dat, terecht, hoge prioriteit zegt te geven aan het beheersbaar maken van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek, mogen de burger en zeker de direct betrokkene verwachten dat het reïntegratie-instrumentarium snel bereikbaar is. En dat is nu niet zo. Ook het LISV-rapport ’’Na REA een verbetering in de reïntegratie?’’ – en daar staat terecht een vraagteken achter – wijst in de richting van onderbenutting van het REAinstrumentarium. Ik vind het overigens verbazingwekkend dat volgens de memorie van antwoord wel breed bekend is dat de huidige beslistermijnen niet gehaald worden,

maar dat harde cijfers ontbreken. Hoezo, toezicht op de uitvoering?

Wij vinden dat er op korte termijn aanzienlijke verbeteringen moeten komen. Waarom is eigenlijk de suggestie van de PvdA-fractie in de Tweede Kamer, namelijk dat aanvragen op grond van de Wet REA van rechtswege geacht worden te zijn gehonoreerd op het moment dat de beslistermijn is overschreden, niet gevolgd? Je gelooft in een wet of je gelooft er niet in. Als het eerste het geval is – en dat neem ik aan – dan lijkt die suggestie geen enkel probleem op te leveren.

Vooral tijdens het eerste ziektewetjaar zijn snelle acties geboden ter voorkoming van instroom in de WAO. Vertraging van beslissingen over de inzet van REA-instrumenten kan dan geheel verkeerd uitpakken. Waarom wordt niet de ’’ja, tenzij’’-methode toegepast? De werkgever stuurt een aanvraag in voor een REA-subsidie of een arbeids-gehandicaptentoets; hij ontvangt per omgaande een ontvangstbevestiging en wanneer niet binnen de daarop genoemde datum – dus acht of dertien weken later – een beslissing wordt genomen, kan de werkgever ervan uitgaan dat een en ander akkoord is.

De Tweede Kamer heeft ons klemgezet door de verlenging van het BBSV te blokkeren. Het wetsvoorstel zullen wij derhalve steunen, gegeven het feit dat verwerping leidt tot nodeloze papierwinkels bij het LISV en UVI’s, maar blij zijn wij er absoluut niet mee. Tot zover de inbreng namens de PvdA-fractie.

De commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in het verlengde van dit wetsvoorstel nog van gedachten gewisseld over de volgende stellingname in de memorie van antwoord: ’’De discussie over het verstrekken van schadevergoedingen bij te laat beslissen is naar mijn mening van zo principiële aard, dat deze in het kader van het gehele bestuursrecht en met afweging van alle voor- en nadelen moet worden gevoerd.’’ Daarvoor zouden de notitie ’’Termijnen voor bestuur en rechter’’ of de vierde tranche Algemene wet bestuursrecht de juiste aanknopingspunten bieden. De commissie vraagt zich af of door de gedeeltelijke privatisering van de sociale zekerheid geen specifieke situatie ontstaat die een specifieke benadering vergt. In het private domein vinden wij rond de werkgever en werknemer de Arbo-diensten, reïntegratiebedrijven en verzekeraars. Het publieke domein, de A-poten van de huidige UVI’s en straks de mega-ZBO, beschikt over het REA-instrumentarium. Daartoe beperk ik mij even.

Ik geef twee voorbeelden van de verwevenheid die ontstaat. Werkgever A heeft zijn ziekterisico verzekerd bij een private verzekeringsmaatschappij. Werknemer B valt uit en is enige tijd ziek. De Arbo-dienst adviseert een REA-voorziening waarmee werknemer B weer kan werken. De werkgever vraagt de voorziening bij de UVI aan. Er kunnen nu drie dingen gebeuren. De werkgever doet niets en wacht op de beslissing. Daarop moet hij lang wachten, want de beslistermijnen worden niet gehaald. A lijdt dus schade. Hij moet B onnodig lang ziekengeld betalen. Hij lijdt verder productieverlies of wordt geconfronteerd met overspannen werknemers. Hij kan ook tijdelijk een uitzendkracht nemen, wat de schade alleen maar groter maakt. De tweede mogelijkheid is dat de werkgever de voorziening voorschiet. Hij lijdt dan minder schade, maar blijft in het onzekere over de beslissing van de UVI. De wettelijke rente is dan wel een erg schrale troost. Dat is ook een beetje vreemd als je bedenkt dat dezelfde werkgever premie betaalt voor de REA, die immers wordt gefinancierd via de PEMBA.

De derde mogelijkheid is dat de particuliere verzekeraar de voorziening voorschiet. De werkgever is dan beter af, maar de verzekeraar verkeert in het ongewisse of de beslissing positief uitvalt. Zo niet, dan zal de bezwaar- en beroepsprocedure moeten worden gevolgd. Als dat op grote schaal voorkomt, zal de premie van de ziekterisicoverzekeringen nog een eind verder stijgen dan nu al het geval is, wat de schade voor de werkgever eveneens vergroot.

Het tweede voorbeeld. Werknemer X is gedeeltelijk arbeidsongeschikt. Hij is via de veiling van zijn UVI uitverkoren om te worden gereïnte-greerd door een privaat reïntegratie-bedrijf. Dat vindt een werkgever die bereid is betrokkene te plaatsen, maar dat is alleen maar mogelijk met de REA-voorziening. Als de beslistermijn van de UVI maar duurt en duurt, wacht de werkgever in spe een paar weken en neemt dan een ander aan, want wachten betekent productieverlies. Deze werkgever zal de voorziening in het algemeen niet zelf voorschieten. De variant dat de verzekeraar voorfinanciert, is helaas onmogelijk, want de nieuwe kracht valt niet onder de ziekterisicopolis. De zaak gaat dus niet door. Dat levert economische schade op voor het reïntegratiebedrijf, dat per gerealiseerde plaatsing wordt betaald en zich op een nieuwe markt moet handhaven. Dat levert ook menselijke en maatschappelijke schade op. De arbeidsgehandicapte wordt niet geplaatst als gevolg van de treuzelende besluitvorming in de publieke sfeer.

Er zijn talloze voorbeelden te geven. In mijn bijdrage aan de schriftelijke voorbereiding noemde ik de zelfstandigen al. Duidelijk mag zijn dat er schade wordt geleden in de private sector, als de publieke sector disfunctioneert. Dat geldt niet alleen voor de Wet REA, maar ook bij het vertragen van WAO-keuringen, die niet bij einde wachttijd plaatsvinden, maar maanden later. Ook daardoor lijdt de werkgever schade in de vorm van de verhoging van de PEMBA-premie.

Voorzitter: Korthals Altes

Mevrouw Jaarsma (PvdA): Terwijl vroeger de schade uit vertraagde beslissingen in het collectieve domein bleef, treedt de schade nu direct en indirect in het private domein op. Voorheen behoorden geschillen derhalve ondubbelzinnig tot het gebied van het bestuursrecht. Het is voor ons de vraag of dit in de nieuwe constellatie onverkort zo blijft en of er geen mogelijkheden zijn schadevergoeding te eisen via het privaatrecht. De overheid heeft immers gekozen voor meer verantwoordelijkheden bij werkgevers en werknemers en het gedeeltelijk privatiseren van de uitvoering. Als diezelfde overheid via de ZBO faalt in haar deel van het uitvoeringstraject en daardoor schade veroorzaakt in het private domein, lijkt het mij dat zij ook verantwoordelijk kan worden gesteld voor de schade. De commissie denkt dat het goed is om een helder en beargumenteerd antwoord op die vraag te krijgen, voordat het wetgevingstraject van de vierde tranche AWB en de SUWI-wetgeving worden geëffectueerd. Is de staatssecretaris bereid hierover een notitie te maken, waarbij de juridische positie van alle spelers, inclusief hun rechtsmiddelen in het veld, worden betrokken?

©

P. (Paula)  SwenkerMevrouw Swenker (VVD): Voorzitter! Ik kan heel kort zijn, want mijn fractie kan zich vinden in het voorliggende wetsvoorstel. De hoofdlijn om te komen tot een verkorting van termijnen waarop bestuursorganen hun beslissing moeten nemen, is een goede zaak.

Mijn fractie vindt dat de staatssecretaris wel wat optimistisch is, als hij stelt dat de implementatie van de verkorting van deze beslistermijnen geen probleem voor de uitvoeringsorganen zal opleveren. Gelet op de huidige praktijk kan de VVD-fractie dit optimisme niet helemaal delen. Mijn fractie verzoekt de staatssecretaris dan ook de vinger goed en zorgvuldig aan de pols van deze gremia te houden en tijdig te evalueren of de verkorte termijnen in de praktijk werkelijk worden gehaald.

Er blijft een onderdeel waar de fractie vraagtekens bij plaatst. De staatssecretaris voelt er niets voor om nu reeds te komen tot het invoeren van sancties in situaties waarin uitvoeringsorganen de beslistermijn overschrijden, onder meer in afwachting van de zogeheten vierde tranche AWB. De woordvoerster van de PvdA heeft hierover al het een en ander gezegd namens de commissie en aan de hand van een aantal voorbeelden duidelijk gemaakt hoe complex deze situatie is. Hierbij gaat het niet alleen om de vraag in hoeverre de regelingen van de AWB van toepassing zijn, maar met name of er straks een wettelijke vertaalslag nodig is naar onderdelen die geprivatiseerd zijn. Wat de VVD-fractie betreft mag het antwoord plaatsvinden in de notitie die door mevrouw Jaarsma namens de commissie is gevraagd.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter: De staatssecretaris zal direct na de dinerpauze antwoorden.

 
 

Meer informatie

 
 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.