Dit wetsvoorstel werd op 22 mei 1980 ingediend door de minister van Sociale Zaken, Albeda i, de staatssecretaris van Sociale Zaken, De Graaf i, en de staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, Kraaijeveld-Wouters i.

 

Dit wetsvoorstel is gebasseerd op de overweging, dat het wenselijk is om zoals gebruikelijk een halfjaarlijkse aanpassing toe te passen op het minimumloon en sociale uitkeringen. Daarnaast is het noodzaak de koopkracht voor mensen met een minimuminkomen te handhaven, alsmede een oplossing te vinden voor de zogenaamde naijlingsproblematiek.

 

Stand van zaken

Procedure regeringswetsvoorstel

Rege­ring
Tweede
Kamer
Eerste
Kamer
Rege­ring
A
Voorbe­reiding
V
Behan­deling
W
Inwerking-
treding
R
Agenda
Voorstel
Wet
Recht
Kans om invloed uit te oefenen
Het wetsvoorstel is verheven tot wet.

Kerngegevens

Ingediend
22 mei 1980

Volledige titel
Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981

Ondertekening memorie van toelichting

De minister van Sociale Zaken, W. (Wil) Albeda i
De staatssecretaris van Sociale Zaken, L. (Louw) de Graaf i
De staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, J.G. (Jeltien) Kraaijeveld-Wouters i
 

Uit de memorie van toelichting

Bij brief van 13 maart 1980, (gedr. st. 15899, nr. 23) heeft het kabinet aan het parlement mededeling gedaan van zijn voornemens op het terrein van het arbeidsvoorwaardenbeleid 1980. Doelstelling van dat beleid is, zoals in die brief aangegeven, een loonsomstijging ten opzichte van 1979 te realiseren die 1,5% van de loonsom achterblijft bij de in de bijgestelde MEVgegeven mutatie ad 7,5 a 8 %. Met het oog hierop is op grond van de artikelen 10 tot en met 12 van de Wet op de loonvorming op 2 april 1980 een besluit getroffen dat in samenhang met een belastingverlichting voorziet in een vervanging van de gebruikelijke prijscompensatie medio contractjaar door een toeslag in de vorm van een voor iedere loontrekkende gelijk bedrag van f 26 per maand. In de overgrote meerderheid van de gevallen zal deze toeslag met ingang van 1 juli worden toegekend. Op diezelfde datum vindt ook de gebruikelijke halfjaarlijkse aanpassing plaats van minimumloon en sociale uitkeringen. De hoogte van deze aanpassing wordt op grond van de regelingsloonontwikkeling in de voor deze aanpassing relevante periode van 31 oktober 1979 toten met 30 april 1980 geraamd op circa 3%. In relatie met het loonpauzebesluit van 10 januari 1980 wordt de ontwikkeling van de regelingslonen in die periode immers voor een zeer belangrijk gedeelte bepaald door de prijscompensatie einde contractjaar 1979. Voor die ca.o.'s die einde contractjaar een prijscompensatie kennen over de periode apriloktober, bedroeg deze prijscompensatie 2,54 %. Daarnaast moet rekening worden gehouden met de omstandigheid, dat ten tijde van de vaststelling van het voor de aanpassing per 1 januari 1980 relevante indexcijfer der regelingslonen van ultimo oktober 1979, nog niet alle c.a.o.'s voor het contractjaar 1979 waren ingediend en geregistreerd. In de mate waarin deze achterstand bij de vaststelling van het indexcijfer van eind april 1980 zal zijn ingelopen, zal daaruit een opwaarts effect op de ontwikkeling van de index in de referentieperiode uitgaan. Beide factore te zamen leiden tot de eerdergenoerrv de raming van circa 3 %, hetgeen voor het minimumloon neerkomt op een verhoging met circa f 55 per maand. De aan het brutoaanpassingsmechanisme inherente naijling leidt er derhalve toe, dat er per 1 juli a.s. een aanzienlijk verschil in ontwikkeling optreedt tussen de door de loonmaatregel beheerste contractlonen enerzijds en minimumloon en sociale uitkeringen anderzijds. Voor de zogenaamde naijlingsproblematiek is, zoals tijdens de parlementaire behandeling van de Wet herziening aanpassingsmechanismen en vaststelling regelen hoogte sociaal minimum reeds is kenbaar gemaakt, dezerzijds tot op heden geen bevredigende oplossing gevonden. Ook het herziene aanpassingsmechanisme leidt er derhalve toe, dat minimumloon en sociale uitkeringen de algemene loonontwikkeling met een halfjaar vertraging vol-Tweede Kamerzitting 1979-1980, 16212, nrs. 1-3

gen. Tijdens eerdergenoemde behandeling is reeds aangekondigd, dat opnieuw grondig wordt bekeken, of er binnen het kader van het herziene aanpassingssysteem reële mogelijkheden zijn om het element van naijling geheel of in betekenende mate uit de systematiek uitte bannen. Wij streven ernaar deze studie dit jaar af te ronden en daarvan verslag te doen. Wij tekenen hierbij overigens aan dat de problemen rondom de naijling zich met name voordoen en in het verleden ook hebben voorgedaan op momenten waarop via toepassing van de bevoegdheden, neergelegd in de Wet op de loonvorming, een sterke matiging in de sfeer van de contractlonen wordt gerealiseerd. Wij herinneren in dezen aan het jaar 1976 waarin de in samenhang met de toen getroffen loonmaatregelen optredende naijlingsperikelen per 1 januari 1976 hebben geleid tot het in het leven roepen van de subsidieregeling minimumloon en die per 1 juli 1976 hebben geleid tot het verschuiven van een deel van de aanpassing per die datum naar 1 januari 1977. Naar het oordeel van het kabinet dient het hierboven aangeduide verschil in ontwikkeling medio 1980 uit een oogpunt van een zo evenwichtig mogelijke brutolooninkomens-en loonkostenontwikkeling zoveel mogelijk te worden gemitigeerd dooreen deel van de brutoaanpassing per 1 juli 1980 over te brengen naarde aanpassing per 1 januari 1981 en derhalve toe te voegen aan de uitkomst van de normale halfjaarlijkse aanpassing per die datum. Die normale halfjaarlijkse aanpassing zal nagenoeg geheel beperkt worden tot de doorwerking van eerdergenoemde toeslag van f26 per maand. Naar verwacht mag worden zullen de overige lonen einde contractjaar 1980 een verhoging ondergaan, die uitstijgt boven het effect van de doorwerking van deze toeslag. Zou derhalve niet overgegaan worden tot het overbrengen van een deel van de aanpassing per 1 juli 1980 naar 1 januari 1981, dan zou per 1 januari 1981 een situatie ontstaan, waarbij minimumloon en sociale uitkeringen achterblijven bij de ontwikkeling van de contractlonen. De wijze waarop het kabinet zich voorstelt van de bevoegdheden om een gedeelte van de aanpassing van 1 juli 1980 overte hevelen naar 1 januari 1981 gebruikte maken, is uiteengezet in eerdergenoemde brief van 13 maart en is uitvoerig aan de orde geweest tijdens het debat in de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat op 22 maart naar aanleiding van die brief is gehouden. Een tweetal overwegingen staat daarbij centraal. Zoals hierboven reeds is aangegeven, is het wenselijk een zo evenwichtig mogelijke brutolooninko-mens-en loonkostenontwikkeling te realiseren. Geïsoleerd beschouwd leidt deze overweging tot een beperking van de aanpassing van minimumloon en sociale uitkeringen per 1 juli 1980 tot het bedrag waarmee ook de overige lonen per die datum stijgen en derhalve tot een beperking tot een bedrag van f 26 per maand. Daarnaast is echter de noodzaak van handhaving van de koopkracht voor de mensen met een minimuminkomen medebepalend voor de concrete invulling van de zogenaamde uitschuifoperatie. Deze invulling dient zodanig te zijn, dat in samenhang met de belastingverlichting de koopkracht van de laagste inkomens gehandhaafd wordt. Zoals in de brief van 13 maart 1980 is vermeld, heeft het kabinet in het kader van het arbeidsvoorwaardenbeleid 1980 het noodzakelijk geacht de gebruikelijke prijscompensatie medio contractjaar 1980 te vervangen door een toeslag van f 26 per maand en door een belastingverlichting. De omvang van de belastingverlichting is zodanig gekozen, dat deze te zamen met de toeslag materieel in termen van koopkracht een resultaat geeft, dat overeenkomt met het effect van de prijscompensatie 1980, berekend op een loonniveau, gelijk aan dat van het minimumloon. De omvang van de belastingverlichting is derhalve in samenhang met de toeslag van f 26 rechtstreeks gekoppeld aan het koopkrachteffect in 1980 van het wegvallen van de prijscompensatie medio contractjaar 1980. Beperking nu van de aanpassing per 1 juli 1980 tot het bedrag van f 26 per maand leidt te zamen met het effect van de belastingverlichting niet tot koopkrachthandhaving in 1980 voor de minimuminkomens. Om de koopkracht in 1980 voor deze inkomens te handhaven is het noodzakelijk de aanpassing per 1 juli voor het minimumloon en via de bestaande koppeling derhalve ook voor de sociale minima niet tot f 26 te beperken, maar tot 2%, hetgeen met inachtneming van de in de wet neergelegde afrondingsvoorschrif-Tweede Kamer, zitting 1979-1980,16212, nrs. 1-3

ten neerkomt op een bedrag van f 36,40 per maand. De tijdelijke toeslagen op de minima, voortvloeiend uit de herziening eind 1979 van de aanpassingsmechanismen blijven gehandhaafd op het niveau van 1 januari 1980. Het spreekt voor zich, dat wanneer per 1 juli 1980 tot afbouw van deze toeslagen zou worden overgegaan, het met het oog op de koopkrachthandhaving noodzakelijk zou zijn de brutoaanpassing per 1 juli meer te doen bedragen dan 2 %, waardoor de beoogde parallelliteit in de brutosfeer al te sterk zou worden aangetast. Ten einde een consistente ontwikkeling binnen de sociale uitkeringen te bewerkstelligen zijn wij voornemens de uitkeringen boven het minimum met hetzelfde bedrag te verhogen als het minimumloon, dat wil zeggen met een bedrag '*n f 36,40. De voorindexering van de WAO-uitkeringen met 0,5 % per 1 januari 1980 behoeft in samenhang met deze brutoverhoging en met de belastingverlichting niette worden gecontinueerd. Ten aanzien van de Rijksgroepsregeling Oorlogsslachtoffers 1940-1945, de Rijksgroepsregeling Gerepatrieerden en de Rijksgroepsregeling Ambonezen zal de beoogde verschuiving worden gerealiseerd met behulp van de in deze regelingen vastgelegde bevoegdheid van de Ministers van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van Sociale Zaken om van het voorgeschreven indexeringsmechanisme af te wijken indien de ontwikkelingen binnen de sociale verzekeringswetgeving daartoe aanleiding geven. Wellicht ten overvloede wijzen wij erop, dat het gebruik maken van de in deze wet neergelegde bevoegdheid op de wijze als hierboven aangegeven, niet leidt tot een structurele aantasting van het niveau van minimumloon en sociale uitkeringen. De aanpassing per 1 juli 1980 zal immers weliswaar in neerwaartse zin worden bijgesteld, het restant van die aanpassing zal echter worden toegevoegd aan de aanpassing per 1 januari 1981. Per 1 januari 1981 wordt derhalve een niveau bereikt dat gelijk is aan het niveau dat uit normale toepassing van de wettelijke aanpassingssystemen op beide data zou zijn voortgevloeid. De constructie is identiek aan die opgenomen in de wet van 23 juni 1976 inzake herziening van het wettelijk mini-mumloon en enige sociale verzekeringsuitkeringen per 1 juli 1976 en 1 januari 1977 (Stb. 345). Er wordt overigens op gewezen dat de formulering van het toepassings-criterium thans enigszins afwijkt van die in genoemde wet van 23 juni 1976. Destijds luidde de formulering:«indien het belang van de nationale economie dit naar zijn oordeel vereist». Thans is geformuleerd: «indien en voor zover het belang van de nationale economie en het belang van een evenwichtige inkomensontwikkeling dit naar zijn oordeel vereisen». Daarmede wordt tot uitdrukking gebracht dat het belang van de nationale economie en het belang van een evenwichtige inkomensontwikkeling niet alleen bepalendzijn voorde vraag of van de bevoegdheden gebruik gemaakt wordt, maar tevens dat zij te zamen van invloed zijn op de concreet aan die bevoegdheden te geven uitwerking. Bij brief van 18 maart 1980 is aan de Sociaal-Economische Raad gevraagd zijn zienswijze kenbaar te maken over het overbrengen van een gedeelte van de toepassing per 1 juli 1980 naar de aanpassing per 1 januari 1981. Bij brief van 29 april 1980 heeft de Raad laten weten, dat een advisering ter zake niet zinvol geacht kan worden, gelet op het oordeel dat de Tweede Kamer op 21 maart 1980 reeds heeft uitgesproken over de toepassing van de loonmaatregel en de daarmede samenhangende voorziening, welke in het wetsontwerp aan de orde is. Daarbij heeft de raad zich mede gebaseerd op het gegeven dat noch de FNV noch het CNV hun medewerking zullen verlenen aan de voorbereiding van het advies alsmede overwogen dat de raad een korte tijdsperiode ter beschikking staat waarbinnen het advies zou moeten worden uitgebracht.

(...)

Moties

Bij dit dossier werden in de Tweede Kamer drie moties ingediend.

Documenten

(21 stuks, sortering omgekeerd chronologisch)   sortering omkeren

2 26 juni 1980, stemming(en), Blz. 5743 - 5826     260680 2 24
De stemmingen over de bij het debat over de sociale mini-ma in gediende moties, te weten: de gewijzigde motie-Van der Doet c.s. over het handhaven van de koopkracht van mensen met het minimumloon en s... - Handelingen Tweede Kamer 1979-1980 26 juni 1980 orde 24
vergadering: 26 juni 1980
 
2 24 juni 1980, brief, nr. 11     KST16212N11K2
Brief van De Staatssecretaris van Sociale Zaken
 
1 24 juni 1980, behandeling, Blz. 1045 - 1094     240680 1 4
De behandeling van het wetsontwerp Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981 - Handelingen Eerste Kamer 1979-1980 24 juni 1980 orde 4
vergadering: 24 juni 1980
 
1 18 juni 1980, eindverslag, nr. 115     KST16212N115K1
Eindverslag van de vaste commissie voor sociale zaken
 
2 18 juni 1980, stemming(en), Blz. 5441 - 5541     180680 2 6
De stemmingen over de tijdens het debat over het wetsontwerp Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1... - Handelingen Tweede Kamer 1979-1980 18 juni 1980 orde 6
vergadering: 18 juni 1980
 
2 17 juni 1980, stemming(en), Blz. 5385 - 5440     170680 2 9
De stemmingen in verband met het wetsontwerp Herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari... - Handelingen Tweede Kamer 1979-1980 17 juni 1980 orde 9
vergadering: 17 juni 1980
 
2 13 juni 1980, brief, nr. 9     KST16212N9K2
Brief van De Staatssecretaris van Sociale Zaken
 
2 10 juni 1980, gewijzigde motie, nr. 10     KST16212N10K2
Gewijzigde motie van het lid Van der Doef C.S., ter vervanging van die gedrukt onder nr. 6
 
2 10 juni 1980, motie, nr. 8     KST16212N8K2
Motie van de leden B. de Vries en De Korte
 
2 10 juni 1980, motie, nr. 7     KST16212N7K2
Motie van het lid Van der Doef C.S.
 
2 10 juni 1980, motie, nr. 6     KST16212N6K2
Motie van het lid Van der Doef C.S.
 
2 10 juni 1980, behandeling, Blz. 5215 - 5266     100680 2 10
De voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp Herziening van het wettelijk mini-mumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 e... - Handelingen Tweede Kamer 1979-1980 10 juni 1980 orde 10
vergadering: 10 juni 1980
 
2 10 juni 1980, behandeling, Blz. 5215 - 5266     100680 2 8
De behandeling van het wetsontwerp herziening van het wettelijk minimumloon, enige sociale verzekeringsuitkeringen en een aantal andere uitkeringen en pensioenen per 1 juli 1980 en 1 januari 1981 - Handelingen Tweede Kamer 1979-1980 10 juni 1980 orde 8
vergadering: 10 juni 1980
 
2 6 juni 1980, nota, nr. 5     KST16212N5K2
Nota naar aanleiding van het verslag
 
2 3 juni 1980, verslag, nr. 4     KST16212N4K2
Verslag
 
2 22 mei 1980, memorie van toelichting, nr. C     KST16212NCK2
Memorie van toelichting zoals gezonden aan de raad van state
 
2 22 mei 1980, memorie van toelichting, nr. 3     KST16212N3K2
Memorie van toelichting
 
2 22 mei 1980, Koninklijke boodschap, nr. 2     KST16212N2K2
Ontwerp van wet
 
2 22 mei 1980, Koninklijke boodschap, nr. 1     KST16212N1K2
Koninklijke boodschap
 
2 21 mei 1980, nader rapport, nr. B     KST16212NBK2
Nader rapport
 
2 19 mei 1980, advies Raad van State, nr. A     KST16212NAK2
Advies van de raad van state
 

Wetten die gewijzigd worden door dit wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel past geen andere wetten aan.

Woordvoerders

Eerste termijn Tweede Kamer

J.C.Th. (Jaap) van der Doef 10-06-1980 PvdA J.C.Th. (Jaap) van der Doef i
R.W. (Rudolf) de Korte 10-06-1980 VVD R.W. (Rudolf) de Korte i
B. (Bert) de Vries 10-06-1980 CDA B. (Bert) de Vries i
C.N. (Cor) van Dis 10-06-1980 SGP C.N. (Cor) van Dis i
M. (Marcus)  Bakker 10-06-1980 CPN M. (Marcus) Bakker i
E. (Erwin)  Nypels 10-06-1980 D66 E. (Erwin) Nypels i
W. (Wil)  Albeda 10-06-1980 Minister W. (Wil) Albeda i
L. (Louw) de Graaf 10-06-1980 Staatssecretaris L. (Louw) de Graaf i

Tweede termijn Tweede Kamer

J.C.Th. (Jaap) van der Doef 10-06-1980 PvdA J.C.Th. (Jaap) van der Doef i
C.N. (Cor) van Dis 10-06-1980 SGP C.N. (Cor) van Dis i
E. (Erwin)  Nypels 10-06-1980 D66 E. (Erwin) Nypels i
A.J. (Bart)  Verbrugh 10-06-1980 GPV A.J. (Bart) Verbrugh i
W. (Wil)  Albeda 10-06-1980 Minister W. (Wil) Albeda i
L. (Louw) de Graaf 10-06-1980 Staatssecretaris L. (Louw) de Graaf i

Eerste termijn Eerste Kamer

H. (Huug)  Versloot 24-06-1980 PvdA H. (Huug) Versloot i
J.H. (Jo)  Franssen 24-06-1980 CDA J.H. (Jo) Franssen i
W. (Wil)  Albeda 24-06-1980 Minister W. (Wil) Albeda i

Tweede termijn Eerste Kamer

H. (Huug)  Versloot 24-06-1980 PvdA H. (Huug) Versloot i
W. (Wil)  Albeda 24-06-1980 Minister W. (Wil) Albeda i

Disclaimer

Dit dossier is automatisch samengesteld en wordt zo nodig iedere 1 à 2 uur geactualiseerd. Aan de technische programmering is veel zorg besteed. Een garantie op de juistheid van de gebruikte bronnen en het samengestelde resultaat kan echter niet worden gegeven.
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.