Memorie van antwoord - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Ontvangen 6 september 1993

  • Inleiding

Bestudering van het op 21 juli 1993 vastgestelde voorlopig verslag heeft mij tot de conclusie gebracht dat bij de leden van de verschillende fracties sprake is van zeer uiteenlopende gevoelens over dit wetsvoorstel. Weliswaar onderschrijven alle fracties dat in de huidige uitvoering knelpunten bestaan die het noodzakelijk maken om tot verandering van de uitvoeringsorganisatie te komen, maar over de wijze en het moment waarop dat moet gebeuren wordt verschillend gedacht.

In het navolgende wordt op de voorlopige bevindingen van de vaste Commissie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid ingegaan, waarbij zoveel mogelijk de indeling van haar voorlopig verslag wordt gevolgd. Alvorens te reageren op de vragen en opmerkingen betreffende specifieke onderdelen van het wetsvoorstel acht ik het wenselijk in te gaan op een aantal meer algemene aspecten. Daarbij komt met name aan bod de verdere behandeling van het wetsvoorstel en de samenhang met de resultaten van het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie. Deze kwestie wordt door de leden van de verschillende fracties uitvoerig onder de aandacht gebracht. De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennis genomen van het voorstel. Reeds bij verschillende gelegenheden hebben deze leden aangedrongen op aanpassing van de Organisatiewet sociale verzekeringen (OSV). Het verheugt mij dat de leden van de CDA-fractie geen reden zien om te wachten met behandeling van dit wetsvoorstel en dat zij van mening zijn dat het kabinet adequaat gereageerd heeft op het advies van de Raad van State. Zij zijn, evenals het kabinet, van mening dat het hier gaat om een beperkte aanpassing, die een vervolg kan krijgen nadat de discussie over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en sociale partners uitgekristalliseerd is.

De leden van de PvdA-fractie onderschrijven de gedachte dat de stand van zaken binnen de uitvoeringsorganisatie alleszins noodzaakt tot aanpassing c.q. vernieuwing van bestaande wetgeving. De leden van de FVdA-fractie achten echter de mogelijkheid aanwezig dat een beperkt 314278F ISSN09217371 Sdu Uitgeverij Plamijnstraat 's Gravenhage 1993 aantal elementen van het wetsvoorstel op korte termijn wordt behandeld, terwijl andere onderdelen worden aangehouden en in samenhang met de uitkomsten van de parlementaire enquête nader beoordeeld.

De leden van de SGP-fractie steunen de beperkte opzet van het wetsvoorstel. Zij zijn van mening dat het beter is om op korte termijn de grootste knelpunten binnen de organisatie op te lossen, zonder de organisatie zelf op losse schroeven te zetten.

Het lid van de RPF-fractie vraagt zich af of alle onderdelen van het wetsvoorstel op dit moment noodzakelijk en wenselijk zijn. Met de leden van de fracties van de VVD, D66, en Groen Links sluit dit lid zich aan bij het standpunt van de Raad van State dat in dit wetsvoorstel wel degelijk sprake is van een forse wijziging van de bestaande uitvoeringsstructuur. Gelet daarop uiten deze leden hun twijfel over de opportuniteit van het wetsvoorstel op dit moment, namelijk voorafgaand aan het verschijnen van het rapport van de parlementaire enquêtecommissie.

Naar mijn mening lijdt het geen twijfel dat de uitkomsten van de parlementaire enquête grote gevolgen kunnen hebben voor de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen, waaronder de verdeling van verantwoordelijkheden. Deze wetenschap is dan ook een van de redenen voor het kabinet geweest om het voorliggend wetsvoorstel een beperkte opzet te geven; het laat de uitvoering aan de voet vrijwel ongemoeid en er worden geen voorstellen gedaan voor een drastische wijziging van de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling.

Het voorgaande neemt niet weg dat het wetsvoorstel wèl een aantal belangrijke voorstellen bevat. In de memorie van toelichting en in het nader rapport aan de Koningin is aangegeven dat beoogd wordt een aantal hoogst noodzakelijke wijzigingen in de uitvoering tot stand te brengen. Het gaat dan in de eerste plaats om het opheffen van de gescheiden trajecten en verantwoordelijkheden in de uitvoering van de Ziektewet (ZW), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Die gescheiden trajecten leiden tot een censuur in de gevalsbehandeling en hebben lange behandelingstijden tot gevolg. Verder gaat het er om dat het toezicht op de uitvoeringsorganisatie in de huidige OSV niet helder is geregeld, dat een duidelijke structuur voor de beheersing van de uitvoeringskosten ontbreekt en dat er een gebrek bestaat aan samenwerking van de uitvoering van de sociale verzekeringen in de regio. Deze vier knelpunten vormen een belemmering voor een adequate aanpak van de volume-en uitgavenontwikkeling van de sociale verzekeringen. Ik hecht er daarom aan te benadrukken dat ik implementatie van de in het wetsvoorstel geformuieerde wijzigingen op korte termijn van veel belang acht. Daarbij merk ik op dat de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel zodanig met elkaar samenhangen dat behandeling en implementatie van slechts een deel van het wetsvoorstel ongewenste gevolgen zou kunnen hebben. Bij een gedeeltelijke invoering denken de leden van de PvdA-fractie aan een beperkt aantal zaken die in de praktijk al verregaand gestalte hebben gekregen. Ik ga ervan uit dat deze leden daarbij in ieder geval het instellen van het onafhankelijk toezicht en het opheffen van de GMD als zelfstandige organisatie op het oog hebben.

Begrijp ik deze leden goed dan zouden andere onderdelen in samenhang met de uitkomsten van de parlementaire enquête nader beoordeeld moeten worden. Ik zou mij dit kunnen voorstellen indien het zou gaan om verdergaande maatregelen op het gebied van samenwerking en besturing in de regio. Bij de andere onderdelen van het wetsvoorstel -ik denk bijvoorbeeld aan het instellen van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib) -is dat niet het geval. Zo hangt de instelling van het Gib ten nauwste samen met het omvormen van de Sociale Verzekeringsraad (SVr) tot College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) en het opheffen van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) als zelfstandige organisatie. Immers, een aantal huidige taken van de SVr wordt bij het Gib ondergebracht. Dit geldt ook voor een aantal taken dat nu bij de GMD berust. Daarnaast acht ik het van groot belang dat, gelet op de veranderingsprocessen waarmee de uitvoeringsorganisatie geconfronteerd wordt en in de toekomst zal worden, een coördinerende instantie ten behoeve van de uitvoering «aan de voet» bestaat. Een instantie bovendien die, anders dan de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV), een basis in de OSV heeft. Het is naar mijn mening onwenselijk, en bovendien niet nodig, om de verdere behandeling van dit wetsvoorstel aan te houden nu binnenkort de resultaten van de enquête bekend zijn. Ik kan het dan ook niet eens zijn met de leden van de fracties van VVD, D66 en Groen Links die voor een onvoorwaardelijke stopzetting van de behandeling pleiten. De enquêteresultaten zullen zeker een belangrijke rol spelen bij de toekomstige fundamentele gedachtenvorming over de uitvoering van de sociale verzekeringen. De conclusies van de enquêtecommissie kunnen zelfs aanleiding geven tot een ingrijpende wijziging van de huidige structuur van de uitvoering van de sociale verzekeringen. Ik acht het echter onwaarschijnlijk dat de analyse van het kabinet ten aanzien van de knelpunten waardoor de huidige uitvoering niet optimaal functioneert, die ten grondslag ligt aan dit wetsvoorstel op hoofdpunten onjuist zou blijken. Het wetsvoorstel heeft een relatief beperkte opzet; het brengt nauwelijks verandering in deze structuur. Behandeling van het onderhavige wetsvoorstel in het parlement staat de te verwachten fundamentele discussie in mijn visle dan ook niet in de weg. In tegenstelling tot de opvatting van de leden van de fractie van Groen Links ben ik van mening dat juist het aanhouden van het wetsvoorstel zo'n discussie kan belemmeren. Ze zou onder de constante druk staan om eerdergenoemde knelpunten zo snel mogelijk op te lossen. Met de implementatie van de voorgestelde maatregelen wordt de weg vrijgemaakt voor een open gedachtenwisseling.

De leden van de PvdA-fractie merken overigens terecht op dat een deel van dit wetsvoorstel, namelijk het instellen van een onafhankelijk toezicht en het mogelijk maken van de geïntegreerde gevalsbehandeling, reeds eerder in de Tweede Kamer besproken is. Bij die gelegenheden onderschreven ook de fracties van VVD, D66 en Groen Links de noodzaak om op korte termijn tot dergelijke aanpassingen te komen. De andere onderdelen van het wetsvoorstel, namelijk budgettering van uitvoeringskosten, het instellen van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en het verruimen van de mogelijkheden tot samenwerking in de regio, dragen bij aan een efficiëntere en beter beheersbare uitvoering, zonder dat een fundamentele wijziging van verantwoordelijkheden tot stand wordt gebracht. De discussie over fundamentele wijzigingen van de uitvoering, dit in antwoord op de vraag van de leden van de fractie van de PvdA, valt dus buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel. Het risico dat door de conclusies van de enquête de behandeling van dit wetsvoorstel vertraging oploopt of zelfs vast loopt, schat ik dan ook laag in. Het valt vanzelfsprekend niet helemaal uit te sluiten dat de resultaten van de parlementaire enquête het onderhavige wetsvoorstel rechtstreeks beïnvloeden. Daarop wil ik echter niet vooruitlopen door op voorhand stopzetting van de behandeling van het wetsvoorstel te vragen. Indien dat uiteindelijk echt nodig blijkt te zijn, kunnen in de volgende fase van de parlementaire behandeling, de uitkomsten van de parlementaire enquête worden meegenomen.

Het is mij opgevallen dat de leden van de fracties van VVD, D66 en Groen Links juist het kabinet verwijten vooruit te lopen op de resultaten van de parlementaire enquête, en tegelijkertijd zelf van de gelegenheid gebruik maken nu reeds hun visie op de toekomstige uitvoeringsorganisatie uiteen te zetten. Met het oog op het onderscheid dat ik maak tussen dit wetsvoorstel en de discussie over de toekomstige uitvoeringsorganisatie neem ik de vrijheid de visie van de verschillende partijen te bespreken nadat de resultaten van de parlementaire enquête bekend zijn, binnen de kaders van de laatstgenoemde discussie. Daarbij kan dan ook het door de leden van de fracties van VVD, D66 en Groen Links op 30 juni 1992 gepresenteerde rapport, waaraan veelvuldig gerefereerd wordt, betrokken worden. Ook de rapportage van de Secretarissen-Generaal, getiteld «De organisatie en werkwijze van de njksdienst», waaruit de leden van de fractie van Groen Links citeren, kan daarbij een rol spelen.

De leden van de GPV-fractie, die dit wetsvoorstel met meer dan gemiddelde belangstelling hebben gelezen, betreuren het dat het kabinet op dit moment niet in staat is aan te geven welke veranderingen zij nog meer noodzakelijk en wenselijk acht om te kornen tot een moderne, flexibele en doeltreffende uitvoeringsorganisatie. Zoals ik zojuist al opmerkte, gaat het in mijn ogen dan toch vooral om de nog te voeren discussie over de toekomst van de uitvoeringsorganisatie. Door te kiezen voor een beperkte opzet heeft het kabinet er bewust van afgezien met dit wetsvoorstel op de uitkomst van die discussie vooruit te lopen.

De leden van de SGP-fractie vragen haast te maken met de discussie over de afbakening van de onderscheiden verantwoordelijkheden binnen de sociale zekerheid. Zij vragen het kabinet hieromtrent een tijdpad aan te geven. Op dit moment acht ik het niet goed mogelijk een reële inschatting te maken van het verloop van de discussies over een nieuwe uitvoeringsorganisatie en een daarmee samenhangend wetgevingstraject. Een en ander is van zoveel factoren afhankelijk dat ik het aangeven van een tijdpad nog niet mogelijk acht.

De leden van verschillende fracties verwijzen in hun voorlopige bevindingen nog naar de wetsvoorstellen op het terrein van ZW en AAW/ WAO, zoals deze zeer recentelijk kracht van wet gekregen hebben, dan wel zich in een zeer ver gevorderd stadium van behandeling in het parlement bevinden.

Zo vragen de leden van de PvdA-fractie zich af of het voorliggende wetsvoorstel nog wijziging behoeft naar aanleiding van de wetswijzigingen die in het parlement werden of zullen worden behandeld. Deze leden merken terecht op dat er een relatie bestaat met de bovenbedoelde wetsvoorstellen op het terrein van ZW en AAW/WAO. De wet Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen, die per 1 augustus jl. in werking trad, heeft geen directe gevolgen voor het onderhavige wetsvoorstel. Het wetsvoorstel Terugdringing Ziekteverzuim bevat wel een aantal elementen die aanleiding zijn om het voorliggende wetsvoorstel aan te passen. Het betreft hier de toestemming aan werkgevers om het risico van de wettelijke ziekengeldverzekering zelf te dragen en een nadere bepaling met betrekking tot gegevensverstrekking. Na afhandeling van het wetsvoorstel Terugdringing Ziekteverzuim in de Eerste Kamer zal dus een nota van wijziging op het voorliggende wetsvoorstel worden ingediend.

De leden van de D66-fractie vragen zich af of het kabinet er wel rekening mee heeft gehouden dat de uitvoeringsorganisatie geconfronteerd wordt met dit wetsvoorstel, terwijl een aantal nu in behandeling zijnde wetsvoorstellen, niet alleen op het terrein van ZW en AAW/WAO, reeds een meer dan grote druk op de uitvoering legt om zo goed mogelijk te functioneren.

Ik heb kunnen constateren dat de Raad van State in zijn advies ook een dergelijke opmerking heeft gemaakt inclusief de als voorbeeld opgesomde wetsvoorstellen. De opvatting van het kabinet op dit punt heeft sinds het verschijnen van het nader rapport aan de Koningin geen wijziging ondergaan. Op deze plaats zou ik nog eens willen opmerken, dat ik de mening van de leden van de D66 fractie deel dat een aantal recente wetsvoorstellen een relatief grote belasting voor de uitvoeringsinstanties met zich brengt. Daarbij moet echter wel de nuancering aangebracht worden dat het wetsvoorstel Algemene Nabestaandenwet en de voorgenomen wijzigingen van de Algemene Bijstandswet niet beschouwd kunnen worden als verzwarende omstandigheid voor de uitvoeringsorganisatie naast het reorganisatieproces ten gevolge van dit wetsvoorstel. Immers, de Algemene Nabestaandenwet wordt uitgevoerd door de Sociale Verzekeringsbank (SVb) waarvan de positie ten gevolge van de aanpassing van de OSV niet wijzigt. De Algemene Bijstandswet wordt uitgevoerd door de gemeenten. Deze zijn niet bij dit wetsvoorstel betrokken. Verder ben ik van mening dat de voorgestelde wijzigingen van de OSV noodzakelijk zijn om de implementatie van verschillende, ten dele nog voorgenomen, maatregelen succesvol te laten verlopen. Initiatieven die door uitvoeringsinstanties, nu reeds, vooruitlopend op bepaalde wetsvoorstellen, genomen worden blijken in hun ontwikkeling belemmerd te worden door het bestaande juridische kader. Gelet op de zware inspanning die van de uitvoering verwacht wordt, is het dus noodzaak te komen met voorstellen tot wijziging van de uitvoeringsstructuur van de sociale verzekeringen. Zou het kabinet op dat punt zijn verantwoordelijkheid niet nemen dan zouden aan de uitvoeringsorganisatie onredelijk zware eisen gesteld worden.

Ik heb dus ook met instemming kennis genomen van de opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie dat indiening van dit wetsvoorstel juist nu ter ondersteuning van de uitvoeringsorganisatie noodzakelijk is. Uitstel van het wetsvoorstel zal mijns inziens onherroepelijk leiden tot grote problemen in de uitvoering hetgeen vrijwel zeker een negatief effect op de volume-en prijsontwikkeling van de sociale verzekeringen zal hebben.

De leden van de fractie van D66 vragen zich af waarom het kabinet er niet alsnog voor gekozen heeft de tekortschietende beheersing van het volumebeleid en daarmee van het uitgavenniveau van de sociale zekerheid als belangrijkste knelpunt te vermelden.

In het nader rapport aan de Koningin is in § 1.1 aangegeven dat het kabinet van mening is dat juist de vier belangrijkste knelpunten die ten grondslag liggen aan dit wetsvoorstel de beheersing van het volume-en uitgavenniveau van de sociale zekerheid bemoeilijken. Naar aanleiding van het advies van de Raad van State is de memorie van toelichting op dit punt verduidelijkt door nader in te gaan op de relatie tussen de vier knelpunten en de beheersing van het volume-en uitgavenniveau. De leden van de fracties van de PvdA en de SGP hebben vragen omtrent het tijdstip van indiening van dit wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie vragen uitleg over de lange tijd die lag tussen het verschijnen van de adviesaanvraag op 8 september 1989 en het uitbrengen van dit wetsvoorstel.

Nadat in de loop van 1990 de betrokken adviesorganen advies hadden uitgebracht is op 11 februari 1991 in een brief aan de voorzitter van uw Kamer het kabinetsstandpunt met betrekking tot een nieuwe uitvoeringsorganisatie uiteengezet. Dit kabinetsstandpunt heeft diverse malen tot nader overleg met de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanleiding gegeven. Eerst in mei 1992 was over een aantal elementen van de uitvoeringsorganisatie, zoals bijvoorbeeld het onafhankelijk toezicht, voldoende met de vaste commissie gediscussieerd om over te kunnen gaan tot het opstellen van een wetsvoorstel. De afrondende besprekingen in het kabinet hebben plaatsgevonden in december 1992, waarna het wetsvoorstel op 30 december 1992 ter advisering aan de Raad van State is aangeboden. De Raad van State heeft op 24 maart 1993 advies uitgebracht, waarna het wetsvoorstel op 7 mei 1993 bij de Tweede Kamer is ingediend.

De vraag van de leden van de SGP-fractie of het late tijdstip van indiening van dit wetsvoorstel mede heeft bijgedragen tot de problemen die gerezen zijn met betrekking tot het samengaan van het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) en de GMD en de vorming van een FBV-nieuwe stijl, beantwoord ik ontkennend. Wel zijn deze punten diverse malen in de SVr-rapportages met betrekking tot het samengaan van GAK en GMD en de bedrijfstakbrede aanpassing naar voren gebracht Uit die rapportages blijkt duidelijk dat het huidige wettelijke kader waarbinnen de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen als het ware beklemd zit, een belemmering vormt voor een voorspoedig verlopend veranderingsproces ten aanzien van GAK/GMD en FBV-nieuwe stijl. Dit is opnieuw een reden waarom ik aandring op een snelle behandeling van dit wetsvoorstel, waardoor implementatie per 1 januari 1994 mogelijk is. In ieder geval dient in mijn ogen de periode waarin een geïntegreerde gevalsbehandeling niet mogelijk is, terwijl het wetsvoorstel Terugdringing Ziekteverzuim reeds in werking is getreden, zo kort mogelijk te zijn.

De leden van de SGP-fractie zijn voorts van mening dat de soms sterk uiteenlopende wijze waarop de verschillende bedrijfsverenigingen de sociale verzekeringen uitvoeren als een mogelijk vijfde knelpunt beschouwd kan worden. Zij vragen voor dit knelpunt de aandacht van het kabinet. Ik onderschrijf de opvatting van deze leden dat sprake is van verschillen in de uitvoering door de bedrijfsverenigingen zonder dat daarvoor een direct aanwijsbare rechtvaardigingsgrond aanwezig is. De leden van de SGP-fractie geven zelf al aan dat in het wetsvoorstel voorzien wordt in een duidelijke coördinerende rol voor het Gib. Een tweede element dat hierbij een rol speelt is de taak van het Ctsv. Dit College krijgt een uitgebreid instrumentarium in handen om ongewenste verschillen in de uitvoering van de sociale verzekeringen door de bedrijfsverenigingen vast te stellen en te corrigeren.

Vervolgens stellen de leden van de fractie van de SGP dat een andere structuur van de uitvoeringsorganisatie, zoals in dit wetsvoorstel voorgesteld wordt, onvoldoende garantie biedt voor een daadwerkelijke oplossing van de problemen. Zij vragen zich af of het probleem niet schuilt in de cultuur van de organisatie, in de wijze waarop mensen uiteindelijk werken. Verwezen wordt naar de vierde voortgangsrapportage volumebeleid arbeidsonge- schiktheid en de daaruit door de Toezichtkamer getrokken conclusies. Ik verwacht dat de uitkomsten van de parlementaire enquête meer licht zullen werpen op de cultuur binnen de uitvoeringsorganen en of deze een bijdrage heeft geleverd aan de problemen. Naar mijn mening moet daarvan in zekere zin sprake zijn of zijn geweest. Ook door mijn ambtsvoorganger is er bij herhaling op aangedrongen dat de uitvoering naast een goede administratieve afhandeling van dossiers meer aandacht schenkt aan reïntegratie. Tevens moge duidelijk zijn dat ook ik een aanpassing van de structuur noodzakelijk acht voor het welslagen van het beleid inzake het terugdringen van de volume-en uitgavenontwikkeling.

Verder vragen de leden van de SGP-fractie of door het opheffen van de GMD als instantie die bedrijfstakoverschrijdend werkt, gevaar voor een verdere verkokering en interne gerichtheid van de bedrijfsverenigingen ontstaat. Deze leden vragen op welke wijze dit voorkomen kan worden. Vooralsnog acht ik het gevaar voor een te sterke interne gerichtheid van de bedrijfsverenigingen niet groot. Met het opheffen van de GMD is haar bedrijfstakoverschrijdende expertise niet verdwenen. De GMD-medewerkers nemen deze kennis mee naar de bedrijfsverenigingen, die in belangrijke mate hun nieuwe werkgevers worden. Voor de langere termijn is de verwachting dat de arbeidsbemiddeling van arbeidsongeschikten wordt overgenomen door de arbeidsvoorziening, een organisatie die uiteraard bedrijfstakoverschrijdend opereert.

Het lid van de RPF-fractie meent dat met het voorstel om de mogelijkheden tot samenwerking in de regio op het niveau van de uitvoering aan de voet uit te breiden tegemoet wordt gekomen aan een breed levende wens. Hij vraagt zich echter af of niet gewaakt moet worden voor overspannen verwachtingen, gelet op het feit dat de ervaringen tot nu toe met de getripartiseerde regionale arbeidsvoorzieningsorganisatie ook niet in alle opzichten optimaal zijn.

Ik deel het standpunt van het lid van de RPF-fractie dat het, zeker op korte termijn, niet reëel is hooggespannen verwachtingen te hebben van beginnende vormen van samenwerking tussen bedrijfsverenigingen en arbeidsbureaus. Op basis van recente ervaringen met diverse samenwerkingsvormen die her en der in het land van onderop zijn ontstaan, zoals de samenwerking tussen het GAK en het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (RBA) in de Gooi-en Vechtstreek en de samenwerking tussen het GAK in Rijswijk en het RBA-Delft, ben ik echter wel degelijk hoopvol gestemd over de positieve effecten die zo'n samenwerking kan hebben voor de reïntegratiekansen van de betrokken werklozen c.q. gedeeltelijk arbeidsgeschikten. De ervaring leert dat ieder nieuw samenwerkingsinitiatief een aanlooptijd kent met de nodige kinderziekten. De toegevoegde waarde van dergelijke samenwerkingsvormen is meestal dan ook pas na verloop van tijd meetbaar. Ik blijf echter van mening dat het streven naar verdergaande samenwerking op uitvoerings-en bestuurlijk niveau alle aandacht verdient. Tenslotte meen ik dat de door het lid van de RPF-fractie gemaakte vergelijking met de getripartiseerde regionale arbeidsvoorzieningsorganisatie niet geheel op gaat. Immers, de tripartisering betekende vooral een nieuwe vorm van samenwerking tussen drie partijen op bestuurlijk -en niet zozeer op uitvoerend -niveau.

De leden van de CDA-fractie constateren dat het invoerings-en overgangsrecht nog ontbreekt en dat ook over de noodzakelijke wijzi- gingen in de materiewetten nog weinig bekend is. Zij vragen, evenals het lid van de RPF-fractie, wanneer een en ander tegemoet kan worden gezien. Een wetsvoorstel dat voorziet in de aanpassing van de materiewetten aan het voorliggende wetsvoorstel zal binnen enkele weken voor advies aan de Raad van State worden gezonden. Het invoeringsrecht is nog in voorbereiding. Ik acht het noodzakelijk dat meer duidelijkheid over de verdere behandeling van dit wetsvoorstel bestaat alvorens voor een definitieve vorm te kiezen.

De leden van de CDA-fractie vragen naar aanleiding van het concept van het beleidsproces, zoals dat in het wetsvoorstel is neergelegd of het de bedoeling is om dit concept ook toe te passen op de aan de sociale verzekeringen grenzende beleidsterreinen zoals preventie, reïntegratie en sociale voorzieningen.

Het beleidsproces, zoals dat in de visie van het kabinet op het terrein van de sociale verzekeringen gerealiseerd zou moeten worden, komt in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel uitvoerig aan bod. De diverse factoren die een rol spelen binnen de uitvoeringsorganisatie hebben ieder een eigen, specifieke plaats in de uitvoeringsstructuur en daarmee in het beleidsproces. Voor zover deze actoren activiteiten ontplooien op aan de sociale verzekeringen grenzende beleidsterreinen is het in het wetsvoorstel beschreven beleidsproces van toepassing. Dit wil echter niet zeggen dat het voorgestelde beleidsproces in de visie van het kabinet een algemene geldigheid heeft of zou moeten krijgen. Andere beleidsterreinen dienen op eigen merites beoordeeld te worden.

Het lid van de RPF-fractie is van mening dat er een breed draagvlak bestaat voor de beoogde wettelijke integratie van GAK en GMD (naar ik aanneem bedoelt dit lid bedrijfsverenigingen en GMD) en heeft dan ook geen bezwaren tegen dit onderdeel van het wetsvoorstel. Niettemin vraagt hij om een nadere onderbouwing van de stelling dat de samenwerking tussen bedrijfsverenigingen en GMD door het wettelijk kader begrensd en belemmerd wordt. De belemmering in de samenwerking tussen bedrijfsverenigingen en GMD is gelegen in de eigen verantwoordelijkheid die de GMD bij de gevalsbehandeling op grond van de huidige OSV heeft. De GMD adviseert de bedrijfsverenigingen over de mate van arbeidsongeschiktheid in voorkomende gevallen. De bedrijfsvereniging neemt op grond hiervan een beslissing. Hierdoor ontstaat een cesuur in de gevalsbehandeling. Betrokken uitkeringsgerechtigden hebben dan ook te maken met een tweetal instanties. Behalve onduidelijkheid betekent dit dat dossieroverdracht nodig is, hetgeen onnodige vertraging oplevert. Een volledige integratie van bedrijfsverenigingen en GMD is niet mogelijk zolang de OSV aan de GMD exclusief een aantal taken toekent.

  • De uitvoeringsinstanties en de toezichthouder

De leden van de PvdA-fractie vragen een overzicht van de huidige taken van de SVr en de plaatsen waar deze taken ten gevolge van dit wetsvoorstel terecht zullen komen. Een dergelijk overzicht is opgenomen in het volgende schema.

De huidige taken van de SVr nieuwe situatie

1 toezicht op de uitvoeringsorganisatie 2. informatievoorziening en onderzoek 3. uitvoeringstechnische adviezen 4. signalering algemene uitvoeringsvraagstukken 5 beslechten indelingsgeschillen 6. coördinatie en regelgeving 7. klachtenbehandeling

Ctsv Ctsv SVben Ctsv Gib Gib Ctsv

Gib

De leden van de VVD-fractie constateren dat dit wetsvoorstel voorziet in maar liefst vier organen die enigerlei adviesfunctie hebben op het terrein van de sociale verzekeringen. Deze leden vragen zich af of hier sprake is van een meer heldere structuur in, en een beperking van adviesland, waarvoor in hun ogen een brede steun aanwezig is. Ook de leden van de PvdA-fractie vragen aandacht voor de advisering. Zij vragen het kabinet nader in te gaan op het wetsvoorstel over afschaffing van verplichte advisering en het rapport van de Commissie De Jong. Tevens vragen deze leden mijn oordeel over de scheiding tussen beleidsadvisering en technische advisering over invoeringsaspecten waarin zij een aantal voordelen zien. De leden van de CDA-fractie informeren naar de adviestaak van de SER in het voorliggende wetsvoorstel.

Het kabinet is van mening dat bij de invulling van een adviestaak, zoals dat bij dit wetsvoorstel met betrekking tot de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen het geval is, met name onnodige belasting van het beleids-en wetgevingsproces en de daarbij betrokken actoren moet worden vermeden. Dit impliceert niet automatisch dat beperking van het aantal adviesorganen sec het primaire doel moet zijn. In dit wetsvoorstel is er voor gekozen de verschillende adviestaken daar neer te leggen, waar zij het beste vervuld kunnen worden. De beleidsmatige advisering over de sociale verzekeringen komt bij de SER te liggen. Uitvoeringstechnische advisering komt zo dicht mogelijk bij de dagelijkse uitvoeringspraktijk te liggen, namelijk bij Gib en SVb. Op dit niveau kunnen vraagpunten betreffende bijvoorbeeld uitvoerbaarheid (en de aan uitvoering van nieuw beleid verbonden kosten) en handhaafbaarheid het beste worden beoordeeld. Een onmisbare, deskundige toets van voorgenomen wetgeving op die punten wordt aldus in het beleidsproces geïncorporeerd. Het Ctsv is verder de meest voor de hand liggende instantie om te adviseren over zaken die de uitvoeringsorganisatie als geheel betreffen, zoals de uitvoeringskosten en de resultaten van de uitvoeringseffectrapportages. Een dergelijke toedeling van adviestaken bevordert de efficiency en doelmatigheid van het adviestraject, hetgeen dus ook de voortgang van beleids-en wetgevingsprocessen bevordert. Bovendien wordt een scheiding van beleids-en technische advisering, waarin ook de leden van de fractie van de PvdA voordelen zien, gerealiseerd.

De bijzondere commissie Vraagpunten Adviesorganen (BC AR) bracht in februari 1993 een rapport uit betreffende het bestaansrecht en de werkwijze van de huidige adviesorganen. Bovendien heeft inmiddels de Minister van Justitie bevorderd dat een wetsvoorstel over afschaffing van verplichte advisering voor advies naar de Raad van State is gezonden. Volgens de BC AR zouden de wettelijke verplichtingen om advies te vragen afgeschaft moeten worden en vervangen door de bevoegdheid om advies te vragen. De mogelijkheid van spontane advisering dient volgens deze commissie te blijven bestaan. Het genoemde wetsvoorstel over afschaffing van adviesverplichtingen voorziet in de afschaffing van tientallen wettelijk geregelde adviesverplichtingen over algemene beleidsvoornemens, waaronder voorgenomen wetgeving.

Bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel was het standpunt van het kabinet over een mogelijke afschaffing van de adviesverplichtingen nog niet volledig uitgekristalliseerd. Ik ben voornemens zo spoedig mogelijk het wetsvoorstel op dit punt nog eens kritisch te bezien, waarbij ook de adviestaak van de SER aan bod komt. De leden van de GPV-fractie vragen mijn visie op de primaire doelstelling van de uitvoeringsorganisatie: Is de organisatie primair bedoeld om zorg te dragen voor een goed geleide uitkeringsmachinerie of is de uitvoeringsorganisatie instrumenteel voor het arbeidsmarktbeleid? Naar het oordeel van deze leden dient het laatste voorop te staan en dient dus ook in de wet te worden omschreven dat het tot de taken van het Gib en de bedrijfsverenigingen behoort te streven naar een zo klein mogelijk volume van arbeidsongeschikten. De werkzaamheden van de uitvoeringsorganisatie kunnen dan ook aan deze taakstelling getoetst worden. Ik onderschrijf de mening van de leden van de GPV-fractie in zoverre dat de uitvoeringsorganisatie inderdaad een belangrijke bijdrage dient te leveren aan de oplossing van de volumeproblematiek, zowel wat betreft het werkloosheidsals het arbeidsongeschiktheidsvolume. De arbeidsvoorzieningsorganisatie, de gemeenten en andere instanties vervullen hierbij eveneens een essentiële taak. In het voorliggende wetsvoorstel is een tweetal bepalingen opgenomen om de samenwerking tussen deze actoren te bevorderen. In de eerste plaats betreft het een inspanningsverplichting voor bedrijfsverenigingen om zoveel mogelijk tot samenwerking met andere organisaties te komen. Hierbij kan met name gedacht worden aan samenwerkingsafspraken die tot doel hebben bepaalde categorieën uitkeringsgerechtigden effectiever te begeleiden bij de terugkeer naar de arbeidsmarkt. Daarnaast bevat dit wetsvoorstel de bepaling dat bij algemene maatregel van bestuur, zonodig in afwijking van de OSV, tijdelijke voorzieningen kunnen worden getroffen waarmee wordt bevorderd dat zo min mogelijk een beroep behoeft te worden gedaan op wetten die de bedrijfsverenigingen uitvoeren. Het Ctsv neemt uiteraard de activiteiten van bedrijfsverenigingen in het kader van beide bepalingen mee in de beoordeling van de uitvoeringsorganisatie. Hetgeen de leden van de GPV-fractie voor ogen staat, wordt dus door dit wetsvoorstel mogelijk gemaakt.

2.1 College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsvj De leden van de CDA-fractie merken op dat zij zich kunnen voorstellen dat het kabinet dit wetsvoorstel aangegrepen heeft om een stelsel van onafhankelijk toezicht in te voeren, maar willen weten of het huidige stelsel van toezicht via de Toezichtkamer naar de mening van het kabinet naar behoren functioneert.

De instelling van de Toezichtkamer is een rechtstreeks gevolg van de motie-Buurmeijer c.s. (Tweede Kamer 1990-1991,22011nr. 7), waarin aangedrongen wordt op een onafhankelijk toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen. Mijn ambtsvoorganger heeft op dit punt meerdere malen overleg gevoerd met de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Daarbij werd duidelijk dat de discussie over het toezicht op de uitvoeringsorganisatie met de instelling van de Toezichtkamer zeker niet afgerond was. Ik ben van mening dat de huidige constructie van een Toezichtkamer bij de Sociale Verzekeringsraad met daarin een meerderheid voor de onafhankelijke leden een verbetering is ten opzichte van de situatie waarvan voor de instelling van de Toezichtkamer sprake was. Gebleken is dat de Toezichtkamer erin

slaagt ongewenste situaties binnen de uitvoeringsorganisatie te signaleren. In de dagelijkse praktijk blijkt echter dat het instrumentarium van de Toezichtkamer niet altijd toereikend is om daadwerkelijk sturend op te kunnen treden richting uitvoeringsinstanties. Bovendien is de Toezichtkamer ingesteld op grond van een besluit van de SVr, waarin werkgevers en werknemers een meerderheid hebben. De Raad kan dit besluit gegeven de inhoud van de wettelijke bepalingen weer intrekken, met als gevolg dat het toezicht op de uitvoeringsorganisatie opnieuw in hoofdzaak een taak van sociale partners zelf wordt, waardoor opnieuw een vermenging van verantwoordelijkheden kan ontstaan. Een dergelijke vermenging wijs ik op gronden die in de memorie van toelichting uitvoerig aan bod zijn gekomen nadrukkelijk af. Met de voorgestelde toezichtstructuur wordt het onafhankelijk toezicht niet alleen versterkt maar ook wettelijk verankerd.

De leden van de CDA-fractie vragen zich af hoe het Ctsv de SVb kan dwingen een aanwijzing op te volgen, indien hieraan geen financiële consequenties kunnen worden verbonden.

Deze leden constateren terecht dat aan het niet opvolgen van een aanwijzing van het Ctsv door de SVb geen financiële consequenties kunnen worden verbonden. De bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen aan de uitvoeringsinstanties is echter niet het enige instrument waarmee het Ctsv de uitvoering kan controleren en corrigeren. Zo heeft het Ctsv de mogelijkheid besluiten van uitvoeringsinstanties bij de minister voor te dragen voor schorsing en vernietiging door de Kroon en kan het Ctsv regels stellen die voortvloeien uit de toezichthoudende taak op terreinen als de inrichting van de administratie, de interne controle, de toerekening van uitvoeringskosten en de financiële verslaglegging. Daarnaast is de minister bevoegd de voorzitter, de leden en de plaatsvervangende leden te schorsen en te ontslaan.

De leden van de CDA-fractie vragen of in geval van schorsing of ontslag door het Ctsv van bestuursleden van het Gib of van bedrijfsverenigingen dezelfde organisatie die het geschorste bestuurslid indertijd benoemde, opnieuw een voordracht kan doen.

Dit is inderdaad het geval. Schorsing of ontslag van bestuursleden is een zwaar middel in handen van het Ctsv. De oorzaak voor het nemen van een dergelijke maatregel zal normaal gesproken liggen in een manco in het functioneren van het individuele bestuurslid. Er is dan ook geen reden om vervolgens de organisatie die door het betreffende bestuurslid vertegenwoordigd werd, het recht om een nieuwe vertegenwoordiger aan te wijzen te ontnemen.

Het is de leden van de CDA-fractie opgevallen, dat de verzwaarde toezichtstaak van het Ctsv moet worden uitgevoerd met minder personeel dan het huidige orgaan. Zij vragen hierbij om een toelichting.

Het is op zich juist dat, in het in de memorie van toelichting geschetste beeld, het aantal personeelsleden van het Ctsv 60 mensjaren lager ligt dan het huidige personeelsbestand van de SVr. Dit hangt echter volledig samen met het verschuiven van taken van de SVr naar het Gib en de SVb. Het gaat hierbij om de technische adviestaak, het fondsbeheer en de indelingsvraagstukken. Daar tegenover staat een verwachte uitbreiding van de formatie in verband met de intensivering van de toezichtstaak en de nieuwe budgetteringstaak. In tegenstelling tot de gedachte die leeft bij de leden van de CDA-fractie, zal het Ctsv per saldo

aanzienlijk meer personeel kunnen inzetten dan de SVr om zich te wijden aan de toezichtstaak.

De leden van de CDA-fractie constateren dat de minister in het wetsvoorstel een aantal sturingsinstrumenten krijgt dat niet direct op de uitvoeringstellingen gericht is maar op de toezichthouder. Deze leden vragen zich af of in dat verband dan nog gesproken kan worden van een onafhankelijk toezicht.

Het begrip «onafhankelijk» betekent in dit verband onafhankelijk van sociale partners. In de memorie van toelichting is uitvoerig ingegaan op de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en sociale partners. In de visie van het kabinet leidt dit tot een model waarin het toezicht wordt uitgeoefend door het Ctsv, waarin slechts onafhankelijke leden zitting hebben. De minister draagt geen primaire verantwoordelijkheid voor de daadwerkelijke uitvoering van de sociale verzekeringen. Die verantwoordelijkheid (voor de gevalsbehandeling) ligt bij de bednjfsverenigingen en de Sociale Verzekeringsbank. De minister is echter wel verantwoordelijk voor de inhoud van de wettelijke regelingen en voor de macro-economische aspecten en consequenties van de uitvoering. Om deze (zeer veel omvattende) verantwoordelijkheid waar te kunnen maken moet de minister over een voldoende uitgebreid instrumentarium beschikken, waarmee de toezichthouder gecorrigeerd en eventueel bijgestuurd kan worden. De CDA-fractie vraagt of het begrip «ongewenst bij de werkzaamheden», zoals dat gebruikt wordt in artikel 6 van het wetsvoorstel, niet onduidelijk is en of het mogelijk is hieromtrent bij amvb nadere regels te stellen. Tevens vragen deze leden of er nog een regeling omtrent de vervanging van Ctsv-leden moet komen.

In artikel 6, tweede lid, van het wetsvoorstel is bepaald dat de leden van het bestuur van het Ctsv geen werkzaamheden mogen verrichten indien dit ongewenst is met het oog op een goede vervulling van het lidmaatschap van het bestuur van het Ctsv. In het algemeen valt hierbij te denken aan allerlei werkzaamheden ten behoeve van rechtspersonen of natuurlijke personen van wie de belangen tegengesteld zijn aan de belangen die worden behartigd door de uitvoeringsinstanties op het terrein van de sociale zekerheid, waarop het Ctsv toezicht houdt. Nadere regelgeving hieromtrent is niet goed mogelijk, gezien de uiteenlopende aard die deze werkzaamheden kunnen hebben. Nadere regelgeving is naar mijn opvatting ook niet noodzakelijk. Aangenomen mag immers worden dat de leden van het bestuur van het Ctsv zelf kunnen beoordelen welke werkzaamheden zij met het oog op een goede vervulling van hun lidmaatschap van het Ctsv beter niet kunnen verrichten. Indien zou blijken dat een bestuurslid van het Ctsv werkzaamheden verricht en dit naar het oordeel van de minister met het oog op een goede vervulling van het lidmaatschap van het Ctsv ongewenst is, kan de minister op grond van artikel 4, tweede lid, van het wetsvoorstel het bestuurslid schorsen. Alvorens tot schorsing te besluiten kan de minister aan het betrokken bestuurslid meedelen dat hij van oordeel is dat de desbetreffende werkzaamheden niet door het bestuurslid verricht behoren te worden en kan hij hem verzoeken die werkzaamheden te beëindigen. Op deze wijze kan in voorkomende gevallen duidelijkheid worden verkregen. Het lidmaatschap van het bestuur van het Ctsv is een fulltime functie. Een regeling omtrent de vervanging van Ctsv-leden is daarom niet noodzakelijk.

Het verheugt de leden van de CDA-fractie te kunnen constateren, dat het idee van een uitvoeringseffectrapportage, waarvoor deze leden in het verleden herhaaldelijk gepleit hebben, gerealiseerd gaat worden De vraag of een dergelijke rapportage ook naar de Tweede Kamer gezonden zal worden, beantwoord ik bevestigend. Ik zie geen reden hiervoor een andere procedure te kiezen dan die nu al gehanteerd wordt bij de rapportages betreffende het volumebeleid arbeidsongeschiktheid, de uitvoeringskosten en het samengaan GAK/GMD.

Tevens willen de leden van de CDA-fractie weten hoe het toezicht van het Ctsv op de arbeidsbemiddeling geregeld gaat worden, nadat in 1995 de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsongeschikten wordt overgenomen door de RBA's.

Wanneer de arbeidsbemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten door de RBA's wordt overgenomen van de GMD wordt de groep gedeeltelijk arbeidsgeschikten èén van de doelgroepen in het bemiddelings-beleid van de arbeidsvoorzieningsorganisatie. Conform artikel 106 van de Arbeidsvoorzieningswet berust het toezicht op de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Na de overdracht van de bemiddelingstaak zal dus ook het toezicht op de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten bij genoemde minister berusten. Naar het oordeel van het kabinet speelt het Ctsv daarbij dan geen rol meer. Dat is uiteraard wel het geval ten aanzien van de wijze waarop de bedrijfsverenigingen dossiers van cliënten aan de RBA's overdragen op het moment dat het RBA de bemiddelingstaak overneemt van de bedrijfsvereniging.

2.1.2 Informatievoorziening en onderzoek

De leden van de CDA-fractie vragen of met de zinsnede in artikel 12, onderdeel d, voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering bewust gestreefd is naar een inperking van de onderzoekstaak van het Ctsv. Zij merken op dat in de oorspronkelijke tekst, zoals die naar de Raad van State is gestuurd, de aangehaalde passage niet voor kwam.

In de oorspronkelijke tekst was een afzonderlijke paragraaf opgenomen waarin de informatie-en onderzoekstaak van het Ctsv nader was omschreven (voorheen de artikelen 21-25). Anders dan deze leden veronderstellen was daarbij ook de zinsnede voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering opgenomen (artikel 25, lid 1). Er heeft derhalve geen inperking van de onderzoekstaak van het Ctsv plaatsgevonden ten opzichte van het oorspronkelijke wetsvoorstel.

De leden van de PvdA-fractie willen een nadere toelichting bij de coördinerende rol van het Ctsv op het terrein van de dataverzameling. Bij deze leden wekt de beschrijving van die taak de indruk dat het Ctsv nauwkeurige voorschriften zal gaan geven met betrekking tot de dataverzameling. Zij vragen of dat wel bij de rol van het Ctsv past en of dit college niet kan volstaan met het nauwkeurig definiëren van de gegevens die geleverd moeten worden. Verder stellen deze leden dat de wijze waarop de administratie wordt ingericht toch kan worden overgelaten aan de uitvoerende organisaties.

De problematiek die door de leden van de PvdA-fractie wordt aangesneden, vereist een zorgvuldige afweging. Voorop staat de behoefte aan een informatiestroom, zodanig dat het uitvoeringsproces doelmatig kan worden ingericht en getoetst en tevens dat het (overheids)beleid kan worden geëvalueerd en de effecten ervan

ex-ante en ex-post geanalyseerd. Dat door de veelheid van informatiestromen een coördinerende instantie noodzakelijk is, is zonder meer duidelijk. Het ligt voor de hand dat dit, gezien zijn centrale positie, het Ctsv is. Met name om de uniformiteit van de gegevens zoveel mogelijk te waarborgen, behoort het tot de taak van het Ctsv om te komen tot een éénduidige definiëring van de gegevens waaraan dan vervolgens alle uitvoeringsinstanties zijn gebonden. Verder wijs ik er op, dat het bij grote projecten, zoals bijvoorbeeld de verzekerdenadministratie, wenselijk is, dat de gegevens van de verschillende uitvoeringsinstanties koppelbaar zijn. Hierbij is ook de inrichting van het informatiesysteem van belang om deze koppeling tot stand te kunnen brengen. Het is derhalve zinvol dat ook bij dit soort projecten een coördinerende rol wordt vervuld door het Ctsv. Overigens is op grond van de huidige OSV de SVr bevoegd regels te stellen over de inrichting van de administratie. Tenslotte merk ik bij dit punt op, dat steeds moet worden bedacht dat een belangrijke taak van het Ctsv het toezicht op de doelmatigheid van de uitvoering is. Daartoe behoort ook zeker het toezicht op de doelmatigheid van de inrichting van informatiesystemen. Het Ctsv is vanuit zijn centrale positie in staat om te bezien op welke wijze informatie efficiënt kan worden beheerd. Indien noodzakelijk, zal het Ctsv dienen aan te geven hoe de informatiesystemen moeten worden ingericht en beheerd.

De leden van de PvdA-en de GPV-fractie vragen om een onderbouwing van het besluit de zogenaamde secondopinion met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidspercentage niet bij wet voor te schrijven.

Naar mijn mening behoort een objectieve en rechtmatige vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage nadrukkelijk tot de verantwoordelijkheden van de uitvoeringsorganisatie. Het is de verantwoordelijkheid van de wetgever om de kaders aan te geven waarbinnen die vaststelling dient plaats te vinden. De wijze waarop door de bedrijfsverenigingen vorm wordt gegeven aan dergelijke procedures is vervolgens onderwerp van de kwaliteitsbeoordeling van de uitvoering door het Ctsv.

De constatering van de leden van de fractie van de PvdA ten aanzien van de situaties waarin en de wijze waarop het Ctsv in mdividuele gevallen na kan (laten) gaan of het arbeidsongeschiktheidspercentage correct is vastgesteld door de bedrijfsvereniging, is inderdaad juist.

In de opmerking van de leden van de PvdA-fractie met betrekking tot de passage over het Ctsv in de laatste alinea van pagina 11 van de memorie van toelichting is, zo vermoedt ik, een vergissing geslopen. Ik neem aan dat de leden van de PvdA-fractie bedoelen dat het hier gaat om richtinggeving van het Ctsv aan de bedrijfsverenigingen. Dit aannemende is het mij niet duidelijk welk probleem de leden van de fractie van de PvdA op dit punt zien. In feite is hier van niets anders sprake dan van een instrument in handen van het Ctsv om de bedrijfsverenigingen uit hoofde van zijn toezichthoudende taak te corrigeren. De leden van de PvdA-fractie constateren in dit verband terecht dat een onjuist gebleken beoordeling geen (directe) gevolgen heeft voor de betrokken persoon. Een onjuist gebieken beoordeling heeft echter wel gevolgen voor de betrokken uitvoeringsinstantie. Het Ctsv zal in een dergelijke situatie overgaan tot correctie van de uitvoeringsinstantie, zodat deze in de toekomst op een andere wijze te werk zal gaan.

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af of de bevoegdheid van het Ctsv om bestuursleden van het Gib en de bedrijfsverenigingen te schorsen en te ontslaan niet impliceert dat het Ctsv in ieder geval ten

dele verantwoordelijk wordt voor de bestuurssamenstelling van bedrijfsvereniging en Gib. Zij vragen zich af of zich dat wel verdraagt met de onafhankelijke status van het Ctsv.

Het recht om bestuursleden van bedrijfsverenigingen en het Gib te schorsen en te ontslaan is een van de zwaarste middelen die het Ctsv tot zijn beschikking heeft om corrigerend op te treden. Dit middel zal slechts in het uiterste geval worden gebruikt wanneer duidelijk is geworden dat bestuursleden van het Gib of een bedrijfsvereniging niet voor hun taak berekend zijn. Niet goed valt in te zien dat een dergelijk instrument de onafhankelijke status van het Ctsv zou kunnen aantasten. Ook is er in mijn ogen geen sprake van een (gedeelde) verantwoordelijkheid voor de bestuurssamenstelling indien het Ctsv van zijn bevoegdheid gebruik maakt. Na ontslag is het immers toch weer aan de bedrijfsvereniging of het Gib om de opengevallen plaats op te vullen.

De leden van de VVD-fractie constateren dat het Ctsv de coördinatie van informatie en onderzoek ter hand zal moeten gaan nemen. Deze leden vragen zich af of het niet meer wenselijk zou zijn om de onderzoekstaken te bundelen in plaats van te coördineren, waarbij de Commissie Onderzoek Sociale Zekerheid (COSZ) een centrale positie inneemt, zodanig dat het gevaar van kostbare overlappingen zal kunnen worden voorkomen.

In de door mij voorziene situatie behoudt de COSZ haar eigen positie. Zij programmeert en coördineert onderzoek op het totale sociale zekerheidsterrein, daaronder begrepen het terrein van de sociale voorzieningen. In haar programmeringstaak richt de COSZ zich in het bijzonder op onderzoek dat relevantie bezit voor ontwikkelingen op het terrein van de sociale zekerheid in het perspectief van de middellange termijn. In haar coördinerende taak beperkt de COSZ zich in hoofdzaak tot het verschaffen van informatie, in het bijzonder door de Nieuwsbrief Sociale Zekerheid. De Nieuwsbrief Sociale Zekerheid, die halfjaarlijks verschijnt, geeft een overzicht van lopend onderzoek, publikaties en conferenties op het totale terrein van de sociale zekerheid. De coördinerende taken van de COSZ zijn derhalve van een ander gehalte dan de coördinerende taak van het Ctsv, te weten coördinatie in de zin van afstemming van onderzoek tussen instanties die een specifieke onderzoeksbehoefte kennen, in relatie tot de doelmatige uitvoering van de hier aan de orde zijnde wetten. Binnen deze structuur, met onderscheiden taken voor COSZ en Ctsv, acht ik voldoende waarborgen ingebouwd om overlappingen te voorkomen. De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom de minister -alvorens een voordracht tot benoeming te doen -de SER in de gelegenheid wil stellen om zijn mening te geven over de voordracht. Het is deze leden niet duidelijk waarom de SER hier een rol zou moeten spelen. De leden van de fractie van de PvdA begrijpen niet waarom de SER bij een voorgenomen ontslag van de leden van het College in de gelegenheid moet worden gesteld zijn mening kenbaar te maken.

De gedachte van het kabinet was de SER op dit punt in de gelegenheid te stellen om zijn mening te geven omdat het hier weliswaar een onafhankelijk college betreft, maar het toch van groot belang is dat de sociale partners kenbaar kunnen maken of zij vertrouwen hebben in het bestuur van de toezichthouder.

Tevens vragen de fractieleden van D66 wat het kabinet nu precies van plan is met de aanstellingsperiodes van dit college.

Op grond van artikel 4, eerste lid worden de bestuursleden van het College bij koninklijk besluit benoemd voor een periode van vier jaar. In de memorie van toelichting is opgenomen dat ieder jaar één of twee van de leden van het bestuur zullen aftreden. De leden van de fractie van D66 vragen zich terecht af hoe beide elementen met name in de eerste vier jaar na instelling van het Ctsv toegepast zullen worden. Uitgangspunt is echter een aanstelling van vier jaar.

Het ligt niet voor de hand direct na een jaar één of twee leden van het bestuur af te laten treden. Het jaarlijks aftreden van één of twee bestuursleden moet dan ook gezien worden als een streven op de wat langere termijn. Overigens merk ik op dat dit punt in het kader van het invoeringsrecht aan bod zal komen.

Zowel de leden van de VVD-fractie, de leden van de GPV-fractie, als de leden van de fractie van D66 vragen een nadere toelichting op de toekomstige verhouding tussen het Ctsv en het Gib.

De voorgestelde relatie tussen het Ctsv en het Gib is tweeledig. Beide instanties hebben nadrukkelijk een eigen verantwoordelijkheid. Het Gib is de coördinerende instantie van de uitvoering van de sociale verzekeringen zoals die door de bedrijfsverenigingen wordt gerealiseerd. Coördinatie is een wezenlijk onderdeel van de uitvoering en hoort dus niet bij de toezichthouder thuis. In die zin kan dit instituut beschouwd worden als vertegenwoordiger en coördinator van de bedrijfsverenigingen aan de voet van de uitvoeringsorganisatie. Het Ctsv heeft als centrale taak het toezicht houden op de uitvoering van de sociale verzekeringen en de met de uitvoering belaste instanties. Daarmee strekt het toezicht door het Ctsv zich tevens uit over de activiteiten van het Gib. Gegeven dit uitgangspunt deel ik de vrees van de leden van de fractie van het GPV voor mogelijke conflicten tussen het Ctsv en het Gib niet. Het Ctsv is immers bevoegd het Gib te corrigeren en in dat opzicht is het Gib ondergeschikt aan het Ctsv.

De leden van de fractie van de SGP verwijzen naar de discussie tijdens de parlementaire enquête in hoeverre er wettig gebruik dan wel onwettig misbruik van de arbeidsongeschiktheidsregelingen is gemaakt. Zij vragen zich af of een dergelijke discussie niet een teken is dat aan de materiële wetgeving in de sociale zekerheid het nodige verduidelijkt en aangescherpt moet worden.

Ik onderschrijf de hier door deze leden gemaakte opmerking. Ook naar mijn mening is het niet alleen de inrichting van een effectieve en efficiënte uitvoeringsorganisatie die een juiste uitvoering van sociale zekerheidswetgeving mogelijk maakt. Ook de materiële wetgeving in de sociale zekerheid dient hiervoor een basis te verschaffen.

De leden van de SGP vragen een verduidelijking omtrent de bevoegdheid van de minister om aan het Ctsv aanwijzingen te kunnen geven. In artikel 11 van het wetsvoorstel is aan de minister de bevoegdheid toegekend tot het geven van aanwijzingen aan het Ctsv betreffende de uitoefening van de taken van het Ctsv. De taken van het Ctsv zijn omschreven in artikel 12 van het wetsvoorstel. De aanwijzingen van de minister kunnen betrekking hebben op elk onderdeel van de uitoefening van deze taken door het Ctsv. In de memorie van toelichting bij artikel 11

is reeds aangegeven dat aanwijzingen van de minister, evenals aanwijzingen van het Ctsv, geen betrekking kunnen hebben op de besluitvorming betreffende een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever en dat aanwijzingen verplichtingen in het leven roepen.

Het lid van de RPF-fractie juicht het voornemen om het toezicht op de uitvoering door onafhankelijke deskundigen te laten plaatsvinden toe. Daarnaast meent hij dat er terecht voor is gekozen de minister te laten beschikken over instrumenten om het Ctsv te corrigeren. Hij vraagt zich af of de minister vaak van die bevoegdheid gebruik zal moeten maken.

In mijn visie zal de minister slechts beperkt gebruik behoeven te maken van het tot zijn beschikking staande instrumentarium om het Ctsv te corrigeren. Immers, de toezichthouder is primair belast met de toezichthoudende en sturende taak. Slechts in gevallen waarin sprake is van een duidelijke frictie tussen minister en Ctsv die een directe relatie heeft met de verantwoordelijkheid van de minister voor de macro-economische aspecten van de uitvoering en voor de wetgeving zal de minister kunnen overwegen van het instrumentarium gebruik te maken. Om misverstanden te voorkomen hecht ik eraan op dit punt een nadere uitleg te geven. De primaire verantwoordelijkheid voor de besluitvorming in elk concreet geval berust bij de uitvoeringsinstanties. De besluitvorming van de uitvoeringsinstanties in een reeks van concrete gevallen kan evenwel leiden tot uitkomsten die uit een oogpunt van algemeen belang niet wenselijk zijn. Dit kan de minister aanleiding geven tot het treffen van algemene bestuurlijke maatregelen. Deze maatregelen hebben veeial de vorm van regelgeving (wetgeving, al dan niet in formele zin) of van besluiten die berusten op regelgeving, bijvoorbeeld aanwijzingen van de minister aan het Ctsv. De minister is politiek verantwoordelijk voor het al dan niet nemen van dergelijke maatregelen. Het Ctsv is bij de uitvoering van zijn taken gebonden aan de regelgeving en verantwoordelijk tegenover de minister. Het Ctsv is ook gebonden aan eventuele aanwijzingen van de minister. Voorzover geen aanwijzingen aan het Ctsv zijn gegeven dient het Ctsv zijn taken zo goed mogelijk naar eigen inzichten uit te voeren zonder daarbij afhankelijk te zijn van de minister. Het RPF-lid constateert dat de sociale partners grote bezwaren hebben tegen de vergaande bevoegdheden van het Ctsv en vraagt zich af waarom er niet voor is gekozen het toezicht door het Ctsv marginaal te laten zijn of om de toezichthoudende taak bij de Algemene Rekenkamer of de Verzekeringskamer te leggen, zoals door de Raad van Centrale Ondernemersorganisaties (RCO) gesuggereerd wordt.

In hoofdstuk 4 van de memorie van toelichting is uitvoerig uiteengezet welke overwegingen ten grondslag liggen aan het vorm geven van een onafhankelijk toezicht. De vorm en de inhoud van het door het Ctsv te houden toezicht komen daarbij eveneens uitvoerig aan bod. De keuze voor een onafhankelijk college dat belast wordt met de taak van het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen is gelegen in het onderscheid tussen signalerend en sturend toezicht. De toezichttaak waarmee de Algemene Rekenkamer en de Verzekeringskamer belast zijn, betreft een vorm van signalerend toezicht. Deze instanties hebben geen uitgebreid instrumentarium, waarover het Ctsv in dit wetsvoorstel wel beschikt, om de betreffende objecten van toezicht bij te sturen. Juist de bevoegdheid van de toezichthouder om de uitvoeringsorganisatie bij te kunnen sturen acht het kabinet essentieel in het voorgestelde toezichtmodel. De Algemene Rekenkamer en de Verzekeringskamer vallen dientengevolge als mogelijke toezichthouder af.

2.2 De Sociale Verzekeringsbank

De leden van de fracties van de VVD en de PvdA vragen een toelichting op het voorstel om geen ministeriële vertegenwoordiger meer deel uit te laten maken van het SVb-bestuur en af te zien van het recht een ministeriële vertegenwoordiger aanwezig te laten zijn bij de vergaderingen van het bestuur van de SVb.

In het voorliggende wetsvoorstel wordt aandacht besteed aan de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en sociale partners. Uitgangspunt is dat de minister verantwoordelijk is voor de macro-economische aspecten van de uitvoering en de wetgeving. De sociale partners dragen zorg voor de daadwerkelijke uitvoering «aan de voet». Een consequente toepassing van dit uitgangspunt maakt het voor de hand liggend geen ministeriële vertegenwoordiger zitting te laten hebben in dan wel aanwezig te laten zijn bij het bestuur van een instantie die zorg draagt voor een deel van de uitvoering aan de voet. Vandaar dit voorstel. De veronderstelling dat dit voorstel een ingrijpende wijziging van de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en sociale partners impliceert is dan ook niet juist. Integendeel, met de voorgestelde wijziging wordt de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling juist bevestigd. Bezwaar van een ministerieel vertegenwoordiger in het bestuur is bovendien, dat deze al gauw wordt gezien als een toezichthouder waardoor er in de dagelijkse praktijk spanningen kunnen optreden met de taken die het Ctsv moet verrichten.

2.3 Het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib)

De leden van de CDA-fractie vragen zich af of wel alle regelgeving en coördinatie naar het Gib gaat. Hoe zit het bijvoorbeeld -zo vragen deze leden -met de coördinatie van het informatiebeleid, het handhavings-beleid en het volumebeleid. Eveneens willen deze leden weten of met betrekking tot reïntegratiemaatregelen ten aanzien van werklozen en gedeeltelijk arbeidsongeschikten niet nadrukkelijker in de wet de coördinatietaak van het Gib vastgelegd moet worden. In de praktijk blijken zich met name rondom scholing nog al eens competentieproblemen voor te doen, aldus deze leden.

De coördinerende taak van het Gib strekt zich uit over alle onderdelen van de uitvoering van de sociale verzekeringswetten door de bedrijfsverenigingen. Dit impliceert dat ook de coördinatie van het handhavings-en volumebeleid een taak is van het Gib. Ten aanzien van de coördinatie van het informatiebeleid is enige nuancering noodzakelijk. Enerzijds verwijs ik op dit punt naar hetgeen in paragraaf 2.1.2. over de coördinerende taak van het Ctsv op het terrein van de informatievoorziening opgemerkt wordt. Anderzijds heeft het Gib wel een coördinerende taak waar het de informatieuitwisseling tussen bedrijfsverenigingen betreft. Ten aanzien van alle terreinen waarop het Gib een coördinerende taak heeft is dit instituut bevoegd regels te stellen met als doel deze coördinatie ook werkelijk te realiseren.

In het voorliggende wetsvoorstel wordt reïntegratie omschreven als een verzamelbegrip van alle relevante activiteiten om cliënten van de bedrijfsverenigingen (zowel werklozen als gedeeltelijk arbeidsgeschikten) weer in het arbeidsproces in te schakelen. Onder reïntegratie vallen twee soorten activiteiten: bevordering van terugkeer van gedeeltelijk arbeidsongeschikten naar de eigen werkgever in het kader van de sociaal-medische begeleiding en arbeidsbemiddeling naar een andere

dan de eigen werkgever. De terugkeer bij de eigen werkgever is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van die werkgever en de betreffende bedrijfsvereniging, terwijl de verantwoordelijkheid voor de arbeidsbemiddeling bij de arbeidsvoorzieningsorganisatie ligt.

Zowel in het voorliggende wetsvoorstel als in de nota voorzieningen-beleid voor werklozen (die het kabinet in mei jl. naar de Tweede Kamer heeft gezonden) wordt de arbeidsbemiddeling van WW-gerechtigden en gedeelteüjk arbeidsgeschikten expliciet geplaatst in het kader van nauwe bestuurlijke en uitvoeringstechnische samenwerking tussen RBA's en bedrijfsverenigingen. Binnen zo'n samenwerkingsverband heeft het RBA de regiecq. coördinatiefunctie voor wat betreft de arbeidsbemiddeling. De bedrijfsverenigingen hebben binnen die samenwerking een eigen rol: een arbeidskundige en sociaal medische bij gedeeltelijk arbeidsgeschikten en een begeleidings-en controlerol bij werklozen.

Een en ander brengt mij tot de conclusie dat er voorshands geen reden is om het Gib een expliciete wettelijke coördinatietaak met betrekking tot reïntegratie te geven.

In de hierboven genoemde nota over het voorzieningenbeleid voor werklozen zijn ook voorstellen gedaan om de door de CDA-leden gesignaleerde problemen rondom scholing op te lossen. Zo is voorgesteld om de verantwoordelijkheid voor de gehele toetsing van scholing met behoud van uitkering bij het RBA te leggen. Door goede afspraken tussen RBA en bedrijfsvereniging over relevante informatieverstrekking moet de bedrijfsvereniging in staat worden gesteld haar verantwoordelijkheid waar te maken voor de toetsing van de WW-uitgaven op rechtmatigheid en doelmatigheid.

De leden van de fractie van de PvdA kunnen de gevolgde redenering inzake de wettelijke fundering van het Gib begrijpen, maar vragen zich af of het op dit moment opportuun is. Impliceert dit niet een forse ingreep in de huidige structuur, zo vragen zij. Ook leden van andere fracties hebben uitvoerig aandacht besteed aan de instelling van het Gib.

Een instantie als het Gib is naar mijn mening beslist noodzakelijk. In de inleiding van deze memorie is aan dit punt reeds aandacht besteed. Wat betreft de opportuniteit zou ik er op willen wijzen dat het instellen van een onafhankelijk toezicht het noodzakelijk maakt een aantal van de huidige taken van de SVr elders onder te brengen. Coördinatietaken, het geven van uitvoeringstechnische adviezen en de beslechting van indelingsgeschillen kunnen niet bij het Ctsv, als onafhankelijk toezichthouder, worden ondergebracht.

De leden van de fractie van D66 geven te kennen dat zij het feit dat in het onderhavige wetsvoorstel nog steeds uitgegaan wordt van een bedrijfstakgewijze indeling onverstandig vinden. Zij zouden hierover graag van gedachten willen wisselen met het kabinet. Voorts vragen zij naar de stand van zaken met betrekking tot de adviesaanvrage aan de SER over een nieuwe indeling van het bedrijfs-en beroepsleven.

De aangekondigde adviesaanvrage is thans nog in voorbereiding. Gezien de complexiteit van de materie is het niet mogelijk deze op zeer korte termijn af te ronden. Naar het zich laat aanzien zal de adviesaanvraag op zijn vroegst eind 1993 verzonden kunnen worden. Ik ben van mening dat de elementen die in deze adviesaanvrage aan de orde zijn bij

uitstek een rol zullen spelen in de discussie na het bekend worden van de uitkomsten van de parlementaire enquête.

De leden van de fractie van de SGP zijn van mening dat de instelling van het Gib ten opzichte van de huidige situatie een vooruitgang betreft. Gelet op het feit dat het Gib publiekrechtelijke taken uitoefent, vragen de leden van deze fractie zich af of het wenselijk is in het bestuur van het Gib een vertegenwoordiging van de overheid een plaats te geven. Hierdoor is naar de mening van de leden van de SGP-fractie parlementaire controle op de taken van het Gib mogelijk. Ook de leden van de fractie van D66 hebben moeite met het feit dat het Gib slechts uit sociale partners zal bestaan en dat het daarbij niet noodzakelijkerwijs behoeft te gaan om vertegenwoordigers van centrale werkgevers-en werknemersorganisaties.

Ik onderschrijf de zienswijze van de D66-en SGP-fractie niet. Parlementaire controle op de uitvoering van de taken van het Gib is mogelijk zonder dat sprake hoeft te zijn van een overheidsvertegenwoordiger in het bestuur van het Gib. Ik ben van mening dat de controle op de uitvoering van de taken van het Gib, gegeven de in dit wetsvoorstel voorgestane toezichtstructuur, voldoende gewaarborgd is. Bovendien is het niet goed denkbaar dat een overheidsvertegenwoordiger zitting neemt in een bestuur dat onder toezicht staat van een college waarvan de leden eveneens door de minister benoemd worden. Verder verwijs ik naar mijn reactie op de vraag van de leden van de fracties van PvdA en VVD met betrekking tot het verdwijnen van de ministeriële vertegenwoordiger uit het SVb-bestuur.

In antwoord op de opmerking van de leden van de fractie van D66 over de vertegenwoordiging van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties in het bestuur van het Gib merk ik op dat in mijn visie het Gib nadrukkelijk van de bedrijfsverenigingen is. Ik ben dan ook van mening dat het aan de sociale partners zelf is om initiatieven te nemen om vertegenwoordigers van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties in het bestuur van het Gib zitting te laten nemen. De leden van de fractie van de SGP vragen of het Gib tot de overheid gerekend kan worden en in hoeverre eisen die aan overheidslichamen worden gesteld, zoals toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur en een vorm van democratische controle, voor het Gib zullen gelden.

Het Gib moet na erkenning door de minister als een met openbaar gezag bekleed overheidslichaam worden beschouwd. De Wet openbaarheid van bestuur en de Wet nationale ombudsman zullen op het Gib van toepassing worden verklaard. Hiermee wordt een vorm van democratische controle gerealiseerd.

De leden van de SGP-fractie refereren aan mijn brief van 18 juni jl. met betrekking tot de SVr-rapportages en de vervolgstap synthesemodel. Deze leden vragen een nadere toelichting op de in die brief uitgesproken zorg over de vormgeving van de FBV-nieuwe stijl.

De in de brief geuite zorg omtrent de totstandkoming van de FBV-nieuwe stijl, het toekomstige Gib, betrof met name het tempo waarin implementatie van de voornemens van de FBV gerealiseerd werd. In voornoemde brief gaf ik reeds aan dat de Toezichtkamer dit proces nauwlettend volgt. Op 27 augustus jl. heeft de Toezichtkamer van de FBV een plan voor de vormgeving van de FBV-nieuwe stijl ontvangen. Naar verwachting zal eind september/begin oktober tevens een plan voor de implementatie van de FBV-nieuwe stijl ter beoordeling aan de

Toezichtkamer gezonden worden. De Toezichtkamer zal zich een oordeel vormen en de bevindingen hieromtrent aan mij rapporteren.

Het lid van de RPF-fractie vraagt of het omvormen van de FBV tot een publiekrechtelijk Gib de meest eenvoudige en efficiënte oplossing is.

Het Gib is een uit particulier initiatief voortgekomen vereniging, dat wil zeggen een privaatrechtelijke rechtspersoon. Door erkenning door de minister verkrijgt deze rechtspersoon een publiekrechtelijke status. Aan de erkenning verbindt de OSV het rechtsgevolg dat het Gib de bevoegdheid verkrijgt aan de bedrijfsverenigingen regels op te leggen. Dit is de meest eenvoudige en efficiënte oplossing voor het bereiken van de gewenste coördinatie.

2.4 Bedrijfsverenigingen

Naar aanleiding van de opmerkingen van de leden van de VVD-fractie met betrekking tot de door hen veronderstelde contralegem situatie ten aanzien van de huidige samenwerking tussen het GAK en de GMD verwijs ik naar mijn brief van 11 juni 1993 (SZ/SV/A/93/2536) en het naar aanleiding van deze brief met uw Kamer op 22 juni 1993 gevoerde mondeling overleg. Zowel in deze brief als tijdens het mondeling overleg heb ik mijn opvattingen gegeven. Op 2 september jl. heeft de Toezichtkamer haar oordeel gegeven over het voornemen van de FBV om over te gaan tot een vervolgstap richting geïntegreerde gevalsbehandeling. Deze vervolgstap houdt in dat de werkwijze bij de gevalsbehandeling, waarmee geëxperimenteerd is in Eindhoven, landelijk ingevoerd zal worden. In dit model wordt de gevalsbehandeling geïntegreerd door de bedrijfsvereniging verricht en bereidt de bedrijfsvereniging het advies van de GMD voor. De GMD wordt vervolgens in staat gesteld dit advies te toetsen. De Toezichtkamer is van mening dat een dergelijke vervolgstap nuttig, wenselijk en juridisch toelaatbaar is.

De opmerkingen van de leden van de VVD-fractie omtrent de bestuurssamenstelling van de bedrijfsverenigingen bevreemden mij enigszins. Een wijziging van de bestuurssamenstelling van de bedrijfsverenigingen, zoals door de leden van de VVD-fractie wordt voorgesteld gaat de reikwijdte van dit wetsvoorstel, zoals eerder uiteengezet, verre te buiten. Een dergelijke fundamentele discussie met betrekking tot de uitvoering van de sociale verzekeringen aan de voet acht het kabinet na het bekend worden van de uitkomsten van de parlementaire enquête noodzakelijk. Een belemmering voor de oplossing van de knelpunten, zoals in dit wetsvoorstel aangegeven mag een dergelijke discussie naar mijn mening echter niet zijn.

Ook de leden van de GPV-fractie stellen dat zij het terecht zouden vinden als de positie van de bedrijfsverenigingen meer ten principale ter discussie zou zijn gesteld in het kader van dit wetsvoorstel. Tevens maken deze leden van de gelegenheid gebruik hun visie op de bedrijfsverenigingen in de toekomst te geven.

Zoals gezegd ben ik van mening dat een fundamentele discussie over de positie van de bedrijfsverenigingen buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel valt. Na het bekend worden van de resultaten van de parlementaire enquête ben ik uiteraard gaarne bereid tot een discussie over de verdere toekomst van de uitvoeringsorganisatie.

2.6 Cliëntenparticipatie

De leden van de fracties van de PvdA en Groen Links hebben belangstelling getoond voor de cliëntenparticipatie. Naar aanleiding van de vragen over het reglement dat door de bedrijfsvereniging terzake moet worden opgesteld wordt opgemerkt dat dit reglement tenminste bepalingen zal moeten bevatten over het aantal malen dat jaarlijks met uitkeringsgerechtigden wordt vergaderd, het uitschrijven van en oproepen voor vergaderingen, de wijze van verslaglegging etc. Een dergelijk reglement kan in mijn visie per bedrijfsvereniging verschillen en zal niet door een afzonderlijk orgaan worden getoetst. Uiteraard is de wijze waarop een bedrijfsvereniging een dergelijk reglement in de praktijk toepast wel onderwerp van toezicht door het Ctsv.

De leden van de fractie van Groen Links menen dat er weinig waarborgen voor de betrokkenheid van uitkeringsgerechtigden bij de beleidsvorming van de uitvoering worden gecreëerd. Zij vragen in hoeverre er mogelijkheden zijn meer sturing te geven aan het beleid ten aanzien van de verbetering van de positie van uitkeringsgerechtigden.

Ik wijs erop dat op 19 februari 1991 het standpunt van het kabinet inzake participatie van uitkeringsgerechtigden aan de Tweede Kamer is gezonden. Het uitgangspunt van het kabinet is dat primair werknemersorganisaties de belangen van uitkeringsgerechtigden behartigen en dat de inbreng van de cliëntenorganisaties en vertegenwoordigers van uitkeringsgerechtigden bij uitstek van belang is in het kader van het uitoefenen van een signaalfunctie ten opzichte van beleidsbepalende en uitvoerende instanties. Via het deelnemen aan het overleg met bedrijfsverenigingen kan dan getracht worden de gesignaleerde knelpunten op te lossen.

  • Gevalsbehandeling in het kader van de ZW, WAO en AAW

3.1 Algemeen

De leden van de fractie van de PvdA vragen of de samenwerking tussen GMD en bedrijfsverenigingen nog steeds niet altijd even makkelijk verloopt en waarom men niet tot geïntegreerde gevalsbehandeling kan komen. In reactie op de opmerkingen van de leden van de VVD-fractie over de samenwerking van GAK, bedrijfsverenigingen en GMD noemde ik reeds het voornemen van de FBV om over te gaan tot landelijke implementatie van het model-Eindhoven. Een volledige implementatie van geïntegreerde gevalsbehandeling is niet mogelijk binnen de kaders van de huidige OSV. De OSV kent de GMD immers exclusief een aantal taken toe. Het experiment Eindhoven laat zien dat met inachtneming van dit wettelijk kader, toch verbetering van de gevalsbehandeling mogelijk is. De constatering van de Toezichtkamer dat de landelijke implementatie van het Eindhovense model nuttig, wenselijk en juridisch toelaatbaar is verheugt mij dan ook zeer. De Toezichtkamer zal het verloop van dit proces nauwlettend volgen. De rapportages die de Toezichtkamer hieromtrent aan mij uitbrengt zal ik uiteraard zo spoedig mogelijk aan u doen toekomen.

De leden van de fractie van Groen Links gaan uitvoerig in op de samenhang tussen het onderhavige wetsvoorstel en de beperking van het beroep op de verschillende sociale zekerheidsregelingen. Zij gaan

ervan uit dat een dergelijke beperking het gevolg zal zijn van een meer geïntegreerde gevalsbehandeling, maar vragen zich af of dat werkelijk te verwachten valt, nu slechts beperkte evaluatiegegevens van experimenten met geïntegreerde gevalsbehandeling beschikbaar zijn.

Ik ben inderdaad van mening dat de implementatie van een geïntegreerde gevalsbehandeling een bijdrage zal leveren aan de beperking van het beroep op de arbeidsongeschiktheidregelingen. Kortere behandelingstermijnen spelen daarbij een belangrijke rol en zo ook het feit dat bij tekortkomingen niet de schuld bij de andere instantie zal kunnen worden gelegd. Ik wil echter niet suggereren dat de geïntegreerde gevalsbehandeling de enige oplossing is en onderschrijf dan ook de opmerkingen van de leden van de fractie van Groen Links dat andere maatregelen gericht op het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid eveneens een bijdrage moeten leveren.

Zowel de leden van de fractie van Groen Links als de leden van de fractie van de SGP vragen zich af welk verband er bestaat tussen de toekomst van het model van de geïntegreerde gevalsbehandeling en de uitkomsten van de parlementaire enquête.

In reactie op deze vraag verwijs ik naar hetgeen ik reeds eerder in de inleiding van deze memorie opgemerkt heb over de relatie tussen de inhoud van dit wetsvoorstel en de uitkomsten van de parlementaire enquête. De leden van de SGP-fractie brengen naar voren dat sinds het voorliggende wetsvoorstel is aangekondigd, een aantal experimenten van start is gegaan, waarbij binnen de bestaande wettelijke mogelijkheden wordt gestreefd naar een geïntegreerde gevalsbehandeling. Zij verwijzen daarbij naar het experiment Eindhoven en naar de experimenten in Dordrecht en Veghel met de zogenaamde arbeidsgeschiktheidsteams. De leden van de SGP-fractie willen vernemen hoe ik deze experimenten beoordeel en in hoeverre deze experimenten inderdaad succes hebben in het terugdringen van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie van arbeidsongeschikten. Ook de leden van de GPV-fractie informeren naar de stand van zaken met betrekking tot deze experimenten. Deze leden merken op dat een belangrijk onderdeel van het wetsvoorstel het creëren van wettelijke ruimte voor de invoering van het synthesemodel is. Zij erkennen dat in de huidige constellatie de samenwerking tussen de GMD en de bedrijfsverenigingen niet optimaal is geweest. Deze leden vragen of het waar is dat het experiment in Eindhoven tot nu toe uiterst teleurstellend is verlopen en in ieder geval niet aan de verwachtingen heeft voldaan. Ik ben op grond van de rapportages die door de Toezichtkamer van de SVr aan mij zijn uitgebracht en bij brief van 18 juni 1993 tevens aan de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van uw Kamer zijn gezonden, van mening dat de resultaten van het experiment in Eindhoven niet slecht zijn. Andere experimenten, zoals in Dordrecht en Veghel zijn minder succesvol gebleken. De implementatie van het experiment heeft, zoals in de rapportages vermeld, een aantal problemen met zich meegebracht. Die problemen zijn echter zeker niet van dien aard dat van landelijke doorvoering van het model zou moeten worden afgezien. Ik voel mij in mijn standpunt gesteund door de recente bevindingen van de Toezichtkamer. De Toezichtkamer acht landelijke implementatie niet alleen vanuit het oogpunt van volumebeheersing wenselijk, maar ook vanuit het oogpunt van een gelijkwaardige behandeling van de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen bij het samengaan van GAK en

GMD en het voorkomen van een driedeling in de gevalsbehandeling bij de invoering van de wetsvoorstellen TZ/Arbo.

3.2 Verantwoordelijkheid en taken

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat de bedrijfsvereniging binnen het kader van de samenwerking met het RBA de coördinatie van de gevalsbehandeling gaat doen. Zij vragen zich af of over deze taakverdeling reeds centrale afspraken met het CBA zijn gemaakt.

In de periode september 1993 tot juli 1994 zullen CBA en FBV een viertal regionale experimenten met de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten uitvoeren. De resultaten van deze experimenten zullen moeten uitwijzen hoe de arbeidsvoorzieningsorganisatie de bemiddeling effectief ter hand kan gaan nemen en welke samenwerkingsstructuur tussen RBA's en bedrijfsverenigingen daartoe wenselijk is. In de RBA-regio's Twente en Rijnstreek zullen experimenten worden gestart met het zogenaamde overdrachtsmodel, waarbij het gehele bemiddelingstraject primair door het RBA wordt gedaan. In de RBA-regio's Noord-Oost Brabant en Breda werken GMD en RBA tijdens het bemiddelingstraject samen volgens het zogenaamde «eendossiermodel». Dit impliceert dat de GMD en het RBA gedurende het gehele traject bij de bemiddeling betrokken blijven.

Omdat de resultaten van deze experimenten juist de nodige duidelijkheid moeten verschaffen over de wenselijke toekomstige taakverdeling tussen bedrijfsvereniging en RBA in de gevalsbehandeling cq. het bemiddelingstraject, zijn op dit moment hierover nog geen (centrale) afspraken gemaakt. Voorop staat echter de wenselijkheid dat het RBA in het bemiddelingsproces de regiefunctie heeft.

Verder is van belang dat ervaringen met trajectbemiddeling binnen de arbeidsvoorzieningsorganisatie en binnen samenwerkingsverbanden tussen RBA, bedrijfsvereniging en gemeentelijke sociale dienst hebben uitgewezen dat continuïteit in de persoonlijke begeleiding van de cliënt heel belangrijk is. Ik vind het daarom gewenst dat de gedeeltelijk arbeidsgeschikte, of er nu wel of niet sprake is van bemiddeling te maken heeft met één vaste persoonlijk begeleider. Hiervoor is een medewerker van de bedrijfsvereniging de meest aangewezen persoon.

3.3 Overdracht van taken van de GMD

De leden van de PvdA-fractie begrijpen dat een aantal medisch-arbeidskundige taken van de GMD uitgevoerd zullen worden door de bedrijfsverenigingen. Het Gib krijgt daartoe de bevoegdheid dwingende voorschriften op te leggen aan de bedrijfsverenigingen. Deze leden vragen zich af hoe zij dat moeten zien tegen het licht van de samenstelling van het Gib, namelijk vanuit de bedrijfsverenigingen. Zij vragen of dit wel een heldere verdeling van verantwoordelijkheden oplevert. De hier aan het woord zijnde leden constateren terecht dat een deel van de GMD-taken, namelijk de medische en arbeidskundige taken, zal worden overgeheveld naar de bedrijfsverenigingen. Het betreft hier het uitoefenen van taken als claimbeoordeling en arbeidsongeschiktheidsschatting, het beoordelen, corrigeren en faciliteren van reïntegratie-activiteiten bij de eigen werkgever, de toepassing van reïntegratie-instrumenten e.d. De GMD oefent momenteel een aantal taken uit, waarvan

het niet wenselijk is dat zij naar de verschillende bedrijfsverenigingen worden overgeheveld. Het gaat dan om de beleidsvoorbereidende en de beleidsondersteunende werkzaamheden van de stafdiensten van de huidige GMD. Deze werkzaamheden dragen bij aan de eenheid in beleid van de verschillende bedrijfsverenigingen en zijn daarmee van een sterk coördinerend karakter. Bovendien zijn deze werkzaamheden direct van invloed op de wijze waarop door de bedrijfsverenigingen vorm wordt gegeven aan de uitvoering van wetten. In paragraaf 2.3 van de memorie van toelichting is aangegeven dat het kabinet coördinatie als een wezenlijk onderdeel van de uitvoering ziet. Het ligt dan ook voor de hand de hier bedoelde GMD-taken onder te brengen bij het Gib als coördinerende instantie van de bedrijfsverenigingen. Het Ctsv houdt uiteraard toezicht op de wijze waarop het Gib invulling geeft aan deze taak. Met een dergelijke taakverdeling wordt naar mijn mening een heldere verantwoordelijkheidsverdeling tussen Ctsv, Gib en bedrijfsverenigingen tot stand gebracht.

3.4 Arbeidsbemiddeling

De leden van de fractie van de SGP vragen in hoeverre de arbeidsbureaus thans beter geëquipeerd zullen zijn voor de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Zij vragen welke garanties er zijn dat de arbeidsbureaus deze taak beter zullen vervullen dan de huidige GMD.

Op dit moment verzorgt de GMD zowel de arbeidskundige begeleiding als de vacaturebemiddeling. Door de krachten van de bedrijfsverenigingen en GMD enerzijds (de arbeidskundige kennis, de contacten met bedrijven en het reïntegratie-instrumentarium van bedrijfsverenigingen) te combineren met de krachten van arbeidsvoorziening (hun kennis van de arbeidsmarkt, vacatures en bemiddelingsinstrumentarium), verwacht ik een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De experimenten die inmiddels van start zijn gegaan, zullen ongetwijfeld nadere inzichten op dit punt opleveren.

De leden van de GPV-fractie hebben nog steeds twijfels bij het synthesemodel. Naar hun oordeel is een belangrijke reden voor de onbeheerste groei van het volume het feit dat het medisch oordeel vertroebeld is geraakt door allerlei overwegingen van sociaal-politieke en arbeidsmarkttechnische aard. Daardoor is het begrip arbeidsongeschiktheid in de praktijk zover opgerekt geraakt. Invoering van het synthesemodel verandert daaraan niets, aldus deze leden. Dit is voor deze leden reden om een voorstel te doen voor een model van gevalsbehandeling dat afwijkt van het voorstel van het kabinet. Deze leden vragen mij dit model nadrukkelijk te confronteren met hun eigen voorstel.

Wellicht dat er enig misverstand is ontstaan over de uitvoering van de arbeidsongeschiktheidsregelingen enerzijds en de inhoud van de regelgeving op dat punt anderzijds. Ik onderschrijf volledig de stelling van de aan het woord zijnde leden, dat in de loop der tijd het arbeidsongeschiktheidscriterium te ver is opgerekt. Het invoeren van een synthesemodel in de gevalsbehandeling verandert daaraan op zichzelf niets, zoals deze leden terecht stellen. In het kader van de Wet Terugdrïnging Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen geldt echter per 1 augustus jl. een ander (beperkter) arbeidsongeschiktheidscriterium. De arbeidsongeschiktheid moet voortaan een rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg zijn van ziekte of gebrek. Bovendien wordt bij de beantwoording van de vraag welke arbeid iemand nog wel kan verrichten geen rekening meer gehouden met iemands opleiding en vroeger beroep.

Het tweede element is de wijze waarop de arbeidsongeschiktheidsregelingen uitgevoerd worden. Tijdens de discussie over de voorstellen voor het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume is er voortdurend op gewezen dat de regelgeving niet het optimale effect zal kunnen hebben indien de uitvoering daarvan niet goed geregeld is. Invoering van het synthesemodel is een van de onderdelen van dit wetsvoorstel dat daaraan een bijdrage moet leveren. Invoering van het synthesemodel kan beschouwd worden als een complementaire maatregel. Hierdoor ontstaat een verduidelijking van de verantwoordelijkheid bij de gevalsbehandeling in geval van ziekte en arbeidsonge schiktheid. Het door de leden van de GPV-fractie geschetste uitvoeringsmodel leidt bij mij niet tot groot enthousiasme. De reden hiervoor is gelegen in de knelpunten die zich in de huidige uitvoering door bedrijfsverenigingen en GMD manifesteren. Door de opdeling van taken tussen bedrijfsverenigingen en GMD is veelvuldig overdracht van gegevens nodig, hetgeen de besluitvorming niet ten goede komt. Bovendien werkt een dergelijke situatie het afschuiven van verantwoordelijkheden in de hand. In het voorstel van de GPV-fractie komt daar nog een derde instantie, namelijk het RBA bij. Bovendien geeft de betrokkenheid van diverse artsen, ook voor de cliënt, aanleiding tot verwarring. Het GPV-voorstel laat de betrokkenheid van én de GMD-arts én de arts van de bedrijfsvereniging in stand.

  • Het toezicht op de sociale verzekeringen

4.1 De plaats van het toezicht

4.2 De relatie tussen toezicht en advisering

Met betrekking tot de advisering over de uitvoering stuiten de leden van de PvdA-fractie op enige onduidelijkheid. Het Ctsv informeert de minister over de werking en de effecten van het stelsel, maar speelt geen rol bij het geven van uitvoeringstechnische adviezen. Volgens deze leden vraagt dit om een uitleg over wat tot beleid en wat tot techniek gerekend moet worden.

Ik ben, evenals de SER in zijn advies betreffende de vereenvoudiging van de uitvoering van de sociale verzekeringen (84/12), van mening dat een onderscheid gemaakt kan worden tussen de signalerende en de adviserende functie van de adviestaak. Daarop is het in dit wetsvoorstel gemaakte onderscheid tussen -in de woorden van de PvdA-fractie -«beleid» en «techniek» gebaseerd. De toezichthouder (het Ctsv) verkrijgt door een goede invulling van zijn taken het nodige inzicht in de opzet, werking en effecten van het wettelijke stelsel van sociale verzekeringen. Op basis van dat inzicht kan de toezichthouder tot de conclusie komen dat de wetgeving op bepaalde punten moet worden bijgesteld. Vanuit zijn signalerende functie stelt de toezichthouder de minister hiervan op de hoogte, waarna de wet op specifieke punten aangepast kan worden. In de visie van het kabinet zal het Ctsv onder andere via uitvoeringseffectrapportages de minister informeren over de uitvoering en effecten van het stelsel. Dergelijke rapportages kunnen niet alleen reden zijn tot correctie en bijsturing van de uitvoering door het Ctsv, maar ook tot aanbevelingen aan de minister. Deze aanbevelingen kunnen bijvoorbeeld leiden tot verbetering van de wetgeving, waardoor een meer doelmatige uitvoering mogelijk wordt gemaakt. Deze signalerende functie is, naar ik aan neem, wat in de woorden van de leden van de PvdA-fractie bedoeld wordt met beleid.

De adviserende functie van Gib en SVb impliceert dat de minister geadviseerd wordt over de (uitvoerings)-technische aspecten van een voorgenomen wetswijziging. Deze adviserende functie houdt veel meer verband met de activiteiten van de uitvoering dan met de toezichthoudende activiteiten. De sociale partners, verantwoordelijk voor de feitelijke uitvoering van de sociale verzekeringen, dienen hierbij in mijn ogen betrokken te zijn. Het ligt daarom meer voor de hand om deze functie bij het Gib en de SVb te leggen dan bij de SER, zoals het lid van de RPF-fractie suggereert.

4.3 De inhoud van het toezicht

In het advies van de SVr over het toezicht op de overheidspensioenorganen wordt ingestemd met het onder SVr-toezicht brengen van deze organen, zo stellen de leden van de PvdA-fractie. Deze leden vragen waar dit toezicht na het verdwijnen van de SVr zal worden ondergebracht. Naar aanleiding hiervan merk ik op, dat in het wetsvoorstel is voorgesteld dit toezicht op de overheidspensioenlichamen, voor zover het de (fictieve) uitvoering van de AAW betreft, in handen van het Ctsv te leggen. Door de leden van de SGP-fractie wordt naar voren gebracht dat de fictieve uitvoering van de AAW een voorbeeld lijkt van het weinig efficiënt rondpompen van gelden binnen de collectieve sector. Zij vragen of het niet zinvol is om deze fictieve uitvoering van de AAW te beëindigen. Zonder in te gaan op de inhoudelijke kanten van dit onderwerp, wil ik erop wijzen dat het voornemen bestaat de ambtenaren onder de werknemersverzekeringen te brengen. Hiermee zullen ook ambtenaren volledig vallen onder de werkingssfeer van de AAW en WAO. De fictieve uitvoering van de AAW zal hiermee komen te vervallen. Naar verwachting zal deze situatie met ingang van 1 januari 1996 zijn gerealiseerd.

4.4 De rol van de minister

De leden van de PvdA-fractie hebben met enige verbazing kennis genomen van de stelling van het kabinet dat de minister geen primaire verantwoordelijkheid dient te dragen voor de daadwerkelijke uitvoering van de sociale verzekeringen. Dit stemt in de ogen van de betreffende leden niet overeen met de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en sociale partners.

De huidige verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en sociale partners komt in de kern op het volgende neer. De overheid, in casu de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is verantwoordelijk voor de macro-economische effecten van de uitvoering en voor de wetgevende taken. De sociale partners dragen verantwoordelijkheid voor de uitvoering, dat wil zeggen voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk, namelijk het verstrekken van uitkeringen en werkzaamheden met betrekking tot de reïntegratie van uitkeringsgerechtigden. De stelling in de memorie van toelichting dat de overheid niet primair verantwoordelijk is voor de daadwerkelijke uitvoering van de sociale verzekeringen heeft betrekking op dit dagelijkse uitvoeringsproces. Het is aan de uitvoeringsinstanties zelf te bepalen op welke wijze zij de

zogenaamde primaire processen inrichten. De minister is verantwoordelijk voor de macro-economische gevolgen van deze keuzes en kan daarop door het parlement worden aangesproken. In § 2.1.2 is uitvoeriger op de inhoud van deze ministeriële verantwoordelijkheid ingegaan.

Met betrekking tot het sturingsinstrumentarium van de minister vragen de leden van de PvdA-fractie een nadere toelichting op de mogelijkheid een algemene maatregel van bestuur, zonodig in afwijking van de wet, te stellen. Deze leden vragen zich af of de bevoegdheden hier niet op zijn minst enigszins door elkaar lopen De mogelijkheid tot het stellen van een algemene maatregel van bestuur, waarvoor de leden van de PvdA-fractie hier de aandacht vragen, heeft betrekking op de situatie waarin de toezichthouder of een van de uitvoeringsinstanties zijn taken verwaarloost. Een dergelijke situatie impliceert dus dat het Ctsv of een van de uitvoeringsinstanties zijn verantwoordelijkheden niet waarmaakt. Het is dan noodzakelijk dat de minister, verantwoordelijk voor de effecten van de uitvoering van de sociale verzekeringen, zijn verantwoordelijkheid in een dergelijke situatie wel kan nemen, door bij algemene maatregel van bestuur in een oplossing voor een dergelijke situatie te voorzien.

  • Kostenbeheersing en fondsbeheer

5.1 Beheersing van de uitvoeringskosten

5.1.1 Ontwikkeling uitvoeringskosten

Een aantal fracties vraagt een nadere toelichting op de ontwikkeling van de uitvoeringskosten. De leden van de CDA-fractie leggen een reïatie met het nationaal inkomen (NNI). In tabel 5.1 wordt de ontwikkeling in relatie tot het NNI weergegeven.

Tabel 5.1. Uitvoeringskosten 1986-1991 in relatie tot netto nationaal inkomen

TotaalAK

1986

1987

1988

1989

1990

1991

(x f 1 mld) Administr.kst. AK-index NNI NNI-index AK/NNI 2220100390.7 100 0,57% 2407108390.9 100 0,62% 2548115402,7 103 0,63% 2661120429,6 110 0.62% 2906131457,5 117 0,64% 3263147481, 123 0 1

68%

Uit de tabel blijkt dat het NNI in de periode 1986-1991 is toegenomen met 23%. De uitvoeringskosten zijn in dezelfde periode gestegen met 47%. De verhouding tussen de uitvoeringskosten en het NNI is dan ook opgelopen van 0,57% in 1986 tot 0,68% in 1991.

Een tweede grootheid die door de leden van de CDA-fractie wordt gevraagd is de inflatie. In relatie tot de administratiekosten is voor de nominale ontwikkeling vooral de loonontwikkeling van belang aangezien 70% van de kosten bestaat uit salarissen. Als indicator voor de inflatie zijn de ontwikkeling van de loonsom per werknemer in de marktsector en het prijspeil van de gezinsconsumptie in de verhouding 70:30 gehanteerd. Gecorrigeerd voor deze inflatie indicator (prijspeil 1986) blijken de administratiekosten toe te nemen met 33% (ongecorrigeerd 47%). In tabel 5.2 wordt deze ontwikkeling geschetst.

Tabel 5.2. Uitvoeringskosten 1986-1991 in relatie tot de nominale ontwikkeling (gewogen loon/prijsindex)

Totaal AK

(xf 1 mld) Administr kosten AK-index Loon/prijsmutatie Adm.kosten prijsp. '86 AK-index na corr.

1986

2220100

2220100

1987

24071080,82388107

1988

254811512503113

1989

26611200.92590117

1990

29061313.62731123

1991

32631474,22943133

De leden van de SGP-en RPF-fractie willen een nadere uitsplitsing naar uitvoeringsorgaan, waarbij met name de verschillen tussen GAK-en zelfadministrerende bedrijfsverenigingen in beeld wordt gebracht. Het betreft hier een uitbreiding van tabel 5.4 uit de memorie van toelichting.

Tabel 5.3. Uitvoeringskosten 1986-1991 naar orgaan

Totaal AK

(xf 1 mln) BV/GAK BV/Zelfadmin. Totaal BV SVB GMD ABP RBD

Totaal

Index BV/GAK BV/Zelfadmin. Totaal BV SVB GMD ABP RBD

1986802563136529830938210

2220100100100100100100100

1987895620151530633940208

2407112110111103110104 99

1988976659163531835842195

2548122117120107116111 93

1989

1001684168537037144191

2661125121123124120116 91

1990

1094760185436440847233

2906136135136122132124111

1991

1185839202440245650331

3263148149148135148132157

Totaal

100

108

115

120

131

147

Uit de tabel blijkt dat geen grote verschillen in kostenontwikkeling zijn te signaleren in de vergelijking tussen de bedrijfsverenigingen die hun administratie aan het GAK hebben opgedragen en de gezamenlijke zelfadministrerende bedrijfsverenigingen. Wel blijkt uit de tabel dat de toename van de uitvoeringskosten bij de bedrijfsverenigingen en de GMD groter is geweest dan bij de SVb en het ABP.

Met name de leden van de CDA-en de SGP-fractie vragen een nadere verklaring voor de gesignaleerde kostenstijging.

Er is een aantal factoren aan te geven die hebben geleid tot een toename van de uitvoeringskosten. Allereerst betreft dit een toename van het uitkeringsvolume, waardoor de uitvoeringsorganen meer handelingen moeten verrichten resulterend in een stijging van de uitvoeringskosten. Wel is het juist, zoals de leden van de CDA-fractie opmerken, dat de verhouding uitvoeringskosten/uitkeringslasten toeneemt naarmate het uitkeringsniveau minder sterk stijgt. Een tweede factor betreft de prijsmutaties vanaf 1986. Belangrijkste component is een stijging van de personeelskosten onder invloed van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling. Daarnaast spelen de toegenomen huisvestingslasten een rol.

Als derde factor kunnen de wetsdan wel beleidswijzigingen worden genoemd. Hierbij kan worden gedacht aan de stelselherziening van 1987 (ondermeer wijziging WW-systematiek), maar ook aan de opbouw van de verzekerdenadministratie en de grotere inspanning op het terrein van de verzuimbestrijding. Met betrekking tot de uitvoeringskosten wordt vanaf 1989 een onderzoek uitgevoerd door de SVr, het zogenaamde PUK-project (Project Uitvoeringskosten) De leden van de PvdA-, D66-en de RPF-fractie vragen naar het verloop van dit onderzoek.

Het onderzoek van de SVr heeft drie doelstellingen:

  • vergroten van het inzicht in de uitvoeringskosten in de periode 1986-1992; b. verbeteren van de informatievoorziening in de toekomst; c. vanuit het inzicht en de beschikbare informatie komen tot een verbeterd toezicht op de ontwikkeling van de uitvoeringskosten, waarbij met name ook de doelmatigheid van het uitvoeringsproces centraal staat. Inmiddels zijn reeds vijf voortgangsrapportages verschenen, met daarin een analyse van de kostenontwikkeling tot en met 1991 per wet. Hierbij wordt het kostenniveau van de bedrijfsverenigingen onderling vergeleken en eventueel nader geanalyseerd. Daarnaast betreft het een beschrijving van het uitvoeringsproces per wet, hetgeen heeft geresulteerd in een overzicht van informatie die vanaf 1994 door de bedrijfsverenigingen en de SVb standaard aan de SVr dient te worden geleverd in het kader van het toetsingsmodel. Het onderzoek is in feite te beschrijven als proces van exploratie van alle facetten van de uitvoeringskosten. Dit proces zal naar verwachting in 1995 zijn afgerond. Zoals reeds geschetst in het voorgaande komen echter in de tussenliggende periode regelmatig tussenrapportages beschikbaar die het inzicht in de ontwikkelingen stap voor stap vergroten. Het is dan ook onjuist, zoals de leden van de D66-en RPF-fractie veronderstellen, dat geen inzicht aanwezig is tot het moment dat het SVr onderzoek volledig is afgerond. De door het kabinet in de memorie van toelichting gepresenteerde cijfers zijn dan ook volledig onderbouwd door de reeds aanwezige statistische informatie.

5.1.2 Budgettering

Een groot aantal fracties heeft vragen gesteld bij de feitelijke uitwerking van het systeem van budgettering.

De leden van de PvdA-fractie hebben echter vooraf gewezen op een omissie in de tekst van de memorie van toelichting. Op bladzijde 36 is op het einde van de eerste alinea een gedeelte van de tekst weggevallen. De volledige tekst luidt «In dit voorstel worden de budgetten van de bedrijfsverenigingen vastgesteld door het Gib en de budgetten van het Gib en de SVB door het Ctsv. Het Ctsv zelf wordt door de minister gebudgetteerd.» De leden van de CDA-fractie willen weten of de uitvoeringsinstellingen GAK en GUO onder dezelfde regels vallen als de opdrachtgevende bedrijfsverenigingen. Verder vragen zij of de genoemde instellingen ook een begroting indienen en of zij ook een budget krijgen.

Met de voorgestelde wijzigingen wordt beoogd de zelfstandige verantwoordelijkheid van de bedrijfsverenigingen te benadrukken. De administratiekantoren als GAK en GUO verrichten slechts taken voor zover overeengekomen met de bedrijfsverenigingen. In de budgetteringsvoorstellen is derhalve niet voorzien in een (wettelijke) plicht om een begroting op te stellen. Ook zal voor hen geen budget worden vastgesteld. Wel mag worden verwacht dat de bedrijfsverenigingen gebruikmakend van een bepaalde instelling, een deugdelijke financiële verantwoording van deze instelling zullen verlangen. Enerzijds om vooraf inzicht te krijgen in de (te verwachten) kosten van de instelling die in rekening worden gebracht bij de bedrijfsvereniging (en daarmee onderdeel uitmaken van de begroting van de bedrijfsverenigingen). Anderzijds om achteraf verantwoording te kunnen afleggen over de feitelijke lasten richting het Gib (en Ctsv).

Deze leden vragen tevens om de beschrijving van de procedure indien een begroting van een bedrijfsvereniging niet wordt goedgekeurd (door het Gib). In de budgetteringsprocedure is een tijdpad voorzien. Zo dienen de bedrijfsverenigingen voor 1 augustus een begroting voor het komende jaar te overleggen aan het Gib. Indien het Gib de begroting niet goedkeurt zal in overleg met de desbetreffende bedrijfsvereniging een bijgestelde begroting worden opgesteld. Dit kan worden afgerond voor 1 december zodanig dat alsnog een budget voor het komende jaar kan worden vastgesteld. In aanvulling hierop vragen de leden van de PvdA-fractie naar de positie van de minister in deze. Zoals gesteld in de memorie van toelichting verleent de minister geen goedkeuring aan de vastgestelde budgetten van de bedrijfsverenigingen. Hij wordt wel op de hoogte gebracht door de toezichthouder (Ctsv) van de gevolgde procedure bij de budgetvaststeliing en de resultaten daarvan. Op basis daarvan kan hij zich een oordeel vormen en kan hij, indien hij daarvoor redenen aanwezig acht, overgaan tot het geven van een aanwijziging. Gezien het voorziene tijdschema (per 1 december vaststelling budgetten door Gib) zal de aanwijzing veelal op zijn vroegst gedurende het lopende budgetjaar kunnen plaatsvinden. Er zal dan ook in de praktijk geen sprake zijn van een «fictieve» goedkeunng vooraf door de Minister van de budgetten, zoals door de leden van de PvdA-fractie als mogelijkheid naar voren wordt gebracht.

De leden van de fracties van D66, SGP en RPF zetten vraagtekens bij de positie van het Gib als meest geëigende instantie om de budgetten van de bedrijfsverenigingen vast te stellen. Zij wijzen op de mogelijkheid van belangenverstrengeling en vragen zich af of nog wel prikkels aanwezig zijn om te komen tot beheersing van de uitvoeringskosten.

Uit de vraagstelling van deze leden spreekt de ongerustheid dat sociale partners geen belang zouden hebben bij een beheerste ontwikkeling van de uitvoeringskosten. Hierbij dient echter bedacht te worden dat de uitvoeringskosten deel uitmaken van de lasten die door middel van premies worden gefinancierd. Deze premies dienen te worden opgebracht door de sociale partners. Macro-economisch gezien is er derhalve een duidelijk belang bij de sociale partners om de uitvoeringskosten zo laag mogelijk te doen zijn. Wel is het zo dat mogelijk in de praktijk dit macrobelang niet altijd zo direkt wordt ervaren. Mede onder invloed hiervan is het kabinet gekomen met een voorstel tot budgettering van de uitvoeringskosten.

Ik ben van mening dat de gekozen systematiek van budgettering

voldoende mogelijkheden biedt om te komen tot kostenbeheersing en daarnaast recht doet aan het uitgangspunt te komen tot een verantwoord niveau van de uitvoeringskosten waarbij een goede uitvoering is gegarandeerd. De vaststelling van de begroting vindt plaats op het niveau van de uitvoering waardoor alle elementen die bij de uitvoering een rol gaan spelen in beeld worden gebracht. Het Gib kan vervolgens de ingediende begrotingen vergelijken met de meerjarencijfers van de betreffende bedrijfsvereniging en de begrotingen van de andere bedrijfsverenigingen en overgaan tot bijstelling van de begroting indien onvoldoende gemotiveerde afwijkingen worden gesignaleerd Uiteraard wordt in dit proces rekening gehouden met bijzondere omstandigheden die een rol spelen bij de betreffende bedrijfsvereniging, danwel effecten van wetswijzigingen die worden voorzien in het komende budgetjaar. Dit in antwoord op vragen van de leden van de SGP-en GPV-fractie. Het feit dat het Gib onder toezicht van een onafhankelijk Ctsv staat vormt afdoende garantie dat prikkels tot beheersing voelbaar aanwezig blijven, waardoor eventueel eenzijdige belangen van de sociale partners kunnen worden teruggedrongen. Dit totale proces leidt tot taakstellende budgetten, waarbij overschrijdingen in beginsel niet zijn toegestaan, hetgeen een interne organisatiestructuur bij de bedrijfsverenigingen vereist van voortdurende controle op de uitgaven gedurende het jaar. Wel laat dit systeem de ruimte aan bedrijfsverenigingen om binnen het budget gelden anders aan te wenden dan bij de begroting voorzien, mits dit bij de jaarrapportage kan worden verantwoord in het kader van de doelmatige en rechtmatige aanwending van gelden. Het voorziene budgetteringssysteem is derhalve minder star dan de leden van de Groen Linksfractie veronderstellen.

Naar mijn mening biedt het hierboven geschetste systeem van budgetvaststelling, onafhankelijk toezicht en de aanwijzingsbevoegdheid van de minister in bijzondere gevallen, voldoende garanties om te komen tot beheersing van de ontwikkeling van de uitvoeringskosten.

Naar aanleiding van een vraag van de RPF-fractie met betrekking tot de huidige praktijk kan worden bevestigd dat de GMD, evenals sommige bedrijfsverenigingen, ook momenteel reeds een bepaalde vorm van interne budgettering van de uitvoeringskosten hanteert. Deze interne budgetteringsprocessen zijn echter niet ingebed in een totaalstructuur gericht op een systematische beheersing van de uitvoeringskosten, waardoor met name de controle op de totale ontwikkeling nog kan worden verbeterd. Met de door het kabinet geformuleerde gestructureerde vormgeving van budgettering wordt hierin voorzien.

5.2 Fondsbeheer

In het huidige wetsvoorstel is de keuze gemaakt om de centrale fondsen (AAf, Aof, AWf en TF) onder te brengen bij het Gib. De fondsen onder beheer bij de SVb blijven ook in de gewijzigde situatie bij deze instantie. De leden van de CDA-fractie wijzen op de verschillende alternatieven voor de positie van de fondsen die in de loop der tijden aan de orde zijn geweest. Zij willen een nadere motivering van het kabinet ten aanzien van de gemaakte keuze, waarbij tevens wordt ingegaan op de voor-en nadelen ten opzichte van het alternatief van centraal fondsbeheer, waarbij alle fondsen worden opgenomen in een afzonderlijk fondseninstituut. Ook de leden van de PvdA-, VVD-, en D66-fractie willen een nadere toelichting; met name ten aanzien van de ontwikkelingen die zich

hebben voorgedaan na de hoofdlijnennotitie OSV 1991 (TK, 1990-1991, 22011, nr. 1). In die notitie werd immers door het kabinet nog gekozen voor een afzonderlijk fondseninstituut. Zowel de leden van de VVD-als de D66-fractie hebben met verbazing kennis genomen van de wijziging van het standpunt uit 1991 en wijzen op het gevaar van belangenverstrengeling nu de sociale partners zowel bij de uitvoering als bij het beheer van de gelden een centrale rol spelen.

Zoals reeds aangegeven door de leden van de CDA-fractie is bij de keuze ten aanzien van de positie van het fondsbeheer sprake van een aantal alternatieven. Twee varianten staan daarbij centraal. De eerste variant gaat uit van het uitvoeringsniveauconcept, waarbij de centrale fondsen worden ondergebracht bij het Gib. De tweede variant gaat uit van het gescheiden takenprincipe en leidt tot creatie van een afzonderlijk fondseninstituut met een tripartiet bestuur.

Het voordeel van de eerste variant is dat deze leidt tot een heldere organisatiestructuur en aansluit bij de huidige verantwoordelijkheidsverdeling tussen sociale partners en overheid. De coördinatie-en de beheerstaak van de ZW, AAW/WAO, WW en TW is opgedragen aan het Gib en van de overige betrokken wetten aan de SVb. Naast deze helderheid is een voordeel dat geen nieuwe bestuurslaag hoeft te worden gecreëerd. Tevens treedt ook bij deze variant het voordeel op van bundeling van fondsen waardoor de regulering van het geldbeheer en het vermogensbeheer effectiever kan plaatsvinden dan in de huidige situatie. Bij het oorspronkelijke wetsvoorstel dat ter advisering aan de adviesorganen is voorgelegd werd gekozen voor de eerste variant. De adviesorganen hebben echter in hun advies aangegeven dat, in de in het wetsvoorstel geschetste organisatiestructuur, koppeling van beheers-en uitvoeringstaken niet aangewezen is. Hierbij wezen zij met name op het controleaspect (de uitvoering controleert zich zelf). Onder invloed van de adviezen heeft het kabinet in de hoofdlijnennotitie OSV 1991 het standpunt heroverwogen en het alternatief van het afzonderlijk fondseninstituut naar voren gebracht. In de discussie die mede naar aanleiding van deze notitie opgang is gebracht kwam echter een belangrijk punt naar voren, dat een nieuwe herbezinning noodzakelijk maakte. Het betreft de aandrang te komen tot onafhankelijk toezicht (Motie Buurmeijer c.s.; Tweede Kamer, 1990-1991, 22011, nr. 7). Met name deze ontwikkeling heeft ertoe geleid dat het kabinet is teruggekeerd tot zijn oorspronkelijke voornemen het fondsbeheer te situeren bij de uitvoering. Immers de voordelen van deze variant waren reeds vanaf het begin door het kabinet naar voren gebracht. Terwijl daarnaast het nadeel van belangenverstrengeling en beperkte controle op de uitgaven wordt ondervangen door de instelling van een onafhankelijk toezichtsorgaan, waarin de sociale partners niet zijn vertegenwoordigd. Met behulp van de rechtmatigheidsverklaringen en de uitvoeringseffectrapportages van het Ctsv meent het kabinet de vereiste waarborgen te hebben ingebouwd voor een afdoende controle op de uitgaven.

De leden van de CDA-fractie stellen de vraag waarom in de nieuwe OSV geen wettelijke basis is opgenomen voor het instellen van risicogroepen binnen het wachtgeldfonds. Zij vragen of het kabinet overweegt hiertoe alsnog over te gaan bij de totale herziening van de OSV.

Het is bekend dat verschillende bedrijfsverenigingen hun wachtgeld-

fondsen in afzonderlijke onderdelen, de zogenaamde risicogroepen beheren. Sommige bedrijfsverenigingen, die hun wachtgeldfondsen als één geheel beheren, stellen voor verschillende onderdelen van het bedrijfs-of beroepsleven, waarover zij hun werking uitstrekken, afzonderlijke wachtgeldpremies vast. Voor hetzelfde wachtgeldfonds kunnen derhalve verschillende premiepercentages gelden. Andere bedrijfsverenigingen doen datzelfde binnen de door hen afzonderlijk beheerde risicogroepen. In de praktijk wordt in deze gevallen gesproken van «premiegroepen». Deze praktijk berust op een voldoende wettelijke basis. Sedert de invoering van de werkloosheidsverzekering geldt als uitgangspunt dat de bedrijfsvereniging de premie voor de wachtgeldverzekering zelfstandig vaststelt. Artikel 85 van de huidige Werkloosheidswet bevat daartoe een wettelijke opdracht aan de bedrijfsvereniging de wachtgeldpremie volgens bij algemene maatregel van bestuur te stellen regels vast te stellen. In deze wettelijke opdracht ligt de bevoegdheid tot premiedifferentiatie besloten. Artikel 85 WW laat het instellen van premie-of risicogroepen derhalve toe. In de Regeling premievaststelling en reservevorming wachtgeldfondsen (KB van 8 augustus 1990, Stb. 447) is ook uitdrukkelijk in deze mogelijkheid voorzien. Er is derhalve geen reden in de OSV een aanvullende wettelijke basis te creëren.

5.2.1 Premie-advisering

De leden van de GPV-fractie vinden het van belang dat de bedrijfsverenigingen de mogelijkheid krijgen zoveel mogelijk bedrijfsmatig te werken. In dit verband zijn zij van mening dat de premievaststelling zo min mogelijk dient te worden beïnvloed door factoren die niet van verzekeringstechnische aard zijn. Zij geven in overweging de rol van de minister bij de premievaststelling te beperken.

Met de leden van de GPV-fractie ben ik van mening dat de bedrijfsvereniging niet moet worden belemmerd in haar streven naar een doelmatige uitvoering. Het standpunt van deze leden met betrekking tot de premievaststelling wordt door mij echter niet gedeeld. Door middel van de premie-advisering kan het Gib kenbaar maken welk premieniveau nodig is om de kosten te kunnen dekken. Dit premieniveau zal in principe ook het uitgangspunt zijn bij de feitelijk vast te stellen premie. Gezien zijn eigen verantwoordelijkheid is het echter noodzakelijk dat de minister rekening kan houden met aspecten buiten het directe fondsbeheer bij de vaststelling van de premiehoogte. Dit hoeft een doelmatige uitvoering echter niet in de weg te staan, omdat de fondsen beschikken over reserves waardoor eventuele tijdelijke tekorten kunnen worden opgevangen. Door de bundeling van de centrale fondsen worden deze mogelijkheden nog verder vergroot.

Daarnaast dient te worden bedacht dat de activiteiten van de fondsen zich uitspreiden over een reeks van jaren. In deze meerjarige periode is sprake van bedrijfseconomische marges waarbinnen het fondsbeheer kan worden vormgegeven. Afwijking van het premie-advies in enig jaar zal derhalve niet hoeven te leiden tot een beperking van de bedrijfsmatige werkwijze van de fondsen, zolang de bedrijfseconomische randvoorwaarden op langere termijn in het oog worden gehouden.

Tegen de achtergrond van de hierboven genoemde argumenten is het kabinet dan ook niet voornemens de positie van de minister bij de premievaststelling te heroverwegen.

  • Uitvoering in de regio

De leden van de fractie van de PvdA vragen zich met betrekking tot de gewenste verdere regionalisering van de uitvoering van de sociale verzekeringen af of er niet de behoefte aan horizontale structuren bestaat. Juist voor samenwerking met de regionale arbeidsvoorziening in het kader van de integrale gevalsbehandeling achten zij dit noodzakelijk. Zien zij het juist dat de structuur via bedrijfsverenigingen meer verticaal genoemd zou kunnen worden, aldus vragen deze leden. De leden van de D66-fractie zijn van mening dat nu helder moet worden gekozen tussen een model waarbij óf wordt uitgegaan van een hernieuwde indeling van het bedrijfsleven óf een regionaal georganiseerde uitvoeringsorganisatie. Conform de regio-indeling van de arbeidsvoorzieningsorganisatie zou een regionaal georganiseerde uitvoeringsorganisatie volgens deze leden tenminste tripartiet moeten zijn samengesteld. De leden van de fractie van Groen Links betreuren het dat het kabinet twee kansen mist om een beter kader te scheppen voor reïntegratie: namelijk regionaliseren van de uitvoeringsorganisatie en daarbij aanhaken bij de regionale arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Zoals eerder aangegeven in de memorie van toelichting is de intentie van het nu voorliggende wetsvoorstel om slechts de meest urgente knelpunten in de uitvoering op te lossen. In dit wetsvoorstel is er voor gekozen het principe van de bedrijfstakgewijze uitvoering als uitgangspunt te handhaven. Het loslaten van dit organisatieprincipe zou een fundamentele andere inrichting van de uitvoeringsorganisatie met zich brengen met vergaande consequenties, die de reikwijdte van dit wetsvoorstel te buiten gaan. Daarmee wil uiteraard niet gezegd zijn dat de samenwerking in de regio tussen de bedrijfsverenigingen en arbeidsvoorzieningsorganisatie geen knelpunt vormt.

Ik wijs er op dat het mogelijk is dat de bedrijfsvereniging of de uitvoeringsinstelling aan wie de bedrijfsvereniging de uitvoering van haar taken heeft opgedragen, een zodanige uitvoerïngsstructuur inricht dat aan de regionale uitvoeringskantoren een grote mate van beleidsvrijheid en zelfstandige beslissingsbevoegdheid wordt toegekend. De wet biedt daartoe alle mogelijkheden en bevat voorts de verplichting zoveel mogelijk zorg te dragen voor samenwerking met de arbeidsvoorzieningsorganisatie. Het Gib heeft ondermeer als taak deze samenwerking te bevorderen. Er is vanaf gezien in dit wetsvoorstel verdergaande regels omtrent de uitvoering in de regio te stellen. Niettemin zijn verdergaande veranderingen van de uitvoeringsorganisatie op termijn denkbaar. Deze zullen vooral bezien moeten vanuit de wenselijkheid in de gedifferentieerde besturing van het sociaal-economische beleid en de sociale zekerheid meer samenhang te brengen en vanuit de wens om de verantwoordelijkheidsverdeling tussen de overheid (publieke domein) en sociale partners en burgers (private domein) opnieuw te bezien. Ik ben van oordeel dat voor een effectieve preventie van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid en bevordering van uitstroom vanuit de sociale zekerheid naar betaald werk het noodzakelijk is te komen tot vormen van structurele samenwerking tussen de betrokken instanties. De regio neemt hierin een centrale plaats in. Juist op regionaal niveau staan bedrijfstak, arbeidsvoorziening, openbaar bestuur en de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen immers het dichtst bij elkaar.

Een heldere keuze inzake hoe de beoogde samenwerkingsstructuur op

de korte en langere termijn het beste kan worden vormgegeven is op dit moment niet te maken. Voor de korte termijn zal naast de reeds voorziene wettelijke inspanningsverplichting tot samenwerking het creëren van een bestuurlijk commitment en draagvlak in de regio nodig zijn. Instrumenten daarvoor zijn bestuurlijk overleg tussen kabinet, sociale partners en VNG, het opstellen van een regionaal beleidsplan door bedrijfsverenigingen, gemeenten en arbeidsvoorzieningsorganisatie en het bieden van een financiële incentive voor samenwerking door hiervoor een budgettaire mogelijkheid te scheppen. In de nota Voorzieningenbeleid voor werklozen, die onlangs aan het parlement is aangeboden, wordt hiertoe een voorstel gedaan. De samenwerkingsstructuur voor de langere termijn zal inhoudelijk in belangrijke mate bepaald moeten worden door enerzijds de bevindingen van de evaiuatie van de Arbeidsvoorzieningswet in 1995 en anderzijds door de nog te maken keuzes betreffende de toekomstige tnhoudelijke inrichting van het stelsel van sociale zekerheid en de verhouding daarbij tussen het publieke en private domein. Daarnaast zal de vernieuwing van het openbaar bestuur en de ontwikkeling van regionale bestuursvormen van betekenis zijn.

Vooralsnog kiest het kabinet voor het handhaven van de bedrijfstakgewijze organisatie van de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen, met daarbij een inspanningsverplichting voor de bedrijfsverenigingen om te komen tot samenwerking met derden. Het Gib heeft mede als taak deze samenwerking te bevorderen. Het wordt vooralsnog aan de besturen van de bedrijfsverenigingen overgelaten de inrichting van de uitvoeringsorganisatie zodanig vorm te geven dat de samenwerking in de regio optimaal is. Een verdergaande wettelijke regelgeving betreffende de uitvoeringsorganisatie in de regio in het kader van dit wetgevingstraject kan niettemin wenselijk zijn. Daarbij zou bijvoorbeeld gedacht kunnen worden aan een verplichting voor bedrijfsverenigingen om regionale beleidsplannen te maken, of aan de instelling van regionale bestuurscommissies. Duidelijk is dat een versterking van het bestuur in de regio van veel belang is. Het kabinet wil zich hierover nog nader beraden, mede aan de hand van de uitkomsten van de parlementaire enquête sociale verzekeringen.

  • Financieeleconomische consequenties

De leden van de SGP-fractie merken op dat met betrekking tot de financiële aspecten een onderscheid wordt gemaakt tussen de eenmalige implementatiekosten en de structurele financiële gevolgen van de wijziging van de OSV. Deze leden zijn van mening dat de toelichting op deze financiële aspecten te summier is. Wat de eenmalige invoeringskosten betreft, wordt gesteld dat die grotendeels afhankelijk zijn van de invulling die de uitvoeringsorganisaties zelf aan de wijzigingen geven. Daarentegen willen de leden van de fractie van de SGP een schatting hoe groot deze eenmalige invoeringskosten zijn en uit welke elementen zij zijn opgebouwd.

Er kan een aantal elementen worden genoemd die een rol spelen bij de invoering van de wijziging van de OSV. Personeelslasten in verband met verschuiving van personeel van de GMD naar de bedrijfsverenigingen en van de SVr naar Gib. Huisvestingskosten in relatie tot bijvoorbeeld de oprichting van het Gib. Initiële automatiseringskosten onder meer als gevolg van de budgetteringssystematiek. De absolute omvang van de bedragen die hiermee gemoeid zijn hangt sterk af van de vormgeving van het overgangsproces. Daarnaast zijn de kosten per jaar in de aanvangsjaren afhankelijk van het tijdschema dat van toepassing is op het invoeringstraject. Bij de invoe-

ringswet OSV zal meer zicht ontstaan op de nadere invulling van het invoeringsproces. In dat stadium kan dan ook meer duidelijkheid worden geboden in de omvang van de kosten. Het voorgaande impliceert dat ik op dit moment geen nader inzicht kan verschaffen omtrent de eenmalige invoeringskosten.

7.1 Effecten op de uitkeringslasten

Zowel de leden van de Groen Linksals de SGP-fractie stellen vragen over de effecten op de uitkeringslasten. De leden van de Groen Linksfractie merken op dat in de memorie van toelichting wordt gesteld dat de onderhavige wetsvoorstellen een positieve invloed zullen hebben op de volumeontwikkeling sociale zekerheid. Zij vragen zich af of eventuele positieve ontwikkelingen niet veeleer het gevolg zijn van de invoering van andere maatregelen gericht op het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid dan van de hier voorgestelde maatregelen. Wel zien zij een eventuele positieve invloed van de geïntegreerde gevalsbehandeling, maar gezien het feit dat nauwelijks wijzigingen worden voorgesteld in de dagelijkse uitvoeringspraktijk en de bemoeienis van de sociale partners, betwijfelen zij of het volume zich werkelijk in positieve zin zal ontwikkelen indien de nu voorgestelde wijzigingen kracht van wet krijgen. De leden van de SGP-fractie wijzen op de positieve effecten van de geïntegreerde gevalsbehandeling. Volgens deze leden zal de wijziging van de OSV die moet leiden tot een meer efficiënt werkende organisatie, meer moeten betekenen dan een besparing op de personeelskosten. Zij vinden het argument dat het kabinet zich niet rijk wil rekenen weinig steekhoudend en willen op het punt van de uitkeringslasten een deugdelijk onderbouwde financiële toelichting.

Zoals bekend zijn of worden op het ogenblik vele maatregelen geïntroduceerd die beogen het kort-en langdurend ziekteverzuim te beperken en daarmee het beroep op de uitkeringsregelingen terug te dringen. Genoemd kunnen worden de TAV, de TZ/Arbowijzigingen en de TBA-maatregelen. Naar verwachting zal de introductie van deze maatregelen een aanzienlijk effekt op de uitkeringslasten genereren Bij de verschillende wetsvoorstellen zijn deze effekten weergegeven. De stelling van de leden van de Groen Linksfractie dat positieve ontwikkelingen veeleer een gevolg zijn van de invoering van bovengenoemde maatregelen dan van de OSV-voorstellen wordt derhalve door het kabinet onderschreven. Daarbij moet echter niet uit het oog worden verloren dat de mate van realisatie van de geraamde effekten sterk afhangt van de inrichting en werking van de uitvoeringsorganisatie. Zo moet de bedrijfsvereniging zich instellen op een interactie met de Arbodiensten in relatie tot de TZ/Arbomaatregelen, wordt een actieve rol van de uitvoeringsorganisatie gevraagd bij het beperken van het ziekteverzuim onder invloed van de TAV-maatregelen en leidt de Wet TBA tot een toename van de werklast bij bedrijfsverenigingen als gevolg van de herbeoordelingsoperatie van arbeidsongeschikten en een gewijzigde procedure bij de WAO-uitkeringsverstrekking. De huidige OSV-voorstellen beogen drempels weg te nemen waardoor de mogelijkheden die de nieuwe maatregelen bieden zoveel mogelijk kunnen worden benut door de uitvoeringsorganen en de geraamde effekten daadwerkelijk kunnen worden gerealiseerd. In feite is derhalve sprake van een situatie waarbij de volumina zich minder gunstig zullen kunnen ontwikkelen dan voorzien, indien de uitvoeringsorganen minder snel in (kunnen) spelen op de nieuwe situatie die onder invloed van de verschillende wetsvoorstellen tot stand komt, dan wel dat een gunstiger volumebeeld

tot stand zal komen. Tegen deze achtergrond van onzekerheid heeft het kabinet er voor gekozen slechts de personele gevolgen van het OSV-wetsvoorstel te schetsen en geen additionele effekten te veronderstellen ten aanzien van de uitkeringslasten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Wallage

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.