Inhoudsopgave

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de gezamenlijke behandeling van:

  • het wetsvoorstel Bevordering van het naar arbeidsvermogen verrichten van werk of van werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn en tot het treffen van een regeling van inkomen voor deze personen alsmede voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) (30034);
  • het wetsvoorstel Regels omtrent de invoering en financiering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen alsmede met betrekking tot de intrekking van de Wet op de (re)integratie arbeidsgehandicapten (Wet Invoering en financiering Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen) (30118).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter: Ik heet allereerst de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hartelijk welkom in ons midden. Ik stel vast dat wij in dit huis al veel over beide wetsvoorstellen hebben gesproken in hoofdlijnendebatten en wetgevingsoverleggen. Ik doe daarom, ook gelet op de volle agenda, een dringend beroep op de sprekers om niet al te zeer in herhaling te vervallen. Ik zie aan de gelaatsuitdrukking van de sprekers dat niemand dat van plan is! De heer Vendrik komt overigens iets later, aangezien hij vastzit in de trein van Amsterdam naar Den Haag.

©

G. (Gerda)  VerburgMevrouw Verburg (CDA): Voorzitter. ’’Op deze wet zal door maximaal 150.000 à 200.000 werknemers een beroep worden gedaan’’, sprak minister Veldkamp van Sociale Zaken bij de behandeling van de WAO in 1966. ’’Dit is een sociale wet, die werknemers verzekert van een inkomen als zij door sociale of beroepsoorzaken arbeidsongeschikt raken’’, voegde hij daaraan toe. Het laatste is nog steeds de kern van de wet, maar noch de toenmalige minister, noch de Kamer had enig idee van het turbulente leven dat de WAO beschoren zou zijn. Want al snel werd duidelijk dat de schatting van minister Veldkamp veel te optimistisch was. Het beroep op de WAO naderde eind jaren tachtig/ begin jaren negentig van de vorige eeuw in rap tempo de een miljoen uitkeringen. Premier Lubbers verklaarde toen: Nederland is ziek. Hij verbond zijn politieke lot aan terugdringing van het beroep op de WAO, door te verklaren: een miljoen

arbeidsongeschikten maak ik als premier niet meer mee. Samen met vice-premier Kok had Lubbers reeds eerder het initiatief genomen om de instroom te verminderen. Een van de maatregelen toen leidde tot het opstappen van staatssecretaris Elske ter Veld. De beelden staan nog scherp op het netvlies: een huilende Ter Veld, die afgeschermd voor de camera’s door mevrouw Van Nieuwenhoven Nieuwspoort ontvluchtte, nadat zij bekend had gemaakt te zijn afgetreden als staatssecretaris van Sociale Zaken.

In januari 1993 werd het bami-akkoord gesloten, wat leidde tot verdere maatregelen in de polisvoorwaarden, om het beroep op de WAO terug te dringen. In datzelfde jaar startte de parlementaire enquête onder voorzitterschap van Flip Buurmeijer, naar de uitvoering van de werknemersverzekeringen. De uitkomst van dit onderzoek leidde met name tot ingrepen in de uitvoering. Het onderzoek maakte met name duidelijk dat de keurings-en uitvoeringspraktijk niet altijd als onafhankelijk kon worden gekenschetst en dat de WAO door sociale partners, oogluikend toegestaan door de politiek, bij reorganisaties en ontslagen te gemakkelijk werd gebruikt als sociale uittreedroute. Onder Paars werd de uitvoering teruggehaald naar het publieke domein. In SUWI is echter, ondanks herhaalde pleidooien van het CDA om eerst en vooral naar de inhoud van de sociale zekerheid te kijken – eerst de inhoud, dan de uitvoering – niet meer gedaan dan ingrijpen in de uitvoering. Het UWV kwam als gevolg daarvan uit de startblokken.

In 1998 is PEMBA van kracht geworden. Deze premiedifferentiatie is langzaam tot wasdom gekomen en wordt door werkgevers in de praktijk veelal als boete ervaren. In 2002 is de Wet poortwachter van kracht geworden: eindelijk een fundamentele stap, die werkgever en werknemer direct verantwoordelijk maakte voor een maximale inzet op preventie en herstel, een eerste echte stap vanuit de inhoud, waar een gezamenlijk amendement van CDA, VVD en D66, voorwaar de huidige coalitie, aan ten grondslag lag. Het lukte de paarse coalitie indertijd niet, ondanks alle inspanning.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik herinner mevrouw Verburg eraan dat de deal die de VVD en D66 met het

CDA gesloten hadden vooral ging over slechtere ontslagbescherming. De Wet verbetering poortwachter werd door het paarse kabinet van harte ondersteund en dus ook door de PvdA.

Mevrouw Verburg (CDA): Wij hebben deze discussie al eerder gevoerd. Ik begrijp dat de PvdA met terugwerkende kracht spijt heeft dat zij toen een stap terug heeft gedaan en niet durfde door te pakken. Uiteindelijk heeft de PvdA-fractie wel voor gestemd, maar zij durfde niet mee het initiatief te nemen. Dat is jammer. Ik nodig de PvdA-fractie uit om nu wel de stap voorwaarts te zetten en voor deze wet te stemmen.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Het geheugen van mevrouw Verburg is niet bijster goed. Zij kan zich bepaalde dingen van een paar jaar geleden niet goed herinneren, maar zelfs van het debat van een paar weken geleden kan zij zich niet alles herinneren. Wij hebben altijd van harte voor de Wet verbetering poortwachter gestemd. Ik daag mevrouw Verburg uit om de verslechtering die het CDA toen heeft aangebracht in de ontslagbescherming van zwakke werknemers, te compenseren door nu voor mijn amendement te stemmen.

Mevrouw Verburg (CDA): Het enige wat ik blijf stellen, ondanks alle invuloefeningen van mevrouw Bussemaker, is dat de Wet verbetering poortwachter tot stand is gekomen door een initiatief en een amendement van de partijen die de huidige coalitie vormen, namelijk CDA, VVD en D66. De PvdA-fractie durfde toen niet en heeft uiteindelijk wel voor gestemd.

Voorzitter. Ondanks alle inspanning was bij het aantreden van het eerste kabinet-Balkenende het aantal van een miljoen WAO’ers nog steeds in zicht. Kabinet en coalitie hebben toen gekozen voor een doortastende aanpak van het probleem. Er was namelijk meer nodig: een cultuurverandering. De WAO was mede onder invloed van de ideeën over de maakbare samenleving, die in de jaren zeventig tot ongekende hoogte stegen, tot een werknemersrecht verworden waar geen enkele verplichting tegenover mocht staan. De WAO-uitkering werd daarmee een langparkeerplaats voor veel te veel werknemers. Het gevolg is dat heel

veel WAO’ers zich naar de rand van de samenleving geschoven weten. De uitkering was sociaal, maar maatschappelijke betrokkenheid en een beroep blijven doen op talenten en capaciteiten was absoluut niet aan de orde.

Om de noodzakelijke cultuurverandering te bereiken, is een nieuwe wet nodig. De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, WIA, bewerkstelligt die cultuurverandering. Bij de WIA ligt het accent niet langer op arbeidsongeschiktheid maar op arbeidsgeschiktheid. De commissie-Donner heeft daartoe een gezaghebbend advies neergelegd, gevolgd door een SER-advies waarin het accent ligt op talent en ontwikkeling van capaciteiten en op voor werknemers met kans op herstel blijvende betrokkenheid bij de arbeidsorganisatie en de arbeidsmarkt. Voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten moet er rust zijn op het keuringsfront en moet de uitkering solidair zijn. Bij instroom van minder dan 25.000 volledig arbeidsongeschikten per jaar zal de uitkering stijgen tot 75% van het laatstverdiende loon zonder hiaat. Wij noemen dat de verticale knip.

Dit kabinet – deze minister – verdient overigens, evenals werkgevers en werknemers en de kroonleden van de SER, waardering voor de moed om na 38 jaar turbulentie een nieuwe wet te maken die stuurt op inhoud, met accent op de eigen verantwoordelijkheid van werknemer en werkgever voor preventie, verzuimbeleid, inzet op herstel en het optimaal benutten van capaciteiten. Een samenhangend pakket van maatregelen daaraan voorafgaand werpt nu reeds vruchten af. Ik noem de Wet verbetering poortwachter, de loondoorbetaling in het tweede ziektejaar, het vernieuwde schattings-besluit en de herbeoordelingsoperatie. Dit wetsvoorstel moet het sluitstuk zijn. De CDA-fractie meent dan ook dat dit wetsvoorstel brede steun verdient. Helaas zijn er fracties in de Kamer die lijken terug te deinzen voor de politieke verantwoordelijkheid om dit traject van cultuurverandering en sturen op inhoud in plaats van op louter uitvoering nu ook echt af te ronden. Wij kunnen ons nauwelijks voorstellen dat de fractie van de PvdA, die in het verleden zo nauw was betrokken bij de WAO, nu wegloopt voor de

verantwoordelijkheid voor een wet die iedereen oproept tot maximale inzet en blijvende maatschappelijke betrokkenheid. Ik heb enkele historische feiten genoemd en ook enkele leden of vertegenwoordigers van de fractie van de PvdA die in het verleden hun betrokkenheid bij dit onderwerp hebben getoond. In dit wetsvoorstel wordt de voorkeur gegeven aan de warmte van een arbeidsplaats in plaats van aan de kilte en het isolement van een uitkering. Namens mijn fractie doe ik dan ook een beroep op de PvdA-fractie en andere fracties om niet weer weg te lopen voor het nemen van verantwoordelijkheid voor de vernieuwing van de sociale zekerheid die nodig is voor maatwerk, duurzaamheid en solidaire houdbaarheid.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik constateer dat de coalitiepartijen inmiddels zodanig op elkaar lijken dat mevrouw Verburg woorden van voormalige VVD-leiders nodig heeft om haar betoog voor de WIA te ondersteunen. Dat is bijzonder opvallend. Verder wijs ik mevrouw Verburg er nogmaals op dat de fractie van de PvdA enkele weken geleden een alternatief heeft gepresenteerd dat op alle door mevrouw Verburg genoemde punten beter scoort dan het plan van het kabinet. Ik doel dan met name op de punten activering en besparing.

Mevrouw Verburg (CDA): ik zou niet weten welke VVD-leider ik naar de mening van mevrouw Bussemaker citeer, want ik spreek namens de CDA-fractie mijn eigen teksten uit. Afgelopen maandag gaf mevrouw Bussemaker in een interview met het dagblad Trouw aan dat haar plan veel beter en socialer is. Ik ben het van harte eens met de voormalig bestuurder van het GAK die heeft gezegd dat mevrouw Bussemaker haar historie beter zou moeten kennen. Zij zou moeten weten dat waar zij nu voor pleit al in de oude WAO is opgenomen. Tevens zou het bij haar bekend moeten zijn dat dit wetsvoorstel per saldo uiteindelijk meer solidair zal uitpakken dan de oude WAO, waaraan mevrouw Bussemaker de voorkeur geeft. Die voormalig bestuurder van het GAK roept mevrouw Bussemaker met mij op om haar gedachten nogmaals over dit wetsvoorstel te laten gaan. Dat bevat zoals ik al opmerkte

namelijk meer solidaire elementen: de betrokkenheid bij de arbeidsplaats, ook voor 35-minners, het accent op arbeidsgeschiktheid en een uitkering van 75% voor diegenen die echt niet meer kunnen werken. Het laatste lijkt mevrouw Bussemaker volledig arbeidsongeschikten ook niet te gunnen.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik hoor bij mevrouw Verburg steeds meer de retoriek van de heer Bolkestein. Hij heeft namelijk die uitspraak gedaan over de kilte van de uitkering. Toch vraag ik mevrouw Verburg om de tekst wat beter te lezen. Als zij dat doet, kan zij slechts één conclusie trekken, namelijk dat mensen die nu voor het minimuminkomen werken straks in de bijstand zullen belanden. Met de huidige WAO worden zij echter gestimuleerd om te blijven werken.

Mevrouw Verburg (CDA): Misschien moet ik nu al de treurige conclusie trekken dat de fractie van de PvdA al op voorhand weet dat zij tegen dit wetsvoorstel zal stemmen. Dat zou jammer zijn. Ik onderstreep mijn oproep om de gedachten daar nogmaals over te laten gaan.

Voorzitter. De CDA-fractie onderstreept het belang van de verankering van de keuringspraktijk in het publieke domein. Onafhankelijkheid en eenduidigheid zijn hiermee gediend. Bovendien wordt hiermee een les uit het verleden getrokken: keuringen via bedrijfsverenigingen kunnen tot ongewenste uitkomsten leiden. Uit de enquête-Buurmeijer is gebleken dat de keuringssituatie in het publieke domein thuishoort. Ik hecht er echter wel aan om een aantal vragen te stellen. Hoe wordt het grensverkeer rond 80% en 35% bewaakt? Kan de minister duidelijkheid geven op het punt van de grensbewaking en kan hij cliënten de garantie geven dat zij niet anders zullen worden behandeld dan andere werknemers of cliënten in dezelfde positie in een andere regio van het land? Hoe wordt objectiviteit gegarandeerd, zodat die niet ter discussie kan komen te staan? Voorts is binnen het publieke domein zorgvuldige communicatie en een respectvolle bejegening van mensen cruciaal. Ook op die punten wil ik graag een toezegging van de minister.

Het belang van het proces vraagt ook om doelmatige afspraken

omtrent privacy. Kan de minister garanderen dat de doelbepalingen met betrekking tot privacy leiden tot effectief en zorgvuldig dossier-gebruik? Dit geldt ook voor het opvragen en benutten van informatie van bedrijfsartsen, medisch specialisten en/of huisartsen. Dit is mogelijk en wij vinden het ook wenselijk, maar daarbij is wel van belang dat doelmatigheid van het uitwisselen van gegevens en de privacy van de werknemer zich afgewogen tot elkaar verhouden. Kan de minister dit garanderen?

De inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten is solidair en sociaal. Volledig en duurzaam arbeidsongeschikten worden gevrijwaard van sollicitatieplicht en ontvangen een uitkering zonder hiaat. Geen hiaat meer, maar een zekere en solidaire uitkering voor wie niet meer kan. Dat is winst. De uitkering gaat met terugwerkende kracht tot 1 januari 2006 omhoog naar 75%, als blijkt dat de instroom structureel lager ligt dan 25.000. Het meetmoment is ergens in 2007. Om dit te bevestigen, hebben wij een amendement ingediend, conform de afspraak in het sociaal akkoord van 5 november 2004 en de daaropvolgende aanbeveling van de Stichting van de Arbeid.

Een ander belangrijk punt is dat volledig arbeidsongeschikten met geringe kans op herstel in de IVA komen. Wanneer hun gezondheids-perspectief verbetert en verdiencapaciteit terugkeert, kan reïntegratie van start gaan. Maar welke omvang zal deze groep met geringe kans op herstel hebben naar de verwachting van de minister? Hoe wordt geopereerd als mocht blijken dat door het meetellen van uitkeringsgerechtigden met een geringe kans op herstel net iets boven de 25.000 wordt uitgekomen in 2007?

Het voorstel voor een flexibele keuring kan op onze warme steun rekenen. Na een halfjaar kan er duidelijkheid zijn over het perspectief op herstel van de werknemer. Voor het verder naar voren halen voelen wij niet. Los van de diagnose en het perspectief heeft de werknemer immers duidelijkheid en zekerheid door de loondoorbetaling van twee jaar.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Gaat u nog in op uw amendement over de verhoging van de uitkering en de daling van de instroom? De heer De

Wit heeft daarover maandag een aantal vragen gesteld. Ik heb een antwoord daarop nodig voor mijn oordeel over het amendement.

Mevrouw Verburg (CDA): Ik kan mij dat voorstellen. Een gewijzigd amendement van dezelfde strekking is juist ingediend. Ik weet niet of dit al beschikbaar is, maar ik zal ervoor zorgen dat het er zo snel mogelijk is.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Is het amendement meer in lijn met het najaarsakkoord en de ruimte om boven de 170% uit te komen?

Mevrouw Verburg (CDA): Het amendement volgt hetgeen in het sociaal akkoord is afgesproken. Er wordt rekening gehouden met de aanbevelingen van de Stichting van de Arbeid.

De heer Dittrich (D66): Wat is de meerwaarde van het amendement? De afspraak over 170% in de eerste twee ziektejaren is duidelijk.

Mevrouw Verburg (CDA): Wij vinden dit een belangrijk element van de nieuwe wet. Wij willen het perspectief, waaraan dat gemeten wordt en de vormgeving ervan opnemen in de invoeringswet, zodat iedereen weet hoe dit er in 2007 uitziet. Het is een extra borgstelling. Ik ben het met de heer Dittrich eens dat afspraak, afspraak is, maar voor veel uitkeringsgerechtigden en volledig en duurzaam arbeidsongeschikten is dit een zeer belangrijk onderdeel.

De heer Dittrich (D66): Dat begrijp ik goed, maar is het niet logischer om dit in een motie te vervatten, zodat iedereen weet wat de criteria zijn op basis waarvan wordt beoordeeld of men zich aan de afspraken heeft gehouden? U wilt enkele voorwaarden opnemen die niet in de wet zelf staan. Wetstechnisch is dat onduidelijk. Ik snap dat u die duidelijkheid wilt geven, maar u kunt daarvoor een motie indienen.

Mevrouw Verburg (CDA): Ik laat eerst het amendement ronddelen. Vervolgens zullen wij dit nader beoordelen. Ik vind het goed, helderheid te scheppen. Tussen de eerste en tweede termijn is er voldoende ruimte om dit te beoordelen.

De heer De Wit (SP): Ik dacht dat

mevrouw Verburg het amendement al had ingediend op stuk nr. 7. Komt er een nieuw amendement?

Mevrouw Verburg (CDA): Ja, u krijgt een herzien amendement.

De heer De Wit (SP): Wij hebben afgelopen maandag nog gediscussieerd over die 170%. Nuanceert u dat nu? Wat er aanvankelijk in stond, was niet de weergave van de complete afspraken in de Stichting van de Arbeid.

Mevrouw Verburg (CDA): Wij hebben er maandag geen discussie over gehad, maar u hebt er een opmerking over gemaakt. Ik heb de formulering van het amendement iets meer aangepast aan het sociaal akkoord en de aanbeveling van de Stichting van de Arbeid.

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Dat amendement wachten wij dan af. Betekent dit dat wij nu een nieuwe route nemen? Gaan wij in wetteksten vastleggen wat er in een sociaal akkoord wordt afgesproken? Dan ken ik er nog wel een paar: nullijn, prepensioenregeling en noem maar op. Is dit de nieuwe lijn van het CDA?

Mevrouw Verburg (CDA): Nee, dat is absoluut niet de nieuwe lijn. Ik wijs erop dat dit een belangrijk onderdeel is van het SER-advies. Dit zit in de wetten van de minister. U weet met mij dat er vorig jaar ongeveer om deze tijd nogal wat te doen was over de kwestie van een geringe kans op herstel. In het sociaal akkoord van 5 november is daar duidelijkheid over geschapen en dat willen wij nu vastleggen. Er is wat ons betreft dus geen sprake van een precedent.

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Is dit nodig?

Mevrouw Verburg (CDA): De CDA-fractie vond dit wel nodig. Dat is ook de reden om het amendement in te dienen.

Voorzitter. Ik kom bij de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Wie werkt, is gelukkiger dan wie niet werkt. Dat blijkt uit elk onderzoek. Twee weken geleden stond er nog een uitgebreide rapportage over in de Metro, die ik elke dag in de trein lees. Dat is niet nieuw, maar wel cruciaal om de cultuuromslag, ook voor gedeeltelijk

arbeidsgeschikten, te maken. Werken loont dus altijd. Daarbij is investeren van belang. Deze regeling, deze WGA, moet daarom het gezamenlijk belang van werkgever en werknemer onderstrepen. De gedeeltelijk arbeidsgeschikte moet aan het werk blijven voor de resterende capaciteiten.

Het is geen geheim dat mijn fractie de verantwoordelijkheid van werkgever en werknemer zelf krachtiger had willen vormgeven met een private uitvoering met een publieke waarborg. Maar vanaf 2007 zal er sprake zijn van een keuzemodel. Werkgevers kunnen dan kiezen voor een private verzekering. Private verzekeraars kunnen naar de verwachting van de SER een scherpere premiestelling ontwikkelen, doordat per verzekering kan worden ingespeeld op preventie, arbobeleid, reïntegratie en inspanningen van de werkgever zelf. Het is dus een ketenaanpak: alles in één hand en een mooie combinatie. Om die reden is de CDA-fractie voorstander van het ingroeimodel naar een keuzemogelijkheid voor private uitvoering. Volgend jaar wordt de WGA, met uitzondering van de huidige eigenrisicodragers, nog uitgevoerd door UWV.

De CDA-fractie is van opvatting dat de verantwoordelijkheid voor preventie en reïntegratie niet bij UWV maar bij werkgever en werknemer in het bedrijf behoort te liggen. Voor dit keuzemodel, vanaf 1 januari 2007, worden nu de criteria vastgelegd. Vanaf 1 januari 2007 is er sprake van premiedifferentiatie, een gelijk speelveld voor UWV en private verzekeraars en het compenseren van de rentehobbel. Wat is de reden om de premiedifferentie in twee stappen, namelijk 2007 en 2008, in te voeren? Is het niet mogelijk om dit volledig vanaf 2007 te doen? Zo niet, waarom niet? Ik heb de vraag maandag ook gesteld, maar toen heb ik daar geen bevredigend antwoord op gekregen. Kan de minister de zekerheid verschaffen dat de premiedifferentiatie evenals het gelijke speelveld en het oplossen van de rentehobbel per 1 januari 2007 gegarandeerd zijn?

Daarnaast dient er volgend jaar duidelijkheid te zijn over de periode van eigen risico dragen bij private uitvoering. Wij hebben het daar afgelopen maandag tijdens het wetgevingsoverleg ook even over gehad. Volgens het voorstel van het

kabinet is er sprake van een keuze tussen twee plus vijf jaar of twee plus tien jaar. Ik krijg graag de toezegging dat er een goed onderbouwd voorstel komt voor juni 2006, zodat de Kamer dit nog voor het volgende zomerreces kan behandelen. Er moet tijdig duidelijkheid geboden worden.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik moet steeds denken aan die vergelijking in de krant tussen uw ingroeimodel en ingegroeide tenen. Misschien moet u toch eens over een andere naam nadenken.

Mevrouw Verburg (CDA): Een goede pedicure kan helpen, als u er last van hebt.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Wij hebben het de afgelopen maanden over dit punt gehad. Wij hebben een-en andermaal aan u en aan mevrouw De Vries gevraagd wat de afspraken die u in de coalitie hebt gemaakt nu precies betekenen. Voor ons is het ook handig om dat te weten. Daarop is gezegd dat er binnen de parameters van het dragen van eigen risico en de rentehobbel afspraken gemaakt zouden worden, maar dat er nu nog geen afspraken zijn gemaakt over de tijd, dus over de vraag of het vijf of tien jaar zou zijn. Begrijp ik goed dat u daar nu alsnog op terugkomt?

Mevrouw Verburg (CDA): Het is niet anders dan ik steeds heb gezegd: dit zijn de afspraken. Wij gaan ervan uit dat er volgend jaar een helder voorstel van het kabinet ligt voor óf 2 + 5 jaar, óf 2 + 10 jaar. Zo hebben wij dat afgesproken en zo willen wij dat graag volgend jaar zien.

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Dat is de afspraak niet, voorzitter. Bij het wetgevingsoverleg hebben wij daar ook al over gesproken. Ik begrijp dat mevrouw Verburg dit wil neerleggen, maar ik heb de minister gevraagd of hij met goed onderbouwde argumenten wil komen op dit punt. Ik heb namens de VVD-fractie gezegd dat ik dit nu nog niet kan beoordelen. Het behoort dus niet tot de afspraken en de stelling dat het wel is afgesproken, wil ik voor eens en voor altijd uit de wereld hebben. Wij spreken daar later over, op basis van goede argumenten, en dan kan het de ene of de andere kant uitgaan. Misschien komen wij dan wel op

zeven jaar uit. In ieder geval behoort dit niet tot de afspraken.

Mevrouw Verburg (CDA): Ik stel de vraag niet voor niets aan de minister. Wij gaan uit van een keuzemogelijkheid tussen 2 + 5 en 2 + 10 jaar, en ik heb gevraagd of de minister daarop wil reageren.

De heer Dittrich (D66): Hoe ziet mevrouw Verburg de opmerking in de brief van het CPB dat er wel degelijk een relatie is tussen het korter maken van de termijn en de prikkel voor mensen om weer aan het werk te gaan? Het CPB concludeert dat die prikkel minder wordt. Hoe neemt mevrouw Verburg dat mee in haar overwegingen?

Mevrouw Verburg (CDA): Ik heb die opmerking gelezen en ben het er ook mee eens. Ik heb het niet met alles eens dat het CPB in de brief zegt, maar dit punt zie ik wel. Hoe langer je de periode van eigen risico dragen maakt, des temeer is er een prikkel om te investeren in arbeidsgeschiktheid, reïntegratie en employability. Ik wil hier nu geen voorschot op nemen, omdat wij hebben gezegd dat wij daar volgend voorjaar naar gaan kijken.

De heer De Wit (SP): Mevrouw Verburg vraagt nu aan de minister of het vijf of tien jaar wordt, maar punt is dat er een duidelijk verschil van mening is over de vraag wat er met de coalitiepartijen is afgesproken. Zegt mevrouw Verburg nu dat mevrouw De Vries gelijk heeft en dat alles open gelaten is, of is afgesproken dat er een keuze wordt gemaakt uit vijf of tien jaar?

Mevrouw Verburg (CDA): Ik heb de vraag niet voor niets gesteld. Vanaf 2007 is er sprake van eigen risico dragen en in coalitieverband is de periode daarvan nog niet vastgelegd, maar is afgesproken dat het kabinet hierover met een voorstel komt. Op dat moment lagen er twee mogelijkheden op tafel, namelijk 2 + 5 jaar en 2 + 10 jaar. Ik vraag de minister nu waar hij begin volgend jaar namens het kabinet mee zal komen.

De heer De Wit (SP): Maar mevrouw De Vries ontkende zojuist dat er op dat onderdeel een afspraak is gemaakt over vijf of tien jaar. Er staat volgens haar nog helemaal niets vast. Dat blijkt ook uit de nota van

wijziging, want daarin is de termijn op dit punt opengelaten.

Mevrouw Verburg (CDA): De periode waarin sprake is van eigen risico dragen, ligt nog niet vast. Daarover is afgesproken dat het volgend jaar wordt bekeken, naar de situatie die er dan is. Ik wil daar zo vroeg mogelijk helderheid over hebben, en vraag daarom de minister om aan te geven of het een keuze wordt tussen vijf en tien jaar. Verder vraag ik hem of hij daar ruim voor het zomerreces mee komt, zodat de Kamer daar ook tijdig over kan besluiten en iedereen weet waar hij aan toe is.

Voorzitter. Een dergelijke garantie biedt sociale partners de ruimte en de mogelijkheid om 2006 te benutten voor het invullen van de investeringsagenda voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Daarnaast zien wij een mogelijke dwarsverbinding met de Zorgverzekeringswet, die op 1 januari 2006 van kracht wordt. De mogelijkheid van combinaties en dwarsverbanden kan volgend jaar zorgvuldig en tijdig worden uitgezocht, en kan leiden tot gerichte aanbesteding. Ziet de minister de mogelijkheden en de voordelen daarvan, inclusief de combinatie met de Zorgverzekeringswet? Het gaat om mogelijkheden en voordelen voor bundeling, kwaliteit en vergroting van effectiviteit. Werkgevers en werknemers zullen niet alleen nagaan wat iemand nog kan, maar ook wat iemand nog meer kan. Niet alleen de restcapaciteit maar ook nieuw aan te boren capaciteiten vragen de aandacht. Daarvoor is een investeringsagenda nodig, een ketenaanpak waarbij preventie en kwaliteit van de arbeid hand in hand gaan. Dat past in de sterk vergrote eigen verantwoordelijkheid voor de arbeidsomstandigheden in de bedrijven zelf. Verzuimbeleid en reïntegratie maken de keten rond. Daarmee ontstaat niet alleen maatwerk per bedrijf, maar kan private aanbesteding ook nog eens leiden tot een scherpe premiestelling. Voor het te verzekeren pakket werkt de wet wat ons betreft als minimum. Het staat een bedrijf vrij om het pakket voor de eigen werknemers en arbeidsorganisatie met de wettelijke eisen als basis in en desgewenst aan te vullen. Dat past niet alleen binnen het cappuccinomodel, maar is ook een pendant van de moderne sociale zekerheid waarin de overheid een

bodem legt en werkgevers en werknemers nadere afspraken maken over hun sector of bedrijfsgerichte aanvulling. Bovendien verwachten wij dat werkgevers en werknemers afspraken zullen maken over plaatsing en reïntegratie bij collega-werkgevers in de branche of in de regio. Wij roepen hen op, dit effectief in te vullen zodat netwerken ontstaan waarin werknemers talenten anders benutten of nieuwe talenten aanboren. Juist daarom pleit mijn fractie voortdurend voor meer aandacht voor employability. Net als bij de huidige eigenrisicodragers geldt dat maatwerk per bedrijf, ook in het verzekeringspakket, de beste PEMBA is die men zich kan wensen. Kwaliteit en investeren loont! Afwachten en afschuiven vertaalt zich direct in hogere premies!

De verantwoordelijkheid ligt nog evenwichtiger nu de premieverdeling van 50-50 door werkgevers en werknemers wordt vastgelegd. De werkgever kan maximaal 50% van de premie doorberekenen aan de werknemers. Kan de minister bevestigen dat dit een duurzame afspraak is?

Nu in 2006 de uitvoering publiek blijft, is de vraag aan de orde hoe sterk het reïntegratiebudget moet worden verhoogd voor volgend jaar. Immers, iedereen die een beroep doet op reïntegratie doet dat via UWV. Het publiek houden van de uitvoering in 2006 zal dus betekenen dat er extra reïntegratiebudgetten nodig zijn. Ik krijg graag zicht op de lastenverzwaring voor de belastingbetaler in 2006. Daarbij moet ons nog wel van het hart dat de reïntegratieaanbesteding door UWV vele malen effectiever moet. Nog geen 50% van de reïntegratie-trajecten op dit moment leidt tot een echte baan tegenover een aanbestedingspraktijk van bedrijven die voor 89% leidt tot een andere baan. Wat gaat de minister daaraan doen?

In de WGA is veel aandacht voor de activerende werking van de regeling. Werk moet lonen en meer werk moet meer lonen. Dat is een goede zaak. Toch is hier de vraag aan de orde of werknemers die werk zoeken of meer willen gaan werken en daarbij gebruik maken van hun arbeidsgeschiktheidsdeel ook de nodige kansen krijgen. De inzet van mensen zelf moet hand in hand gaan met een reële kans op werk. De uitkering moet in verhouding staan

tot de mogelijkheid om zelf inkomen te verwerven. Op dit principe zullen wij de effecten van de WGA in de praktijk blijven toetsen.

Bij werkloosheid is er de WW in combinatie met de loongerelateerde uitkering, geïntegreerd in de WGA. Mogen wij aannemen dat alle spelregels van de WW dan ook van kracht van worden als het gaat om scholing, reïntegratie en de mogelijkheid tot een tijdelijke ontheffing van de sollicitatieplicht voor werkzoekenden van 57,5 jaar en ouder die meer dan 20 uur vrijwilligerswerk of mantelzorg doen? Hetzelfde geldt voor de nieuwe WW. Daarin is de mogelijkheid van ontheffing van de sollicitatieplicht onder bepaalde voorwaarden opgenomen. Wij willen dat deze vrijstellingsregeling wordt opgenomen in de WGA. Dit kan voor WGA’ers tijdelijk een zinvolle en waardevolle mogelijkheid zijn. Wij hebben op dit punt een motie voorbereid.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik heb op dit punt een amendement ingediend dat ertoe strekt dat de minister in ieder geval via een voorhangprocedure de Kamer in kennis stelt van de vrijstelling van de sollicitatieplicht. Ik beluister nu dat u ook in die richting denkt.

Mevrouw Verburg (CDA): Ik heb dit amendement van mevrouw Bussemaker nog niet gezien.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik heb het afgelopen maandag al ingediend.

Mevrouw Verburg (CDA): Ik zeg in alle eerlijkheid dat ik het nog niet heb bekeken. Ik heb in ieder geval een motie voorbereid waarin de huidige regeling wordt doorgetrokken naar de WW. Ik zal kijken wat er in het amendement van mevrouw Bussemaker staat. Als dit alleen ziet op een voorhangprocedure weet ik niet of wij daar enthousiast over zijn. Het gaat mij om een zinvolle en waardevolle mogelijkheid.

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Kan daarbij dan ook worden gekeken welke gevolgen dit kan hebben voor de prikkelende werking van de WGA? Ik denk dat wij alles wat wij nog proberen te doen, daartegen moeten afwegen. Wil mevrouw Verburg dit ook?

Mevrouw Verburg (CDA): Ja. De prikkel en de stimulans om alles te gebruiken wat je hebt om betaalde arbeid te verwerven, zijn daarin opgenomen. Het een mag ook niet ten koste gaan van het ander. Wij proberen echter kansen te creëren. De vitaliteit voor de arbeidsmarkt van oudere werkzoekenden die actief zijn in vrijwilligerswerk en soms substantiële mantelzorgactiviteiten verrichten, blijft overeind. De regeling is nu zo dat zij beschikbaar moeten zijn voor betaalde arbeid als die zich aandient. Wij willen dit graag vasthouden, want wij vinden de betrokkenheid bij betaald werk essentieel. Het moet er dan natuurlijk wel zijn en het moet ook kunnen.

Mevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie): Ik ben blij dat mevrouw Verburg dit punt dat wij in eerdere overleggen een breekpunt hebben genoemd, ook serieus neemt. Zij zegt dat zij aansluiting zoekt bij de WW. Op dit moment is een ontheffing mogelijk voor mensen van 57,5 jaar. Vindt zij dit niet wat oud voor gedeeltelijk arbeidsgeschik-ten in de WGA? Naast hun leeftijd hebben zij immers ook nog het nadeel van hun arbeidsongeschiktheid.

Mevrouw Verburg (CDA): Ik verwijs naar de ontstaansgeschiedenis van die mogelijkheid. Met de herinvoering van de sollicitatieplicht voor mensen van 57,5 jaar en ouder is nagegaan of er ook wel kansen waren. In verband daarmee is de huidige regeling geformuleerd. De nieuwe WW die hopelijk op 1 januari 2006 van kracht zal worden, biedt de mogelijkheid om onder bepaalde condities ontheffing van de sollicitatieplicht te geven. Voorzover ik weet is daar geen leeftijdsbepaling in opgenomen. Hier zit dus wel enige ontwikkeling in.

Werknemers die 35% of minder van hun verdiencapaciteit verliezen, blijven in dienst van de werkgever. Daardoor blijft de betrokkenheid bij het werk en kan er gewerkt worden aan optimaal herstel. Hierover bestaat brede overeenstemming, zowel in het land als in deze Kamer. Voor 35-minners kan een beroep worden gedaan op de mogelijkheden voor werkplekaanpassing. Het is goed dat de mogelijkheid is gecreëerd dat voor 35-minners ook een beroep kan worden gedaan op de no-riskpolis en premiekorting. Is

de no-riskpolis inmiddels ook gegarandeerd voor Wajong’ers die werk vinden? Wij gaan ervan uit dat de mogelijkheden die ik zojuist heb genoemd, werkplekaanpassing, no risk en premiekorting, ook beschikbaar zijn en blijven voor eigenrisico-dragers en privaat verzekerde werkgevers. Ik krijg hier graag een bevestiging van.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Mevrouw Verburg heeft hier afgelopen maandag ook al over gesproken. Zij klonk toen enigszins teleurgesteld en vroeg of alleen de no-riskpolis en de premiekorting voor de 35-minners blijft bestaan. Zij drong er toen op aan dat er meer gebeurt. Wat moet er nog meer gebeuren naast de toezeggingen van de minister?

Mevrouw Verburg (CDA): Ik heb tijdens de hoorzitting van de verzekeraars begrepen dat zij ook een aanbod zullen maken voor 35-minners. Dit aanbod omvat een reïntegratie-, een scholings- en een begeleidingstraject. Ik wil dit heel graag zien. Ik vind dat er in het kader van het ontslagrecht ook moet worden nagegaan in welke mate er is geïnvesteerd in de employability van werknemers. Dit wil ik aan de minister voorleggen. Ik heb er eerder voor gepleit dat scholing moet meewegen in de ontslagtoets en ik vind dat dit ook zou moeten gelden voor 35-minners. Nog liever heb ik dat werkgevers met elkaar afspraken maken en een netwerk maken waardoor mensen die niet langer de capaciteit hebben voor een bepaalde taak en geen vervangend werk kunnen krijgen bij hun werkgever, kunnen worden overgeplaatst om hun resttalenten of nieuwe talenten te gebruiken op een andere arbeidsplaats. Dit is ook wezenlijk voor deze groep van belang.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Dat ben ik geheel met mevrouw Verburg eens. Ik heb daar zelf afgelopen maandag aandacht aan besteed. Ik wil haar uitdagen op het punt van ontslagbescherming en employabi-lity. Het is mooi als werkgevers afspraken met elkaar maken, maar stel dat zij dat niet doen? Zullen wij samen een amendement maken met de strekking dat werknemers met minder dan 35% arbeidsongeschiktheid alleen mogen worden ontslagen

als voldoende is geïnvesteerd in hun employability?

Mevrouw Verburg (CDA): Mevrouw Bussemaker, misschien is dat wel een wezenlijk verschil tussen u en mij. Bij het kijken hoe dit zich in de praktijk kan ontwikkelen, gaan wij uit van een element van vertrouwen in de toezeggingen en de afspraken die ter plaatse kunnen worden gemaakt. Dat leidt tot maatwerk en tot effectieve afspraken. U gaat uit van de ’’stel-dat-het niet-luktsituatie’’. U wilt daar een amendement, een regeling of een wetsonderdeel van maken. Ik wacht eerst af of de minister dat wil meewegen, vergelijkbaar met het employability-voorstel dat ik eerder heb gedaan. Ik vind dat van belang. Als het kan worden meegenomen in de ontslagtoets, is dat alleen maar waardevol. Dan heeft iedereen daar veel meer aan dan aan allerlei verboden of geboden. Het moet namelijk ook nog werken in de praktijk.

Voorzitter. De Wet REA heeft vanaf dag één de beste bedoelingen gehad, maar is in de praktijk onvoldoende tot zijn recht gekomen door de gigantische complexiteit. Je moet minimaal een mastergraad hebben bereikt om er wijs uit te kunnen worden. Een vereenvoudiging van de regelingen juicht mijn fractie dan ook van harte toe. Elke mkb’er die plezier zou kunnen hebben van de mogelijkheden, moet er eenvoudig en effectief een beroep op kunnen doen. De vereenvoudiging heeft dan ook onze steun. De vraag is wel of hier niet een of meer groepen tussen wal en schip vallen. Begeleid werken of jobcoaching wordt ingebouwd in de Wajong. Dat lijkt helder en effectief. De minister heeft gezegd dat begeleid werken en jobcoaching voor WSW’ers via de WSW blijvend is gegarandeerd. Ook worden onderdelen van de Wet REA overgeheveld naar andere departementen. OCW wordt verantwoordelijk voor de opleiding van Wajong’ers en VWS krijgt een taak als het gaat om onderdelen uit de Wet maatschappelijke ondersteuning. Dit oogt complex, maar mijn fractie gaat af op de garantie van de minister dat niet eerder wordt overgedragen naar een ander departement dan wanneer dat op een verantwoorde en zorgvuldige wijze kan, zodat mensen noch mogelijkheden tussen de wal en het schip terechtkomen. Ook is

goede voorlichting cruciaal. Te vaak is regelgeving, ook voor kwetsbaren in onze samenleving, te complex, waardoor niet-gebruik en wanhoop hand in hand gaan. Dat moet hier worden voorkomen. Ik vraag de minister om daar helder op in te gaan.

Afrondend is en vraagt de nieuwe wet een cultuuromslag. Het gaat hier om een afronding van een serie wijzigingen van de wetgeving die steeds tot doel hebben om de betrokkenheid bij betaalde arbeid te versterken en het beroep op een uitkering te verkleinen. Eerder genomen maatregelen hebben reeds effect gehad en hebben dat nog. Dit vertaalt zich in een structurele lastenverlichting in de premiestelling arbeidsongeschiktheid. Het gaat volgend jaar naar onze berekeningen om een structurele lastenverlichting van € 1,4 mld. voor werkgevers, nog los van de premiedoorberekening naar de werknemers. Bovendien vervalt de WAO-hiaatverzekering voor werkgevers en werknemers, hetgeen een lastenbesparing is van in totaal € 550 mln., waarvan € 150 mln., voor werknemers. Voor werkgevers is de totale lastenverlichting in de WAO dus 1,8 mld. Kan de minister dit bevestigen?

Ook na het nemen van de rentehobbel blijft structureel veel ruimte voor lastenverlichting. Toch mag deze wet niet alleen worden beoordeeld op de financiële effecten, in tegendeel. Waar het ons om gaat, is het resultaat voor de mensen, voor de werknemers en de werkgevers. Wie niet meer kan, krijgt een verhoogde uitkering en wordt met rust gelaten. Wie nog wel kan of iets anders kan, wordt aangesproken op zijn capaciteiten en krijgt waar nodig steun om die tot ontwikkeling te brengen. Op deze effecten zullen wij de wet in de praktijk vanaf dag toetsen.

©

B.J. (Bas) van der VliesDe heer Van der Vlies (SGP): Voorzitter. Vandaag behandelen wij de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de daarbij horende invoeringswet. Vorige week spraken wij uitvoerig over het akkoord dat de coalitiepartijen hebben gesloten. Dat akkoord was nodig. Immers, voor het hybride, noch voor publiek of privaat inrichten van dit stuk wetgeving was op dat moment een meerderheid.

Die moest er natuurlijk wel komen om verder te kunnen gaan. Ook maandag is er een wetgevingsoverleg geweest, waar ik vanuit mijn fractie door familieomstandigheden niet aan kon deelnemen.

Het WAO-dossier heeft ons jarenlang in de greep gehouden. Mevrouw Verburg gaf daarover al een exposé. Zij begon bij minister Veldkamp en belandde bij de heer Lubbers als minister-president van zijn kabinetten. Ik heb dat allemaal nog scherp op het netvlies staan. Ook bij de SGP-fractie is gaandeweg de overtuiging gegroeid dat wij weliswaar een goede wet hadden met een goed doel, maar dat de openeinderegeling leidde tot bepaalde verleidingen, tot eigenlijk maar helaas ook oneigenlijk gebruik. Daaraan moest iets gebeuren. De grote vraag was natuurlijk: wat dan precies? Daarvoor zijn wij bij elkaar, en naar het zich laat aanzien wordt daarover deze week in deze Kamer een beslissing genomen, die een lange periode van zoeken en tasten afrondt.

Mijn fractie heeft een positieve grondhouding ten opzichte van de nieuwe wet. Het belangrijkste verschil tussen de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is te horen in de benamingen: arbeidsvermogen in plaats van arbeidsongeschiktheid. Die benadering spreekt mijn fractie aan: de nadruk op wat mensen nog wel kunnen. In het nieuwe wetsvoorstel zit voor gedeeltelijk arbeidsge-schikten de prikkel om, als het mogelijk is, weer aan het werk te gaan. Die prikkel was er in de huidige WAO niet. Een tweede belangrijk punt is de verhoging van de uitkering voor hen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Een derde positief punt is dat het WAO-gat verdwijnt, waardoor het inkomen van gedeeltelijk arbeidsge-schikten hoger wordt. Een vierde voordeel is dat de no-riskpolis voor werkgevers wordt uitgebreid.

Er zijn ook nadelen te traceren in de nieuwe wet, zelfs nadelen waarmee mijn fractie grote moeite had en tot nu toe heeft. Het belangrijkste is de uitvoering van de WGA. Deze blijft, ook na alle onderhandelingen, op termijn hybride uitgevoerd worden. Ik heb het verslag van het wetgevingsoverleg van 13 juni nog eens teruggelezen. Daarin viel mij

opnieuw vooral de helder afwijzende toon van mevrouw De Vries op. Over het wetsvoorstel met een hybride uitvoering zei zij toen: ’’Dit wetsvoorstel gaat de prullenbak in.’’ Als je dat vergelijkt met de uitkomst van de onderhandelingen, valt op dat er aan het oorspronkelijk ingediende wetsvoorstel nagenoeg niets verandert, althans op termijn. De hybride uitvoering komt er, zij het met een uitstel van één jaar. Overigens hebben wij wel elkaars nieren geproefd: wat kan er volgend jaar nog allemaal gebeuren, wat staat er nog ter discussie? De diverse fracties namen daarover verschillende posities in. In de richting van de minister heb ik toen verzucht: zal hij alle kikkers wel in de kruiwagen weten te houden?

Alle kritiek op de hybride uitvoering moet zijn gepareerd, weerlegd of verholpen, of is nog steeds actueel. Wie moet controleren of bedrijven die privaat zijn verzekerd, die polissen al dan niet hebben? Hoe zien die polissen eruit en hoe moet je ermee omgaan als een bedrijf failliet gaat? Ik denk dat de minister daar tijdens dit debat in hoofdlijnen wel op wil ingaan.

Er is langdurig gesproken over de rentehobbel van € 3.5 mld. Waar komt die terecht? Voor een fors deel zal die terechtkomen bij de belastingbetaler, linksom of rechtsom, zonder dat duidelijk is wat de echte voordelen zijn. Wij hebben aanvankelijk het standpunt ingenomen dat, alles overziende, een publieke uitvoering beter zou zijn, en wij hebben dat standpunt nog niet verlaten. Maar goed, er is gekozen voor een jaar uitstel om deze knoop door te hakken, en er zijn geen concessies gedaan aan de kwaliteit van de uitvoering tot nu toe. Als de keuze gaat tussen een hybride systeem of volledig private uitvoering, zijn wij vanuit onze positie geneigd te kiezen voor het hybride systeem. Wij hebben echter wel onze bedenkingen bij de complexiteit daarvan.

Onze zorg ontstaat doordat wij voor ons zien dat risicoselectie door werkgevers die eigenrisicodrager zijn onder de nieuwe wet eerder zal toenemen dan afnemen. Dit leidt ertoe dat de kans op een plaats op de arbeidsmarkt van mensen die te maken hebben met een arbeidshandicap of het risico daarop, zullen afnemen. Ik leg dit als stelling aan de minister voor, want mij dunkt dat het

een hoofdlijn is van wat hij hier verdedigt. Wil hij daar nog iets over zeggen? Ik heb en passant al iets gezegd over de complexiteit van het wetsvoorstel. Dat is toch wel een groot probleem.

De Stichting van de Arbeid heeft grote twijfel geuit over de uitvoerbaarheid van de WGA en de daarmee gepaard gaande administratieve lasten voor bedrijven en overheidsorganen, alsmede de inzichtelijkheid voor de werknemers daarbij geëxpliciteerd. Hoewel de WGA door de derde nota van wijziging is vereenvoudigd, blijft de wet complex. De gedeeltelijk arbeidsongeschikte krijgt eerst een op het laatst verdiende loon gebaseerde uitkering. Daarna heeft hij eventueel recht op een vervolguitkering. Als hij niet meer werkt, heeft hij recht op een vervolguitkering van 70% van het minimumloon, vermenigvuldigd met het arbeidsongeschiktheidspercentage. De gedeeltelijk arbeidsongeschikte die nog wel werkt, krijgt een vervolguitkering van 70% van het verschil tussen zijn vroegere loon en zijn nieuw te verdienen loon. Daarmee wordt het voor een gedeeltelijk arbeidsongeschikte weliswaar in alle gevallen aantrekkelijker om te werken – en dat is winst – maar uitvoeringstechnisch blijft het erg ingewikkeld. Aangezien de inkomsten maandelijks door UWV moeten worden berekend, betekent dit voor deze instelling veel administratieve druk. Als men bijvoorbeeld uitzendwerk verricht, heeft men maandelijks een ander inkomen. Mijn verzuchting is dan: is er nu echt niet een eenvoudiger systeem denkbaar? Kan bijvoorbeeld niet worden bepaald dat een gedeeltelijk arbeidsgeschikte tot een bepaald percentage mag bijverdienen en dat het meerdere door UWV wordt verwerkt?

Als het gezinsinkomen van een volledig en duurzaam arbeidsongeschikte of een gedeeltelijk arbeidsgeschikte, ondanks de IVA-uitkering, de loongerelateerde WGA-uitkering, de WGA-vervolguitkering of de loonaanvulling, onder het voor hem geldende sociale minimum komt, heeft deze persoon op grond van de toeslagenwet recht op een aanvullende uitkering tot het minimum. Dat constateert mijn fractie. De Toeslagenwet wordt zo toegepast dat een beroep op de IOAW niet meer nodig is. Hierdoor hoeft geen

overdracht meer plaats te vinden van UWV naar de gemeenten, en dat is positief. Wel vraagt mijn fractie zich af hoe dit wordt geregeld voor de werknemers met een werkgever die eigenrisicodrager is. Moeten zij voor een beroep op de Toeslagenwet bij UWV zijn, of bij de private verzekeraar?

De werkgever die eigenrisico-drager is, wordt een bestuursorgaan in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. Daarmee wordt hij onder bepaalde voorwaarden ook verantwoordelijk voor het sanctiebeleid. De SGP-fractie vraagt zich af of de werkgever hiermee niet een te grote rol krijgt toebedeeld in de verhouding tot zijn werknemers. Natuurlijk kan de werknemer die zich onheus bejegend voelt, altijd naar de rechter gaan, maar dat is toch veelal een moeizame weg, zeker als je perspectief op een werkbare verhouding met je werkgever wilt behouden. Is het niet beter om alleen UWV de bevoegdheid te geven, sancties op te leggen?

Het proces van claimbeoordeling is voor arbeidsgehandicapten cruciaal; hun financiële toekomst hangt af van de uitkomst van de keuring. Er rust daarom een zeer zware verantwoordelijkheid op de keuringsartsen, die in zeer korte tijd – gemiddeld een halfuur – een juist oordeel moeten vellen. Onze fractie wil van deze gelegenheid gebruik maken om waardering uit te spreken voor deze mensen, die zulk verantwoordelijk werk met een grote inzet verrichten. Het is de taak van de regering om te zorgen voor voldoende capaciteit om de hoge werkdruk aanvaardbaar te houden; de kwaliteit moet immers altijd voorop staan. Daarover hebben wij bij een wetgevingsoverleg al over van gedachten gewisseld; ik stel de conclusie die wij toen trokken, nog maar eens helder vast. Deze wet zal onmiskenbaar tot een hoge druk op de keuringsartsen leiden. Zij komen vaak voor moeilijke keuzes te staan, want de situatie is niet altijd duidelijk: net onder de 35%, net erboven, net onder de 80% of net erboven. Wat gebeurt er bij twijfel? Velen zullen er huiverig voor zijn, iemand volledig voor de arbeidsmarkt af te schrijven. Zij zullen daarom aan de veilige kant willen blijven door iemand in twijfelgevallen naar de WGA te verwijzen. Het verrichten van keuringen is mensenwerk en daarbij worden

helaas fouten gemaakt. Alles moet erop gericht zijn, die tot een minimum te beperken. Second opinions moeten daarom ook werkelijk onafhankelijk zijn, ze moeten niet gebaseerd zijn op het oordeel van ’’een collega’’. Ook het communicatieve aspect verdient veel aandacht.

Wij moeten beseffen dat de arbeidsgehandicapte zich in een zeer kwetsbare positie en in een zeer gespannen situatie bevindt. Verzekeringsartsen en arbeids-deskundigen kunnen zich hierbij geen uitglijders veroorloven. Overigens dienen wij in de politiek geen oordeel te geven over de professionele bevindingen en de daaraan verbonden conclusies; dat moeten wij overlaten aan de deskundigen. Maar in het licht van de structuur van de nieuwe wet heeft mijn fractie toch nog steeds grote zorgen over het uiteindelijke, waarschijnlijk ongewilde, effect dat claims steeds strenger zullen worden beoordeeld. Door het terugbrengen van het aantal functies dat iemand gegeven de beperking van 30 naar 9 kan vervullen, worden zijn kansen op de arbeidsmarkt al gauw te rooskleurig voorgesteld. De bestaande discriminatie op de arbeidsmarkt van mensen met een handicap of een chronische ziekte wordt onvoldoende verdisconteerd in de berekening van het verlies aan verdiencapaciteit. Wat vindt de regering hier nu uiteindelijk van? De conclusie respectievelijk de verwachting van mijn fractie is dat de claimbeoordeling op dit moment al streng is en dat ze nog strenger zal kunnen worden, zodat je dan stuit op de harde randvoorwaarde van rechtvaardigheid.

Hoewel onze fractie het streven steunt om gedeeltelijk arbeidsge-schikten te stimuleren om hun resterende arbeidscapaciteit te gebruiken, zal naar verwachting bijna de helft ondanks de financiële prikkel en de grote aandacht voor reïntegratie geen werk vinden, zeker niet in de huidige conjuncturele omstandigheden. De oorzaak ligt voornamelijk in de arbeidshandicap; werkgevers nemen deze mensen simpelweg niet aan. Met deze veralgemenisering doe ik veel werkgevers onrecht die zich er juist wel voor inspannen om deze mensen aan te nemen, maar er zullen toch ook werkgevers zijn die er maar niet aan beginnen, als er alternatieven zijn. En met de huidige

werkloosheidscijfers mag je aannemen dat er in ons bestel veel alternatieven zijn. Heeft de regering aanwijzingen dat de no-riskpolis werkgevers voldoende stimuleert om gedeeltelijk arbeidsgeschikten aan te nemen? Mevrouw Verburg noemde in dit verband nog de positie van de Wajong’ers; ik voeg mij bij deze precisering. De SGP-fractie vindt het positief dat onder bepaalde voorwaarden de no-riskpolis ook van toepassing is op mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn.

Met de invoering van dit wetsvoorstel wordt de Wet op de reïntegratie arbeidsgehandicapten afgeschaft. De regering heeft hiervoor een aantal argumenten gegeven. Hoewel mijn fractie deze argumenten op zichzelf wel kan begrijpen, is het toch jammer dat hiermee een eind komt aan een overzichtelijke wet waarin alle reïntegratie-instrumenten waren gebundeld. De wet was weliswaar te ingewikkeld en boekte te weinig resultaten maar was wel overzichtelijk. De vraag is, hoe in het vervolg helder wordt gecommuniceerd wat de wettelijke mogelijkheden zijn van de reïntegratie-instrumenten?

Een gevolg van de afschaffing van de Wet REA is dat degenen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, geen aanspraak meer kunnen maken op de reïntegratie-inspanningen. Deze mensen met een verlies aan verdiencapaciteit van bijna 35%, kunnen echter wel degelijk een arbeidshandicap hebben. Met name bij mensen met laagbetaalde banen kan het gaan om een forse arbeidsbeperking. Onderkent de regering dit probleem? En deelt zij onze mening dat deze mensen na enige tijd de fase-4-cliënten in de bijstand vormen? Mijn fractie zou graag zien dat ook voor deze categorie noodzakelijke werkvoorzieningen beschikbaar blijven of opnieuw beschikbaar komen.

Ik kom toe aan de conclusie van mijn fractie in dit stadium van het debat. De SGP-fractie heeft nog altijd een positieve grondhouding. Ik heb diverse bezwaarpunten op hoofdlijnen aangevoerd en ik hoop dat de minister daarover geruststellende en inhoudsvolle opmerkingen kan maken, dan heeft hij kans ons over de streep te krijgen.

De voorzitter: Ik maak van de gelegenheid gebruik om de heer Van

der Vlies te feliciteren met zijn verjaardag.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik dank u hartelijk, voorzitter. Ik heb deze dag natuurlijk met vreugde en dankbaarheid beleefd. Ik dank het Presidium voor een dagomvattend wetgevingsprogramma waarbij ik betrokken ben. Of het een cadeautje voor mij is, is een vraag die ik zelf zal beantwoorden; daarmee hebben jullie niets te maken. Wij moeten hier echter wel de vraag beantwoorden of deze wetten cadeautjes zijn voor de samenleving. Daar moeten wij nog even goed naar kijken.

©

J.M.A.M. (Jan) de WitDe heer De Wit (SP): Voorzitter. Bij het aantreden van deze minister was de hervorming van de WAO zijn grote droom en die droom dreigt uit te komen. Werkend Nederland kan niet juichen. Voor de werkenden ligt een nachtmerrie in het verschiet. Velen denken voor arbeidsongeschiktheid verzekerd te zijn, maar tegen de tijd dat zij onverhoopt een beroep moeten doen op die verzekering, zal blijken dat de polis niet is wat zij dachten! Dat is geen voorspelling, het is de werkelijkheid die wij nu al om ons heen zien. De strenge keuringseisen die al op 1 oktober 2004 zijn ingevoerd, stoten ongeveer 150.000 mensen uit de WAO. Die strenge keuringseisen gelden ook in de toekomst. De nieuwe Wet op de arbeidsongeschiktheid, de WIA, is geen fatsoenlijke verzekering tegen arbeidsongeschiktheid. Als je de verzekering nodig hebt, dan wordt je niet toegelaten. Voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten die geen werk vinden, ligt de uitkering onder het bijstandsniveau. De nieuwe WIA staat dus voor inkomensachteruitgang.

De WAO wordt afgeschaft voor nieuwe arbeidsongeschikten. 22 juni 2005, de dag waarop CDA, VVD en D66 ondanks grote meningsverschillen toch het hybride monster omarmden, is een historische dag. Het is de dag waarop het dieptepunt werd bereikt in het proces van de afbraak van onze sociale zekerheid, de dag waarop de WAO werd afgeschaft. De WAO die KVP-minister Veldkamp in 1967 in de Staatscourant wist te krijgen, is politiek vermoord door zijn politieke nazaten. De heer Veldkamp kon destijds trots

zijn, deze minister moet zich schamen. Maar er is nog een groot verschil tussen beide ministers. De heer Veldkamp had vele vrienden onder de bevolking, maar weinig in het kabinet. Met deze minister is het andersom: zijn politieke vrienden hebben hem gered, maar in de samenleving is hij alle steun voor dit wetsvoorstel kwijtgeraakt. Dat is logisch, als je komt met een gedrocht uit het achterkamertje.

Het was de hoop van mijn fractie, en velen in dit land, dat het wapengekletter in de coalitie over rentehobbels, private of publieke uitvoering en een hybride stelsel tot afstel van de WIA zou leiden, tot het aftreden van de minister en mogelijk, graag, tot de val van het kabinet, zodat wij verlost waren van dit drakenei, zoals Trouw het wetsvoorstel WIA noemt. In het debat over de WIA is het vooral gegaan over publieke of private uitvoering en dan vooral over de kosten en de zegeningen die particuliere verzekeraars ons zouden brengen. Dat is belangrijk, maar het is niet het belangrijkste van deze wet. De belangrijkste vraag is, of bescherming van het inkomen van mensen die arbeidsongeschikt zijn veilig is gesteld. Ook daar geeft de afkorting aan wat er gebeurt als deze wet wordt aangenomen voor een groot deel van de nieuwe arbeidsongeschikten: WIA leidt tot wezenlijke inkomensachteruitgang.

Deze wet is gebaseerd op het oude beeld dat mensen ten onrechte in de WAO zitten, een jarenlang zorgvuldig gecultiveerd beeld, om de dramatische ingrepen te rechtvaardigen die achtereenvolgens hebben plaatsgevonden. De minister deed dat ook tijdens de afgelopen debatten, in ieder geval tijdens één van de wetgevingsoverleggen, waarbij hij verwees naar de 21-minutenenquête, waaruit volgens hem zou blijken dat bijna driekwart van de Nederlanders voor strengere ingrepen in de WAO zou zijn. Maar dan vraag ik de minister om zijn reactie op die andere uitkomst van de 21-minutenenquête, namelijk dat 59% vindt dat de huidige WAO-uitkering voor diegenen die het nodig hebben te laag is.

In de nieuwe wet worden voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten de uitkeringen nog lager. Na de loongerelateerde periode die maximaal drie jaar en twee maanden duurt, is de vervolguitkering

maximaal € 500 per maand, de helft van het minimumloon. Dat betekent voor mensen die daarop zijn aangewezen een groot financieel probleem. Ik kan daar met geen mogelijkheid een fatsoenlijke wet in zien. Wat nu als de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een bedrijfsongeval, of beroepsziekte? Heeft de minister inmiddels duidelijkheid over het standpunt van de Internationale arbeidsorganisatie, met name naar de vraag of de WIA in strijd is met het ILO-verdrag 121?

De afgelopen week is er veel gerekend en bij iedere berekening werd de rentehobbel kleiner. Er is veel over gesproken, het is niet opgelost en de discussie daarover komt volgend jaar in volle omvang terug. Zie de discussie zojuist over de uiteenlopende opvattingen over wat er is afgesproken op dit punt. Schokkend vond ik de conclusie van het Centraal Planbureau over de voorstelling van zaken, zoals die door het Verbond van verzekeraars werd gegeven. Het CPB zegt het heel netjes: een besparing in de verre toekomst van € 11 mld. acht het niet plausibel, en discutabel. Het Verbond van verzekeraars wordt door het CPB eigenlijk neergezet als het verbond van leugenaars! Na lezing van de stukken van het verbond had ik die indruk al, maar het CPB beschrijft dat heel fijntjes. Maar het zijn wel deze verzekeraars met wie wij straks in zee moeten gaan, als het gaat over de uitvoering van de wet, vanaf 2007. Zie hoe de verzekeraars op dit moment al omgaan met leeftijdsdiscriminatie, bij het verzekeren van zelfstandigen na het afschaffen van de Wet op de arbeidsongeschiktheid voor zelfstandigen, zie hoe het probleem van de letselschade wordt aangepakt. Dan zouden wij er vertrouwen in moeten hebben dat het nu wel beter gaat. Ik nodig de minister uit, mij een aantal activiteiten van de verzekeraars te noemen waaruit blijkt dat er door hen daadwerkelijk iets wordt gedaan aan arbeidsomstandigheden. Als de reïntegratie de eerste twee jaar bij de eigen werkgever niet lukt, moet worden getracht met behulp van de inschakeling van reïntegratie-bedrijven de arbeidsongeschikten elders aan het werk te krijgen. Dat zijn de reïntegratiebedrijven, waar al zo veel kritiek op is, zowel in als buiten de Kamer. Er wordt zelfs een onderzoek ingesteld door de inspectiedienst van de minister naar

het voorkomen van fraude bij reïntegratiebedrijven. Ik zou van de minister de bewijzen willen zien dat de verzekeraars met betrekking tot de WIA een betere rol gaan vervullen in de toekomst en dat zij de activerende werking die beoogd wordt daadwerkelijk gaan ondersteunen en mogelijk maken. Het CPB kon die voorbeelden niet vinden, nationaal noch internationaal. Ik zou daarom graag van de minister, met het oog op de discussie in het voorjaar van 2005 over de rentehobbel en de financiering daarvan, inzicht willen hebben in de preventie-en reïntegratiesuccessen van de verzekeraars. Tegen die tijd zou ik ook graag van de minister vernemen wat de voornemens zijn van de verzekeraars om de reïntegratie tot een succes te maken, zodat niet alleen financiële maar ook inhoudelijke overwegingen een rol spelen bij het al dan niet invoeren van de private uitvoering. Ik ben heel benieuwd naar de opvattingen van de minister op dit punt. Ik vind het een buitengewoon serieus punt. Ik overweeg zo nodig in tweede instantie daarover een motie in te dienen.

De fractie van de SP ziet geen enkele aanleiding om het arbeidsongeschiktheidscriterium uit de huidige WAO aan te passen. Met het begrip "volledige arbeidsongeschiktheid" kan wat mijn fractie betreft worden volstaan. De begrippen "duurzaam" en "geringe kans op herstel" nodigen uit tot zulke grote problemen in de praktijk - ik wijs op de opvattingen van de verzekeringsartsen - dat wij nu al kunnen vaststellen dat degenen die een beroep willen doen op die arbeidsongeschiktheidsuitkering, omdat zij volledige arbeidsongeschikt zijn, grote problemen zullen krijgen. De inschattingen lopen buitengewoon ver uiteen. De opvatting van de keuringsartsen zelf is dat zij gelet op dat moeilijke criterium "volledig en duurzaam" nog slechts weinigen in aanmerking kunnen laten komen voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de orde van grootte van 70%. Ik heb het al eerder gezegd: de criteria zijn te zwaar. Zelfs wanneer je alleen nog je wijsvinger kunt gebruiken om de knop van de sluis of de brug in te drukken, kom je niet aanmerking voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de nieuwe wet. Zo zwaar zullen die eisen worden in de praktijk.

Waarom zijn er ingewikkelde studies, wetenschappelijke rapporten en protocollen nodig om op voorhand uit te maken of de gevolgen van een bepaalde ziekte duurzaam zullen zijn? Waarom niet gewoon het systeem gehanteerd dat wij de mensen volgen die ziek geworden zijn? De huidige periodieke uitkeringen blijken juist maatwerk te kunnen opleveren en doen recht aan de individuele arbeidsongeschikte. Periodieke beoordeling van de arbeidsongeschiktheid verdient verreweg de voorkeur boven het werken met lijsten die altijd vatbaar zijn voor discussie. Tegen die achtergrond heb ik het amendement ingediend over het begrip ’’duurzaamheid’’. Het amendement strekt ertoe, dat begrip te schrappen en niemand op voorhand af te schrijven voor een periodieke keuring, zodat wij via die periodieke keuring de zekerheid hebben dat mensen, juist wanneer zij volledig arbeidsongeschikt zijn, nog aan het werk kunnen komen. Het argument dat de minister gebruikt om aanvaarding van dat amendement te ontraden, is te gek voor woorden. Hij zegt dat de hoge uitkering, de IVA-uitkering, dan niet zal leiden tot het stimuleren van herstel. Met andere woorden: mensen zouden liever in de uitkering blijven dan terug willen naar de arbeidsmarkt. Dit is een voorstelling van zaken die apert in strijd is met de verhalen die de arbeidsongeschikten, de mensen die op dit moment in de WAO zitten, dag in dag uit vertellen. Het is geen pretje om in de WAO te zitten. De mensen willen niets liever dan zich maatschappelijk nuttig maken, willen niets liever dan ingeschakeld worden en willen niets liever dan een zinvolle functie op de arbeidsmarkt. Dus het beeld dat de minister schetst dat mensen achterover gaan leunen door het schrappen van het begrip ’’duur-zaamheid’’ uit het arbeidsongeschiktheidscriterium klopt niet. Het begrip ’’duurzaamheid’’ lost het probleem niet op, het maakt de problemen alleen maar groter voor de mensen die arbeidsongeschikt zullen worden.

De strenge herkeuringen leveren een bezuiniging op van € 1,3 mld. Het afschaffen van de twee onderste arbeidsongeschiktheidsklassen die wij op dit moment kennen, levert € 500 mln. besparing op. Er wordt naar het oordeel van mijn fractie veel

te gemakkelijk van uitgegaan dat werkgevers deze mensen aan het werk zullen houden. Ik weet dat ook de vakbeweging en de werkgevers de twee laagste arbeidsongeschikt-heidsklassen wilden schrappen. Op het moment dat de SER dat voorstelde, betrof dat voor het schattingsbesluit echter veel lichtere gevallen op het terrein van de arbeidsongeschiktheid dan nu. Naar mijn idee kan de minister nu niet volhouden dat de groep van 35-minners voor en na het schattingsbesluit dezelfde is. De beperkingen binnen deze groep zullen veel ernstiger worden als dit wetsvoorstel wordt aangenomen. De minister beroept zich onterecht op de commissie-Donner en het SER-advies. Erkent hij dat de zojuist genoemde groep door het strengere schattingsbesluit niet dezelfde is als de groep op het moment van de adviezen van de commissie-Donner en de SER? Kan hij zich herinneren dat werkgevers en werknemers het schattingsbesluit hebben afgewezen? Ook de groep 35-minners verdient in financieel opzicht erkenning. Tevens moet deze groep gebruik kunnen maken van reïntegratiefaciliteiten. Ik zal mijn amendement handhaven dat tot doel heeft het tegengaan van het schrappen van de twee onderste arbeidsongeschiktheidsklassen.

De activerende werking van de nieuwe wet is aanleiding voor het aanbrengen van een prikkelstructuur. De prikkels zullen vooral de arbeidsongeschikten treffen: werken loont en meer werken loont extra. Deze prikkel is duidelijk. Deze is echter overbodig, omdat inmiddels 55% van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten werkt. De overige groep zou graag aan het werk gaan. Vooral werkgevers moeten worden geprikkeld om mensen aan het werk te helpen en te houden. Naar mijn mening moet het daarom mogelijk zijn om werkgevers te verplichten tot het in dienst nemen van deze mensen. De minister veronderstelt dat de nieuwe wet activerend zal werken. Als blijkt dat dit niet het geval is, zal er meer drang nodig zijn. Ik stel daarom in mijn amendement voor om de zogenaamde quotumplicht uit de Wet REA te handhaven. De minister ontraadt dat met een verwijzing naar de hoge administratieve lasten. In de schriftelijke voorbereiding van dit wetsvoorstel heb ik gevraagd naar de omvang van die lasten, maar dat

kon hij op dat moment niet aangeven. Hij gebruikt dat nu wel als argument; een vals argument. Er zijn veel reïntegratieactiviteiten en het blijkt dat de arbeidsongeschikte wil werken. Het centrale probleem is echter dat de werkgevers zich niet inzetten om arbeidsongeschikten aan het werk te helpen en te houden.

De invoeringswet voert de beslissingsautoriteit in voor controle op het werk van de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige. Ik acht verzekeringsartsen in staat om professioneel te handelen en om professionele normen te handhaven. Ik heb daarom een amendement ingediend om de beslissingsautoriteit uit de wet te halen. Het argument voor ontrading door de minister snijdt geen hout. Wat kunnen verzekeringsartsen onderling niet uniformeren wat de individuele beslissingsautoriteit wel kan? Het is een overbodige structuur waarmee de positie van de verzekeringsarts wordt ontkend. Het is ook een extra belasting van de UWV in de zin van nieuwe bureaucratie, nieuwe administratieve lasten.

Maandagavond heb ik bepleit, de eigenrisicodrager geen sanctie-bevoegdheden te geven. Ik sluit in dat opzicht uitdrukkelijk aan bij allerlei eerdere opmerkingen van de heer Van der Vlies op dit punt. Mijn fractie is van mening dat voor eigenrisicodragers het toepassen van de sanctie ook moet worden neergelegd bij UWV. Ik heb dan ook een amendement ingediend om te bewerkstelligen dat, ter voorkoming van willekeur, ook bij eigenrisico-dragers de sanctiemogelijkheden verschuiven naar UWV. Ik heb nog een amendement in voorbereiding – ik hoop dat in de loop van deze dag in te dienen – waarin wordt vastgelegd dat, indien sancties worden opgelegd, UWV niet eerst een sanctie oplegt en dan onderzoek doet, maar eerst onderzoekt en dan de sanctie oplegt.

Het leggen van de sanctiemogelijkheden bij de eigenrisico-drager is de principiële fout die ook in de WULBZ is gemaakt, namelijk dat zaken van arbeidsongeschiktheid en zaken van ziekte onderdeel zijn gemaakt van de arbeidsovereenkomst tussen werkgever en werknemer. Dat is een verkeerde keuze. De minister verwijst in zijn weerlegging van dit amendement naar de loondoorbetalingspraktijk in de eerste twee jaar. Hij merkt op dat

er weinig procedures en weinig geschillen zijn, maar dat hangt samen met de foutieve principiële keuze dat de werknemer tegen zijn werkgever moet procederen. Dat gebeurt niet vaak, want daarmee haal je problemen op je hals. Die foutieve keuze wordt via dit amendement hersteld.

Hoe zou de minister het vinden als hij een brandverzekering heeft afgesloten, tien jaar premie heeft betaald en hem bij brand door de verzekeringsmaatschappij wordt meegedeeld dat hij niet alle schade vergoed krijgt, omdat hij dan veertig jaar premie had moeten betalen? In feite is dit aan de hand bij de nieuwe verzekering voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikten. Zij krijgen te maken met een referteperiode en met een beperking in de duur, gekoppeld aan de huidige voorstellen met betrekking tot de WW. Mijn fractie vindt dat een verkeerde keuze. De minister zou dat ook zelf niet prettig vinden. Arbeidsongeschiktheid is iets anders dan werkloos worden. Bij arbeidsongeschiktheid is het onmogelijk om aan een soort opbouwsysteem te denken. Niemand vraagt om arbeidsongeschiktheid en niemand vraagt om uitval. Het argument dat nog niet voldoende premie is betaald, is dan ook vreemd en voor mijn fractie onbespreekbaar. Vandaar dat ik een amendement indien om dit te herstellen.

Ten slotte. Dit wetsvoorstel is een compromis. Aanvankelijk lagen de tegenstellingen buitengewoon scherp. Aan de ene kant vond de VVD dat op basis van de toen voorliggende cijfers de wet publiek moet worden uitgevoerd, tenzij de minister goede argumenten daartegen zou hebben. Aan de andere kant gaven D66 en het CDA de voorkeur aan private uitvoering. Er is een politiek volstrekt onduidelijk compromis gesloten. In feite wordt het probleem doorgeschoven naar 2007. De discussie zullen wij opnieuw voeren in 2006, omdat kennelijk met name de afspraken over de gemengde uitvoering, het hybride stelsel, ten aanzien van de gedeeltelijk arbeidsongeschikten nog niet duidelijk zijn.

Mijn fractie vindt deze wet buitengewoon slecht. Het is een aanfluiting dat wij op deze manier met arbeidsongeschikten omgaan. Deze wet zal ertoe leiden dat mensen die volledig arbeidsongeschikt zijn niet in aanmerking komen voor de

uitkering waar zij recht op hebben. De mensen die aanzienlijke beperkingen hebben maar net onder de 35% arbeidsongeschiktheid zitten en die aangewezen zijn op een werkgever die hen niet wil en die hen ontslaat, zullen in de bijstand terechtkomen. De tussenliggende groep moet maar hopen dat de werkgever bereid is hen aan het werk te helpen en te houden, maar de risico’s zijn buitengewoon groot dat ook die groep de gang naar een verlaagd inkomen maakt, gelet op de buitengewoon ingewikkelde structuur van de WGA-uitkering.

Mijn fractie heeft grote bezwaren tegen dit wetsvoorstel en beschouwt het als de afbraak van de WAO. Wat de SP-fractie betreft wordt dit wetsvoorstel dan ook verworpen.

©

J.C. (Tineke)  Huizinga-HeringaMevrouw Huizinga-Heringa (ChristenUnie): Voorzitter. Onze houding tegenover dit wetsvoorstel is kritisch. Wij hebben ons afgevraagd of het niet beter zou zijn het huidige stelsel, dat overigens ook bezwaren kent, te handhaven en te optimaliseren en recente beleidswijzigingen meer tijd te geven zich te bewijzen. Tegelijkertijd realiseren wij ons de noodzaak van een cultuuromslag. De fundamentele keuzen zijn het werk van de commissie-Donner en het SER-advies en daarvoor bestaat een breed draagvlak. Dat was voor ons de reden om dit voorstel open en kritisch te bespreken in de wetgevingsoverleggen.

Ik noem een paar positieve punten. De doelstelling van de stelselherziening, een adequate inkomensondersteuning bij arbeidsongeschiktheid en een activerende werking, onderschrijven wij van harte. Wij juichen het toe dat er voor mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn een goede inkomensvoorziening komt. Als het goed is, is die op termijn 75% van het laatstverdiende loon. Wij vinden het uitstekend dat PEMBA verdwijnt, al komt daar natuurlijk wel een premiedifferentiatie in de WGA voor terug en ook die is best lastig voor werkgevers. Anderzijds geeft het ook een prikkel om zich in te spannen. Het is goed dat er voor jonggehandicapten een ruimhartige no-riskpolis komt. Wij zijn blij dat er uiteindelijk in de derde nota van wijziging ook voor de 35-minners

betere reïntegratiemogelijkheden worden vastgelegd.

Het is voor ons een afweging of deze pluspunten opwegen tegen de minpunten van de wetsvoorstellen. De sobere vormgeving van de vervolguitkering in de WGA en de uitwerking die deze regeling kan hebben voor de individuele uitkeringsgerechtigde liggen ons eerlijk gezegd als een steen op de maag. Het reïntegratiepakket is nu wat minder sober dan in de oorspronkelijke wetsvoorstellen, maar nog altijd soberder dan het bestaande pakket. Ook daar heeft mijn fractie moeite mee. De voorgestelde hybride uitvoering verdient geen schoonheidsprijs en dan druk ik mij buitengewoon eufemistisch uit. Maar goed, daar kom ik later op terug.

Ik zal deze onderdelen iets breder toelichten, te beginnen met de IVA. Er komen drie soorten arbeidsongeschikten: degenen die dat volledig en duurzaam zijn, degenen die meer dan 35% arbeidsongeschikt zijn maar niet duurzaam en degenen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn. De IVA, de inkomensvoorziening voor duurzaam en volledig arbeidsongeschikten, is goed. Wij stemmen in met dit onderdeel van de wet. De reïntegratiemogelijkheden voor IVA-gerechtigden of, liever gezegd, het ontbreken daarvan stemmen ons weer minder vrolijk. Er liggen amendementen op dit punt. Vooral het amendement gericht op sociale activering spreekt ons aan. Wij zullen dat van harte steunen. Bij de IVA gaat het over een doelgroep die weliswaar geen uitzicht heeft op betaalde arbeid maar die zeker voor maatschappelijke participatie een steuntje in de rug kan gebruiken.

De minister vindt dat IVA-gerechtigden die denken weer aan het werk te kunnen de IVA vaarwel moeten zeggen en in de WGA thuishoren. Daar hebben zij dan recht op een reïntegratiepakket. Dat blijft voor IVA-gerechtigden wel een riskante operatie. Als de reïntegratie niet lukt, zit de werknemer wel in de veel minder aantrekkelijke WGA, zonder garantie van terugkeer naar de IVA. De CG-Raad stelt voor om voor IVA-gerechtigden een permanente no-riskpolis in het leven te roepen. Zou dat de reïntegratie-kansen niet aanzienlijk kunnen doen toenemen, ook van IVA-gerechtig-den?

Ik kom tot de mogelijkheid van een flexibele keuring in de wachttijd. De voorgestelde wettelijke regeling vinden wij onnodig rigide. In een amendement hebben wij voorgesteld de termijn uit te breiden. De minister ontraadt dat amendement, maar wij zullen het toch handhaven. Naar mijn idee houdt de minister er te weinig rekening mee dat soms al veel eerder dan na een half jaar duidelijk is dat van terugkeer geen sprake kan zijn. Op grond van de wettekst kunnen werkgevers dan onnodig lang worden geconfronteerd met de loondoorbetalingsverplichting.

In de wetgevingsoverleggen heb ik vrij uitvoerig mijn bezwaren tegen de uitwerking van de WGA uiteengezet. Vooral de vervolguitkering is zeer sober. Ik heb een aantal keren aandacht gevraagd voor de gedeeltelijk arbeidsongeschikte oudere werknemers die zich inspannen aan het werk te komen, maar daar niet in slagen. Zij houden een uitkering over die in veel gevallen een fractie van het sociale minimum zal zijn. Nu kan de minister zeggen dat gedeeltelijk arbeidsongeschikten onder de huidige WAO ook al een lage uitkering krijgen, maar daarbij maak ik dan de kanttekening dat WGA-gerechtigden op basis van het aangescherpte schattingsbesluit worden beoordeeld. Dat nieuwe schattingsbesluit is er debet aan dat zovelen bijna geheel of grotendeels worden goedgekeurd, terwijl zij onder het regime van het oude schattingsbesluit een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage zouden hebben. Ook met het oog hierop vind ik het redelijk de categorie oudere gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers die geen baan kunnen vinden, maar zich wel aantoonbaar daarvoor inspannen, een uitkering te geven die rond het sociaal minimum ligt. Ook wij zijn, net als het CDA naar ik heb begrepen, bezig met het opstellen van een motie op dit punt.

De WGA-uitkering is hoe dan ook lager dan de IVA-uitkering, als die laatste wordt verhoogd naar 75% van het dagloon. Het lijkt mij goed te verdedigen dat de WGA-uitkering voor volledig arbeidsongeschikten ook naar 75% wordt verhoogd. Ik heb een amendement ingediend dat juist dat tot doel heeft, dus de WGA-uitkering voor volledig arbeidsongeschikten te verhogen tot 75% als aan dezelfde voorwaarden is voldaan als bij de IVA.

Er is al veel gezegd over reïntegratie-instrumenten. Wij vinden dat er ten opzichte van de wetsvoorstellen nog wel verbeteringen mogelijk zijn. Versoberingen ten opzichte van het huidige instrumentarium moeten wel heel overtuigend worden onderbouwd. Van ons had de Wet REA helemaal niet afgeschaft hoeven te worden, hooguit geactualiseerd.

Wij staan sympathiek tegenover diverse amendementen op dit punt. Enkele heb ik mede ondertekend. Ik vind het jammer dat de minister bijna alle reïntegratieamendementen van de oppositie – om het zo eens te noemen – ontraadt. Was er nu werkelijk niet één bij waarbij de minister dacht ’’ja, daar zit wat in, daar kan ik wel in toestemmen’’? Ik vind dat teleurstellend. Voor niet-Wajong-gerechtigden blijft op dit punt geen adequate voorziening bestaan, maar de minister ziet in dit amendement geen brood.

Ook ziet hij geen brood in het amendement dat een premiekorting introduceert voor werkgevers die bovengemiddeld veel arbeidsgehandicapten in dienst nemen. Het is logisch dat het uitvoeringstechnisch niet gemakkelijk is, maar dat nadeel weegt toch minder zwaar dan het voordeel van de vergroting van arbeidsmarktkansen van arbeidsongeschikten?

De no-riskpolis is vijf jaar van kracht. Ik heb begrepen dat deze termijn nog eens met vijf jaar kan worden verlengd als sprake is van een verhoogd risico op ernstige gezondheidsklachten of een sterk wisselend ziektebeeld. Dat spreekt ons aan. In dit verband wil ik verwijzen naar de regeling op grond waarvan iemand die aanvankelijk is goedgekeurd, alsnog recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft als de arbeidsongeschiktheid met dezelfde oorzaak opnieuw intreedt, binnen vijf jaar na afloop van de wachttijd, of binnen vijf jaar na beëindiging van de arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het kan voorkomen dat dezelfde ziekte zich pas na vijf jaar opnieuw openbaart. Bij de no-riskpolis wordt dat ook verondersteld. Daarom heb ik een amendement ingediend waarin wordt voorgesteld bij terugkomende arbeidsongeschiktheid ten gevolge van dezelfde ziekte ook een termijn van tien jaar te hanteren. De afwijzende reactie van de minister vind ik jammer. Ik hoop dat mijn

collega’s wat welwillender tegen dit amendement aan zullen kijken.

Mijn fractie is blij met de reïntegratiemaatregelen voor de categorie 35-minners, die nu wel in de wet zijn opgenomen. Wat de doelgroep van de no-riskpolis en de premiekorting betreft, lijkt het mij logisch dat wordt aangesloten bij de formulering van de Wet REA, dus inclusief de gemeentelijke doelgroep. Ik verzoek de minister zijn negatieve reactie op het betreffende amendement nader toe te lichten, mede nu hij zelf heeft gezegd ook iets te willen regelen voor 35-minners. We hebben afgelopen maandag gesproken over de introductie van een IOAW-regime voor 35-minners. Wij zijn van plan het amendement van mevrouw Bussemaker op dit punt te steunen. Ik vind de reactie van de minister wel erg dogmatisch: het kan nu niet, dus moet het ook in de toekomst niet kunnen. Dat kan toch geen afdoende argument zijn om aanneming van dit amendement te ontraden?

We kunnen ervan uitgaan dat werknemers zich gaan bijverzekeren voor het min of meer nieuw ontstane WIA-gat. In het laatste wetgevingsoverleg is aandacht gevraagd voor de problemen van degenen die na 1 januari 2004 in de wachttijd zijn gekomen. Zij kunnen niet meedoen aan die verzekering omdat zij een ’’brandend huis’’ zijn. Ik begrijp het antwoord van de minister dat dat hun probleem is, maar tegelijkertijd heb ik er geen vrede mee. Wij zijn de mogelijkheid aan het onderzoeken om nog voor de stemming met een amendement te komen op dit punt.

Voorzitter. Wat betreft de uitvoering is er met veel pijn en moeite een compromis tot stand gebracht. Het commentaar van Trouw was heel treffend. De hoofdredacteur schreef dat het slechtste van twee werelden opeens het beste van twee werelden heet: ’’met een glas rosé in de hand werd de vijf minuten eerder nog verguisde mix als het ei van Columbus aan het volk gepresenteerd.’’ Even verderop in het commentaar werd het zelfs een ’’drakenei’’ genoemd. Dit commentaar liet precies zien wat er de afgelopen weken is gebeurd. Mijn fractie vindt de keuze voor het hybride model ongelukkig. Wij moeten echter nog zien of dit model volgend jaar inderdaad wordt ingevoerd. Er zijn immers nog de nodige hobbels te nemen voordat er

een voor alle coalitiepartijen aanvaardbaar voorstel ligt.

Mijn fractie kan de verschillende belangrijke keuzes die het kabinet in de voorliggende wetsvoorstellen heeft gemaakt, ondersteunen. Op een aantal onderdelen blijven wij echter moeite houden. Daarbij gaat het met name over de hoogte van de vervolguitkering in het kader van de WGA en het reïntegratie-instrumentarium. Vooral het eerste punt weegt bijzonder zwaar voor mijn fractie bij de uiteindelijke standpuntbepaling over dit pakket. Het moet mij ten slotte van het hart dat ik het buitengewoon jammer vind dat de minister bijna alle amendementen op het gebied van de reïntegratie afwijst.

©

M. (Jet)  BussemakerMevrouw Bussemaker (PvdA): Voorzitter. Wij zijn bij een belangrijk moment aangeland: bijna 40 jaar na invoering van de WAO wordt deze afgeschaft. Er komt een nieuwe wet voor in de plaats. Deze wet is echter zoveel beperkter dan de WAO dat het de vraag is of wij nog steeds van een volwaardig sociale wet en een volwaardige werknemersverzekering kunnen spreken. 40 jaar geleden kreeg minister Veldkamp zonder uitzondering lof van de Kamer voor zijn wet. De Handelingen laten zien dat er zelfs werd gesproken van een ’’sociale Mammoetwet’’. Zijn wet was een breed gedragen sociale overwinning en zijn naam werd dan ook genoemd in het rijtje van Talma, Drees en Klompé. Dat zal deze minister met deze wet niet gebeuren. Zijn wet kan meer ondanks dan dankzij zijn inzet op een Kamermeerderheid rekenen, zo leek het de afgelopen tijd. Vanaf het moment dat hij zijn wetsontwerp presenteerde, ging het er rijkelijk amateuristisch aan toe wat betreft het verkrijgen van draagvlak bij de sociale partners. Die sociale partners hebben diverse keren aangegeven dat de plannen anders waren dan was afgesproken en dat ze dus niet konden rekenen op maatschappelijk draagvlak. Ook in de Kamer konden de plannen slechts ternauwernood rekenen op voldoende politiek draagvlak. Alles ging met de hakken over de sloot. De gang van zaken vorige week was geen toonbeeld van parlementaire openheid. Het was eerder een demonstratie van politiek regentendom waarin behoud van de macht

belangrijker bleek dan een solide en sociaal stelsel. Want hoe valt anders te verklaren dat een hybride stelsel, waarvan eerst alle partijen, inclusief de coalitie, hadden gezegd dat het niet deugt, als een konijn uit de hoed werd getoverd als een oplossing voor alle kwalen? Zelfs zoveel kwalen waren het dat mevrouw Verburg haar amendement over de eenvoudige loonaanvullingregeling introk en de beren die mevrouw De Vries tot nu toe op de weg had gezien, blijkbaar niet werden aangetroffen. Al in dit debat blijkt dat het een akkoord is dat beperkingen heeft, want ik merkte zojuist op dat VVD en CDA het niet eens lijken te zijn over de periode waarin het eigen risico moet worden gedragen. Dit zullen wij volgend jaar allemaal wel zien.

Mevrouw Verburg (CDA): Ik stel vast dat mevrouw Bussemaker niet alle stukken meeweegt. Ik herinner haar aan een brief van de Raad van de Centrale Ondernemingsorganisaties waarin tien punten worden aangevoerd. Daarin staat: ’’Op grond van het bovenstaande moge duidelijk zijn dat wij voorstellen van de Partij van de Arbeid om de huidige WAO in de kern te handhaven volstrekt afwijzen.’’ Eenzelfde geluid heb ik gehoord van de vertegenwoordiger van de FNV, de heer Heerts. Wil mevrouw Bussemaker hierop reageren?

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik ben blij met de aandacht die mevrouw Verburg opnieuw toont voor het alternatief van de PvdA. Ik was daar eigenlijk nog niet aan toe, maar ik kom hier zo op terug. Ik keek nu even terug op de afgelopen jaren en ik herinner er graag aan wie wij hier allemaal op bezoek hebben gehad zoals de heer Heerts van de FNV die de WGA een gedrocht noemde en de heer Wijffels die zijn twijfel uitsprak over de samenhang met het SER-akkoord van jaren geleden. Ik weet niet waar mevrouw Verburg het over heeft. Op ons alternatief komt ik zo dadelijk terug.

Mevrouw Verburg (CDA): Ik hoop dat mevrouw Bussemaker dan ingaat op deze brief en op de reactie van de grootste vakcentrale op haar alternatief.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik heb de brief van de werkgevers gelezen. Mevrouw Verburg weet net

zo goed als ik dat zij in de afgelopen tijd onderhandelingen hebben gevoerd met het kabinet en dat zij iets meer naar het SER-advies zijn opgeschoven. Wij moeten hier als Kamer echter een afzonderlijke afweging maken. Wij moeten kijken of de wet goed is. Ik kan alleen maar concluderen dat deze wet enorm veel beperkingen in zich draagt. Van de FNV heb ik zo’n brief niet gezien.

De centrale vraag is wat het centrale beginsel is van sociale zekerheid. Veertig jaar geleden zei mijn partijgenoot het in het debat over de WAO als volgt: ’’Als diepste beginsel van sociale verzekering zou ik willen stellen dat de persoonlijke verantwoordelijkheid insluit de zorg voor de anderen, ook met betrekking tot de mogelijkheid zich een redelijk inkomen te verwerven en zo zichzelf te ontplooien. Wij hebben te maken met een plicht en een corresponderend recht.’’ Dat waren en zijn wijze woorden waarin wederkerigheid centraal staat.

Wat is thans het centrale beginsel van het nieuwe stelsel, van de WIA? Dit lijkt wat mij betreft nog het meest op het ontwikkelen van wat ik een punitieve prikkeltheorie wil noemen: u wordt geprikkeld, maar als het u niet lukt om daarmee succes te boeken, wordt u gestraft via een verlaging van uw uitkering.

Ik keer nog een keer terug naar het WAO-debat in 1965. Minister Veldkamp zei toen: ’’Bij revalidatie gaat het om het herstel van geschonden mensenleven. Het gaat er in onze maatschappij in toenemende mate niet alleen om dat de mensen lichamelijk of geestelijk genezen, het gaat erom dat zij een zo volwaardig mogelijke plaats in de samenleving terugkrijgen.’’ Dit waren en zijn wijze woorden die evenwel ver afstaan van de voorliggende WIA. Daarin wijst de minister bijvoorbeeld sociale activering van mensen met een IVA-uitkering af. De mogelijkheid van begeleid werken en het gebruik van sociale werkvoorzieningen voor mensen met beperkingen die in de WGA zitten, wordt geschrapt en voor mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn, is eigenlijk nauwelijks iets geregeld.

Kortom, deze minister zal niet de boeken ingaan als de oplosser van het WAO-probleem. Hij zal cynisch genoeg vooral de boeken ingaan als het prototype van een politicus waaraan de mensen nu juist zo de

pest krijgen, de politicus die een probleem wil oplossen dat eigenlijk niet meer bestaat. Ik heb het hem al eerder gevraagd en ik doe het nog een keer: minister, weest u voor deze keer alstublieft niet zo’n minister, maar luister naar de geluiden uit de samenleving, want ondertussen blijft de instroom maar dalen tot inmiddels 50%. Ik zou hier willen zeggen: hulde aan Robin Linschoten en Hans Hoogervorst, die effectief beleid hebben ontwikkeld dat vruchten afwerpt. Helaas wordt juist dat beleid met deze wet voor een deel afgeschaft. De centrale vraag is of wij de WIA nodig hebben. Ik kan alleen maar concluderen dat de WIA geen bijdrage levert aan wat deze wet zou moeten doen.

De WAO is jarenlang de achilleshiel van de verzorgingsstaat geweest. Dat is al uitgebreid gememoreerd door mevrouw Verburg. Lubbers riep dat Nederland ziek was. De WAO werd een politiek twistpunt. Ik zal niet verhelen dat mijn partij daarin uitgebreid heeft meegedeeld, om het maar zo te zeggen. Aan het einde van de vorige eeuw zijn maatregelen genomen. Wij voelden de noodzaak om iets te doen toen wij het magische getal van een miljoen arbeidsgeschikten bijna bereikten. Er is ondertussen wat gebeurd. Er is niet alleen een SER-advies gevraagd, maar er is ook beleid ontwikkeld, onder anderen door de staatssecretarissen Linschoten en Hoogervorst. Dat beleid werkt. De PEMBA is ingevoerd en blijkt nog steeds resultaat te hebben, zelfs meer dan werd verwacht. De Wet verbetering poortwachter is ingevoerd. Werkgever en werknemer worden op deze manier verplicht om bij ziekte tot snelle reïntegratie over te gaan. De Arbowet is sterk verbeterd, zodat er nu een aansluiting is van werkgevers bij arbodiensten. De relatie tussen preventie en reïntegratie is verbeterd. Recentelijk is daar het tweede jaar loondoorbetaling bij ziekte bijgekomen, wat mijn fractie van harte heeft ondersteund.

Dat alles heeft ertoe geleid dat de instroom, die in 2001 nog meer dan 100.000 was, vorig jaar 59.000 bedroeg. De centrale vraag is of wij een stelselwijziging nodig hebben om extra problemen op te lossen. Ik stel dat dit niet hoeft omdat bewegen in de verkeerde richting nog altijd verkeerd is. Ik herken mij volledig in de conclusie die de Raad

van State al trok. Ik wil daar toch nog eens de aandacht op vestigen, want het is wat ondergesneeuwd in de wetgevingsoverleggen. Ik citeer de Raad van State: ’’De Raad onderkent dat aan de beheersing van de volumes en de financiële lasten een groot gewicht toekomt. Hij meent echter dat in dit geval aan dat argument op zichzelf geen dringende reden kan worden ontleend om al op zeer korte termijn over te gaan tot de nieuwe stelselwijziging. Immers, de intussen al doorgevoerde wijzigingen kunnen de ontwikkeling van de lasten de komende jaren voldoende beheersbaar houden. In zoverre bestaat er gelukkig voldoende ruimte om, mocht er nog enige tijd nodig zijn voor een adequate doordenking en uitwerking, dit verantwoord te doen.’’

Dat had iedereen al de ogen moeten openen over de kwaliteit van deze wet, de gevolgen ervan en het alternatief. De Raad van State concludeerde ook dat op termijn wellicht een aantal herzieningen nodig is, in samenhang met de WW of met het advies dat nu aan de SER wordt gevraagd over het beleid op de middellange termijn. Dan zou het logisch zijn om de sociale zekerheid integraal te bekijken. Ik constateer dat wij nu allerlei brokjes krijgen. Dat is een gemiste kans, want zelfs de premier heeft recentelijk interessante uitspraken gedaan over hoe zo’n stelsel er zou kunnen uitzien. Ook is recentelijk het Baliemanifest uitgebracht. Dat zou aanleiding moeten zijn tot het voeren van een meer integraal en kwalitatief goed debat.

Deze wet is gelukkig de laatste grote herziening van de sociale zekerheid en de arbeidsmarkt van dit kabinet. Het is zo langzamerhand ook wel welletjes geweest. Het begon met de WWB, waarvan de systematiek positieve elementen bevat, maar die niet consequent is in de gedachten van decentralisering en vooral gepaard ging met grote bezuinigingen. Vervolgens kwamen de ontkoppeling, de afschaffing van de SPAK, de dreigende verlaging van het minimumloon, de voorstellen over VUT, prepensioen en levensloopregeling en nu als sluitstuk de WIA. Dat is beleid van een kabinet dat met de rug naar de samenleving lijkt te staan, dat maatschappelijk draagvlak ontbeert en naar ik vrees tot heel veel schade

zal leiden voor mensen die arbeidsongeschikt worden.

Speciaal voor de fracties van D66 en het CDA zeg ik nog maar even dat mijn fractie niet tegen hervormingen is. Wij zijn voor hervormingen in de goede richting. Ik wijs nog maar een keer op het alternatieve PvdA-plan, dat substantieel betere resultaten oplevert in termen van verlaging van het aantal WAO’ers, het stimuleren van arbeidsparticipatie en lastenverlichting voor werkgevers en werknemers. Ik wijs deze fracties nog maar eens in het bijzonder op een amendement van mij dat neerkomt op een aanscherping van de Wet verbetering poortwachter: een strengere toets op reïntegratie. Mijn fractie heeft de Wet verbetering poortwachter overigens tot nu toe altijd van harte ondersteund. Het CPB heeft voor ons uitgerekend dat zo’n strengere toets op reïntegratie een vermindering van het aantal WAO-aanvragen zal opleveren: 15.000 minder uitkeringsjaren en een bezuiniging van € 200 mln.

Mevrouw Verburg (CDA): Mevrouw Bussemaker meet nog eens de zegeningen uit van haar voorstel, dat wordt afgewezen door de werkgevers en in ieder geval ook de FNV. Waarom onthoudt zij in haar voorstellen mensen die langdurig en volledig arbeidsongeschikt zijn, het uitzicht op een hogere uitkering van 75%?

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Dit punt hebben wij al een aantal keer bediscussieerd, maar ik wil het best nog wel een keer uitleggen. Mijn fractie legt daar niet de grootste prioriteit. Het zou ertoe kunnen leiden dat mensen zoals u en ik met lichte beperkingen straks een verhoging van de uitkering krijgen, terwijl anderen – de voorbeelden die wij hebben besproken zijn de thuishulp en de vrachtwagenchauffeur die een been moet missen – helemaal niet meer voor een uitkering in aanmerking komen. In dat licht besteed ik het geld liever zo dat mensen een grotere kans hebben om weer aan het werk te komen. Bovendien wil ik ervoor zorgen dat de meest kwetsbaren er iets extra bij krijgen. Mevrouw Verburg weet net zo goed als ik dat mijn fractie daarvoor de afgelopen jaren al een aantal voorstellen heeft gedaan.

Mevrouw Verburg (CDA): Ik stel vast

dat mevrouw Bussemaker deze groep mensen nu helemaal in steek laat. Zij moet nog maar eens praten met de heer De Wit over wie dan in die volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid terechtkomen. Het valt mij van de PvdA-fractie bitter tegen dat zij mensen die geen perspectief meer hebben op betaalde arbeid, niets extra wil geven.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Het is absoluut niet zo dat wij niets willen doen. Ik wijs nog maar eens op mijn amendement dat sociale activering voor deze groep mogelijk maakt, en op het amendement dat de heer Vendrik mede namens mij heeft ingediend om de reïntegratie van deze groep te bevorderen. Als ik mevrouw Verburg zo hoor, ga ik ervan uit dat zij beide amendementen een zeer warm hart toedraagt.

De heer Dittrich (D66): Ik zal niet ingaan op de grote beperkingen van het WAO-plan van de PvdA. In het amendement op stuk nr. 33 zegt mevrouw Bussemaker dat UWV bij alle reïntegratieverslagen die binnenkomen, contact moet opnemen met de werkgever en de werknemer. Ik snap die gedachte, maar belasten wij werkgevers en werknemers niet onnodig met zo’n verplichting? Soms, misschien wel meestal, zijn die verslagen zo glashelder dat het helemaal niet nodig is om extra informatie in te winnen. Met andere woorden: leidt dit niet tot een onnodige verzwaring van de administratieve lasten?

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Dit wetsvoorstel levert juist een grote verzwaring van de administratieve lasten op. Wij hebben ons gebaseerd op een onderzoek van een aantal economen dat is gepubliceerd in Economisch Statistische Berichten. Zij betogen dat waar er reden is om mensen uit te nodigen, het belangrijk kan zijn om werkgevers en werknemers bij elkaar te zetten en het niet als een administratieve handeling af te doen. Volgens hen leidt dat tot een besparing van € 200 mln. Ik vind de argumenten van de minister tegen dit amendement weinig overtuigend. Wellicht is het goed om de vraag van de heer Dittrich aan hem door te spelen.

De heer Dittrich (D66): Ik begrijp het punt, maar mevrouw Bussemaker maakt er een algemene verplichting

van. In allerlei rapporten, onder andere van de WRR, wordt betoogd dat je professionals in de uitoefening van hun functie meer vertrouwen zou moeten geven en niet alles vanuit Den Haag moet willen regelen. Ik begrijp echter ook dat het veel uitkeringen kan schelen en dat mensen weer aan het werk worden geholpen als UWV alert omgaat met informatie. Daarom vraag ik dit aan mevrouw Bussemaker, waarbij ik hoop dat de minister goed luistert. Ik hoor straks wel zijn reactie op haar amendement. Op zichzelf vind ik het namelijk een interessante gedachte.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik deel de opmerking van de heer Dittrich dat wij ruimte moeten scheppen voor professionals. Daarom heb ik het amendement van de heer De Wit over het schrappen van de beslissingsautoriteit van harte meeondertekend. Daarvan kun je zeggen: laat dat maar aan keuringsartsen over. In de praktijk werkt de Wet verbetering poortwachter al. Uit onderzoek blijkt dat het perspectief biedt om meer met werkgever en werknemer te praten. Ik ben het overigens met u eens dat er soms geen enkele reden is om dat te doen, namelijk als het lastenverzwaring zou meebrengen. Daarbij denk ik aan de discussie die wij hebben gevoerd over de flexibele keuring. Afhankelijk van het antwoord van de minister wil ik wel bezien of wij een uitzondering kunnen maken. In zijn algemeenheid constateer ik echter dat onderzoek uitwijst dat een sterkere toets op reïntegratie bijdraagt tot vermindering van de instroom in de WAO. Volgens mij is dat wat wij allemaal willen.

Ik zal de belangrijkste bezwaren van mijn fractie tegen dit voorstel van het kabinet op een rijtje zetten. Met het wetsvoorstel wordt niet bereikt wat beoogd wordt. Het is niet rechtvaardiger, niet activerender en niet effectiever. Het is ingewikkeld, onnodig duur en bureaucratisch. Het wetsvoorstel komt niet tegemoet aan de eisen die het kabinet zelf stelt, met name door het hybride stelsel, dat onnodig duur en bureaucratisch is. De kosten worden afgewenteld op werkgevers en werknemers, die straks een hogere premie moeten betalen. Daar staat geen bewezen dienst in de vorm van reïntegratie tegenover. Verzekeraars kunnen niet bewijzen dat een en ander leidt tot minder instroom. Als wij het eigen

risico dragen gaan beperken tot vijf jaar, staat er een navenant geringere reïntegratiemogelijkheid tegenover.

In de WGA is een zeer ingewikkelde loonaanvullingsregeling opgenomen, die op zichzelf genomen al zeer moeilijk is te volgen, maar ook in sommige opzichten onvoldoende activerend is, omdat werken niet wordt gestimuleerd. Ik snap niet dat het nog bestaat dat er toch een samenloop van WW en WGA in voorkomt. De minister heeft gezegd dat een prachtig voordeel van dit wetsvoorstel is dat er geen samenloop meer is van WW en WGA. Die samenloop doet zich echter wel voor als iemand met een WGA-uitkering werkt gedurende een periode die langer is dan de referte-eis van de WW, vervolgens buiten zijn schuld zijn werk kwijtraakt en een WW-uitkering aanvraagt. Ik vind dat onwenselijk en ik vind dat het niet past in de systematiek van deze wet, omdat de betrokken uitkeringsgerechtigde dan moet voldoen aan de eisen van twee verschillende uitkeringsregimes en omdat hij dan mogelijk van twee verschillende uitkeringsinstanties, te weten een eigenrisicodrager en UWV, een uitkering ontvangt. De samenloop van die uitkeringsinstanties hindert ook nog eens de reïntegratie. De reactie van de minister op ons amendement vind ik teleurstellend. Ik begrijp het ook niet, omdat hij zelf steeds heeft gezegd dat een van de grote voordelen van de WIA is, dat de samenloop niet meer voorkomt. Ik vraag de minister, daar nog eens op in te gaan.

Dan kom ik nu toe aan het nieuwe WIA-hiaat, dat op de private markt en via semi-collectieve afspraken gecompenseerd zal worden. Daardoor zal het effect van de maatregelen veel geringer zijn. Een ongewenste consequentie is bovendien dat mensen die ziek zijn straks misschien niet meer voor de verzekering in aanmerking komen. Ik heb het voorbeeld genoemd van de brief die Loyalis naar een van de Nederlandse universiteiten heeft gestuurd. Daarin staat dat de uitkering niet geldt voor mensen die ziek zijn en dientengevolge arbeidsongeschikt worden. In de brief staat wel dat de premie die daarvoor wordt betaald op het bruto salaris wordt ingehouden, waardoor – ik citeer de brief – ’’...u meteen profiteert van het fiscale voordeel. De fiscus betaalt dus mee aan uw

extra zekerheid’’. Kortom, het WIA-hiaat zal in veel gevallen waarschijnlijk worden gecompenseerd op kosten van de overheid.

Dan kom ik op de uitvoering. Wat kunnen UWV en Belastingdienst nu nog uitvoeren? Op 1 januari gaat er een bulk aan nieuwe wetgeving in: de AWIR, de Zorgwet, Walvis en de VPO. Ik houd mijn hart vast voor wat er op 1 januari 2006 gaat gebeuren. Ik vraag de minister om de Kamer begin september een update te geven van de stand van zaken ten aanzien van de uitvoering. De Kamer moet dan nog eens definitief kunnen bezien of alles tegelijkertijd kan worden uitgevoerd. Ik verwijs in dit verband ook nog maar even naar het advies van de Raad van Economisch Adviseurs van 30 mei jl. Zij zeggen: ’’De opeenstapeling van grote stelselherzieningen in de zorg, de sociale zekerheid en de pensioenvoorzieningen leidt onvermijdelijk tot meer onzekerheid voor burgers. Zij reageren op die onzekerheid met het aanleggen van financiële buffers uit voorzorg. Deze samenloop van maatregelen is weinig gelukkig.’’ Nu weet ik dat een deel van de maatregelen door het compromis in de coalitie later zal ingaan, maar toch is mijn zorg over de gevolgen van de samenloop van wetgeving nog niet voldoende afgenomen.

Mijn tweede bezwaar: de inkomenseffecten van de wet zijn onrechtvaardig. Ik weet dat dit ook voor de huidige wet geldt, op het punt van de verdiencapaciteit. Maar mijn stelling is dat je er bij het organiseren van een zo veelomvattende stelselherziening als deze toch nog eens goed over zou moeten nadenken of je in het nieuwe systeem de arbeidscapaciteit niet meer centraal zou moeten stellen. Wij blijven nu uitgaan van verdiencapaciteit, maar wij brengen onder andere als gevolg van het schattings-besluit wel veel meer beperkingen aan. Dit wil zeggen dat de inkomens-bescherming veel minder wordt dan bij de WAO. Ik heb het voorbeeld van de thuiszorg genoemd en wij hebben allemaal een brief van MKB gekregen met een redenering waar volgens mij geen speld tussen te krijgen is. Het gaat om het voorbeeld van iemand met tamelijk ernstige arbeids-beperkingen die in deeltijd relatief laag betaald werk verricht en die op minder dan 35% verdiencapaciteit uitkomt. De betrokkene kan binnen de organisatie niet makkelijk meer

hetzelfde werk doen, want werken in de thuiszorg was nu juist te zwaar. Deze werknemer verliest zijn uitkering en hij komt in de bijstand terecht of hij wordt afhankelijk van zijn partner. Afgelopen maandag hebben wij ook een voorbeeld van drie broers besproken. Daaruit blijkt dat iemand met een minimuminkomen straks veel minder kans op werk zal hebben en ook sneller afhankelijk zal worden van een partner.

Ik vind het eigenlijk de meest perverse prikkel die denkbaar is: je doet je best, je wilt werken, je wilt meedoen, termen van het kabinet, en daarvoor word je dan gestraft. Ik vraag de minister nadrukkelijk, in dit verband ook nog eens te kijken naar het amendement op stuk nr. 15 over de IOAW, een amendement dat ik mede namens een aantal andere leden heb ingediend. Net als mevrouw Huizinga kan ik de argumentatie van de minister op dit punt gewoon niet goed volgen. Ik zou het eerlijk gezegd niet meer dan rechtvaardig vinden om de groep met minder dan 35% verdiencapaciteit het recht op IOAW te laten behouden.

Mijn derde grote bezwaar tegen de wet is dat de reïntegratie tekort schiet. De Wet REA wordt afgeschaft en degenen die onder 35% verdiencapaciteit uitkomen, hebben nauwelijks nog perspectief op reïntegratie. De wet schiet tekort als het gaat om een concreet perspectief op werk. Er zijn nauwelijks stimulansen voor werkgevers in opgenomen om arbeidsgehandicapten in dienst te nemen, er is nog steeds geen convenant met werkgevers, de substantiële perspectieven op omscholing zijn geschrapt, de WSW staat straks niet meer open voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten en zo zijn er nog een aantal beperkingen, zoals de omstandigheid dat mensen met een verdiencapaciteit van minder dan 35% vrij gemakkelijk ontslagen kunnen worden. En wederom net als mevrouw Huizinga was ik buitengewoon teleurgesteld door de reacties van de minister op alle ingediende amendementen, in het bijzonder de amendementen over reïntegratie. Ik meen toch dat er in de Kamer een vrij breed gevoelen is dat er zo veel mogelijk aan gedaan moet worden om de groep met arbeidsbeperkingen weer terug te brengen naar de arbeidsmarkt. Volgens mij past dit ook in de lijn van het kabinet van participatie,

meer werk en meedoen. Ik snap dan ook niet waarom wij de WSW op slot doen en waarom gedeeltelijk arbeidsgeschikten er straks geen gebruik meer van kunnen maken. Ik zeg dit nadrukkelijk ook tegen mevrouw Verburg, want ik weet dat de CDA-fractie, trouwens net als veel andere fracties in dit huis, de WSW een warm hart toedraagt. Dit geldt ook voor begeleid werken. Het zal lang niet altijd zo zijn, maar er zijn situaties denkbaar waarin dit voor mensen met een WGA-uitkering perspectief op meedoen kan betekenen. Ik wijs nog maar eens op het amendement over sociale activering voor mensen met een IVA-uitkering.

Wij hebben ook een amendement ingediend over de bonusregeling, de progressieve afdrachtskorting voor werkgevers die een meer dan gemiddeld aantal arbeidsgehandicapten in dienst hebben. Uit de redenering van de minister komen vooral uitvoeringstechnische bezwaren naar voren. Nu ben ik bij de voorbereiding van de behandeling van deze wet toevallig een oud wetsvoorstel tegengekomen dat vrijwel onmiddellijk weer de prullenbak in is gegaan, omdat er daarbij uitgegaan werd van een risque professionel. In dat wetsvoorstel werd ook een progressieve afdrachtskorting genoemd, dus het lijkt mij dat er uitvoeringstechnisch geen bezwaren zijn. Kortom, minister, als u echt iets wilt doen om de werkgevers te stimuleren en te belonen voor goed beleid, laten wij dan met zijn allen kijken of wij daarvoor een middel kunnen bedenken.

Ik heb een brief gekregen van de heer Balkenende, directeur van de Breman-Groep. Dat is een interessant bedrijf waarmee ik wel vaker contact heb. Dat bedrijf heeft echt méér dan een evenredig aantal arbeidsgehandicapten in dienst en voeren daarvoor een goed beleid. De heer Balkenende zegt blij te zijn met een progressieve afdrachtkorting, juist omdat die niet alleen iets doet voor nieuwe WAO’ers maar ook voor bedrijven die WAO’ers in dienst houden. Hij wijst op het Libelle-effect: trouwe abonnees krijgen niets en nieuwe abonnees krijgen een welkomstgeschenk. Hij vindt dat er iets meer moet gebeuren voor de trouwe werkgevers die deze mensen in dienst houden en doet daartoe enkele voorstellen: toepassing van

de vangnetregeling van de Ziektewet voor de duur van de WAO (één in plaats van vijf jaar); bij herkeuring van WAO’ers beginnen bij niet-werkenden omdat ook de werkgever enorme problemen ondervindt als degenen die bij hem in dienst zijn herkeurd worden. Dat is ook een straf voor de werkgever. Verder wordt gesteld dat de Amberregeling niet goed wordt uitgevoerd door de arbodienst en UWV en vraagt men zich af wat de zin van die regeling is.

Kan de minister hierop reageren? Ik wil hiermee aangeven dat ook bij werkgevers steun te vinden is voor het idee van een bonusregeling.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik was even getriggerd door de interventie van mevrouw Bussema-ker. Meestal ben ik niet dol op brieven van een Balkenende maar nu even wel. Zouden wij deze brief mogen inzien, zou die verspreid kunnen worden opdat wij er allemaal kennis van kunnen nemen? Is dat mogelijk?

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ja, natuurlijk.

Als het gaat om de reïntegratie zegt de minister steeds dat hij de werkloosheid uit de arbeidsongeschiktheid wil halen. Mijn conclusie is dat hij dat inderdaad doet, maar de arbeidsongeschiktheid in de WW en in de bijstand introduceert. Daarop wil ik graag een reactie van de minister. Volgens mij creëert dat namelijk buitengewoon grote problemen, zeker als er niet voldoende reïntegratieperspectieven zijn.

Voorzitter. De drie punten vormen mijn hoofdbezwaren maar er zijn er nog een aantal die ik staccato wil behandelen. Ik kom dan bij de relatie met internationale bepalingen. Het ILO-Verdrag nr. 121. Ik kan niet anders concluderen dan dat deze wet niet voldoet aan de ILO-bepaling. Wat gaat de minister doen als er een uitspraak komt van de ILO? Is hij dan van plan het ILO-Verdrag op te zeggen, of gaat hij een extra beroepsgarantieregeling invoeren en voor wie dan? En wanneer komt er duidelijkheid?

Ik vrees ook medicalisering – ook anderen hebben daarover gesproken – met name bij die grens van 80%. Wij krijgen daarover veel verhalen uit de praktijk. Gaat de minister dat in kaart brengen opdat wij weten of dit ongewenste effecten sorteert?

Er zou meer aandacht kunnen zijn voor de preventie. Wij komen daarop een andere keer terug. Er worden verschillende studies gedaan naar ziekteverzuim en preventie. Ik zou het interessant vinden als een en ander meer geïntegreerd zou plaatsvinden. Ik heb begrepen dat het SCP binnenkort met iets komt. Wellicht is het interessant het SCP te vragen om dit meer systematisch in kaart te brengen?

Voor minister De Geus is de WIA zijn levenswerk, zo heeft hij wel eens gezegd, een kroonjuweel op zijn werk als minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Vorig jaar zei hij bij de presentatie van zijn wet dat het een buitengewoon puik verhaal is, sociaal rechtvaardig en financieel houdbaar, doordacht en afgewogen. Ik zeg hier nog maar een keer dat het voor mijn fractie geen puik verhaal is maar een ellendeverhaal, niet doordacht en afgewogen maar bureaucratisch en onrechtvaardig, geen sociale mammoetwet zoals die van minister Veldkamp indertijd maar een nieuw ongeval; een molensteen waarvan minister De Geus de samenleving wilde verlossen, zo zei hij vorig jaar. Die molensteen hing de afgelopen weken eerst om zijn nek, vervolgens om de nek van de coalitiepartijen en ik vrees dat die nu wordt doorgeschoven naar de samenleving. De minister-president zei vorige week in een interview dat het kabinet lekker bezig is. Ik constateer dat, ook als je lekker bezig bent in de verkeerde richting, dit nog altijd verkeerd is.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

©

B.M. (Bibi) de VriesMevrouw Bibi de Vries (VVD): Voorzitter. Ik heb goed geluisterd naar mevrouw Bussemaker: wat ben ik blij dat wij in een coalitie zitten met D66 en het CDA! Alleen daardoor is deze hervorming van de WAO mogelijk.

In dit afrondingsdebat rond de hervorming van de WAO zal ik drie thema’s behandelen, te weten het politieke akkoord, alles wat te maken heeft met het sociaal akkoord, inclusief de cao’s, en waar gaan wij het in 2006 nu nog over hebben?

In de wetgevingsoverleggen hebben wij uitgebreid gesproken over het politieke akkoord. Ik zal de positie van de VVD kort schetsen. Wij

zijn een groot voorstander van verdere aanscherping van de huidige WAO per 1 januari 2006. Het toekomstbestendig maken van de sociale zekerheid is een belangrijke taakstelling van dit kabinet, zeg ik tegen mevrouw Bussemaker, waarin de WIA prima past. Waar wij veel discussie over hebben gehad, is de vraag wie de nieuwe WGA moet gaan uitvoeren. Moet dit publiek, privaat of allebei? Zoals bekend heeft de VVD niets tegen de markt, integendeel, maar wel als het te duur is. Het CPB heeft ons nu reeds twee keer voorgerekend dat de cijfers van het Verbond van verzekeraars niet voldoende onderbouwd zijn. Ook heeft het CPB aangegeven dat de reïntegratie in private handen niet per definitie beter is. Conclusie van dit debat is dat volledige private uitvoering van de WGA van tafel is, omdat het te duur is. Glashelder, zou ik zeggen!

Daarom heeft de VVD-fractie gezegd, vooralsnog uit te gaan van een publieke uitvoering. Eigenlijk klopt die uitspraak nog steeds wel een beetje. Vooralsnog gaan wij in

2006 publiek uitvoeren. En vanaf

2007 mogen de verzekeraars meedoen. Dat was een compromis in de coalitie, daar hebben we het afgelopen week uitgebreid over gehad. Wij zijn in dit voorstel nu af van het hoogst ongelukkige jaar 2006, wat veel rompslomp met zich bracht, en wij kunnen in 2007 gewoon starten met premiedifferentiatie. Laat ik één ding heel helder zeggen: voor de VVD-fractie zijn de inhoudelijke hervormingen het allerbelangrijkste geweest. Eigenlijk is wie de uitvoering doet slechts een mineur punt. Als het maar goed gebeurt, en niet te duur is.

De heer Vendrik (GroenLinks): Wij hebben een geweldige toer meegemaakt met deze coalitie over de uitvoering. Dat konden wij allemaal meemaken. Dan hoor ik uitgerekend van de aanstichtster van dit alles in dit debat dat het een mineur punt is?

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): De kern van zaak, en dat voelt de heer Vendrik ook tot in zijn vezels, is de inhoud van de regeling. Die is heel goed en daar hebben wij de minister altijd in gesteund. Als je eerlijk bent, moet je zeggen dat de discussie in de coalitie ging om de uitvoering.

Eigenlijk is dat een klein punt, een mineur punt. In de politiek wordt dat dan opgeklopt, maar als je eerlijk bent gaat het om de inhoud, de aanscherpingen enzovoort. U weet echter hoe het gaat: als er verschil van mening is, wordt dat opgeklopt.

De heer Vendrik (GroenLinks): Mevrouw De Vries gaat over haar eigen woorden, maar ik begrijp dat niet dé politiek, maar deze coalitie een mineur punt tot maximale hoogte heeft opgelierd. Gaat dat volgend jaar ook zo? Is in het debat dat volgend jaar zal worden gehouden over de vraag hoe lang die eigenrisicodragerperiode voor de WGA moet zijn, dit dan nog een mineur punt voor de VVD?

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Het gaat om de inhoud. Ik ben nog niet klaar met mijn betoog. Als u wacht, zal ik u zeker geruststellen.

De heer Van der Vlies (SGP): Om mineure punten verwijzen wij een wetsvoorstel toch niet naar de prullenbak? Dat deed mevrouw De Vries wel. Ik heb haar net nog geciteerd. Die eer heb ik haar uit vriendelijkheid – dat meen ik oprecht – gedaan. Dat neemt zij toch niet terug?

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Mag ik nu even boven de partijen hangen? Als het gaat om een belangrijk wetsvoorstel, dat de bedoeling heeft de sociale zekerheid, in dit geval de WAO, toekomst-bestendiger te maken, aan te scherpen, meer prikkels in te bouwen, is de inhoud – dat moet u, mijnheer Van der Vlies, als nestor van deze Kamer, toch beamen – de kern waar het om gaat. De uitvoering speelt uiteraard ook een rol, maar normaal gesproken is de wijze waarop iets moet worden uitgevoerd niet het hoofdpunt van een politiek debat. Dat is het hier wel geworden, maar als je daar een beetje boven gaat hangen, zie je dat het gaat om de inhoud. Dat is het enige dat ik heb willen zeggen. Enige relativering was op zijn plaats.

De heer Van der Vlies (SGP): Ik stel vast dat het denken bij mevrouw De Vries niet heeft stilgestaan sinds die markante uitspraak.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Ik wil graag weten in hoeverre wij er

volgend jaar ook rekening mee moeten houden dat een mineur punt wordt opgelierd tot een enorm conflict. Wat is de reactie van mevrouw De Vries op de uitspraak van mevrouw Verburg, eerder vanochtend, dat de periode van eigen risico dragen vijf of tien jaar is? Bent u voldoende gerustgesteld?

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): De heer Vendrik heeft dezelfde vraag gesteld. Ik heb gezegd: ga nog even zitten, want ik ben nog aan het begin van mijn betoog. Ik kom daar echt nog op terug.

Het tweede punt van mijn betoog dat ik in deze politieke afronding neer wil zetten, betreft het sociaal akkoord. Uit recente gegevens van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid blijkt dat maar in weinig cao’s een bepaling is opgenomen over de beperking van de loondoorbetaling bij de eerste twee ziektejaren. Van de 42 cao’s voldeden er maar 12 aan dit punt. Blijft de minister bij zijn opmerking dat hij dit onvoldoende vindt? Wat gaat hij er nu aan doen? Ik heb die vragen maandag ook gesteld. Hij zei toen: wacht maar even, dat komt in de politieke afronding aan de orde. Ik herhaal daarom die vraag. Het is op dit moment onvoldoende. Wat gaat de minister daaraan doen? Ook op andere punten, zoals de nullijn en het prepensioen – afspraken uit het beroemde sociaal akkoord – lijken de sociale partners hun afspraken niet na te komen. Wanneer krijgen wij hierover informatie van de minister? Het is goed dat wij ook daarover beschikken. Wij mogen niet selectief winkelen. Ik stel het op prijs als wij zo spoedig mogelijk een update krijgen van deze informatie, maar ook informatie over de nullijn en het prepensioen. Ik wil namelijk weten hoe het staat met de uitvoering van het sociaal akkoord. Als ik een voorlopige conclusie mag trekken ten aanzien van het uitvoeren van het sociaal akkoord, dan lijkt de verhoging van de uitkering van 70 naar 75% van de baan. Ook de afschaffing van de PEMBA lijkt van de baan. Wij zullen wat deze wet betreft in juli 2007 nagaan hoe het ervoor staat, maar als een en ander nu al onvoldoende is, hoe moeten wij daar dan mee verder? Ik hoop dat de minister daarop in wil gaan.

Bij de WGA is er kans dat wij tegen eenzelfde probleem aanlopen. In het wetgevingsoverleg van

afgelopen maandag heb ik de minister gevraagd wat hij doet als sociale partners de inkomensdip tussen de loongerelateerde periode en de aanvullingsperiode toch compenseren. De minister heeft gezegd dat hij geen bovenwettelijke aanvullingen van sociale partners zal accepteren. Wat is in dat geval de sanctie van de minister?

De heer De Wit (SP): U spreekt dreigende woorden uit ten aanzien van het nakomen van de afspraken in het sociaal akkoord en zegt dat de cijfers aanleiding geven voor de veronderstelling dat de verhoging naar 75% niet door kan gaan. Bent u nagegaan of de verhogingen van de salarissen met minimale percentages wellicht te maken hebben met de reïntegratie-inspanningen, de beoogde participatie-effecten? Zij zouden ertoe kunnen leiden dat een aanvulling van iets meer dan 75% gemiddeld per jaar mag worden afgesproken.

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): In het sociaal akkoord zijn vele afspraken aan de orde. Ik wil dan ook exacte informatie van de minister. Het lijkt alsof men er op dit moment niet aan voldoet. Die informatie moet boven tafel komen. Als wij hier beslissingen nemen, moet die onderbouwing op tafel liggen. Ik neem aan dat de minister deze informatie kan leveren. Een verenging van het sociaal akkoord ten opzichte van dit wetsvoorstel is de verhoging van 70 naar 75%, gekoppeld aan de loondoorbetaling in het tweede ziektejaar. De minister heeft maandag al gezegd dat dit onvoldoende is. Vanwege deze rechtstreekse link met dit wetsvoorstel vraag ik de minister om aan te geven op welke wijze hij daarmee omgaat. Mijn fractie heeft geen zin om het maar te laten voortkabbelen en om vervolgens te moeten constateren dat het wel of niet gaat of half wordt gedoogd. Er moet een moment komen waarop wij kunnen beoordelen of de afspraak wordt nageleefd. Ik wil weten wat wij daaraan doen, als dit gebeurt. De VVD-fractie heeft op dit moment niet zo veel vertrouwen in wat de sociale partners tot op heden lijken te hebben afgesproken. Komen zij hun afspraken wel na? Dat moet ook de minister een aangelegen punt zijn. Als de sociale partners hun afspraken niet nakomen over de

170%, of over de nullijn en het prepensioen, waarbij wij af moeten wachten of er geen bovenwettelijke aanvullingen komen in het kader van de WGA, wat moet er dan in 2005 nog gebeuren om deze minister in actie te laten komen en om de cao’s die niet aan die voorwaarde voldoen, niet algemeen verbindend te verklaren? Wij kunnen wel de redenering volgen dat medio 2007 de gevolgen van deze wet voor de WIA worden nagegaan. Dat proces moet gevolgd worden, maar gaat de minister in de tussentijd op zijn handen zitten of kijkt hij naar de gesloten cao’s? Anders laat je de zaak eigenlijk op zijn beloop. De vraag is of de minister dat wil en ik hoop dat hij daar een heel duidelijk antwoord op kan geven. Wij kunnen wel zeggen dat wij ze niet algemeen verbindend verklaren, maar tot op heden hebben wij de sociale partners onze spierballen nog niet laten zien.

Daarnaast heb ik een klein amendement ingediend dat betrekking heeft op de premieverdeling van 50%-50%. Het beoogt te bewerkstelligen dat de werkgever ongeclausuleerd tot ten hoogste de helft van de gedifferentieerde premie kan verhalen op de werknemer. In het wetsvoorstel staat dat er nadere voorwaarden gesteld kunnen worden bij ministeriële regeling. De VVD-fractie vraagt zich echter af waar dat voor nodig is. Laat dat nou gewoon over aan de praktijk. Laten wij niet weer een ministeriële regeling maken met allerlei voorwaarden.

De vraag is waar wij het in 2006 nog over gaan hebben, maar voordat ik aan die vraag toekom, heb ik nog een vraag over de indicatieve lijst. Wij hebben in een van de eerdere wetgevingsoverleggen gesproken over het feit dat de Gezondheidsraad nog niet klaar is met zijn advies. Dat komt in juli. Het gaat over de vraag wanneer je duurzaam arbeidsongeschikt bent en hoe het zit met die geringe kans. De Gezondheidsraad moet daar nog een ei over leggen. De VVD-fractie hecht veel belang aan een voorhangprocedure voor deze lijst. Ik heb daar een amendement voor ingediend. De minister heeft in zijn brief geschreven dat hij de Kamer wel informeert. Dit stukje is echter niet af. Er is al een jaar gestoeid met dit thema. Eigenlijk had het klaar moeten zijn. Stuur die lijst gewoon zo snel mogelijk naar de

Kamer, zodat wij ermee aan de slag kunnen gaan.

Dan kom ik bij de vraag hoe het eigenrisicodragerschap per 1 januari 2007 vormgegeven moet worden. Wij hebben in ieder geval een amendement ingediend dat hiervoor een voorhangprocedure regelt. Wij willen dat graag zien, omdat wij zeer betrokken zijn bij een goede uitvoering van deze wet. Overigens wachten wij gewoon de argumenten af voor de afweging hoe lang die periode van eigen risico dragen moet zijn. Ik heb zojuist bij interruptie gezegd dat er geen afspraak is gemaakt in de coalitie op dat punt. De minister heeft gezegd dat hij met argumenten komt en dan zien wij wel of het tien jaar, vijf jaar, meer of minder wordt. Op dat moment zullen wij een besluit nemen op basis van de argumenten, want het moet gewoon goed zijn. Volgens mij verschillen wij wat dat betreft niet zozeer van mening.

De heer Vendrik (GroenLinks): Het is natuurlijk een mineur punt, maar ik vraag het maar voor de duidelijkheid. De VVD-fractie geeft de minister dus de vrijheid om met een voorstel te komen, bijvoorbeeld een WGA-eigenrisicoperiode van dertien jaar, twee jaar of één jaar. Behoort dat allemaal tot de mogelijkheden?

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Het gaat om de inhoud. Wij willen een goede prikkel én wij willen het zo eenvoudig mogelijk houden. Zou het uitmaken als je de periode van tien jaar verkort tot vijf jaar of tot een andere periode? Het gaat mij niet om de cijfertjes op dit moment. Dat heeft mevrouw Verburg ook gezegd. Het gaat om de inhoud. De prikkel moet zo groot mogelijk zijn afgezet tegen een zo eenvoudig mogelijke uitvoering. Of dat het een of het ander is, zal mij nu worst zijn. Wij zien dat wel in 2006, als de minister met informatie komt en een afweging maakt. Dat lijkt mij een geëigend moment om er met elkaar over te spreken. Op dit moment ligt nog niets vast. Het moet gewoon deugen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Maar ik begrijp – mevrouw De Vries heeft op die manier al tijden geleden het debat ingezet – dat het ook om lastenverzwaringen gaat. Er is een rechtstreekse relatie tussen de duur van de periode van het eigen risico

en een lastenverzwaring die optreedt als gevolg van de bijbehorende kapitaalopslag. Ik neem aan dat het een majeur punt blijft in de afweging van de VVD-fractie dat de lastenverzwaring niet te ver mag oplopen. Ik vraag ook op dat punt een reactie van mevrouw De Vries, omdat de minister van Financiën heeft toegezegd dit vanuit de publieke kas te gaan compenseren. Dat zal de VVD-fractie toch niet limietloos willen toestaan?

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Wij hebben dit maandag ook al uitgebreid met elkaar besproken. De minister komt met een voorstel, en ik heb hem maandag gevraagd hoe dat dan gedekt moet worden. Wij moeten kijken naar de argumenten: hoe houden wij de financiën en de prikkel in de gaten? Dat is de reden waarom de VVD-fractie hier geen besluit over heeft genomen. Dat lijkt mij glashelder.

De VVD-fractie wil tijdig informatie over de vraag, hoe ver UWV is met de ontwikkelingen rond premiedifferentiatie. Dat geldt ook voor de verzekeraars. Laat ik nu maar op voorhand zeggen dat de VVD-fractie de cijfers van zowel UWV als de verzekeraars te zijner tijd doorgerekend wil hebben door het CPB, omdat de problematiek van de premieopslag te belangrijk is. Wij hebben helaas leergeld moeten betalen met de cijfers die wij van het Verbond van verzekeraars hebben gekregen. Ook moeten wij te zijner tijd de recente instroomcijfers over het eerste kwartaal van 2006 hebben. Het UWV moet die cijfers snel kunnen leveren.

Mevrouw Bussemaker (PvdA): Hoe wil mevrouw De Vries omgaan met die instroomcijfers van UWV? Als uit die cijfers blijkt dat de instroom nog verder is gedaald – die richting gaat het nu op – is zij dan minder geneigd om nog te betalen voor een rentehobbel? Of zie ik dat verkeerd?

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Wij willen in april/mei volgend jaar gegevens over een aantal punten hebben, zodat wij er nog voor de zomer een volwaardig debat kunnen voeren. Het heeft werkelijk geen zin om nu vragen te stellen in de trant van ’’als, dan’’. Dat moeten wij te zijner tijd afwegen. Willen wij er straks wat zinnigs over kunnen zeggen, dan moeten wij toch

minimaal de instroomcijfers over het eerste kwartaal hebben.

De minister heeft in het wetgevingsoverleg van afgelopen maandag gezegd dat het denken niet stilstaat over eventuele vereenvoudigingen. Hij heeft het voorzichtig geformuleerd. Mocht zich dat volgend jaar voordoen, dan zien wij dat wel op tafel komen, als het maar niet de prikkel weghaalt uit het wetsvoorstel dat nu voorligt.

Bovendien lijkt het de VVD-fractie zinvol om, als het eerste kwartaal van 2006 voorbij is, te horen waar de uitvoeringsorganisatie UWV tegenaan gelopen is. Stel voor dat er kleine wijzigingen nodig zijn of probleempjes zijn, dan moeten wij dat oplossen, want het gaat erom dat de wet die wij in het hart goed vinden, ook goed gaat landen. Verder gaat de Belastingdienst per 1 januari 2006 het eigenrisicodragerschap beoordelen, dus als het eerste kwartaal van 2006 voorbij is, heeft ook de Belastingdienst daar enige ervaring mee opgedaan. Wij dienen dus te horen hoe het loopt en of wij daar nog wat moeten bijsturen.

Als wij dan na het eerste kwartaal van 2006 al die gegevens en de cijfers van de verzekeraars hebben, kan de Kamer ook nagaan hoe ver de verzekeraars zijn met het willen verzekeren van de inlooprisico’s. Ik hoor dat ze dat niet willen en op zichzelf hoeven ze dat ook niet, want het is aan hen om uit te maken of zij dat soort brandende huizen willen verzekeren, maar wij hebben dan in ieder geval de relevante informatie om na te gaan of wij in 2006 nog wat moeten bijsturen, om ervoor te zorgen dat het in 2007 goed loopt.

©

J.M. (João)  VarelaDe heer Varela (LPF): Voorzitter. Ik wil beginnen met minister De Geus een compliment te maken voor het feit dat dit belangrijke onderdeel van de sociale zekerheid binnenkort zal worden afgerond. Tijdens Balkenende I heeft de LPF mede aan de wieg gestaan van dit plan en ik ben blij dat het nu eindelijk zo ver is dat het geregeld gaat worden. Deze aanpassing is voor ons overigens een second-bestoplossing. Wij zijn er nog steeds van overtuigd dat het systeem van risque professionel de voorkeur verdient. Helaas is daarvoor nog steeds geen voldoende politiek draagvlak te vinden. Vooralsnog

steunen wij dit voorstel van de regering.

De belangrijkste verdienste van het nieuwe systeem is dat het niet langer primair uitgaat van het beschermen van mensen, maar dat het mensen aanspreekt op hun eigen verantwoordelijkheid. Het oude model van sociale zekerheid wordt gekenmerkt door een dusdanige bescherming van werknemers dat het vangnet eerder een fuik bleek te zijn. Aan die fuik viel nauwelijks te ontsnappen omdat het risico van het verlies van opgebouwde rechten levensgroot was. Het systeem bewerkstelligde een algemeen gevoel van lethargie en mede daardoor kwam de WAO vol te zitten met mensen die bijna gedwongen werden om niets te doen terwijl zij best in staat waren tot het verrichten van zinvolle arbeid. Met andere woorden: het was niet zozeer de schuld van de desbetreffende arbeidsongeschikten dat zij tot niets doen werden verplicht, maar veeleer de schuld van politici die dit in wezen onmenselijke systeem jarenlang in stand hebben gehouden. Zij waren vanwege partijpolitieke redenen niet in staat om veel eerder de keerzijde van het systeem te onderkennen en eendrachtig samen te werken aan een snelle oplossing van dit maatschappelijke probleem. Daar komt nu gelukkig een einde aan.

De nieuwe arbeidsongeschiktheidswetgeving maakt terecht onderscheid tussen mensen die wél en mensen die niet in staat zijn om zelfstandig een inkomen te verwerven. De mensen die nog wel restcapaciteiten hebben om te werken, krijgen een stevige prikkel om dat dan ook te doen. Dat is goed voor henzelf en voor de arbeidsmarkt. In het wetsvoorstel wordt nog onderscheid gemaakt tussen mensen die meer en mensen die minder dan 35% arbeidsongeschikt zijn. De laatste groep zal volgens het wetsontwerp gewoon in dienst blijven van de werkgever. Dit vind ik een zwak onderdeel van het nieuwe systeem. Het lijkt mij vreemd om iemand die als gevolg van ziekte twee jaar lang niet heeft kunnen werken, toch in dienst te houden. Kennelijk is hij dan opeens feitelijk arbeidsgeschikt. Waarom is die persoon dan al die tijd thuis gebleven? Als zelfs de Wet verbetering poortwachter er niet voor heeft kunnen zorgen dat die persoon bij de

oude werkgever gereïntegreerd kan worden, is het volgens ons vreemd dat zo iemand onder de nieuwe wet ineens wel als arbeidsgeschikt wordt beoordeeld. In de praktijk volgt dan meestal een ontslagaanvrage die gehonoreerd zal worden. Deze persoon rest dan slechts de WW en eventueel daarna bijstand.

In een overspannen arbeidsmarkt zullen mensen met een beperkte arbeidshandicap wel weer een baan vinden. In de huidige situatie, waarbij het arbeidsaanbod de vraag vele malen overtreft, zal dat echter een stuk moeilijker zijn. Het kabinet heeft voor deze mensen al zijn hoop gezet op reïntegratie. Daartoe is zelfs de individuele reïntegratie-overeenkomst uitgevonden. De praktijk leert echter dat reïntegratie niet veel zoden aan de dijk zet. Het is kostbaar en de langetermijneffecten op individueel niveau zijn meestal beperkt. Daarom geven wij de minister in overweging om nog eens na te denken over een alternatief waarbij de kostprijs van een arbeidsgehandicapte daalt naar gelang de mate van zijn handicap. Wij denken dat op die manier meer recht wordt gedaan aan de situatie van de werknemer. Bovendien kan een werkgever zo een veel eerlijker afweging maken tussen een dure, volledig inzetbare werknemer en een wat goedkopere werknemer die niet volledig inzetbaar is. Kostbare zaken zoals het aanpassen van een werkplek – nu nog vaak vergoed door de overheid – kunnen dan achterwege blijven, want dat is een zaak van de werkgever. Ook voor de arbeidsgehandicapte werknemer is dit volgens mijn fractie een betere oplossing dan het doorlopen van reïntegratietrajecten met een beperkte kans op succes en een baan. Concurreren op de arbeidsmarkt met volledig gezonde collega’s wordt dan een stuk gemakkelijker. Ik hoor graag wat de minister hiervan vindt. Acht hij het mogelijk om dit in het wetsvoorstel in te passen?

Wij denken dat de doelstelling van de wet namelijk het bieden van een financiële prikkel aan gedeeltelijk arbeidsongeschikten, in de praktijk goed zal uitpakken. Wij hebben er echter wel problemen mee dat het kabinet er niet in is geslaagd om direct voor een goede marktwerking te zorgen. Gezien de werkwijze en het track record van UWV hebben wij enige twijfel over deze organisatie die in 2006 nog het alleenrecht heeft

op de markt voor het verzekeren van arbeidsongeschiktheid. Wij vragen ons af of UWV er in zal slagen om veel gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan het werk te houden. Het UWV zal nooit de tucht van de markt voelen en daardoor voldoende kostenbewust worden om potentiële arbeidsgehandicapten al in een vroeg stadium samen met de verantwoordelijke werkgever zodanig te begeleiden dat hij niet instroomt in de IVA of de WGA, maar gewoon bij zijn eigen baas aan het werk blijft. Het is bekend dat een vroege begeleiding wonderen kan doen. Het jaar 2006 zal in dit opzicht een verloren jaar zijn.

Wij zijn blij met dit wetsvoorstel al is het niet het risque professionnel waar mijn fractie voor staat, maar het feit dat hierdoor de verantwoordelijkheden meer worden gelegd waar zij thuishoren, dus bij de werknemer, de werkgever en de uitvoerder, stelt ons tevreden. Wij blijven onze reserves houden over de uitvoering en dan met name over de manier waarop het compromis tot stand is gekomen. Wij hopen dat het feit dat UWV voorlopig het alleenrecht heeft op deze markt, er niet toe zal leiden dat verzekeraars zich in 2007 niet op deze markt zullen begeven waardoor de premies onnodig hoog zullen blijven.

©

B.O. (Boris)  DittrichDe heer Dittrich (D66): Voorzitter. Bijna veertig jaar geleden werd de WAO ingevoerd en dit is een groot goed gebleken. Helaas moeten wij constateren dat de diverse arbeidsongeschiktheidsregelingen in de loop van de jaren te veel werden gebruikt als een afvloeiingsregeling, allereerst vooral voor oudere werknemers als hun baan bijvoorbeeld vanwege economische problemen op de tocht stond. Later ging het in toenemende mate om mensen die op het werk in een arbeidsconflict verzeild waren geraakt, stress hadden of een burn-out. Zij werden ook allemaal in de WAO ondergebracht.

De laatste jaren is hierin veel verbetering aangebracht. Wij zijn blij dat er met deze nieuwe wet een goede regeling tot stand is gekomen voor mensen die volledig, dus meer dan 80%, en duurzaam arbeidsongeschikt zijn. Bovendien vervalt het WAO-gat voor deze groep. Als er verder wordt voldaan aan de voorwaarden die eerder zijn

afgesproken, kan halverwege 2007 worden beoordeeld of de uitkering van de mensen die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn met terugwerkende kracht kan worden verhoogd van 70 naar 75%. Natuurlijk moet het duurzaamheids-criterium zich de komende jaren nog uitkristalliseren. Mijn fractie vindt het echter positief dat mensen voor zover mogelijk blijven werken. Dat wordt door deze nieuwe wet gesteund en gestimuleerd. Het is positief dat er een ruimhartige inkomensverzekering wordt veiliggesteld voor mensen die echt niet meer kunnen werken. Sterker nog, voor hen treedt dus verbetering op. Ik vind het een compliment waard voor het kabinet en de coalitie dat wij het zo hebben geregeld. Ik vind het jammer dat de PvdA dit onderdeel in haar plannen niet heeft overgenomen, want het is toch een stimulans voor de mensen die echt volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn.

Ik moet nog even wat zeggen over die voorwaarden. Het is natuurlijk niet zomaar afgesproken; er is een aantal voorwaarden vastgesteld. Mevrouw Verburg heeft vanmorgen een nieuw amendement ingediend, waarover ik een interruptiedebatje met haar heb gevoerd. In mijn eigen termijn wil ik de vraag nog eens stellen die ik al aan haar had gericht. Wat is nu de meerwaarde van een dergelijk amendement waarin de afspraken die met sociale partners zijn overeengekomen vast komen te liggen? In het herziene amendement-Verburg staat het niet in de wettekst, maar in de toelichting. Ik hoor dus graag wat de meerwaarde is.

Ik zeg dit omdat ik mij zorgen maak over de manier waarop de afspraken met de sociale partners worden uitgevoerd. Een van de voorwaarden is de instroom-voorwaarde van 25.000 voor de IVA. Als ik naar de cijfers kijk die de minister ons onlangs heeft gestuurd, denk ik dat dit wel zal lukken. De andere afspraak is dat er in de cao’s van wordt afgezien om boven de 170% toch nog aanvullende loonbetalingen overeen te komen. Nu zien wij dat in een aantal cao’s wel degelijk dit soort afspraken wordt gemaakt. Dat beeld baart mij zorgen. Ik zou het ook zeer betreuren als het niet naleven van de afspraken straks de hogere uitkering voor de mensen die het echt nodig hebben, in gevaar brengt. Het kabinet heeft

op allerlei dossiers steeds gezegd tegen gedogen te zijn. Ik zou dan ook graag van de minister horen hoe hij de overschrijdingen waardeert. Welke criteria hanteert hij om tot de conclusie te komen of sociale partners zich aan de afspraken hebben gehouden?

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Dat is een helder verhaal. Mag ik de heer Dittrich de vervolgvraag stellen? Als de sociale partners ook de afspraken over de nullijn en het prepensioen niet nakomen, is de heer Dittrich dan met de VVD-fractie van mening dat de minister deze cao’s niet algemeen verbindend mag verklaren?

De heer Dittrich (D66): Ook als de VVD-fractie dat niet zou vinden, zouden wij deze cao’s niet algemeen verbindend willen verklaren. Afspraak is afspraak. Dit zijn belangrijke afspraken voor de toekomst van Nederland. Wij hebben het nodig om meer mensen aan het werk te helpen. Vanwege de vergrijzing hebben wij het echt nodig om iedereen die kan werken, ook te laten werken. Als wij dan zien dat afspraken die zijn gemaakt over bijvoorbeeld het prepensioen met voeten worden getreden, vind ik dat dergelijke cao’s natuurlijk niet algemeen verbindend kunnen worden verklaard.

Mevrouw Bibi de Vries (VVD): Dat betekent dus dat u vindt dat de cao’s die nu worden afgesloten, die nu bij de minister liggen om algemeen verbindend verklaard te worden, door de minister niet als algemeen verbindend verklaard moeten worden?

De heer Dittrich (D66): Wij moeten natuurlijk heel goed kijken wat er in die cao’s is geregeld. Als zij tegen de afspraken ingaan, vindt de fractie van D66 dat zij niet algemeen verbindend moeten worden verklaard.

Het ligt iets anders voor het afschaffen van de premiedifferentiatie, de PEMBA. De PEMBA is een belangrijke oorzaak voor de dalende WAO-instroom. Over de afschaffing van de PEMBA heb ik dus wel wat bedenkingen. Na het zien van de cijfers over de bovenwettelijke loonaanvullingen zijn die bedenkingen des te groter. Een minpunt van de invoeringswet van de WIA vind ik dan ook dat de

premiedifferentiatie feitelijk al vanaf 1 januari 2006 vervalt. Nu begrijp ik dat het met de invoering moeilijk anders kan, maar toch wil ik de volgende vraag aan de minister stellen. Kunnen wij nu al niet constateren dat het sociaal akkoord niet op alle punten goed wordt nageleefd? Wat betekent het voor de afschaffing van de PEMBA? Het instandhouden van de premiedifferentiatie in de IVA heeft als voordeel dat je fors kunt besparen, structureel zelfs € 450 mln. als de PEMBA helemaal niet wordt afgeschaft. Dit resulteert dan weer in lagere lasten.

Ik heb nog een enkel woord over de uitvoering van de werkhervattingsregeling voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Het zal niemand zijn ontgaan dat mijn fractie een eerste voorkeur had voor een volledig private uitvoering. Wij zien en zagen namelijk dat de manier waarop cliënten door UWV worden bediend, op veel klachten stuit(te). Dit komt tot uiting in de rapportage van de Nationale ombudsman, klachten van cliënten zelf en het rapport-Sorgdrager. Een ander argument was dat private verzekeraars heel toegespitst aan schadelastbenadering kunnen doen. Zo gaan de verantwoordelijkheden veel meer naar werkgevers en werknemers in de hele keten. In tegenstelling tot het CPB acht ik het daarom alleszins aannemelijk dat ook een private uitvoering voordelen oplevert voor een spoedige reïntegratie. Natuurlijk kunnen wij niet om het probleem van de rentehobbel heen. Iedereen heeft kunnen constateren dat wij daarover in de coalitie verschillend dachten. Gezien het uiteindelijke pakket dat de fractievoorzitters en de minister op tafel hebben gelegd, stel ik vast dat het gaat om een verstandig compromis. Zeker omdat het jaar 2006 als een pas op de plaats wordt beschouwd. Het is goed dat in 2007 de markt opengaat. Wij verwachten dat alles in een activerende zin wordt uitgevoerd. Ongetwijfeld zullen wij elkaar hierover nog nader spreken, want er zijn nog allerlei aanvullende gegevens voor nodig.

De heer Vendrik (GroenLinks): De heer Dittrich is in persoon aanwezig geweest bij de coalitieonderhandelingen van vorige week dinsdagavond, en nog een beetje in de nacht. Er lijkt een licht menings-

verschil te bestaan over wat er nu is afgesproken over die periode van vijf tot tien jaar. Kan hij zijn duiding van de afspraken geven?

De heer Dittrich (D66): Een van de vraagstukken waarover nog wat onduidelijkheid lijkt te bestaan is de duur van de eigenrisicotermijn. Vorige week heeft de minister toegezegd, serieus te bekijken of die termijn korter dan tien jaar kan zijn. Er is natuurlijk een logisch verband tussen het reïntegratie-effect en de hoogte van de rentehobbel. Vorige week heeft de minister gezegd dat de eigenrisicotermijn wat hem betreft tussen de vijf en tien jaar ligt. In dit debat hoor ik daarvan graag een bevestiging. Wij hebben duidelijk afgesproken - dit is afgelopen maandag ook in het openbare debat aan de orde geweest - dat allerlei gegevens nodig zijn voordat daarover kan worden beslist. Er is nog geen afspraak gemaakt of het vijf, zeven of tien jaar moet zijn. Eerst moeten die gegevens er zijn en dan gaan wij verder kijken. Als uitgangspunt heb ik meegegeven dat een kortere termijn zorgt voor een kleinere prikkel om weer naar de arbeidsmarkt te worden geleid. De nieuwe wetgeving is juist bedoeld om mensen zoveel mogelijk te activeren om hun verdiencapaciteit te benutten. Het is dus absoluut nog geen gelopen race dat het vijf jaar of iets anders wordt. Dat zullen wij gewoon rustig bekijken zodra die gegevens er zijn.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik dank de heer Dittrich voor zijn heldere uiteenzetting van de situatie. Ik begrijp wat er allemaal ’’at stake’’ is bij de afweging die later moet worden gemaakt. Wat is echter precies de afspraak van vorige week? Heeft de coalitie met het kabinet afgesproken dat de duur uitkomt tussen de vijf en tien jaar, hoe die afweging ook uitvalt? Of is het ook denkbaar dat het minder dan vijf jaar wordt? Zijn daarover heldere afspraken gemaakt?

De heer Dittrich (D66): Mevrouw Bussemaker had het over vier jaar, omdat dit zo geregeld is in andere wetgeving. Wij hebben echter helemaal geen afspraken gemaakt. Alles wat wordt afgesproken, wordt in het openbaar aan de orde gesteld. Daarom hebt u maandag in het openbaar kunnen horen dat de

debatten gingen over een periode tussen vijf en tien jaar, en niet over een heel korte periode. Daarover zijn geen afspraken gemaakt.

Ik heb afgelopen maandag gesproken over de dubbele premieheffing van eigenrisicodragers voor de WGA, die in 2006 publieke premie betalen die zij in 2007 terugkrijgen. De minister heeft in zijn antwoord toen een soort bagatelregeling toegezegd, waarbij hij zei dat zou worden afgezien van zeer kleine bijdragen. Toch zie ik dit als een lastenverzwaring, met name voor werkgevers. Ik overweeg op dit punt een motie in te dienen, waarin ik het kabinet verzoek om zoveel mogelijk af te zien van het innen van premies voor een verzekering waar eigenrisicodragers geen gebruik van zullen maken. Ik hoor natuurlijk eerst graag de reactie van de minister.

Dan kom ik nu op de 35-minners. Ik ben er tevreden over dat de minister er in de derde nota van wijziging voor gezorgd heeft dat voor de zogenaamde 35-minners onder bepaalde voorwaarden de ’’no risk’’-regeling en de premiekorting van toepassing blijven. Het is nadrukkelijk niet mijn bedoeling dat er allerlei collectieve bijverzekerings-regelingen gaan ontstaan, die het effect van de WIA weer tenietdoen. Afgelopen maandag heeft de minister echter gezegd dat er niets op tegen is dat werknemers zich individueel bijverzekeren. Daar zit natuurlijk ook iets in. Ik heb begrepen dat UWV bij de claim-beoordeling niet het exacte arbeidsongeschiktheidspercentage van 35-minners vaststelt, terwijl dit een kleine moeite is, omdat zij toch al de claim moeten beoordelen. Het voordeel van zo’n vasttelling is dat het gemakkelijker wordt voor mensen om zich particulier bij te verzekeren. In de nota naar aanleiding van het verslag over de invoeringswet heeft de minister aangegeven dat hij dit niet wenselijk vindt. Kortom, ik vraag aan de minister: kan hij nog eens duidelijker motiveren of hij het nu wel of geen probleem vindt dat mensen zich individueel bijverzekeren voor arbeidsongeschiktheid onder de 35%?

Dan kom ik nu op het punt van de sociale activering van volledig en duurzaam arbeidsongeschikten. De CG-raad heeft ons erop gewezen dat de middelen voor sociale activering van volledig en duurzaam arbeidsge-

schikten komen te vervallen. De minister is van mening dat die regeling bedoeld is als goede verzekering tegen inkomstenderving voor mensen die echt niet meer kunnen. Daarom is het niet logisch om in het kader van de nieuwe WIA reïntegratieachtige voorzieningen beschikbaar te stellen. Die redenering kan ik mij op zichzelf genomen wel voorstellen en daarom steun ik niet het amendement van de heer Vendrik. Ik vraag mij overigens af of het toch niet juist sociaal is om sociale activering als een vorm van welzijn te beschouwen en in dit kader iets te regelen. De minister heeft in antwoord op het amendement gezegd dat men dan bij de gemeente moet zijn, maar ik ben er bang voor dat juiste deze groep dan weer van het kastje naar de muur wordt gestuurd, terwijl mijn fractie het sociaal vindt dat sociale activering gestimuleerd wordt. Op dit punt heb ik een motie voorbereid, die ik zal indienen tenzij de reactie van de minister afdoende is.

Mijn laatste opmerking gaat over de flexibele keuring. In het wetsvoorstel is de mogelijkheid van een flexibel keuringsmoment opgenomen, waarmee een eerder door de fractie van D66 ingediende motie wordt uitgevoerd. Dat is prima, maar de minister stelt een ondergrens van 26 weken voor. Hij vindt dat qua uitvoering het beste, aangezien er in het algemeen pas na 26 weken sprake is van een stabiele situatie. Mevrouw Huizinga heeft een amendement ingediend met een ondergrens van 13 weken. Ik heb mijn aarzelingen daarover, omdat ik ook de argumenten van de minister serieus neem. Ik zie echter ook berichten van werkgevers, die zeggen dat een keuring na 13 weken in een vroeg stadium duidelijkheid schept wat betreft de reïntegratie-inspanningen. Ik heb ook gelezen dat de SER de 13-wekengrens hanteert. Ik wil graag een heldere motivering van de minister op dit punt, om te kunnen beoordelen of wij het amendement van mevrouw Huizinga steunen of niet. En in een interruptie-debatje met mevrouw Bussemaker heb ik mij al uitgesproken over haar amendement over UWV en het goed beoordelen van de reïntegratie-verslagen. Ik vind dit een interessant gegeven, maar als je dit voor iedereen verplicht wilt stellen, gaat dat misschien toch ook wel wat ver,

dus ik verneem graag een reactie van de minister hierop.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik wil even terugkomen op het amendement dat wij hebben ingediend, aangevoerd door mevrouw Bussemaker, over het beschikbaar stellen van budgetten voor sociale activering van IVA-gerechtigden. U noemde het interessant en u sprak over de gang naar de gemeente en over van het kastje naar de muur gestuurd worden. U overwoog nog om een motie in te dienen. Ik begrijp het niet, u steunt het amendement en wellicht zult u ook nog een motie indienen?

De heer Dittrich (D66): Nee, wij steunen het amendement nu nog niet. De gedachte erachter, aangeleverd door de CG-Raad, begrijp ik zeer goed. Ik begrijp ook het punt van de minister, maar dat heeft mij nog niet overtuigd, dus ik wil eerst zijn argumentatie horen. Vervolgens staan wij voor de keuze, een motie in te dienen om de regering op te dragen, datgene te doen wat nodig is om degenen die het echt niet kunnen, op een bepaalde manier sociaal te activeren, of het amendement op dit punt te steunen. Ik ben er nog niet uit, daarvoor heb ik een reactie van de minister nodig.

Voorzitter, mijn slotwoord. Als ik de hele discussie over dit wetsvoorstel overzie, dan moet ik zeggen dat het een verstandig wetsvoorstel is en dat het heel goed is dat deze coalitie de jarenlange discussie over de WAO-problematiek tot een goed einde heeft gebracht. Ik ben ervan overtuigd dat ook de samenleving goed met deze wet uit de voeten zal kunnen en dat deze wet goed uitvoerbaar zal blijken te zijn. En mocht dit niet zo zijn, dan zullen wij altijd nog kunnen ingrijpen.

©

C.C.M. (Kees)  VendrikDe heer Vendrik (GroenLinks): Voorzitter. Excuus voor het wat later binnenvallen in dit debat, vooral aan mevrouw Verburg, want van haar betoog heb ik het eerste deel moeten missen. Ik zat vanmorgen in de verondersteld snelle trein uit Brussel, maar het is net als met de Europese grondwet: ineens sta je stil en niemand vertelt waarom...

De Wet inkomen naar arbeidsvermogen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is een

antwoord, maar wat was de vraag ook alweer? In de vele debatten over deze wet heb ik deze vraag keer op keer gesteld; ik heb de minister steeds weer gevraagd om de meerwaarde van dit wetsvoorstel anno 2005 te verantwoorden. Enkele jaren geleden, toen wij zagen aankomen dat het kabinet deze wet op de rol zou zetten, bleek dat deze minister trek had in een ingreep in de WAO. Het was zijn kroonjuweel, het land moest verlost worden van een molensteen. Maar in de debatten van de afgelopen week is er eigenlijk maar één motivering overeind gebleven: sinds kort is deze wet nodig voor de verduurzaming van de kanteling. Ik zie nu iedereen schrikken, dus ik zeg het nog maar een keer: verduurzaming van de kanteling. Het is merkwaardig om ook vandaag weer van verschillende kanten en met name van coalitiefracties te horen dat er nu toch echt een cultuuromslag nodig is. Ik begrijp dat de minister nu in ieder geval erkent – en dit lijkt mij iets realistischer – dat die cultuuromslag allang gaande is. Er is al sprake van een kanteling, het gaat nu alleen nog om verduurzaming.

Voorzitter. Wij voelen ons niet senang bij dit beeld. Ik heb al eerder gewezen op de spectaculair dalende cijfers van de instroom. De rapportage van UWV die gisteren nog beschikbaar kwam – mevrouw Bussemaker noemde deze al – laat zien dat de afname van de instroom structureel is. Dit geeft een gans ander beeld dan het beeld dat de minister suggereert. Waarom dan nog verduurzaming van de kanteling, waar is deze stelselherziening nog voor nodig? Het antwoord bevredigt mij niet en ik geloof ook niet dat de minister er zelf nog heel hard achteraan loopt. Volgens mij is er hierbij gewoon sprake van politiek prestige. Het kabinet, deze minister voorop, heeft ingezet op een ingreep in de WAO, en vervolgens kunnen wij niet meer terug. Volgens mij is dat de naakte waarheid van de huidige situatie. Buiten deze Kamer zit vrijwel niemand op zo’n ingrijpende stelselherziening te wachten, niemand ziet nog de meerwaarde van dit wetsvoorstel, velen bepleiten het overwegen van nieuwe maatregelen op onderdelen, maar op een grote stelselherziening, zoals voorgesteld door deze minister, zit niemand te wachten. Iedereen ziet dat het veel beter gaat met de

instroom in de WAO. Laten wij die winst vasthouden, en laten wij niet de zaak opnieuw omploegen. Want de vraag op welk probleem dit wetsvoorstel een antwoord is, wordt almaar niet beantwoord.

De heer Dittrich (D66): De Kamer heeft hierover een hoorzitting georganiseerd, waarbij sociale partners, verzekeraars en artsen ons op het hart drukten ervoor te zorgen dat de nieuwe WAO-wet op 1 januari 2006 wordt ingevoerd. Waar was u toen? Juist vanuit de samenleving werd erop aangedrongen dat deze nieuwe wet in werking zou treden. Wat u net zei, klopt niet.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik kan mij beide hoorzittingen erg goed herinneren, omdat ik ze van A tot Z heb meegemaakt. Ik geloof dat dat niet geldt voor de fractie van D66! Hoe het ook zij, ik heb goed geluisterd en daarbij van vrijwel alle kanten gehoord dat deze wet op dit moment niet nodig is. Deze wet leidt niet tot verbetering van de aanpak van arbeidsongeschiktheid, maar tot chaos in de uitvoering, een stelsel waarop niemand zit te wachten; dat was de boodschap. De enige boodschap die daarvan afweek, kwam van de sociale partners, maar die hadden twee petten op. Zij zeiden: het uitvoeringsmodel klopt niet, het hybride model moet van tafel en de WGA is een monstrum.

Mevrouw Verburg (CDA): De heer Dittrich heeft goed geluisterd en met mij gehoord dat mensen die er in de praktijk het meest mee te maken hebben, namelijk werkgevers en werknemers, aangeven dat deze wet er moet komen en wel per 1 januari 2006. Het is belangrijk om dit vast te stellen voor de Handelingen.

De voorzitter: Als het al niet vastlag!

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik heb van de sociale partners begrepen dat zij op twee hoofdlijnen van het wetsvoorstel fundamentele bezwaren hadden en dat deze wet er niet moet komen. Alle overige uitgenodigden vinden dat deze wet niet moet worden ingevoerd. Tot zover de berichten uit de samenleving.

Wat bewerkstelligt dit wetsvoorstel nu eigenlijk? Het is geen cultuuromslag, zoals toegegeven door de

minister. Eigenlijk zie ik maar twee punten waarop de wet betekenis heeft voor burgers. In de eerste plaats wordt de bescherming tegen de inkomensgevolgen van arbeidsongeschiktheid voor de volledig arbeidsongeschikten wat beter, waarbij ik denk aan de IVA. Maar voor de groep gedeeltelijk arbeidsge-schikten, die dus ook gedeeltelijk arbeidsongeschikt zijn, wordt de inkomensbescherming slechter. Vooral voor degenen die ooit een laag loon verdienden, met een groot risico onder de grens van 35% arbeidsongeschiktheid te vallen, verdwijnt elk recht op een uitkering. En voor de groep die daar net boven valt, maar niet volledig duurzaam arbeidsongeschikt is en vervolgens geen werk kan vinden, resteert een zeer minimale vervolguitkering, die vrijwel altijd onder het minimumloon ligt. De inkomensbescherming voor deze groepen gaat met dit wetsvoorstel fors omlaag. Ook in de nota naar aanleiding van het verslag worden daarvan zeer duidelijke cijfermatige voorbeelden gegeven: voor deze mensen gaat de uitkering uit hoofde van de nieuwe WAO met honderden euro’s per maand omlaag.

Dat is de ene verschuiving: winst en verlies, maar het is geen cultuuromslag. De tweede is de vraag waar met dit wetsvoorstel vooral de druk ligt. Als ik de hele wet op de keper beschouw, denk ik dat de druk op werknemers om weer aan de slag te gaan toeneemt. De straf is met name voor de groep WGA-gerechtigden en de groep onder de 35% buitengewoon fors: of geen uitkering of een minimale uitkering. Voor hen wordt de prikkel groter, maar voor de voormalige werkgevers van deze groep gerechtigden – het gaat om duizenden Nederlandse werknemers – neemt de prikkelt tot reïntegratie af. Dat is het netto-effect van dit wetsvoorstel. Hoezo cultuuromslag? Ik zie meer een consistente lijn met de hoofd-boodschap van dit kabinet, dat iedereen in dit land zijn eigen verantwoordelijkheid moet nemen. Er is geen debat, zoals over de kinderopvang en over VUT, prepensioen, levensloop, waarbij niet voortdurend de prikkel wordt neergelegd bij werknemers. Werkgevers wordt niets gevraagd. Sterker nog, de prikkel voor werkgevers wordt ten opzichte van de huidige wet zelfs nog minder. Ik

zal dat nog toelichten bij de bespreking van de WGA.

Dat is volgens mij de nettowinst van dit wetsvoorstel. Daar staat veel nettoverlies tegenover. Ik vraag mij werkelijk af wat dit te maken heeft met een cultuuromslag. Ik breng nog eens in herinnering dat de WAO in termen van omvang en financiële last al lang is geregeld door Linschoten en Hoogervorst. Wij zijn hen daar dankbaar voor. Zij hebben in ieder geval begrepen, anders dan het derde kabinet-Lubbers – helaas treedt deze minister in het voetspoor van dat kabinet – dat je het probleem met de WAO en arbeidsongeschiktheid niet oplost door eindeloos te sleutelen aan polisvoorwaarden. Dat deed het kabinet-Lubbers/Kok. Toen werd de WAO-polis fors versoberd en het schattingsbesluit aangepast. Dat is in de paarse periode achterwege gebleven en toen kwamen ineens de resultaten. De Wet loondoorbetaling kwam in beeld, PEMBA kwam in beeld, evenals de poortwachter. Wij weten het allemaal, want het is al vele keren gewisseld. Toen pas kwamen ineens de resultaten, want in al die wetsvoorstellen die door de beide staatssecretarissen zijn ingediend, werd de rekening voor de werkgever fors verhoogd. Het dumpen van mensen, het afschuiven van zieke werknemers, werd duur betaald. Dat was de les van de afgelopen jaren.

Ik vind het buitengewoon vreemd dat die les in dit wetsvoorstel ten dele weer met voeten wordt getreden. De WGA bevat namelijk nog steeds een perverse prikkel voor werkgevers. Het is al vele keren gewisseld, maar het komt maar niet tot een oplossing. Het is voor werkgevers een stuk goedkoper om niet de moeite te doen om WGA-gerechtigden in dienst te nemen, arbeidsplaatsen aan te passen en die mensen weer een plek in de eigen arbeidsorganisatie te gunnen, maar die mensen er met een kleine vervolguitkering uit te kieperen. Dat is een minimale schadelast en vervolgens horen zij er niets meer van. Dat is de perverse prikkel binnen de WGA.

Voor de groep laagbetaalde werknemers, die een groot risico lopen bij een substantiële beperking toch minder dan 35% arbeidsongeschikt te raken en dus überhaupt geen recht op een uitkering te krijgen, vervalt elke prikkel voor de werkgever om iets te doen voor deze

groep. Dan gaat wij er dus op achteruit. Dat is ook precies wat het Centraal Planbureau zegt, die de hele prikkelstructuur van de WIA heeft nagelopen. Die legt ook de vinger op deze zere plek. Voor een deel van de werkgevers wordt het juist lonender om mensen, analoog aan de jaren tachtig, begin jaren negentig, gewoon weer aan de dijk te zetten. Dan durft de coalitie te spreken van een cultuuromslag! Als daar al sprake van is, gaan wij terug naar het verleden. Dit heeft niets te maken met toekomstbestendigheid van de WAO, maar juist alles met het ongedaan maken van liberale voorstellen en maatregelen van twee staatssecretarissen die effectief blijken te zijn. Wat dat met verduurzaming van de kanteling te maken heeft, mag de minister nog een keer uitleggen.

Een ander algemeen punt dat in het debat eigenlijk nauwelijks aan de orde komt en dat ik namens mijn fractie toch naar voren wil brengen, is dat het hele wetsvoorstel doordrenkt is van het mensbeeld van de calculerende burger, in dit geval de calculerende arbeidsongeschikte. Dat is een mensbeeld waar ik mij niet bij thuis voel. Mensen verliezen hun gezondheid, vaak hun werk, hun sociale contacten en andere vormen van maatschappelijke participatie. Gezondheid is zo ongeveer het belangrijkste goed. Om die mensen in het kader van dit wetsvoorstel af te schilderen als calculerende burgers die maximaal geprikkeld moeten worden, doet onrecht aan velen die op dit moment ziek zijn en al dan niet in de WAO belanden. Dat is niet de realiteit.

Ik kom hiermee terug op de oorspronkelijke missie van de WAO, zoals beoogd door de heer Veldkamp. In het wetgevingsoverleg van twee weken geleden heb ik daar ook al op gewezen. Hij had het bij het rechte eind dat de WAO niet alleen een verzekering moet zijn tegen inkomensschade als gevolg van arbeidsongeschiktheid, maar ook de betekenis heeft om juist deze mensen die niet meer op eigen kracht meekunnen of een grote handicap met zich dragen, misschien zelfs voor de rest van hun leven – laten wij ons indenken wat dit voor hen betekent – nog een vorm van recht op zelfontplooiing te geven. Zij moeten in staat worden gesteld om op hun manier en met hun mogelijk-

heden nog mee te doen in deze samenleving.

Ik heb de minister van Sociale Zaken gevraagd om op deze inspiratie van de heer Veldkamp te reageren. Het is in ieder geval mijn inspiratie. In dat debat gaf hij geen antwoord. Ik zou het chic vinden als de minister in dit afsluitende debat daar nog eens bij wil stilstaan. Waar is het recht op zelfontplooiing gebleven?

Ik kom op de politieke herrie van de afgelopen weken. Ik begrijp van mevrouw De Vries dat het eigenlijk een mineur punt is. Zij stond boven de partijen, zo stelde zij. Ik kan mij voorstellen dat, als Jozias van Aartsen nu aan de buis is gekluisterd en dit verneemt, denkt: heb ik daar werkelijk een hele avond over door moeten emmeren, niet alleen met die Zalm, maar ook met die De Geus en Dittrich er nog bij over een onderwerp waar ik niet wakker van wil liggen? Wij kennen de heer Van Aartsen. Hij heeft geen grote belangstelling voor rentehobbels en hybride modellen althans dat gevoel heb ik. Het is echt een man van de hoofdlijnen. Hij hoort nu van zijn eigen woordvoerder dat het een mineur punt was. Ik laat het aan de VVD-fractie over hoe dit verder zijn verloop krijgt.

Ik begrijp absoluut niet dat vanuit de oorspronkelijke stellingname van bijvoorbeeld CDA en D66 werd gekozen voor een volledig private uitvoering. Dit wordt gedaan op het moment dat de rentehobbel door het Centraal Planbureau – de berekeningen dateren van ongeveer een jaar geleden – op 6 mld. werd geschat; 6 mld. lastenverzwaring om een volledig private uitvoering mogelijk te maken. Vervolgens ontstaan er twee bewegingen. CDA en D66 zijn nu ineens voor een hybride model, terwijl de rentehobbel aanzienlijk is gereduceerd. Dat lijkt mij tamelijk inconsistent.

Als het een mineur punt betreft, waarom is het, ook door de VVD-fractie, dan zo zwaar opgevat? Gaat het alleen om geld? Dat lijkt mij voor de VVD geen mineur, maar een majeur punt. Laten wij niet verhullen dat het misschien ook een ideologisch conflict is. Onder de mantel van wel of niet volledig privatiseren, komen de sociale partners weer meer aan het stuur van de uitvoering van de sociale zekerheid. Dat was het politieke conflict, dat helemaal van tafel is verdwenen en ook niet is

benoemd. Dat lijkt mij geen mineur punt, zo zeg ik tegen mevrouw De Vries. Zij was echter wel consistent in relatie tot wat de heer Hooger-vorst ten tijde van de SUWI heeft gedaan, namelijk het gebieden van de nationalisatie van de uitvoering, omdat de VVD niet veel moet hebben van het poldermodel waarin de oude bedrijfsverenigingen, al dan niet via marktwerking, nog een rol speelden.

Ik vind de uitkomst van het hybride model vreemd. Iedereen vond het te complex en men vroeg zich af waar de rentehobbel voor nodig was. Wat komt er uit? Een hybride model met een rentehobbel; nog complexer want die is er in het eerste jaar niet, maar vervolgens weer wel. Er zal nog een hele discussie over worden gevoerd. De complexiteit is dus alleen maar toegenomen. Ik vind het een hoogst merkwaardig politiek compromis. Voorzover het herrie heeft veroorzaakt en er een uitkomst is, heeft dat niets meer met de werkelijkheid van alle dag van doen. Daarin geef ik mevrouw De Vries wel gelijk. Het is een politiek akkoord dat geheel los staat van de werkelijkheid.

Waar gaat het nu precies over? Als de voorgestelde uitvoering in 2006 doorgaat, blijft het voor bedrijven nog steeds mogelijk om eigenrisico-drager te worden c.q. het eigen risico te herverzekeren bij private verzekeraars. In zoverre is de beeldspraak ’’publieke uitvoering’’ niet geheel dekkend, want wij hebben in zekere zin al een hybride model, maar zonder – wat de minister wil – daar nog rentecompensatie voor in het leven te roepen, zodat verzekeraars nog actiever worden op deze markt. Die meerwaarde van het level playing field is mij nog helemaal niet duidelijk geworden. Volgend jaar zetten wij dat debat voort. Het politieke conflict is kennelijk nog niet helemaal verdwenen. Gisteren heb ik bij de Voorjaarsnota de minister van Financiën gevraagd, wat zijn perceptie is van de discussie over de vijf of de tien jaar. Hij was er immers indertijd ook bij. Ik hoor nu twee verschillende versies: een van mevrouw De Vries namens de VVD-fractie en een van de minister, die daarin wordt gesteund door de heer Dittrich en mevrouw Verburg. Misschien heeft de minister van Financiën nog een derde versie van het politiek akkoord dat vorige week

gesloten is. Ik vind het wel raar en ook tamelijk slordig dat er zoveel herrie wordt gemaakt over wat nu een mineur punt blijkt te zijn en dat bovendien niet eens helemaal duidelijk is wat de afspraken behelzen.

GroenLinks heeft geen behoefte aan dit wetsvoorstel; dat zal ik duidelijk hebben gemaakt. Wat ons betreft wordt het niet ingevoerd. Welke zaken kunnen dan wél worden gedaan? Dat zijn er vele. Ik noem bijvoorbeeld het punt van mevrouw Bussemaker, dat een belangrijk effect kan hebben: een veel hardere toets op de reïntegratie-inspanning van werkgever en werknemer in het kader van de Wet verbetering poortwachter. Het CPB rekent daar belangrijke effecten aan toe. Dit lijkt mij zo’n heel gevoelig punt in de uitvoering: klein, maar buitengewoon belangrijk. Waarom is daar niet unaniem steun voor, als dat helpt om de druk op met name werkgevers op te voeren en de boodschap af te geven dat zij niet wegkomen met een slap verhaal als zij niet hun best hebben gedaan voor het reïntegreren van hun eigen zieke werknemers?

Analoog hieraan waart de suggestie rond: waarom niet in plaats van dit wetsvoorstel WIA een derde ziektewetjaar? Mijn fractie voelt daar veel voor, desnoods in combinatie met een soort IVA voor die werknemers die nooit meer terugkomen op de arbeidsmarkt. Het is immers natuurlijk raar om drie jaar ziektewetrisico bij werkgevers in rekening te brengen, als voor een beperkte groep arbeidsongeschikten duidelijk is dat de financiële verantwoordelijkheid van werkgevers in de praktijk geen reële betekenis meer heeft, omdat reïntegratie is uitgesloten.

Dit zijn bescheidener veranderingen, maar hun effect is waarschijnlijk veel groter. Voordeel is ook dat UWV, toch een organisatie die eigenlijk nooit rust kent, er eens aan toekomt om alle processen definitief goed te regelen en de bestaande WAO eens goed uit te voeren. Ook dat wordt in het debat nauwelijks benoemd: onze taxatie is dat na de vele opeenvolgende voorstellen over de toekomstige uitvoering van de sociale zekerheid, in het bijzonder WW en WAO, de structurele mishandeling van de uitvoeringsorganisatie die onder Paars is begonnen, steeds maar doorgaat. Men stapelt bij UWV reorganisatie op reorganisatie. De

Eerste Kamer heeft toch enige tijd geleden niet voor niets zoveel aandacht gevraagd voor de uitvoerbaarheid van wetsvoorstellen en voor de uitvoering van regels als zodanig? Laten wij UWV dan wat meer tijd en rust gunnen om te doen wat nu al in de wet staat. Dat zou veel WAO’ers zeer helpen.

Ik kom nog tot een ander punt dat ik eigenlijk had bewaard voor het AO dat gisteren of vandaag zou plaatsvinden over een aantal WAO-onderwerpen, maar dat nu verdaagd is tot na de zomer. Gunt u mij even tijd, voorzitter, want het is urgent. Het gaat om de motie die is aangenomen over het punt van CVS/ME.

De voorzitter: U zegt zelf dat dit onderwerp later nog aan de orde zal komen. Verder kijk ik naar de klok, want ik zou graag om half drie de heer Jungbluth beëdigen. Ik verzoek u dan ook om u te beperken tot de wetsvoorstellen die nu voorliggen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik begrijp dat, voorzitter, maar het gaat om een urgent punt. Er is hierover verleden week ook overleg geweest met de minister van VWS en er is een motie over aangenomen. Wij zouden op ons uitdrukkelijk verzoek nog deze week, vóór de zomer, over deze motie spreken, want vandaag de dag worden nog steeds mensen uit de WAO gegooid op grond van een aandoening die niet als ziekte wordt erkend. Het is gewisseld met de minister van VWS en ik heb daar ook een brief van de minister van SZW over ontvangen. Het is een urgente kwestie, dus ik vraag u mij twee minuten te gunnen om dit aan de orde te stellen.

In feite heb ik het trouwens nu al gezegd. De minister stelt dat de motie overbodig is, omdat CVSME in de uitvoering van de WAO-uitkering als een normale aandoening wordt beschouwd, waarbij niet op voorhand mensen met deze aandoening worden uitgesloten. Ik krijg nog steeds signalen dat dat wél gebeurt. Er zijn nog steeds verzekerings- en bezwaarartsen die de uitspraak van minister Hooger-vorst van een aantal maanden geleden in praktijk brengen: het is geen ziekte en dus hebt u geen recht op de WAO. Ik wijs erop dat het een erkende ziekte is die kan leiden tot substantiële beperkingen. In dat geval is er sprake van een recht op

een WAO-uitkering. Ik vraag de minister, die nog een gesprek zal krijgen met zijn collega van VWS, dit probleem serieus te nemen. Wil hij een brief sturen naar alle verzekeringsartsen waarin staat hoe moet worden gehandeld? In de praktijk worden nog steeds uitspraken gedaan die niet in overeenstemming zijn met het schattingsbesluit en met de door de Kamer aangenomen motie. Het kan toch niet zijn dat de minister en ik op dit punt uit elkaar lopen?

Voorzitter. Vervolgens wil ik enkele opmerkingen maken over de amendementen en de reactie van de minister daarop. Ik vind het erg spijtig dat het amendement van mevrouw Verburg met betrekking tot de WGA er niet komt. Ik weet overigens nog steeds niet waarom. De Kamer is immers unaniem van mening dat de WGA in zijn huidige vorm een perverse prikkel heeft voor werkgevers om mensen juist niet aan het werk te helpen en er niet voor te zorgen dat men 50% van zijn verdiencapaciteit te gelde maakt. Die perverse prikkel zit nog steeds in het systeem. Hoe oordeelt de minister hierover? In dit geval hebben de prikkels een verkeerd effect. Het is lonend voor werkgevers om niet te werken aan reïntegratie. De schadelast is dan minder, er is sprake van een minimale vervolguitkering en er is geen ingewikkeld gedoe nodig met allerlei reïntegratie-activiteiten. Dat is strijdig met het wetsvoorstel.

Verder vraag ik de minister of mijn indruk juist is dat laagbetaalde 35-minners een groot risico lopen om niet als gedeeltelijk arbeidsongeschikte erkend te worden volgens de WGA. Op grond van de cijfers stel ik vast dat straks een grote groep 35-minners zal worden ontslagen. Ook hier speelt de kwestie van de prikkel van werkgeverszijde. Kan de minister mij uitleggen wat het belang is van werkgevers om deze groep aan het werk te houden? Het is echt onvoldoende om van sociale partners te vragen om in cao-verband daarover nog het een en ander te regelen. Wie zorgt ervoor dat deze mensen weer een plek op de arbeidsmarkt krijgen? Als men ontslagen wordt, heeft men recht op een WW-uitkering met bescheiden mogelijkheden tot aanspraak op reïntegratie. Er is echter een verschil tussen het beroemde voorbeeld van de vrachtwagenchauffeur die zijn

werk niet meer kan doen en minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt verklaard en een WW’er die nog goed van lijf en leden is en aanspraak kan doen op een voldoende reïntegratiebudget. Ik weet dat het een lastige constructie is, maar ik vraag de minister om het in het kader van de WW deze groep, die net onder de 35% valt, met een groter budget uit te rusten.

Voor het bepalen van de duurzaamheid van een aandoening zal worden gewerkt met indicatieve lijsten. Dit moet nog worden uitgewerkt en wij komen hierover nog te spreken. Ik heb de indruk dat de deskundigen er nauwelijks uitkomen. Vandaar dat de status van die lijsten wat is afgezwakt. Ze zijn niet meer leidend maar vooral indicatief. Is dit nog in overeenstemming met de betreffende wetstekst over het bepalen van de duurzaamheid?

In het amendement op stuk nr. 27 stel ik voor om mensen die recht hebben op een IVA-uitkering hulp te geven bij reïntegratie. Dit kan ook in de vorm van een individuele reïntegratieovereenkomst, het persoonsgebonden budget waar mijn voormalige fractiegenoot Ab Harrewijn zich zo sterk voor heeft gemaakt. Geef mensen zelf het stuur in handen bij de reïntegratie, want mensen worden niet gereïntegreerd, zij doen dit zelf en in de instrumenten zouden daarop moeten aansluiten. In zijn reactie ontraadt de minister de aanneming van dit amendement. Hij zegt eigenlijk met zo veel woorden: wie in de IVA zit zal nooit meer werken. Aan het slot van zijn reactie lijkt hij echter te suggereren dat degene die uit de IVA een reguliere baan vindt, wel de rugzak meeneemt van een no-riskpolis, de premiekorting en de arbeidsplaatsenvoorziening. Dit is het rugzakje voor de werkgever die een IVA-gerechtigde in dienst neemt.

Ik vraag nu om bevestiging van deze uitleg. Ik heb de ambtenaren van de minister al om een technische uitleg gevraagd, maar het lijkt mij chic dat de minister daar een definitieve uitspraak over doet. Als het waar is dat iemand die uit de IVA een reguliere baan vindt, die faciliteiten meeneemt voor zijn of haar werkgever, waarom krijgen zij dan niet de mogelijkheid om te reïntegreren met behulp van een reïntegratiebudget? Het gaat waarschijnlijk om een heel beperkte

groep, want men zit niet voor niets in de IVA, maar waarom wordt die mogelijkheid uitgesloten en is het wel mogelijk om de faciliteiten voor de werkgever mee te nemen? Ik vind dit inconsistent.

Als dit de goede uitleg is, dus als de wetstekst voorziet in het meenemen van de rugzak, laat het dan ook mogelijk zijn dat deze groep aanspraak doet niet alleen op sociale activering waar ik erg voor ben, maar ook op een reïntegratiebudget. Ik zou bijna zeggen, juist deze groep moet geholpen worden om de minimale kans die er bestaat op terugkeer op de arbeidsmarkt te verkennen. Daar is een reïntegratie-budget toch voor bedoeld, daar is een individuele reïntegratie-overeenkomst toch voor bedoeld. Meer dan wie dan ook in het hele spectrum van mensen met een arbeidshandicap zou deze groep geholpen moeten worden.

Juist vanwege deze beide punten, de ongerijmdheid tussen wel een rugzak en geen reïntegratiebudget en het feit dat deze groep niet op voorhand moet worden afgeschreven ook al is men duurzaam arbeidsongeschikt verklaard met een geringe kans op herstel, beveel ik mijn amendement nog eens in de aandacht van de minister aan. Als mijn uitleg van de wetstekst klopt, is dit ook consistent met zijn eigen lijn.

Ik heb de minister maandag een vraag gesteld over de bovenwettelijke uitkering en hij is daar in zijn brief van gisteravond op ingegaan. De minister zegt dat bovenwettelijke uitkeringen niet zijn toegestaan indien zij de prikkelstructuur aantasten. Ik heb toen gevraagd wanneer dit het geval is. Zijn antwoord is dat dit bij alle soorten WGA-uitkeringen het geval zou kunnen zijn. Dit begrijp ik niet. De loonaanvulling die men krijgt als men voldoende gaat werken, een kopje daarop, is een extra bonus om te gaan werken. Die WGA-uitkering versterkt de prikkelstructuur. Het dichten van een gat in de vervolguitkering zou zeer prikkelend kunnen werken voor het in dienst houden van de betreffende werknemer, indien de individuele werkgever die premie moet betalen. Het verzekeren van een inkomensgat dat kan ontstaan voor de 35-minners mits de premie wordt betaald door de werkgever, kan zeer prikkelend zijn.

Zo heb ik al drie van de vier bovenwettelijke mogelijkheden

genoemd die de prikkelstructuur van het wetsvoorstel bevorderen. Blijft staan dat ik het eerlijk gezegd idioot vind dat sociale partners afspraken moeten maken om dit wetsvoorstel te herstellen op deze drie punten. Ik begrijp niet dat de minister vervolgens kan zeggen dat dit bij alle soorten WGA-uitkeringen het geval zou kunnen zijn. Bij drie van de vier mogelijkheden – een kopje op de loongerelateerde uitkeringen kan ik mij nog voorstellen in de denktrant van de minister – is geen sprake van een verstoring van de prikkelstructuur maar juist van een versterking daarvan. Waarom geeft de minister daar dan niet veel meer ruimte voor?

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 13.50 uur tot 14.35 uur geschorst.

©

De voorzitter: Ingekomen is een beschikking van de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake aanwijzing van het lid Nijs tot lid in plaats van het lid Visser in de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa. Ik stel voor, deze beschikking voor kennisgeving aan te nemen.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter: De overige ingekomen stukken staan op een lijst die op de tafel van de Griffier ter inzage ligt. Op die lijst heb ik voorstellen gedaan over de wijze van behandeling. Als aan het einde van de vergadering daartegen geen bezwaren zijn ingekomen, neem ik aan dat de Kamer zich met de voorstellen heeft verenigd.

Ik geef het woord aan mevrouw Van Oerle-van der Horst tot het uitbrengen van verslag namens de commissie voor het Onderzoek van de Geloofsbrieven.

Mevrouw Van Oerle-van der Horst, voorzitter der commissie: De commissie voor het Onderzoek van de Geloofsbrieven heeft de stukken onderzocht die betrekking hebben op de heer P.L.M. Jungbluth te Einighausen. De commissie is eenparig tot de conclusie gekomen dat hij terecht benoemd is verklaard tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De commissie stelt

u daarom voor om hem toe te laten als lid van de Kamer. Daartoe dient hij wel eerst de verklaringen en de beloften af te leggen zoals die zijn voorgeschreven bij de wet van 27 februari 1992, Staatsblad nr. 120. De commissie verzoekt u tot slot, de Kamer voor te stellen, het volledige rapport in de Handelingen op te nemen.

De voorzitter: Ik dank namens de Kamer de commissie voor haar verslag en stel voor, dienovereenkomstig te besluiten.

Daartoe wordt besloten.

(Het rapport is opgenomen aan het eind van deze editie.)1

De voorzitter: De heer Jungbluth is in het gebouw der Kamer aanwezig. Ik verzoek de griffier, hem binnen te leiden, en u allen om te gaan staan.

Nadat de heer Jungbluth door de griffier is binnengeleid, legt hij in handen van de voorzitter de bij de wet voorgeschreven verklaringen en beloften af.

De voorzitter: Ik wens u van harte geluk met het lidmaatschap van deze Kamer. Ik verzoek u, de presentielijst te tekenen en na de schorsing in ons midden plaats te nemen. Ik maak van de gelegenheid gebruik om u alvast vanaf deze stoel te feliciteren. Dat doe ik ook als voorzitter van de vaste commissie voor OCW, want ik weet dat u lid zult worden van deze commissie.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter: Ik stel voor, aanstaande donderdag te stemmen over de motie-Van der Staaij/Klaas de Vries (19637, nr. 920) ingediend tijdens het VAO asiel- en terugkeerbeleid op 19 april 2005 over het alsnog uitvoeren van de motie-Van der Staaij/De Vries op stuk nr. 837. Voorts stel ik voor, toe te voegen aan de agenda van morgen en als hamerstuk te behandelen Kamerstuk 30063, Overgangsrecht inzake de beëindiging van het recht op toeslag op grond van de Toeslagenwet binnen de Europese Unie, de

Europese Economische Ruimte en Zwitserland.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter: Op verzoek van de fractie van GroenLinks heb ik een aantal benoemingen gedaan, te weten:

  • in de vaste commissie voor Economische Zaken het lid Jung-bluth tot lid in plaats van het lid Duyvendak, het lid Duyvendak tot plv. lid in plaats van het lid Vos;
  • in de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken het lid Halsema tot plv. lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap het lid Jungbluth tot lid in plaats van het lid Vendrik en het lid Vendrik tot plv. lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid het lid Azough tot plv. lid in de bestaande vacature;
  • in de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport het lid Vendrik tot lid in plaats van het lid Halsema, het lid Azough tot lid in de bestaande vacature en het lid Halsema tot plv. lid in plaats van het lid Vendrik;
  • in de Themacommissie Ouderenbeleid het lid Azough tot lid in de bestaande vacature;
  • in de commissie voor de Verzoekschriften het lid Azough tot plv. lid in de bestaande vacature.

Het woord is aan mevrouw Hamer.

Mevrouw Hamer (PvdA): Voorzitter. Ik zou graag het verslag van het algemeen overleg over de medezeggenschap bij Defensie op de plenaire agenda willen zetten.

De voorzitter: Ik stel voor, dat VAO aan de agenda van aanstaande donderdag toe te voegen. Wij beginnen morgenavond om ongeveer 23.00 uur met het eerste VA O .

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter: Het woord is aan de heer Varela.

De heer Varela (LPF): Voorzitter. Ik wilde u namens mevrouw Kraneveldt vragen om het VAO ceremonie verkrijging Nederlanderschap op de plenaire agenda te zetten.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.