Nota n.a.v. het verslag - Regels betreffende openbaarmaking van gegevens per werkgever met betrekking tot verkrijging van rechten op WAO-uitkeringen door werknemers (Wet instroomcijfers WAO)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2001–2002

28 159

Regels betreffende openbaarmaking van gegevens per werkgever met betrekking tot verkrijging van rechten op WAO-uitkeringen door werknemers (Wet instroomcijfers WAO)

Nr. 5

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 27 maart 2002

  • 1. 
    Inleiding

Met belangstelling heeft het kabinet kennis genomen van het verslag van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW). De meerderheid van de fracties heeft instemmend gereageerd op het wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie hebben aangegeven dat de bekendmaking in het bedrijf een debat op gang kan brengen over het verzuimbeleid, het beleid om instroom in de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) te voorkomen en het reïntegratiebeleid. De leden van de VVD-fractie hebben gemengde gevoelens bij dit wetsvoorstel daar zij naast positieve punten ook negatieve punten zien, waarover zij vragen hebben te stellen alvorens zij een definitief standpunt innemen. De VVD-fractie heeft gevraagd om een gedegen motivering van het wetsvoorstel. De CDA-fractie onderschrijft van harte de veronderstelling dat werkgevers én werknemers al die informatie dienen te ontvangen die zij nodig hebben om gestalte te kunnen geven aan hun verantwoordelijkheden op het gebied van verzuimpreventie en reïntegratie. De leden van de fractie van D66 zijn met de regering van oordeel dat het openbaar maken van WAO-instroomcijfers bijdraagt aan het prikkelen van werkgevers om de WAO-instroom zoveel mogelijk te beperken door goed preventie- en reïntegratiebeleid.

De fractie van GroenLinks pleit al langer voor openbaarmaking van de instroomcijfers WAO. Openbaarmaking is van belang voor sociale partners om meer gericht opdrachten te verlenen aan reïntegratiebedrijven en biedt hen de mogelijkheid om effectiviteit en kwaliteit van reïntegratie-verlening te peilen. De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben in de afgelopen tijd al verschillende keren aangegeven positief te staan tegenover openbaarmaking van cijfers betreffende de WAO-instroom bij grote bedrijven. De SGP-fractie is van mening dat het wetsvoorstel inzichtelijk beoogt te maken wat de instroom in de WAO is, uitgesplitst naar de individuele werkgevers. Ook de leden van de SGP-fractie hebben om een nadere toelichting gevraagd.

Met de Wet instroomcijfers WAO wordt een wettelijk basis gecreëerd op grond waarvan het mogelijk wordt instroomgegevens in het kader van de WAO op werkgeversniveau openbaar te maken. Het kabinet is van mening dat, in aanvulling op de reeds bestaande maatregelen, de openbaarmaking van de WAO-gegevens vanwege de signalerende werking ervan, een bijdrage kan leveren aan beperking van de WAO-instroom.

Het kabinet verwacht dat de openbaarmaking van WAO-instroompercen-tages een aantal positieve effecten heeft. Ten eerste kan een werkgever beoordelen hoe zijn WAO-instroompercentage zich verhoudt met dat van andere individuele werkgevers (boven een bepaald aantal werknemers) binnen of buiten de eigen sector. Bij de Wet verbetering poortwachter is besloten dat de werkgever bij de premiebeschikking in het kader van de Wet premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) branchevergelijkende informatie ontvangt. Uit deze «zoet-zuur-informatie» kan de werkgever afleiden of hij een hoger of lager arbeidsongeschiktheidsrisico heeft dan het gemiddelde van zijn sector en in welke mate dat het geval is. Deze informatie is beperkt tot zijn eigen gegevens en gegevens op sectorniveau, en biedt werkgevers geen inzicht in de WAO-instroom van andere individuele werkgevers. Het kabinet meent dan ook dat de publicatie van WAO-instroompercentages op werkgeversniveau een aanvulling op de «zoet-zuur-informatie» vormt. Bovendien is het WAO-instroomcijfer actueler dan het individuele arbeids-ongeschiktheidsrisicopercentage dat voor de gedifferentieerde premie wordt berekend. Ten tweede krijgen ook werknemers zicht op de WAO-instroom in hun bedrijf in verhouding tot andere bedrijven. Dit kan voor werknemers -al dan niet via de vakbond of het medezeggenschapsorgaanaanleiding zijn hun werkgever aan te spreken op zijn preventiebeleid en te pleiten voor betere arbeidsomstandigheden. Tenslotte kunnen werkgevers(-) en werknemers(organisaties) de WAO-instroomcijfers als basis hanteren om activiteiten te ontplooien ten aanzien van preventie-, arbo-, verzuim- en reïntegratiebeleid. De instroomcijfers kunnen binnen een bedrijf aanleiding zijn om de discussie over preventie en reïntegratie op de werkvloer te stimuleren.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke andere instrumenten dan de openbaarmaking van de instroomgegevens kunnen worden ingezet om het debat binnen en tussen bedrijven over verzuimen personeelsbeleid te stimuleren en gegevens hierover uit te wisselen. Is de natuurlijke concurrentie tussen bedrijven daarbij een hinderpaal, zo voegen deze leden toe.

Werkgevers en werknemers hebben elk vanuit hun eigen invalshoek belang bij het bespreken van het preventie- en reïntegratiebeleid, zeker indien dat te wensen overlaat. De mogelijkheden om het preventie- en reïntegratiebeleid binnen bedrijven te bespreken zijn momenteel reeds divers. Het preventie-, reïntegratie- en arbobeleid in het algemeen staat onder instemmingsrecht van de ondernemingsraad en kan in de overlegvergadering, of – indien er geen ondernemingsraad of personeelsvertegenwoordiging is – in het overleg met de werknemersvertegenwoordiging aan de orde worden gesteld. Daarnaast zijn werkgevers en werknemers gezamenlijk opdrachtgever van arbodiensten en reïntegratiebedrijven in die zin, dat werkgevers de instemming van de werknemersvertegenwoordiging behoeven voor het sluiten van contracten. Bij het (hernieuwd) sluiten van die contracten, maar ook tussentijds kan met arbodiensten en reïntegratiebedrijven worden gesproken over het verhogen van de kwaliteit van het verzuim- en personeelsbeleid.

Gezien de verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers op het decentrale bedrijfsniveau, is voorliggend wetsvoorstel primair gericht op het verschaffen van inzicht in de WAO-instroom per bedrijf. Dat laat onverlet dat bedrijven van dezelfde, maar ook van verschillende sectoren door initiatieven zoals bijvoorbeeld «Kroon op het werk» geprikkeld worden hun preventie- en reïntegratiebeleid nader te bezien. Hun eventuele concurrentiepositie, indien het bedrijven uit dezelfde sector betreft,

is naar de mening van het kabinet geen onoverkomelijke drempel om hierover informatie uit te wisselen.

1 Gerefereerd wordt aan de Algemene Overleggen van 21 februari en 5 april 2001 over het wetsvoorstel Structuur Uitvoering Werk en Inkomen en de evaluatie van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten.

Afrondend stelt het kabinet dat door de publicatie van de instroom-percentages werkgevers bewust worden gemaakt van de WAO-instroom die gerelateerd is aan hun bedrijf. Doordat een werkgever zich niet langer in de anonimiteit kan verschuilen, zal hij worden gestimuleerd (nog) meer preventie- en reïntegratie-activiteiten te ontplooien.

De leden van de CDA-fractie vragen of de behoefte van werkgevers aan openbaarmaking van het WAO-instroompercentage naast de informatie die zij ontvangen in het kader van de Wet verbetering poortwachter, is onderzocht. Verder vragen deze leden of het kabinet signalen heeft ontvangen vanuit de vakbeweging dat zij van werkgevers onvoldoende toegang krijgen tot de voor een goede uitoefening van hun taken noodzakelijke informatie over WAO-instroom en ziekteverzuim. Tevens vragen deze leden of is onderzocht hoe groot de behoefte is binnen de vakbeweging aan openbaarmaking van het WAO-instroompercentage per bedrijf. De leden van de PvdA-fractie vragen of het kabinet voorbeelden kan geven van sectoren waarbinnen grote verschillen bestaan tussen bedrijven, bijvoorbeeld de gezondheidszorg.

Het kabinet is op grond van het bovengestelde van mening dat de openbaarmaking van WAO-instroompercentages voorziet in additionele informatie die relevant is voor het preventie- en reïntegratiebeleid van werkgevers. Een nader onderzoek naar de behoefte van werkgevers is dan ook niet noodzakelijk geacht.

Het kabinet heeft daarom nagegaan op welke wijze de publicatie van WAO-instroompercentages wettelijk gezien mogelijk kan worden gemaakt. Hiermee is tevens tegemoet gekomen aan concrete verzoeken vanuit de Kamer1. Op het moment dat er een wettelijke regeling is, wordt het pas mogelijk de individuele gegevens van bedrijven binnen sectoren te publiceren en verschillen tussen werkgevers te signaleren. Aan het verzoek van de leden van de PvdA-fractie om ter illustratie voorbeelden te geven van sectoren waarbinnen grote verschillen bestaan tussen bedrijven, kan daarom nu nog niet tegemoet worden gekomen.

Daarnaast heeft het kabinet kennis genomen van de brief van FNV Bondgenoten aan de voorzitter van het Lisv d.d. 15 februari 2001, waarin deze aangeeft graag te willen beschikken over WAO-instroomcijfers om een zo concreet mogelijk «preventie WAO-instroomplan» te kunnen maken. Tevens is het kabinet bekend de brief van de vakcentrale FNV aan de Vaste commissie voor SZW d.d. 19 februari 2001, waarin deze aangeeft het gebrek aan adequate informatie te zien als een hinderpaal bij haar preventie- en reïntegratie-activiteiten. Overigens wordt in bovengenoemde brieven gemeld dat niet de werkgever onvoldoende toegang geeft tot relevante informatie, maar dat die kritiek de uitvoeringsinstelling betreft.

Overigens gaat het kabinet er vanuit dat medezeggenschapsorganen voor de uitoefening van hun taken kunnen beschikken over de daarvoor benodigde informatie. De verslaglegging van bedrijven over ziekteverzuim en WAO-instroom in sociale jaarverslagen is adequaat. Het kabinet heeft de behoefte binnen de vakbeweging of medezeggenschapsorganen aan openbaarmaking van WAO-instroompercentages niet nader onderzocht. De inhoud van de zojuist genoemde brieven spreekt wat dat betreft voor zich.

De leden van de CDA-fractie stellen dat de oplossing voor het probleem van een hoge WAO-instroom binnen bedrijven in de eerste plaats ligt in het overleg tussen de sociale partners. Als blijkt dat werkgevers en werk- nemers er samen niet uitkomen, dan kan het openbaar maken van WAO-instroomcijfers een goede maatregel zijn.

Het kabinet deelt de mening van de leden van de CDA-fractie dat werkgever en werknemer in eerste instantie verantwoordelijkheid zijn voor het beperken en zo mogelijk voorkomen van verzuim en arbeidsongeschiktheid. Dit is ook de lijn van de recent in werking getreden Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (Wet SUWI), terwijl deze lijn nog aangescherpt zal worden onder invloed van de op 1 april 2002 in werking tredende Wet verbetering poortwachter. De sporen, ingezet met deze wetten en de in dit wetsvoorstel ingezette lijn ziet het kabinet in elkaars verlengde. Het is naar zijn oordeel niet noodzakelijk beide volgtijdelijk in te zetten, bijvoorbeeld door pas tot publicatie van instroompercentages over te gaan indien en voorzover werkgevers en werknemers onvoldoende of inadequate reïntegratie-inspanningen plegen of ondanks voldoende en adequate inspanningen niet tot werkhervatting weten te komen.

De publicatie van WAO-instroomcijfers op werkgeversniveau vormt een aanvulling op het reeds bestaande pakket aan maatregelen dat werkgevers en werknemers moet stimuleren tot een beter preventie- en reïntegratiebeleid waardoor de WAO-instroom wordt beperkt of de uitstroom wordt bevorderd, zoals bijvoorbeeld de Wet Pemba, de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet REA), de Wet SUWI en de Wet verbetering poortwachter. Het uiteindelijke effect van de publicatie van WAO-instroompercentages zal dan ook in dit licht moeten worden gezien.

  • 2. 
    Inhoud van het wetsvoorstel

Het UWV wordt verplicht de WAO-instroomcijfers van een bepaalde categorie werkgevers openbaar te maken. Het WAO-instroomcijfer wordt berekend door het aantal werknemers van een werkgever dat recht heeft gekregen op een WAO-uitkering in het kalenderjaar voorafgaande aan het jaar waarin de cijfers openbaar worden gemaakt, te delen door het gemiddelde aantal werknemers dat in dienstbetrekking stond tot die werkgever in het voorafgaande jaar.

Zoals de leden van de VVD-fractie dus goed hebben begrepen, worden de WAO-lasten van werknemers die in de WAO zijn gestroomd en het individuele arbeidsongeschiktheidsrisicopercentage (WAO-lastenpercentage van een werkgever) niet gepubliceerd. Deze gegevens zijn namelijk concurrentiegevoelig, omdat ze inzicht kunnen geven in de financiële positie van een werkgever. Dit wordt door dit wetsvoorstel niet beoogd en door het kabinet onwenselijk geacht.

Verschillende fracties hebben gevraagd aan welk aantal werknemers het kabinet denkt waarboven de gegevens bekend zullen worden gemaakt. De leden van de VVD-fractie stellen daarbij dat zij bij de wetsbehandeling geïnformeerd willen worden over deze grens. De leden van de D66-fractie vragen wanneer de grens zal worden bepaald.

De leden van de GroenLinks-fractie vragen daarnaast of de concept-ministeriële regeling nog voor de plenaire wetsbehandeling aan de Kamer wordt gezonden. Deze leden verzoeken het kabinet iets preciezer in te gaan op de categorisering, en op welke wijze rekening zal worden gehouden met aspecten van overzichtelijkheid en hanteerbaarheid.

Ook het kabinet is van mening dat bij de behandeling van het wetsvoorstel de grens waarboven de WAO-instroompercentages van bedrijven zullen worden gepubliceerd, betrokken dient te worden. Het kabinet wil daar dan ook zo concreet mogelijk op ingaan.

Bij het bepalen van de grens tussen kleine en grote werkgevers spelen voor het kabinet de volgende overwegingen een rol. Door het geringe aantal werknemers is de WAO-instroom bij kleine werkgevers van jaar tot jaar mogelijk sterk schommelend. Bijgevolg kan hun positie in het te publiceren overzicht jaarlijks eveneens sterk muteren. Voor deze werkgevers is de toegevoegde waarde van het publiceren van de instroom-percentages voor hun preventie – en reïntegratie-inspanningen dan ook beperkt. Dit pleit ervoor de grens tussen kleine en grote bedrijven voldoende hoog te leggen. Eveneens daarvoor pleit het streven naar overzichtelijkheid en hanteerbaarheid van de overzichten. Daar staat tegenover dat het bereik van voorliggend wetsvoorstel wordt beperkt naarmate de grens hoger wordt gelegd.

Daarbij komt dat indien de grens (te) hoog wordt gelegd, voor sommige sectoren (met geen of weinig bedrijven boven die grens) geen of een beperkt overzicht van instroompercentages kan worden opgesteld.

Tegen bovenstaande achtergrond is door het kabinet een aantal mogelijkheden onderzocht.

Bij een grens van 100 werknemers dekken de gepubliceerde gegevens 65% van de WAO-instroom. Op de overzichten moeten dan circa 10 000 werkgevers worden opgenomen. Dit komt de overzichtelijkheid en de hanteerbaarheid natuurlijk niet ten goede.

Bij een grens van 200 werknemers zal de WAO-instroom voor circa 50% zijn gedekt. Het WAO-instroompercentage van ongeveer 4 600 werkgevers zal moeten worden gepubliceerd. Een dergelijk aantal bevordert de overzichtelijkheid en de hanteerbaarheid van de publicatie. Een derde mogelijkheid is een grens van 500 werknemers. Bij dit aantal is de WAO-instroom voor 43% gedekt en verschijnen de gegevens van circa 1 800 werkgevers op de publicatie. De overzichtelijkheid en hanteerbaarheid is hiermee uiteraard gediend, maar bij een dergelijke grens zal van een aantal sectoren de instroompercentages niet of zeer beperkt worden gepubliceerd.

Gezien het bovenstaande heeft het kabinet de voorkeur de grens op 200 werknemers te stellen. De concept-ministeriële regeling waarin de grens wordt vastgelegd, zal zo mogelijk vóór de plenaire behandeling ter informatie aan de Kamer worden gezonden.

In deze ministeriële regeling zullen tevens regels worden gesteld over de wijze waarop de gegevens openbaar moeten worden gemaakt. De publicatie van de WAO-instroompercentages dient zeer zorgvuldig te geschieden. Het zal voor iedereen volstrekt helder moeten zijn dat het instroompercentage uitsluitend de «WAO-performance» van een individuele werkgever weergeeft en dat dit cijfer geen inzicht geeft in de oorzaken van arbeidsongeschiktheid en evenmin direct zicht biedt op het gevoerde preventie- en reïntegratiebeleid van een werkgever. Het UWV zal bij de publicatie aandacht besteden aan de gehanteerde maatstaven en algemene en sectorale ontwikkelingen ten aanzien van de instroom in de WAO. Dit betekent dat gewezen moet worden op omgevingsfactoren per sector die de instroom in de WAO kunnen beïnvloeden. Hierbij moet worden gedacht aan de samenstelling van het werknemersbestand (verdeling mannen/vrouwen, leeftijdsopbouw, etc.).

De leden van de VVD-fractie vragen het kabinet in te gaan op de vraag hoe redelijk een publicatieplicht is als het gaat om grote groepen werknemers die in de WAO stromen om reden die op geen enkele wijze door werk- gever te voorkomen zijn, zoals bijvoorbeeld privé-omstandigheden of arbeidsongeschiktheid ten gevolge van vakantie- of sportactiviteiten.

De zorgvuldige wijze van publiceren van de gegevens maakt dat er in de ogen van het kabinet bij de berekening van het instroompercentage van een werkgever geen uitzondering hoeft te worden gemaakt voor de instroom in de WAO van werknemers die niet door de werkgever te voorkomen is geweest. Bovendien worden uitsluitend de instroomgegevens van grotere werkgevers worden gepubliceerd. Relatief gezien zal bij deze werkgevers het aantal gevallen waarin de WAO-instroom niet door de werkgever kan worden voorkomen ongeveer gelijk zijn.

De leden van de PvdA-fractie vragen op welke manier de gegevens op werkgeversniveau openbaar worden gemaakt, of de gegevens actief worden gepubliceerd, of bekend wordt gemaakt dat de gegevens ergens opvraagbaar zijn, of gegevens mogelijk via internet beschikbaar worden gesteld, of gegevens voor ieder opvraagbaar zijn en welke motivatie er geldt indien hieraan beperkingen worden gesteld.

De WAO-instroompercentages op werkgeversniveau worden gegroepeerd per sector. De sectorale overzichten worden op de website van het UWV geplaatst. Daardoor zijn ze elektronisch beschikbaar. Daarnaast zijn de sectorale overzichten bij het UWV opvraagbaar. Daarbij kunnen bedrijven een overzicht vragen van een andere dan hun eigen sector en kunnen ook bedrijven die buiten de eerder genoemde categorie vallen de overzichten opvragen. Eveneens kunnen andere geïnteresseerden dan bedrijven over de overzichten van willekeurig welke sector beschikken, via genoemde website of door deze bij het UWV op te vragen.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de kwaliteit van de door het UWV te publiceren informatie. Aangegeven wordt dat het WAO-instroom-percentage geen inzicht biedt in de oorzaken van arbeidsongeschiktheid, noch in het gevoerde beleid en geen rekening houdt met de mate van arbeidsongeschiktheid. Deze leden vragen wat dit betekent voor de praktische bruikbaarheid van de cijfers. Welke informatie kunnen (organisaties van) werkgevers en werknemers uit de te publiceren cijfers halen, zo vragen deze leden.

De leden van de GroenLinks-fractie merken op het van belang te vinden dat bij de presentatie van de cijfers rekening wordt gehouden met de mate van arbeidsongeschiktheid en vragen op welke wijze dit vormgegeven gaat worden. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat het kabinet aan informatievoorziening zal gaan doen voor de betrokken werkgevers.

De leden van de SGP-fractie vragen het kabinet nader uiteen te zetten op welke wijze bij de presentatie van de gegevens aandacht wordt geschonken aan een mogelijk verkeerde interpretatie door het publiek. Op welke grond verwacht het kabinet dat dit daadwerkelijk zal kunnen bijdragen aan het voorkomen van verkeerde beeldvorming die door het presenteren van «harde cijfers» gemakkelijk kan ontstaan, zo voegen deze leden toe. In hoeverre kunnen betrokken bedrijven zelf een toelichting geven op de score, zo vragen deze leden ten slotte.

Zoals de leden van de CDA-fractie terecht aangeven, bieden de te publiceren WAO-instroompercentages geen beeld van de oorzaak en de mate van arbeidsongeschiktheid, dan wel direct zicht op de kwaliteit van het preventie- en reïntegratiebeleid van de werkgever. Wel geven de percentages een beeld van de instroom in percentages van het aantal werkzame werknemers voor bedrijven in een sector. Overigens zal voor grote werkgevers waarvan het WAO-instroompercentage wordt gepubliceerd, het aantal gevallen waarin beïnvloeding van arbeidsongeschiktheid door de werkgever niet mogelijk is, relatief gezien ongeveer gelijk zijn. De WAO-instroomcijfers bieden daarmee indirect zicht op de mate waarin de werkgever en zijn werknemers in die andere gevallen succesvol zijn in het voorkomen van WAO-instroom.

Zoals hierboven reeds is opgemerkt, zal in de bij de publicatie van de percentages te verstrekken informatie worden aangegeven wat wel en wat niet in de percentages is meegenomen en wat er wel en niet uit afgeleid kan worden. In de percentages wordt geen rekening gehouden met de mate van arbeidsongeschiktheid van de WAO-instromers. De mate van arbeidsongeschiktheid is over het algemeen hoger naarmate het loon uit de oude functie hoger was. Het kabinet acht de mate van arbeidsongeschiktheid zodoende geen juist gegeven om in het kader van openbaarmaking te hanteren.

Indien rekening zou worden gehouden met de aantallen fte’s, zou daaruit indirect concurrentiegevoelige informatie afgeleid kunnen worden. Dat acht het kabinet onwenselijk.

Het kabinet is van mening dat door het verstrekken van een toelichting zoals hierboven omschreven voldoende in het werk is gezet om te proberen een onjuiste interpretatie te voorkomen.

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre wordt voorkomen dat, gebaseerd op de overzichten voortvloeiend uit voorliggend wetsvoorstel, in de massamedia overzichten verschijnen van de beste en slechtste tien bedrijven. Tevens vragen deze leden hoe het kabinet het risico inschat dat, ondanks het feit dat er bij publicatie nadrukkelijk op gewezen zal worden dat de cijfers geen inzicht bieden in de oorzaken van arbeidsongeschiktheid of het gevoerde beleid van de werkgever, de media de overzichten zullen aangrijpen voor ongenuanceerde berichtgeving.

Het kabinet hecht eraan, zoals ook door deze leden wordt aangegeven, dat bij de publicatie van de instroompercentages zal worden aangegeven wat wel en wat niet in de te publiceren percentages is meegenomen en wat er wel en niet uit afgeleid kan worden. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is het wetsvoorstel hiertoe zodanig gewijzigd dat slechts de WAO-instroompercentages en niet het absolute aantal WAO-instro-mers per werkgever gepubliceerd wordt. Hierdoor (en door het voorstel de werkgevers naar sector te groeperen) wordt zo veel mogelijk voorkomen dat bedrijven die louter vanwege hun omvang een absoluut hoog aantal WAO-instromers kennen, maar in feite een bescheiden instroom-percentage kennen, met ongenuanceerde publiciteit worden geconfronteerd.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het UWV minimaal elk jaar tevens sectorgegevens publiceert, opdat ook een goed overzicht ontstaat van verschillen tussen sectoren.

De leden van de CDA-fractie vragen of het mogelijk is de instroomcijfers van bedrijven binnen een sector vertrouwelijk beschikbaar te stellen aan de betrokken brancheorganisaties. Tevens vragen deze leden in hoeverre deze wijze van bekendmaking als alternatief kan dienen en wat de meerwaarde is van het volledig openbaar maken van de cijfers.

Het UWV zal op grond van voorliggend wetsvoorstel aanvullend overzichten op werkgeversniveau publiceren, gegroepeerd per sector. De verantwoordelijkheid voor preventie en reïntegratie ligt in handen van werkgever en werknemer. Het is daarom dat primair op het decentrale bedrijfsniveau inzicht dient te bestaan over het WAO-instroompercentage in vergelijking met andere bedrijven in dezelfde sector. Vergelijkingen in instroom tussen sectoren worden gepubliceerd in de UWV-rapportage «Informatie sociale verzekeringen naar sectoren» die jaarlijks verschijnt.

De primaire verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer laat onverlet dat ook op het mesoniveau afspraken op die beleidsterreinen gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld in arboconvenanten. De informatie op sectorniveau kan voor deze afspraken een belangrijke bron van informatie zijn.

De VVD-fractie meent dat het kabinet wel gemakkelijk over de kritiek van de Raad van State heenstapt waar wordt gesteld dat ongenuanceerde publiciteit ook kan leiden tot een averechts effect en dat hierdoor zelfs de continuïteit van een onderneming kan worden bedreigd.

Om ongenuanceerde publiciteit zoveel mogelijk te voorkomen, worden bij ministeriële regeling nadere regels gesteld omtrent openbaarmaking van gegevens. Ook de toelichting die het UWV verstrekt bij de bekendmaking van gegevens zal voorkomen dat de gegevens verkeerd worden uitgelegd.

Zowel de fractie van de VVD als de ChristenUnie stellen dat voorliggend wetsvoorstel een eenzijdige prikkel voor werkgevers inhoudt. De leden van de ChristenUnie vragen of het kabinet van mening is dat er op dit moment voldoende prikkels voor de werknemer bestaan tot preventie en reïntegratie.

Zowel in het SUWI-wetgevingscomplex als in de Wet verbetering poortwachter zijn belangrijke stimulansen en prikkels opgenomen om te zorgen dat zowel werknemer als werkgever zich zo goed mogelijk inzetten voor preventie en reïntegratie.

Het is een taak van werkgever en werknemer samen om WAO-instroom te voorkomen, of – als dat niet mogelijk blijkt – de duur van de WAO zoveel mogelijk te beperken. In die zin «raken» de te publiceren WAO-instroom-percentages werkgever en werknemer beiden. Het voorliggend wetsvoorstel doet aan dit evenwicht geen afbreuk.

De leden van de VVD-fractie vragen zich af of er in andere EU-landen reeds een vergelijkbare publicatieplicht van instroomcijfers in arbeidsongeschiktheidsregelingen op werkgeversniveau is.

Dit is niet het geval. In Nederland zijn vanaf 2003 alle werkgevers voor minimaal de duur van de arbeidsovereenkomst verantwoordelijk voor de reïntegratie van zieke werknemers. Na deze periode vallen zij onder de verantwoordelijkheid van het UWV. In vrijwel elk ander land komt een zieke werknemer na een veel kortere periode (van 2 tot 6 weken) onder de verantwoordelijkheid van een uitvoeringsinstelling sociale zekerheid, die voor reïntegratie-activiteiten zorgt. Hierdoor is in andere EU-landen de relatie met de werkgever van de arbeidsongeschikte werknemer grotendeels verdwenen en is publicatie van instroomcijfers gekoppeld aan individuele werkgevers niet heel zinvol. Bovendien hebben werkgevers in Nederland door de Wet Pemba een grotere financiële verantwoordelijkheid dan werkgevers in het buitenland.

De leden van de PvdA-fractie vragen of bij de instroomcijfers kan worden aangegeven welk aandeel van de werknemers een formeel erkende arbeidshandicap heeft. Tevens vragen deze leden naar de bereidheid om voor de rijksoverheid in het algemeen en voor het Ministerie van SZW in het bijzonder aan te geven welk aandeel van de werknemers een arbeidshandicap heeft. De leden van de GroenLinks-fractie vragen het kabinet om een toelichting waarom het van ondergeschikt belang is of de WAO-instroom al dan niet veroorzaakt wordt door een voormalig arbeidsgehandicapte. Er kan een vertekend beeld ontstaan voor werkgevers die juist veel groepen met een hoger WAO-risico in dienst hebben. Deze leden achten dit ongewenst. Is hieraan tegemoet te komen door bijvoorbeeld twee percentages te presenteren, een percentage met het totaal aantal arbeidsongeschikte werknemers en een percentage zonder dat de voormalig arbeidsgehandicapten worden meegenomen, zo vragen deze leden. Tevens vragen deze leden naar de mening van het kabinet over publicatie van een jaarlijks uitstroomcijfer, naast en tegelijkertijd met een jaarlijks instroomcijfer. Daarbij zou de uitstroom gerubriceerd kunnen worden naar uitstroom naar werk of naar andere sociale regelingen zoals Werkloosheidswet (WW), de Algemene bijstandswet (Abw) of de Algemene Ouderdomswet (AOW).

De leden van de ChristenUnie vragen zich af of het mogelijk is de uitstroom, die wordt bereikt door het in dienst nemen van arbeidsgehandicapten, in de te publiceren gegevens te verdisconteren.

Voorliggend wetsvoorstel beoogt de WAO-instroompercentages te vergelijken tussen bedrijven per sector, teneinde mede daarmee de preventie van WAO-instroom te bevorderen, waaronder begrepen de instroom van (voormalig) arbeidsgehandicapten. Preventie van hun WAO-instroom verdient net zo veel stimulans als voorkoming van WAO-instroom vanuit andere categorieën werknemers. Gestimuleerd dient te worden dat werkgever en werknemer (ongeacht of sprake is van een voormalige arbeidsgehandicapte) samen met de arbodienst in het eerste ziektejaar activiteiten ontplooien ter voorkoming van instroom in de WAO. Daar komt bij dat de werknemer niet verplicht is aan zijn werkgever te melden dat hij arbeidsgehandicapte is (geweest). De werkgever zal dan ook niet altijd weten dat hij een (ex) arbeidsgehandicapte in dienst neemt.

In ieder geval zal het UWV bij de publicatie van de instroompercentages in algemene zin erop wijzen dat in het percentage ook is opgenomen de eventuele instroom van arbeidsgehandicapten of andere categorieën met een verhoogd WAO-instroomrisico. Omdat uitsluitend voor grotere werkgevers de instroompercentages gepubliceerd zullen worden, meent het kabinet dat de overzichten geen vertekend beeld geven door instroom van personen met een hoger WAO-risico. Het aandeel arbeidsgehandicapten dat in dienst is, zal bij het merendeel van deze grotere bedrijven nagenoeg gelijk zijn. Er zijn sectoren denkbaar waar een substantieel aandeel arbeidsgehandicapten werkzaam is. Het kabinet neemt in overweging om in de toelichting bij de publicatie hier expliciet op te wijzen. Uit de sociale jaarverslagen, ook van de overheid, kan worden afgeleid hoeveel arbeidsgehandicapten in dienst zijn. Dit is dus een gegeven waarmee het medezeggenschapsorgaan en de werkgever zelf bekend is en dat bij de discussie over preventie- en reïntegratiebeleid kan worden betrokken.

Het kabinet zal bezien of de publicatie van uitstroomcijfers wenselijk is. Hoewel de uitstroom uit de WAO een gegeven is dat uit de administratie van het UWV blijkt, zal het waarschijnlijk niet mogelijk zijn om zonder nadere gegevensuitvraag aan te geven waarheen de uitstroom heeft plaatsgevonden. De uitstroom kan worden veroorzaakt door reïntegratie van de uitkeringsgerechtigde bij zijn eigen of een andere werkgever, maar bijvoorbeeld ook door uitstroom naar de WW, de AOW of de Abw. Over de uitvoeringstechnische mogelijkheden hiervan zal in overleg met het UWV worden getreden.

De leden van de fracties van de ChristenUnie en de SGP vragen de mening van het kabinet over de mogelijk terughoudender opstelling van bedrijven ten aanzien van het in dienst nemen van ex- of gedeeltelijk arbeidsongeschikten onder invloed van voorliggend wetsvoorstel.

Naar de mening van het kabinet hoeft de indienstneming van arbeidsgehandicapten of andere personen met een verhoogd WAO-risico door deze maatregel niet in negatieve zin te worden beïnvloed. Met het wets- voorstel wordt beoogd werkgevers en werknemers een vergelijkend inzicht te bieden in de WAO-instroom, zodat ze worden gestimuleerd tot gerichte preventie- en reïntegratie-activiteiten. Er wordt met dit wetsvoorstel dus een bepaalde gedragsverandering nagestreefd en niet een bepaalde financiële prikkel geïntroduceerd. Zoals hierboven ook reeds is opgemerkt zal het UWV de publicatie van de instroompercentages erop wijzen dat niet is meegenomen of het de instroom van een arbeidsgehandicapte dan wel een persoon met een verhoogd WAO-risico betreft. Daar komt nog bij dat uitsluitend de instroompercentages van grotere werkgevers worden gepubliceerd.

De leden van de SGP-fractie vragen hoe het kabinet denkt dat van goed scorende bedrijven daadwerkelijk een voorbeeldfunctie kan uitgaan voor bedrijven die een minder goed preventiebeleid voeren en daardoor met een hoge WAO-instroom worden geconfronteerd. Op welke manier kunnen de beleidsachtergronden van positieve resultaten goed voor het voetlicht worden gebracht, zo voegen deze leden toe.

Het publiceren van WAO-instroompercentages dient om het werkgevers mogelijk te maken hun eigen WAO-instroom te vergelijken met die van andere bedrijven in dezelfde sector. Factoren die op die vergelijking van invloed kunnen zijn, worden daarbij expliciet vermeld. Als bedrijven daarbij zien dat andere bedrijven uit dezelfde sector blijkbaar de WAO-instroom meer onder controle hebben, zullen bedrijven worden geprikkeld hun eigen inspanningen tegen het licht te houden. Uiteraard ligt het voor de hand dat daarbij ook de andere betrokkenen – werknemer, arbodienst en reïntegratiebedrijf – worden ingeschakeld.

  • 3. 
    Financiële gevolgen en de gevolgen voor de rechterlijke macht en administratieve belasting voor werkgevers

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe groot het kabinet de kans acht dat bedrijven bezwaar maken tegen de bekendmaking, bijvoorbeeld omdat indirect uit de WAO-instroomcijfers de WAO-last afgeleid zou kunnen worden. Kan nader worden onderbouwd waarom openbaarmaking van WAO-gegevens niet wordt beschouwd als een besluit in het kader van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zo vragen deze leden. De leden van de GroenLinks-fractie vragen of er een beroepsmogelijkheid komt voor werkgevers die het niet eens zijn met het gepubliceerde WAO-instroomcijfer en op welke wijze werkgevers in het verweer kunnen gaan als zij het oneens zijn met het gepubliceerde cijfer.

Openbaarmaking van WAO-instroompercentages geldt niet als een besluit in de zin van de Awb, omdat aan de bekendmaking van genoemde cijfers geen rechtsgevolgen verbonden zijn. Daarom is niet expliciet voorzien in de mogelijkheid van verweer tegen het gepubliceerde percentage. Voor de volledigheid zij gemeld dat daar waar rechtsgevolgen aan – onder andere – de WAO-instroom zijn verbonden, bijvoorbeeld bij de vaststelling van de gedifferentieerde premie, werkgevers wel bezwaar en beroep kunnen aantekenen.

  • 4. 
    Artikelsgewijs

Artikel 1

De leden van de SGP-fractie vragen of het niet beter is te delen door het gemiddeld aantal fte, in plaats van door het gemiddeld aantal werknemers. Leidt het delen door het aantal werknemers niet tot een vertekend beeld wanneer een bedrijf veel werknemers in deeltijd in dienst heeft, te meer daar deze deeltijdwerknemers gedeeltelijk arbeidsongeschikten zouden kunnen zijn?

Doelstelling van het wetsvoorstel is werkgevers inzicht te bieden in de instroompercentages in de WAO vanwege de motiverende preventieve werking die hiervan uitgaat. Het is dan ook niet logisch om een onderscheid tussen voltijd- en deeltijddienstverbanden te maken. Bovendien zou dit onderscheid, indien rekening wordt gehouden met de omvang van dienstverbanden, het mogelijk worden om concurrentiegevoelige informatie af te leiden. Dit vindt het kabinet niet wenselijk. Daarnaast verdient de preventie van WAO-instroom van deeltijders evenzeer aandacht als de preventie van instroom van voltijders en is het zeker niet zo dat alleen deeltijders gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn.

Het kabinet heeft gekozen voor een zo eenvoudig mogelijke berekeningswijze van het WAO-instroomcijfer, waarbij geen extra gegevensuitvraag bij de werkgever hoeft plaats te vinden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. F. Hoogervorst

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.