Verslag van een mondeling overleg - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (organisatiewet sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Vastgesteld 16 september 1993

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 22 juni 1993 mondeling overleg gevoerd met de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief van de staatssecretaris d.d. 11 juni 1993 met betrekking tot het invoeren van het synthesemodel (kamerstuk 23141, nr. 5) en zijn brief van 18 juni 1993. Van het gevoerde overleg brengt de commissie als volgt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De voorzitter richtte een bijzonder woord van welkom tot de nieuwe staatssecretaris, die voor het eerst met deze commissie overlegt.

De heer Linschoten (VVD) memoreerde zijn ergernis toen hij in een kranteartikel las dat vertegenwoordigers van de coalitiepartijen ermee hadden ingestemd dat de zogenaamde pilot Eindhoven per 1 juli a.s. landehjk zou worden geïmplementeerd, ook al waren er enige problemen met de Organisatiewet sociale verzekeringen (OSV). Men meende dit te kunnen doen, omdat er toch een kamermeerderheid voor zou zijn. De procedures voor het wijzigen van wetten zijn er evenwel niet voor niets. De heer Linschoten stelde vervolgens geen tegenstander te zijn van een geïntegreerde gevalsbehandeling en te menen dat die ook mogelijk is binnen de kaders van de huidige OSV. Naar zijn indruk lopen er nu evenwel een aantal dingen door elkaar: de geïntegreerde gevalsbehandeling, het zetten van stappen in de richting van het synthesemodel, de opvattingen betreffende de nieuwe uitvoeringsorganisatie, de positie van de sociale partners daarin en het vasthouden aan een bedrijfstaksgewijze organisatie. De regering heeft te kennen gegeven dat wat er gebeurt onder alle omstandigheden moet passen binnen de kaders van de huidige OSV en dat niet vooruit mag worden gelopen op het nieuwe wetsvoorstel. De vraag blijft of het per 1 juli a.s. implementeren van de pilot Eindhoven niet in strijd is met de huidige OSV. Naar de mening van de heer Linschoten is dit wel het geval, omdat de pilot Eindhoven dan wel kon worden uitgevoerd zonder opsplitsing van de GMD, maar het landelijke model van de pilot per definitie zal moeten leiden tot een 314501 F ISSN09217371 Sdu Uitgeveni Plantijnstraat ' s Gravenhage 1993 opsplitsing van de GMD in Nederland. Ook als er pro forma een bestuur blijft bestaan, is de nieuwe situatie, anders dan de samenwerking van GAK en GMD, in strijd met de OSV, zeker gezien de ontstaansgeschiedenis van de wet. De onafhankelijke leden van het GMD-bestuur zijn inmiddels ook tot die conclusie gekomen en hebben de staatssecretaris dat laten weten. Alleen al om formele redenen moet de regering dan ook afwijzend reageren op het verzoek van de Federatie van bedrijfsverenigingen (FBV) om per 1 juli deze landelijke implementatie toe te staan. Een tweede, inhoudelijke reden om te betwijfelen of het wel verstandig is over te gaan tot die landelijke implementatie is dat er blijkens het evaluatierapport van de pilot Eindhoven eigenlijk nog geen conclusies te trekken zijn, omdat het project pas sinds september 1992 loopt. De heer Linschoten was verbaasd over de inhoud van de brief van de FBV, omdat het directeurenoverleg aan de presidia FBV, GAK en GMD een brief heeft gestuurd over het evaluatierapport en daarin uitdrukkelijk heeft vermeld dat dit rapport niet leidt tot de conclusie dat op dit moment tot een landelijke implementatie van het project moet worden gekomen. Is de regering op de hoogte van het bestaan van deze brief? Zo ja, waarom heeft de Kamer daarvan dan geen kopie ontvangen? Samenvattend stelde de heer Linschoten dat de FBV moet worden medegedeeld, dat op grond van inhoudelijke overwegingen niet moet worden overgegaan tot implementatie van de pilot Eindhoven en dat implementatie in het kader van de huidige OSV een stap te ver zou zijn.

Mevrouw Groenman (D66) sloot zich in grote lijnen bij deze woorden aan. Zij herinnerde aan de brief van de FBV die eind 1992 is uitgegaan naar de afzonderlijke bedrijfsverenigingen, de GMD en het GAK waarin op arrogante toon een invoeringstraject uiteen werd gezet met als ondertoon: zo gebeurt het en als de Kamer het anders wil, dan is dat jammer. Mevrouw Groenman stond op het standpunt dat er in praktische noch juridische zin onomkeerbare dingen mogen gebeuren voordat het parlement de nieuwe OSV heeft behandeld en de parlementaire enquête is afgerond. Wellicht geeft het enquêteresultaat aanleiding tot andere gedachten over de rol van sociale partners als zodanig. De Kamer kan haars inziens niet door de FBV voor een fait accompli worden gesteld.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA) herhaalde haar bij de regeling van werkzaamheden op 10 juni 1993 gemaakte opmerking dat zij tijdens het overleg met de FBV heeft gezegd dat voor haar fractie het (goed voeren van) een volumebeleid in de wetgeving voorop staat en dat zij haar fractie zou adviseren om er in het voorlopig verslag over het ontwerp van de nieuwe OSV op die wijze aandacht aan te besteden. Het ging in dat krantebericht over een overleg, zoals dat gebruikelijk is tussen fracties en instanties die betrokken zijn bij de uitvoering van bestaande en toekomstige wetgeving. Mevrouw Van Nieuwenhoven was het eens met de brieven. In de brief van 18 juni wordt inzicht gegeven in de verschillende rapportages. Zij deelde vele punten van zorg die in de brief zijn vermeld en wilde daarop te gelegener tijd nog terugkomen. De uitvoeringsorganen moeten voor 1 augustus a.s. een plan van aanpak inleveren bij de Toezichtkamer. Kan zo snel mogelijk daarna in overleg met de Toezichtkamer worden gerapporteerd of dat is gelukt en hoe men verder denkt te werken?

De heer Biesheuvel (CDA) ging ervan uit dat in wezen een krantebericht aanleiding is geweest voor dit mondelinge overleg en merkte naar aanleiding daarvan op, dat op korte termijn in het voorlopig verslag over het ontwerp van de nieuwe OSV de weerslag te vinden zal zijn van de nuttige gesprekken die ter voorbereiding daarvan door fracties zijn gevoerd. Herhaalde malen is in discussies, onder andere over de samenwerking tussen GAK en GMD, in de Kamer vastgesteld dat het synthesemodel niet kan worden ingevoerd zonder wetswijziging. Het gaat nu om de vraag of de pilot Eindhoven (door de Toezichtkamer goedgekeurd als passend binnen de huidige OSV) van toepassing kan worden verklaard op de rest van het land, of daarmee iets onomkeerbaars wordt gedaan en of de huidige OSV dat toestaat. Heeft de Toezichtkamer, een in meerderheid onafhankelijk orgaan, toen zij de pilot Eindhoven toestond ook een uitspraak gedaan over de implementatie daarvan? De heer Biesheuvel veronderstelde dat het in brief 23141, nr. 5 vermelde oordeel mede is gebaseerd op de interpretatie van de Toezichtkamer. Over de politieke wenselijkheid van de implementatie kan lang worden gediscussieerd, maar zijn fractie heeft nooit onder stoelen of banken gestoken dat zij in het kader van de toekomstige uitvoering van de sociale zekerheid de deskundigheid van de GMD wil inbrengen bij de bedrijfsverenigingen. Het gaat nu om de vraag of een en ander binnen de huidige OSV past. De heer Biesheuvel kwam in dezen tot dezelfde conclusie als de regering. Bij de discussie over de samenwerking tussen GAK en GMD is ook nadrukkelijk de vraag aan de orde geweest, hoe de wettelijke taak en plicht van de GMD in het kader van de OSV overeind blijven. In de brief wordt daarop terecht ook ingegaan in het kader van de landelijke implementatie van de pilot. Los van politieke redenen was de heer Biesheuvel vóór landelijke implementatie, omdat aldus de gewenste grotere efficiency en effectiviteit van de uitvoeringsorganisatie in Nederland kunnen worden bereikt. Hij ging ervan uit dat de regering voldoende redenen heeft voor de stelling dat die implementatie binnen de huidige OSV mogelijk is. Alle elementen van de pilot Eindhoven, zoals samenwerking met de arbeidsvoorziening en de GMD, zijn diverse malen genoemd als voorwaarden voor een efficiëntere uitvoering.

Antwoord van de regering

De staatssecretaris wees erop dat de besturen van FBV, GMD en GAK nog een besluit moeten nemen over de beslissing van hun presidia. De organisaties die zijn aangewezen om in deze materie een aantal eigen keuzes te maken, moet daarvoor een zekere ruimte worden gelaten. Over de vraag wat er, vooruitlopend op en rekening houdend met de op handen zijnde wet, kan gebeuren, is een aantal keren door Kamer en regering gediscussieerd. In het daarop gevolgde proces zetten betrokkenen een volgende stap. De staatssecretaris was van mening dat die stap om tot een zo geïntegreerd mogelijke gevalsbehandeling te komen niet wezenlijk anders is dan de vorige stap in die richting. Zowel bij het samengaan van GAK en GMD als bij deze implementatie is de vraag aan de orde, of de formele verantwoordelijkheidsverdeling zich wijzigt. Hij bestreed niet dat doordat bij de verdergaande samenwerking de verantwoordelijkheid van de GMD formeler van aard wordt, op termijn een zodanige spanning zal ontstaan, dat een formele kaderstelling nodig is voordat men verder kan gaan. De vraag is of de stap die nu wordt gezet, verantwoord kan worden gedaan terwijl vorm wordt gegeven aan de nieuwe gestalte van de OSV. In afwachting van de definitieve plannen en voorstellen heeft de staatssecretaris slechts gezegd niet de indruk te hebben dat er sprake is van een fundamentele verschuiving. Een ander punt is hoe de situatie in Eindhoven wordt beoordeeld, welke meerwaarde daarvan kan worden verwacht en hoe wijs het is om op basis van de gang van zaken daar tot algemene invoering over te gaan. Het leek hem verstandiger om deze inhoudelijke kant te zijner tijd te bespreken als de totale gang van zaken rond deze «één-loketbenadering» aan de orde is. Inhakend op een interruptie, zei de staatssecretaris niet van mening te zijn dat er sprake is van een onomkeerbaar proces, ook al zullen er vrij ingrijpende maatregelen moeten worden genomen om dat proces terug te draaien indien de Kamer besluit tot een compleet andere aanpak. Strikt formeel is het bestuur van de GMD verantwoordelijk voor de activiteiten van GMD-medewerkers, de detachering en andere organisatorische randvoorwaarden. De voor Eindhoven gedane keuze, de beoordeling daarvan en de daarbij door betrokkenen genomen beslissingen geven hem geen aanleiding om uit puur formele overwegingen een proces te laten stagneren dat hij inhoudelijk van grote betekenis vindt, omdat daarbij wordt gestreefd naar geïntegreerde gevalsbehandeling. Hoe er uiteindelijk ook wordt gedacht over de hoofdstructuur, er bestaat thans dringend behoefte aan om daar waar dit mogelijk is in Nederland te komen tot een zodanige beoordeling van ziekte-en arbeidsongeschiktheidsgevallen, dat de negatieve effecten op de volumeontwikkeling worden gekeerd. Met betrekking tot de volumevermindering WAO zijn er geen eenduidige conclusies te trekken uit de pilot Eindhoven, maar er zijn wel positieve ervaringen ten aanzien van het ziektewettraject. Men heeft de verwachting dat deze aanpak op termijn zal leiden tot een geringere WAO-instroom. Er zijn zware argumenten nodig om niet in te stemmen met de wens van de betrokkenen om onder verantwoordelijkheid van de huidige formele structuur lokaal zoveel mogelijk een geïntegreerde behandeling te laten plaatsvinden.

De heer Linschoten stelde dat als de regering toestemming geeft voor die implementatie, de Kamer geen mogelijkheid meer heeft om op dat punt bij te sturen. Het zou ordentelijk zijn om de hele discussie te voeren bij de behandeling van het ontwerp van de nieuwe OSV, gegeven de bevindingen van Enquêtecommissie. Maar dan mogen er intussen geen onomkeerbare dingen gebeuren. Het opsplitsen van de GMD is materieel een onomkeerbaar proces. Dat iets in strijd is met de wet, is toch wel een heel zwaar argument tegen.

De staatssecretaris merkte op dat in juli de Toezichtkamer antwoord zal geven op de vraag hoe een landelijke implementatie zich verhoudt tot de wet. De staatssecretaris zal dit antwoord betrekken bij zijn definitieve oordeel in dezen. Als het bestuur van de GMD met beide andere partijen tot een besluit komt, kan zijnerzijds geen onderscheid worden gemaakt tussen de leden van het bestuur. De beschuldiging dat men in strijd handelt met de wet, moet wel waargemaakt kunnen worden. Een nieuw wettelijk kader is op langere termijn, zeker bij volledige implementatie, gewenst. Het wetsvoorstel ligt al bij de Kamer. Waar het voorlopig verslag kennelijk binnenkort mag worden verwacht en de memorie van antwoord daarop snel zal volgen, zal direct na de zomer tot afronding kunnen worden gekomen. De stukken voor het eerst lezend, heeft de staatssecretaris vastgesteld dat er in de loop der jaren in deze sector verhoudingen zijn gegroeid en vergroeid. Hij was bereid tot een grondig debat over de langetermijnontwikkeling. Voorts was hij bereid de aan de Toezichtkamer toe te zenden plannen van aanpak aan de Kamer over te leggen en daarover met de Kamer te spreken. Zijns inziens is niet zozeer de formele kant het meest zorglijke in het geheel als wel het niet halen van afgesproken taakstellingen en het moeizaam van de grond komen van inhoudelijke verbeteringen. Men is moeizaam stapje voor stapje op weg naar een effectief volumebeleid.

Nadere gedachtenwisseling

De heer Linschoten vond het jammer dat de staatssecretaris de inhoudelijke discussie niet nu wil voeren. Formeel moeten de besturen van FBV, GAK en GMD inderdaad nog een beslissing nemen. Als tot landelijke implementatie wordt besloten, moet de Toezichtkamer er nog een oordeel over geven. De heer Linschoten bleef erbij dat men met de huidige OSV in de hand in redelijkheid niet tot de conclusie kan komen dat de gevraagde stap nu kan worden gezet. Hij deed het verzoek de Kamer zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van de beslissing van de regering.

Mevrouw Groenman vroeg zich af of het niet verstandig is dat de besturen het oordeel van de Toezichtkamer over landelijke implementatie afwachten. Is het nog steeds de bedoeling van de FBV om de door haar voorgestane geïntegreerde gevalsbehandeling volgens de lijn van het synthesemodel te doen ingaan per 1 januari 1994? De opheffing van de GMD per 1 juli 1993 liep daarop vooruit. Als nu wordt uitgegaan van 1 januari 1995 in plaats van 1994, ligt het allemaal wat anders.

Mevrouw Van Nieuwenhoven stelde vast dat in het mondeling overleg van 25 juni 1992 voor een deel dezelfde vragen zijn gesteld en dat de toenmalige staatssecretaris daarop dezelfde antwoorden heeft gegeven en heeft gesteld dat er slechts op basis van de huidige wet mocht worden geïmplementeerd en dat men daarmee geen stap verder mocht gaan. Een en ander zal afhangen van hoe met name het GMD-bestuur, maar ook de andere besturen dit zien. Haars inziens is het juridisch niet mogelijk dat de Kamer bepaalt dat de Toezichtkamer eerst een oordeel over landelijke implementatie moet geven, voordat de besturen van deze organisaties een besluit mogen nemen. Immers, in de OSV is neergelegd dat deze besturen zelfstandig mogen beslissen. De Toezichtkamer heeft zich met instemming van het GMD-bestuur verbonden toezicht te houden op de pilot Eindhoven en driemaandelijks daarover te rapporteren.

De staatssecretaris was van mening in deze situatie bestuurlijk zorgvuldig te moeten handelen en dit te hebben gedaan door wel de vragen te beantwoorden, maar de beslissing te laten waar die hoort. Zodra de volgende stap is gezet, zal de Kamer worden geïnformeerd. Zijns inziens kan het besluit van de betrokken besturen ter controle op het wettelijke kader worden voorgelegd aan de Toezichtkamer. In de brief met zijn besluit in dezen zal de staatssecretaris nader uiteenzetten waarom hij mede op basis van het advies van de Toezichtkamer zijn conclusie dat toestemming moet worden verleend, heeft gehandhaafd. Of niet, wat hem overigens onwaarschijnlijk leek. De staatssecretaris kon geen antwoord geven op de vraag, in hoeverre de FBV de voorgenomen termijnen voor invoering van de geïntegreerde gevalsbehandeling denkt te kunnen aanhouden.

De voorzitter van de commissie, Doelman-Pel

De griffier van de commissie, Jooren

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.