Brief staatssecretaris over verkorten beslistermijnen die gelden in de fiscaliteit - Regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Tweede Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2004–2005

29 529

Regels betreffende de financiering van de sociale verzekeringen (Wet financiering sociale verzekeringen)

Nr. 22

1  Kamerstukken II 2003/04, 29 529 en 29 531, nr. 16.

2  Zie bijvoorbeeld artikel 65 Algemene nabestaandenwet, artikel 18b Coördinatiewet sociale verzekering, artikel 38 Toeslagenwet, artikel 129 Werkloosheidswet en artikel 4.1.3 (voorstel van wet) Wet financiering sociale verzekeringen.

3  Besluit Staatssecretaris van Financiën van 21 juli 1997, nr. AFZ97/2526M, Stcrt. 1997, 138.

BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 24 december 2004

Bij de behandeling van de wetsvoorstellen voor de Wfsv (29 529) en de Invoeringswet Wfsv (29 531) is gesproken over de beslistermijnen die gelden in de fiscaliteit. Er is een motie1 aangenomen waarin de regering wordt verzocht de beslistermijnen alsmede de bezwaartermijnen nog dit jaar te heroverwegen, daarbij aansluiting zoekend bij de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Daarnaast is verzocht uw Kamer daarover nog in 2004 te rapporteren en tijdig voor de inwerkingtreding van de Wet financiering sociale verzekeringen een wetsvoorstel aan de Kamer aan te bieden, waarin de heroverweging in de wet wordt verankerd.

Naar aanleiding van voornoemde motie en de gedachtewisseling met uw Kamer over de beslistermijnen, heb ik de haalbaarheid van het verkorten van de fiscale beslistermijnen bezien. Gebleken is dat de Belastingdienst in staat is om in nagenoeg alle gevallen te beslissen binnen de door de Awb gestelde termijnen van acht weken voor beschikkingen op aanvraag, respectievelijk zes weken voor beslissingen op bezwaar. Ook is gebleken dat de geautomatiseerde verwerking van de beslissingen de nodige tijd kost. Dit leidt er in een aantal gevallen toe dat de termijnen van de Awb niet worden gehaald.

Dit in aanmerking nemend acht ik een wettelijke beslistermijn van dertien weken verantwoord, voor zowel beschikkingen op aanvraag, als voor beslissingen op bezwaar. Dit impliceert dat zal worden voorgesteld de wettelijke beslistermijnen van een jaar die zijn opgenomen in artikel 5a en artikel 25, eerste lid, Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), met ingang van 1 januari 2006 terug te brengen naar dertien weken. Deze termijn is in nagenoeg alle gevallen in de praktijk haalbaar en sluit aan bij een termijn die voorkomt in de sociale zekerheidswetgeving2. Overigens blijft de in het Voorschrift Awb 19973 gehanteerde doelstelling om Awb-conform te werken, gehandhaafd.

1 Zoals de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, het Interprovinciaal Overleg en

In een wetsvoorstel dat naar verwachting in de eerste helft van 2005 bij de Tweede Kamer zal worden ingediend, zal de wijziging van de AWR worden meegenomen.

De in artikel 25, tweede lid, van de AWR opgenomen verdagings-mogelijkheid van een jaar voor het doen van uitspraken op bezwaar blijft in mijn voorstel gehandhaafd. Deze verdagingsmogelijkheid is in de praktijk nodig, bijvoorbeeld in situaties dat naar aanleiding van een bezwaarschrift nadere vragen worden gesteld, er een strafrechtelijk onderzoek loopt of inlichtingen uit het buitenland moeten worden verkregen. In de bepaling is thans opgenomen dat de inspecteur met schriftelijke toestemming van Onze Minister de uitspraak voor ten hoogste een jaar kan verdagen. In de voorgenomen wetswijziging zal worden voorgesteld dat voor bepaalde groepen van gevallen ontheffing van het toestemmingsvereiste kan worden verleend.

Voornoemde voorgestelde wijzigingen kunnen doorwerken naar regelingen die worden uitgevoerd door andere bestuursorganen dan die van de Belastingdienst. Dit is het geval bij regelingen waarbij de AWR van (overeenkomstige) toepassing is verklaard, zoals bij de heffing van decentrale belastingen, bepaalde rijksheffingen of bij werkzaamheden in het kader van de Wet waardering onroerende zaken. Bezien zal worden of de voorgestelde wijzigingen ook kunnen doorwerken naar deze regelingen. Daartoe zal ik in overleg treden met de bij die regelingen betrokkenen, waaronder de samenwerkingsverbanden1 van de decentrale overheden.

De Staatssecretaris van Financiën, J. G. Wijn

de Unie van Waterschappen.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.