Nadere memorie van antwoord - Regels betreffende openbaarmaking van gegevens per werkgever met betrekking tot verkrijging van rechten op WAO-uitkeringen door werknemers (Wet instroomcijfers WAO)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2002–2003 Nr. 25a

28 159

Regels betreffende openbaarmaking van gegevens per werkgever met betrekking tot verkrijging van rechten op WAO-uitkeringen door werknemers (Wet instroomcijfers WAO)

NADERE MEMORIE VAN ANTWOORD

Ontvangen 8 november 2002

De leden van de CDA-fractie betwijfelen of werkgevers door openbaarmaking van de WAO-instroomcijfers zullen worden gestimuleerd tot nog meer preventie- en reïntegratieactiviteiten. De leden van de VVD-fractie vragen of het kennis nemen van WAO-instroomcijfers van een ander bedrijf voor de werkgever zodanig relevant is dat hij zich nog meer zal inspannen om WAO-instroom te voorkomen. In hoeverre zijn werkgevers met deze extra informatie gediend en worden zij nog meer gestimuleerd om de WAO-instroom te verminderen, gelet op de financiële prikkel die werkgevers al hebben en die zij nog erbij zullen krijgen, zo vragen deze leden.

In reactie op de vraag van de leden van de fracties van CDA en VVD wil het kabinet graag toelichten waarom invoering van het wetsvoorstel in zijn ogen uitdrukkelijk gewenst is.

De hoge WAO-instroom is een hardnekkig probleem. Ter beheersing van die instroom zijn – ook in het recente verleden – veel maatregelen genomen. Met de Wet uitbreiding loondoorbetalingverplichting bij ziekte (Wulbz) en de Wet Premiedifferentiatie en marktwerking bij arbeidsongeschiktheidsverzekeringen (Pemba) zijn financiële prikkels geïntroduceerd voor werkgevers ter stimulering van preventie en reïntegratie. De tot nu toe genomen maatregelen hebben desalniettemin de stijging van het WAO-volume niet weten om te buigen. Dit is ook de reden geweest voor het vragen van advies aan de Adviescommissie Arbeidsongeschiktheid en aan de SER en het na ommekomst van het SER-advies voorbereiden van kabinetsmaatregelen. Op 1 april 2002 is de Wet verbetering poortwachter (Wvp) inwerking getreden. Deze wet scherpt de verantwoordelijkheden van werkgever en werknemer op het terrein van verzuimbeheersing en werkhervatting verder aan. Tegelijkertijd worden partijen gefaciliteerd bij het ondernemen van activiteiten op die terreinen. Op grond hiervan kunnen zij afleiden welke inspanningen in principe van hen gevergd kunnen worden. De eerste voorlopige effecten van deze wet wijzen in de goede richting.

De hardnekkigheid van de hoge WAO-instroom brengt het kabinet tot het treffen van extra beleidsmaatregelen. Dat is de reden waarom het kabinet niet wil nalaten ook voorliggend wetsvoorstel in te zetten ter beheersing van die instroom. Van voorliggend wetsvoorstel wordt een weliswaar partiële, maar wel additionele prikkel tot beperking van verzuim en WAO-instroom verwacht. De positie op de te publiceren overzichten biedt bedrijven zicht op hun WAO-instroom in vergelijking met die van andere grote bedrijven in dezelfde sector. Zo beschouwd wordt een extra moment gecreëerd waarop bedrijven worden geattendeerd op de omvang van hun WAO-instroom. Deze attentie kan bedrijven ertoe aanzetten hun inspanningen op het gebied van preventie en reïntegratie tegen het licht te houden.

De leden van de CDA-fractie achten een motiverende en preventieve werking van het wetsvoorstel nauwelijks aanwezig omdat in de te publiceren overzichten geen rekening wordt gehouden met factoren als de mate van arbeidsongeschiktheid, de omvang van het dienstverband, de WAO-lasten of het WAO-lastenpercentage, de oorzaken van arbeidsongeschiktheid en het door werkgevers gevoerde preventie- en reïntegratie-beleid. De leden van de CDA-fractie stellen dat mogelijk spanning ontstaat met de kabinetsdoelstelling van stimulering van arbeidsparticipatie van oudere werknemers.

Ook de leden van de VVD-fractie wijzen op de factoren waarmee geen rekening is gehouden, zoals de omvang van de dienstbetrekking, de mate van arbeidsongeschiktheid, geslacht, leeftijd, de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid, omgevingsfactoren voor bedrijven, het gegeven of iemand arbeidsgehandicapt is en lopende bezwaar- en beroepsprocedures. Deze leden concluderen vervolgens dat de te publiceren cijfers wel eens een vertekend beeld zouden kunnen geven van de WAO-instroom van het bedrijf, de reïntegratie-inspanningen van de werkgever of het extra risico dat de werkgever heeft genomen door juist het in dienst nemen van werknemers met een verhoogd WAO-risico. Het ontbreken van een specificatie leidt ertoe dat publicatie van WAO-instroomcijfers stigmatiserend kan werken en ertoe kan leiden dat de arbeidsmarktpositie van personen met een verhoogd WAO-risico verslechtert, aldus deze leden.

Op grond van voorliggend wetsvoorstel zullen de WAO-instroompercen-tages, gerangschikt naar sectoren, gepubliceerd worden van bedrijven met 250 of meer werknemers. In de begeleidende informatie bij de overzichten zal het UWV aangeven met welke gegevens al dan niet rekening is gehouden in de overzichten en wat er bijgevolg al dan niet uit kan worden afgeleid. Het UWV zal in die informatie vermelden van welke factoren geabstraheerd is.

Doordat de overzichten beperkt blijven tot bedrijven met 250 of meer werknemers zal het niet meenemen van de door de leden van de fracties van CDA en VVD genoemde factoren vermoedelijk geen serieuze vertekening teweegbrengen; dit vanwege de wet van de grote aantallen. Van een vertekening tussen bedrijven onderling als gevolg van het abstraheren van deze factoren, is bijgevolg geen sprake. De vergelijkbaarheid van de instroompercentages wordt er niet door beïnvloed. Zo zal bij deze bedrijven in vergelijkbare mate sprake zijn van WAO-instroom als gevolg van binnen respectievelijk buiten de arbeidssfeer gelegen oorzaken, en van arbeidsongeschiktheid van vol- en deeltijdmedewerkers. Overigens zou het rekening houden met het aantal en de omvang van de dienstverbanden het mogelijk maken concurrentiegevoelige informatie af te leiden uit de overzichten, hetgeen onwenselijk is. Bovendien wordt met voorliggend wetsvoorstel beoogd de WAO-instroom te beheersen, ongeacht de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene en ongeacht of het instroom van vol- of deeltijdmedewerkers betreft. Het meenemen van de mate van arbeidsongeschiktheid is ook daarom geen juist gegeven omdat voor de vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage niet alleen de ernst van de beperkingen maar evenzeer de hoogte van het maatmanloon van belang is.

In de te verstrekken begeleidende informatie bij de overzichten zal worden gemeld dat (ook) geen rekening is gehouden met de kwaliteit van het preventie- en reïntegratiebeleid van bedrijven. Bedrijven die veronderstellen dat hun beleid op deze terreinen adequaat is, zullen die aanname nader willen bezien indien zij ervan op de hoogte raken dat zij in vergelijking met andere grote bedrijven in dezelfde sector een (veel) hoger WAO-instroompercentage kennen.

Met de leden van de fracties van CDA en VVD is het kabinet van mening dat de arbeidsmarktpositie van groepen met een verhoogd WAO-risico bijzondere aandacht verdient. Overigens merkt het kabinet vooraf op dat het in dienst hebben of nemen van werknemers met een verhoogd WAO-risico nog niet betekent dat het betreffende bedrijf een hoger WAO-instroompercentage zal kennen. Bovendien zullen bedrijven met meer dan 250 werknemers in soortgelijke mate werknemers met een verhoogd WAO-risico in dienst hebben of nemen, zodat indien dit tot uitdrukking komt in een hoger WAO-instroompercentage, dit geen serieuze vertekening zal geven bij onderlinge vergelijking. De vraag die zich hier voordoet, is in hoeverre werkgevers, uit vrees voor een slechte score voor instroom in de WAO, in hun wervingsactiviteiten risicogroepen zullen mijden. Het kabinet acht dat risico gering. Werkgevers die nu mensen in dienst nemen met een verhoogd risico op WAO-instroom, zijn zich dit in het algemeen reeds bewust.

Voorliggend wetsvoorstel beoogt een vergelijking van WAO-instroomper-centages tussen bedrijven in een sector mogelijk te maken. Uit de sectorale overzichten is ook een vergelijking tussen bedrijven in verschillende sectoren af te leiden. Indien in alle bedrijven in een sector een substantieel aandeel arbeidsgehandicapten werkzaam is, geeft dit bij de vergelijking van bedrijven in die sector geen vertekend beeld, maar is wel sprake van vertekening bij intersectorale vergelijking. Daarom zal het UWV bij het betreffende sectorale overzicht expliciet op dat aandeel wijzen, zodat de zojuist bedoelde vertekening wordt voorkomen.

De leden van de VVD-fractie vragen naar de verwachte bijdrage van voorliggend wetsvoorstel in het beheersen van de WAO-instroom.

Voorliggend wetsvoorstel is gericht op het teweeg brengen van een gedragsreactie onder bedrijven met een hoge WAO-instroom. Beoogd is hen ertoe aan te zetten het beleid ter beheersing van de WAO-instroom tegen het licht te houden, door hen expliciet te wijzen op hun instroom-percentage in vergelijking met andere grote bedrijven in dezelfde sector. Een gerede kwantitatieve inschatting van de beoogde gedragsreactie is niet te geven.

De leden van de CDA-fractie melden dat hun twijfels ten aanzien van het wetsvoorstel ook moeten worden gezien in relatie tot de extra uitvoeringskosten die ermee gepaard gaan.

Met genoemde leden hecht het kabinet aan het schenken van aandacht aan de consequenties voor de uitvoering van beleidsmaatregelen. Deze zijn ook voor voorliggend wetsvoorstel expliciet nagegaan. Zowel de wijzigingen voor de uitvoering als de daaraan verbonden kosten zijn beperkt gebleken. Er is geenszins sprake van buitensporige of disproportionele consequenties. Genoemde consequenties vormen in de ogen van het kabinet geen factor van bijzonder belang – en zeker geen doorslaggevende factor – in de beoordeling van voorliggend wetsvoorstel.

De leden van de VVD-fractie stellen dat op grond van voorliggend wetsvoorstel informatie slechts maximaal een half jaar eerder beschikbaar komt in vergelijking met de zoet/zuur-informatie in het kader van de Pemba-premienota.

De basis voor de zoet/zuur-informatie is gelegen in de Pemba-premie. Op grond van de in Pemba gekozen systematiek wordt in het (premie-)jaar t betaald voor de in het jaar t -/- 2 lopende WAO-uitkeringen, voorzover die in dat jaar korter dan vijf jaar lopen. De overzichten van WAO-instroomper-centages worden gepubliceerd halverwege het jaar volgend op het jaar waarop de overzichten van toepassing zijn. Zo zit er niet – zoals genoemde leden aangeven – een half jaar verschil tussen beide gegevens, maar anderhalf jaar.

Bovendien is het verschil met de zoet/zuur-informatie niet beperkt tot een verschil wat betreft de snelheid waarmee informatie ter beschikking komt van de werkgever. Het verschil is ook daarin gelegen dat op grond van de zoet/zuur-informatie geen vergelijking van WAO-instroom tussen individuele bedrijven is af te leiden, wat op grond van voorliggend wetsvoorstel wel kan.

De leden van de CDA-fractie verwijzen naar de brief van de minister van SZW aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, vergaderjaar 2001–2002, 26 448, nr. 55) over het functioneren van het UWV. In dat kader stellen zij de vraag of het wijsheid is nu dit wetsvoorstel in te voeren. Ook stellen zij een aantal vragen over voornoemde brief.

In de door de leden van de CDA-fractie aangehaalde brief is ingegaan op de situatie bij het UWV. Hoewel de situatie bij het UWV los gezien dient te worden van dit wetsvoorstel, wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om inhoudelijk te reageren op de stellingname van de leden van de CDA-fractie. Zij geven aan in het verleden verschillende malen gepleit te hebben voor rust op het terrein van de uitvoering. Met de leden van de CDA-fractie is het kabinet van oordeel dat er in de jaren ’90 sprake is geweest van elkaar in hoog tempo opvolgende wijzigingsvoorstellen. De totstandkoming van de wet Structuur Uitvoering Werk en Inkomen per 1 januari jl. geldt als sluitstuk van de veranderingen in de uitvoeringsorganisatie. Dit betekent overigens geenszins dat alle problemen uit het verleden direct verholpen zullen zijn. Verwacht mag worden dat dit een traject van meerdere jaren zal vergen. Met de in opdracht van het UWV uitgevoerde nulmeting heeft het UWV in beeld gebracht hoe de start-situatie is. De Raad van Bestuur van het UWV is in eerste aanleg verantwoordelijk voor de aanpak van de gesignaleerde problemen. Met de Raad van Bestuur zijn op een aantal cruciale punten, zoals het wegwerken van de achterstanden bij de WAO-keuringen en de aanpak van de openstaande posten, concrete afspraken gemaakt over de noodzakelijke aanpak.

Zoals eerder gesteld verwacht het kabinet niet dat invoering van dit wetsvoorstel in betekenende mate een verzwaring van de uitvoering zal betekenen. Dit beeld is door het UWV bevestigd.

Naar aanleiding van de concrete vraag van de leden van de CDA-fractie over de achterstanden kan worden medegedeeld dat met de Raad van Bestuur van het UWV de afspraak is gemaakt dat de achterstanden bij de einde wachttijdbeoordelingen WAO per eind 2002 tot een aanvaardbaar niveau teruggebracht zullen zijn. Voor de achterstanden bij de herbeoordelingen WAO geldt als horizon eind 2003.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. J. de Geus

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.