Nota n.a.v. het verslag - Regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2003–2004

29 529

Regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen)

Nr. 7

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 14 juni 2004

Met belangstelling heeft de regering kennis genomen van het verslag van de Vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid.De vragen worden mede beantwoord namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Financiën en de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.Deze nota naar aanleiding van het verslag gaat vergezeld van een nota van wijziging.

  • 1. 
    Inleiding

1.1 Algemeen

De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoeveel de gegevensuitvraag bij werkgevers daadwerkelijk vermindert na invoering van het wetvoorstel Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) en de invoeringswet.Deze leden vragen of de regering kan aangeven, welke gegevensstromen zich nu voordoen en hoe omvangrijk die zijn.Verder willen zij weten welke gegevensstromen zich na invoering van het wetsvoorstel zullen voordoen en of het aantal keren dat gegevens worden uitgevraagd verminderen of toenemen na invoering van dit wetsvoorstel.

Op dit moment onderkennen we de volgende berichtenstromen die door de voorgestelde wijzingen komen te vervallen of worden vereenvoudigd door het maandelijks of per 4 weken uitvragen van gegevens via de loon-aangifte 2006.Zoveel mogelijk wordt de omvang van de stroom aangeduid.

  • • 
    De Jaarloonopgave SV: Jaarlijks doen alle werkgevers via dit bericht aan het UWV opgave van het SV-loon dat in een kalenderjaar is uitbetaald aan hun werknemers.Het gaat om ca 10 miljoen berichten.Deze stroom komt te vervallen.
  • • 
    De Loonbelastingkaart: Jaarlijks doen alle inhoudingsplichtigen (werkgevers, uitkeringsinstanties, etc.) via dit bericht aan de Belastingdienst opgave van het aan de loonheffing onderworpen loon dat in een kalenderjaar is uitbetaald aan werknemers en ontvangers van uitkeringen. Het gaat dan om ca 16 miljoen berichten.Deze stroom komt te vervallen.
  • • 
    De Melding Sociale Verzekeringen: Door middel van deze melding doet

de werkgever aan UWV opgave van aanvang, einde en belangrijke wijzigingen in de dienstbetrekking.Het gaat om ca 6 miljoen berichten per jaar.Deze stroom komt te vervallen.

  • • 
    De aangifte loonbelasting: Periodiek (veelal per kwartaal) doet de inhoudingsplichtige opgave van het collectieve loon over de afgelopen periode en van het bedrag dat hij zal afdragen over die periode.Het gaat om ca 3,5 miljoen berichten.Deze stroom komt te vervallen.
  • • 
    Gegevensuitvraag bij claimbeoordeling: Een groot deel van de gegevensuitvraag in het kader van de claimbeoordeling gericht op het bepalen van recht, duur en hoogte van de uitkeringen voor de werknemersverzekeringen vervalt.Ten behoeve van bijvoorbeeld het vaststellen van verwijtbare werkloosheid blijft het noodzakelijk informatie uit te vragen.
  • • 
    Verzekeringsverklaring Zfw Werkgever: De werkgever moet in een aantal situaties wijzigingen in de verzekeringssituatie van de werknemer via deze verklaring doorgeven aan de Ziekenfondsen.Het gaat dan met name om de aan- en afmeldingen van dienstverbanden.Het gaat om ca 10 miljoen berichten.Deze stroom komt te vervallen.Per 1 januari is reeds een aanvang genomen met de verstrekking van deze gegevens via de verzekerdenadministraties van UWV.Met de invoering van de polisadministratie wordt deze vereenvoudiging geconsolideerd.
  • • 
    Enquête Werkgelegenheid en Lonen (EWL): Deze enquête is gericht op het verkrijgen van informatie over aanvang, einde en omvang van dienstverbanden.Het gaat om ca 250 000 gegevensleveringen per jaar. Op basis van de voorgestelde gegevensuitvraag via de loonaangifte vervalt deze uitvraag.

Het verbaast de leden van de CDA-fractie dat het vervangen van de jaaraangifte van alle werknemers door een maandaangifte leidt tot een administratieve lastenverzwaring van 9 miljoen euro per jaar.Deze leden vragen hoe dit bedrag is berekend en of dit bedrag rekening houdt met het ongetwijfeld grote aantal correctieberichten dat verstuurd zal worden. De leden van de CDA-fractie zien graag een gedetailleerd antwoord tegemoet.

Per 1 januari 2003 is het voor een aantal inhoudingsplichtigen mogelijk geworden om niet per maand, maar per jaar aangifte loonbelasting te doen.Hiermee werd een administratieve lastenverlichting bereikt van € 9 mln.Met onderhavig wetsvoorstel vervalt deze faciliteit.Immers, in de regel doet iedere werkgever/inhoudingsplichtige per maand of vier weken aangifte doen.Daarmee komt de eerdere administratieve lastenverlichting te vervallen en is er dus sprake van een lastenverzwaring van € 9 mln. Overigens is er geen relatie met correctieberichten.Met de ingediende nota van wijziging wordt voorgesteld om de correctieberichten te koppelen aan de aangifte.Op deze wijze wordt voorkomen dat er naast een reguliere stroom berichten ook een incidentele stroom zou ontstaan die op andere momenten moet worden ingediend dan de reguliere stroom.

Ten aanzien van de frequentie van een correctiebericht merkt de regering het volgende op.Correctieberichten moeten ingediend worden in de situatie dat er bij de beoordeling van loonbestanddelen een verkeerde inschatting is gemaakt of als er sprake is van onjuiste gegevens.Als een werkgever bijvoorbeeld € 1 200 belast loon uitbetaalt en € 300 aan onbelaste kostenvergoedingen en vervolgens blijkt dat een gedeelte van het belaste loon alsnog onbelast blijkt te zijn, dient hij een correctiebericht in te dienen.

Voor de duidelijkheid: het gaat hier niet om nabetalingen.Een voorbeeld van een nabetaling is een overwerkvergoeding over januari die in maart wordt uitbetaald.Dit loon wordt pas in maart genoten en leidt niet tot een

correctiebericht.De nabetaling zal in de aangifte over maart moeten worden aangegeven.Dit is niet anders dan thans het geval is.

De leden van de CDA-fractie wijzen op het kabinetsvoornemen een Burger Service Nummer (hierna: BSN) in te voeren en daarmee het sociaal fiscaal nummer te vervangen.De beoogde ingangsdatum van beide voorstellen valt samen op 1 januari 2006.Zij vragen zich af of het nieuwe BSN overeen zal komen met het sofinummer voor diegenen, die al een sofi-nummer bezitten.Ook vragen zij zich af welke gevolgen het invoeren van het nieuwe nummer zal hebben voor de voorliggende wetsvoorstellen en of het PANA-bericht, dat op 1 juli 2004 definitief wordt vastgesteld, het sofinummer bevat of het BSN en of het BSN dan al bekend is.

Het voornemen van het kabinet betreft een Burger Service Nummer (BSN) dat als nummer geheel gelijk is aan het sofinummer.Voor degenen die al een sofinummer bezitten, zal het nieuwe BSN dus overeenkomen met het huidige sofinummer.Personen die vanaf de invoering daarvan een BSN krijgen, gebruiken dit nummer ook als sofinummer in het sociale en fiscale domein.Het sofinummer blijft hiermee als sectornummer in het sociale en fiscale domein gehanteerd worden en kan gezien worden als een juridisch goed gedefinieerde en beheerste verschijningsvorm van het BSN (Kamerstukken II 2003/04, 29 362, nr.15, blz.2).Doordat het BSN en het sofinummer voor een persoon aan elkaar gelijk zijn, heeft de invoering van het BSN geen gevolgen voor de voorliggende wetsvoorstellen en de inhoud van de loonaangifte.Wel wordt met de invoering van het BSN mede beoogd dat de kwaliteit van persoonsnummeruitgifte en -beheer verbetert.Onder andere door betere afstemming tussen persoonsregisters binnen de overheid en verdere professionalisering van de nummer-uitgifte.

De leden van de CDA-fractie vragen welke onderzoeken en welke type onderzoeken Belastingdienst en UWV in 2003 hebben uitgevoerd en welke onderzoeken uitgesplitst naar type na invoering van het wetsvoorstel plaatsvinden.Ook vragen zij naar de precieze besparing die dit oplevert.

De Belastingdienst kent ten aanzien van de belastingheffing in het algemeen en controles in het bijzonder de werkwijze van integrale en actuele klantbehandeling.Op basis van actuele risicosignalen wordt gewogen of en in welke mate controle noodzakelijk is.Vanuit het uitgangspunt van de integrale klantbehandeling beperkt de controle zich veelal niet tot één belastingmiddel als de loonheffing, maar omvat vaak twee of meer belastingmiddelen.In 2003 heeft de Belastingdienst in totaal zo’n 24 500 controles uitgevoerd waar de loonheffing onderdeel van heeft uitgemaakt. Onderverdeeld naar soort onderzoek betreft het:

.Boekenonderzoeken                                                                               17500

.Waarnemingen ter plaatse                                                                      3500

.Startersbezoeken                                                                                      3500

UWV heeft in 2003 de volgende controles uitgevoerd:

.Reguliere looncontroles (boekenonderzoeken)                                   32 000

.Bijzondere controles (boekenonderzoeken)                                         11500

.Waarnemingen ter plaatse                                                                    18500

Bij de controle gaat de Belastingdienst uit van risicoselectie.Dat wil zeggen dat de mate en de wijze van toezicht onder meer afhankelijk is van het fiscale belang, en na invoering van de samenwerking ook van het belang van de premieheffing werknemersverzekeringen.Door de samenvoeging neemt het financiële belang voor de Belastingdienst van de heffingen in de loonsfeer aanzienlijk toe.

Inherent aan deze risicogerichte benadering is dat het aantal onderzoeken dat zal worden uitgevoerd niet exact valt aan te geven.Het naar de Belastingdienst overkomend controlepersoneel zal in de eerste jaren naast de controles op het terrein van de werknemersverzekeringen worden ingezet in de aanpalende controleterreinen binnen de loonheffing.Daarnaast worden de controlemedewerkers van de Belastingdienst in de loonheffing opgeleid voor de controles van de werknemersverzekeringen en – gefaseerd – ingezet op dit nieuwe werkveld.Zoals thans ook voor de belastingmiddelen geldt, zal de aandacht in het toezicht op het terrein van de loonheffing/werknemersverzekeringen toenemen naarmate de handhavingsrisico’s groter blijken te zijn.Deze ontwikkelingen en maatregelen bieden een belangrijke waarborg voor de aandacht in het toezicht op de werknemersverzekeringen.

Gezien het voorgaande valt geen inzicht te geven in de besparingen bij de controle.Een nog lopend traject dat hier mede op van invloed is, namelijk de invulling van de 800 fte’s die overgaan naar de Belastingdienst, is nog in volle gang.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering het eens is met de redenering dat het hoger gelegen doel in de wet moet worden vastgelegd. Het gaat naar de mening van de betreffende leden dan om: werk gaat voor uitkering, het zo mogelijk beperken van het WAO-volume, een goede balans tussen rechtmatigheid en doeltreffendheid, preventie voor repressie, fraudebestrijding, de overheid als klantgerichte, efficiënte en effectieve uitvoerder van taken.

De regering is het er mee eens dat de doelen in de wet moeten zijn opge-nomen.Als het vervolgens gaat om de doelen die met deze wet worden beoogd, naast de in de considerans reeds genoemde, kan de regering de leden van de PvdA-fractie ten dele volgen.Met name waar het gaat om een goede balans tussen rechtmatigheid en doeltreffendheid, preventie voor repressie, fraudebestrijding, de overheid als klantgerichte, efficiënte en effectieve uitvoerder van taken, kan de regering zich vinden in de door deze leden gegeven redenering.

De regering kan zich daar echter niet in vinden als het erom gaat dat deze wetsvoorstellen tot doel hebben om werk boven uitkering te stellen en het zomogelijk beperken van het WAO-volume.Ten aanzien van deze laatste doelstelling geldt dat deze wetsvoorstellen geen verandering aanbrengen in het instrumentarium voor bijvoorbeeld het reïntegreren van uitkerings-gerechtigden.Voorzover deze onderwerpen voorkomen in dit wetsvoorstel betreft het overzetten van de bepalingen uit de WAO, ZW en Wet REA maar zijn deze instrumenten niet in het kader van dit wetsvoorstel inhoudelijk op hun effecten beoordeeld.

De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering om alle relevante artikelen aan te passen aan de door de Kamer aangenomen motie Noorman c.s.nr.28 219 en 28 371 nr.23.Voorts vragen deze leden om meer helderheid te verschaffen in de precieze taakverdeling tussen UWV en Belastingdienst voor het heffingsbeleid.In de aanhef van de inleiding stelt de regering namelijk dat de heffing van de premieafdrachten naar de Belastingdienst overgaat.Dit lijkt de leden van de PvdA-fractie een misvatting, aangezien de minister van SZW daarover gaat.

In de betreffende motie wordt de regering verzocht de taakverdeling tussen de minister van SZW en de staatssecretaris van Financiën zodanig in de Wfsv te verankeren, dat de beleidsbeslissingen die de individuele gevallen overstijgen over het eigenrisico ZW/WAO, de premiedifferentiatie en de sectorindeling door of namens de minister van SZW worden afge-daan.De in de motie verzochte wettelijke verankering van de taakverde-

ling tussen SZW en Financiën is vastgelegd in het voorliggende wetsvoor-stel.De minister van SZW stelt de basispremie WAO en de Regeling indeling van het bedrijfs- en beroepsleven in sectoren vast.UWV stelt (onder goedkeuring van de minister van SZW) in het kader van de premiedifferentiatie WAO het rekenpercentage, het gemiddelde percentage en de gedifferentieerde premie per branche voor de kleine werkgevers vast.Ook stelt UWV de premiepercentages voor de wachtgeldfondsen vast. De zogenaamde beleidsregels die het uitvoeringsorgaan zelf ter stroomlijning van de uitvoering treft, vormen een in dit verband apart te noemen categorie.De bevoegdheid tot het treffen van beleidsregels op de drie in de motie genoemde terreinen gaat per 2006 over op de staatssecretaris van Financiën.Als het de materiewet raakt, zal de beleidsregel totstandkomen in overleg met de betrokken bewindspersonen.Dit is reeds de praktijk bij de uitvoering van de premieheffing van de volksverzekeringen en Zfw-zelfstandigen.

Voorts stellen de leden van de PvdA-fractie de precieze taakverdeling tussen UWV en Belastingdienst voor het heffingsbeleid in het algemeen aan de orde.Hierover wordt opgemerkt dat de minister van SZW de overige nog niet genoemde premies werknemersverzekeringen (behalve de premie voor de Zfw) vaststelt, waarbij UWV een adviserende rol heeft.

Niet is overwogen – dit in antwoord op vragen van de leden van de VVD-en de PvdA-fractie – de samenwerking tussen UWV en Belastingdienst vorm te geven door de gegevensinwinning centraal onder te brengen in een aparte organisatie, ten dienste van zowel UWV als Belastingdienst, terwijl de inning en heffing door beide organisaties afzonderlijk blijft plaatsvinden.

Een dergelijk model heeft naar onze mening het bezwaar dat er een nieuw orgaan bijkomt, en dat er niet de situatie ontstaat dat er één loket is voor de werkgever.Belastingdienst en UWV zullen in een dergelijke model, naast de nieuwe instantie, contact blijven houden met de werkgever. Hierdoor wordt naar onze mening geen administratieve lastenverlichting bereikt.Daarnaast geldt dat een dergelijk model een nog ingrijpender wijziging is van de bedrijfsprocessen van beide organisaties dan thans wordt voorgesteld.

De leden van de PvdA-fractie en de VVD-fractie merken op dat het merendeel van de gegevens die bij de Belastingdienst zullen worden aangeleverd, worden gebruikt door UWV.Zij vragen hoe efficiënt het is als informatie binnenkomt bij de Belastingdienst, doorgegeven wordt aan UWV, aldaar geconstateerd wordt dat het incorrecte informatie is, dit weer doorgegeven wordt aan de Belastingdienst, die vervolgens contact opneemt met de werkgever of verzekerde, waarna het proces zich herhaalt.

Voor de goede orde willen we allereerst twee mogelijke misverstanden uit de weg ruimen.UWV, de Belastingdienst en CBS hebben aangegeven welke loonaangiftegegevens zij in de polisadministratie nodig hebben. Daaruit is vooralsnog gebleken dat zij ongeveer evenveel gegevens nodig hebben als voor de uitvoering van hun publieke taken.Daarnaast zal de Belastingdienst geen contact opnemen met de verzekerde, omdat UWV het werknemersloket voert.

Wat betreft het proces van controle van de loonaangiftegegevens merken wij het volgende op.

Om de gegevenskwaliteit te borgen zal de Belastingdienst – voordat de gegevens naar de polisadministratie worden doorgezonden – controles uitvoeren.Het betreft zowel technische als logische controles op de inhoud van de aangifte.Daarnaast vindt toetsing aan de afdracht plaats. UWV zal vervolgens controles binnen de polisadministratie uitvoeren,

zoals logische en historische checks, bijvoorbeeld in het kader van risico-analyses.Ook is UWV bijvoorbeeld belast met de werkzaamheden rond de terugmeldingen van de afnemers van gegevens uit de polisadministratie en de reacties van werknemers op het verzekeringsbericht.Het geheel draagt bij aan de kwaliteit van de polisadministratie.Afhankelijk van het signaal kan UWV zelf actie ondernemen (bijvoorbeeld de aanvrager van een uitkering verzoeken om een loonstrookje of arbeidscontract) of gezien de bron van het gegeven waarop het signaal betrekking heeft aan de Belastingdienst of SVB verzoeken om vervolgacties.Deze werkverdeling is efficiënt en ook logisch omdat het collecterende loket bij de Belastingdienst is gepositioneerd en het distribuerende loket en de zorg voor de polisadministratie bij UWV.

De leden van de VVD-fractie vragen naar het bestaansrecht van de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV).Ook de leden van de fractie van ChristenUnie verzoeken in te gaan op de verhouding tussen de CSV en voorliggende wetsvoorstel.De leden van CDA-fractie vragen zich af waarom ervoor is gekozen het loonbegrip en de berekening van het premieloon afzonderlijk in de CSV te laten en niet in de nieuwe wet op te nemen.

Door middel van een nota van wijziging op de Invoeringswet Wfsv, die tegelijk met deze nota n.a.v. het verslag wordt aangeboden, vindt intrekking van de CSV plaats.De nota van wijziging hevelt datgene dat na Walvis nog is overgebleven in de CSV over naar dit wetsvoorstel.Daar-naast zullen in de nota van wijziging Invoeringswet Wfsv, andere wetten met verwijzingen naar de CSV, worden aangepast.

De leden van de ChristenUnie vragen naar de inrichting van het toezicht op de Belastingdienst, die nieuwe taken toebedeeld krijgt.De leden van de CDA-fractie vragen in het kader van de verantwoording of met de verdergaande informatieplicht van de Belastingdienst gedoeld wordt op het beheersverslag.

De leden van de PvdA-fractie menen dat ook bij de Belastingdienst sprake zou moeten zijn van onafhankelijk op afstand staand toezicht.Daarnaast menen zij dat de IWI in staat moet zijn onderzoek te doen binnen de Belastingdienst in het kader van haar inspectiefunctie vanwege de nauwe samenhang met het andere deel van haar toezichttaak in SUWI.Deze leden vragen de regering om een nadere toelichting.

Als gevolg van de samenwerking wordt de Belastingdienst verantwoordelijk voor de premieheffing werknemersverzekeringen.Voor de Belastingdienst betekent dit een relatief beperkte uitbreiding van taken.Gemeten in personele omvang gaat het om een taakuitbreiding van 800 medewerkers op een totaalbezetting van ongeveer 31 700 medewerkers in 2003.Afge-zien van de specifieke aspecten betreft het werkzaamheden die de Belastingdienst van oudsher gewend is uit te voeren, namelijk op het terrein van de heffing, inning en controle.Voor het toezicht op deze «nieuwe» taken ligt het voor de hand om de bestaande kaders als uitgangspunt te nemen.De verantwoording vindt dan ook plaats via het jaarlijkse beheers-verslag van de Belastingdienst, die vanaf 2006 wordt uitgebreid met de premieheffing werknemersverzekeringen.Dit is de invulling van de verdergaande informatieplicht waar de leden van de CDA-fractie naar vragen.

1.2 Kern van de nieuwe vormgeving van de heffing en inning van de premies werknemersverzekeringen

De leden van de PvdA-fractie vinden het onderscheid tussen het collecterende en het distribuerende loket ogenschijnlijk helder.Wel vragen zij zich

af of de sturingsinstrumenten zoals genoemd onder 3.4 van de memorie van toelichting nog wel effectief zijn als deze los worden gesneden van de bedrijfsgerichte sturing.Deze leden vragen om een uitwerking van de taken en instrumenten die UWV houdt om (re-)integratie te bevorderen.

De Belastingdienst zal de contacten met werkgevers onderhouden waar het gaat om de heffing en inning van de premies voor de werknemersverzekeringen en dus ook in het kader van bijvoorbeeld de heffing en inning van de gedifferentieerde WAO-premie.Dit heeft echter geen invloed op de effectiviteit van het instrument van de premiedifferentiatie. De financiële prikkel voor de werkgever die van dit instrument uitgaat, blijft gelijk, ongeacht of UWV of Belastingdienst deze premie heft en int. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de andere in onderdeel 3.4 van de memorie van toelichting genoemde instrumenten De heffing en inning van de premies werknemersverzekeringen gaat over van UWV naar de Belastingdienst, maar de Belastingdienst gaat zich op geen enkele wijze bezighouden met preventie en (re-)integratie.De taken die UWV nu op dit terrein heeft, blijven ongewijzigd bij UWV.Het wetsvoorstel brengt op dit punt dus geen wijziging in de bestaande situatie.

De regering stelt dat de contacten van de Belastingdienst met de werkgevers primair liggen op het massale proces.Die taakverdeling heeft de instemming van de leden van de PvdA-fractie.

De Belastingdienst draagt ook zorg voor de handhaving.Daarover hebben de leden van de PvdA-fractie enige vragen.Zo wensen zij te weten of het klopt dat de Belastingdienst meer op globale wijze met risico analyses steekproeven doen op het gebied van handhaving en hoe dat dan gaat.

UWV kent in relatie tot de handhaving de zogeheten 80%-eis.In een periode van 5 jaar moet UWV 80% van de loonsom van de aangesloten werkgevers controleren.Bij de selectie van de overige posten wordt gebruik gemaakt van risico-analysemodel.Dit model vormt de basis voor een betrouwbare selectie van te controleren posten en maakt hiermee een efficiënte controle mogelijk.Bezien wordt of dit model dat gehanteerd wordt, bruikbaar is voor de risicoselectie die de Belastingdienst in het kader van de samenwerking gaat uitvoeren.

De Belastingdienst hanteert bij de handhaving (of toezicht) een andere werkwijze dan UWV, namelijk de werkwijze van integrale en actuele klant-behandeling.Op basis van risicosignalen wordt gewogen in welke mate toezicht noodzakelijk is.De mate en wijze van toezicht is onder meer afhankelijk van het fiscale belang en na de invoering van de samenwerking ook het belang van de premieheffing werknemersverzekeringen. Deze werkwijze is niet zozeer globaal, maar meer een middel om de controlecapaciteit zo gericht en doelmatig mogelijk in te zetten.Met deze werkwijze worden zogeheten «nulcontroles» (controles zonder correctie) zoveel mogelijk voorkomen.

De leden van de PvdA-fractie wijzen op het volgende.In 2001 hebben de controleurs van het UWV 32 584 looncontroles gedaan en voor € 462,8 mln tekort aan premieafdracht geconstateerd (bron: trendrapportage handhaving 2002).Er werd € 90 mln extra premie alsnog ingevorderd.In hetzelfde jaar leverde de looncontrole van de Belastingdienst met 5991 onderzoeken een navordering van € 7,1 mln premie op.De leden van de PvdA-fractie vragen of het waar is dat maar 10% van de looninspecteurs van het UWV overgaat naar de Belastingdienst en wat de taakstelling voor het aantal looncontroles per jaar voor de Belastingdienst is.Verder wensen deze leden te weten hoe een jaarlijkse controleopbrengst van € 90 mln gerealiseerd kan worden als het personeel en de expertise ontbreekt.De leden van de PvdA-fractie vragen of de totale opbrengst van

€ 100 mln van de Wfsv niet verlaagd moet worden met € 90 mln vanwege het beëindigen van de intensieve looncontrole.

In verband met de uitvoering van en ondersteuning bij de looncontroles gaat het grootste deel van de controlemedewerkers UWV (in totaal zo’n 475 fte’s) over naar de Belastingdienst.

De looninspectie van UWV stuurt per jaar circa 32 000 looncontrole-rapporten naar de Belastingdienst met premielooncorrecties die mogelijk kunnen leiden tot correcties in de loonheffingssfeer.De opbrengst hiervan bedraagt € 7,1 miljoen.

Aangezien de Belastingdienst vanaf 2006 de controle op de premieheffing werknemerverzekeringen uitvoert, brengt deze organisatie de premiecorrecties aan.Deze heffing zal dan ook onderdeel uitmaken van de loonbelastingcontroles (correctieopbrengst in 2001: € 252 mln aan belasting en premies volksverzekeringen).Hiertoe worden de controlemedewerkers van de Belastingdienst in de aanloop naar de samenwerking in de geheimen van de werknemersverzekeringen ingewijd.Ook doordat het grootste deel van het controlepersoneel UWV (zo’n 475 medewerkers) over gaat naar de Belastingdienst blijft de noodzakelijke expertise in stand en zijn daarmee de opbrengsten gewaarborgd.

De leden van de PvdA-fractie vragen waarom in de wet niet hetzelfde is opgenomen als in SUWI-wet artikel 21 is bepaald, namelijk dat de Belastingdienst de rechten en plichten moet overnemen die het UWV heeft met haar werknemers die overgaan.Is de regering alsnog bereid deze bepaling op te nemen, zo willen deze leden weten.Verder vragen de leden van de PvdA-fractie of de regering bereid is de werknemers van UWV dezelfde rechtsbescherming (WOVON) te bieden als zij bood bij de SUWI samenvoeging van uitkeringsorganen en of er een sociaal akkoord is gesloten. De leden vragen of er sprake zal zijn van gedwongen ontslagen en wat de status is van 700 sollicitatierechten.Voorts wensen de leden van de PvdA-fractie geïnformeerd te worden over wat er met het achterblijvende personeel gebeurt en zij vragen of de regering bereid is het overtollige personeel de status te geven van herplaatsingkandidaat binnen de rijksoverheid en of het UWV-personeel voorrang krijgt bij andere overheidswervingen zoals die van de Arbeidsinspectie.

De Invoeringswet Wfsv bevat niet dezelfde bepaling als artikel 21 Invoeringswet SUWI, omdat de SUWI-operatie en de SUB-operatie niet te vergelijken zijn.Bij de vorming van UWV ging het in eerste aanleg om samenvoeging van de toenmalige uvi’s en het Lisv.Voorzover sprake was van verlies aan arbeidsplaatsen (als gevolg van schaalvoordeel) zouden die pas na vorming van UWV worden gerealiseerd.

In de SUB-operatie worden werkzaamheden van het ene bestuursorgaan (UWV) overgedragen aan een ander bestuursorgaan (de Belastingdienst). Daarbij is sprake van een situatie dat het overnemende bestuursorgaan al in belangrijke mate het benodigde apparaat ter beschikking heeft.Reeds bij de start van de nieuwe uitvoeringsstructuur is er dus sprake van een aanzienlijke vermindering van het aantal arbeidsplaatsen.Het is dus ook niet de bedoeling dat het gehele apparaat dat thans bij UWV de werkzaamheden in de collecterende functie verricht, overgaat naar de Belas-tingdienst.Zoals in de memorie van toelichting aangegeven gaan 800 Fte’s in fasen over naar de Belastingdienst.De voorwaarden waaronder deze overkomen vormt nog onderwerp van overleg tussen beide organi-saties.Wel hebben UWV en Belastingdienst afgesproken dat, onder bepaalde voorwaarden, maximaal 700 UWV-medewerkers, waarvan de arbeidsplaats door de SUB-operatie komt te vervallen, kunnen solliciteren op externe Belastingdienstvacatures.Dit onder de voorwaarden dat de

vacaturestop binnen financiën is opgeheven.Voor het overige zijn de arbeidsvoorwaarden inzake afvloeiingsregelingen UWV van toepassing.

Alle inspanningen zijn erop gericht – door tijdige aanbieding van alle mogelijke begeleidende maatregelen, het niet vervullen van vacatures c.q. het zo veel mogelijk aantrekken van tijdelijk personeel – het aantal gedwongen ontslagen zo veel mogelijk te beperken.Daarbij werkt in het voordeel van alle partijen dat er een aanzienlijke tijdsspanne zit tussen het moment van het bekend worden van het voornemen en de daadwerkelijke beëindiging van de werkzaamheden.Het kabinet kan geen garantie geven dat gedwongen ontslagen geheel worden voorkomen.Een voorrangsregeling ten opzichte van de gehele Rijksdienst heeft het kabinet, mede gelet op de taakstelling (en de daarmee gepaard gaande problematiek) niet overwogen.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke kosten baten analyse de Belastingdienst hanteert om in te zetten op fraudebestrijding.Zij vragen een precies overzicht van: het aantal formatieplaatsen dat nu binnen de Belastingdienst wordt ingezet, hoeveel formatieplaatsen bij het UWV in de looncontrole zitten, hoeveel er in de nieuwe constructie zullen worden ingezet.Verder willen deze leden weten wat de planning is van het aantal looncontroles in 2006 en verdere jaren door de Belastingdienst en welke opbrengst wordt geraamd.De leden van de PvdA-fractie vragen in welke mate er straks nog sprake zal zijn van bedrijfsbezoeken voor fraude, preventie en bestrijding zoals het UWV dat deed.

De Belastingdienst gaat bij de fraudebestrijding (breder: het toezicht op belastingplichtigen) niet zozeer uit van een kosten-batenanalyse, maar van het systeem van risicoselectie.Dat wil zeggen dat de mate en de wijze van toezicht onder meer afhankelijk is van het fiscale belang, en na invoering van de samenwerking ook van het belang van de premieheffing werk-nemersverzekeringen.Deze systematiek is gekozen om zogeheten «nulcontroles» (controles zonder correctieresutaat) te voorkomen.Doel-stelling is dat ten minste 80% van de controles leiden tot correcties. De controles van de Belastingdienst hebben veelal een integraal karakter. Dat wil zeggen dat de controles zich niet beperken tot één belastingmiddel zoals de loonheffing, maar vaak meer belastingmiddelen omvatten.Een exacte toerekening van formatieplaatsen aan de looncontrole is daardoor niet mogelijk.Wel valt globaal aan te geven dat thans binnen de Belastingdienst zo’n 700 formatieplaatsen zich bezighouden met de controle van de loonheffing.

Bij de UWV worden thans ongeveer 375 fte’s HBO looninspecteurs en 70 fte’s MBO looninspecteurs ingezet voor de looncontroles.Daarnaast zijn er 68 fte’s inspecteurs WTP ingezet.

Theoretisch kan worden gesteld dat vanaf 1-1-2006 in totaal ongeveer 1 150–1 200 formatieplaatsen ingezet worden in de looncontrole.Echter inherent aan de hiervoor geschetste risicogerichte en integrale benadering is dat zowel het aantal looncontroles in 2006 als de personele inzet voor de looncontroles niet exact valt aan te geven.

De leden van de VVD-fractie vragen of ingegaan kan worden op de vraag op welke wijze UWV en Belastingdienst omgaan met hun handhavingstaak met betrekking tot deze wet en Walvis.

Uit Wfsv en Walvis vloeit een heldere en eenduidige taakverdeling tussen UWV en Belastingdienst voort.Ten aanzien van de handhavingaspecten zijn deze organisaties primair zelf verantwoordelijk voor de invulling.Daar waar de terreinen van beide organisaties elkaar raken, vindt afstemming plaats.

1.3 Uitwerking van wettelijke vormgeving

De leden van de CDA-fractie vragen of de financiering van de Ziekenfondswet (Zfw) een geheel eigen problematiek kent of dat het niet opnemen van de financiering van de Zfw in het voorliggende wetsvoorstel voornamelijk voortkomt uit de anticipatie op de komende stelselwijziging zorg.

De komende stelselwijziging op het vlak van de ziektekostenverzekeringen heeft bij de beslissing om de financieringsbepalingen van de Zfw buiten de Wfsv te houden een belangrijke rol gespeeld.Toen met de voorbereiding van dit wetsvoorstel werd gestart, was niet goed te voorzien hoe die stelselwijziging zou verlopen.Zoals in de memorie van toelichting staat vermeld, liggen aan die beslissing evenwel ook andere overwegingen ten grondslag.

Anders dan de andere werknemersverzekeringen bestaat de kring van verzekerden ingevolge de Zfw niet alleen uit werknemers maar is zij zeer divers.In de loop der jaren is de kring van verzekerden uitgebreid met categorieën van personen die maatschappelijk gezien behoefte hebben aan de sociale bescherming die de Zfw biedt.Zo zijn recentelijk in 2000 nog de zelfstandigen onder de Zfw gebracht en in 2002 de alimentatie-gerechtigden.De verschuldigde premie en de premieheffing voor de onderscheiden groepen zijn heel verschillend geregeld omdat daarbij vooral is gekeken naar de praktische uitvoerbaarheid.Voor een aantal categorieën van verzekerden wordt de premieheffing in de Zfw geregeld, voor andere categorieën in een algemene maatregel van bestuur.De hoogte van de procentuele premie kan voor verschillende groepen variëren.Sommige categorieën van personen zijn alleen nominale premie verschuldigd.Soms vindt de heffing van de procentuele premie aan de bron plaats, een andere keer betaalt de verzekerde de procentuele premie zelf aan het ziekenfonds.In een enkel geval wordt de procentuele premie nu al door de Belastingdienst op aanslag ingevorderd.Met de Wfsv wordt alleen een wijziging van de premieheffing bewerkstelligd, zodanig dat niet UWV maar de Belastingdienst de premie heft.Er wordt geen inhoudelijke wijziging beoogd.Het overhevelen van de betreffende premieheffingsbepalingen van de Zfw naar de Wfsv zou er toe leiden dat de regelgeving op het vlak van de financiering van de Zfw in twee wetten zou neerslaan en in een algemene maatregel van bestuur.Naar verwachting zouden er over en weer veel verwijzingen noodzakelijk zijn.Dit komt de inzichtelijkheid van de ziekenfondsregelgeving niet ten goede.Deze overwegingen en daarbij gevoegd de komende stelselwijziging, hebben de regering doen besluiten de Zfw buiten de Wfsv te houden.

De leden van de PvdA-fractie vragen of het vervallen van de Wet premieregime bij marginale arbeid nog invloed heeft op de faciliteiten die gelden voor marginale arbeid.

Bedoelde wet kan worden ingetrokken, omdat de inhoud daarvan is opgenomen in paragraaf 3 van afdeling 6 van hoofdstuk 3 van het voorliggende wetsvoorstel.Inhoudelijk zijn in het kader van dit wetsvoorstel geen wijzigingen aangebracht in de faciliteit premievrijstelling bij marginale arbeid.

1.4 Uitgebrachte adviezen

De leden van de CDA-fractie vragen of de OR-heffing in het kader van de Wet op de ondernemingsraden ook overgaat naar de Belastingdienst.

Dit is inderdaad het geval. In artikel 2.1.10 van de Invoeringswet Wet financiering sociale verzekeringen is een daartoe strekkende wijziging van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden opgenomen.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de regering in een bijlage de ingewonnen adviezen heeft verzameld waarbij hen opvalt dat de adviezen nogal gedateerd zijn, zeker die van de begeleidingsgroep, omdat in september 2003 de grondslag van het SV-loon ingrijpend gewijzigd is. Deze leden vragen of de verschillende organisaties en de begeleidingsgroep de gelegenheid hebben gehad om op grond daarvan met een aanvullend advies te komen.

Graag ontvangen de leden van de PvdA-fractie ook een geactualiseerde opvatting van Actal nu deze alleen heeft geadviseerd over de eerste versie van de wetsvoorstel voor de tweede nota van wijziging en de plenaire vaststelling van Walvis.

De wijziging van wetsvoorstel Walvis door middel van de tweede nota van wijziging is ter advisering voorgelegd aan UWV en IWI.Actal is gevraagd advies uit te brengen op de tweede nota van wijziging, maar heeft hiervan afgezien.Actal heeft in een eerder advies rekening gehouden met de komende wijziging.Aan andere organisaties is geen toets gevraagd, maar waar van belang zijn ze wel in kennis gesteld.

De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om een reactie en antwoord op de opmerkingen en vragen die door VNO/NCW worden gesteld, waaronder de volgende opmerking.VNO-NCW merkt op dat met betrekking tot de gegevensverstrekking aan derden in de toelichting wordt opgemerkt dat beoogd wordt ook andere bestuursorganen bepaalde gegevens uit de polisadministratie te laten (her)gebruiken, wanneer dit de administratieve lasten van burgers en bedrijven vermindert of de fraudebestrijding door en dienstverlening van de overheid bevordert.Om deze doelstellingen mogelijk te maken, zal de gegevensset van de polisadministratie zodanig worden gedefinieerd dat hergebruik van de geregistreerde gegevens door andere bestuursorganen optimaal mogelijk is. VNO-NCW vraagt of kan worden aangegeven welke bestuursorganen hier bedoeld worden.Tevens is VNO-NCW van mening dat deze verstrekking van gegevens aan derden er niet toe mag leiden dat méér gegevens worden gevraagd van werkgevers dan die gegevens die strikt noodzakelijk zijn voor de polisadministratie.

Naast UWV, de Belastingdienst, de ziekenfondsen en het CBS die conform de doelen van de polisadministratie gegevens verwerken voor de uitvoering van hun publieke taken (zie artikel 33, tweede lid van de Wet SUWI), zijn er afnemers en derden die gegevens gebruiken uit de polis-administratie.Bij de afnemers gaat het om de bestuursorganen, bedoeld in artikel 62, en 72 en 73, vierde lid van de Wet SUWI in combinatie met het Besluit SUWI (zie artikel 33, achtste lid van de Wet SUWI).Dit zijn SVB, CWI, gemeenten c.q. het Inlichtingenbureau, de minister van SZW, en de bestuursorganen genoemd in hoofdstuk 5 van het Besluit SUWI.Bij de derden gaat het kort gezegd om de volgende private organisaties: pensioenfondsen, stichtingen die regelingen inzake vervroegd uittreden uitvoeren, risicofondsen of bij CAO aangewezen instellingen of collectieve voorzieningen die taken uitvoeren die naar hun aard gelijk zijn aan UWV-taken, verzekeraars van Pemba- en Wulbz-verzekeringen en arbo-diensten.

De gegevens die in de polisadministratie zijn opgenomen, zijn direct gerelateerd aan de doelstellingen die zijn opgenomen in de Wet SUWI, artikel 33.De gegevensverstrekking aan afnemers en derden zal dan ook slechts betrekking hebben op gegevens die in dat kader reeds beschikbaar zijn.

Graag zouden de leden van de PvdA-fractie een advies ontvangen van de werknemersorganisaties betreffende het eindvoorstel zoals dat nu voor-ligt.Zij verzoeken de regering hen om commentaar te vragen op de voorstellen.

Tijdens de behandeling van de wetsvoorstellen Walvis en de Aansluitingswet Walvis is toegezegd dat het kabinet overleg zal voeren met VNO-NCW.Dit overleg zal voor 1 juli as.plaatsvinden.De gedachte is om dit overleg waaraan zowel de Belastingdienst, UWV en SZW gaan deelnemen, een periodieke status te geven, zoals dat ook is gebeurd met de invoering van de Wet inkomstenbelasting per 2001.Naast VNO-NCW, zullen ook MKB-NL, LTO-NL en de werknemersorganisaties voor dit periodieke overleg worden uitgenodigd.Met de ervaringen met de Wet IB 2001 kan op deze wijze worden bereikt, dat de invoering van deze operatie soepel kan verlopen.

Bij de begrotingsbehandeling in december 2003 heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid toegezegd voor de zomer 2004 met een notitie te komen over het Belgische systeem van sociale zekerheid en in het bijzonder de informatie uitwisseling zoals die door de Kruispunt-bank wordt gerealiseerd.De leden van de PvdA-fractie willen graag die opvattingen van de regering vernemen alvorens tot definitieve vaststelling van dit wetsvoorstel wordt overgegaan.

In mei is aan u de tussenevaluatie SUWI gezonden (Tweede Kamer, vergaderjaar 2003–2004, 26 448, nr.141).Bijlage 1 (blz.50–52) betreft de toegezegde notitie met een vergelijking van de informatie-uitwisseling van de Belgische Kruispuntenbank en de situatie in het Nederlandse sociale zekerheidsdomein.

Als conclusie is aangegeven dat in beide landen dezelfde doelen worden beoogd en dat voor een groot deel dezelfde principes voor de informatievoorziening worden gehanteerd.Zo willen beide landen eenmalige aanlevering van gegevens door burgers en bedrijven en hergebruik ervan door publieke uitvoerders via een stelsel van basisregistraties en een gestandaardiseerde en beveiligde infrastructuur.De verschillen zitten hem voorzal in de wijze van organiseren: België heeft een kruispuntbank als spil tussen de sectoren en instituten, in Nederland is gekozen voor meer integratie per sector (bijv.Suwinet) en koppeling van deze sectoren (bijvoorbeeld via Rinis, Inlichtingenbureau gemeenten).

  • 2. 
    Huidige vormgeving van de heffing en inning van de premies voor de werknemersverzekeringen en de loonbelasting

2.1 Huidige vormgeving premieheffing werknemersverzekeringen

De leden van de VVD-fractie en de leden van de PvdA-fractie vragen of ook de heffing en inning van de premie voor de vrijwillige verzekeringen en PEMBA moeten worden overgeheveld naar de Belastingdienst om te voorkomen dat twee gescheiden heffing- en inninginstanties in stand blijven.

De heffing en inning van de gedifferentieerde WAO-premie (PEMBA) worden evenals de heffing en inning van de overige premies voor de verplichte werknemersverzekeringen overgeheveld naar de Belastingdienst.

Gezien de specifieke kenmerken van de vrijwillige verzekeringen en de beperkte omvang van de groep vrijwillig verzekerden heeft de regering besloten de premieheffing eninning voor de vrijwillige volksverzekeringen bij de Sociale verzekeringsbank te laten en om de premieheffing en -inning voor de vrijwillige werknemersverzekeringen bij UWV te laten.Het

proces van de heffing en inning van de premie voor de vrijwillige verzekeringen wijkt dermate af van het massale proces van heffing en inning door de Belastingdienst dat het niet efficiënt is om ook de heffing en inning van de premie voor de vrijwillige verzekeringen over te hevelen naar de Belastingdienst.

3 Voorgestelde systematiek van heffing en inning

3.1 Inleiding

De leden van de PvdA- en de VVD-fractie willen ten aanzien van de inning weten wat de huidige verschillen zijn tussen de Belastingdienst en het UWV op het gebied van kwaliteitscontrole, prestatie-indicatoren, extern toezicht, risicosturing, prioriteitstelling en frauderegistratie.

De Belastingdienst kent in het Beheersverslag een groot aantal indicatoren voor de geleverde prestaties en de kwaliteit van deze prestaties.In het Beheersverslag wordt per werkproces aangegeven wat de Belastingdienst wilde bereiken en of bereikt is wat de dienst wilde bereiken.Dit laatste betreft zowel operationele zaken als ontwikkeldoelen.Het gaat hier om werkprocessen als dienstverlening, intensief toezicht en opsporing, massale processen, rechtstoepassing en communicatie. In het Beheersverslag zijn tevens de prestaties opgenomen uitgedrukt in strategische kengetallen.Deze kengetallen geven over een aantal jaren gemeten de resultaten en ontwikkelingen in hoofdlijnen aan van het primaire werkproces.Het Beheersverslag vormt een belangrijk instrument voor het externe toezicht en de externe verantwoording.Dit externe toezicht vindt plaats door de departementale accountantsdienst, de Algemene Rekenkamer en de Staten-Generaal.

In het kader van risicosturing en prioriteitsstelling kent de Belastingdienst de zogeheten risicogerichte aanpak.Dat wil zeggen dat op basis van weging van het fiscaal belang en het fiscaal risico wordt bepaald in welke mate en op welke wijze een belastingplichtige nadere aandacht behoeft.

Vermoedelijke belastingfraudezaken worden aangemeld bij het zgn. selectieoverleg binnen de Belastingdienst en geregistreerd in het GEïntegreerd FraudeInformatieSysteem (GEFIS).Het selectieoverleg selecteert vervolgens op basis van de Aanmeldings-, transactie- en vervolgings-richtlijnen de fraudegevallen die voorgelegd worden aan het openbaar ministerie.In het zgn.tripartiete overleg (openbaar ministerie, Belastingdienst en FIOD-ECD) wordt definitief bepaald welke van de aangemelde fraudegevallen strafrechtelijk zullen worden vervolgd.De Belastingdienst registreert vervolgens alle fasen die een aangemelde fraudezaak doorloopt, te beginnen bij het doorsturen van de fraudemelding naar de FIOD-ECD, dan (na het opmaken van het proces-verbaal) de doorzending van het proces-verbaal naar de contactambtenaar, vervolgens de inzending naar het openbaar ministerie.Ook het resultaat van de vervolging wordt in GEFIS vastgelegd.

Vastlegging in GEFIS vindt ook plaats van de bestuurlijke maatregelen (fiscale boete e.d.) naar aanleiding van fraudemeldingen die niet in aanmerking komen voor strafrechtelijke vervolging.

In het jaarplan UWV worden ondermeer de afspraken inzake de aan UWV opgedragen uitvoering van de wettelijke taken vastgelegd, waarbij prestatieindicatoren worden gehanteerd en ontwikkeldoelen zijn vastgelegd.

Voor de kwaliteit van de werkprocessen zijn voorschriften opgenomen in het Besluit incasso en invordering en het Controleprotocol SUWI Verantwoording wordt afgelegd via de kwartaalrapportages en het jaarverslag. De Accountantsdienst UWV adviseert de Raad van Bestuur inzake de kwaliteit van de verantwoordingsrapportages en het jaarverslag.IWI

controleert en valideert deze rapportages en rapporteert daarover aan de minister.Ook de Algemene rekenkamer heeft een controlerende functie. Na controle en validatie door de externe toezichthouder IWI worden deze rapportages door de Minister van SZW aan de Tweede Kamer aangeboden.

De controle van UWV geschiedt zowel op basis van het risicomodel, als op basis van de loonsomgrootte.Dit houdt in, dat de (grootste) werkgevers, die samen 80% van de loonsom vertegenwoordigen, (tenminste) eenmaal per vijf jaar worden gecontroleerd.De overige werkgevers worden gecontroleerd op basis van risicoanalyse.

De fraudeafhandelingsprocedure bij het UWV vertoont grote overeenkomsten met het proces bij de belastingdienst.Vermoedelijke fraudezaken worden gemeld bij de opsporingdienst en geregistreerd in het Bijzonder onderzoek registratie en informatiesysteem Boris.Aan de hand van een aantal objectieve criteria wordt middels een puntensysteem de prioriteit bepaald van de vermoedelijke fraudezaak.Het verloop van het onderzoek en de eventuele (strafrechtelijke) afhandeling ervan wordt in Boris geregistreerd.

Ten aanzien van de strafrechtelijke vervolging zijn door het OM richtlijnen opgesteld welke gevallen voor strafrechtelijke vervolging kunnen worden aangeboden.De Officier van Justitie kan aan de hand van eigen onderzoek nog vaststellen of daadwerkelijk tot vervolging wordt overgegaan. Ook dit resultaat wordt in Boris vastgelegd.

Hoewel de prestatie-indicatoren als zodanig en de toepassing daarvan bij UWV en Belastingdienst verschillen dienen deze hetzelfde doel, namelijk een transparante wijze van verantwoording over de geleverde prestaties.

Na de overheveling van de premie-inning werknemersverzekeringen naar de Belastingdienst zijn wat de hiermee samenhangende processen betreft de regels over verantwoording, de risicogerichte aanpak, frauderegistratie e.d. van deze dienst van toepassing.

De leden van de PvdA- en de VVD-fractie vragen verder of het juist is dat de wijze van inning van loonbelasting door de Belastingdienst per regio verschilt.Dit is niet het geval.De wijze van inning is dus voor alle regio’s gelijk.

De leden van de PvdA- en de VVD-fractie vragen naar de prestatieindicatoren van de inningsprocesen en de invorderingspercentages en wenst men informatie over de invorderingsachterstand per ultimo 2003.

De belangrijkste indicatoren voor de inningsprocessen zijn de betalingsachterstand en de oninbaar geleden bedragen, beide uitgedrukt in een percentage van de totale belastingontvangsten.Eind 2003 bedroeg de betalingsachterstand 4,24% (€ 4,7 mld) en het oninbaar geleden bedrag 0,66% van alle belastingontvangsten.

De achterstand invordering bij UWV is € 640 mln dat is 2,7% van de totale premieontvangsten.

De leden van de PvdA- en de VVD-fractie vragen nog een reactie op berichten dat de fiscus trager is dan voorheen en meer fouten maakt, mede als gevolg van problemen met de automatisering.

Inderdaad heeft de Belastingdienst te maken met aanloopproblemen als gevolg van de introductie met een nieuw automatiseringssysteem, het zogeheten Aanslagen Belastingen Systeem.De Tweede Kamer is hierover bij brief van 20 februari 2004 (kenmerk DGB2004-863) geïnformeerd.Deze

problemen hebben onder meer tot een vertraging geleid in de afdoening van bezwaarschriften.De aanslagoplegging inkomstenbelasting in 2004 kent geen vertraging.Tot en met april 2004 zijn ruim 100 000 definitieve aanslagen 2002 meer opgelegd dan in dezelfde periode vorig jaar over 2001.

De leden van de PvdA- en VVD-fractie vragen of een mogelijke afschaffing van de bevoorrechte positie van de fiscus bij faillissementen invloed zal hebben op de invorderingspercentages loonbelasting en premies werknemersverzekeringen en zo ja, of op basis van het CPB-rapport is aan te geven hoe groot deze consequenties zijn.

In het CPB-rapport en in het daar achter liggende onderzoek van de Belastingdienst is onderzoek gedaan naar het budgettair belang van de fiscale verhaalsrechten.De fiscale verhaalsrechten gelden voor de heffing van de belastingen en de premies volksverzekeringen en naar de huidige situatie niet voor de premies werknemersverzekeringen.Het onderzoeksobject betrof niet alleen de faillissementssituaties maar had betrekking op de toepassing van de fiscale verhaalsrechten in den brede. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat de Belastingdienst na afschaffing van de fiscale verhaalsrechten met een directe inkomstenderving te maken zal krijgen van tussen de 700 en 926 miljoen euro per jaar.Hiervan is zo’n 2⁄3 toe te rekenen aan bodem(voor)recht en 1⁄3 aan het fiscaal voor-recht.Als gevolg van inverdieneffecten krijgt de Belastingdienst een behoorlijk deel hiervan wel rechtstreeks terug.Deze effecten ontstaan onder meer doordat redelijkerwijs aangenomen kan worden dat het deel van de belastingschuld dat nu naar de Belastingdienst gaat, bij afschaffing van fiscale verhaalsrechten naar andere crediteuren gaat, die op hun beurt meestal belastingplichtig zijn.

De leden van de PvdA- en VVD-fractie vragen of het betekenen van dwangbevelen per post ook van toepassing wordt op de inning van de premies werknemersverzekeringen en zo ja, of reeds een schatting is te maken welke invloed dit zal hebben op het inningspercentage.

Ten aanzien van het betekenen van dwangbevelen per post verandert er niets in de nieuwe situatie.Sinds 1 januari 2004 kunnen dwangbevelen – ook de door UWV uitgevaardigde dwangbevelen – per post worden bete-kend.In de nieuwe situatie worden belasting, premies volksverzekeringen (voorzover bij wege van inhouding geheven) en premies werknemersverzekeringen via één naheffingsaanslag geheven.De aanmaning en het dwangbevel in verband met deze naheffingsaanslag hebben betrekking op de gehele in de naheffingsaanslag begrepen belasting- en premieschuld. Concrete gegevens over (de verbetering van) het inningspercentage zijn nog niet te geven.Zoals is opgemerkt bij de behandeling van het Voorstel tot wijziging van enkele belastingwetten c.a. (Kamerstukken II 2003/04, 29 035, nr.6) wordt de snelheid en effectiviteit van de invordering vergroot door de mogelijkheid dwangbevelen per post te betekenen.Een tijdige betekening zal leiden tot betere invorderingsresultaten.

3.2 Inhouding en aangiftesystematiek

De leden van de CDA-fractie, de VVD-fractie en de PvdA-fractie vragen welke administratieve lastenverzwaring voort vloeien uit de invoering van het PANA bericht zelf, na de laatste wijzigingen.Zij vragen of de gegevens over de administratieve lastenverzwaring voor de werkgevers door het PANA bericht (laatste cijfer 60 mln) bijgesteld dienen te worden naar aanleiding van het laatste ontwerp PANA bericht of als de aangifte wordt bijgesteld.

Om de administratieve lasten van de voorgestelde loonaangifte te berekenen is gebruik gemaakt van de administratieve lasten die worden opgeroepen door aangiftesystemen die thans bestaan en op de loonaangifte lijken.Dergelijke aangiftesystemen komen thans namelijk voor bij UWV. Werkgevers die waren aangesloten bij de ex-uitvoeringsinstellingen GUO en SFB zijn hier al mee vertrouwd.

Omdat de huidige aangifteset voor GUO en SFB ongeveer gelijk is aan de voorgestelde loonaangifte is een bijstelling van de administratieve lasten-berekening niet nodig.

De leden van de CDA-fractie vragen welke gevolgen het afstappen van de loondagensystematiek heeft voor de opbouw van een arbeidsverleden voor bijvoorbeeld de Werkloosheidswet.De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering in te gaan op de opmerking van VNO-NCW dat niet duidelijk is waarom het aantal SV-dagen en het aantal gewerkte uren nog deel uitmaken van het PANA-bericht.

Voor de premieheffing werknemersverzekeringen gaat de nieuwe loon-tijdvakkensystematiek gelden.Voor de referte-eis en de arbeidsverledeneis van de Werkloosheidswet blijft de loondag gehandhaafd. Omdat naast de loondag het aantal gewerkte uren ook van belang is bij de uitvoering van de Werkloosheidswet, maken het aantal SV-dagen (= loon-dagen) en het aantal gewerkte uren deel uit van de loonaangifte 2006.

De leden van de CDA-fractie vragen of voor vrijwillig verzekerden de dagloonsystematiek gehandhaafd wordt en zo ja, waarom hier niet wordt overgegaan op tijdvakken.

Bij de premieheffing voor de vrijwillige werknemersverzekeringen spelen loondagen geen rol.Een verandering van de systematiek is daar dus niet aan de orde.De premie voor de vrijwillige werknemersverzekeringen wordt berekend over het door de vrijwillig verzekerde bij aanvang van de vrijwillige verzekering bepaalde dagloon en per kalendermaand door UWV in rekening gebracht.

De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre het feit dat de werkgever/ inhoudingspichtige meer alert zal moeten zijn op het verstrijken van termijnen tot extra administratieve lasten leidt.

De alertheid van de inhoudingsplichtige op gestelde termijnen voor bijvoorbeeld de aangifte en afdracht maakt voor hem thans reeds onderdeel uit van het reguliere proces van inhouding en afdracht van belasting en premies.Het wetsvoorstel brengt op dat punt geen ingrijpende wijzigingen aan.Naar onze mening treden er dan ook geen separate effecten op voor de administratieve lasten.

De leden van de CDA-fractie vragen of het juist is dat bij de vaststelling van de premies er geen voor beroep vatbaar besluit meer ontstaat en of de elektronische aangifte de vaststelling van de premies heeft overge-nomen.Gevraagd wordt welke effecten dit heeft voor de rechtszekerheid van de werkgever/inhoudingsplichtige.

De heffing van de premies gaat plaatsvinden volgens het regime van de loonbelasting.Dit betekent dat de werkgever/inhoudingsplichtige zelf uitrekent hoeveel hij moet afdragen, dit aangeeft en op aangifte betaalt. Indien de Belastingdienst het niet eens is met deze afdracht legt zij een naheffingsaanslag op.Deze aanslag is voor bezwaar en beroep vatbaar. Daarnaast bestaat de mogelijkheid voor de werkgever om in bezwaar en beroep te komen tegen het bedrag dat als belasting of premie door hem zelf op aangifte is afgedragen.Hiermee verandert voor de werkgever/

inhoudingsplichtige weliswaar de systematiek, maar niet de omvang van de rechtsbescherming of de rechtszekerheid die hij thans heeft.

De leden van de CDA-fractie vragen of UWV, SVB, Bkwi, CVZ en SER

inmiddels het standpunt van het kabinet delen om de aangiftetermijn op

een maand te handhaven.

Zij vragen verder hoe groot de verschillen in administratieve lastendruk

zijn tussen een aangifte binnen twee weken en een aangifte binnen vier

weken.

Een aantal van deze instanties is gemeld dat hun advies niet is opgevolgd. In de memorie van toelichting is aangegeven welke motivering het kabinet daarvoor heeft.Bedacht moet namelijk worden dat werkgevers/ inhoudingsplichtigen per 1 januari 2006 met een ingrijpende wijziging te maken krijgen.Als dan ook de periode waarbinnen zij de aangifte moeten verzenden wordt verkort, brengt dit risico’s met zich.Weliswaar is er geen verschil in administratieve lastendruk tussen een aangiftetermijn van een maand of twee weken (er blijven bij maandloners immers twaalf aangiftes in te dienen), de administratieve risico’s nemen wel toe. In de memorie van toelichting is aangekondigd dat in 2007 een onderzoek zal plaatsvinden naar de administratieve- en handhavingsrisico’s van een verkorting van de aangiftetermijn.In de eerste helft van 2008 zal dit onderzoek worden afgerond.De resultaten vormen de basis voor de definitieve besluitvorming over de aangiftetermijn per uiterlijk 1 juli 2008.Als besloten wordt tot verkorting van de aangiftetermijn tot twee weken, zal de verkorte aangiftetermijn met ingang van 1 januari 2009 worden ingevoerd.

De leden van de CDA-fractie vragen of het opleggen van een correctie-bericht niet impliceert dat er een moment is waarop de Belastingdienst de premies vaststelt.

Het correctiebericht is bedoeld om bij de aangifte ingediende onjuiste informatie alsnog in verbeterde vorm in te dienen.Indien de Belastingdienst op enig moment constateert dat er via de aangifte onjuiste of onvolledige informatie is aangeleverd, zal er een correctieverplichting worden opgelegd.Als uit het correctiebericht blijkt dat er te weinig belasting/premies is aangegeven, zal de werkgever/inhoudingsplichtige dit bedrag zelf betalen.In zoverre vindt er dus geen vaststelling van premies door de Belastingdienst plaats.Indien de werkgever echter verzuimt het bedrag te betalen, zal een naheffingsaanslag worden opgelegd.

De leden van de PvdA- en VVD-fractie vragen of ingeval van een aanvraag voor WW of WAO uitkering gegevensuitvraag bij de werkgever nodig blijft (in verband met verwijtbaarheid en reïntegratie inspanningen).Zij willen weten of hiermee rekening is gehouden bij de berekening van de administratieve lastenverlichting van € 45 mln.Ook de leden van de ChristenUnie vragen hiernaar.

Deze leden van de PvdA en VVD-fractie vragen verder of het juist is wat UWV stelt in reactie op het rapport van de IWI, dat de opgevoerde (toen nog) € 35 mln lastenverlichting (uit de gesloten bedrijfsvoering) niet wordt gerealiseerd door Walvis en Wfsv, maar door aanpassing van het begrip maatmanloon in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten.

De administratieve lastenverlichting wordt bereikt doordat niet vaker dezelfde loongegevens worden uitgevraagd.Thans vraagt UWV deze loongegevens de eerste keer (impliciet) uit bij het vaststellen van de premienota.De tweede of volgende keren worden deze loongegevens

uitgevraagd als een werknemer een beroep doet op een WW- of WAO-uitkering.Het kan dus voorkomen dat een werkgever geconfronteerd wordt met dezelfde gegevensuitvraag ten behoeve van twee verschillende uitkeringsaanvragen.Hierbij is het goed denkbaar dat de betreffende werknemer op dat moment niet meer bij hem in dienst is.Het slechts eenmaal uitvragen van de loongegevens levert de genoemde € 45 mln.aan administratieve lastenverlichting op.

Dit is anders voor de gegevens die nodig zijn om vast te stellen of een werknemer verwijtbaar werkloos is geworden.UWV zal dergelijke gegevens blijven uitvragen bij de werkgever.Er is ten aanzien van deze handelingen dan ook geen administratieve lastenverlichting ingeboekt. Ten aanzien van de opmerking van UWV geldt dat de administratieve lastenverlichting zoals thans voorgesteld teniet zou worden gedaan als het maatmanloon niet zou worden aangepast.Zoals ik u eerder heb gemeld, zal het maatmanloon evenwel worden aangepast om deze administratieve lastenverlichting te bereiken.

De leden van de PvdA-fractie vragen naar de definitie van het correctie-bericht en willen weten of alleen verantwoordingen die op het genietingsmoment onjuist waren tot een correctiebericht leiden of ook het herstellen van onjuiste of te late toepassingen van de CAO.

De definitie van het correctiebericht is ruim.In beginsel kunnen alle onjuistheden en onvolledigheden in de aangifte aanleiding zijn voor het ontstaan van een verplichting tot het indienen van een correctiebericht, ongeacht of de onjuistheid/onvolledigheid een heffingsgevolg heeft.Wat betreft onjuistheden in de loongegevens kunnen alleen die onjuistheden tot correctieberichten leiden, voorzover het in het aangiftetijdvak genoten loon afwijkt van hetgeen in de aangifte is verantwoord.Nabetalingen vormen loon in het tijdvak waarin die betaling is genoten, en kunnen dus niet tot correctieberichten leiden voor het tijdvak waarop de nabetaling betrekking heeft.Indien er bijvoorbeeld in september een nabetaling plaats vindt over juni, vormt dit loon in september.Deze nabetaling leidt niet tot een correctiebericht over juni.

Verder vragen de leden van de PvdA-fractie naar het verband met de verlenging van de loondoorbetalingtermijn ingeval van ziekte.

Er is geen verschil in behandeling tussen genoten loon in verband met verlenging van de loondoorbetaling en overig genoten loon.Wel leidt de verlenging van de loondoorbetaling ertoe dat de referteperiode voor de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering verder in het verleden zal liggen.Daarom is het van belang dat de gegevens in de polisadministratie ook voor die jaren van goede kwaliteit zijn en kan een werkgever worden verplicht om daartoe een correctiebericht in te dienen.

De leden van de VVD-fractie vragen hoe concreet de inhoud van het PANA-bericht tot stand komt.Zij vragen of de regering kan aangeven hoe het bedrijfsleven bij de totstandkoming van het PANA-bericht wordt betrokken.

De aangifteset is in eerste instantie opgesteld door de instanties die de gegevens nodig hebben: UWV, Belastingdienst, ziekenfondsen en CBS. Daarna is de aangifteset voor het eerst in juni 2003 besproken met de diverse partijen die aan het zogenoemde Extern Platform Walvis (EPW) deelnemen.De aangiftegegevensset is sinds die tijd niet ingrijpend gewijzigd.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom het niet mogelijk is de gegevens voor het PANA-bericht cumulatief aan te leveren.

Het cumulatief aanleveren van de gegevens leidt ertoe dat verschuivingen van loonbestanddelen binnen het jaar niet meer zichtbaar worden.Hier-door is er geen goede controle mogelijk van de loonbelasting- en premie-gegevens per tijdvak.Dit is ongewenst, zowel bezien vanuit het heffen en innen, vanuit toezichtsaspecten als vanuit de doelen van de polis-administratie.Bovendien leidt het cumulatief aanleveren ertoe dat een onjuiste aangifte over tijdvak X ook onjuiste aangiften over de volgende tijdvakken oplevert, tot aan het tijdvak waarin een en ander cumulatief bezien hersteld wordt.Dit zou tot gevolg hebben dat ook over de tussenliggende tijdvakken correctieberichten moeten worden ingediend.Dit zou extra administratieve lasten opleveren.

Aangezien de werkgever/inhoudingsplichtige elke maand moet uitrekenen wat hij over die maand aan premies, loonbelasting en loon moet afdragen respectievelijk uitbetalen, ontkomt hij niet aan het berekenen van de maandbedragen.

De leden van de VVD-fractie verzoeken de regering in te gaan op de onderstaande – door VNO-NCW – aangedragen zaken inzake het PANA-bericht.Ook de leden van de PvdA-fractie vragen de regering om een reactie en antwoord op de opmerkingen en vragen die door VNO/NCW worden gesteld, waaronder de opmerkingen inzake het PANA-bericht.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen om een toelichting op de voorgestelde splitsing van de premies WAO in een deel Arbeidsongeschiktheidsfonds en een deel Arbeidsongeschiktheidskas.

Eindheffingen

VNO-NCW is van mening dat nu de spaarpremie per 2006 vervalt, deze dan ook niet langer onderdeel hoeft uit te maken van de loonaangifte.

De premiespaarregeling is inderdaad afgeschaft, maar de spaargelden kunnen tot en met 31 december 2007 samen met de bijbehorende spaar-premie worden opgenomen zonder fiscale gevolgen voor de werknemer. De inhoudingsplichtige is dan eindheffing over de spaarpremies verschul-digd.Daarom zal dit gegeven tot 31 december 2007 in de aangifte worden opgenomen.

Afdrachtverminderingen

VNO-NCW merkt op dat niet alle afdrachtverminderingen in een betaalsysteem worden berekend.Dit kan nu niet en na invoering van de loon-aangifte ook niet.Voorbeeld hiervan is Speur- en ontwikkelingswerk.Dit wordt buiten de salarisberekeningen om vastgesteld en als «voorschot» handmatig in mindering gebracht bij de aangifte loonbelasting.

Het is, zoals reeds is opgemerkt in de brief van 30 maart 2004 (Kamerstukken II 2003/04, 28 219, nr.16, blz.2) juist dat niet alle afdrachtverminderingen met behulp van het loonaangifteprogramma berekend worden.Dit geldt met name voor het genoemde voorbeeld van voorschotten voor de afdrachtvermindering Speur- & Ontwikkelingswerk die handmatig in mindering worden gebracht bij de aangifte loonbelasting. Deze afdrachtvermindering wordt in beginsel namelijk berekend over het loon voor de loonbelasting verminderd met het eventueel inbegrepen loon uit vroegere dienstbetrekking en verminderd met ziektewetuitkeringen en betalingen tijdens ziekte.Niet al deze gegevens zijn opgenomen in de loonaangifte.Het voorschot wordt daarom eenmalig (handmatig) ingebracht.De inhoudingsplichtige moet binnen vier maanden na afloop van het kalenderjaar aangifte doen van het definitieve S&O-loon en de definitieve S&O-afdrachtvermindering die daaruit voortvloeit.Deze

berekening vindt plaats met behulp van de gegevens die zijn opgenomen in de projectadministratie en de loonadministratie.

Abusievelijk is in de bijlage bij de eerder genoemde brief (Kamerstukken II 2003/04, 28 219, nr.16, bijlage 2) bij afdrachtvermindering Speur- & Ontwikkelingswerk een «B» (berekenen) in plaats van een «E» (eenmalig invoeren) opgenomen.

Adresgegevens

VNO-NCW vraagt waarom de gegevens 13 k (Locatie omschrijving) en o (Regionaam) zijn opgenomen in de loonaangifte terwijl zij nu niet aanwezig zijn in systemen.

Deze gegevens zijn opgenomen voor de verzending van poststukken. De locatieomschrijving ziet op de NEN-standaard voor adressen (Nederlands Normalisatie Instituut) en is bedoeld om binnen Nederland de locatie aan te geven van bijvoorbeeld de ligging van een woonboot of in welke kamer iemand verblijft in een verzorgingstehuis.Dit gegeven hoeft alleen in de van toepassing zijnde gevallen te worden ingevuld.Veelal kan dit gegeven dan ook «blanco» worden aangeleverd. De regionaam is alleen opgenomen voor buitenlandse adressen.Het is niet ongebruikelijk dat in het buitenland voor de postverzending gebruik gemaakt wordt van een regionaam.Ook dit gegeven hoeft alleen in de van toepassing zijnde gevallen te worden aangeleverd.

Looncomponenten

VNO-NCW vraagt wat de noodzaak is voor het gegeven 22 a (Loon belast volgens tabel bijzondere beloningen).

Het gegeven wordt nu wel in alle loonadministraties (de loonstaat) opgenomen, maar wordt niet door de Belastingdienst of het UWV opgevraagd bij de werkgever.In de toekomst wordt dit gegeven via de loonaangifte opgevraagd uitsluitend ten behoeve van het CBS, die het gegeven nodig heeft voor de statistieken voor arbeid en lonen.

Premies werknemersverzekeringen

VNO-NCW is van mening dat het gesplitst bijhouden van premies WAO in een deel Aof en een deel Aok in de meeste loonadministraties niet wordt uitgevoerd maar als één geheel berekend.

Voor fondsenbeheer en premieramingen is het belangrijk dat de premies WAO aan de juiste fondsen (Aof en Aok) worden toebedeeld.Daarvoor is het noodzakelijk dat er een splitsing plaatsvindt.Overigens zijn deze gegevens, anders dan VNO-NCW stelt, wel in de loonadministraties aanwezig. Het uitgangspunt is telkens dat er geen gegevens worden uitgevraagd die niet in een loonadministratie van een werkgever zijn opgenomen.Dit is ook in EPW met de betrokken partijen gecommuniceerd.

Aantal SV dagen en Aantal gewerkte uren

VNO-NCW vraagt waarom de gegevens Aantal SV dagen en Aantal gewerkte uren nodig zijn.Er wordt immers overgegaan op loontijdvakken.

Het aantal SV-dagen is nodig voor het bepalen van de opbouw van het arbeidsverleden WW.

Het aantal gewerkte uren is benodigd voor de statistieken voor arbeid en lonen.Hier dient het totaal aantal uren waarover loon is betaald in het loontijdvak te worden aangegeven ten behoeve van het CBS ter bepaling

van het arbeidsvolume van Nederland.Dit gegeven wordt tevens gebruikt bij de vaststelling van het recht op WW-uitkering (arbeidsurenverlies).

Codes ten behoeve van ziekenfondsverzekering

VNO-NCW merkt op dat de codes 36 a (code Loongrenstoetsing) en 36 b (Indicatie regelmatig arbeidspatroon) nieuw zijn en dat onduidelijk is wat hiermee wordt bedoeld.VNO-NCW vraagt tevens waarom er twee maanden eerder dan nu het geval zou zijn een opgaaf via de loonaangifte wordt verlangd.Temeer vraagt men dit in het licht van de nieuwe ziektekostenverzekering per 2006.

De Code «loongrenstoetsing» is in de loonaangifte 2006 inderdaad volledig nieuw.De code geeft aan dat de verplichte verzekering voor de Zfw vanaf 1 januari van het volgende kalenderjaar wijzigt.Dit gegeven vervangt de bestaande plicht voor werkgevers om loongrensoverschrijdingen (en onderschrijdingen) rechtstreeks aan het ziekenfonds te melden.De werkgever moet jaarlijks op 1 november toetsen of het loon van de werknemer per 1 januari boven of onder de loongrens zal liggen. Als de uitkomst van deze toetsing is dat de verzekeringspositie van de werknemer wijzigt dient de werkgever hiervan zo snel mogelijk melding te doen aan het ziekenfonds.Anders dan waarvan VNO-NCW lijkt uit te gaan, is er voor de werkgever geen verplichting om in het kader van deze toetsing actief na te gaan of er naast de dienstbetrekking mogelijk nog andere verzekeringsgronden aanwezig zijn.De code ziet uitsluitend op de uitkomst van de loongrenstoetsing betreffende deze specifieke dienstbetrekking: er zijn maar twee mogelijkheden: «werknemer overschrijdt de loongrens en is dus per 1 januari niet langer ziekenfondsverzekerd» of «werknemer onderschrijdt de loongrens en is dus per 1 januari (opnieuw) ziekenfondsverzekerd».Het ziekenfonds is de instantie die primair ziet op samenloopsituaties.Er is dan ook geen sprake van het moeten verstrekken van salarisgegevens en dergelijke ten behoeve van dit onderdeel.

De code «Indicatie regelmatig arbeidspatroon» is als zodanig niet nieuw. De code geeft aan of de natuurlijk persoon in een regelmatig arbeidspatroon arbeid verricht in een arbeidsverhouding.Er is sprake van regelmaat als de werknemer een vast aantal dagen per tijdvak werkt, of (wanneer dat per tijdvak niet vast is) wanneer de periode waarin gewerkt wordt langer is dan of gelijk is aan de periode waarin niet gewerkt wordt. Deze laatste situatie doet zich bijvoorbeeld voor bij een arbeidspatroon van drie weken op en drie weken af.

Het gegeven wordt thans ten behoeve van de WW-uitvoering uitgevraagd door middel van de Melding Sociale Verzekering.

Indien de nieuwe zorgverzekeringswet per 1 januari 2006 tot stand zal zijn gekomen en daardoor bepaalde gegevens daarvoor niet meer nodig zijn, zullen deze uiteraard komen te vervallen op de definitieve loonaangifte voor 2006.

VNO-NCW merkt op dat volgens de nieuwe loonaangifte de werkgevers en werknemersdelen afzonderlijk dienen te worden doorgegeven.Dit strookt volgens VNO-NCW niet met de huidige uitvoeringspraktijk.Ook ontbreekt hiervoor de wettelijke basis alsmede de administratieve noodzaak, omdat het formeel de werkgever is die de premies verschuldigd is aan het UWV en niet de werknemer.VNO-NCW pleit daarom om zonodig alleen de door de werkgever af te dragen premies op te nemen.In dit verband verwijst VNO-NCW ook nog naar de motie nr.22 bij het wetsvoorstel Walvis, waarin de leden Omtzigt en Weekers pleiten voor het zichtbaar maken van betaalde premies in de polisadministratie.Indien het in deze motie alleen gaat om de door de werknemers betaalde premie in de

polisadministratie is opname in de polisadministratie volgens VNO-NCW overbodig daar deze premie altijd op de loonstrook staat. De leden van de PvdA-fractie vragen de regering om een reactie en antwoord op de opmerkingen en vragen die door het VNO-NCW worden gesteld, waaronder bovengenoemde opmerking.De leden van de fractie van de ChristenUnie veronderstellen dat het afzonderlijk doorgeven van werkgevers- en werknemersdelen niet noodzakelijk is voor wat betreft de WAO, gelet op het feit dat formeel alleen werkgevers WAO-premies betalen en niet de werknemers.

Anders dan VNO-NCW veronderstelt zijn de premies voor de WW

verschuldigd door de werkgever en de werknemer.De werkgever mag de

premies inhouden, maar hoeft dat niet.

In de polisadministratie wordt beoogd een zo volledig mogelijk beeld te

geven van de afgedragen premies.Gezien het feit dat werkgevers de

werknemersdelen van de premies mogen inhouden is het van belang dat

deze gegevens zichtbaar worden gemaakt in de polisadministratie.

Het werknemersdeel van de WW en Zfw is bij werkgevers voorhanden in

de loonadministratie, aangezien dit deel op het loon van de werknemer

wordt ingehouden.Hierdoor is het relatief eenvoudig om dit gegeven in

de loonaangifte mee te leveren.

Het werknemersdeel van de premie wordt alleen gevraagd voor de WW

en Zfw.Er is geen werknemersdeel bij WAO-premies.

De leden van de VVD-fractie vragen een reactie op de mening van VNO-NCW dat het correctiebericht slechts als strafmaatregel toegepast zou moeten worden en het generiek toepassen van het correctiebericht onnodig, excessief en disproportioneel is.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen naar de verwachtingen omtrent de mate van gebruik van het correctiebericht.Zij vragen of het PANA-bericht geen geschikt middel is om de polisadministratie te corrigeren en of toepassing van het correctiebericht beperkt kan blijven tot situaties van grove nalatigheid van de werkgever.

Het correctiebericht is geen sanctie-instrument, maar heeft uitsluitend als doel de polisadministratie en het proces van heffen en innen van belasting en premies van de juiste informatie te voorzien. Het aantal correctieberichten is afhankelijk van het aangiftegedrag van de werkgevers.De marktbewerking is dan ook mede gericht op het creëren van de voorwaarden waaronder werkgevers zoveel mogelijk een juiste aangifte doen.Het aantal correctieberichten kan aldus worden beperkt. Het achterwege laten van correctieberichten betekent dat de polisadministratie onjuiste en/of onvolledige informatie bevat.Dit is – gelet op de doelen van polisadministratie – ongewenst, hetgeen dan ook betekent dat een beperking tot de situatie dat er sprake is van grove nalatigheid aan de kant van de werkgever, niet aan de orde kan zijn.

De leden van de fractie van ChristenUnie vragen met betrekking tot de voorgestelde introductie van de loontijdvakkensystematiek of de regering kan garanderen dat het UWV en de Belastingdienst dit begrip hetzelfde zullen interpreteren.De leden van de VVD vinden een verschillende interpretatie door het UWV en de Belastingdienst een onwenselijke situatie.

Bij de invoering van een loontijdvakkensystematiek in de premieheffing voor de werknemersverzekering is voor de definitie van het begrip loon-tijdvak volledig aangesloten bij wat daaronder voor de Wet op de loonbelasting 1964 dient te worden verstaan.Het begrip loontijdvak is dus voor de heffing van de loonbelasting en de heffing van de premies werknemersverzekeringen gelijk.En nu niet meer UWV maar de Belastingdienst de heffing en invordering van de premies werknemers-

verzekeringen gaat uitvoeren, is eenzelfde interpretatie van het begrip loontijdvak volledig gewaarborgd.

3.3 Naheffing

De leden van de CDA-fractie vragen naar de onderlinge verhouding tussen correctieberichten, anoniementarief, naheffing en verzuimboetes, vergrijp-boetes en strafrechtelijke sancties.

Het opleggen van een correctieverplichting vindt plaats indien de Belastingdienst constateert dat er in de aangifte onjuiste of onvolledige informatie is aangeleverd.De verplichting is uitsluitend bedoeld om de polisadministratie maar ook het proces van heffen en innen alsnog van de juiste en volledige informatie te voorzien.De informatie waarvoor een correctieverplichting wordt opgelegd, kan, maar hoeft geen heffingsbelang te hebben.Een eventueel uit een correctiebericht voortvloeiend te betalen bedrag aan belasting/premie zal door de werkgever/ inhoudingsplichtige in de regel worden afgedragen, overeenkomstig de wijze waarop ook de afdracht op aangifte plaatsvindt.

Het anoniementarief en de anoniemenheffing zijn van toepassing met betrekking tot werknemers die niet de juiste persoonsgegevens aan de werkgever/inhoudingsplichtige hebben verstrekt of deze gegevens helemaal niet hebben verstrekt.Voor de loonheffing maakt deze regeling het mogelijk te heffen naar het maximale tarief zonder aftrek van heffings-kortingen.Voor de premieheffing werknemersverzekeringen kan deze regeling leiden tot het achterwege blijven van de franchiseen maximeringbepalingen.

Een naheffingsaanslag wordt opgelegd indien blijkt dat er door de werkgever/inhoudingsplichtige te weinig belasting/premie is afgedragen. Indien het daarbij aan de schuld van de werkgever/inhoudingsplichtige is te wijten dat er te weinig is betaald, wordt er een boete opgelegd.Afhan-kelijk van de mate van schuld en de omvang van het na te heffen bedrag is dit een verzuim- of vergrijpboete, dan wel wordt strafrechtelijk opgetreden.

3.4 Beschikking collecterend loket

De leden van de CDA-fractie vragen of de vaststelling van de verzekeringsplicht niet een duidelijkere coördinatie behoeft, gezien de ervaring met de Verklaring Arbeidsrelatie.

Wij delen de opvatting van deze leden dat de vaststelling van de verzekeringsplicht duidelijke coördinatie behoeft.Deze coördinatie wordt als volgt vormgegeven:

  • • 
    De Belastingdienst, UWV en de ziekenfondsen informeren elkaar over uitspraken en standpuntbepalingen over de verzekeringsstatus op nominatief niveau.UWV registreert deze informatie in de polisadministratie en geeft mutaties door aan de Belastingdienst en de ziekenfondsen.Als UWV of de ziekenfondsen een beschikking afgeven over het verzekerd zijn, brengt de Belastingdienst de werkgever daarvan op de hoogte als dit besluit gevolgen heeft voor de door de werkgever verschuldigde premie.Een dergelijk besluit kan, evenals in de huidige situatie, leiden tot naheffing of teruggave van premies.
  • • 
    Het eerst ingenomen standpunt over de verzekeringsstatus is leidend, tenzij de feiten en omstandigheden van het geval gewijzigd zijn en deze de laatst oordelende instantie aanleiding geven om een afwijkend standpunt in te nemen.
  • • 
    De Belastingdienst, UWV en de ziekenfondsen zullen geregeld overleg voeren over de beoordeling van de verzekeringsstatus.
  • • 
    De Belastingdienst, UWV en de ziekenfondsen leggen in gezamenlijke beleidsbesluiten vast welke procedures en criteria gebruikt worden bij de beoordeling van de verzekeringsplicht.Hierbij zal bijzondere aandacht uitgaan naar bijzondere groepen.

De regering is van oordeel dat de coördinatie hiermee duidelijk is vormgegeven.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering heeft overwogen om een verzekerdenbeschikking af te geven in plaats van een bericht.Zou de kwaliteit van de polisadministratie niet toenemen met een snelle verificatie en valideren van de gegevens van de verzekerde daardoor, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie vragen of in plaats van een meldingsplicht zonder directe gevolgen niet volstaan kan worden met het verzoek aan werknemers om bij ontvangst van het verzekeringsbericht eventuele onjuistheden te melden.Als een werknemer niet van dit recht gebruik maakt, kan zij/hij dan bij optreden van het verzekerde risico alsnog een correctie doorgeven, zo vragen deze leden.

Er is overwogen om het verzekerdenbericht een formele status te geven als beschikking.De mogelijke voordelen die dat met zich mee zou brengen wegen echter niet op tegen de nadelen.Als een verzekerdenbericht de status van een beschikking zou krijgen, betekent dit dat als de werknemer niet reageert op onjuistheden de in de polisadministratie aanwezige gegevens definitief worden.Zolang het verzekerde risico niet intreedt, is er niets aan de hand.Echter, als de werknemer op enig moment een uitkering aanvraagt en dan constateert dat de gegevens onjuist zijn, heeft hij geen middel meer om dit te corrigeren.In geval iemand ten onrechte niet in de polisadministratie is opgenomen, zou dit betekenen dat de persoon geen uitkering krijgt.Dit acht de regering onwenselijk.In de afweging tussen de kwaliteit van de polisadministratie en het belang van de werknemer, heeft de regering de voorkeur gegeven aan het belang van de werknemer.Dit wil niet zeggen dat de kwaliteit van de polisadministratie onbelangrijk is.In tegendeel.

Daarom zal UWV het verzekeringsbericht vergezeld laten gaan van een duidelijke toelichting.Daarnaast geldt dat als een werknemer niet reageert op onvolledigheden en/of onjuistheden, UWV bij de uitkeringsaanvraag mag uitgaan van de haar ter beschikking staande gegevens.De werknemer kan dan vervolgens tegenbewijs leveren als hij van mening is dat de gegevens waarop de uitkering wordt gebaseerd onvolledig/onjuist zijn. Gedurende het onderzoek dat UWV dan doet, krijgt de werknemer een voorschot op basis van de in de polisadministratie beschikbare gegevens. Als een werknemer daar niet in voorkomt, betekent dit dat hij geen voorschot krijgt.

De leden van de CDA-fractie willen weten welke manieren een werknemer heeft om zich te vergewissen van de juistheid van het verzekeringsbericht. Zij vragen of er een wettelijke verplichting van de kant van de werkgever is om tijdig alle informatie aan de werknemer te verschaffen, die op het verzekeringsbericht staat.

Naast het feit dat de werknemer veelal weet welke salarisafspraken hij met zijn werkgever heeft gemaakt en hij een arbeidsovereenkomst heeft, krijgt hij daarnaast een loonstrook.De werkgever is verplicht om de werknemer een loonstrook te verstrekken.Dit is geregeld in het Burgerlijk wetboek.Verder is hij verplicht om de werknemer een jaaropgaaf te verstrekken.Met behulp van deze documenten moet een werknemer het verzekerde bericht kunnen controleren op juistheid en volledigheid.

Verder vragen de leden van de CDA-fractie of er al een concept-verzekeringsbericht beschikbaar is.

Het verzekeringsbericht is thans in ontwikkeling.De vormgeving zal zijn beslag krijgen in lagere regelgeving.Zodra deze klaar is zal ik u daarvan op de hoogte stellen.

De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering er niet voor heeft gekozen om werkgevers en werknemers bij één organisatie een beschikking over het verzekerd zijn te laten aanvragen.

De kern van de nieuwe taakverdeling tussen de Belastingdienst en UWV is dat de Belastingdienst verantwoordelijk wordt voor het collecterende loket en dat UWV het distribuerende loket zal vormen.Bij beide loketten is het van essentieel belang of een werknemer verzekerd is, aangezien zonder verzekeringsplicht geen premies verschuldigd zijn en er ook geen recht op uitkering bestaat.Indien alleen de Belastingdienst zou mogen beoordelen of een persoon verzekerd is, zou UWV niet meer zelfstandig het recht op een uitkering kunnen vaststellen.En andersom, indien alleen UWV zou mogen beoordelen of een persoon verzekerd is, zou de Belastingdienst bijvoorbeeld niet meer in staat zijn om zelfstandig een looncontrole uit te voeren.Gezien dit belang voor het primaire proces van beide loketten, wordt de beoordeling of sprake is van verzekeringsplicht niet bij slechts één van beide loketten neergelegd.

3.5 Nieuwe systematiek rechtsbescherming/rechtsgang premieheffing

De leden van de CDA-fractie merken op dat de heffings- en inningszaken overgaan van de CRvB naar meerdere gerechtshoven.Zij vragen of het juist is dat hierdoor de rechtseenheid vermindert.

Het betreft de overgang van het hoger beroep in premiezaken van de CRvB naar vijf gerechtshoven.Dit betekent dat alle zaken die bijvoorbeeld aansprakelijkheid, het loonbegrip, het begrip dienstbetrekking en rente betreffen, door dezelfde rechter worden beoordeeld voor zowel de belasting- als de premieheffing.Dit bevordert de rechtseenheid.Daarnaast wordt ter versterking van de rechtseenheid de mogelijkheid van cassatie uitgebreid ten opzichte van de bestaande mogelijkheid.Ook voor geschillen over het verzekerd zijn voor de werknemersverzekeringen (het begrip dienstbetrekking met name) wordt nu de mogelijkheid van cassatie gecreëerd.

De leden van de PvdA-fractie vinden dat ten aanzien van de beslistermijn sprake is van aanzienlijk verlies van rechtsbescherming.Zij hebben daartegen bezwaar.De huidige beslistermijn is 8 tot 13 weken.Na de invoering van deze wet zal het om één jaar gaan.De leden van de CDA-fractie vragen zich af of voor die verlenging een wezenlijke noodzaak bestaat. Ook de leden van de VVD-fractie en de leden van de fractie van de ChristenUnie gaan in op de langere beslistermijnen.Al deze leden vragen ook of de toepassing van de éénjaarstermijn ook voor beslissingen voor de werknemers geldt.Voorts wijzen deze leden op de consequentie, dat een bezwaar tegen een fictieve weigering pas na één jaar kan worden ingesteld.Al deze leden menen, dat sprake is van verslechtering van de rechtsbescherming en vragen de regering dit te voorkomen en de termijn van 52 weken niet in de sociale zekerheid en sociale verzekeringen te introduceren.

De leden van de PvdA-fractie wijzen er in dit verband nog op, dat de kwaliteit van de administratie hierdoor scherp af loopt.De premieadministratie kan haar rol als authentieke administratie moeilijk vervullen als fouten en daarmee vervuilde informatie gedurende één jaar uitgewisseld gaat

worden.Incidenteel kan dat voorkomen maar het structureel mogelijk maken doet ernstig afbreuk aan de beoogde verbetering.Juist de verouderde belastinggegevens van de huidige situatie maken het in de sociale zekerheid zo moeilijk om bruikbare gegevens en fraude vast te stellen. Door een beslissingstermijn van één jaar te hanteren treed er geen verbetering op, zo stellen deze leden.

Op de in artikel 5a Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) opgenomen beslistermijn van een jaar wordt voor een drietal beschikkingen op aanvraag een uitzondering gemaakt: de beslissing omtrent de vaststelling van verzekerd zijn, de beslissing omtrent de sectorindeling van de werkgever en de beslissing omtrent het eigenrisicodragerschap.Voor deze beschikkingen blijft de thans geldende beslistermijn van 13 weken gehandhaafd.Voor de overige beslissingen geldt de wettelijke termijn van artikel 5a AWR.Zoals in de memorie van toelichting is aangegeven handelt de Belastingdienst op grond van het Voorschrift Algemene wet bestuursrecht (Voorschrift AWB) thans in het merendeel van de gevallen aanvragen af binnen de AWB-termijn van 8 weken.Zoals het Voorschrift Awb uitdrukkelijk bepaalt wordt van de bepaling van artikel 5a AWR geen gebruik gemaakt, tenzij omstandigheden een langere beslistermijn recht-vaardigen.Hierbij moet gedacht worden aan gecompliceerde zaken of gevallen waarin belastingplichtige weigert mee te werken aan een voortvarende afhandeling van zijn aanvraag.Voor het beslissen op een aanvraag geldt dus in beginsel de AWB-termijn van (maximaal) 8 weken. Verwacht mag worden dat er op dit punt geen verandering zal optreden. Gelet op de beperkte omvang van de gevallen waarin voor de behandeling van de aanvraag een langere termijn nodig zal blijken te zijn, is de regering van mening dat hierdoor de actualiteitswaarde van de polisadministratie niet noemenswaardig negatief wordt beïnvloed.Hierbij moet bedacht worden dat de polisadministratie voor het overgrote deel wordt gevoed met gegevens uit aangiften waarbij geen aanvraag voor een beschikking in behandeling is.Ten aanzien van de aangiften waar dit wel speelt wordt in het merendeel van de gevallen de reguliere AWB-termijn gehaald.Concluderend ziet de regering geen reden wettelijk af te wijken van de beslistermijn van artikel 5a AWR. Zoals bij punt 8 van het Nader rapport van de Wfsv is aangegeven, zou een heroverweging van artikel 5a AWR waarschijnlijk gecombineerd worden met een heroverweging van de beslistermijn die geldt voor de behandeling van bezwaarschriften (artikel 25 AWR).Een dergelijke heroverweging van de fiscale beslistermijnen valt buiten het kader van dit wetsvoorstel.

De beslistermijn voor het besluit over het verzekerd zijn op aanvraag van de werknemer is in de werknemersverzekeringswetten geregeld en is nu evenals die voor de beslissing op bezwaar ook 13 weken geworden (zie bijvoorbeeld artikel 87, eerste lid, WAO).Voor de beslissingen over de vraag of een werkgever voor een werknemer premie/belasting moet betalen en inhouden en over de aard van de arbeidsverhouding wijzigt er in de praktijk niets in de rechtsbescherming.Dit zijn ook het type besluiten die de kern van de polisadministratie vormen.In die zin blijft de polisadministratie ook actueel.

De leden van de CDA-fractie vragen hoe de verlengde beslistermijn voor heffing en inning zich verhoudt tot rechtszekerheid over uitkeringen. Verandert bij naheffing/nabetaling de hoogte van al ingegane uitkeringen, die immers gebaseerd zijn op de betaalde premies, zo vragen deze leden.

Een naheffing kan tot een hogere uitkering leiden, omdat de uitkeringen worden vastgesteld op basis van een dagloonreferteperiode in het verleden.Dit geldt echter niet als de uitkering al is vastgesteld.Een nabe-

taling leidt alleen tot een hogere uitkering als het genietingsmoment van die nabetaling binnen de dagloonreferteperiode ligt.Het loon dat wordt genoten in het refertejaar is namelijk uitgangspunt voor de dagloonvaststelling en dus niet het loon dat is verdiend over het refertejaar.

De leden van PvdA-fractie benadrukken dat zij het niet acceptabel zouden vinden, als de rechtsgang een enkelvoudige zou worden, ook als dit tijdelijk zou zijn voor de totstandkoming van de Wet belastingrechtspraak in twee feitelijke instanties (Kamerstukken II 2003/04, 29 251).Deze leden verzoeken de regering de regelgeving hierop aan te passen en in dit wetsvoorstel al de daarvoor noodzakelijk aanpassing op te nemen.

In dit wetsvoorstel wordt er vanuit gegaan dat het wetsvoorstel «twee feitelijke instanties» reeds kracht van wet heeft en in werking is getreden op het moment dat de Wfsv in werking treedt.Het eerstgenoemd wetsvoorstel is inmiddels gereed voor plenaire behandeling in de Tweede Kamer en heeft als beoogde datum van inwerkingtreding 1 januari 2005, dus een jaar voor de beoogde datum van inwerkingtreding van de Wfsv. In genoemd wetsvoorstel worden onder meer de procedurele bepalingen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen aangepast.Deze wijzigingen moeten in samenhang met de andere wijzigingen worden bezien. Wetgevingstechnisch is het niet wenselijk dezelfde wijzigingen in twee verschillende wetsvoorstellen op te nemen.

3.6 Sancties

De leden van de PvdA-fractie vragen naar een overzicht van de verschillen tussen Belastingdienst en UWV in sanctietoepassing, vervolging en aangifte met daarbij een overzicht van het verschil in boete.

Het fiscale sanctiesysteem komt in grote lijnen overeen met het sanctiesysteem dat thans gehanteerd wordt bij de premieheffing.Beide sanctiesystemen bestaan uit bestuurlijke boetes (verzuim- en vergijpboetes) en strafrechtelijke sancties.Ten behoeve van de eenheid van beleid en uitvoering met betrekking tot het hanteren van de sancties zijn beleidsregels opgesteld.

Voor de belastingheffing betreft het voor de boeteoplegging het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (BBBB) en voor de strafrechtelijke vervolging de Aanmeldings-, Transactie-, en Vervolgingsrichtlijnen voor fiscale en douanedelicten (ATV-richtlijnen).Voor de premieheffing zijn dit het Boetebesluit en de Richtlijnen premiefraude werknemers-verzekeringen.Inhoudelijk vertonen de beleidsregels zeer grote overeenkomsten.

In beide systemen worden tekortkomingen met een verzuimboete getroffen indien het niet aan opzet of grove schuld is te wijten dat er te weinig belasting of premie is betaald.Het maximumpercentage van deze boete is 10% van het financiële nadeel, met een maximum van € 4538 (fiscaal) respectievelijk € 4500 (premieheffing).De beleidsregels voorzien onder andere in verzuimenreeksen.

Indien er wel sprake is van grove schuld of opzet kunnen zowel bij de belastingheffing als bij de premieheffing zogenoemde vergrijpboetes worden opgelegd.Bij de belastingheffing bedragen deze boetes in beginsel 25% (voor grove schuld) en in beginsel 50% (bij opzet).Bij de premieheffing wordt zowel bij opzet als grove schuld in beginsel 37,5% opgelegd.

In het geval sprake is van opzet en het financiële nadeel meer is dan € 12 500 wordt in beide systemen getoetst of een zaak voor strafrechte-

lijke vervolging in aanmerking komt.De wijze waarop de beoordeling plaats vindt, is voor de belastingheffing geregeld in de zogenoemde ATV-richtlijnen, en voor premiefraudegevallen in de Richtlijnen premiefraude werknemersverzekeringen.Teneinde een afweging te kunnen maken welke zaken daadwerkelijk strafrechtelijk vervolgd moeten worden, kennen beide richtlijnen een overeenkomstige puntentelling, waarbij punten worden toegekend op basis van de omvang van het financiële nadeel, de kenmerken van de verdachte en kenmerken van de gedraging.

Er is geen sprake van dat de Belastingdienst fraudegevallen pas strafrechtelijk vervolgt indien er sprake is van een herhaalde gedraging (recidive). Wel is het zo dat indien sprake is van een herhaalde gedraging dit een extra punt oplevert waardoor een zaak een hogere prioriteit krijgt.De Richtlijnen premiefraude kennen eenzelfde benadering voor recidive.

De leden van de PvdA-fractie constateren dat de Belastingdienst sinds enige tijd een minder intensieve wijze van opsporing kent.Zij willen geïnformeerd worden over het rendement kosten verhouding in 5 jaar geleden en wat het nu bij de Belastingdienst is.Zij willen weten of de opbrengst van de looncontrole en fraude opbrengst daarvan niet schamel afsteekt ten opzicht van het intensievere systeem van het UWV.Welke percentages gaat de regering hanteren om de rechtmatigheid van het inningsresultaat te toetsen.1% op 0,5%.Wat is in geld het verschil, zo willen deze leden weten.

De Belastingdienst kent een andere wijze van controle dan UWV, nl.op basis van risicoselectie.Dit maakt een meer gerichte controle mogelijk.Op basis van deze werkwijze heeft de Belastingdienst de volgende opbrengsten gerealiseerd (in belastingbedragen):

1999                   2000                           2001                           2002                           2003

€ 184 mln          €187 mln                  €252 mln                  €266 mln                  €277 mln

De Belastingdienst kent de zogeheten integrale controle voor veelal meer dan één belastingmiddel.In dat verband is een kostentoerekening specifiek voor de looncontroles niet mogelijk.

De rechtmatigheid van de inning kan worden beoordeeld op basis van de verantwoordingsgegevens in het beheersverslag van de Belastingdienst.

De leden van de PvdA- en VVD-fractie vragen waarom het Sociale Inlichtingen en Opsporingsdienst (hierna; SIOD) niet bij de werkgeversfraude is betrokken.De leden van de VVD-fractie vragen verder waarom er niet – op advies van de UWV – een regeling getroffen is om het SIOD ook bij werkgeversfraude te betrekken.

In de memorie van toelichting is aangegeven dat de positionering van de opsporing nader onderzocht zal worden.Dit onderzoek is thans gaande. Over de uitkomsten hiervan wordt u nader geïnformeerd.

3.7 Invordering

De leden van de CDA-fractie vragen hoe het instrument van de kwijtschelding van premies zich verenigt met het uitgangspunt in verzekeringen dat zonder premie geen recht op uitkering ontstaat.

Het is voortaan mogelijk dat kwijtschelding wordt verleend aan de inhou-dingsplichtige voor de in een naheffingsaanslag begrepen premies werk-nemersverzekeringen.In de uitzonderingssituatie waarbij aan de werkgever formeel kwijtschelding wordt verleend van de (ingehouden) premie,

wordt het niet gepast gevonden om het recht op uitkering van de werknemers daarop aan te passen.De Belastingdienst zal op grond van de bepalingen van de Invorderingswet (IW) 1990 en de daarop gebaseerde Uitvoeringsregeling IW 1990 uitsluitend kwijtschelding verlenen in het kader van een akkoord met alle schuldeisers.In die zin verandert er nauwelijks iets ten opzichte van de huidige situatie, omdat de Belastingdienst thans bij een akkoord eist dat andere gelijkbevoorrechte schuldeisers, zoals UWV, zullen meedoen.In aanvulling op de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat ook UWV in een dergelijke situatie afziet van een deel van haar vordering.

3.8 Overige aspecten

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan ingaan op de kritiek van VNO-NCW die aangeeft dat het systeem van eerstedags-melding geheel niet in de systematiek en infrastructuur van het wetsvoorstel Walvis past.Reden hiervoor is dat het wetsvoorstel Walvis is gericht op het periodiek, structureel aanleveren van een uitgebreide gegevensset door de werkgever over de verloonde periode.

Binnen de voorgestelde systematiek van premieafdracht moeten werkgevers inderdaad periodiek per werknemer gegevens over de verloonde periode aanleveren.Hiertoe wordt een infrastructuur ingericht die het mogelijk maakt dat werkgevers in principe elektronisch aangifte doen bij de Belastingdienst.Het proces van loonaangifte start met de (eenmalige) melding van een werkgever dat hij een werknemer in dienst heeft genomen.Deze eerstedagsmelding bevat een zo beperkt mogelijke gegevensset waarbij is aangesloten bij de gegevens die de werkgever in het kader van de loonaangifte moet vermelden.Bovendien gaat het om gegevens die de werkgever in ieder geval bij aanvang van de werkzaamheden in zijn loon-/salarisadministratie moet opnemen (zoals de naam van de werknemer, het sofinummer, het loonbelastingnummer van de werkgever en datum aanvang dienstbetrekking).Het is de bedoeling van de regering dat de EDM evenals de loonaangifte elektronisch worden gedaan en mede daarom zal de EDM worden ingepast in de infrastructuur voor elektronische loonaangifte bij de Belastingdienst en UWV.

De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen of de eerstedags-melding voor de uitzendbranche niet leidt tot een beperking in de bedrijfs-voering.Kunnen uitzendkrachten nog wel direct aan de slag, of dient hoe dan ook eerst een eerstedagsmelding plaats te vinden, zo willen zij weten. Zij verzoeken de regering te reageren op het sterk afwijzende commentaar van VNO/NCW op dit onderdeel.Bij de behandeling van de Wet Walvis heeft de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid gesteld dat, om de eerstedagsmelding te realiseren, de Invoeringswet Wfsv via een nota van wijziging zal worden gewijzigd.Deze nota van wijziging zal voor 15 juni aanstaande bij de Kamer worden ingediend.In de toelichting op het voorliggende wetsvoorstel staat dat de Wfsv daartoe zal worden gewijzigd.Welk wetsvoorstel zal nu worden aangepast, willen deze leden weten.

Het is de bedoeling van de regering dat de eerstedagsmelding vóór aanvang van de dienstbetrekking geschiedt.Zou dit niet het geval zijn dan kan nog steeds niet met zekerheid worden vastgesteld op welke moment een tijdens een controle bij de werkgever aangetroffen werknemer met zijn dienstbetrekking is aangevangen.Met een eerstedagsmelding kan gelijk worden geverifieerd of de werknemer door de werkgever is aangemeld bij de Belastingdienst.Hierdoor kunnen partijen zich niet langer verschuilen achter de bewering dat de werknemer pas die dag is begonnen.

Gezien het feit dat de eerstedagsmelding een belangrijk instrument is om «zwart werk» te bestrijden, heeft de regering ervoor gekozen om de eerstedagsmelding voor alle werkgevers te laten gelden en niet bepaalde werkgevers of bepaalde sectoren bij voorbaat uit te sluiten.Wel zal bij de uiteindelijke vormgeving van de eerstedagsmelding worden gekozen voor een zo eenvoudig mogelijke melding, waarbij de administratieve lasten zo beperkt mogelijk blijven.

Met de nota van wijziging zal de Wet op de loonbelasting 1964 in de Invoeringswet Wfsv worden gewijzigd waarmee de basis voor een eerste-dagsmelding zal zijn geregeld.

4 Polisadministratie en gegevensverkeer

4.1 Inleiding

De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoe de Fi-base wordt geïntegreerd met de polisadministratie.Ook vragen zij welke overgangskosten daarmee gemoeid zijn en welke besparingen die opleveren.Daarnaast willen zij weten wie er verantwoordelijk is voor de Fi-base, het ministerie van Financiën of het Ministerie van SZW.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de Fi-base blijft bestaan nadat de polisadministratie operationeel is geworden.

Het soort gegevens dat thans in de database, genaamd Fi-base, bij de Belastingdienst wordt opgeslagen, zal – voorzover het nominatieve gegevens betreft – in de toekomst in de database, genaamd polisadministratie, worden opgenomen.De huidige Fi-base bij de Belastingdienst blijft bestaan om te voorzien in informatie over de jaren voor 2006.De fiscale loongerelateerde gegevens die vanaf 2006 via de loonaangifte binnenkomen, zullen opgenomen worden in de polisadministratie en worden ondergebracht in het onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Financiën gevoerde deel van de polisadministratie (artikel 33, tweede lid, onderdeel d, van de Wet SUWI).

Er vindt geen overheveling plaats van Fi-basegegevens die betrekking hebben op jaren voor 2006 naar de polisadministratie.Er zijn dan ook geen overgangskosten of overhevelingsproblemen. De concentratie van nominatieve gegevens binnen één administratie bespaart uitvoeringskosten.Hierdoor hoeft de Belastingdienst niet meer dezelfde gegevens – bijvoorbeeld persoonsgegevens – bij te houden in de Fi-base.Tevens wordt hiermee voorkomen dat bestandsverschillen en tijdsverschillen in gegevensverwerking leiden tot mismatch tussen dezelfde gegevens in de verschillende werkprocessen. Voor de Fi-base bij de Belastingdienst en de fiscale loongerelateerde gegevens in de polisadministratie is de Minister van Financiën de verantwoordelijke in de zin van de Wet bescherming persoonsgegevens (artikel 33, vierde lid, van de Wet SUWI).

De leden van de CDA-fractie vragen of er door de polisadministratie de mogelijkheid ontstaat dat de gemeenten zicht krijgen op de AOW-gerechtigden met een onvolledige AOW, zodat zij zonodig actief bijstand kunnen verlenen.

In de mogelijkheid dat gemeenten inzicht hebben in gegevens betreffende AOW-gerechtigden met een onvolledige AOW is reeds sinds eind 2003 voorzien doordat sinds eind 2003 procedures zijn ingevoerd waarmee gemeenten bij de SVB gegevens kunnen opvragen van inwoners met een onvolledige AOW-uitkering.Het ligt dus meer voor de hand dat de

1 Er wordt uitgegaan van de meest actuele cijfers, zoals gemeld in de brief van

gemeenten deze gegevens rechtstreeks bij de SVB opvragen.De polisadministratie zal overigens ook toegang tot deze gegevens kunnen bieden.

De leden van de CDA-fractie nemen aan dat het UWV het vragen van gegevens bij werknemers en werkgevers beperkt zodra de polisadministratie, ook binnen de periode van twee jaar, voldoende kwaliteit heeft.

UWV zal zoveel mogelijk direct gebruik maken van de gegevens uit de polisadministratie.Wanneer blijkt dat deze gegevens voldoende kwaliteit hebben en historie in voldoende mate aanwezig is, zal voor deze gegevens geen aparte uitvraag bij werkgevers en werknemers meer plaats-vinden.Deze situatie kan zich ook binnen de periode van twee jaar voordoen.

De leden van de PvdA en de CDA-fractie vragen of apart voor de polisadministratie een overzicht kan worden gegeven van de daaraan verbonden administratieve lastenverlichting en verzwaring en invoerings-en investeringskosten.De leden van de PvdA-fractie vragen of deze kosten de baten van een dergelijke omvangrijke administratie ten behoeve van een relatief beperkt aantal nieuwe uitkeringsgerechtigden rechtvaardigen.

Doordat de loongegevens op voorraad worden gehouden in de polisadministratie kunnen gegevens meervoudig gebruikt worden en wordt de uitvraag bij werkgevers sterk teruggedrongen.

Doordat er minder uitvraag bij werkgevers is en de gegevens meervoudig gebruikt zullen gaan worden, wordt een administratieve lastenverlichting bereikt van € 175 mln.(€ 45 mln als gevolg van het niet meer uitvragen van loongegevens, waaronder de jaarloonopgave UWV en € 130 mln.als gevolg van het vervallen van de aangifte loonbelasting en de loonbelastingkaart).

Hiertegenover staat een administratieve lastenverzwaring, omdat werkgevers maandelijks de loonaangifte moeten gaan indienen.Dit levert een administratieve lastenverzwaring op van € 90 mln.(€ 80 mln.als gevolg van de loonaangifte en de uitbreiding daarvan en € 10 mln.vanwege het terugdraaien van de mogelijkheid om eens per jaar aangifte te doen).1 In totaal wordt dus een administratieve lastenverlichting bereikt van € 85 mln.per jaar.De eenmalige investeringskosten bedragen € 120 mln.

Zoals reeds eerder vermeld wordt met de polisadministratie beoogd het bevorderen van maximaal hergebruik van eenmaal ingewonnen gegevens met name binnen de publieke keten ten einde de overheidsefficiency te verbeteren, de rechtmatigheid te vergroten en meer mogelijkheden te bieden voor toezicht en handhaving.Het is dus een misverstand dat de polisadministratie alleen wordt gebruikt voor het vaststellen van uitke-ringen.Het kabinet vindt dus dat de investeringen opwegen tegen de baten van de polisadministratie.

De leden van de PvdA-fractie vragen of is overwogen om in plaats van een aparte polisadministratie, de Fi-base aan te vullen met nominatieve gegevens.Welke voor- en nadelen heeft dit alternatief, willen de leden weten.Zij willen een inschatting van de besparingen op de administratieve lasten en de uitvoeringskosten van dit alternatief.

Als de loonaangiftegegevens in de Fi-base zouden worden opgenomen, betekent dit dat deze gegevens in een interne administratie bij de Belastingdienst worden opgeslagen.Dit ligt gezien de doelen van de polisadministratie niet voor de hand.Immers het zwaartepunt van de

28 april jl.                                                      gegevensverwerkingen in de polisadministratie ligt bij de sociale zeker-

heid en niet bij de fiscaliteit.Voor de gegevensverstrekkingen uit de polisadministratie geldt hetzelfde.Zoals recent is gemeld, betekent de invoering van de polisadministratie een belangrijke slag in stroomlijning en herstructurering van de informatiehuishouding in het sociale domein (Kamerstukken II 2003/04, 26 448, nr.141, blz.51).Voor de besparing op de administratieve lasten en uitvoeringskosten maakt het niet veel uit of de Belastingdienst of UWV zorgdraagt voor de administratie.Wel maakt UWV al onderdeel uit van de SUWI-keten, hetgeen de gegevensuitwisseling binnen het SUWI-domein vereenvoudigt.

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe actueel de polisadministratie is. De leden van de PvdA- en VVD-fractie merken op dat bij een juiste elektronische aangifte de verwerking van de gegevens 2 maanden en 5 dagen kost.Deze leden vragen hoe lang deze periode is bij een onjuiste elektronische aangifte.

De nominatieve gegevens die via de aangifte of het correctiebericht worden aangeleverd, worden binnen drie werkdagen na ontvangst van een juiste elektronische aangifte of correctiebericht door de Belastingdienst doorgegeven aan de polisadministratie.Na uiterlijk twee werkdagen zijn deze gegevens door UWV verwerkt in de polisadministratie en beschikbaar voor de afnemers ervan.Met een aangiftetermijn van een maand is dus in de regel uiterlijk twee maanden (een maand aangiftetijdvak plus een maand aangiftetermijn) en vijf werkdagen later de informatie bekend in de polisadministratie.

In de praktijk kan de actualiteit van de gegevens in de polisadministratie groter zijn, bijvoorbeeld bij eerdere indiening van de aangifte dan wel snellere afhandeling van de aangifte door de Belastingdienst of verwerking door UWV in de polisadministratie.Het beleid van de Belastingdienst en UWV is er op gericht de feitelijke termijn van het doen van aangifte via marktbewerking zo veel mogelijk te bekorten; dit in verband met het belang van een actuele polisadministratie voor de distribuerende functie van UWV en de overige afnemers.

De gegevens over vrijwillig verzekerde arbeidsverhoudingen en van arbeidsverhoudingen die de SVB in het internationale kader doorgeeft aan UWV, kunnen eveneens binnen vijf werkdagen in de polisadministratie zijn verwerkt.

Er verstrijken dus maximaal twee maanden en vijf werkdagen om de gegevens van de loonaangifte in de polisadministratie beschikbaar te krijgen, gerekend vanaf het begin van het betreffende tijdvak.

Als antwoord op de vraag hoe lang deze periode is bij een onjuiste elektronische aangifte wordt het volgende opgemerkt.In de foutsituatie wordt de aanleverende werkgever daarvan op de hoogte gesteld door de Belas-tingdienst.Dit vergt, afhankelijk van de soort fout, maximaal twee extra werkdagen, zodat de Belastingdienst dan in totaal maximaal vijf werkdagen aan verwerkingstijd nodig heeft.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke andere partijen gebruik kunnen maken van de gegevens van de polisadministratie.Zij willen weten welke administratieve lastenverlichting dit met zich meebrengt voor de werkgever.

Naast UWV, de Belastingdienst, de ziekenfondsen en het CBS die conform de doelen van de polisadministratie gegevens verwerken voor de uitvoering van hun publieke taken (zie artikel 33, tweede lid van de Wet SUWI), zijn er afnemers en derden die gegevens gebruiken uit de polis-administratie.Bij de afnemers gaat het om de bestuursorganen, bedoeld in artikel 62, en 72 en 73, vierde lid, van de Wet SUWI in combinatie met

het Besluit SUWI (zie artikel 33, achtste lid van de Wet SUWI).Dit zijn SVB, CWI, gemeenten c.q. het Inlichtingenbureau, de eerste ondertekenaar, en de bestuursorganen genoemd in hoofdstuk 5 van het Besluit SUWI.Bij de derden gaat het kort gezegd om de volgende private organisaties: pensioenfondsen, stichtingen die regelingen inzake vervroegd uittreden uitvoeren, risicofondsen of bij CAO-aangewezene instellingen of collectieve voorzieningen die taken uitvoeren die naar hun aard gelijk zijn aan UWV-taken, verzekeraars van Pemba- en Wulbz-verzekeringen en Arbo-diensten.Omdat het bestaande gegevensstromen aan de afnemers en derden betreft, brengt dit geen administratieve lastenverlichting met zich. De ambitie van het kabinet is om de polisadministratie op termijn te ontwikkelen tot authentieke registratie van arbeids- en uitkeringsverhoudingen in het kader van de werknemersverzekeringen.De verwachting is dat gegevens uit de polisadministratie bij de uitvoering van inkomensafhankelijke regelingen gebruikt gaat worden.De uitvraag van gegevens bij burgers en werkgevers inzake arbeids- en uitkeringsinkomsten zal hierdoor kunnen verminderen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de SVB, de ziekenfondsen en het CBS hun eigen administratie blijven voeren en apart gegevens opvragen bij de werkgevers.Ook vragen zij in hoeverre dit aansluit bij de doelstellingen van de Rijksbrede ICT-agenda: «Een belangrijk speerpunt daarbij is de invoering van het principe van eenmalige gegevensverstrekking.Dat betekent dat van burgers en bedrijven bepaalde gegevens niet meer (mogen) worden gevraagd als die al beschikbaar zijn binnen de overheid». Deze leden willen weten of deze instanties hebben aangegeven in welke mate zij gebruik zullen maken van de mogelijkheid om een deel van hun gegevens te laten verwerken via de Polisadministratie.

In de polisadministratie vinden onder meer de gegevensverwerkingen plaats door de ziekenfondsen voor de inschrijving van Zfw-verzekerden en door het CBS voor de statistieken van arbeid en lonen.Door deze verwerkingen en gebruik van de polisadministratie is het CBS voornemens de Enquête Werkgelegenheid en Lonen bij bedrijven en instellingen te stoppen en wordt de aparte berichtenstroom van werkgevers aan de ziekenfondsen overbodig.Dit meervoudige gebruik van de gegevens uit de polisadministratie sluit aan bij de door de leden van de PvdA-fractie genoemde doelstelling.

Over de mate van gebruik van de polisadministratie door SVB wordt opgemerkt dat de gegevens die de SVB verwerkt in haar administratie niet worden verkregen van betrokkene zelf, voorzover die gegevens kunnen worden verkregen uit de polisadministratie (artikel 35, vierde lid, van de Wet SUWI).De mate waarin de ziekenfondsen en het CBS gebruik zullen maken van de polisadministratie blijkt vooral uit de geformuleerde doelen in het tweede lid, onderdelen a, e en f, van artikel 33 van de Wet SUWI. Deze verwerkingen en het gebruik van de polisadministratie laten onverlet dat de SVB, de ziekenfondsen en het CBS hun eigen administratie en registratie voeren voor hun eigen doeleinden.

De leden van de VVD-fractie merken op dat in de toelichting op het wetsvoorstel Wfsv is opgenomen dat de polisadministratie als opvolger van de verzekerdenadministratie wordt ingericht door het UWV en wordt verankerd in de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen (SUWI). De leden van de fractie van de ChristenUnie en van de VVD vragen de regering in dat kader in te gaan op de kritiek van VNO-NCW die aangeeft dat de uitvraag voor een uitkering, afgezien van gevallen die gebruik maken van de vangnetbepalingen en de uitzendbranche, niet meer aan de orde is gezien de loondoorbetalingsverplichting bij ziekte die is opgenomen in het Burgerlijk Wetboek.Daarbij komt – volgens VNO-NCW – dat

de groep van WAO-uitkeringsgerechtigden door nieuwe wetgeving wordt teruggedrongen en gedeeltelijk onder de verlengde loondoorbetalingsverplichting bij ziekte is gebracht.Er wordt in feite een actuele polisadministratie opgezet van alle ongeveer zeven miljoen verzekerden, ten behoeve van gegevens die nodig zijn voor circa 125 000 nieuwe WAO- en WW-gerechtigden.Het is daarom de vraag of alle moeite en geld die gestoken moet worden in het ontwikkelen en up to date houden van een polisadministratie van de voorgestelde omvang dit doel rechtvaardigt.De aan het woord zijnde leden willen hierop graag een reactie van de zijde van de regering.

Met de polisadministratie wordt beoogd het bevorderen van maximaal hergebruik van eenmaal ingewonnen gegevens met name binnen de publieke keten ten einde de overheidsefficiency te verbeteren, de rechtmatigheid te vergroten en meer mogelijkheden te bieden voor toezicht en handhaving.Conform artikel 73 SUWI kunnen vanuit de polisadministratie onder voorwaarden gegevens worden verstrekt aan benoemde private partijen, ter beperking van de maatschappelijke kosten en voorzover het gaat om de uitvoering van taken die in het verlengde liggen van de publieke taken.Het kabinet is dan ook van oordeel dat de opzet en inrichting van de polisadministratie voldoende is gerechtvaardigd.

De leden van de VVD-fractie vragen wat er concreet wordt bedoeld met het afbouwen van de extra gegevensuitvraag bij de werkgever en welke periode gemoeid is met deze afbouw.

De polisadministratie wordt gedurende 2006 gevuld met de gegevens die via de loonaangifte verkregen worden.Voor zover een van toepassing zijnde referteperiode is gelegen voor de invoeringsdatum van de polisadministratie, zullen gegevens nog bij de werkgever moeten worden uitgevraagd.Vanaf uiterlijk 1 januari 2009 kan voor alle gevallen volledig gebruik worden gemaakt van de informatie in de polisadministratie.

De leden van de VVD-fractie verwijzen naar de gegevensverstrekking aan derden, voorzover het andere bestuursorganen zijn, met het oog op vermindering van administratieve lasten voor bedrijven, verbetering van dienstverlening voor burgers en fraudebestrijding.Dit belang voor andere bestuursorganen heeft ook invloed op de gegevensset, zo stellen deze leden vast.Zij vragen of aangegeven kan worden welke bestuursorganen hier worden bedoeld en of het ook mogelijk is dat gemeenten toegang krijgen tot de bestanden om de rechtmatigheid van de bijstandsuitkeringen te toetsen.

Zoals ook uit de figuur op pagina 65 van het algemene deel van de memorie van toelichting blijkt, worden de gemeenten gezien als een belangrijke afnemer van de gegevens uit de polisadministratie.De gegevensuitwisseling met UWV zal plaatsvinden via het Inlichtingenbu-reau.Het doel van die gegevensstroom is om vast te stellen of en in welke mate een bijstandsgerechtigde inkomen uit arbeid heeft verkregen.Dit is een belangrijk gegeven voor de toetsing op de rechtmatigheid van de bijstandsuitkering.Voorzover bestuursorganen als afnemer worden aangemerkt, wordt bij de vaststelling van de gegevensset rekening gehouden met het belang van de gegevens voor die afnemers.Dit is begrensd door de doeleinden van de polisadministratie, die in artikel 33 van de Wet SUWI worden genoemd.De overige bestuursorganen die belang hebben bij raadpleging van de polisadministratie zijn bijvoorbeeld: de Informatie Beheer Groep (voor de studiefinanciering), het College zorgverzekeringen (voor de uitvoering van de Ziekenfondswet en de AWBZ), de Minister van VROM (voor de huursubsidie), de Pensioen- en

Uitkeringsraad (voor uitkeringen aan oorlogsslachtoffers) en de Kamers van Koophandel (voor instandhouding van het Handelsregister).

De leden van de fractie van de ChristenUnie willen graag dat de regering reageert op de suggestie de relevante salarisstroken als basis voor het verkrijgen van een uitkering te laten dienen.Als dit geen reële optie is, verzoeken de leden van de fractie van de ChristenUnie de regering een nadere onderbouwing te geven van het algemene nut van de voorgestelde polisadministratie.

Het overleggen van relevante salarisstroken voor het verkrijgen van een uitkering kan niet in alle gevallen soelaas bieden, omdat alleen bij wijziging van de gegevens op de salarisstroken de verplichting voor de werkgever bestaat salarisstroken te verstrekken.Bovendien ondersteunt de polisadministratie de heffing- en inningsprocessen van de Belastingdienst en zijn salarisstroken daar toereikend noch sluitend voor.

De leden van de VVD-fractie en van de fractie van de ChristenUnie vragen de regering een limitatieve opsomming te geven van de gegevens die in de polisadministratie zullen worden opgenomen.Dit om te voorkomen dat meer gegevens worden uitgevraagd bij werkgevers dan strikt noodzakelijk.

De regering zal zorgdragen dat de (limitiatieve) gegevensset van de polisadministratie in regelgeving zal worden verankerd.De gegevensset bestaat voor een belangrijk deel uit de nominatieve gegevens van de loonaangifte inclusief de weekaanlevering van de uitzendbranche.Dit zijn de gegevens die bij werkgevers worden uitgevraagd.Daarnaast zal de gegevensset van de polisadministratie nog bestaan uit aanvullende persoons- en adresgegevens uit de GBA, nominatieve gegevens van vrijwillig verzekerden, gegevens inzake gemoedsbezwaarden, gegevens inzake internationaal (on)verzekerde tijdvakken voor werknemersverzekeringen, gegevens over onderzoek naar verzekeringsplicht en referentiegegevens van de werkgever.

4.2 Gegevensstromen

De leden van de CDA-, PvdA- en VVD-fractie vragen zich af waarop het uitvalpercentage van 2% bij de aangifte is gebaseerd is.Bij welke vergelijkbare operaties is een dergelijk laag uitvalpercentage geconstateerd in het begin van de operatie, vragen daarnaast de leden van de CDA-fractie. De leden van de PvdA- en de VVD-fractie vragen voorts of de ervaringen in de praktijk met uitvalpercentages bij vergelijkbare operaties van enige omvang niet veel hoger zijn.

Een belangrijke doelstelling van SUB is door synergie-effecten de uitvoeringskosten te verlagen.Deze doelstelling wordt bereikt indien minimaal 98% van de aangeleverde nominatieve aangifteregels direct kunnen worden verwerkt.De verwerking van elke procent uitval vergt 90 tot 100 fte aan personele inzet.De 2%-uitval is bepaald ervan uitgaande dat minimaal 95% van het aantal aangiften digitaal wordt ontvangen.Om deze percentages te bereiken is zogeheten marktbewerking essentieel. Doel van de marktbewerking is om ervoor zorg te dragen dat de markt (werkgevers, softwareleveranciers, accountantskantoren e.d.) de benodigde gegevens tijdig, elektronisch, in de gewenste vorm en met de gewenste kwaliteit aanleveren.Om dit te realiseren is voor de volgende aanpak gekozen: • Binnen het zogeheten EPW (Extern Platform Walvis), waarin

accountantskantoren, werkgevers en softwareleveranciers vertegen-

woordigd zijn, worden de berichtspecificaties en de gewenste wijze van gegevensuitleveringen besproken.

  • • 
    De berichtspecificaties worden vroegtijdig vastgesteld en aan de markt bekendgemaakt.
  • • 
    De testtrajecten met softwareleveranciers worden vroegtijdig besproken en ingericht.
  • • 
    Gestimuleerd wordt dat controles op juiste aanlevering zoveel mogelijk bij de aanleverende partij worden ingebouwd.

Nadat de 2%- en 95%-normen zijn vastgesteld, is besloten tot een verplichte digitale aanlevering van de loonaangifte per 2006.Dit biedt een extra waarborg om een tijdige en juiste aanlevering en verwerking van loonaangiften te realiseren.Werkgevers zijn voor de nieuwe wijze van aanlevering afhankelijk van nieuw te bouwen salarissoftware.Met de ontwikkeling hiervan kan pas worden gestart als voldoende (politieke) duidelijkheid bestaat over de functionele specificaties van het nieuwe berichtenverkeer.

Als vergelijkbare operaties kunnen worden genoemd de weekaanlevering voor de uitzendbranche (Reflex) met minder dan 1% uitval «aan de poort» en de Melding Sociale Verzekering (MSV) met een uitval van minder dan 2% «aan de poort».

4.3 Rechten en plichten van verzekerde

4.4 Sofinummers

De leden van de PvdA-fractie vragen hoe breed de regering het Sofi-nummer gaat uitzetten.Daarnaast vragen deze leden of het ook door private partijen gebruikt gaat worden en hoe het Sofinummer zich onderscheidt van het burgeridentificatienummer.Ook vragen deze leden welke bescherming in beide administraties wordt geboden, en of de regering het Belgische systeem kent waarbij de rechtsbescherming voor de burger als het om privacy gaat beter is dan de Nederlandse terwijl dat niet ten koste gegaan is van de uitwisselbaarheid voor de invoering van de Kruispunt-bank en de bescherming daaromheen.Welke elementen uit het Belgische systeem zouden tot verbetering van de Nederlandse systemen kunnen leiden, zo vragen deze leden tot slot.

Elke uitbreiding van het gebruik van het sofinummer door publieke en private partijen vereist een zelfstandige overweging en wettelijke inbed-ding.Het gebruik van het sofinummer wordt in de wet of bij algemene maatregel van bestuur geregeld.Daarbij wordt steeds een zelfstandige afweging gemaakt.Het toestaan van gegevensverstrekking aan private instanties houdt niet zonder meer in dat gegevens op sofinummer mogen worden verstrekt.De invoering van de Wfsv geeft geen aanleiding om het gebruik van het sofinummer uit te breiden.

Het Burgerservicenummer (BSN) is op zich betekenisloos: het krijgt pas betekenis als het in een sector wordt gebruikt volgens de regels die de betreffende sector voor het gebruik ervan stelt.Wel zal het BSN stelsel voorzien in een aantal centrale voorzieningen voor het beheer en gebruik van het BSN en die zorgen voor vertrouwen in het stelsel.Dit betreft onder andere de inrichting van een Nationale Vertrouwensfunctie waar overheidsbrede kaders inzake vertrouwelijkheid en privacybescherming worden opgenomen aanvullend op of als specifieke uitwerking van de Wet Bescherming Persoonsgegevens.Bij de inrichting zal ook gekeken worden naar het Belgische systeem van rechtsbescherming. Aangezien de heffing en inning van de premies werknemersverzekeringen geschiedt met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing en inning van de loonbelasting geldende regels, is artikel 67 van de Alge-

mene wet inzake rijksbelastingen (AWR) en artikel 67 van de Invorderingswet 1990 (IW) (geheimhoudingsplicht) van toepassing op alle gegevens die via de aangifte of het correctiebericht bij de Belastingdienst worden aangeleverd.In de wet SUWI wordt de Belastingdienst verplicht deze gegevens ten behoeve van de polisadministratie te verstrekken aan UWV.

In de polisadministratie worden gegevens verwerkt voor de publieke taken van onder meer UWV, ziekenfondsen en CBS.Deze gegevens vallen – afhankelijk voor welke taak zij worden verwerkt – naast de Wet bescherming persoonsgegevens onder de bepalingen van respectievelijk de Wet SUWI, Zfw en de Wet op het CBS.Ook gelden de in deze wetten opgenomen bepalingen betreffende geheimhouding, bewaartermijnen en gegevensverstrekking.

Uitzondering hierop zijn de gegevens die ten behoeve van de Belastingdienst in de polisadministratie worden verwerkt (artikel 33, tweede lid, onderdeel d, van de Wet SUWI).

Op deze gegevens blijven artikel 67 van de AWR en artikel 67 van de IW rusten.

Hiermee ontstaat een sluitend regime van privacybepalingen.Het kabinet is van oordeel dat door dit privacyregime de rechten van de geregis-treerden voldoende worden gewaarborgd.

5 Het ministeriele toezicht

6  Implementatie

6.1 Gevolgen voor het personeel

De leden van de ChristenUnie vragen om in te gaan op de brief d.d. 24 mei jl.van medewerkers van UWV.

De regering merkt op dat om de zorg van de medewerkers weg te nemen UWV maatregelen treft om de juiste afwerking over oudere jaren te verzekeren, inclusief de daarbij behorende personele waarborgen.

7 Financiële consequenties en gevolgen voor de administratieve lasten

7.1 Financiële consequenties

De leden van de PvdA-fractie merken op dat van verschillende zijden is aangegeven dat de geraamde besparingen scherp beïnvloed worden door de meest recente wijzigingen.De door de regering verstrekte actualisering van 28 april 2004 (kamerstukken II 2003/04, 28 219 en 28 371, nr.24) is echter zeer globaal van aard.In het actieplan administratieve vereenvoudigingen is voor juni een actualisering van de beoogde besparingen aangekondigd.De leden van de PvdA-fractie vragen een meer uitgewerkt en geactualiseerd overzicht van de beoogde besparingen.Voorts vragen deze leden hoe straks gemeten gaat worden of deze besparingen ook daadwerkelijk gerealiseerd gaan worden en hoe en met welke frequentie deze uitkomsten aan de Kamer zullen worden voorgelegd.

De actualisering zoals die 28 april 2004 aan u is verstrekt, is de actualisatie die is aangekondigd in het actieplan administratieve vereenvoudiging.De actualisatie van 28 april is conform de methodiek zoals die is gebruikt voor de berekening in bijlage 2 bij de Aansluitingswet Walvis. In de jaarlijkse reguliere monitoring zal vervolgens gerapporteerd worden over de bereikte administratieve lastenverlichting.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven op welke wijze het liquiditeitstekort van 1,4 miljard in 2006 gedekt gaat worden.Ook vragen zij hoe het effect op de staatsschuld ondervangen zal worden, en of de kosten, waarvan de revenuen bij een deel van de werkgevers liggen, op anderen dan die werkgevers worden afgewenteld.

Het eenmalig liquiditeitstekort kan ten laste worden gebracht van de vermogensreserves van de fondsen voor de WW en de WAO.De overschotten in deze fondsen zullen hierdoor lager uitvallen.Aangezien genoemde reserves meetellen voor de berekening van de staatsschuld, zal deze schuldpositie met € 1,4 miljard verslechteren.Gezien het niveau van de staatsschuld is er geen noodzaak dit effect op de staatsschuld te onder-vangen.Of het liquiditeitstekort ook daadwerkelijk ten laste van de reserves zal worden gebracht, is afhankelijk van het lastenbeeld 2005.In de Begroting 2006 zal dit aan de orde komen.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven wat de kosten zullen zijn van het sociaal plan en wat er de oorzaak van is dat het verstrekte schema van besparingen jaarlijks wisselende besparingen zien.

In de beantwoording van vragen van leden van de CDA-fractie naar aanleiding van het Eindrapport Samenwerking UWV-Belastingdienst is aangegeven dat de kosten van het sociaal plan in totaal € 161,4 mln. bedragen.Zie onderstaande tabel.

Nader overzicht kosten SUB/Walvis in miljoenen Euro’s1

2003 2004 2005 2006 2007 2008 2009 2010 2011-19

Totaal

ICT                           27,5      75,7      63,1      10,5           0      13,3      13,3      13,3             0         216,7

Sociaal Plan              3,3        7,1        5,7      33,0      48,9      25,7      15,6        9,3        12,8         161,4

Overig                        8,7      13,3      16,9        5,0        1,0           0           0           0             0           44,9

Communicatie          1,8        2,5        4,3        3,5           0           0           0           0             0           12,1

Totaal

41,3 98,6 90,0 52,0 49,9 39,0 28,9 22,6

12,8

435,1

1 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003/04, 28 371, nr.7, blz.3.

De jaarlijks wisselende besparingen hebben als oorzaak het feit dat de afbouw van het personeel geleidelijk verloopt.In navolgende tabel is deze afbouw inzichtelijk gemaakt.

Nader cumulatief overzicht van af te vloeien fte’s1

Jaar

Fte’s (afgerond)

Besparing in € x mln (afgerond)

2005 2006 2007 2008 2009 e.v. 2 600

200

1  200

2 000 2 500

156

13

70

119

152

Kamerstukken II, vergaderjaar 2003/04, 28 371, nr.7, blz.3.

Daarnaast vragen de leden van de PvdA-fractie of er kosten zijn waar nog dekking voor gevonden moet worden, en of er implementatiekosten zijn die nog niet gedekt zijn.Ook vragen zij in hoeverre het huidige huisvestingsbudget van het UWV door deze operatie wordt verlaagd. Voorts vragen zij welke toename er is bij de Belastingdienst in huisvestingskosten en welke uitgaven de Belastingdienst gaat doen voor de invoering van hun administratie.

Thans is geen indicatie dat er nog dekking voor kosten gevonden moet worden.Alle kosten zijn gedekt.In het huidige huisvestingsbudget wordt rekening gehouden met de komende wijziging in het personeelsbestand. De toename bij de Belastingdienst in huisvestingskosten bedraagt € 4,5 mln.De Belastingdienst gaat € 37 mln uitgeven voor de invoering van hun administratie.

De leden van de VVD-fractie, de CDA-fractie en de PvdA-fractie stellen een aantal vragen als het gaat om de incidentele kosten van werkgevers. Voor de berekening van administratieve lasten is er een model voor-handen.Dit model ziet op de structurele administratieve kosten die wetgeving al dan niet met zich meebrengt.In het EIM-model zijn geen incidentele kosten opgenomen.Er is ook geen model voorhanden op basis waarvan een berekening kan worden gemaakt van de incidentele kosten voor werkgevers.Reden daarvoor is dat de kosten die werkgevers zich moeten getroosten sterk verschillen per werkgever.Zo is het de vraag of werkgevers zelf de administratie doen of uitbesteden.Daarnaast is er een grote diversiteit aan softwarepakketten en is er sprake van zogenoemde eigenbouwers.De kosten van de aanpassing van de softwarepakketten zijn per pakket verschillend.Gezien het voorgaande is het niet mogelijk om een berekening te maken van de incidentele kosten voor werkgevers. Wel is het zo dat tegenover deze eenmalige kosten er een jaarlijkse administratieve lastenverlichting staat.Om het proces toch zo goed als mogelijk te laten verlopen en de incidentele kosten voor werkgevers zo laag mogelijk te houden vindt thans al overleg met diverse marktpartijen plaats.Daarnaast zal dit onderwerp ook in het overleg met o.a.VNO-NCW aan de orde komen.

De leden van de PvdA-fractie vragen welke PM posten zijn opgenomen in de berekening van de administratieve lasten.In de berekening van de administratieve lastenverlichting zijn geen PM-posten opgenomen.

1  Kamerstukken II, 2003/04, 29 200, Hoofdstuk XV, nr.2.

2  Kamerstukken II, 2003/04, 29 200, Hoofdstuk IXB, nr.2.

3  Kamerstukken II, 2002/03, 28 929, nr.1.

De leden van de VVD-fractie constateren dat de regering een deel van de implementatiekosten ad € 189 mln niet meeneemt.Het betreft € 25 mln in 2004 en € 60 mln in 2005, samen € 85 mln.Onduidelijk is hoe deze kosten worden gefinancierd.Het restant van de implementatiekosten wordt gedekt uit het transformatiebudget, waarmee wel rekening is gehouden in de begroting van de UWV.Als de eerder genoemde besparingen al zijn ingeboekt, moet de regering extra dekking vinden om deze uitgaven te kunnen doen, zo merken de leden van de VVD-fractie op.Een alternatief is dat de kosten uit de voorziene opbrengsten worden geboekt.Maar daarbij geldt dan wel dat de «kosten voor de baten gaan».Of dit geld nu beschikbaar is, is niet duidelijk.Ook is niet duidelijk waar dit bedrag op is gebaseerd, een onderbouwing wordt niet gegeven.Worden de implementatiekosten gedekt uit de totale voorziene opbrengsten, of moet daar afzonderlijk dekking voor worden gevonden, zo vragen de leden van de VVD-fractie.De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen hoe de dekking van de implementatiekosten is geregeld.

De kosten en baten van de samenwerking UWV en de Belastingdienst zijn meerjarig ingeboekt in de begrotingen van SZW en Financiën voor het jaar 2004.Voor SZW zijn deze kosten en baten verwerkt in de uitvoeringskosten van de premiegefinancierde sociale verzekeringsuitgaven voor de WW en de WAO.Dit is vermeld op pagina 163 en 172 van de Begroting

SZW.1

In de begroting van Financiën zijn de invoeringskosten opgenomen in de meerjarenraming van beleidsartikel 1.2

De invoeringskosten zijn ook opgenomen in de Voorjaarsnota 2003.3 De afzonderlijke bedragen voor de Belastingdienst en UWV zijn vermeld op pagina 20 en 50.

1 Kamerstukken II, vergaderjaar 2003/04, 28 371, nr.7, blz.3.

Waar is het bedrag van € 189 mln.op gebaseerd, vragen de leden van de VVD-fractie.Ook vragen zij om een onderbouwing hiervan.Ook vragen deze leden de regering schematisch aan te geven waar de implementatiekosten voor werkgevers (die aan het wetsvoorstel verbonden zijn) betrekking op hebben en te kwantificeren hoeveel de implementatiekosten voor de werkgever zullen zijn.Kan de regering daarbij een onderscheid maken tussen de kleine en de grote werkgever, vragen zij tot slot.

In totaal kost de operatie € 435,1 mln.Hiervan ziet € 161,4 mln.op sociaal plan kosten.De investeringen in ICT en ondersteuning bedragen derhalve € 273,7 mln.Hiervan is € 85 mln.gedekt uit de zogenoemde transformatiekosten.In totaal moet dus nog een bedrag van € 188,7 mln. worden gedekt (dit is afgerond op € 189 mln.).1

7.2 Administratieve lastenverlichting

De leden van de CDA-fractie vragen welke uitvraag van gegevens overbodig wordt bij invoering van de polisadministratie.Tevens vragen zij wat de consequenties zouden zijn van het niet doorgaan van de nieuwe polis-administratie.Voorts vragen zij waarvoor de extra uitbreiding van de PANA-aangifte door SUB dient en in hoeverre er reeds afspraken zijn gemaakt met werkgevers, servicebureaus en softwareleveranciers en hoe de regering een soepele invoering inschat.

Het zal altijd noodzakelijk zijn om gegevens bij de werkgever uit te vragen om het recht op een uitkering vast te stellen.Deze wet heeft niet tot doel dat er geen enkele gegevensuitvraag meer is bij de werkgever.Zo zal de mate van verwijtbaarheid altijd een rol blijven spelen als het gaat om het recht op een WW-uitkering.Door middel van dit wetsvoorstel wordt echter wel beoogd om de huidige gegevensuitvraag sterk terug te dringen.Het gaat dan met name om gegevens ten behoeve van de hoogte en de duur van de uitkering.

Indien de polisadministratie niet door zou gaan dan betekent dat dat de doelstellingen niet bereikt zullen worden.Zo zal er geen sprake kunnen zijn van de beoogde administratieve lastenverlichting, omdat meervoudig gebruik van de gegevens die in een polisadministratie worden opgenomen niet mogelijk zal zijn.Verder zal de jaarlijkse besparing op de uitvoeringskosten niet worden bereikt, omdat dan menskracht nodig blijft om de loongegevens bij werkgevers uit te vragen om de hoogte en duur van een uitkering vast te kunnen stellen.Ook zal de UWV-vorming vertraging oplopen.Thans werkt UWV met de zogenoemde verzekerden-administraties.Elke ex-uitvoeringsinstelling heeft nog een dergelijke administratie.Met de bouw van de polisadministratie wordt deze lappendeken omgezet in één administratie voor heel UWV.

De oorspronkelijke PANA-aangifte zoals die met Walvis was beoogd, zou alleen betrekking hebben op gegevens ten behoeve van de premieheffing-werknemersverzekeringen.De gegevens voor de loonbelasting zouden verkregen worden via de aangifte loonbelasting.Met dit wetsvoorstel wordt bereikt dat beide aangiften tot één loonaangifte worden gevormd. Dat betekent evenwel dat het oorspronkelijke PANA-bericht moet worden uitgebreid met gegevens die wel voor de loonbelasting van belang zijn, maar niet voor de premieheffing werknemersverzekeringen.Het gaat hier bijvoorbeeld om gegevens aangaande de afdrachtsverminderingen. Aangezien het oorspronkelijke PANA-bericht wordt uitgebreid tot een loonaangifte, is daarmee de administratieve lastenverzwaring verhoogd. Daar staat tegenover dat er twee berichtenstromen vervallen (aangifte loonbelasting en de loonbelastingkaart).

In 2003 is gestart met een afstemming met deze partijen.Dit is het zogenoemde Extern Platform Walvis (EPW).De laatste bijeenkomst van dit platform is 14 april jl.geweest.In dit platform is onder andere de gegevensset aan de orde geweest.

Na afronding van de Kamerbehandeling zal de afstemming worden geïn-tensiveerd.Belastingdienst en UWV hebben daarvoor aparte programma’s ontwikkeld, zoals het project marktbewerking en het project elektronische loonaangifte (ELA).Het project marktbewerking richt zich vooral op de werkgevers, via EPW, om ze te bewegen een zo goed mogelijke loonaangifte te doen.Hier zit een groot informatie en communicatie aspect aan.Het project ELA richt zich meer op de technische kant van de aangifte.In dit project wordt meer met softwareleveranciers gesproken. Voorts worden bestaande onderdelen van de Belastingdienst ingezet die gericht zijn op de ondersteuning van softwareontwikkelaars.

Het overzicht van financiële effecten wijkt af van de brief van 28 april van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met een actualisering van de besparingen.De leden van de PvdA-fractie vragen een meer precieze calculatie waarbij ook rekening gehouden wordt met de minderopbrengst van premie vanwege verlaging inzet looncontroles.Verder vragen zij naar de wijze waarop deze besparingen zullen worden verantwoord.

In de brief van 28 april 2004 is aangegeven wat de actuele stand is van de administratieve lastenverlichting die dit wetsvoorstel, samen met het wetsvoorstel Walvis, oplevert voor het bedrijfsleven.Het gaat in dat overzicht niet om de besparing en/of kosten op overheidsuitgaven. De door de leden veronderstelde minderopbrengsten hebben geen invloed op de in de brief van 28 april 2004 genoemde cijfers.

Zowel de leden van de PvdA- als de VVD-fractie vragen of de berekeningen van de administratieve lasten, gebaseerd op het onderzoeksmodel van het EIM zijn uitgevoerd door de betrokken organisaties UWV en de Belastingdienst zelf, en of deze berekeningen nog door een derde (onafhankelijke) instantie getoetst zijn.

De berekening van de administratieve lastenverlichting zoals die zijn opgenomen in de wetsvoorstellen zijn gebaseerd op het EIM-model.De berekening van de effecten van wetsvoorstellen op administratieve lasten vindt plaats door de betreffende departementen, niet door UWV of de Belastingdienst.De wijze waarop de effecten op de administratieve lasten worden berekend is in overeenstemming met het Actal.Het Actal toetst de berekeningen die de departementen maken.

De leden van de PvdA-fractie vragen of in de berekeningen van de administratieve lastenverlichting de voordelen van SUWI zijn meegenomen, en of de tegenvallers – gezien dat de besparingen en invoeringskosten voor beide organisaties (UWV en Belastingdienst) taakstellend zijn – worden gecompenseerd door verhoging van de premies werknemersverzekeringen.

De administratieve lastenverlichting zoals die in de brief van 28 april 2004 zijn aangegeven zijn de effecten van de voorliggende wetsvoorstellen.De voordelen van SUWI zijn hier niet in meegenomen.De genoemde bedragen zijn taakstellend voor de beide organisaties.Indien er sprake zou zijn van een overschrijding zal dit gevonden moeten worden binnen de eigen begroting.Het verhogen van de premies is dan niet aan de orde.

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de regering met een gedetailleerd schema komt van de voor de werkgevers komende wijzigingen en de financiële kwantificering daarvan.

Zoals gezegd kunnen de incidentele kosten voor werkgevers niet gekwantificeerd worden.Als het gaat om de administratieve lastenverlichting verwijst de regering naar de meest actuele stand zoals die op 28 april 2004 bij brief aan u is aangeboden.

7.3 Premie- en inkomenseffecten van loontijdvakkensystematiek

De leden van de VVD-fractie vragen of de regering in kan gaan op de inkomenseffecten die onderhavig wetsvoorstel met zich meebrengt.De regering spreekt over percentages mensen die er iets op vooruit en iets op achteruit zullen gaan, maar kan de regering per inkomensgroep ook kwantitatief duiden wat de inkomenseffecten van het wetsvoorstel zullen zijn, zo vragen deze leden.

De leden van de CDA-fractie merken op dat de invoering van loon-tijdvakken leidt tot een verlaging van betaalde premies door parttime werkers, die gecompenseerd zal worden door een hoger premiepercen-tage.Deze leden vragen of het juist is dat iemand met een modaal salaris, die 2,5 dagen per week bij werkgever A werkt en 2,5 dag bij werkgever B, fors minder premies gaat betalen.En wordt voor deze werknemer straks minder premies afgedragen dan voor iemand, die vijf dagen per week bij één van de twee werkgevers een modaal salaris verdient, zo is de vraag. Voorts vragen zij of dan ook manieren, zoals het verlagen van de franchise, overwogen zijn om de gederfde premie-inkomsten terug te halen, en waarom er is gekozen voor het verhogen van de premie.

De inkomenseffecten van het wetsvoorstel komen voort uit de overgang van een dagloonsystematiek naar een loontijdvakkensystematiek.De dagloonsystematiek houdt in dat zowel de franchise in de AWF als de maximumpremiegrenzen in de sociale verzekeringen per dag worden gehanteerd.Dat betekent dat werknemers die vijf dagen in de week werken een hogere franchise hebben (voordeel) en een hogere maximum-premiegrens (nadeel).Nu wordt overgestapt op een tijdvaksystematiek geldt voor iedereen dezelfde franchise en maximumpremiegrens (gelijk aan de franchise en maximumpremiegrenzen die nu voor werknemers die vijf dagen werken gelden).

Dit betekent dat de systeemwijziging in beginsel voor werknemers die vijf dagen in de week werken geen effect heeft.Voor werknemers die minder dagen werken hangen de inkomenseffecten af van hun inkomen.Bij een laag inkomen overheerst het positieve effect van de hogere franchise, bij een hoog inkomen het negatieve effect van een hogere maximum-premiegrens.Verder geldt dat hoe minder dagen men werkt hoe eerder dit effect omslaat.Zo geldt voor een werknemer die in één dag een inkomen van een half maal modaal verdient (dit is 21⁄2 modaal op voltijdsbasis) al een negatief inkomenseffect van -1⁄2%, terwijl voor iemand die dit inkomen in drie dagen verdient het inkomenseffect positief is (+13⁄4;%).De inkomenseffecten zijn dus sterk afhankelijk van het aantal dagen dat men werkt en van de hoogte van het inkomen dat daarmee verdiend wordt. Voor 70% van de werkenden is het inkomenseffect nihil (deze werken gedurende vijf dagen in de week).Voor ongeveer 1% van de werkenden kan het negatieve inkomenseffect oplopen tot -1 à -2%.Dit betreft werknemers die in deeltijd werken tegen een inkomen dat op voltijdsbasis boven 2 maal modaal zou liggen.

De financiering van de overgang naar de loontijdvakkensystematiek via verhoging van de premies leidt ten opzichte van de hiervoor genoemde effecten tot een maximaal negatief effect van –1⁄4%.

De leden van de CDA-fractie vragen naar de effecten voor een werknemer die een modaal inkomen verdient bij twee werkgevers (twee maal 21⁄2

dag).Voor deze werknemer geldt in versterkte mate hetzelfde effect als dat voor een deeltijdwerknemer die 1⁄2 maal modaal verdient.Voor deze werknemer overheerst het feit dat de voor hem geldende franchise hoger wordt.Bij beide werkgevers wordt nu rekening gehouden met de volledige franchise in de AWF.Voor deze werknemer zal inderdaad minder premie worden afgedragen dan voor een werknemer die hetzelfde inkomen bij één werkgever zou verdienen.In de situatie van loondagen is dat overigens ook het geval.

Naast verhoging van de premie is ook het verlagen van de franchise overwogen ter financiering van de gederfde premie-inkomsten.Zoals hiervoor genoemd heeft de aanpassing van de systematiek voor 70% van de werknemers op zichzelf geen effect.Het streven is om ook voor deze groep de effecten van de financiering zo klein en evenwichtig mogelijk te houden. Een verhoging van de franchise heeft grote effecten voor de lagere inkomens met een inkomen iets hoger dan de bestaande franchise.Voor hogere inkomens zijn de effecten relatief klein.Een verhoging van de premie heeft een meer evenwichtige uitwerking.

  • 8. 
    Artikelsgewijs

De leden van de ChristenUnie vragen aandacht voor de nadelen van het wijzigen van de premiepercentages op een ander tijdstip dan 1 januari, zoals extra administratieve lasten, en vragen wat zich ertegen verzet om die mogelijkheid te schrappen.

Een tussentijdse wijziging kan noodzakelijk zijn en daarom dient de wet in die mogelijkheid te blijven voorzien.De mogelijke nadelen van een tussentijdse wijziging van een premiepercentage worden uiteraard onder-kend.Om die reden vindt in zo’n geval de vaststelling van het percentage plaats in overleg met de Minister van Financiën en kunnen regels worden gesteld die aangeven hoe de premie over het gehele kalenderjaar moet worden berekend.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A.J.de Geus

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.