Brief Presidium met verzoek aan de Algemene Rekenkamer om een onderzoek in te stellen naar de effecten van de nieuwe wijze van premie-inning van sociale verzekeringen - Regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2004–2005

29 529

Regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen)

Nr. 20

BRIEF VAN HET PRESIDIUM

Aan de leden

Den Haag, 25 november 2004

Namens het Presidium leg ik het verzoek van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij brief van 17 november 2004 (zie bijlage 1) aan u voor om de Algemene Rekenkamer te verzoeken een onderzoek in te stellen naar de effecten van de nieuwe wijze van premieinning van sociale verzekeringen en daarbij specifiek in te gaan op de in deze brief opgenomen onderzoeksvragen

Over dit verzoek heeft de commissie voor de Rijksuitgaven conform artikel 21a van het Reglement van Orde een positief advies uitgebracht (zie bijlage 2)

Ik verzoek u hiermee in te stemmen.

De Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, F. W. Weisglas

De Griffier van de Tweede Kamer der Staten-Generaal, J. E. Biesheuvel-Vermeijden

Bijlage 1                                                  Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer

Den Haag, 17 november 2004

Op 1 juli 2004 heeft de Tweede Kamer het wetsvoorstel Wet financiering sociale verzekeringen aangenomen. Deze wet regelt onder meer de overheveling van de premie-inning van sociale verzekeringen van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen naar de Belastingdienst. Daarmee wordt tevens een nieuwe wijze van premie-inning geïntroduceerd.

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid is van mening dat het voor de Tweede Kamer van cruciaal belang is te weten wat de effecten zijn van deze nieuwe wijze van premie-inning van sociale verzekeringen. De Algemene Rekenkamer is geëquipeerd om een dergelijk onderzoek te doen. De commissie verzoekt u daarom aan de Kamer voor te stellen de Algemene Rekenkamer te verzoeken dit onderzoek uit te voeren. Het betreft de volgende onderzoeksvragen.

  • 1. 
    Een vergelijkend onderzoek naar de wijze van premie-inning door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ten opzichte van de Belastingdienst. Daarbij gaat het om:
  • • 
    het in kaart brengen van het verschil in de methode van vaststelling van de premiehoogte;
  • • 
    het in kaart brengen van de verschillen in inningssystematiek;
  • • 
    het in kaart brengen van de handhavingsverschillen, inclusief de verschillen in formatie.
  • 2. 
    Een analyse en beoordeling van de risico’s verbonden aan beide methodieken, in het bijzonder de mogelijke effecten op de opbrengsten en de verstrekte uitkeringen alsmede de effectiviteit en de consequenties daarvan.
  • 3. 
    Welke aanbevelingen kan de Algemene Rekenkamer doen over het systeem van sturing, verantwoording en controle opdat de Tweede Kamer haar controlerende taak kan uitoefenen op het resultaat van het nieuwe inningsproces, de rechtmatigheid en de handhaving daarvan bij een optimaal premie-inningsresultaat.

Conform artikel 21a van het Reglement van Orde is de commissie voor de Rijksuitgaven om advies gevraagd. Bijgevoegd treft u het positieve advies van de commissie aan.

De voorzitter van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Hamer

De griffier van de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Nava

Bijlage 2                                                  Aan de voorzitter van de vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en

werkgelegenheid

Den Haag, 4 november 2004

Met belangstelling heeft de commissie voor de Rijksuitgaven kennis genomen van de brief van uw commissie van 2 november jl. (126-04-SZW/RU 04-19), waarin u om advies vraagt over uw besluit de Kamer voor te stellen de Algemene Rekenkamer te verzoeken een onderzoek te doen naar de premie-inning bij de Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv).

Op grond van de in uw brief opgenomen onderzoeksvragen en de bijbehorende motivatie kan de commissie over dit voorstel met instemming adviseren. De commissie heeft daartoe de volgende overwegingen.

Onlangs werd door de Tweede kamer het wetsvoorstel Wet financiering sociale verzekeringen (Wfsv) vastgesteld. Deze wet regelt ondermeer de overheveling van de premie-inning sociale verzekeringen van het UWV naar de belastingdienst. De premie-inningsystematiek is gewijzigd. Er is een verschil tussen de wijze waarop door het UWV de premies worden geïnd, via controle en inspectie de handhaving plaats vindt, en de wijze waarop de belastingdienst dat in de nieuwe situatie gaat doen.

U vraagt de Algemene Rekenkamer onderzoek te doen naar de volgende aspecten:

  • 1. 
    Een vergelijkend onderzoek naar de wijze van premie-inning door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen ten opzichte van de Belastingdienst. Daarbij gaat het om:
  • • 
    het in kaart brengen van het verschil in de methode van vaststelling van de premiehoogte;
  • • 
    het in kaart brengen van de verschillen in inningsystematiek;
  • • 
    het in kaart brengen van de handhavingsverschillen, inclusief de verschillen in formatie.
  • 2. 
    Een analyse en beoordeling van de risico’s verbonden aan beide methodieken, in het bijzonder de mogelijke effecten op de opbrengsten en de verstrekte uitkeringen alsmede de effectiviteit en de consequenties daarvan.
  • 3. 
    Welke aanbevelingen kan de Algemene Rekenkamer doen over het systeem van sturing, verantwoording en controle opdat de Tweede Kamer haar controlerende taak kan uitoefenen op het resultaat van het nieuwe inningsproces, de rechtmatigheid en de handhaving daarvan bij een optimaal premie-inningsresultaat.

Heeft de Algemene Rekenkamer voldoende bevoegdheden?

Naar aanleiding van uw verzoek is de commissie voor de Rijksuitgaven van mening dat de Algemene Rekenkamer binnen de bestaande bevoegdheden het voorgestelde onderzoek kan uitvoeren.

Moet het onderzoek door de Rekenkamer worden uitgevoerd?

Hierbij gaat het om de vraag welke meerwaarde een onderzoek door de Rekenkamer oplevert ten opzicht van een onderzoek door een ander onderzoeksbureau. Van een dergelijke meerwaarde is sprake indien de Rekenkamer gebruik kan maken van haar unieke bevoegdheden, die haar

toegang verschaffen tot alle administraties van de rijksoverheid (comptabiliteitswet, artikel 87 eerste lid). Deze vraag kan bevestigend worden beantwoord.

De commissie voor de Rijksuitgaven hecht er aan enige opmerkingen te maken die nader ingaan op inhoudelijke aspecten. Het gaat dan om de onderzoeksvragen en om praktische uitvoeringszaken.

Gewezen wordt op het feit dat het verzoek van de commissie voor SZW zich qua formulering op het snijvlak van onderzoek en advisering bevindt (met name in onderzoeksvraag 3). Gezien de staatsrechtelijke positie van de Algemene Rekenkamer zal zij niet treden in nieuw te formuleren beleid. Er mag echter van uit worden gegaan dat de Rekenkamer in haar aanbevelingen ingaat op voor de parlementaire praktijk hanteerbare elementen.

In de onderzoeksvragen zijn enkele begrippen opgenomen die een nadere begripsomschrijving vergen (onder meer «risico’s, optimaal premie-inningsresultaat»). De commissie acht het belangrijk dat hierin op korte termijn duidelijk wordt verschaft.

Uitvoering

In dit verband kan er op worden gewezen dat het onderzoeksrapport bij voorkeur uiterlijk 1 juni 2005 dient te verschijnen. Dat geeft de Kamer gelegenheid om het rapport nog voor het zomerreces 2005 te bespreken. Daarnaast is er dan de mogelijkheid om het rapport te bespreken in samenhang met de 2e voortgangsrapportage implementatie Wfsv van de minister van SZW, die naar verwachting begin juni 2005 verschijnt.

Dat de onderzoeksperiode van de Rekenkamer circa 7 maanden in beslag neemt heeft mede te maken met de gebruikelijke procedure van hoor en wederhoor die de Rekenkamer bij al haar rapportages toepast. Het gaat hier weliswaar om een verzoek van de Kamer aan de Rekenkamer, maar inherent aan de keuze voor de Algemene Rekenkamer als onderzoeksinstituut is de periode van hoor en wederhoor.

De voorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven, B. M. de Vries

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.