Dit wetsvoorstel werd op 6†december†1982 ingediend door de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De Graaf†i, en de staatssecretaris van FinanciŽn, Koning†i.

 

Dit voorstel is gebaseerd op de overweging, dat het wenselijk is het recht op kinderbijslag voor de zogenaamde huishoudkinderen af te schaffen, alsmede de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voor uitwonende invalide kinderen aan te scherpen.

 

Stand van zaken

Procedure regeringswetsvoorstel

Rege­ring
Tweede
Kamer
Eerste
Kamer
Rege­ring
A
Voorbe≠reiding
V
Behan≠deling
W
Inwerking-
treding
R
Agenda
Voorstel
Wet
Recht
Kans om invloed uit te oefenen
Het wetsvoorstel is verheven tot wet.

Kerngegevens

Ingediend
6†december†1982

Volledige titel
Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing van het recht op kinderbijslag voor kinderen die het huishouden mede-verzorgen, alsmede aanscherping van de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voor uitwonende invalide kinderen)

Ondertekening memorie van toelichting

De staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. (Louw) de Graaf†i
De staatssecretaris van FinanciŽn, H.E. (Henk) Koning†i
 

Uit de memorie van toelichting

In de kinderbijslagwetgeving zijn de afgelopen jaren ingrijpende wijzigingen aangebracht. Een groot aantal van die wijzigingen was gericht op het realiseren van ombuigingen. Ook het thans voorliggende wetsontwerp moet geplaatst worden in het kader van de noodzakelijke ombuigingen. Toch onderscheidt dit wetsontwerp zich van een aantal andere wetsontwerpen die een ombuiging beogen. De belangrijkste voorstellen in dit wetsontwerp zijn er nl. op gericht om ten volle inhoud te geven aan ťťn van de meest wezenlijke uitgangspunten van de kinderbijslag, t.w. dat de kinderbijslag een tegemoetkoming in de kosten van kinderen moet zijn en geen volledige vergoeding of zelfs meer dan dat. In die situaties, dat de kinderbijslag meer is dan een tegemoetkoming in de kosten, stel ik voor de kinderbijslag te verminderen dan wel de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag aan te scherpen. In de adviesaanvrage aan de Sociaal-Economische Raad (SER) van 31 maart 1980 over de structuur van de kinderbijslag is de doelstelling van de kinderbijslag geformuleerd. Deze doelstelling is het aanbrengen van een correctie op de verdeling van de inkomens ten behoeve van gezinnen met kinderen, zodanig dat daardoorgelijke kansen en ontplooiingsmogelijkheden voor kinderen worden bevorderd. In par. II.2 van genoemde adviesaanvrage zijn de uitgangspunten die aan de uitwerking van deze doelstelling ten grondslag liggen, uiteengezet. In dit verband moge twee van die uitgangspunten worden genoemd, namelijk: -ingezetenen, die kinderen tot hun last hebben, hebben recht op kinderbijslag en -de hoogte van de kinderbijslag dient zodanig te zijn dat voor de ouders een eigen financiŽle verantwoordelijkheid blijft bestaan. Voor het vaststellen van de hoogte van de kinderbijslagen is het uitermate belangrijk van welk kostenbegrip wordt uitgegaan. De huidige bedragen zijn gebaseerd op de feitelijke uitgaven voor kinderen. In de adviesaanvrage van 31 maart 1980 is voorgesteld in de toekomst de noodzakelijke kosten van levensonderhoud als basis te nemen. Voor welk kostenbegrip echter ook wordt gekozen, het uitgangspunt ęeigen financiŽle verantwoordelijkheid voor de oudersĽ betekent dat kinderbijslag geen volledige vergoeding van kosten kan zijn, doch slechts een tegemoetkoming in die kosten.

Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

Ten aanzien van kinderen die worden opgevoed in landen met een welvaartsniveau dat aanzienlijk lager is dan het Nederlandse, moet worden vastgesteld dat aan het uitgangspunt ęeigen financiŽle verantwoordelijkheid voor de oudersĽ geen recht wordt gedaan. Wij menen dat waar ouders van in Nederland verblijvende kinderen de aan de opvoeding verbonden lasten voor een deel moeten bekostigen uit een ander inkomen dan kinderbijslag -zelfs op minimumniveau -dit in beginsel ook moet gelden voor ouders, wier kinderen niet in Nederland worden opgevoed. Een ander aspect is dat het verlenen van de op Nederlandse omstandigheden afgestemde kinderbijslag voor kinderen die niet in Nederland wonen tot gevolg heeft, dat in die landen een ongelijke situatie ontstaat ten opzichte van andere daar woonachtige kinderen. Het vorenstaande brengt het kabinet tot de conclusie dat het -met inachtneming van het doel en de uitgangspunten van ons kinderbijslagstelsel -gerechtvaardigd is de kinderbijslag voor kinderen die wonen in landen met een lager welvaartsniveau dan het Nederlandse, op een lager peil te stellen dan de in Nederland geldende kinderbijslagbedragen. In de afgelopen maanden is uit vele reacties van diverse maatschappelijke groeperingen gebleken, dat verschillend gedacht wordt over een vermindering van kinderbijslag voor kinderen die in het buitenland wonen. Vaak zijn deze reacties negatief geweest. Kern van de kritiek is dat de maatregel zou leiden tot indirecte discriminatie. Voorts wordt nogal eens gewezen op de zwakke positie van buitenlandse werknemers hier te lande en op de vaak slechte sociaal-economische en financiŽle situatie in de landen waar de kinderen verblijven. Deze factoren zouden -zo wordt gesteld -van doorslaggevende betekenis dienen te zijn voor het handhaven van de huidige situatie, dat de kinderbijslag voor buiten Nederland wonende kinderen gelijk is aan die voor in Nederland wonende kinderen. Wij hebben zeer wel begrip voor deze opvattingen. Wij zijn ervan overtuigd, dat de stellingname is ingegeven door een diepe bewogenheid voor de positie van de buitenlandse werknemers in Nederland en voor hun gezinsleden die in het land van herkomst zijn achtergebleven. Ook acht de Regering het volstrekt legitiem dat een aantal van hen gekozen heeft voor een blijvende plaats in onze samenleving met de daaraan verbonden rechten en plichten. De Regering stelt zich dan ook op het standpunt dat voor degenen, die kiezen voor een verblijf in ons land, van in beginsel duurzame aard voorzieningen gewenst zijn om te verzekeren dat zij zich -zonder aantasting van hun eigen cultuur en van hun eigen identiteit -tot volwaardig lid van de Nederlandse samenleving zullen kunnen ontplooien. Het Regeringsbeleid is hierop dan ook gericht. Beschuldigingen, dat de thans aan de orde zijnde maatregel een discriminatoir karakter zou hebben, wijst de Regering als onjuist van de hand. Het Regeringsbeleid richt zich ten principale tegen iedere vorm van discriminatie. Dit houdt ook in dat daar waar de toepassing van een regeling tot feitelijke (positieve) discriminatie leidt, deze moet worden herzien. Dit nu is het geval met betrekking tot de huidige kinderbijslagwetgeving, die in haar uitwerking aan buitenlandse werknemers, wier kinderen in het woonland verblijven -in tegenstelling tot de in Nederland verblijvende gezinnen -een kinderbijslag toekent die veelal ver uitgaat boven de feitelijke onderhoudskosten van kinderen in dat land. Met betrekking tot de stelling, dat de maatregel leidt tot indirecte discriminatie merken wij het volgende op. Het wetsontwerp gaat ervan uit dat verzekerden, die in dezelfde situatie verkeren, gelijk worden behandeld ongeacht hun nationaliteit. Indirecte discriminatie zou dus, naar mag worden aangenomen, betekenen dat mensen die in een gelijke situatie verkeren kennelijk toch nog langs een omweg ongelijk worden behandeld. Echter, het valt niet te ontkennen dat er geen sprake is van een gelijke situatie indien we de positie beschouwen Tweede Kamer, zitting 1982-1983, 17696, nrs. 1-3

van een in Nederland wonende verzekerde wiens kinderen hier eveneens wonen en een in Nederland wonende verzekerde wiens kinderen buiten Nederland wonen. De situatie van deze beide verzekerden verschilt. Op objectief te rechtvaardigen gronden worden zij op verschillende wijze behandeld. De uitkomst van die behandeling is voor beiden dus verschillend zonder dat er echter van discriminatie sprake is. Internationaal gaat men er in sociale verzekeringsverdragen vanuit dat door de gelijkstelling van nationaliteiten in die verdragen discriminatie is opgeheven. Over het voornemen om de kinderbijslag voor kinderen die niet in Nederland wonen, te verminderen, is op 22 juli 1982 advies gevraagd aan de SER. De SER heeft zijn advies op 19 november 1982 uitgebracht. Dit advies is niet eensluidend. Een deel van de SER acht het gerechtvaardigd en in overeenstemming met de uitgangspunten van de huidige kinderbijslagwetgeving dat de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen op een lager bedrag wordt vastgesteld dan van in Nederland wonende kinderen. Als het meest geŽigende middel om dit doel te realiseren, ziet dit deel van de Raad de invoering van het woonlandbeginsel bij de bepaling van de hoogte van de kinderbijslag. Dit deel van de SER is voorts van mening dat het op de weg van de Nederlandse overheid ligt om ten spoedigste het overleg te openen met de verschillende verdragslanden over een aanpassing van de bilaterale verdragen in bovengenoemde zin en voorts om het overleg in EG-verband over de toepassing van het woonlandbeginsel ten aanzien van de hoogte van de kinderbijslag af te ronden. Langs deze weg van overleg kan naar de mening van dit deel van de SER meer recht worden gedaan aan de per land verschillende en voor de hoogte van de kinderbijslag relevante factoren en omstandigheden dan langs de weg van een eenzijdig werkende wetswijziging die van toepassing is op alle kinderen die in het buitenland wonen ongeacht het welvaarts-en voorzieningspeil in dit land. Dit deel van de SER acht het vervolgens aanvaardbaar om, vooruitlopend op de uitkomsten van het bilaterale of multilaterale overleg en ter stimulering van dit overleg, de kinderbijslag voor in het buitenland wonende kinderen per 1 januari 1983 vast te stellen op 75% van de voor Nederland geldende kinderbijslagbedragen; een en ander uiteraard voor zover de van toepassing zijnde verordening en verdragen dit niet verhinderen. Een lid van de SER onderschrijft de benadering van bovenstaand deel van de SER. Het ontbreken van voldoende gegevens over de mate waarin de uitgaven voor kinderen in de verschillende landen afwijken van die voor in Nederland wonende kinderen, brengt dit lid tot de conclusie dat elke verlaging van de kinderbijslag voor kinderen in het buitenland per 1 januari 1983 voorbarig en in strijd is met de vereiste zorgvuldigheid. Een ander deel van de SER is van oordeel dat de voorgestelde maatregel ten principale dient te worden afgewezen omdat deze niet in overeenstemming is met de doelstelling en de uitgangspunten van de in ons land geldende kinderbijslagwetgeving. Aan het advies van de SER van 10 november 1982 -dat als bijlage 11 hierbij is gevoegd -zal in de memorie uitvoerig aandacht worden besteed. Dit wetsontwerp bevat voorts het voorstel om het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen af te schaffen. Tevens wordt voorgesteld de voorwaarden voor het recht op kinderbijslag voor invalide kinderen, die niet tot het huishouden van de verzekerde behoren, aan te scherpen. Ook over deze twee voorstellen heeft de SER op 19 november 1982 advies uitgebracht. Verder heeft de SVR op 21 oktober 1982 over laatstgenoemd onderwerp geadviseerd. Dit advies is als bijlage 21 hierbij gevoegd. Wij stellen voor de hiervoor genoemde voorstellen met ingang van 1 januari 1983 door te voeren. Met betrekking tot de vermindering van 1 Ter inzage gelegd op de bibliotheek evenals kinderbijslag voor kinderen die niet in Nederland wonen, is het kabinet van bijlage 3 (advies Emancipatieraad).

(...)

Nota's van wijziging en amendementen

Bij dit wetsvoorstel werden twee nota's van wijziging, een nota van verbetering en een amendement ingediend.

Moties

Bij dit dossier werden in de Tweede Kamer twee moties ingediend.

Documenten

(26 stuks, sortering omgekeerd chronologisch)   sortering omkeren

2 25†april†1983, brief, nr. 17     KST17696N17K2
Brief van De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
 
1 29†maart†1983, eindverslag, nr. 126a     KST17696N126aK1
Eindverslag zoals mondeling uitgebracht namens de vaste commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid
 
1 29†maart†1983, behandeling, Blz. 469 - 502     290383 1 5
De behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing van het recht op kinderbijslag voor kinderen die het huishouden medeverzorgen, alsmede aanscherping va... - Handelingen Eerste Kamer 1982-1983 29 maart 1983 orde 5
vergadering: 29†maart†1983
 
1 23†maart†1983, nr. 126     KST17696N126K1
Nader gewijzigd ontwerp van wet
 
2 17†maart†1983, stemming(en), Blz. 3145 - 3178     170383 2 8
De stemmingen in verband met het wetsontwerp Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen, alsmede aanscherping van de voorwaarde... - Handelingen Tweede Kamer 1982-1983 17 maart 1983 orde 8
vergadering: 17†maart†1983
 
2 16†maart†1983, gewijzigde motie, nr. 16     KST17696N16K2
Gewijzigde motie van het lid Brouwer C.S., ter vervanging van die gedrukt onder nr.14
 
2 16†maart†1983, motie, nr. 15     KST17696N15K2
Motie van de leden Linschoten en Hermsen
 
2 16†maart†1983, motie, nr. 14     KST17696N14K2
Motie van het lid Brouwer C.S.
 
2 16†maart†1983, behandeling, Blz. 3067 - 3186     160383 2 4
De voortzetting van de behandeling van het wetsontwerp: Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen, alsmede aanscherping van de... - Handelingen Tweede Kamer 1982-1983 16 maart 1983 orde 4
vergadering: 16†maart†1983
 
2 16†maart†1983, behandeling, Blz. 3067 - 3186     160383 2 2
De behandeling van het wetsontwerp Nadere wijziging van de Algemene Kinderbijslagwet (afschaffing van het recht op kinderbijslag voor huishoudkinderen, alsmede aanscherping van de voorwaarden voor het... - Handelingen Tweede Kamer 1982-1983 16 maart 1983 orde 2
vergadering: 16†maart†1983
 
2 14†maart†1983, amendement, nr. 13     KST17696N13K2
Amendementen van het lid Linschoten
 
2 14†maart†1983, gewijzigd voorstel van wet, nr. 12     KST17696N12K2
Gewijzigd ontwerp van wet
 
2 11†maart†1983, nota van verbetering, nr. 11     KST17696N11K2
Nota van verbetering
 
2 11†maart†1983, nota van wijziging, nr. 10     KST17696N10K2
Nota van wijziging
 
2 11†maart†1983, nota, nr. 9     KST17696N9K2
Nota naar aanleiding van het eindverslag
 
2 7†maart†1983, eindverslag, nr. 8     KST17696N8K2
Eindverslag
 
2 15†februari†1983, memorie van antwoord, nr. 7     KST17696N7K2
Memorie van antwoord
 
2 3†februari†1983, voorlopig verslag, nr. 6     KST17696N6K2
Voorlopig verslag
 
2 24†december†1982, brief, nr. 5     KST17696N5K2
Brief van De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
 
2 14†december†1982, nota van wijziging, nr. 4     KST17696N4K2
Nota van wijziging
 
2 6†december†1982, memorie van toelichting, nr. 3     KST17696N3K2
Memorie van toelichting
 
2 6†december†1982, Koninklijke boodschap, nr. 2     KST17696N2K2
Ontwerp van wet
 
2 6†december†1982, Koninklijke boodschap, nr. 1     KST17696N1K2
Koninklijke boodschap
 
2 3†december†1982, nader rapport, nr. C     KST17696NCK2
Nader rapport
 
2 2†december†1982, advies Raad van State, nr. B     KST17696NBK2
Advies van de raad van state
 
2 1†januari†1982, memorie van toelichting, nr. A     KST17696NAK2
Oorspronkelijke tekst van de memorie van toelichting zoals voorgelegd aan de raad van state en voor zover nadien gewijzigd
 

Wetten die gewijzigd worden door dit wetsvoorstel

Dit wetsvoorstel past ťťn wet aan.

Woordvoerders

Eerste termijn Tweede Kamer

B.J.M. (Ben)  Hermsen 16-03-1983 CDA B.J.M. (Ben) Hermsen†i
L.S. (Louise)  Groenman 16-03-1983 D66 L.S. (Louise) Groenman†i
M. (Meindert)  Leerling 16-03-1983 RPF M. (Meindert) Leerling†i
W.J. (Wilbert)  Willems 16-03-1983 PSP W.J. (Wilbert) Willems†i
M.B.C. (Ria)  Beckers-de Bruijn 16-03-1983 PPR M.B.C. (Ria) Beckers-de Bruijn†i
J.F. (Flip)  Buurmeijer 16-03-1983 PvdA J.F. (Flip) Buurmeijer†i
J.R. (Renť)  Toussaint 16-03-1983 PvdA J.R. (Renť) Toussaint†i
I. (Ina)  Brouwer 16-03-1983 CPN I. (Ina) Brouwer†i
R.L.O. (Robin)  Linschoten 16-03-1983 VVD R.L.O. (Robin) Linschoten†i
B.J. (Bas) van der Vlies 16-03-1983 SGP B.J. (Bas) van der Vlies†i
G.J. (Gert)  Schutte 16-03-1983 GPV G.J. (Gert) Schutte†i
J.G.H. (Hans)  Janmaat 16-03-1983 CP J.G.H. (Hans) Janmaat†i
L. (Louw) de Graaf 16-03-1983 Staatssecretaris L. (Louw) de Graaf†i

Tweede termijn Tweede Kamer

B.J.M. (Ben)  Hermsen 16-03-1983 CDA B.J.M. (Ben) Hermsen†i
L.S. (Louise)  Groenman 16-03-1983 D66 L.S. (Louise) Groenman†i
M. (Meindert)  Leerling 16-03-1983 RPF M. (Meindert) Leerling†i
M.B.C. (Ria)  Beckers-de Bruijn 16-03-1983 PPR M.B.C. (Ria) Beckers-de Bruijn†i
J.F. (Flip)  Buurmeijer 16-03-1983 PvdA J.F. (Flip) Buurmeijer†i
J.R. (Renť)  Toussaint 16-03-1983 PvdA J.R. (Renť) Toussaint†i
I. (Ina)  Brouwer 16-03-1983 CPN I. (Ina) Brouwer†i
R.L.O. (Robin)  Linschoten 16-03-1983 VVD R.L.O. (Robin) Linschoten†i
B.J. (Bas) van der Vlies 16-03-1983 SGP B.J. (Bas) van der Vlies†i
G.J. (Gert)  Schutte 16-03-1983 GPV G.J. (Gert) Schutte†i
L. (Louw) de Graaf 16-03-1983 Staatssecretaris L. (Louw) de Graaf†i

Eerste termijn Eerste Kamer

H. (Hedy) d' Ancona 29-03-1983 PvdA H. (Hedy) d' Ancona†i
J.H. (Jo)  Franssen 29-03-1983 CDA J.H. (Jo) Franssen†i
S.C. (Suzanne)  Bischoff van Heemskerck 29-03-1983 D66 S.C. (Suzanne) Bischoff van Heemskerck†i
G.O.J. (Govert) van Tets 29-03-1983 VVD G.O.J. (Govert) van Tets†i
L. (Louw) de Graaf 29-03-1983 Staatssecretaris L. (Louw) de Graaf†i

Tweede termijn Eerste Kamer

H. (Hedy) d' Ancona 29-03-1983 PvdA H. (Hedy) d' Ancona†i
L. (Louw) de Graaf 29-03-1983 Staatssecretaris L. (Louw) de Graaf†i

Derde termijn Eerste Kamer

H. (Hedy) d' Ancona 29-03-1983 PvdA H. (Hedy) d' Ancona†i
L. (Louw) de Graaf 29-03-1983 Staatssecretaris L. (Louw) de Graaf†i

Disclaimer

Dit dossier is automatisch samengesteld en wordt zo nodig iedere 1 ŗ 2 uur geactualiseerd. Aan de technische programmering is veel zorg besteed. Een garantie op de juistheid van de gebruikte bronnen en het samengestelde resultaat kan echter niet worden gegeven.
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.