Inhoudsopgave

Tekst

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2005–2006

30 034

Bevordering van het naar arbeidsvermogen verrichten van werk of van werkhervatting van verzekerden die gedeeltelijk arbeidsgeschikt zijn en tot het treffen van een regeling van inkomen voor deze personen alsmede voor verzekerden die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn (Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen)

I HERDRUK

VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 4 juli 2006

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 heeft schriftelijk van gedachten gewisseld met de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de verenigbaarheid van de WIA met het ILO-verdrag nr. 121. Van de gedachtewisseling brengt de commissie hiermee verslag uit.

De griffier van de commissie, Nieuwenhuizen

1 Samenstelling:

Leden: Van den Berg (SGP), Van Leeuwen (CDA) (plv. voorzitter), Swenker (VVD), De Wolff (GL), Kalsbeek-Schimmelpenninck van der Oije (VVD), Meulenbelt (SP), Ten Hoeve (OSF), Van Driel (PvdA) (voorzitter), Vedder-Wubben (CDA), V. Dalen-Schiphorst (CDA), Westerveld (PvdA) en Schouw (D66). Plv. Leden: Van Middelkoop (CU), Franken (CDA), Biermans (VVD), Thissen (GL), Van den Broek-Laman Trip (VVD), Slagter-Roukema (SP), Terpstra (CDA), Nap-Borger (CDA), Schuyer (D66), Noten (PvdA) en Leijnse (PvdA).

AAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Den Haag, 21 maart 2006

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft kennis genomen van uw brief van 9 februari jl. over een onbedoeld effect van de regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) voor personen die meer verdienen dan het maximumdagloon. De commissie heeft een vraag over de kwalificatie «onbedoeld» en de daaruit voortvloeiende suggestie dat met de aangekondigde aanpassing een eerst kortelings gebleken omissie wordt hersteld.

In dit verband wil de commissie u graag wijzen op de mondelinge behandeling van de WIA op 1 november 2005, waarin dit effect reeds door de fractie van de PvdA onder uw aandacht is gebracht. U noemde dit element toen desgevraagd «logisch». Het was, zo zei u toen, «inderdaad» een afwijking van het principe van loonaanvulling. Echter, een ander regime voor inkomens boven het maximum dagloon zou betekenen dat er in de WGA twee regimes van toepassing zouden zijn.

Deze gang van zaken heeft binnen de commissie de volgende vragen opgeroepen.

Was uw op 1 november 2005 gegeven antwoord, dat het gesignaleerde effect logisch is en dus niet onbedoeld destijds al onjuist, of is hier sprake van voortschrijdend inzicht in de zin dat wat drie maanden geleden nog een logisch en legitiem verschijnsel werd bevonden, dat thans niet meer is? Zo dit laatste het geval is, wat is daarvan de oorzaak?

De commissie ziet Uw reactie op het bovenstaande met belangstelling tegemoet.

De griffier van de commissie, B. Nieuwenhuizen

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 9 februari 2006

Op 9 februari jl. heb ik bestuurlijk overleg gevoerd met de voorzitters van de in de Stichting vertegenwoordigde centrale organisaties van werkgevers en van werknemers. Dit overleg betrof de gevolgen van de regeling Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) voor personen die meer verdienen dan het maximumdagloon. Door de vakcentrale MHP was geconstateerd dat een onbedoeld effect van de uitkeringsstructuur van de WGA is dat deze personen in sommige gevallen geen uitkering ontvangen, terwijl ze wel aan alle voorwaarden voor het recht op uitkering voldoen én hun resterende verdiencapaciteit volledig benutten. In het voornoemde bestuurlijke overleg is vastgesteld dat dit inderdaad een onbedoeld effect is van de WGA. Ik zal daarom de WGA via een Verzamelwet aanpassen. Met de aanpassing, die per 1 januari 2007 zal ingaan, wordt bereikt dat ook loonverlies boven het maximum dagloon (€ 43 848 op jaarbasis) meetelt bij de bepaling van de verdiencapaciteit.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. J. de Geus

BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID

Aan de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 29 maart 2006

Bij brief van 21 maart jl. (kenmerk 134546.01) heeft de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van uw Kamer enkele vragen gesteld naar aanleiding van mijn brief van 9 februari jl. In reactie daarop meld ik u het volgende.

Het uitgangspunt bij de vormgeving van de uitkeringsstructuur van de WGA is geweest dat (meer) werken moet lonen. In de loongerelateerde uitkering heeft dit tot het volgende uitkeringsregime geleid. Als een gedeeltelijk arbeidsgeschikte niet werkt, heeft hij aanspraak op een uitkering van 70% van het dagloon. Als hij vervolgens gaat werken neemt zijn totale inkomen toe doordat 70% van de inkomsten wordt verrekend met de uitkering.

Dit uitkeringsregime geldt voor iedereen, dus ook voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten die meer verdienden dan het maximumdagloon, en heeft tot gevolg dat er geen uitkering wordt verstrekt als de gedeeltelijk arbeidsgeschikte meer gaat verdienen dan het maximumdagloon. Dit is een logisch uitvloeisel van het bestaan van een maximumdagloon in de werknemersverzekeringen. Verder heeft het uitkeringsregime tot gevolg dat gedeeltelijk arbeidsgeschikten die meer verdienden dan het maximumdagloon – bij een gelijk inkomen – dezelfde uitkering ontvangen als gedeeltelijk arbeidsgeschikten die evenveel verdienden dan het maximumdagloon. Dit bevordert de rechtsgelijkheid, omdat voor beide groepen ook dezelfde premie is betaald.

Het uitkeringsregime van de WGA heeft niettemin een effect voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten die meer verdienden dan het maximumdagloon. Het kan namelijk tot gevolg hebben dat zij geen uitkering ontvangen, terwijl zij wel aan alle voorwaarden voor het recht op uitkering voldoen én hun resterende verdiencapaciteit volledig benutten. Dit doet zich bijvoorbeeld voor als een gedeeltelijk arbeidsgeschikte een inkomen verdiende van tweemaal het maximumdagloon en een resterende verdiencapaciteit heeft dat gelijk is aan het maximumdagloon. Als deze persoon zijn resterende verdiencapaciteit benut, dus werkt naar vermogen, dan ontvangt hij geen uitkering. Hij ontvangt derhalve geen financiële compensatie voor zijn loonverlies als gevolg van zijn gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, ondanks dat de maximale premie is betaald.

Na het kamerdebat heeft de vakcentrale MHP opnieuw aandacht gevraagd voor dit onderwerp, en bij de nadere verdieping ook een handzame formule aangereikt waarmee dit effect kan worden vermeden. Ik ben daarbij tot de conclusie gekomen dat het nadeel zwaarder weegt dan een uitkeringsregime waarin inkomsten op dezelfde wijze worden verrekend voor iedere gedeeltelijk arbeidsgeschikte. Daarom bereid ik een wetswijziging voor waarin voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten die meer verdienden dan het maximumdagloon, een lager percentage van de inkomsten wordt verrekend met de uitkering.

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, A. J. de Geus

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.