De behandeling van het wetsvoorstel Nadere wijziging van de Werkloosheidswet (Wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering - Handelingen Tweede Kamer 1993-1994 28 oktober 1993 orde 10


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van: -het wetsvoorstel Nadere wijziging van de Werkloosheidswet (Wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering (21608).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

©

H.A.L. (Henk) van HoofDe heer Van Hoof (VVD): Mijnheer de voorzitter! Het onderhavige wetsvoorstel dateert van juni 1990. Het staat thans op de agenda en dat is niet voortijdig. De Werkloosheidswet en de knelpunten die daarin voorkomen, zijn de afgelopen maanden uitgebreid onderzocht. Een aantal knelpunten dat in dit wetsvoorstel aan de orde komt, is in dat parlementaire onderzoek aan de orde geweest. Zelfs het wetsvoorstel zelve is genoemd en van een kritisch commentaar voorzien. De enquête is nog in procedure en is door de Kamer nog niet beoordeeld. Formeel is het wat moeilijk om dit wetsvoorstel daaraan te toetsen. Toch zou dat niet onverstandig zijn geweest. Ik zou het niet vreemd hebben gevonden als de staatssecretaris daarmee rekening had gehouden en als hij zich had gerealiseerd, welke problemen wij mogelijkerwijs over de uitvoeringsorganisaties heen storten door nu dit wetsvoorstel te behandelen. Mogelijk wordt de zaak dan in het kader van de parlementaire enquête nog een keer behandeld. Misschien komt er nog een evaluatie van de stelselherziening, die weer het nodige met zich brengt. Ik denk dat dit in de richting van de uitvoering niet goed is. Wellicht is er aanleiding voor de staatssecretaris om hierover nog eens goed na te denken. Ik besef, dat het -letterlijk -bijna vijf voor twaalf is. Over de inhoud van het wetsvoorstel wil ik nog drie opmerkingen maken. Als het gaat om het werkloosheidsbegrip is er een discussie ontstaan over de functionaliteit van het begrip arbeidsurenverlies. In de discussie is door het kabinet aangegeven dat een mogelijke oplossing is om naast het arbeidsurenverlies ook het verlies van looninkomsten als een bepalend element mee te nemen. Het kabinet heeft dat niet gedaan. Het argument daarvoor was dat het op korte termijn te ingrijpend zou zijn. De oplossing is nu om het min of meer over te laten aan de SVR. De gedachte om het loonverlies erbij te betrekken, sprak de VVD-fractie aan. De vraag aan de staatssecretaris is dan ook waarom niet alvast, vooruitlopend op de evaluatie van de stelselherziening of eventueel de uitslag van de discussie over het werk van de enquêtecommissie, een studie wordt gestart om na te gaan of de door het kabinet zelf opgevoerde oplossing inderdaad de goede oplossing zou zijn. Het kan maar beschikbaar zijn, zou ik zeggen. Het tweede onderwerp betreft het vijfurencriterium bij onwerkbaar weer. Als oplossing voor de problematiek op dat terrein is het kabinet in tegenstelling tot de eerdere stellingname gekomen met de mogelijkheid om dat criterium voor bepaalde categorieën buiten toepassing te laten verklaren, ter beoordeling van de bedrijfsvereniging en met goedkeuring van de SVR. Als het kabinet het vijfurencriterium in zijn algemeenheid en in zijn totaliteit aan de orde steit, zou dat naar de mening van de VVD een zeer begrijpelijke en goede activiteit zijn, opnieuw met verwijzing naar dat onderzoek, met name waar het gaat om de gebruikersruimte die daar een belangrijke rol in speelt, en de gevolgen die dat heeft voor het gebruik van dit deel van de wet. Dat is echter helaas niet gebeurd. Het wetsvoorstel richt zich slechts op een klein onderdeel, en wel met name op het onwerkbare weer. Dat lost het bezwaar van de gebruikersruimte absoluut niet op. De VVD-fractie heeft ten opzichte van het wetsvoorstel dan ook de afweging gemaakt dat er alternatieven waren. Het kabinet heeft zelf de wachtdagen genoemd. Er is tegemoet gekomen aan het specifieke karakter van de bedrijfstak. De referte-eis is niet van toepassing. Ook de precedentwerking is een van de argumenten die voor ons hebben meegewogen. Voorts zouden wij zorgvuldig willen zijn met het leggen van beslissingsmogelijkheden bij de bedrijfsvereniging. Vandaar dat wij een amendement hebben ingediend dat de bedoeling heeft, het vijfurencriterium te handhaven. Het is niet de mooiste oplossing. Ik zou ook bereid zijn, het direct weer in te trekken, als de staatssecretaris toezegt dat hij op korte termijn wil starten met een evaluatie van het vijfurencriterium in totaliteit. Dat zou een veel nuttiger en veel efficiënter activiteit zijn, inclusief het onwerkbaar weer. Ten slotte nog een opmerking over de combinatie van dit wetsvoorstel Van Hoof en een wetsvoorstel waarvoor wij vandaag het voorlopig verslag hebben ingediend, met betrekking tot de wekeneis. De twee te zamen vormen een probleem en een onevenwichtigheid, als het gaat om herleving van rechten, zeg ik maar even in het kort. Dat heeft de vraag doen stellen of er niet een eenduidiger termijn voor moest worden gecreëerd. Het kabinet heeft daar niet voor gekozen. Ik vind dat de behandeling van dit wetsvoorstel niet het ideale moment is om die discussie te voeren. Het andere is nog aan de orde. Daarom signaleer ik het nu. Hiermee wil ik de ruimte houden om straks, bij de behandeling van het wetsvoorstel over de wekeneis, dit element alsnog aan de orde te stellen.

©

A.J. (Arthie)  SchimmelMevrouw Schimmel (D66): Voorzitter! De uitvoering van de wettelijke bepaling over het arbeidsurencriterium, beschikbaarheid bij ziekte en de samenvaltheorie is niet zonder slag of stoot verlopen. De wet is ingewikkeld, de bedrijfsverenigingen zijn het niet altijd eens met de eruit resulterende uitkeringsrechten en zij houden zich ook overigens niet altijd strikt aan de wettelijke bepalingen. De rechter heeft wetgever en bedrijfsverenigingen gecorrigeerd. De bedrijfsverenigingen hebben weer actie ondernomen richting wetgever. Over een aantal van die acties hebben wij het vandaag. Dit wetsvoorstel lost een aantal technische problemen op die zijn ontstaan bij de uitvoering van de nieuwe Werkloosheidswet. Allereerst het werkloosheidsbegrip. De praktijk leert dat de bedrijfsverenigingen vaak moeite hebben met de resultaten van de systematiek van het arbeidsurencriterium. Uit het onderzoek van Buurmeijer komt hetzelfde naar voren als uit de brief van 17 augustus 1987 van de Federatie van bedrijfsverenigingen aan de Sociale verzekeringsraad en de daarbij gevoegde nota. Deze brief wordt ook in de memorie van toelichting genoemd. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij met de voorgestelde wijziging, die voornamelijk betrekking heeft op het maximeren van het aantal arbeidsuren op 50, voldoende tegemoet komt aan de kritiek op die punten. Ik noem er een paar: het verstrekken van een uitkering in situaties waarvan men zich kan afvragen of er maatschappelijk gezien sprake is van werkloosheid; het vaststellen van een te hoge of te lage uitkering in relatie tot de omvang van de werkloosheid; de vaststelling of controle van het aantal arbeidsuren voor en tijdens de uitkering; en de onuitvoerbaarheid bij wisselende arbeidspatronen. De staatssecretaris schrijft zelf in de stukken dat een en ander nog onderzocht zal worden bij het project evaluatie stelselherziening. Dan heb ik de vraag aan hem hoe het hiermee staat en op welke termijn wij meer inzicht krijgen in dit moeilijke onderwerp. De Centrale raad van beroep oordeelde dat er bij ziekte in beginsel geen sprake is van beschikbaarheid. Als gevolg van deze uitspraak leidt elk ziektegeval dat langer dan een week duurt, tot beëindiging van het recht op een uitkering en tot herleving na het einde van de ziekteperiode. Het is mij niet helemaal duidelijk geworden of de staatssecretaris met de wijziging die hij voorstelt, volledig tegemoet komt aan datgene wat de Centrale raad van beroep heeft geoordeeld. Kan hij hierop nog eens ingaan? Met de interpretatie van het werkloosheidsbegrip gaat de staatssecretaris nog wel wat verder dan de maximering van het aantal arbeidsuren op 50, doordat hij komt tot verwerping van de samenvaltheorie. Althans de Centrale raad van beroep heeft deze verworpen en aan de hand hiervan heeft de staatssecretaris een wijziging voorgesteld. De nieuwe Algemene bedrijfsvereniging is van mening dat de verwerping van de samenvaltheorie niet gewenst is. De staatssecretaris vindt deze wel gewenst. Kan hij dit nog eens motiveren? Welk contact heeft hij hierover gehad met de uitvoeringspraktijk?

©

J. (Jacques)  WallageStaatssecretaris Wallage: Mijnheer de voorzitter! Ik dank de sprekers voor de gemaakte opmerkingen. Het is zeker waar dat dit voorstel een grondige voorbereidingsperiode heeft gekend. Ook ik schrok toen ik de termijnen zag die hiervoor gehanteerd zijn. Dit roept inderdaad de vraag op die de heer Van Hoof stelde: als je er zo lang over hebt gedaan, zou je het dan niet even laten wachten totdat je structureel naar de voorstellen van de parlementaire enquêtecommissie kijkt? Ik meen van niet. In ieder geval rechtvaardigen de praktische reacties die in het wetsvoorstel worden gegeven op een aantal ontwikkelingen in de jurisprudentie en verzoeken vanuit de uitvoeringspraktijk, om dit punt nu af te ronden.

De heer Van Hoof (VVD): Ik begrijp wat de staatssecretaris zegt, maar in de afgelopen maanden is het duidelijk geworden dat een van de grote problemen de uitvoerbaarheid is. Ik heb er nog eens expliciet op gewezen en ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris dit alsnog in de afweging meeneemt.

Staatssecretaris Wallage: Wij zullen later over grotere brokken van de wetgeving op mijn terrein moeten spreken, vanuit de vraag waartoe een fatsoenlijke behandeling van de uitslag van de parlementaire enquête ons dwingt in verband met de lopende wetgeving. U zult zien dat ik heel secuur probeer, de ruimte voor deze Kamer te behouden om tot een zelfstandige beoordeling te komen, ondanks voorgaande wetstrajecten. Nu slaat de balans net om naar de andere kant. Gegeven de lange voorbereidingsperiode en gegeven het feit dat ook vanuit de uitvoeringspraktijk is gesignaleerd dat een aantal aanscherpingen en toespitsingen gewenst is, meen ik dat wij nu beter tot een afronding kunnen komen. Ik zie wel in dat hiermee geenszins de meer structurele vragen over de positie van de werkloosheidswetgeving worden beantwoord. Als ik de heer Van Hoof mag antwoorden dat de enquête ons ertoe verplicht, nog eens heel secuur te kijken naar een aantal hoofdelementen van de wetgeving op dit terrein, proeft hij hierin misschien mijn benadering dat met het voorstel in geen enkel opzicht een antwoord wordt beoogd op vragen die de parlementaire enquêtecommissie heeft opgeroepen. Als ik het lijstje van de parlementaire enquête langsloop, zie ik dat het om heel wat dieper ingrijpende vraagstukken gaat dan met dit wetsvoorstel worden beantwoord. De heer Van Hoof heeft een opmerking over het loonverlies gemaakt. De mogelijke introductie van het element loonverlies in het werkloosheidsbegrip is, zoals de heer Van Hoof al zelf aangaf, bij de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel aan de orde geweest. Onzerzijds is er toen op gewezen, dat wij het vooralsnog niet opportuun achtten daartoe over te gaan. Het systeem van de WW is gebaseerd op urenverlies. Het ontstaan, eindigen en herleven van WW-rechten wordt beoordeeld aan de hand van het arbeidsurencriterium. Het is bekend, dat deze arbeidsurensystematiek weliswaar consistent, maar niet altijd eenvoudig is. Toevoeging van het element loonverlies maakt dat systeem dan weer nog wat gecompliceerder. Door deskundigen is aangegeven, dat dit op uitvoeringstechnische bezwaren stuit. Het ontstaan van werkloosheid zou dan pas kunnen worden beoordeeld nadat de dagloonberekening heeft plaatsgevonden. Ik acht deze uitvoeringstechnische bezwaren van groot belang. De introductie van het element loonverlies is bovendien een ingrijpende wijziging, die de beperkte strekking van dit wetsvoorstel te boven gaat. Dat sluit eigenlijk aan bij de opmerking die ik zojuist ook over de parlementaire enquête maakte. Ik wil er nog eens op wijzen, dat ik ten principale niet afwijzend sta tegenover de introductie van het element loonverlies in de werkloosheidswetgeving. Op dit punt bestaat er tussen de heer Van Hoof en mij geen verschil van opvatting. Ook de commissie-Buurmeijer heeft een aanbeveling in deze richting gedaan en ik kan mij dus zeer goed voorstellen, dat bij de afronding van de behandeling van de parlementaire enquête ook vanuit de Kamer uitspraken daarover worden gedaan. Ik geef er de voorkeur aan het advies van de SVR inzake de vereenvoudiging van de dagloonsystematiek af te wachten, alsmede de resultaten van de evaluatie stelselherziening. Mij is bekend, dat het onderzoek van het Economisch instituut voor het midden-en kleinbedrijf inzake loonelementen op korte termijn zal zijn afgerond. Het SVR-advies verwacht ik spoedig nadien. Ik meen dan ook dat het beter is om op basis van die gegevens tot een nadere beoordeling te komen. In het kader van de evaluatie stelselherziening vindt op dit moment bij de uitvoeringsorganen een onderzoek plaats naar de knelpunten in het werkloosheidsbegrip. Dat is dus ruimer dan alleen dit element. De arbeidsurensystematiek wordt hierbij doorgelicht op handhaafbaarheid en uitvoerbaarheid. Naar aanleiding van deze resultaten zal worden bezien of het werkloosheidsbegrip aanpassing behoeft. Zodra ik over die gegevens beschik, zal ik de Kamer dan ook nader informeren. Voorzitter! Het tweede element van de opmerkingen van de heer Van Hoof -hij heeft daarover ook een amendement ingediend -heeft betrekking op de discussie over de vijfureneis. De beslissing om de vijfureneis te laten vervallen bij onwerkbaar weer en om de bedrijfsvereniging ter zake een vrijstellingsbevoegdheid te geven, is genomen na een tweetal unanieme adviezen van de SVR. De onwerkbaarweerregeling neemt in de WW een aparte plaats in. Ingeval van werkloosheid wegens onwerkbaar weer staat het bij aanvang van het arbeidsurenverlies niet vast, dat dit verlies meer dan vijf uur zal omvatten. Dit in tegenstelling tot alle andere vormen van werkloosheid. Wanneer achteraf blijkt, dat het verlies kleiner is dan vijf uur, is het uitvoeringsorgaan dus onnodig administratief belast. Hierbij bestaat het gevaar, dat men in individuele gevallen in casuïstiek verzeild raakt of nu wel of niet vijf arbeidsuren verloren zijn gegaan in een kalenderweek. Dit kan leiden tot conflicten tussen bedrijfsvereniging en werkgevers alsmede tot oneigenlijk gebruik en wellicht zelfs tot misbruik. Ook de SVR is van mening, dat de vijfureneis alleen zou moeten gelden voor de gewone ontslagwerkloosheid en niet voor werkloosheid wegens onwerkbaar weer. Om redenen van pragmatische en uitvoeringstechnische aard is dus besloten tot deze vrijstellingsbevoegdheid voor de bedrijfsverenigingen. Deze uitvoeringstechnische argumenten voor het verlenen van de vrijstellingsbevoegdheid wegen voor mij zwaarder dan het meer principiële bezwaar dat door de VVD-fractie naar voren is gebracht. Om die reden zou ik dan ook aanvaarding van dit amendement willen ontraden. Mijnheer de voorzitter! De heer Van Hoof heeft mijns inziens gelijk in als hij zegt, dat het verstandig is om met betrekking tot het wekeneiswetsvoorstel -waarin van een iets principiëlere invalshoek sprake is -de discussie over de herleving van rechten te voeren. Ik ben daar uiteraard voor beschikbaar.

Voorzitter! Aan het adres van mevrouw Schimmel merk ik op, dat onze reactie parallel loopt, juist omdat het wetsvoorstel onder meer een reactie is op uitspraken van de Centrale raad van beroep. Daar zit verder geen spanning tussen. Het wetsvoorstel kent een lange voorgeschiedenis. De vier nota's van wijziging zijn ingediend naar aanleiding van de jurisprudentie van de Centrale raad van beroep en adviezen van de SVR. De voorgestelde wijziging van de financiering van de werkloosheidsuitkeringen wegens onwerkbaar weer heeft aanleiding gegeven tot een onderzoek van de SVR naar de uitvoering van deze regeling in de agrarische bouwsector. Ik ga daarop nu niet nader in. Ik mag ervan uitgaan, dat daarmee aan die meer jurisprudentie-achtige eisen in voldoende mate tegemoet gekomen is. Mevrouw Schimmel heeft nog gevraagd, hoe het staat met het evaluatieproject. Zoals mevrouw Schimmel bekend is, is dat een onderdeel van het project evaluatie stelselherziening. Het onderzoek is in januari 1993 gestart. Wij verwachten volgend jaar geïnformeerd te worden over de resultaten. Ik zal die natuurlijk doorgeleiden naar de Kamer zodra ik daarover beschik. Mevrouw Schimmel heeft ook nog gevraagd, welke contacten er met de uitvoering zijn geweest over de samenval van de momententheorie. Dit is een buitengewoon technische vraag, die een buitengewoon technische beantwoording krijgt. Deze contacten zijn er natuurlijk geweest, in feite door een uitvoerige SVR-advisering. Daarbij is ook de Federatie van bedrijfsverenigingen betrokken. Over het laten vervallen van de samenvaltheorie is ook uitvoerig geadviseerd door de SVR. Wie kijkt naar de verschillende elementen van het wetsvoorstel, ziet dat zij steeds weer teruggaan op advisering vanuit de uitvoeringsorganisatie. Ik beschouw het zelf ook als een vertaling van knelpunten en wensen, zoals die in de uitvoering tot uitdrukking zijn gekomen.

De heer Van Hoof (VVD): In de reactie van de staatssecretaris met betrekking tot de vijfureneis zie ik geen aanleiding om mijn amendement in te trekken.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter Ik stel voor, af te zien van artikelsgewijze behandeling en dinsdag te stemmen.

Daartoe wordt besloten.

Sluiting 23.12 uur

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.