Nota naar aanleiding van het Verslag - Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de levensverwachting van de pensioenleeftijd (Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Eerste Kamer der Staten-Generaal

Vergaderjaar 2011–2012

33 290

Wijziging van de Algemene Ouderdomswet, de Wet werk en bijstand, de Wet inkomstenbelasting 2001 en de Wet op de loonbelasting 1964 in verband met stapsgewijze verhoging en koppeling aan de stijging van de levensverwachting van de pensioenleeftijd (Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd)

G

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG

Ontvangen 10 juli 2012

Inleiding

De regering heeft met belangstelling kennis genomen van het nader voorlopig verslag van de vaste commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Eerste Kamer inzake het wetsvoorstel verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd.

De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de memorie van antwoord van maandag 2 juli 2012 en hebben nog enkele aanvullende vragen.

De leden van de fractie van de PvdA hebben kennisgenomen van de memorie van antwoord en hebben nog enkele vragen, waarbij de leden van de fracties van SP en GroenLinks zich aansluiten.

Tevens hebben de leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks nog enige vragen geformuleerd naar aanleiding van de informatiebijeenkomst over het wetsvoorstel op 9 juli 2012.

De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de memorie van antwoord en willen de regering graag nog enige nadere vragen voorleggen.

Het lid van de fractie van 50PLUS heeft naar aanleiding van de informatiebijeenkomst van 9 juli 2012 enkele vragen aan de regering.

Het lid van de OSF-fractie heeft eveneens enkele vragen naar aanleiding van de informatiebijeenkomst.

In deze nadere memorie van antwoord gaat de regering in op de vragen en opmerkingen van de verschillende fracties. Om vragen zoveel mogelijk in samenhang te beantwoorden is daarbij op een aantal plaatsen afgeweken van de volgorde van het nader voorlopig verslag.

VVD-fractie

De leden van de VVD-fractie hechten veel waarde aan een naadloze aansluiting van pensioenregelingen op de AOW en het voorkomen van transitieproblemen. De leden van de VVD-fractie vragen de minister of de regering voornemens is om hierover in actief overleg te treden met pensioenfondsen.

Sociale partners beslissen of zij aanvullende pensioenregelingen willen laten aansluiten bij het wetsvoorstel wat betreft de ingangsdatum van het aanvullende pensioen. Ook nu is de aansluiting tussen aanvullende pensioenregelingen en de AOW-leeftijd een zaak voor sociale partners. De regering ziet dan ook geen reden om actief met hen in overleg te treden.

De leden van de VVD-fractie verwijzen naar de memorie van antwoord van 2 juli jongstleden, waarin staat dat het kabinet de mogelijkheden en risico’s wil onderzoeken van een aanpassing van de Pensioenwet die het mogelijk maakt dat pensioenuitvoerders voor zowel bestaande als nieuwe aanspraken één pensioenrichtleeftijd kunnen hanteren zonder tussenkomst van de individuele pensioendeelnemers. Indien de noodzakelijke, aanvullende wijziging in de Pensioenwet niet (tijdig) is doorgevoerd, is – zo stellen deze leden – actuarieel neutrale omzetting van de aanspraken naar de nieuwe pensioenleeftijd niet mogelijk zonder instemming van de deelnemer. Het is voor pensioenuitvoerders nagenoeg ondoenlijk om dit op individuele basis te moeten afhandelen en zal zeker implicaties hebben voor de uitvoeringskosten. De leden van de VVD-fractie vragen de minister of er concrete toezeggingen gedaan kunnen worden met betrekking tot het tijdig aanpassen van de Pensioenwet op dit punt of het tijdig onderzoeken van de mogelijkheden en risico’s. Op dit moment kan de regering geen andere toezegging doen dan zoals gegeven in de memorie van antwoord. Er zal in ieder geval tijdig met het onderzoeken van mogelijkheden en risico’s worden gestart, zodat – indien daartoe aanleiding bestaat – de uitkomsten daarvan tijdig leiden tot aanpassing van de Pensioenwet.

De leden van de VVD-fractie vragen een toelichting op de voorschotregeling over de wijze waarop de regeling naar rechthebbenden wordt gecommuniceerd en over de wijze waarop een voorschot met minimale bureaucratie en administratieve lasten kan worden aangevraagd. Volgens het lid van de OSF-fractie kent de voorschotregeling aanzienlijke uitvoeringsproblemen. Dit lid vraagt waarom de regering er niet voor kiest ofwel om aan iedereen die daarvoor in aanmerking komt een voorschot te verstrekken, ofwel om de AOW betalingen die maandelijks gedaan worden over een iets langere periode te spreiden. Met de leden van de VVD-fractie is de regering van mening dat over de voorschotregeling goed moet worden gecommuniceerd. AOW-gerechtigden die begin 2013 65 jaar worden kunnen het voorschot aanvragen uiterlijk vanaf 1 november 2012. In de toekenningsbeschikking AOW worden zij geïnformeerd over de wijze waarop een voorschot kan worden aangevraagd en over de wijze waarop het voorschot wordt verrekend. Anders dan het lid van de OSF-fractie veronderstelt kent de voorschotregeling geen aanzienlijke uitvoeringsproblemen. Een ieder die een voorschot wil, krijgt een voorschot toegekend. Het voorschot kan (net als de aanvraag AOW) via DIGID worden aangevraagd, maar daarnaast ook per post of telefonisch. Er vindt geen extra beoordeling plaats. De toekenning en verrekening met de AOW is geheel geautomatiseerd. In antwoord op de vragen van de VVD-fractie is hiermee naar de mening van de regering de aanvraag voor een voorschot laagdrempelig en zijn er weinig administratieve lasten. Zodra het parlement heeft ingestemd met het voorliggende wetsvoorstel komt daarnaast er meer informatie over het voorliggende wetsvoorstel op www.rijksoverheid.nl en www.svb.nl te staan. Via bijvoorbeeld radiospots, artikelen en advertenties wordt de burger op deze informatie gewezen. Het ministerie zal bij het informeren van de burgers zoveel mogelijk samenwerken met de SVB. Het voorstel van het lid van de OSF-fractie om de AOW-betalingen die maandelijks worden gedaan over een iets langere periode te spreiden, interpreteert de regering zo dat iedereen vanaf 65 jaar over een bepaalde periode een lagere AOW-uitkering krijgt. Ook Actal heeft een dergelijk voorstel gedaan. De regering vindt dit voorstel echter ongewenst, omdat in dit voorstel niet de AOW-leeftijd wordt verhoogd, maar de hoogte van de AOW wordt verlaagd. Iedereen krijgt in dit alternatief dus vanaf 65 jaar een lagere AOW. Daarnaast wordt iedereen gedwongen zijn AOW te middelen. Een groot aantal mensen heeft geen overbruggingsproblemen, omdat zij kunnen doorwerken, een verdienende partner, vermogen/ spaargeld of een uitkering hebben die doorloopt tot aan de verhoogde AOW-leeftijd. De beoogde voorschotregeling geeft mensen de vrijwillige keuze om wel of niet een voorschot aan te vragen.

PvdA-fractie, mede namens de leden van de fracties van SP en GroenLinks, naar aanleiding van de memorie van antwoord

De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks vragen of het juist is dat één van de doelstellingen van onderhavig wetsvoorstel om het langer doorwerken, meer specifiek na 65 jaar, te stimuleren. De doelstelling van het onderhavige wetsvoorstel is om langer doorwerken over de hele linie te stimuleren. Momenteel is de gemiddelde uittreedleeftijd is 63 jaar. Een stijging van de AOW-leeftijd zal deze uittreedleeftijd verder laten stijgen. De grootste winst zal gehaald worden uit de participatiestijging van ouderen onder de 65 jaar omdat er in deze leeftijdscategorie meer mensen aan het werk zijn. Dit potentieel is makkelijker aan te boren. Verwachting is dat op termijn ook steeds meer mensen na 65 jaar zullen blijven doorwerken. Dit zal gestimuleerd worden doordat het Kabinet per 1 januari 2013 arbeidsrechtelijke belemmeringen op langer doorwerken na 65 jaar zal wegnemen.

Op dit moment eindigt een arbeidsovereenkomst in het algemeen van rechtswege bij het bereiken van de AOW gerechtigde leeftijd. De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks vragen aan de regering waarom zij deze leeftijd niet per 1 januari op 67 zet. Zij vragen tevens wat hiervan de participatie verhogende effecten zouden zijn. De regering acht het niet opportuun om voor een ontslag van rechtswege een andere leeftijd te kiezen dan die waarop de werknemer de AOW-gerechtigde leeftijd heeft bereikt.

Bovendien heeft een vaste leeftijd het nadeel dat als de AOW-gerechtigde leeftijd stijgt naar + 67 jaar de wet telkens moet worden aangepast. Door in de wet het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd aan te houden is er geen latere aanpassing van de wet vereist.

De participatieverhogende effecten van een verhoging van de ontslagleeftijd tot 67 jaar wordt als gering ingeschat. In 2011 is de gemiddelde pensioenleeftijd van werknemers verder gestegen tot 63,1 jaar. Bij onderlinge overeenstemming kan nu reeds worden doorgewerkt na de AOW-leeftijd. Het aandeel werknemers dat 65 jaar of ouder is op het moment van pensionering, is de laatste vijf jaar verdubbeld: van 15 procent in 2006 naar 30 procent in 2011.

Ter vervollediging wordt er gewezen op de onderstaande paragraaf in de Memorie van Antwoord:

Op dit moment is in de wet niets geregeld over het einde van de arbeidsovereenkomst vanwege het bereiken van de AOW-gerechtigde of een hogere leeftijd. Uit jurisprudentie van de Hoge Raad kan de regel worden afgeleid dat een arbeidsovereenkomst in het algemeen van rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, ook als hierover

geen afspraken zijn gemaakt. De regering is van mening dat het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd een natuurlijk moment moet blijven waarop een arbeidsovereenkomst automatisch eindigt. Dat voorkomt complexe ontslagprocedures, ontslagkosten en ongewenste situaties op de werkvloer, zoals het opbouwen van ontslagdossiers en discussie over het functioneren van werknemers aan het einde van de loopbaan. De regering is voornemens om wettelijk vast te leggen dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, tenzij partijen schriftelijk andere afspraken hebben gemaakt. Dit voorstel is opgenomen in het voorstel van wet «Werken na de AOW-gerechtigde leeftijd», dat onlangs voor advies aan de Raad van State is aangeboden. In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om in het Burgerlijk Wetboek op te nemen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd of een hogere overeengekomen pensioengerechtigde leeftijd, tenzij (cao-) partijen andere schriftelijke afspraken hebben gemaakt. Partijen kunnen bijvoorbeeld afspraken maken over het voortzetten van de overeenkomst na de AOW-gerechtigde leeftijd. De arbeidsovereenkomst eindigt ook van rechtswege bij een lagere pensioengerechtigde leeftijd dan de AOW-gerechtigde leeftijd, mits dat schriftelijk is overeenkomen en er een objectieve rechtvaardiging voor het leeftijdonderscheid is in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Maken partijen geen andere afspraken, dan geeft de wet duidelijkheid. Dit biedt zekerheid voor zowel de werkgever als de werknemer. Het vereiste dat afspraken schriftelijk moeten worden gemaakt, zorgt er bovendien voor dat afspraken kenbaar zijn voor de betrokkenen.

De regering geeft aan dat het niet invoeren van een flexibele AOW een houdbaarheidsbijdrage van 0,2% bbp oplevert. De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks vragen om een nadere toelichting. Zij vragen eveneens of de regering de betekenis van het begrip signaalfunctie kan onderbouwen.

De regering heeft zich voor het bepalen van de houdbaarheidsopbrengst van het wetsvoorstel, en het effect daarop door het introduceren van de mogelijkheid de AOW flexibel op te nemen, gebaseerd op het CPB. Volgens het CPB zal een verhoging van de AOW leeftijd leiden tot een hogere arbeidsparticipatie, om twee redenen. De eerste reden is het vermogenseffect: doordat mensen minder pensioen hebben, zullen zij vaker geneigd zijn langer door te werken. De tweede reden is het «normeffect». De AOW-leeftijd is zeer bepalend voor de sociaal-culturele norm rond pensionering in Nederland. De signaalfunctie van een verhoging van de AOW-leeftijd, waarbij signaalfunctie gedefinieerd is als «indicatie dat bepaalde ontwikkelingen ophanden of althans gewenst zijn», is dat dit naar burgers laat zien dat het normaal (en gewenst) is om langer door te werken. Het CPB heeft in haar doorrekening aangegeven dat de mogelijkheid de AOW eerder op te nemen, afbreuk doet aan de sociaal-culturele norm. De flexibele AOW zorgt er daardoor voor dat de verhoging van de AOW leeftijd een aanzienlijk kleiner effect heeft op de arbeidsparticipatie. De grootte van dit effect is door het CPB geraamd op 0,2% BBP.

De leden van de fracties van PvdA, SP en Groenlinks vragen of het verhogen van de ontslagleeftijd naar 67 jaar ook een signaalfunctie heeft en wat de bijdrage hiervan aan de houdbaarheidsbijdrage van het bbp zou zijn.

Tegelijk met het verhogen van de AOW leeftijd zal ook de leeftijd waarop het automatisch leeftijdsontslag van toepassing is, in gelijke mate worden verhoogd. Dat betekent dat de ontslagleeftijd in 2023 67 jaar zal zijn. Hieraan is door het CPB geen extra houdbaarheidseffect toegekend.

De leden van de fractie van de PvdA, SP en GroenLinks vragen naar de overgangsproblemen voor burgers door de invoering van dit wetsvoorstel. Dit is met name het geval voor burgers die nu in een uitkeringssituatie zitten zoals VUT, WW en prepensioen, (of die daar door een reeds overeengekomen beëindigingovereenkomst binnenkort in terecht komen) en die daardoor onvoorzien gedurende een bepaalde periode in de bijstand zullen komen. Zij stellen dat deze problematiek kleiner wordt in aantal burgers die het betreft, naarmate de tijd verstrijkt. Zij vragen of de regering een indicatie geven van de omvang van deze groepen per jaar. De regering is zich ervan bewust dat de verhoging van de AOW-leeftijd tijdelijke overbruggingsproblemen kan veroorzaken voor mensen die weinig voorbereidingstijd hebben en weinig mogelijkheden om het verlies te compenseren. Daarom wordt een viertal overgangsmaatregelen genomen om de overbrugging voor de mensen met weinig voorbereidingstijd te versoepelen:

Ten eerste wordt de verhoging van de AOW-leeftijd geleidelijk ingevoerd, zodat de overbruggingsproblemen voor de groep met weinig voorbereidingstijd sterk worden beperkt. Hierbij is de verhoging gedurende de eerste 3 jaar tot 1 maand per jaar beperkt. Er komt voor de eerste jaren een voorschotregeling. Deze regeling biedt de mogelijkheid om een voorschot op de AOW te krijgen vanaf de 65e verjaardag. Hiermee kunnen mensen een eventueel inkomens-gat overbruggen. Daarbij geldt dat het eerder opgenomen bedrag over een vastgestelde termijn (maximaal 1,5 jaar bij 3 maanden voorschot in 2015) dient te worden terugbetaald.

In situaties van onvoldoende middelen om in het bestaan te voorzien tot de AOW-gerechtigde leeftijd kan door mensen die aan de voorwaarden voldoen altijd een beroep gedaan worden op de (bijzondere) bijstand, die geregeld is in de WWB. De SVB zal de groep ouderen met weinig voorbereidingstijd actief benaderen.

Voor degenen die alleen als gevolg van de versnelde verhoging van de AOW leeftijd geen partnertoeslag meer ontvangen, i.e. voor de mensen die in november en december 2014 65 jaar worden en onder de bestaande regelingen recht hadden op de toeslag, blijft de AOW partnertoeslag beschikbaar. Hierdoor wordt voorkomen dat mensen door dit wetsvoorstel opeens niet meer de partnertoeslag ontvangen, terwijl zij daar wel op rekenen. In de periode 2013-2015 zullen jaarlijks naar schatting 5000 mensen die nu reeds in een VUT- of prepensioenregeling zitten onvoldoende inkomen of vermogen hebben om het inkomensgat te overbruggen. Hierbij is gekeken naar de groep mensen die in een VUT- of prepensioenregeling zit en is uitgegaan van de vermogensgrenzen in de bijstand en een inkomensgrens van 110% van het wettelijk minimumloon. De overgrote groep van mensen met een VUT- of prepensioenregeling zal geen beroep doen op de bijstand omdat zij voldoende overig inkomen of vermogen hebben, of omdat zij een partner hebben met inkomen.

Overigens zullen deze mensen veelal ook beschikken over ouderdomspensioen dat zij desgewenst naar voren kunnen halen (dit wordt niet meegerekend in het vermogen).

De leden van de fractie van de PvdA, SP en GroenLinks vragen of de regering het met de leden van de fractie van de PvdA eens is dat een flexibele AOW voor deze mensen een verzachting zou kunnen betekenen voor de overgangsproblematiek die voor hun kan ontstaan. De regering is van mening dat met de getroffen overgangsregelingen voldoende tegemoet wordt gekomen aan de groep die met overbruggingsproblemen worden geconfronteerd als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd.

De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks vragen waarom de regering niet heeft gekozen voor een tijdelijke flexibele AOW. Zij vragen wat de kosten en baten zouden zijn van een dergelijke regeling indien de flexibiliteit wordt beperkt tot het verschil tussen de huidige AOW-leeftijd en de AOW-leeftijd zoals in onderhavig wetsvoorstel, en wat de kosten van een tijdelijke flexibele AOW zouden zijn in vergelijking met de door de regering voorgestelde leningssystematiek. Ook vragen zij wat het effect van een tijdelijke flexibele AOW zou zijn op de «signaalfunctie». De regering veronderstelt dat de flexibele AOW waarop de leden van de PvdA-fractie doelen er als volgt uit zou zien: de betrokkene kan zijn AOW in 2013 een maand eerder laten ingaan, in 2014 twee maanden etc., tegen een actuarieel neutrale korting. De regering kiest hier niet voor, en wel om de volgende reden. Een actuarieel neutrale korting bij het één maand eerder laten ingaan van het AOW-pensioen is erg laag (0,5% à 0,7%). Naar verwachting zou een substantiële groep van deze mogelijkheid gebruik maken. De kasopbrengst voor de overheid verdampt daarmee in de eerste jaren grotendeels. Dit wordt geleidelijk terugverdiend in de ca. 20 jaar daarna. Gezien de huidige budgettaire problematiek vindt de regering het echter niet wenselijk als de verhoging van de AOW-leeftijd pas op langere termijn tot besparingen leidt. Een voorschot zoals voorgesteld in het wetsvoorstel moet binnen 6, 12 of 18 maanden worden terugbetaald. Een aanzienlijk deel van de te verstrekken voorschotten wordt dus al terugbetaald in het kalenderjaar dat men de AOW-leeftijd bereikt. Het effect op de kasopbrengst is daarmee veel kleiner dan dat van een flexibele AOW. Een tijdelijke flexibele AOW zou tijdelijk het werkgelegenheidseffect verminderen.

Op 29 november 2011 heeft de minister in de Eerste Kamer met verve een verhoging van de AOW leeftijd per 1 april 2012 verdedigd. Hij stelde daar zelfs dat een eerdere invoeringsdatum prima gekund had; «Als wij het gewild hadden, hadden wij de wijziging zelfs per 1 januari 2012 kunnen uitvoeren» (einde citaat). De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks vragen of de minister kan toelichten waarom het toen wel in 4 weken kon en nu niet eens in 4 maanden.

Het citaat komt uit het verslag van de behandeling van de Wet wijziging ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen1. Aan de hand van dit, los van de context opgevoerde, citaat wordt ten onrechte gesuggereerd dat de situatie van toen vergelijkbaar is met de situatie van nu. Ten eerste had de situatie van toen geen betrekking op de tijd die de SVB al dan niet nodig zou hebben gehad, maar op de tijd die sociale partners nodig hadden om cao’s aan te passen. Ten tweede is het zo dat de beoogde invoeringsdatum destijds 1 januari 2012 was, maar met het oog op de cao-aanpassing, de invoeringsdatum op aandringen van het parlement in het najaar van 2011 met drie maanden is verschoven naar 1 april 2012. Toen tijdens het debat opnieuw discussie ontstond over de vraag of de nieuwe datum van 1 april 2012 wel voldoende tijd gaf, is aangegeven dat (uitgaande van het oorspronkelijke invoeringspad) de invoering zelfs voor 1 januari 2012 kunnen plaatsvinden, maar dat juist reeds rekening was gehouden met een wens van de Kamer. Ten derde heeft het wetsvoorstel «ingangsdatum AOW-ouderdomspensioen» weliswaar net als dit wetsvoorstel betrekking op het startmoment van de AOW, maar zijn de consequenties voor de uitvoering niet precies hetzelfde. Zowel het moment in het proces voor de uitvoering, de informatievoorziening aan de burger als de aard van de wijzigingen in de systemen verschillen. Voor het in kaart brengen van de gevolgen voor de uitvoering vaar ik op de uitvoerders zelf, in dit geval de SVB. De SVB heeft een uitvoeringstoets uitgebracht. Daarin heeft de SVB aangegeven dat invoering het wetsvoorstel per 1 januari 2013 krap en risicovol, maar niet onmogelijk wordt geacht. Ook heeft de SVB aangegeven dat een latere behandeling Kamerstukken II 2010/11, 32 846.                     van het wetsvoorstel de beheersbaarheid van risico’s zou verkleinen. Dit is voor mij een belangrijke reden om aan te dringen op snelle behandeling van het wetsvoorstel en voldoende voorbereidingstijd voor de uitvoering.

Fracties van PvdA, SP en GroenLinks naar aanleiding van de informatiebijeenkomst

De leden van de fracties van de PvdA, SP en GroenLinks geven aan dat de inkomensgevolgen in onderhavig voorstel verdeeld worden over een periode van 6 maanden. Voor 2015 bijvoorbeeld betekent dit dat 3 maanden moeten worden overbrugd middels een voorschotregeling in 18 maanden. Dat betekent voor mensen die afhankelijk zijn van alleen een AOW een bruto inkomstendaling van ruim 16% gedurende anderhalf jaar. De leden van de fracties van de PvdA, SP en GroenLinks stellen dat zij hiermee onder de armoedegrens komen. Zij vragen waarom de regering niet gekozen heeft voor een flexibele AOW waarbij deze achteruitgang kan worden opgevangen gedurende de verwachte gemiddelde uitkeringsduur van om en nabij de 15 jaar. Ook vragen zij wat de inkomensachteruitgang in dat geval zou betekenen.

De leden van de fracties van de PvdA, SP en GroenLinks verwijzen naar de groep mensen die vanaf 65-jarige leeftijd alleen afhankelijk is van het AOW-pensioen. Hierbij zij echter opgemerkt dat voor deze groep geldt zij voor de periode dat de AOW-leeftijd wordt verhoogd een beroep op de bijstand kunnen doen mits wordt voldaan aan de voorwaarden van de bijstand. Zij krijgen hierdoor niet te maken met de genoemde inkomensdaling.

Een flexibele AOW spreidt het inkomensgat dat mogelijk kan optreden als gevolg van de hogere AOW-leeftijd uit over gemiddeld twintig jaar in plaats van zeven maanden per maand verhoging. De inkomensdaling zou bij een verhoging van drie maanden en invoering van een flexibele AOW uitkomen op circa 1½ tot 2 procent per jaar. De regering kies niet voor een flexibele AOW. Op korte termijn speelt dat bij een korting op de AOW die op individueel niveau actuarieel neutraal is, naar verwachting van de regering grote groepen mensen gebruik zullen maken van de mogelijkheid de AOW naar voren te halen. Hierdoor lekt vrijwel de hele besparing die het gevolg is van de verhoging van de AOW-leeftijd in de eerste jaren weg. Dit geldt ook voor een tijdelijke flexibilisering. Ook op de lange termijn is de introductie van een flexibele AOW een kostbare maatregel door een negatief effect op de werkgelegenheid: het niet opnemen van deze mogelijkheid levert een houdbaarheidsbijdrage van 0,2% bbp. Dit is het effect van het opschuiven van de sociaal-culturele norm voor de pensioenleeftijd, waardoor mensen het normaal gaan vinden om langer door te werken. Het CPB gaat ervan uit dat de uittreed-leeftijd gemiddeld met een maand toeneemt als de richtleeftijd met twee maanden opschuift. Daardoor nemen het arbeidsaanbod en de werkgelegenheid toe. Volgens het CPB leidt het wetsvoorstel om de AOW-leeftijd te verhogen ten opzichte van het pensioenakkoord tot een extra stijging van de werkgelegenheid van bijna een procentpunt, mede doordat de AOW niet wordt geflexibiliseerd. Een flexibele AOW beperkt namelijk het verschuiven van de sociaal-culturele norm waardoor het genoemde positieve effect op de werkgelegenheid ook wordt verminderd.

De leden van de fracties van de PvdA, SP en GroenLinks vragen naar de grootte van de groep die na 2015 te maken krijgen met overgangsproblematiek, bijvoorbeeld vanwege individuele beëindigingovereenkomsten die in het kader van reorganisaties zijn overeengekomen maar ook vanwege (vroeg)pensioenregelingen bij bijvoorbeeld de brandweer en het ambulancepersoneel. Ook vragen zij hoe de minister aan deze problematiek denkt tegemoet te komen.

De regering heeft geen inzicht in de totale omvang van de groep die na 2015 mogelijk te maken krijgt met overgangsproblematiek. De VNG heeft in de hoorzitting in de Eerste Kamer aangegeven dat het bij gemeenten in totaal om circa vier tot vijf duizend man gaat. Daarbuiten is het niet duidelijk hoe groot de groep is.

De groep die na 2015 te maken krijgt met de hogere AOW-leeftijd, maar vanwege individuele beëindigingovereenkomsten of (vroeg)pensioenre-gelingen een overgangsprobleem heeft, is in eerste instantie zelf verantwoordelijk voor het oplossen van deze problematiek. Mogelijk kan een deel van de groep in overleg met de werkgever of (pensioen)verze-keraar tot een oplossing komen.

Daarnaast zal een deel wellicht vermogen hebben of een partner met inkomen waarop een beroep kan worden gedaan. Ook kan er gedurende de periode tot de 65-jarige leeftijd extra geld opzij worden gelegd om het inkomensgat te overbruggen, of kan een deel van het aanvullende pensioen eerder worden opgenomen. Tot slot kan de groep die vanaf 2016 een overgangsprobleem aan ziet komen, besluiten om in de tussenliggende periode – eventueel in deeltijd – te gaan werken. In 2016 gaat het om een potentieel eenmalig inkomensgat van maximaal circa netto 5300 euro voor een alleenstaande (3700 euro voor een gehuwde). Door vanaf 2013 vier uur per week met een modaal loon te gaan werken kan dit inkomensgat voor een alleenstaande volledig worden gedicht.

De leden van de PvdA, SP en GroenLinks verwijzen naar de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer, waarin staat dat 60 000 tot 80 000 mensen een vermogenspositie heeft opgebouwd waardoor er niet of nauwelijks sprake is van overgangsproblematiek. Ook staat er dat er in het algemeen sprake zou zijn van een prima aanvullende pensioenvoorziening voor deze groep mensen waarmee een tijdelijk hiaat in het inkomen kan worden gedekt. Zij vragen of de minister cijfers kan verstrekken over de vermogensverdeling onder de mensen die door de overgangsproblematiek worden geraakt.

In de memorie van antwoord is aangegeven dat er in de periode 2013–2015 jaarlijks rond de 60 000–80 000 personen die nu reeds in de VUT of een prepensioenregeling zitten te maken krijgen met de voorgestelde stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd. Het overgrote deel van deze groep heeft voldoende vermogen beschikbaar om de periode waarin mogelijk geen recht meer bestaat op de VUT-uitkering tot de AOW-leeftijd te overbruggen. Circa 70% van de huidige VUT’ers tussen de 62 en 64 jaar heeft een vermogen (exclusief eventuele waarde van de eigen woning) van meer dan € 5000. Circa 50% van de huidige VUT’ers tussen de 62 en 64 jaar heeft een vermogen dat groter is dan € 20 000, en circa 30% heeft een vermogen dat groter is dan € 100 000 euro. Over het algemeen zal gelden dat deze groep naast hun VUT of prepensioenregeling ook een aanvullend pensioen heeft opgebouwd. Hoe groot dit aanvullend pensioen in de toekomst zal zijn, is niet bekend.

De leden van de fracties van de PvdA, SP en GroenLinks verwijzen naar de CSO die stelt dat ruim een kwart van deze mensen niet in staat om de overgangsproblematiek te dragen zonder onder de armoedegrens te komen. Zij vragen of de minister kan aangeven hoe groot de groep is die moet rondkomen van alleen de AOW, de AOW plus een aanvullend pensioen van 10% en de AOW met een aanvullende pensioen van 20%. De overgangsproblematiek speelt met name bij mensen die nu reeds in een VUT of een prepensioenregeling zitten. Voor deze groep geldt dat deze naast hun VUT of prepensioenregeling over het algemeen ook een aanvullend pensioen opgebouwd hebben. Hoe groot dit aanvullend pensioen in de toekomst zal zijn, is niet bekend. Wat wel bekend is, is de omvang van het huidige inkomen en vermogen van de groep die nu in een VUT of prepensioenregeling zit. Hiervan kan worden gesteld dat van de circa 60 000–80 000 mensen die jaarlijks in deze regelingen zitten en te maken krijgen met de hogere AOW-leeftijd, circa 70% voldoende vermogen heeft om het inkomensgat te overbruggen. Daarnaast heeft nog een gedeelte van deze groep overig inkomen of een partner waarop een beroep kan worden gedaan, zodat er uiteindelijk circa 5000 mensen die nu reeds in een VUT- of prepensioenregeling zitten onvoldoende inkomen of vermogen hebben om het inkomensgat te overbruggen. Omdat in de praktijk een deel van deze groep zijn aanvullend pensioen eerder zal opnemen, zal het werkelijke aantal nog lager liggen. De leden van de fracties van de PvdA, SP en GroenLinks vragen ook naar de omvang van de groep die alleen moet rondkomen van de AOW, de AOW plus een aanvullend pensioen van 10% en de AOW met een aanvullend pensioen van 20%. Hoe groot deze groep in de toekomst zal zijn, is niet bekend. Er kan wel iets gezegd worden over de huidige situatie. Hierbij geldt dat circa 15% van de huidige huishoudens met ouderen geen aanvullend pensioen heeft, 10% heeft een aanvullend pensioen tot 2000 euro en 15% een aanvullend pensioen tussen 2000 en 5000 euro. Circa 60% van de huishoudens met ouderen heeft dus een aanvullend pensioen dat hoger is dan 5000 euro. Bij deze cijfers past de kanttekening dat in toekomstige cohorten ouderen meer ouderen aanvullend pensioen hebben opgebouwd, waarbij het individuele pensioen ook hoger uitpakt.

De leden van de fracties van de PvdA, GL en de SP en van de CDA-fractie hebben een aantal vragen over de aansluiting van de pensioenrichtleeftijd op de AOW leeftijd. De leden van de CDA-fractie vragen een toezegging dat de fiscale hobbels worden weggenomen, zodat het pensioen kan ingaan op de AOW-leeftijd. Ook de leden van de fracties van de PvdA, GL en SP vragen of het per 2013 fiscaal mogelijk wordt gemaakt om het pensioen gelijktijdig te laten uitkeren met de datum van ingang AOW. Verder vragen de leden van de fracties van de PvdA, GL en de SP of de minister het problematisch zou vinden dat de AOW leeftijd niet meer synchroon loopt met de pensioenleeftijd en wanneer deze weer gelijk op kunnen lopen.

Het huidige Witteveenkader kent zeer veel flexibiliteit ten aanzien van het uitstellen en het vervroegen van het pensioen. In dat opzicht zijn er geen fiscale belemmeringen om het pensioen in te laten gaan op de AOW-leeftijd.

Het specifieke punt van de wens om het doorwerkvereiste te laten vervallen, betreft een afzonderlijk punt, dat niet rechtstreeks samenhangt met de verhoging van de AOW-leeftijd en de doorwerking daarvan in de uitstelmogelijkheden van het aanvullende pensioen. Als het om het laten vervallen van het doorwerkvereiste gaat – zoals wordt bepleit door de pensioenuitvoerders – wil het kabinet enige kanttekeningen plaatsen. Deze fiscale eis hangt allereerst samen met het karakter van het aanvullend pensioen. Pensioen dient als inkomensver-vanging. Om die reden vindt fiscale facilitering plaats door toepassing van de omkeerregel (aanspraak vrijgesteld, uitkering belast). Vanuit die ratio bezien ligt niet voor de hand verder belastinguitstel te verlenen als de pensioendeelnemer niet langer meer werkt. Daarnaast verdient aandacht dat verder belastinguitstel verlenen effect kan hebben op het beslag dat wordt gelegd op sociale voorzieningen (bijvoorbeeld WW/WIA) die worden genoten in de periode voorafgaand aan pensioen. Ten slotte kan het laten vervallen van het doorwerkvereiste negatieve effecten hebben op de arbeidsparticipatie door ouderen. Deze argumenten zijn recent nog als reden genoemd om vast te houden aan het doorwerkvereiste1. Zoals in de memorie van antwoord en de nota naar aanleiding van het verslag is opgemerkt, zullen technische aanpassingen van fiscale regelgeving die verband houden met de verhoging van de pensioenleeftijd worden meegenomen in het wetgevingspakket van het Belastingplan 2013.

1 Zie ook: Kamerstukken II 2011/12, 33 046, nr. 9.

De leden van de fracties van de PvdA, GroenLinks en SP vragen of de regering van plan is om pensioenfondsen toe te staan om de omrekening van reeds opgebouwde aanspraken naar de nieuwe pensioenrichtleeftijd per 1 januari 2017 collectief op actuarieel neutraal zonder de verplichte individuele toestemming door te voeren. Ook de leden van de CDA-fractie vragen of het in de optiek van de regering verstandig zou zijn om pensioenuitvoerders de mogelijkheid te geven om eenzijdig te kiezen voor collectieve actuariële herrekening naar één nieuwe pensioenrichtleeftijd (67).

Het eventueel creëren van een dergelijke eenzijdige mogelijkheid zal zoals aangekondigd door de regering worden onderzocht. Of het verstandig is om die mogelijkheid te creëren, kan de regering daarom nu nog niet inschatten.

Uitvoeringsorganisaties wijzen op grote communicatieproblemen en verwarring bij burgers. Een uitstel van de invoering tot 1 januari 2014 zou deze problemen kunnen verlichten. De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks vragen hoe de regering denkt over deze problematiek en mogelijke oplossingen.

De regering herkent zich niet in dit beeld. De SVB, UWV en VNG hebben bij de hoorzitting die uw Kamer op 9 juli jl. heeft georganiseerd aangegeven dat invoering per 1 januari 2013 haalbaar is. Ook hebben zij aangegeven dat er geen openstaande vragen of onduidelijkheden zijn. Zij dringen aan op een snelle behandeling van dit wetsvoorstel zodat snel duidelijkheid kan worden gegeven aan de burger wat het voorliggende wetsvoorstel betekent voor zijn of haar situatie. Uitstel zal er toe leiden, zoals op eerdere vragen van deze leden is geantwoord, dat de communicatie naar toekomstige AOW-gerechtigden langer onduidelijk blijft en dat aanvragen en afhandeling van de AOW-uitkering langer op zich laat wachten.

Volgens Actal leidt de jaarlijkse stapsgewijze verhoging (in 7 «jaars-tappen» tot 66-jarige leeftijd in 2019) tot extra regeldruk, extra administratieve lasten en aanpassing van de systemen en tot grote verwarring bij burgers. De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks vragen of de regering de daarmee gepaard gaande kosten in beeld heeft. De uitvoeringskosten die verbonden zijn met de verhoging van de AOW-leeftijd staan beschreven in paragraaf 5.4 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Paragraaf 5.5 van dezelfde memorie van toelichting gaat in op de administratieve lasten voor burgers en bedrijven.

De leden van de fracties van PvdA, GroenLinks en de SP vragen naar de wijziging van de bestaande wet- en regelgeving als gevolg van de verhoging van de AOW-leeftijd en wat als een nieuwe Tweede Kamer daar anders over denkt.

De materiële, politieke keuze ligt nu voor. Vanzelfsprekend zal bestaande wet- en regelgeving moeten worden aangepast aan deze keuze, maar die aanpassingen zijn alleen een uitwerking van dit wetsvoorstel. Als een nieuwe Tweede Kamer de verhoging van de AOW-leeftijd wil terugdraaien, dan zal dat door middel van een wetswijziging moeten. De regering acht dit vanzelfsprekend zeer onverstandig en verwacht dit overigens ook niet gezien de brede consensus in bijvoorbeeld verkiezingsprogramma’s over de onvermijdelijkheid van het verhogen van de AOW-leeftijd.

De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks vragen wat dan nog het nut is van de bijzondere delegatiebepaling. Daarnaast vragen zij of het dan niet verstandig is om alles in een keer zorgvuldig af te handelen en daarbij de koninklijke weg van de parlementaire behandeling te bewandelen.

De aanpassing van bestaande wet- en regelgeving vindt, als gemeld, niet plaats via het Belastingplan 2013. Aanpassing van bestaande wetgeving zou een nieuw wetsvoorstel vergen dat niet kan worden afgerond binnen een zodanig kort tijdsbestek dat alle betrokkenen zich nog goed kunnen voorbereiden op deze wijzigingen. Met het oog daarop is op advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, bij wijze van «noodprocedure» in artikel V van het wetsvoorstel deze tijdelijke delegatiebepaling opgenomen. Het nut van deze delegatiebepaling is dat deze voorziet in de mogelijkheid de noodzakelijke technische aanpassingen van bestaande wetgeving binnen korte tijd te kunnen realiseren, door middel van een algemene maatregel van bestuur die in deze aanpassingen voorziet. Dit geldt overigens slechts voor zover dit «noodzakelijk is voor de toepassing van die wetten of ter voorkoming van onaanvaardbare gevolgen». De aanpassingsamvb is momenteel in voorbereiding. Overigens dient op grond van deze zelfde delegatiebepaling, na het tot stand komen van de algemene maatregel van bestuur, zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen acht weken, een voorstel van wet tot goedkeuring van deze algemene maatregel van bestuur aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te worden gezonden.

De regering is zich er terdege van bewust dat er een krappe planning wordt gehanteerd. En daarbij is, tot op de dag van vandaag, toe een zwaar beroep gedaan op de inzet van alle bij de totstandkoming van wetgeving betrokken actoren. Niettemin valt dit te rechtvaardigen omdat daarmee het Voorjaarsakkoord wordt uitgevoerd en daarnaast wordt recht gedaan aan het grote belang van alle bij de uitvoering van de maatregel betrokkenen om, ondanks invoering per 2013 van de verhoging van de AOW-leeftijd, toch een redelijke en noodzakelijke voorbereidingstijd te hebben. Het volgen van de «koninklijke» weg zou ertoe leiden dat de behandeling van het wetsvoorstel over het zomerreces van Uw Kamer zou worden getild, met als gevolg dat de wet naar verwachting eerst eind september tot stand zou kunnen komen. De zo belangrijke voorbereidingstijd voor alle betrokkenen zou daarmee bijna met de helft worden bekort. De regering is daarom van mening dat er sprake is van een redelijke afweging van belangen en dat daarin een juiste en evenwichtige balans is gevonden. Bovendien is het niet voor het eerst dat Uw kamer wordt geconfronteerd met een wetsvoorstel ter verhoging van de AOW-leeftijd en de repercussies die dit op vele gebieden in de samenleving heeft. Gelet op deze overwegingen acht de regering, ondanks de zeer korte doorlooptijden een zorgvuldige, verantwoorde en ordentelijke behandeling in Uw Kamer mogelijk.

De voorschotregeling is volgens SVB per 1 november klaar, aldus de leden van de fracties van de PvdA, GroenLinks en de SP. Dat betekent dat communicatie niet binnen de termijn van 6 maanden die daar gebruikelijk voor staat kan plaatsvinden. Ook verzekeraars en pensioenfondsen hebben aangegeven niet aan de wettelijke eisen met betrekking tot communicatie te kunnen voldoen. De leden van deze fracties vragen de regering of zij desondanks van plans is om te handhaven. In de regel bevordert de SVB de AOW-aanvraag zes maanden voor de pensioengerechtigde leeftijd. Dit geeft de burger voldoende tijd zich daarop voor te bereiden en geeft de SVB voldoende tijd om de aanvraag af te handelen. In de toekenningsbeschikking AOW worden zij geïnformeerd over de wijze waarop een voorschot kan worden aangevraagd. De termijn van zes maanden is geen wettelijke in de AOW opgenomen termijn, maar wordt door de SVB gehanteerd in kader van de dienstverlening aan de burger. Nu het geen wettelijke termijn betreft, is handhaving vanwege het niet-nakomen van die termijn niet aan de orde. In de Memorie van Antwoord is opgemerkt dat om knelpunten bij de informatieverstrekking aan deelnemers te voorkomen, de regering samen met samen met de Autoriteit Financiële Markten en met pensioenuit- voerders zal overleggen of en in hoeverre versoepeling van de bestaande wettelijke termijnen voor informatie aan deelnemers nodig is. Als die versoepeling nodig is, zal de handhaving daarop worden toegesneden.

De leden van de fracties van de PvdA, SP en GroenLinks verwijzen naar de FNV, die stelt dat er voor de groep die geraakt wordt door de overgangsproblematiek sprake van cumulatie van maatregelen. Dan hebben we het onder andere over indexatiehiaat, verlies partnertoeslag en een mogelijke korting op de pensioenuitkering per 1 april 2013. Zij vragen of de minister een indicatie kan geven wat de omvang is van deze problematiek voor mensen die het raakt.

De leden van de fracties van de PvdA, SP en GroenLinks noemen drie maatregelen die kunnen cumuleren met de overgangsproblematiek van de verhoging van de AOW-leeftijd. Het gaat hierbij om twee maatregelen die een oorsprong hebben in de huidige slechte financiële positie van pensioenfondsen: het indexatiehiaat en een mogelijke korting op de pensioenuitkering per 1 april 2013. Voor wat betreft het indexatiehiaat geldt dat de meeste pensioenfondsen de afgelopen jaren zeer beperkt hebben kunnen indexeren, en dat daardoor de meeste werknemers in potentie last kunnen hebben van een indexatiehiaat. Het aantal werknemers dat te maken krijgt met een korting op het aanvullend pensioen per 1 april 2013 is nog onbekend, omdat dit mede afhangt van de ontwikkeling van de dekkingsgraden van de verschillende pensioenfondsen in de komende tijd. Voor deze twee factoren aan de zijde van pensioenfondsen geldt echter dat werknemers deze in veel gevallen zelf al hebben opgevangen door langer door te werken. De uittreedleeftijd is tussen 2006 en 2011 gestegen van 61 jaar tot 63 jaar. Langer doorwerken is als een mes dat aan twee kanten snijdt: door langer door te werken wordt meer pensioen opgebouwd en het pensioen wordt actuarieel neutraal verhoogd door het vanaf een later moment op te nemen. De cumulatie van deze twee maatregelen aan de zijde van pensioenfondsen met de hogere AOW-leeftijd is hierdoor beperkt.

Voor wat betreft de afschaffing van de partnertoeslag AOW geldt in zekere zin hetzelfde. Het kabinet Kok-I heeft al in 1995 besloten de partnertoeslag vanaf 2015 af te schaffen voor alle nieuwe AOW-ers, vanwege de verdergaande individualisering, de emancipatie van vrouwen en het grotere belang van aanvullende pensioenen naast de AOW. Door de vroege aankondiging, in combinatie met een sterke stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen in de tussenliggende periode, zal het inkomensverlies van de maatregel in de meeste gevallen beperkt zijn. Bovendien geldt de afschaffing van de partnertoeslag alleen voor AOW-ers die vanaf 2015 65 jaar worden. Hierdoor maar deels cumulatie op met de overgangsproblematiek tot en met 2015. Overigens is de partnertoeslag verlengd voor degenen die alleen als gevolg van de versnelde verhoging van de AOW leeftijd geen partnertoeslag meer ontvangen. Voor de mensen die in november en december 2014 65 jaar worden en onder de bestaande regelingen recht hadden op de toeslag, blijft de AOW partnertoeslag beschikbaar. Hierdoor wordt voorkomen dat mensen door dit wetsvoorstel opeens niet meer de partnertoeslag ontvangen, terwijl zij daar wel op rekenen.

De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks vragen, nu per 1 januari 2014 de pensioenrichtleeftijd van 67 wordt ingevoerd, terwijl het voornemen bestaat te regelen dat de datum van ontslag van rechtswege gelijk is aan de aanvangsdatum van de AOW leeftijd, hoe zich dit verhoudt tot de wet gelijke behandeling en de Europese richtlijn in deze. Het voornemen van de regering is om wettelijk het uitgangspunt vast te leggen dat de arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt op de dag dat de AOW-leeftijd wordt bereikt. Op grond van artikel 7 van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid geldt een ontslag op die dag niet als verboden onderscheid. Europese richtlijnen in dezen bepalen dat eveneens. Aldus is een ontslag van rechtswege bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd gerechtvaardigd. De vaststelling van de pensioenrichtleeftijd per 2014 op 67 jaar, betreft het pensioen in de zgn. tweede pijler. Het staat een deelnemer vrij om zijn pensioen in te laten gaan op een eerder tijdstip, bijvoorbeeld het moment waarop zijn AOW-uitkering ingaat. De aanpassing van de pensioenrichtleeftijd geldt voorts slechts ten aanzien van aanspraken, opgebouwd vanaf 2014. Deze aanpassing raakt de personen die tussen 2014 en 2022 de AOW-gerech-tigde leeftijd bereiken daarom maar in beperkte mate.

De leden van de fracties van de PvdA, de SP en GroenLinks vragen naar de voorschotregeling bij overlijden. Zij vragen of een voorschot dan wordt kwijtgescholden of deel uitmaakt van de nalatenschap. Bij overlijden maakt een nog niet verrekend voorschot deel uit van de nalatenschap. Een verleend voorschot kan in beginsel niet door de SVB worden kwijtgescholden. In schrijnende gevallen zal de SVB echter maatwerk leveren.

De leden van de fracties van de PvdA, de SP en GroenLinks vragen hoe groot de leeftijdscohorten zijn die in respectievelijk 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017 de AOW-leeftijd bereiken. Zij vragen vervolgens welk aandeel in deze cohorten momenteel betaalde arbeid heeft en welk del daarvan momenteel een contract heeft dat functiegerelateerd of anderszins contractueel eindigt voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd? Ook vragen zij welk aandeel in deze cohorten inkomen heeft uit eigen onderneming, kapitaalinkomen heeft, inkomen uit collectief prepensioen, VUT, FLO of anderszins een CAO- of functiegerelateerde inkomensvoorziening zonder daarvoor momenteel nog betaalde arbeid te verrichten. Vervolgens vragen zij welk deel van deze cohorten de komende jaren nog een dergelijke regeling krijgt. Zij vragen ook welk aandeel in deze cohorten een andere sociale verzekering of uitkering als inkomstenbron heet. Tot slot vragen zij welk aandeel in deze cohorten helemaal geen individueel inkomen heeft.

Er is geen gedetailleerde raming voorhanden van de samenstelling van de inkomens van leeftijdscohorten die tussen 2013 en 2017 de AOW-leeftijd bereiken. Het CPB maakt ramingen tot en met 2017, maar rapporteert niet op dit detailniveau, en het CBS die wel op dit detailniveau rapporteert maakt geen ramingen voor de toekomst. Overigens is ook bij het CBS niet bekend welk deel van de werknemers een contract heeft dat functiegerela-teerd of anderszins contractueel eindigt voor het bereiken van de 65-jarige leeftijd.

Op een abstracter niveau, gebaseerd op de huidige situatie, valt wel een antwoord te geven op de gestelde vragen. De komende jaren zal jaarlijks een groep van circa 200 tot 225 duizend personen de AOW gerechtigde leeftijd bereiken. Hiervan is ongeveer een kwart tot een derde actief op de arbeidsmarkt als werknemer of zelfstandige, heeft ongeveer een kwart tot een derde een uitkering, is ongeveer een kwart tot een derde vervroegd gepensioneerd in VUT of prepensioen en heeft ongeveer een vijfde geen inkomen. Hoe deze verhoudingen zich in de periode tot 2017 zullen gaan ontwikkelen is onzeker. Dit hangt onder meer af van de economische ontwikkeling en het gevoerde beleid in die periode.

De leden van de fracties van PvdA, SP en GroenLinks wijzen op de uitvoeringsrisico’s van het wetsvoorstel. Zij vragen of de regering een risicoanalyse heeft gemaakt. Zij vragen tevens of de financiële opbrengst voor de overheid voor één jaar opweegt tegen de risico’s en de regeldruk voor burgers en bedrijven.

De regering noch de SVB heeft een aparte risicoanalyse gemaakt. De regering is zich ervan bewust dat de implementatie van het wetsvoorstel een forse ICT-inspanning kent voor de SVB binnen een beperkte implementatieduur. De regering heeft daarom in een vroeg stadium de SVB geïnformeerd over de voorgenomen wijzigingen. De SVB heeft in de uitvoeringstoets de risico’s die invoering met zich brengen in kaart gebracht. De SVB heeft daarop laten weten dat de invoering van het voorliggend wetsvoorstel haalbaar is, maar dat andere trajecten hierdoor in het gedrang zouden komen. Dit leidt tot een eenmalig besparingsverlies in de uitvoeringskosten. Het kabinet is van mening dat de opbrengsten van het voorliggende wetsvoorstel hier ruimschoots tegen op wegen.

De leden van de PvdA-fractie vragen te reageren op de opmerking van VNO-NCW over het schrappen van de stijging van de AOW met 0,6% per jaar. Ook de fractie van 50Plus vraagt naar de bereidheid van de regering om de het schrappen van deze 0,6% opnieuw te heroverwegen. Het huidige wetsvoorstel wijkt op een aantal punten af van het wetsvoorstel dat een uitwerking vormde van de afspraken met de sociale partners in het pensioenakkoord. Eén van de verschillen is dat de jaarlijkse extra verhoging van de AOW met 0,6% in het onderhavige wetsvoorstel achterwege is gebleven. Het kabinet is van oordeel dat, gegeven de huidige acute budgettaire problematiek, het niet in de rede ligt om nu over te gaan tot een extra verhoging van de AOW bovenop de reguliere indexatie. De noodzaak hiertoe is ook niet aanwezig. Onderzoek van het CPB laat zien dat de AOW in de afgelopen 50 jaar sterker is gestegen dan de verdiende lonen. Een paar met AOW heeft bovendien meer te besteden dan een paar waarin één partner werkt tegen het minimumloon. Dit terwijl ons minimumloon – op Luxemburg na – het hoogste van Europa is. Hoewel voor 2013 de koopkracht van ouderen met aanvullend pensioen onder druk staat als gevolg van onder meer de moeilijke financiële positie van pensioenfondsen, staat over een langere horizon bezien de koopkracht van de meeste ouderen er nog steeds goed voor. In de periode tussen 2001 en 2010 hadden 65-plussers een gemiddelde reële inkomensstijging van 10%, terwijl in deze zelfde periode het reële inkomen van 65-minners maar met 2% steeg. Armoedecijfers, gegevens ten aanzien van de aanwezigheid van schulden en de vermogenspositie van ouderen geven hetzelfde beeld. De regering ziet daarom geen aanleiding tot heroverweging van het voorliggende voorstel.

De FNV benadrukt dat de aansluiting tussen arbeidscontracten, ontslag en pensioenregelingen en hoe dat wordt geacht te functioneren vanaf 1 januari 2013, een onderbelicht punt is in de uitvoeringsdiscussies. De leden van de fracties van de PvdA, GroenLinks en de SP vragen of de regering daar nader op kan ingaan.

Werkgevers en werknemers zijn verantwoordelijk voor het in lijn brengen van individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten met de wet- en regelgeving. Dit initiatief wetsvoorstel verplicht werkgevers en werknemers niet om arbeidscontracten, pensioenregelingen, e.d. op elkaar aan te laten sluiten. Indien het wenselijk wordt geacht een cao-bepaling te wijzigen, dan kan dat betrekkelijk snel. Partijen hebben voldoende tijd om individuele en collectieve arbeidsovereenkomsten nog voor 1 januari 2013 aan te passen. De eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor cao’s neemt uiteraard niet weg dat een cao-bepaling niet strijdig mag zijn met wet- en regelgeving. Cao-bepalingen die een ontslagbepaling kennen die eerder ingaat dan de AOW-gerechtigde leeftijd, kunnen strijdig zijn met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Ontslag uitsluitend gebaseerd op het bereiken van een bepaalde leeftijd mag niet, tenzij die leeftijd de AOW-gerechtigde leeftijd is; en bij een lagere leeftijd, daar waar een objectieve rechtvaardiging voor is. Die objectieve rechtvaardiging zal er niet zijn als een werknemer wordt ontslagen omdat in de cao of individuele arbeidsovereenkomst nog steeds sprake is van ontslag bij 65 uitsluitend omdat men de betreffende overeenkomst niet heeft aangepast aan de stijging van de AOW-leeftijd. Als een werknemer desondanks bij 65 wordt ontslagen is dat ontslag vernietigbaar.

CDA-fractie

De leden van de CDA-fractie vragen naar het budgettaire effect indien de

AOW-leeftijd in 2013 niet zou worden verhoogd en in 2014 met drie

maanden.

Bij het invoerpad zoals geschetst door de leden van de CDA-fractie zou de opbrengst in 2013 van € 145 miljoen komen te vervallen. In 2014 zou de opbrengst ongeveer € 120 miljoen hoger uitkomen dan in het huidige wetsvoorstel.

De leden van de CDA- fractie vragen welke mogelijkheden de minister ziet om in dit wetsvoorstel toch de oorspronkelijke franchisestijging op te nemen.

Zoals in de nota naar aanleiding van het verslag1 is vermeld komt de verlaging van de maximumopbouwpercentages in de plaats van de verhoging van de minimumfranchise in het Wetsvoorstel verhoging pensioenleeftijd, extra verhoging AOW en flexibilisering ingangsdatum AOW. Deze verhoging van de minimumfranchise komt in onderhavig wetvoorstel te vervallen omdat de extra verhoging van de AOW ook niet doorgaat. Er bestaat wettelijk een directe koppeling tussen de AOW en de franchise. Een verhoging van de franchise, waarmee die koppeling zou worden losgelaten, acht de regering niet wenselijk. De nu voorgestelde koppeling verhoging van de pensioenrichtleeftijd leidt in combinatie de verlaging van het opbouwpercentage per saldo tot eenzelfde beoogde budgettaire opbrengst van € 700 miljoen per 2014. Gelet op voorgaande ziet het kabinet geen aanleiding noch mogelijkheden om in dit wetsvoorstel de eerder voorgestelde franchisestijging op te nemen.

De leden van de CDA-fractie vragen of de minister de tijdens de informatie-bijeenkomst door het FNV naar voren gebrachte opinie deelt dat met de voorgestelde inperking van het Witteveenkader de positie van jongeren onevenredig benadeelt.

Het onderhavige wetsvoorstel in zijn totaliteit beschouwd heeft ten doel de houdbaarheid van de overheidsfinanciën te verbeteren. In zoverre dient dit wetsvoorstel ook de belangen van jongeren. Het stelsel van oudedagsvoorzieningen kan op deze manier immers ook voor toekomstige generaties behouden blijven.

Ook bij de maatregelen in de sfeer van de aanvullende pensioenen deelt het kabinet niet de opvatting van de FNV dat met name jongeren zullen worden getroffen. De voorgestelde wijzigingen in het Witteveenkader zien uitsluitend op de opbouw van toekomstige aanspraken. Deze aanpassing van het fiscale kader voor pensioenen geldt voor iedere werknemer die aanvullend pensioen opbouwt. Het door de FNV tijdens de informatiebijeenkomst betrokken standpunt is gebaseerd op een vergelijking tussen toekomstige en reeds opgebouwde pensioenaanspraken. Evenwel kan aan het gegeven dat bestaande pensioenrechten worden geëerbiedigd niet de conclusie worden verbonden dat jongeren dan onevenredig worden geschaad. Een eerbiediging van bestaande aanspraken is vanzelfsprekend, omdat een aantasting van die rechten zou neerkomen op wetgeving met materieel terugwerkende kracht. De redenering van de FNV volgend zou iedere inperking van het Witteveenkader nadelig uitpakken voor jongeren. Een van de doelstellingen van het wetsvoorstel is dat mensen in de toekomst langer moeten werken om een volledig pensioen op te bouwen. Met onderhavig wetsvoorstel wordt bereikt dat

Kamerstukken II 2011/12, 33 290, nr. 9.              de pensioenleeftijd geleidelijk toeneemt.

Afsluitend merkt het kabinet op dat het onderhavige wetsvoorstel bij aanvullende pensioenen over het algemeen gunstiger zal uitpakken voor jongeren dan het wetsvoorstel dat zag op de uitvoering van het pensioen-akkoord1. In dat wetsvoorstel werd de minimumfranchise verhoogd tegenover de nu voorgestelde verlaging van de maximumopbouwpercen-tages. Een verhoging van de franchise raakt vooral lagere inkomensgroepen, waartoe jongeren in beginsel veelal kunnen worden gerekend. Het onderhavige wetsvoorstel vraagt in meerdere mate ook van hogere inkomens een bijdrage om de oudedagsvoorzieningen en de overheidsfinanciën voor de toekomst houdbaar te houden.

50PLUS

Het lid van de fractie van 50PLUS wil weten of het juist is dat minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dinsdagmiddag 3 juli 2012 een gesprek heeft gehad met GroenLinks-fractievoorzitter Thissen. Indien dit juist is, wie was of waren eveneens bij dit gesprek aanwezig? Waarover ging dit gesprek en zijn er door de minister suggesties of toezeggingen gedaan?

Op verzoek van de heer Noten en de heer Thissen heb ik dinsdagmiddag 3 juli 2012 een gesprek gevoerd met beide leden van de Eerste Kamer. Dit gesprek vond plaats om aspecten van snelle behandeling van het wetsvoorstel toe te lichten. Mij is bekend dat veel meer gesprekken hebben plaatsgevonden over de aspecten van snelle behandeling. Overigens heb ik alle belangrijke elementen daarvan uw Kamer ook schriftelijk gemeld.

De leden van de fracties van 50Plus en de OSF vragen of de minister bereid is om het aantal malen dat de AOW-leeftijd verhoogd moet worden drastisch te reduceren.

Daartoe is de regering niet bereid. Minder stappen resulteert namelijk automatisch in grotere stappen. Dit is in sommige gevallen mogelijk eenvoudiger voor de uitvoering, maar grotere stappen zorgt ook voor grotere verschillen tussen cohorten en is niet helderder voor de burger. Het huidige invoeringspad is een afgewogen balans tussen deze twee overwegingen.

Ook werd van vele kanten betoogd dat er grote risico’s aan de te snelle invoering op 1 januari 2013 zijn verbonden. Moeten deze waarschuwingen niet tot een heroverweging van de invoeringsdatum leiden? Centraal punt is dat de verhoging van de AOW-leeftijd al op 1 januari 2013 niet reëel is. Is deze datum heilig of kan deze datum nog verlaat worden? De regering herkent het geschetste beeld dat invoering per 1 januari 2013 niet reëel is niet. Door de partijen die belast zijn met de uitvoering werd aangegeven dat invoering per 1 januari 2013 mogelijk is, zoals ik al eerder heb gemeld. De invoeringsdatum van Tijdens de informatiebijeenkomst werd bovendien van veel kanten juist benadrukt dat behoefte bestaat aan zo snel mogelijk duidelijkheid. Daar komt nog bij dat het van het grootste belang is dat de begroting 2013 op orde wordt gebracht, en daar levert de verhoging van de AOW-leeftijd een bijdrage aan.

Het lid van de fractie 50PLUS vraagt op welke wijze burgers individueel over hun persoonlijke situatie worden geïnformeerd. Burgers worden niet individueel geïnformeerd over hun persoonlijke situatie. De overheid beschikt niet over zulke gedetailleerde informatie. Dat is ook niet wenselijk vanwege de privacybescherming. En ook niet omdat het verzamelen van die gegevens juist leidt tot extra administratieve lasten. Een half jaar voor de AOW-leeftijd kan een AOW-uitkering worden aangevraagd. Bij deze aanvraag worden mensen door de SVB

Kamerstukken I, 2011/12, 33 046, letter A.          geïnformeerd wat de wijzigingen voor hen persoonlijk betekenen.

Voorzien wordt in informatie op www.rijksoverheid.nl en www.svb.nl. Via bijvoorbeeld radiospots, artikelen en advertenties wordt de burger op deze informatie gewezen. Het ministerie zal bij het informeren van de burgers zoveel mogelijk samenwerken met de SVB. Wel worden pensioendeelnemers individueel geïnformeerd over hun pensioenopbouw en wat dit betekent als zij op een eerder, of op een later moment dan de pensioeningangsdatum stoppen met werken.

De leden van de PvdA-fractie melden dat uitvoeringsorganisaties wijzen op grote communicatieproblemen en verwarring bij burgers. Burgers willen graag geïnformeerd worden op welke datum zij AOW en aanvullend pensioen ontvangen en hoe hoog het gecombineerde bedrag op die datum zal zijn. Ziet de regering mogelijkheden om te bevorderen dat deze informatie weer zo spoedig mogelijk eenduidig verstrekt kan worden en zo ja, per welke datum zal dat kunnen?

Het lid van de fractie van 50+ stelt een soortgelijke vraag. Het lid van deze fractie merkt op dat van vele kanten problemen zijn geconstateerd voor de burgers, omdat de burgers graag tegelijkertijd inzicht willen hebben in de gezamenlijke inkomsten van de AOW en het aanvullend pensioen. Het lid van deze fractie vraagt hoe de regering dit vanaf nu denkt te regelen. De informatieverstrekking over de AOW en over het aanvullend pensioen ondergaat met dit wetsvoorstel geen wijziging. Ook de mate waarin burgers inzicht hebben in het gezamenlijke inkomen door AOW en aanvullend pensioen wijzigt niet: burgers kunnen via het Pensioenregister precies zien hoeveel AOW en aanvullend pensioen ze krijgen. Tijdens de informatiebijeenkomst is betoogd dat in het wetsvoorstel staat dat vijf jaar van tevoren een verhoging met drie maanden moet worden gecommuniceerd, terwijl nu nauwelijks een half jaar van tevoren een verhoging met een maand wordt gecommuniceerd, anderhalf jaar van te voren een verhoging met twee maanden enz. Het lid van de fractie 50PLUS vraagt of de regering het met dit lid eens is dat men zich niet houdt aan de eigen gestelde eisen en dat dit mede bijdraagt aan een onzorgvuldige wetgeving.

Het voorliggende wetsvoorstel voorziet vanaf 2024 in een koppeling van de AOW-leeftijd aan de stijging van de levensverwachting. Jaarlijks wordt bezien of de ontwikkeling van de gemiddelde resterende levensverwachting aanleiding geeft om de AOW-leeftijd met drie maanden te verhogen. Een verhoging van de AOW-leeftijd wordt minimaal vijf jaar van tevoren aangekondigd. Dit betekent dat vanaf 2019 jaarlijks zal worden bezien of de ontwikkeling van de levensverwachting aanleiding geeft voor een verhoging van de AOW-leeftijd vijf jaar later. Het aanpassen van de AOW-leeftijd aan de gemiddelde resterende levensverwachting gebeurt aan de hand van een formule die wordt vastgelegd in de wet. De benodigde ramingen voor de levensverwachting zullen door een onafhankelijke instantie, het CBS, worden gemaakt. Ieder jaar zal er een berekeningsmoment zijn. Aan de hand van de formule zal dan worden bepaald of de ontwikkeling van de levensverwachting een verhoging betekent van de AOW-leeftijd. Een periode van vijf jaar beschouwt de regering als ruim voldoende voor burgers om zich in te stellen op de verhoogde AOW-leeftijd.Tot 2024 voorziet dit wetsvoorstel ter invulling van het Begrotingsakkoord in een stapsgewijze verhoging van de AOW-leeftijd, waarbij voor de eerste jaren er een verzacht invoerpad geldt. Dit verzacht invoerpad beperkt de overbruggingsproblemen die mensen dicht bij de pensioengerechtigde leeftijd kunnen ervaren. Daarnaast is er voorzien in een voorschotregeling om een mogelijk inkomensgat tussen de 65ste verjaardag en de verhoogde AOW-leeftijd te overbruggen. In situaties van onvoldoende middelen om in het bestaan te voorzien tot de AOW-gerechtigde leeftijd kan door mensen die aan de voorwaarden voldoen altijd een beroep gedaan worden op de (bijzondere) bijstand, die geregeld is in de WWB. De SVB zal de groep ouderen met weinig voorbereidingstijd actief benaderen. Voor degenen die alleen als gevolg van de versnelde verhoging van de AOW leeftijd geen partnertoeslag meer ontvangen, i.e. voor de mensen die in november en december 2014 65 jaar worden en onder de bestaande regelingen recht hadden op de toeslag, blijft de AOW partnertoeslag beschikbaar. Hierdoor wordt voorkomen dat mensen door dit wetsvoorstel opeens niet meer de partnertoeslag ontvangen, terwijl zij daar wel op rekenen. Anders dan het lid van de fractie 50PLUS veronderstelt, is de regering van mening dat de belangen van de burgers zorgvuldig zijn afgewogen en dat deze maatregelen bijdragen aan een zorgvuldige wetgeving.

Het lid van de fractie van 50+ meldt dat in vele arbeidscontracten staat dat ontslag volgt bij 65-jarige leeftijd. Het lid van deze fractie vraagt hoe in 2013 dient te worden omgegaan met het ontslag op 65-jarige leeftijd en het feit dat de AOW-leeftijd ineens opschuift. Leidt dit niet tot discontinuïteit, zo vraag het lid van deze fractie.

Partijen hebben tot 1 januari 2013 tijd om de individuele arbeidsovereenkomst aan te passen.

De eigen verantwoordelijkheid van werkgevers en werknemers voor het aanpassen van de individuele arbeidsovereenkomst neemt uiteraard niet weg dat een bepaling in de arbeidsovereenkomst niet strijdig mag zijn met wet- en regelgeving. Bepalingen die een ontslagbepaling kennen die eerder ingaat dan de AOW-gerechtigde leeftijd, kunnen strijdig zijn met de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Ontslag uitsluitend gebaseerd op het bereiken van een bepaalde leeftijd mag niet, tenzij die leeftijd de AOW-gerechtigde leeftijd is; en bij een lagere leeftijd, daar waar een objectieve rechtvaardiging voor is. Die objectieve rechtvaardiging zal er niet zijn als een werknemer wordt ontslagen omdat in individuele arbeidsovereenkomst nog steeds sprake is van ontslag bij 65 uitsluitend omdat men de betreffende overeenkomst niet heeft aangepast aan de stijging van de AOW-leeftijd. Als een werknemer desondanks bij 65 wordt ontslagen is dat ontslag vernietigbaar.

Het lid van de fractie van 50+ meldt dat van de kant van Erik Lutjens, Hoogleraar Pensioenrecht Vrije Universiteit, in de hoorzitting werd betoogd dat het niet ingaan van de AOW en het aanvullend pensioen op één en dezelfde datum leidt tot een chaotische wetgeving. Het lid van deze fractie vraagt wat volgens de regering de weerlegging van deze opvatting is.

Ook nu al kunnen de ingangsdata van AOW en aanvullend pensioen uiteen lopen. De regering is niet van mening dat de huidige wetgeving daardoor als chaotisch is te beoordelen.

Het lid van de fractie van 50+ vraagt hoe de regering de onevenwichtigheid rijmt van het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel waarin een wettelijk automatisme komt waarbij de arbeidsovereenkomst eindigt bij het bereiken van de AOW-leeftijd, terwijl voor de fiscale pensioenopbouw de leeftijd geldt van 67 jaar. Deze onevenwichtigheid is niet overeenstemming met de Europese Richtlijnen welke gelijke behandeling op basis van leeftijd voorschrijven. Het lid van deze fractie vraagt hoe de regering deze onevenredigheid denkt op te lossen.

De leeftijd voor de fiscale pensioenopbouw valt buiten het bereik van de Europese Richtlijn 2000/78/EG i. Er is op grond van de richtlijn geen onevenwichtigheid tussen ontslag van rechtswege bij de AOW-gerechtigde leeftijd en de fiscale pensioenopbouw. Het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd is volgens constante rechtspraak van het Europese Hof van Justitie een objectieve rechtvaardigingsgrond voor ontslag en dus niet in strijd met gelijke behandeling op grond van leeftijd. Sociale partners kunnen zelf afspraken maken om beide leeftijden op elkaar te laten aansluiten. Zij kunnen (individueel of collectief) afspreken om de arbeidsovereenkomst voort te zetten na de AOW-gerechtigde leeftijd.

Eveneens een centraal thema was de verhoging van de AOW-leeftijd te koppelen aan een verbeterde arbeidsmarkt voor ouderen, zo schrijft het lid van de 50Plus-fractie. Dit lid vraagt of deze zienswijze niet principieel juist is.

De regering wil nu komen tot een snellere verhoging van de AOW-leeftijd dan in eerdere voorstellen, omdat de toestand van de overheidsfinanciën in korte tijd sterk is verslechterd. Er zijn snel extra maatregelen nodig. Omdat al op korte termijn een aanvang wordt gemaakt met de verhoging van de AOW-leeftijd, is van belang dat die verhoging geleidelijk – aanvankelijk in stappen van 1 maand per jaar – plaatsvindt, om overgangsproblematiek te voorkomen. Vanaf 2019 vindt de verhoging plaats met drie maanden per jaar. Dit is de structurele situatie, waarbij vanaf 2024 de jaarlijkse stijging afhankelijk is van de ontwikkeling van de levensverwachting.

Daarbij introduceert het kabinet vanaf 2013 het Vitaliteitspakket, dat is gericht op het stimuleren van mobiliteit van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het kabinet acht specifiek beleid hiervoor gewenst en verhoogt de huidige premiekorting voor het in dienst nemen van uitkeringsgerechtigden ouder dan 50 jaar van € 6500 naar € 7000. Deze bonussen maken het voor werkgevers financieel aantrekkelijker om een oudere uitkeringsgerechtigde in dienst te nemen. Hierdoor verbeteren de kansen voor outsiders op de arbeidsmarkt. Daarnaast wordt de aanname van oudere werklozen gestimuleerd door de no risk polis (compensatieregeling loonkosten bij ziekte van ouderen en voormalig langdurig werklozen), proefplaatsing (werken met behoud van uitkering gedurende maximaal 3 maanden) en passend werkaanbod (UWV moet langdurig werklozen, 5000 op jaarbasis, een passend werkaanbod doen). Op termijn verwacht het kabinet bovendien dat de arbeidsmarkt voor ouderen beter gaat functioneren door de voorgestelde maatregelen rondom WW en ontslag. Hierdoor zal het onder andere aantrekkelijker worden voor werkgevers om ouderen in dienst te nemen.

Mensen die noodgedwongen gebruik moeten maken van de voorschotregeling en die niet in staat zijn deze terug te betalen, moeten een beroep kunnen doen op een kwijtscheldingsregeling. Het lid van de fractie 50PLUS vraagt hoe deze procedure eruit gaat zien en of hierbij een beroepsmogelijkheid is ingebouwd.

Een verleend voorschot kan in beginsel niet door de SVB worden kwijtgescholden. In schrijnende gevallen zal de SVB echter maatwerk leveren. Als iemand het niet eens is met een door de SVB genomen besluit dan kan hij daartegen bezwaar bij de SVB en zo nodig (hoger) beroep bij de rechter aantekenen.

Het lid van de fractie van 50PLUS stelt dat er van diverse kanten wordt gehekeld dat de regering een te rooskleurig beeld schildert van het gemiddelde vermogen van de ouderen en te weinig rekening houdt met het feit dat een kleine groep zeer veel bezit heeft en een grote groep juist te weinig, waardoor een gemiddeld vermogen een karikaturaal beeld oplevert. Zij vraagt of de regering bereid is deze beeldvorming bij te stellen en deze niet langer te propageren.

De regering herkent zich niet in het beeld dat zij een te rooskleurig beeld schetst van de vermogenspositie van ouderen. Zij probeert een feitelijke beschrijving te geven van de vermogenspositie op basis van cijfers van het CBS. Het CBS publiceert verschillende cijfers over de vermogenspositie van huishoudens in Nederland. Een eerste manier om dit te bekijken is om te kijken naar het gemiddelde vermogen van huishoudens in

Nederland. Uit deze cijfers blijkt dat 65-plussers gemiddeld relatief veel vermogen hebben. Het gemiddelde vermogen van 65-plussers per huishouden bedraagt 250 000, dit is bijna twee maal zoveel als 65-minners die gemiddeld zo’n 136 000 euro bezitten.

Een andere manier om de vermogenspositie weer te geven is het mediane vermogen. De mediaan is de middelste waarneming in een populatie, waarvoor geldt dat 50% van de populatie een hoger vermogen heeft en 50% een lager vermogen. Een voordeel van de mediane vermogenspositie ten opzichte van het gemiddelde vermogen is dat het gemiddelde vermogen beïnvloed kan worden door een kleine groep met veel vermogen of juist erg weinig vermogen, en het mediane vermogen niet. Het CBS geeft aan dat 65-plussers een mediaan vermogen van circa 107 000 euro hebben, ten opzichte van 19 000 euro voor 65-minners. De conclusie dat ouderen relatief veel vermogen hebben blijft bij deze presentatie ongewijzigd, ook al laat het mediane vermogen een lager vermogen zien.

Overigens is het in het kader van dit wetsvoorstel ook interessant wat de vermogenspositie is van de huidige 60–65 jarigen. Zij krijgen immers te maken met de gevolgen van het wetsvoorstel. Het CBS geeft aan dat ook deze groep relatief vermogend is. Zij hebben een gemiddeld vermogen van 275 000 euro en een mediaan vermogen van 135 000 euro.

OSF-fractie

De leden van de OSF-fractie stellen dat de regeldruk aanzienlijk toeneemt door de frequente verhoging van de AOW-leeftijd. Zij vragen naar de kosten voor de overheid van deze toenemende regeldruk. De regering deelt niet de mening van de OSF dat de regeldruk als gevolg van het wetsvoorstel structureel toeneemt, noch voor de overheid, noch voor burgers en bedrijven. In paragraaf 5.4 van dezelfde memorie van toelichting wordt ingegaan op de uitvoeringskosten van de SVB. Uit deze paragraaf blijkt dat de uitvoeringskosten van de SVB op termijn zullen afnemen doordat minder mensen instromen in de AOW. In paragraaf 5.5 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel worden de gevolgen van de verhoging van de AOW-leeftijd voor de administratieve lasten van burgers en bedrijven weergegeven. Uit deze paragraaf blijkt dat er slechts sprake is van eenmalige administratieve lasten.

Het lid van de fractie van OSF stelt dat de uitvoeringskosten tengevolge van het wetsvoorstel aanzienlijk omhoog gaan. Deze kosten worden doorberekend aan mensen die in deze regelingen vallen. De koopkracht van ouderen staat reeds nu onder grote druk. Hij vraagt of de minster het verantwoord acht dat de financiële druk op deze categorie nog verder opgevoerd wordt.

De verhoging van de AOW-leeftijd is noodzakelijk vanwege de sterk oplopende grijze druk. De verhoging stelt het draagvlak voor de AOW veilig voor toekomstige generaties. Het kabinet probeert de uitvoeringslast voor pensioenuitvoerders te beperken door in 2014 de pensioen-richtleeftijd ineens te verhogen naar 67 jaar. Dit beperkt de aanpas-singslast voor pensioenfondsen. Op het geheel van het pensioenvermogen zullen deze aanpassingslasten overigens beperkt zijn, zodat de aanpassingslast maar beperkt invloed zal hebben op de koopkracht van ouderen.

Het lid van de OSF-fractie betoogt dat pensioenuitvoerders een groot probleem hebben met de communicatie naar hun deelnemers. Binnen een half jaar zouden zij moeten communiceren over verhoging van de AOW leeftijd, het achterwege blijven van indexatie, het korten op nominale pensioenen, en over het feit dat de AOW leeftijd en de leeftijd voor het aanvullend pensioen dikwijls niet meer parallel lopen. Dit lid verneemt

Kamerstukken II 2011/2012, 33 110, nr. 2.

graag hoe de minister denkt dat deze situatie bijdraagt aan draagvlak onder de bevolking voor al deze maatregelen die volgens deze fractie een groot negatief effect op de koopkracht van met name ouderen hebben. Dit wetsvoorstel maakt onderdeel uit van het streven naar een houdbaar pensioenstelsel. Ook de maatregelen die het lid van de OSF-fractie aanhaalt, maken daarvan onderdeel uit. De regering heeft in de toelichting op het wetsvoorstel en ook in reactie op eerdere vragen gemotiveerd waarom verhoging van de AOW-leeftijd nodig is. De regering is niet van mening dat het ontbreekt aan draagvlak voor zowel het voorliggende wetsvoorstel, als maatregelen in tweede pijlerpensioenen gericht op het in stand houden van een adequaat stelsel van oudedagsvoorzieningen. Bovendien merkt de regering op dat transparantie in de communicatie niet kan leiden tot een afname van draagvlak. Dat het afstempelen van pensioenrechten of het achterwege blijven van indexatie op weinig enthousiasme mag rekenen bij pensioendeelnemers acht het kabinet vanzelfsprekend. Die omstandigheid mag volgens het kabinet echter nooit in de weg staan aan het nemen van de noodzakelijke stappen door een pensioenfonds om ons pensioenstelsel ook voor de lange termijn te behouden.

Afsluitend wijst het kabinet op de brief die recentelijk richting uw kamer is gestuurd over de communicatie rondom pensioenen.1

De fractie van 50Plus wijst er op dat van de kant van de FNV is gesteld dat mensen met lage opleidingen in zware beroepen, die bovendien vaak korter leven, onevenredig door dit wetsvoorstel worden getroffen. De fractie vraagt welke oplossing het kabinet ziet voor dit gestelde probleem. Anders dan de 50Plus partij is het kabinet van oordeel dat het onderhavige wetsvoorstel voor mensen met lage opleidingen in zware beroepen en met een lager inkomen niet minder aantrekkelijk is dan het voorgaande wetsvoorstel dat diende ter begeleiding van het pensioenakkoord. Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding tot het treffen van maatregelen op dit punt.

Het lid van de OSF-fractie vraagt wanneer de regering met maatregelen denkt te komen om te zorgen dat arbeidscontracten doorlopen tot de ingangsdatum van de AOW, dat automatisch ontslag bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd niet langer mogelijk is, en dat AOW en aanvullende pensioenen tegelijkertijd kunnen ingaan.

Het al dan niet aanpassen van arbeidscontracten en van aanvullende pensioenregelingen op de AOW-ingangsleeftijd is een zaak van sociale partners. Het is niet aan de wetgever om dit wettelijk te regelen. De regering komt dan ook niet met maatregelen in deze richting. De regering is wel voornemens om wettelijk vast te leggen dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd, tenzij partijen schriftelijk andere afspraken hebben gemaakt. Dit voorstel is opgenomen in het voorstel van wet «Werken na de AOW-gerechtigde leeftijd», dat onlangs voor advies aan de Raad van State is aangeboden.

In dit wetsvoorstel wordt voorgesteld om in het Burgerlijk Wetboek op te nemen dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van rechtswege eindigt bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd of een hogere overeengekomen pensioengerechtigde leeftijd, tenzij (cao-) partijen andere schriftelijke afspraken hebben gemaakt. Partijen kunnen bijvoorbeeld afspraken maken over het voortzetten van de overeenkomst na de AOW-gerechtigde leeftijd. De arbeidsovereenkomst eindigt ook van rechtswege bij een lagere pensioengerechtigde leeftijd dan de AOW-gerechtigde leeftijd, mits dat schriftelijk is overeenkomen en er een objectieve rechtvaardiging voor het leeftijdonderscheid is in de zin van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL).

Maken partijen geen andere afspraken, dan geeft de wet duidelijkheid. Dit biedt zekerheid voor zowel de werkgever als de werknemer.

Het lid van de OSF-fractie stelt dat voor een aantal zaken die nodig zijn om bijvoorbeeld de ingangsdata van AOW en aanvullend pensioen te harmoniseren, waarschijnlijk een aanpassing van de Pensioenwet nodig is. Het lijkt het lid van deze fractie van belang e.e.a. uiterlijk per 1 januari 2014 gerealiseerd te hebben. Wanneer komen er wetsvoorstellen om dit mogelijk te maken langs een tijdpad dat niet de gigantische tekortkomingen van de procedure van dit moment kent, zo vraagt het lid van deze fractie.

De Pensioenwet schrijft geen wettelijke ingangsdatum voor het aanvullend pensioen voor. Als sociale partners de ingangsdatum van het aanvullend pensioen en van de AOW willen harmoniseren, dan is daarvoor geen wijziging van de Pensioenwet nodig.

Het lid van de fractie van OSF vraagt of de minister, gezien het feit dat verhoging van de AOW leeftijd vooruit loopt op de verhoging van de aanvangsleeftijd van de aanvullende pensioenen, het eens is met het lid van de fractie van OSF dat er in 2013 grote onduidelijkheid zal ontstaan bij veel oudere Nederlanders over hun financiële situatie en koopkracht? De regering is het oneens met het lid van de fractie van OSF dat er in 2013 grote onduidelijkheid zal ontstaan bij veel oudere Nederlanders over hun financiële situatie en koopkracht als gevolg van het voorliggende wetsvoorstel waarin de verhoging van de AOW leeftijd vooruitloopt op de aanvangsleeftijd van de aanvullende pensioenen. Het overgrote deel van de ouderen wordt immers niet getroffen door dit wetsvoorstel. Ouderen waarbij het AOW-pensioen en het aanvullende pensioen al is ingegaan zullen geen last hebben van de verhoging van de AOW- en pensioenleeftijd. Uit enquêtes blijkt dat de meerderheid van de Nederlanse bevolking ervan uit gaat dat de AOW-leeftijd omhoog gaat. De groep die te maken krijgt met de hogere AOW leeftijd zal door de uitvoeringsinstanties tijdig geïnformeerd worden. Voor de informatievoorziening is het wel van belang dat het wetsvoorstel zo snel mogelijk wordt aangenomen, zo gaven de uitvoeringsinstanties ook aan tijdens de informatiebijeenkomst van uw kamer. Ook zal het wetsvoorstel in 2013 geen invloed hebben op de hoogte en duur van het aanvullende pensioen. Pas in 2014 wordt de richtleeftijd van aanvullende pensioenen verhoogd. Bovendien geldt die verhoging voor de nieuwe opbouw van rechten. Daardoor zullen mensen daar geleidelijk mee te maken krijgen.

Het lid van de fractie van OSF vraagt of de regering het met dit lid eens is dat de te verwachten onzekerheid bij veel burgers over hun toekomstige koopkracht een negatief effect op hun bestedingen zal hebben. Dit lid vraagt hoe de minister de macro-economische gevolgen van dit effect inschat.

De regering is het niet eens met het lid van de fractie van OSF dat het wetsvoorstel leidt tot extra onzekerheid bij veel burgers over hun toekomstige koopkracht. Het is juist zo dat het oplopende overheidstekort in Nederland zorgt voor veel onzekerheid over de toekomstige koopkrachtontwikkeling, omdat iedereen aanvoelt dat dit tekort in de toekomst moet worden teruggebracht. De huidige onrust op de financiële markten laat bovendien zien wat er kan gebeuren met landen die geen duidelijkheid kunnen geven over de wijze waarop het overheidstekort wordt teruggedrongen. Het begrotingsakkoord, waar de verhoging van de AOW-leeftijd deel van uitmaakt, zet juist een eerste stap in het scheppen van duidelijkheid over de wijze waarop de oplopende overheidstekort wordt teruggebracht.

Het lid van de OSF-fractie vraagt in hoeverre een eventueel streven de ingangsdatum van aanvullende pensioenen en de AOW te harmoniseren zou kunnen botsen met eerder gemaakte afspraken en verworven rechten. Ook wordt gevraagd in hoeverre mensen bij de rechter een dergelijke poging met succes bij de rechter zouden kunnen aanvechten. Met de voorgestelde maatregelen in het Witteveenkader wordt bewerkstelligd dat bestaande opgebouwde rechten worden gerespecteerd. Dit uitgangspunt acht het kabinet vanzelfsprekend, omdat hiermee wordt voorkomen dat wetgeving de facto materieel terugwerkende kracht heeft. Het eigendomsrecht van artikel 1 Eerste Protocol bij het EVRM wordt op deze wijze ten volle geëerbiedigd. Een eventuele vrees voor het ontnemen van eerder toegekende rechten is naar het oordeel van het kabinet in zoverre dan ook niet aan de orde. Ten aanzien van het verzoek van de pensioenfederatie om een mogelijkheid te creëren dat uitvoerders zonder tussenkomst van individuele deelnemers bestaande rechten actuarieel neutraal kunnen omzetten in pensioenrechten met de nieuwe pensioenleeftijd is voorwerp van nader onderzoek door het kabinet. Dat nadere onderzoek is ondermeer, zo niet bij uitstek bedoeld om te voorkomen dat een collectieve omzettingsbevoegdheid voor pensioenuitvoerders een aantasting van bestaande individuele rechten zou kunnen impliceren.

De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, H. G. J. Kamp


 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.