Memorie van toelichting - Wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing van de vervolguitkering

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2003–2004

29 268

Wijziging van de Werkloosheidswet in verband met afschaffing van de vervolguitkering

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

  • 1. 
    Inleiding

De regering wil meer mensen aan het werk, groei van het nationale inkomen en beheersing van de staatsschuld om de lasten van de vergrijzing te kunnen betalen. Het wordt niet gemakkelijk dit alles te realiseren. Nederland verkeert niet alleen in een recessie, maar heeft ook ten opzichte van andere landen structurele achterstanden opgelopen. Niets doen tot het weer beter gaat is geen serieuze optie. De regering zet dan ook in op vernieuwing en versterking van de economie. Onderdeel daarvan is een meer activerend stelsel van sociale verzekeringen.

Als gevolg van de voorziene toename van de werkloosheid zal het beroep op de Werkloosheidswet (WW) zonder nader beleid stijgen van 160 000 uitkeringsjaren in 2002 tot 340 000 uitkeringsjaren in 2007. De regering is zeer verontrust over deze ontwikkeling. Alle inspanningen moeten dan ook gericht zijn op herstel van de werkgelegenheid en beperking van de werkloosheid. Om dit te bereiken moet, in aanvulling op loonkostenmatiging, de regering zelf ook maatregelen treffen om de stijging van de collectieve lasten te beperken. Beperking van de collectieve lasten verbetert immers de structuur van de Nederlandse economie en verbetert daarmee voor iedereen het perspectief op werk.

De regering ontkomt er daarom niet aan om – juist in een tijd waarin meer mensen op een uitkering zijn aangewezen – maatregelen te treffen die het beroep op de WW beperken. Een van de maatregelen die wordt voorgesteld is het afschaffen van de vervolguitkering in de WW voor werknemers die werkloos worden op of na 11 augustus 2003.

  • 2. 
    Algemeen

Na afloop van de loongerelateerde WW-uitkering heeft de werknemer bij voortdurende werkloosheid recht op een vervolguitkering ter hoogte van maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. De duur van de vervolguitkering is 2 jaar. Voor werknemers die op de eerste dag van werkloos-

heid 57,5 jaar of ouder zijn is de duur van de vervolguitkering maximaal 3,5 jaar.

De vervolguitkering is in de WW geïntroduceerd bij de stelselherziening van 1987. De ratio achter de introductie van de vervolguitkering was gelegen in het streven naar een verdergaande individualisering van uitkeringsrechten. De vervolguitkering kent immers geen toetsing aan het inkomen van de partner. De vervolguitkering, die destijds de duur van een jaar had, had mede ten doel, «een vloeiende overgang te bereiken tussen de regelingen op grond van de loondervingsfunctie en die op grond van de minimumbehoeftefunctie, door uitstel van toepassing van de inkomenstoets op de volledige uitkering».1

Bij de keuze voor maatregelen waarmee de werkloosheidslasten kunnen worden beperkt en het activerende karakter van de WW kan worden versterkt, zijn verschillende modaliteiten denkbaar. Geplaatst voor de noodzaak tot het maken van keuzes ziet de regering in de wens tot individualisering van uitkeringsrechten onvoldoende aanleiding om de vervolguitkering in stand te laten.

Werknemers die voldoen aan de wekeneis en de arbeidsverledeneis, hebben recht op een WW-uitkering van minimaal 2,5 jaar en maximaal 7,5 jaar. De verhoudingsgewijs lange duur van de WW-uitkering (loongerelateerde én vervolguitkering) staat op gespannen voet met de gewenste activering in het stelsel van sociale zekerheid. Uit onderzoek is gebleken dat werklozen anticiperen op een eventuele verlaging van hun uitkering in die zin dat werklozen die een verlaging te wachten staat, sneller uitstromen dan andere werklozen.2 De afschaffing van de vervolguitkering versterkt dus de prikkel tot werkhervatting en daarmee het activerende karakter van de WW. Als gevolg hiervan wordt de arbeidsparticipatie bevorderd. De werkloosheid zal structureel op een lager niveau uitkomen.

1  Kamerstukken II 1985/86, 19 261, nr. 3.

2  «Riant aan de kant: Een analyse van de invloed van uitkeringsvoorwaarden op werkloosheidsduur». Rapport Statistiek en Onderzoek GAK, juli 1991.

Het afschaffen van de vervolguitkering leidt ertoe dat werknemers bij voortdurende werkloosheid eerder aangewezen kunnen zijn op een bijstandsuitkering of een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) indien het oudere of gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers betreft. Door werkhervatting in de loongerelateerde fase van de uitkering kan de werknemer dit gevolg echter ontlopen. De verslechterde economische omstandigheden en de toenemende werkloosheid kunnen de werkhervattingkansen negatief beïnvloeden. De WW kent echter nu ook meer reïntegratie-instrumenten waardoor werknemers meer ondersteuning op dit gebied krijgen en snellere reïntegratie verwacht kan worden. De WW-gerechtigde die niet in staat is zelf de weg naar de arbeidsmarkt te vinden, krijgt binnen één jaar een traject of instrument aangeboden dat gericht is op het verkleinen of opheffen van de afstand tot de arbeidsmarkt (sluitende aanpak). Doel van dit beleid is het voorkomen van langdurige werkloosheid.

Uit de evaluatie van de sluitende aanpak WW begin 2003 is gebleken dat 93% van de uitkeringsgerechtigden die onder de doelgroepdefinitie vallen, binnen één jaar na de eerste werkloosheidsdag werk hebben gevonden of een traject is aangeboden. Het doel blijft om op termijn een 100% sluitende aanpak te realiseren.

Om dit beleid verder te optimaliseren zijn prestatieafspraken gemaakt over de volgende onderwerpen: het streven naar sluitende aanpak, de mate van uitstroom en een snelle start van reïntegratietrajecten. Zo is in het jaarplan van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) opgenomen dat er in 2004 een sluitende aanpak WW van 95% moet zijn, dat 50% van de trajecten moet leiden tot duurzame uitstroom (dus mini-

maal een dienstverband van 6 maanden) en dat 85% van de reïntegratie-trajecten binnen vier weken na vaststelling van de afstand tot de arbeidsmarkt aangemeld moet zijn bij een reïntegratiebedrijf. Deze afspraak is gemaakt omdat gebleken is dat een snelle en korte interventie veelal het meeste succes geeft bij de reïntegratie van WW-gerechtigden. De soms gecompliceerde problematiek waar (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten mee te maken krijgen bij het vinden van een baan vergt een andere aanpak dan de reïntegratie van werklozen. Werklozen die gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, hebben met betrekking tot reïntegratie dan ook de beschikking over het instrumentarium uit de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (REA). De REA bevat een keur aan instrumenten die toegesneden zijn op de problematiek van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten. Uiteraard speelt ook hier een snelle interventie een rol. Daarom zijn met het UWV ook afspraken gemaakt over de sluitendheid en snelheid waarmee arbeidsongeschikten worden gereïntegreerd. Daarnaast treft de regering maatregelen om de werkloosheid bij bijzondere groepen op de arbeidsmarkt, zoals bijvoorbeeld jongeren (het Plan van aanpak jeugdwerkloosheid is 30 juni naar de Tweede Kamer gestuurd; Kamerstukken II 2002/03, 23 972, nr. 64) en ouderen (zie paragraaf 3) terug te dringen.

  • 3. 
    De gevolgen voor oudere werknemers

Werknemers die op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar en ouder zijn hebben recht op (maximaal) 3,5 jaar vervolguitkering. Deze regeling zorgt ervoor dat deze werknemers vrijwel altijd tot 65 jaar een WW-uitkering kunnen ontvangen. Op deze wijze wordt voorkomen dat oudere werknemers, die vrijgesteld zijn van diverse verplichtingen gericht op arbeidsin-passing, zich voor een relatief korte periode dienen te wenden tot een ander uitvoeringsorgaan en worden geconfronteerd met de toets op het inkomen van de partner van de IOAW.

Het beleid gericht op bevordering van de arbeidsparticipatie van ouderen brengt met zich mee dat de positie van oudere werknemers steeds meer genormaliseerd wordt. De verplichtingen gericht op arbeidsinpassing zijn c.q. worden ook van toepassing op oudere werknemers. Sinds 1 mei 1999 geldt al geen ontheffing meer van de verplichting tot inschrijving bij de Centrale organisatie werk en inkomen en van de verplichting tot aanvaarding van aangeboden passende arbeid, voor werknemers die op of na die datum 57,5 jaar werden. De ontheffing van de actieve sollicitatieplicht en van de plicht mee te werken aan reïntegratietrajecten wordt met ingang van 1 januari 2004 afgeschaft. Daarnaast heeft de regering een wetsvoorstel ingediend dat een werkgeversbijdrage introduceert in de werkloosheidslasten van werknemers van 57,5 jaar of ouder. Het wetsvoorstel beoogt met de financiële prikkel werkgevers te stimuleren, af te zien van ontslag van werknemers van 57,5 jaar of ouder. De gedachte is dat op deze manier de arbeidsparticipatie van oudere werknemers gestimuleerd wordt1.

Nu de bijzondere positie van oudere werknemers m.b.t. de verplichtingen gericht op arbeidsinpassing verdwijnt ligt het, naar de mening van de regering, in de rede ook de bijzondere positie van oudere werknemers waar het betreft de duur van de vervolguitkering, te beëindigen. Het afschaffen van de vervolguitkering voor oudere werknemers zal de WW minder aantrekkelijk maken als afvloeiingsregeling en zal oudere werknemers stimuleren om langer door te werken. Daarnaast kan het werkloze ouderen stimuleren om weer aan het arbeidsproces deel te gaan nemen. De regering is zich er daarbij van bewust dat er maatregelen nodig zijn om de kansen van ouderen op de arbeidsmarkt te vergroten. De regering wil

Kamerstukken II 2002/03, 28 862.                     de arbeidsparticipatie van ouderen bevorderen langs meerdere sporen.

Naast de bovengenoemde maatregelen zijn daartoe ook andere maatregelen genomen. Zo ontvangen werkgevers, die een werknemer van 57 jaar of ouder in dienst hebben, een korting op de basispremie van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Op deze manier worden loonkosten van oudere werknemers lager. Daarnaast stimuleert de verhoogde arbeidskorting werknemers vanaf 58 jaar om langer te blijven werken. Dit fiscale voordeel wordt groter naar mate de leeftijd toeneemt.

Verder is in 2001 de Taskforce Ouderen en Arbeid ingesteld. Deze Task-force heeft als taak een gewenste mentaliteitsverandering bij zowel werkgevers als werknemers te bewerkstelligen. De Taskforce is breed samengesteld en bestaat uit vertegenwoordigers van werkgevers- en werknemersorganisaties, minderheden, ouderenbonden, wetenschap, politiek en media. De Taskforce heeft voor 2003 middelen ter beschikking gekregen om zelf initiatieven te nemen dan wel te ondersteunen. Projecten zijn in gang gezet om «good practices» te stimuleren en te verbreiden. Het is te verwachten dat de Taskforce oplossingen zal voorstellen voor het wegnemen van mogelijke belemmeringen. De Taskforce doet eind 2003 aanbevelingen. Op basis hiervan zal een kabinetsstandpunt aan de Tweede Kamer worden aangeboden. Het inzetten van instrumenten als scholing, scholingsverlof en loopbaanontwikkeling gericht op duurzame inzetbaarheid van werknemers van alle leeftijden is nadrukkelijk een verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers waarbij de overheid een ondersteunende rol vervult.

Feitelijk zal het afschaffen van de vervolguitkering vooral gevolgen hebben voor de «jongste» groep oudere werknemers, de werknemers die tussen de 57,5 en 60 jaar zijn als zij werkloos worden. Werknemers die 60 jaar zijn op de eerste werkloosheidsdag, zullen – indien zij voldoende feitelijk arbeidsverleden hebben – recht hebben op 5 jaar loongerelateerde uitkering. Zij blijven tot hun 65ste jaar recht op WW-uitkering houden. De oudere werknemers die door deze maatregel niet langer tot 65 jaar recht houden op WW-uitkering, kunnen in aanmerking komen voor een IOAW-uitkering. De IOAW wordt hiertoe gewijzigd.

  • 4. 
    Overgangsrecht

De afschaffing van de vervolguitkering geldt voor werknemers van wie de eerste werkloosheidsdag op of na 11 augustus 2003 ligt. Deze werknemers zullen na het verstrijken van de duur van de loongerelateerde WW-uitke-ring geen vervolguitkering ontvangen. De regering gaat er hierbij van uit dat het onderhavige voorstel uiterlijk per 1 januari 2004 in werking treedt. Indien de wetswijziging op 11 februari 2004, of kort daarna, in werking zou treden, dan kan een beperkte groep WW-gerechtigden nog enige tijd recht op een vervolguitkering krijgen. Het gaat in dat geval om werknemers met een kort arbeidsverleden tot 5 jaar. De vervolguitkering van de betreffende werknemers wordt beëindigd bij de inwerkingtreding van het onderhavige voorstel. De afschaffing van de vervolguitkering heeft in dat geval geen consequenties voor de na 11 februari 2004 ontvangen uitkeringen.

Werknemers die vóór 11 augustus 2003 werkloos zijn geworden, behouden na afloop van de loongerelateerde fase nog recht op een volledige vervolguitkering. Aanvankelijk had de regering het voornemen om voor alle werknemers die bij de inwerkingtreding van de wet een loongerelateerde WW-uitkering ontvingen, de duur van de vervolguitkering te beperken tot 1 jaar. Een maatregel van die strekking was opgenomen in het voorstel tot wijziging van de Werkloosheidswet in verband met de beperking van de duur van de vervolguitkering. In zijn advies van 11 juni 2003 over dit wetsvoorstel was de Raad van State van oordeel dat ten

aanzien van het daarin voorgestelde overgangsrecht een ruimere toepassing van de eerbiedigende werking was geboden.

Ook het UWV had om uitvoeringstechnische redenen bezwaar tegen de duurbeperking van de vervolguitkering voor alle WW-gerechtigden met een loongerelateerde uitkering. In het kader van het Hoofdlijnenakkoord was inmiddels besloten tot volledige afschaffing van de vervolguitkering. Naar aanleiding van de bezwaren van de Raad van State en het UWV is overwogen om de afschaffing van de vervolguitkering alleen van toepassing te laten zijn op werknemers die vanaf de inwerkingtreding van de wet werkloos worden. Omdat het lopende bestand op deze manier volledig recht op de vervolguitkering behoudt, zou dit echter leiden tot aanzienlijke besparingsverliezen ten opzichte van de te realiseren besparingen, wanneer ook de duur van de vervolguitkering van het lopende bestand beperkt zou worden. Het besparingsverlies zou hierbij 86 miljoen euro bedragen tot en met 2007. Dit besparingsverlies staat overigens los van een eventueel besparingsverlies vanwege aankondigingseffecten. De regering achtte dit besparingsverlies onverantwoord met het oog op de budgettaire problematiek die juist noopt tot verdergaande bezuinigingen. Zij heeft daarom besloten om de afschaffing eveneens te laten gelden voor werknemers die op of na 11 augustus 2003 werkloos zijn worden. De regering acht dit aanvaardbaar omdat het voorstel tot afschaffing van de vervolguitkering op 8 augustus 2003 door middel van een persbericht kenbaar is geworden. Bovendien zal het UWV de werknemers die tussen 11 augustus 2003 en de inwerkingtreding van de wet werkloos worden (naar verwachting ongeveer 120 000 personen), informeren over de consequenties van het voornemen tot afschaffing van de vervolguitkering en het daarvoor geldende overgangsrecht.

Verder beperkt het gekozen overgangsrecht de maatregel tot personen met recente werkervaring. Zij kunnen zich tijdens de duur van hun loongerelateerde uitkering (minimaal 6 maanden en maximaal 5 jaar) instellen op de gewijzigde situatie. De uitvoeringstechnische problemen die het UWV voorzag bij wijziging van de duur van de vervolguitkering voor het gehele lopende bestand, zullen bij het onderhavige voorstel navenant minder zijn.

Naast werknemers die vóór 11 augustus 2003 werkloos zijn geworden, behouden ook werknemers die op of na 11 augustus 2003 werkloos worden na afloop van de loongerelateerde fase nog recht op een volledige vervolguitkering, indien de aanzeggingsdatum van de opzegging of de ontbindingsbeschikking van de kantonrechter is gelegen vóór 11 augustus 2003. Met de aanzegging van de opzegging wordt bedoeld de brief die de werkgever stuurt naar de werknemer en waaruit is op te maken wanneer het einde van de dienstbetrekking ingaat. Bij de kantonrechtersprocedure is gekozen voor het moment van de uitspraak van de kantonrechter. In de meeste gevallen bevat deze uitspraak de datum van het einde van de dienstbetrekking.

Voor deze eerbiedigende werking is gekozen, omdat op het moment dat voor deze categorie werknemers het ontslag is aangezegd, voor hen nog de verwachting gold dat zij in aanmerking zouden komen voor een vervolguitkering op de WW-uitkering. Werkgever en werknemer konden zich voor 11 augustus 2003 geen rekenschap geven van de gewijzigde situatie. De Raad van State heeft in haar advies om aandacht voor deze categorie werknemers gevraagd.

Het afschaffen van de vervolguitkering zou met name in de eerste jaren na inwerkingtreding kunnen betekenen dat een werknemer die vóór 11 augustus 2003 recht heeft gekregen op een WW-uitkering (met daarbij horende vervolguitkering), door een werkhervatting waarna een nieuw recht op uitkering ontstaat, in uitkeringsduur slechter af is dan een werknemer die voortdurend werkloos is gebleven. Hiervan zal sprake zijn

indien de werknemer in de eerste jaren na de eerste werkloosheid in een zodanig aantal weken heeft gewerkt dat hij een nieuw recht op WW-uitkering krijgt toegekend. Om dit mogelijk nadelige effect van werkhervatting te voorkomen wordt een regeling voorgesteld waarbij na afloop van de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering voor deze werknemers alsnog een vervolguitkering wordt toegekend, die uiterlijk eindigt op het moment waarop het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn geëindigd bij voortdurende werkloosheid.

Bij het overgangsrecht is rekening gehouden met het Toetsingskader overgangsrecht.1 Hoewel het wetsvoorstel onmiddellijke werking heeft voor werknemers die op of na 11 augustus 2003 werkloos worden, heeft de afschaffing van de vervolguitkering feitelijk gevolgen vanaf 11 februari 2004 (zes maanden later). Vanaf dat moment kunnen namelijk de eerste werknemers met een loongerelateerde uitkering van zes maanden, de maximale uitkeringsduur van hun loongerelateerde uitkering bereiken en geen aanspraak meer maken op een vervolguitkering WW. Daarnaast is eerbiedigende werking toegepast voor de categorie werknemers die zich geen rekenschap konden geven van de gewijzigde situatie.

  • 5. 
    Commentaren naar aanleiding van het wetsvoorstel

Het wetsvoorstel is voor commentaar met betrekking tot de uitvoerbaarheid voorgelegd aan het UWV en voor de toezichtbaarheid aan de Inspectie werk en inkomen (IWI). Het voorstel behelsde destijds het voorstel om de vervolguitkering te beperken tot een jaar voor uitkeringsgerechtigden met een loongerelateerde uitkering.

Het commentaar van het UWV heeft vrijwel geheel betrekking op het eerdere voornemen om de duur van de vervolguitkering te beperken voor het gehele lopende bestand. Het UWV wijst erop dat het volledige bestand WW-gerechtigden met een loongerelateerde uitkering geïnformeerd zal moeten worden over de wetswijziging en de gevolgen die dit heeft voor de duur van de uitkering. De impact daarvan op de organisatie van de uitvoering is groot. Het UWV geeft aan dat implementatie van het wetsvoorstel minder ingrijpend, minder kostbaar en minder tijdrovend zou zijn als de duur van de vervolguitkering voor het lopende bestand WW-uitke-ringen niet wordt gewijzigd. In een aanvullend commentaar heeft het UWV aangegeven dat met name de te verwachten extra bezwaar- en beroepszaken tot extra kosten en moeilijk te realiseren personeelsuitbreiding zou leiden. Het UWV pleit ervoor af te zien van het voornemen de duur van de vervolguitkering te beperken voor het lopende bestand.

Naar aanleiding van dit commentaar moet allereerst worden opgemerkt dat de bezwaren van het UWV grotendeels worden ondervangen door de beperking van de onmiddellijke werking. De afschaffing van de vervolguitkering geldt immers alleen voor werknemers die vanaf 11 augustus 2003 instromen, en niet meer voor het gehele lopende bestand. Beperking van de afschaffing van de vervolguitkering voor uitsluitend de nieuwe instroom vanaf inwerkingtreding zou voor het UWV minder werk opleveren dan het onderhavige voorstel. Dit zou echter ook betekenen dat de besparingen die met deze maatregel beoogd zijn niet worden gehaald en de activeringsprikkel verder wordt uitgesteld. De regering is van mening dat het belang van dit wetsvoorstel opweegt tegen de kosten en inspanningen die het UWV zich zal moeten getroosten om de noodzakelijke wijzigingen door te voeren. Het UWV kan nieuwe werklozen vanaf 11 augustus 2003 al informeren over de afschaffing van de vervolguitkering.

Kamerstukken I 25 900, EK 87, nr. 87b.              De IWI acht de doelstellingen van het voorstel helder en meetbaar.

  • 6. 
    Financiële gevolgen

De voorgestelde maatregel om de vervolguitkering af te schaffen leidt tot een besparing in de uitgaven van de WW en de Toeslagenwet (TW). De maatregel geldt voor personen die vanaf 11 augustus 2003 recht krijgen op een loongerelateerde uitkering. Voor werknemers die voor deze datum een loongerelateerde of vervolguitkering ontvingen, blijft het oude uitkeringsrecht intact. Vanwege de (grotendeels) eerbiedigende werking zal het circa 7 jaar duren alvorens het structurele effect van de maatregel bereikt wordt. In de tussenliggende periode geldt een ingroeipad.

Op grond van cijfers van het UWV is te concluderen dat er eind 2002 ongeveer 40 000 vervolguitkeringen werden verstrekt. Rekening houdend, enerzijds met de verwachte oploop in het aantal WW-uitkeringen vanwege de minder gunstige conjunctuur in de komende jaren, en anderzijds met het genoemde ingroeipad om tot de structurele besparing te komen, zal het bespaarde bedrag aan uitkeringslasten WW en TW in de loop van de jaren toenemen. De geraamde besparingen, inclusief uitvoeringskosten, lopen op van 22 miljoen euro in 2004 naar 312 miljoen euro in 2007. Structureel bespaart de afschaffing van de vervolguitkering 502 miljoen euro. Bij de ramingen is rekening gehouden met het ontzien van hen die de WW ingestroomd zijn op of na 11 augustus 2003, maar voor wie de ontslagaanzegging vóór deze datum lag. De kosten van dit overgangsrecht zijn separaat weergegeven.

Het voorstel heeft naar verwachting een klein verlagend effect op de uitvoeringskosten van het UWV. Er hoeven immers op jaarbasis gezien minder WW-uitkeringen te worden verstrekt. Naast deze structurele besparing op de uitvoeringskosten vanwege een lager uitkeringsvolume, zullen er éénmalige invoeringskosten met deze maatregel gemoeid zijn.

Tegenover de besparingen die optreden bij de WW en TW staat een weglekeffect van uitkeringslasten naar het Fonds Werk en Inkomen (FWI). Het gaat hierbij om personen die er na afloop van de loongerelateerde uitkering (nog) niet in zijn geslaagd om een baan te vinden en die bovendien voldoen aan de partneren middelentoets van de Algemene bijstandswet (Abw)1 of aan de partnertoets van de IOAW (voor personen die op de eerste werkloosheidsdag ouder waren dan 50 jaar). Via de ontwikkeling van het Gemeentefonds (deze is gekoppeld aan de ontwikkeling van de netto-rijksuitgaven) worden de gemeenten overigens gecompenseerd voor het opwaartse effect dat de maatregel heeft op de uitvoeringskosten voor het FWI. Naar schatting bedraagt de weglek naar het FWI 40% van de bespaarde lasten in de WW en TW. De omvang van de weglek is voornamelijk gebaseerd op het verwachte effect van de partner- en vermogenstoets.

Onderstaande tabel geeft een overzicht van de geraamde besparingen bij de WW en TW en de weglekeffecten naar het FWI.

1 Vanaf 1 januari 2004 wordt de Algemene bijstandswet naar de huidige inzichten vervangen door de Wet Werk en Bijstand (WWB).

Financiële gevolgen van het afschaffen van de vervolguitkering voor nieuwe instroom in de WW vanaf 11 augustus 2003. Instroom voor deze datum behoudt volledig recht.

 

Bedragen in mln. €

2004

2005

2006

2007

Structureel

Besparing op WW/TW

Weglek FWI

Saldo

  • 42 17
  • 25
  • 198

79

  • 119
  • 389 156
  • 233
  • 530 212
  • 318
  • 837 335
  • 502

Kosten overgangsrecht

3

9

10

6

0

Netto effect

  • 22
  • 110
  • 223
  • 312
  • 502

Artikelsgewijze toelichting

Artikel I. Wijziging Werkloosheidswet

Onderdelen A, B, C, en F

De verwijzingen naar de vervolguitkering in de in deze onderdelen genoemde opschriften en artikelen dienen met het vervallen van de vervolguitkering eveneens te komen vervallen.

Onderdeel D

Met het vervallen van Hoofdstuk IIA, Afdeling III, vervalt het recht op vervolguitkering.

Onderdeel E, subonderdeel 1

Indien recht op kortdurende uitkering ontstaat, maar de werknemer tevens nog recht heeft op een oud recht op loondervingsuitkering, prevaleert de herleving van de loongerelateerde uitkering omdat dit qua hoogte van de uitkering even gunstig of gunstiger is voor de werknemer en meestal ook qua duur. Het herleefde recht op loongerelateerde uitkering kan echter een resterende duur hebben die minder bedraagt dan zes maanden. De werknemer zou daardoor qua duur benadeeld kunnen worden, omdat de duur van een kortdurende uitkering 6 maanden bedraagt. Voor deze situatie bepaalt dit subonderdeel dat toch recht op kortdurende uitkering ontstaat na de eindiging van het herleefde recht op loongerelateerde uitkering. De duur van dit recht op kortdurende uitkering wordt echter beperkt tot zes maanden met aftrek van de duur van het herleefde recht op loongerelateerde uitkering.

Onderdeel G

Dit onderdeel betreft het overgangsrecht. Voorgesteld wordt om bij de afschaffing van de vervolguitkering de volgende overgangsregels te hanteren:

De afschaffing zal gelden voor alle rechten op WW-uitkering die op of na 11 augustus 2003, de eerste werkdag na de dag waarop het persbericht dat hieromtrent is uitgegaan, is ontstaan. De huidige duur van de vervolguitkering wordt geëerbiedigd indien er vóór 11 augustus 2003 al recht op een WW-uitkering bestond (eerste lid, onderdeel a). De eerbiedigende werking geldt eveneens voor die situaties, waarin het recht op uitkering ontstaat op of na 11 augustus 2003, maar waarin de datum van de aanzegging van de opzegging van de dienstbetrekking dan wel de datum van de uitspraak waarin de rechter de dienstbetrekking heeft ontbonden, is gelegen vóór 11 augustus 2003 (eerste lid, onderdelen b en c). Met de datum van de aanzegging van de opzegging wordt bedoeld de datum van

de mededeling van de opzegger aan de wederpartij dat de dienstbetrekking tegen een bepaalde datum wordt opgezegd.

Ook de situatie waarin de werkloosheidsuitkering al was ingegaan vóór 11 augustus 2003 maar op die datum tijdelijk was beëindigd, bijvoorbeeld in verband met werkhervatting, en nadien weer herleeft, valt onder de werking van het eerste lid, onderdeel a. Zodra de uitkering herleeft wordt de resterende duur van die uitkering op basis van de oorspronkelijke duur van de vervolguitkering berekend.

De afschaffing van de vervolguitkering zal, nu daarbij geen sprake is van terugwerkende kracht, slechts gevolgen hebben vanaf het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Mocht dit wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, in werking treden op een moment waarop de vervolguitkering reeds is ingegaan voor personen die op of na 11 augustus 2003 werkloos zijn geworden en waarop het eerste lid, onderdeel b of c, niet van toepassing is, dan komt voor hen de vervolguitkering te vervallen vanaf het moment van inwerkingtreding. Deze personen zullen derhalve niet geconfronteerd worden met een terugvordering van, tot aan het moment van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, ontvangen vervolguitkering.

In het tweede lid, onderdeel a, wordt een bijzondere regeling voorgesteld voor uitkeringsgerechtigden die hun vóór 11 augustus 2003 toegekende recht op uitkering, met de daarbij behorende vervolguitkering, na inwerkingtreding van deze wet verliezen omdat zij werkzaamheden zijn gaan verrichten op basis waarvan een nieuw recht op uitkering ontstaat. Onder de regeling vallen ook de personen die op 11 augustus 2003 om die reden geen uitkering genoten. Indien voor deze categorie, waarbij het vóór 11 augustus 2003 toegekende recht op uitkering dus niet meer herleeft, geen overgangsregeling wordt getroffen, betekent dit dat deze uitkeringsgerechtigden op grond van het in het eerste lid getroffen overgangsregime slechts in aanmerking zouden komen voor een werkloosheidsuitkering zonder vervolguitkering. Het kan dan zijn dat een dergelijk persoon ten gevolge van zijn werkhervatting slechter af is dan wanneer hij werkloos was gebleven. Ter verduidelijking volgt hierna een voorbeeld. Een werknemer is op 1 april 2003 werkloos geworden en heeft recht op drie jaar loongerelateerde- en 2 jaar vervolguitkering. Op 1 september 2003 hervat hij het werk en op 1 september 2004 wordt hij opnieuw werkloos. Op grond van de voorgestelde regeling zou hij dan slechts aanspraak kunnen maken op een loongerelateerde uitkering met een duur van drie jaar. Zou hij op 1 september 2003 niet in arbeid zijn hervat dan zou hij op 1 september 2004 nog recht hebben gehad op 1 jaar en zeven maanden loongerelateerde uitkering en vervolgens op 2 jaar vervolguitkering. In welk geval hij dus in totaal 7 maanden langer uitkering zou hebben genoten dan nu hij het werk heeft hervat. Teneinde dergelijke nadelige effecten van werkhervatting te voorkomen wordt voorgesteld om na afloop van de nieuw toegekende loongerelateerde uitkering voor de in het eerste lid bedoelde categorie alsnog een vervolguitkering toe te kennen, die eindigt op het moment dat het oorspronkelijke uitkeringsrecht zou zijn afgelopen indien geen werkhervatting had plaatsgevonden. In onderdeel b wordt een overeenkomstige regeling getroffen voor personen die vallen onder het eerste lid, onderdeel b of c. Ook deze regeling heeft als doel te voorkomen dat werkhervatting negatieve consequenties kan hebben voor een nieuw uitkeringsrecht indien later opnieuw werkloosheid intreedt.

Het derde lid heeft tot gevolg dat de teksten van de in dat lid genoemde artikelen, alsmede de op die artikelen gebaseerde regelgeving, zoals die luidden op de dag voor inwerkingtreding van dit voorstel tot wet, van

toepassing blijven op de in het eerste en tweede lid genoemde overgangssituaties.

In het vierde lid wordt met opzegging als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, gelijkgesteld ontslag als bedoeld in de artikelen 93 en 94 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement (ARAR) of in een overeenkomstige bepaling van een soortgelijke regeling. Dit betekent dat met de aanzegging van de opzegging vergelijkbare situaties voor ambtenaren, te weten de aankondiging van het ontslag door het bevoegde gezag en de voordracht voor ontslag als bedoeld in artikel 93 van het ARAR, en de aanvraag van de ambtenaar om ontslag als bedoeld in artikel 94 van het ARAR, eveneens onder de werking van het eerste lid, onderdeel b, worden gebracht.

Na een periode van circa 8 jaar zullen de in het overgangsrecht geregelde gevallen zich niet meer kunnen voordoen. De maximale uitkeringsduur is thans immers 7,5 jaar.

Artikel II. Wijziging van de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria

Onderdeel A

Met het vervallen van de vervolguitkering in de Werkloosheidswet dient ook de verwijzing daarnaar in de Tijdelijke wet beperking inkomensgevolgen arbeidsongeschiktheidscriteria komen te vervallen. In artikel 3, vierde lid, wordt met een verwijzing naar het recht op uitkering op grond van de verplichte verzekering ingevolge de Werkloosheidswet eveneens het beoogde effect bereikt.

OnderdelenBen C

Nu hoofdstuk IIa, afdeling III, paragraaf 2, van de Werkloosheidswet komt te vervallen dient ook de verwijzing in artikel 5, vierde lid, daarnaar te vervallen. Voor het berekenen van de hoogte van de uitkering blijft het bepaalde in die paragraaf wel van belang. Derhalve wordt voorgesteld om de tekst van de artikelen uit die paragraaf, met inachtneming van de daarvoor noodzakelijke technische aanpassingen, op te nemen in de artikelen 5a en 5b. In artikel 5a, vijfde lid, wordt dan tevens het huidige vijfde lid van artikel 5 opgenomen.

Artikel III. Wijziging van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers

Tengevolge van de afschaffing van de vervolguitkering is de duur van de werkloosheidsuitkering niet langer zodanig dat iemand die op of na de leeftijd van 57,5 jaar recht op een werkloosheidsuitkering krijgt ook in alle gevallen tot aan de leeftijd van 65 jaar recht op uitkering heeft. Derhalve wordt voorgesteld in artikel 2, onderdeel a, ten tweede, van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers de bovengrens van 57,5 jaar te laten vervallen.

Artikel IV. Inwerkingtreding

In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat de afschaffing van de vervolguitkering met name geldt voor personen wier eerste werkloosheidsdag gelegen is op of na 11 augustus 2003 (zie de toelichting op artikel I, onderdeel G). Teneinde onzekerheid omtrent de uitkeringsduur voor betrokkenen die na die datum maar voor de dag van inwerkingtreding van dit wetsvoorstel werkloos zijn geworden zoveel mogelijk te beperken wordt

het uiterst wenselijk geacht het wetsvoorstel, nadat het tot wet is verheven, zo spoedig mogelijk in werking te laten treden. De afschaffing van de vervolguitkering wordt aldus zo min mogelijk van toepassing op werknemers die reeds werkloos zijn bij de inwerkingtreding van het wetsvoorstel.

Op grond van artikel 12, eerste lid, van de Tijdelijke referendumwet moeten er ten minste 6 weken gelegen zijn tussen de mededeling van de bekrachtiging van een referendabele wet in de Staatscourant en het tijdstip van inwerkingtreding van die wet. Gelet op de tijdspanne gelegen tussen het tijdstip van indiening van dit wetsvoorstel en het gewenste tijdstip van inwerkingtreding wordt in de inwerkingtredingbepaling de mogelijkheid opgenomen toepassing te geven aan artikel 16 van de Tijdelijke referendumwet en derhalve een uitzondering te maken op artikel 12 van die wet.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. J. de Geus

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.