Voorlopig verslag - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Vastgesteld 21 juli 1993

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid', belast met het voorbereidend onderzoek van bovengenoemd wetsvoorstel, brengt van haar voorlopige bevindingen als volgt verslag uit.

INHOUDSOPGAVE

1 Samenstelling: Leden: Spieker (PvdA), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Schutte (GPV), Groenman (D66), Wolters (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Linschoten (VVD), Leijnse (PvdA), Janmaat (Centrumdemocraten), Doelman-Pel (CDA), voorzitter, G H. Terpstra (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), Schoots (PvdA), Schimmel (D66), Rosenmöller (GroenLinks), Huibers (CDA), Middel (PvdA), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Van Hoof (VVD), Van der Ploeg-Posthumus (CDA). Plv leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Sou-tendijk-van Appeldoorn (CDA), Quint-Maagdenberg (PvdA), Van der Vlies (SGP), Schel-tema-de Nie (D66), Paulis (CDA), Franssen (VVD), Kamp (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Willems (GroenLinks), G de Jong (CDA), Tuinstra (CDA), De Kok (CDA), Akkerman (PvdA), Melkert (PvdA), Leerling (RPF), Kohnstamm (D66), Brouwer (Groen-Links), Eisses-Timmerman (CDA), Van Gelder (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Reitsma (CDA), De Korte (VVD). Van Houwelingen (CDA)

Hoofdstuk 1. Inleiding

Hoofdstuk 2. De uitvoeringsinstanties en de toezichthouder

2.1. College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv)

15 2.2. Sociale Verzekeringsbank (SVb)

20 2.3. Gemeenschappelijk Instituut van Bedrijfsverenigingen (Gib)

20 2.4. Bedrijfsverenigingen

24 2.6. Cliëntenparticipatie

Hoofdstuk 3. Gevalsbehandeling in het kader van de ZW, WAO en AAW

3.1. Algemeen

25 3.2. Verantwoordelijkheid en taken

27 3.3. Overdracht van taken van de GMD

27 3.4. Arbeidsbemiddeling

Hoofdstuk 4. Het toezicht op de sociale verzekeringen

4.1. De plaats van het toezicht

29 4.2. De relatie tussen toezicht en advisering

29 4.3. De inhoud van het toezicht

29 4.4. De rol van de minister

Hoofdstuk 5. Kostenbeheersing en fondsbeheer

5.1. Beheersing van de uitvoeringskosten

30 5.2. Fondsbeheer

Hoofdstuk 6. Uitvoering in de regio

Hoofdstuk 7. Financieeleconomische consequenties

314058F ISSN09217371 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat '

s Gravenhage 1993

HOOFDSTUK 1. INLEIDING

De leden van de CDA-fractie hadden met instemming kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Zij hadden bij diverse gelegenheden aangedrongen op aanpassing van de Organisatiewet Sociale Verzekering (OSV), aangezien in de praktijk een aantal knelpunten aan het licht was gekomen, dat een efficiënte en effectieve uitvoering in de weg staat. De aan het woord zijnde leden waren zich bewust, dat het hier gaat om een beperkte aanpassing. Zij konden dat billijken, aangezien de discussie over de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en sociale partners nog niet uitgekristalliseerd is. Bovendien dient rekening gehouden te worden met de uitkomsten van de parlementaire enquête over de wijze van uitvoering van de sociale verzekeringen gedurende de laatste tien jaren. Naar de mening van deze leden kan de uitkomst van het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie meegenomen worden bij de verdere schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel. Er was in hun ogen geen reden te wachten met het behandelen van dit wetsvoorstel. Deze leden waren dan ook van mening, dat de regering in het nader rapport adequaat gereageerd heeft op het advies van de Raad van State ter zake.

In de visie van de leden van de CDA-fractie moet de keuze van de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid afgeleid worden van het gewenste stelsel voor sociale zekerheid en de uitgangspunten die daaraan ten grondslag liggen. In ons land is van meet af aan gekozen voor een opzet van de uitvoeringsorganisatie, waarbij werkgevers, werknemers en overheid een gezamenlijke en op onderdelen onderscheiden verantwoordelijkheid dragen. De vastgelegde verantwoordelijkheden tussen overheid, werkgevers en werknemers hebben niet kunnen verhinderen dat het stelsel onbeheersbare trekken is gaan vertonen. Hoewel de toedeling van verantwoordelijkheden aan de overheid enerzijds en aan de sociale partners anderzijds -zoals reeds eerder gesteld -nog verder uitgediscussieerd moet worden, wilden de leden van de CDA-fractie ten principale hierover opmerken, dat in hun visie een betrokkenheid van de sociale partners bij de uitvoering van de sociale zekerheid uitgangspunt dient te blijven. Er is een samenhang tussen de uitvoering van de sociale zekerheid en verwante onderdelen van sociaal beleid, zoals met name het arbeidsvoorzieningsbeleid, de bedrijfsgezondheidszorg en het welzijnsbeleid; bovendien dient er een evenwicht te zijn tussen enerzijds de vanuit het volumebeleid onmisbare inbreng van het georganiseerde bedrijfsleven en anderzijds de denkbeelden omtrent de bestuurlijke organisatie van ons land. In die visie zou gestreefd dienen te worden naar een zoveel mogelijk geïntegreerde regionale uitvoering, waarbij in de regio ook bestuurlijke bevoegdheden uitgeoefend moeten worden. Daarbij is een taak weggelegd voor werkgevers-en werknemersorganisaties, regionale en lokale overheid en de cliënten.

In de memorie van toelichting worden vier knelpunten genoemd, die in de huidige OSV opgelost dienen te worden. Naar de mening van de leden van de CDA-fractie zijn het bestaan van gescheiden trajecten en verantwoordelijkheden bij de uitvoering van de ZW, de WAO en de AAW en het gebrek aan sturing van de uitvoering van de sociale verzekeringen in de regio aan te merken als de grootste knelpunten, die in ieder geval op korte termijn een oplossing vragen. De aan het woord zijnde leden konden zich voorstellen, dat de regering bij deze beperkte aanpassing van de OSV tevens het toezicht en de beheersing van de kosten van uitvoering wil regelen.

Het invoerings-en overgangsrecht ontbreekt nog. Ook over de noodzakelijke wijzigingen in de matenewetten is nog weinig bekend. De leden van de CDA-fractie vroegen wanneer zij een en ander tegemoet konden zien. De leden van de CDA-fractie vroegen voorts naar aanleiding van het concept van het beleidsproces, zoals dat in het wetsvoorstel is neergelegd (te weten: de beleidsvorming door het ministerie; de coördinatie door het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib); de uitvoering door de bedrijfsverenigingen; daarvan gescheiden toezicht en evaluatie door College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv)) of het de bedoeling van de regering is om dit concept ook toe te passen op de aan de sociale verzekeringen grenzende beleidsterreinen zoals preventie, reïntegratie en sociale voorzieningen?

De leden van de fractie van de PvdA waren van mening dat de gebeurtenissen met betrekking tot de uitvoering van de sociale verzekeringen in de laatste jaren zeker aanleiding zijn voor wijzigingen in de wettelijke basis voor de uitvoering. De mede door de redenering van de Raad van State opgeroepen discussie over het tijdstip van indiening van dit voorstel van wet gaf deze leden aanleiding tot de volgende opmerkingen. Enerzijds vonden ook deze leden, evenals de regering, dat de stand van zaken binnen de uitvoeringsorganisaties op dit moment het alleszins noodzakelijk maakt de bestaande wetgeving aan te passen c.q. te vernieuwen. Anderzijds waren zij het met de Raad van State eens dat er inderdaad «veel» in discussie maar ook in beweging is binnen het uitvoeringsveld van de uitvoering van de sociale verzekeringen. Het leek deze leden dan ook aannemelijk dat van de kant van de regering uiteengezet wordt wat de reden is van het tijdstip van indiening van deze wet. Met andere woorden, zij achtten een verantwoording van de lange tijd die ligt tussen het verschijnen van de adviesaanvraag op 8 september 1989 en het uitbrengen van dit wetsvoorstel zeker op zijn plaats. Daarbij merkten zij wel op dat de vele, vaak zeer uitvoerige adviezen en de al eerder genoemde gebeurtenissen van de afgelopen jaren hierbij natuurlijk een rol hebben kunnen spelen. Zij misten echter in het voorliggende wetsvoorstel een verantwoording voor de in hun ogen lange tijd van voorbereiding van de kant van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De op de adviesaanvrage betrekking hebbende adviezen waren toch in de loop van 1990 alle aanwezig, zo meenden zij hierbij op te moeten merken. De leden van de fractie van de PvdA konden niet heen om de door de Raad van State opgeroepen discussie of dit wetsvoorstel een totale vernieuwing van de uitvoering van de sociale verzekeringen is dan wel een, zoals de regering redeneert, noodzakelijke aanpassing van de huidige wet beoogt De beantwoording van de regering in het nader rapport, namelijk dat in dit wetsvoorstel de knelpunten die aan de voet van de uitvoering in de afgelopen tijd zijn ontstaan worden behandeld, leek hun op zich juist. Maar de redenering van de Raad van State dat daarmee de thans vigerende zgn. Organisatiewet wel degelijk op de hoofdpunten veranderd wordt leek hen minstens zo waar. Waarom, zo vroegen deze leden, kan op dit punt niet gelden dat veel van de in dit wetsvoorstel voorliggende wijzigingen zowel in het veld van de uitvoeringsorganisaties als in de vergaderingen van de Staten-Generaal niet alleen eerder in discussie geweest zijn, maar ook soms al tot verregaande overeenstemming onder betrokkenen bij deze discussies geleid hebben. Ook de lopende parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale verzekeringen kan hier niet ongenoemd blijven, zo dachten deze leden. De regering zegt in de memorie van toelichting dat de uitkomsten van de parlementaire enquête meegenomen kunnen worden in de nog te voeren discussie over de toekomst van de uitvoe- ringsorganisaties. Dit nu leek deze leden een te simpele zienswijze voor een in hun ogen ingewikkelde situatie, die overigens in hun ogen niet in de laatste plaats is ontstaan door de lange tijd die nodig geweest is voordat dit wetsvoorstel bij het parlement is ingediend. Nu deze situatie een feit is hadden deze leden daarover de volgende opmerkingen. Allereerst waren zij nieuwsgierig naar de betekenis van de zinsnede «nog te voeren discussie over de toekomst van de uitvoeringsorganisatie». Zij meenden dat daarmee toch bedoeld wordt de discussie over dit wetsvoorstel. Of volgt uit de redenering van de regering dat het hier slechts om wijzigingen van de huidige organisatiestructuur gaat en dat de regering dacht dat de uitkomsten van de parlementaire enquête pas bij hierop volgende wetgeving aan de orde zou kunnen zijn? Nu door het tijdstip van indiening van dit wetsvoorstel beide zaken, nl. de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer en de voor september dit jaar voorziene uitkomsten van de parlementaire enquête, een in hun ogen grote samenloop in tijd vertonen namen zij toch aan dat er ook bij de regering nagedacht is over deze samenloop Deze leden hadden graag een beschouwing van de kant van de regering op dit punt. Zij merkten daarbij nog op dat het bijvoorbeeld zo zou kunnen gaan, zoals deze leden al bij het in behandeling nemen van dit wetsvoorstel meenden te moeten opmerken, dat na ontvangst van de memorie van antwoord, naar deze leden hoopten in augustus 1993, een moment voor nadere beslissing over het verder te volgen traject van behandeling voor de Tweede Kamer is aangebroken. Daarop vooruitlopend wilden zij van hun kant nu al stellen dat er op zijn minst twee onderscheiden mogelijkheden om verder te werken zijn. Namelijk een beperkt aantal zaken uit dit wetsvoorstel die in de praktijk al verregaand gestalte hebben gekregen worden «afzonderlijk» en zo mogelijk snel verder behandeld. De overige onderdelen worden vooralsnog niet afgehandeld, maar in samenhang met de uitkomsten van de parlementaire enquête nader beoordeeld. De leden van de fractie van de PvdA waren zich er van bewust dat zij hiermee enigszins vooruitkijken naar nog niet voorhanden zijnde stukken en de inhoud daarvan. Het in behandeling nemen van dit wetsvoorstel was in hun ogen noodzaak, maar dat kon natuurlijk niet betekenen dat daarmee de uitkomsten van de parlementaire enquête als een afzonderlijke zaak gezien kunnen worden. Deze leden wezen er nog eens op dat de redenering van de Raad van State dat al in dit wetsvoorstel de hoofdstructuur van de uitvoeringsorganisatie aan de orde wordt gesteld op zijn minst serieus genomen moest worden. Zij dachten gelezen te hebben dat de regering op dit moment deze mening niet deelt, maar zij wezen er op dat, alleen al door de in tijd verder samenlopende uitkomsten van gedeeltelijk schriftelijk beraad van de Tweede Kamer (in dit voorlopig verslag) en de aangekondigde uitkomsten van de parlementaire enquête vragen om een door hen al eerder in dit verslag gevraagde nadere beschouwing van de regering.

De leden van de fractie van de PvdA deelden de opvatting van de regering zoals verwoord in de inleiding van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel dat de totale reorganisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen pas aan de orde kan zijn nadat de discussie over de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en sociale partners is uitgekristalliseerd. Zij wezen er hierbij wel op dat een mogelijke neerslag van de bovengenoemde discussie zich door de uitkomsten van de parlementaire enquète waarschijnlijk al in het komende najaar voor kan doen. Daarmee kreeg de door de regering genoemde redengeving van «het oplossen van de meest urgente knelpunten in de huidige OSV» in dit wetsvoorstel toch een wat merkwaardige betekenis, zo dachten deze leden. Het door de regering genoemde belangrijkste knelpunt van de gescheiden trajecten van uitvoering van Ziektewet enerzijds en de WAO en AAW anderzijds draagt inderdaad niet bij aan het optimaal terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Waarbij inderdaad nog komt, zoals ook door de regering opgemerkt, dat het behandelingsproces voor de cliënt ondoorzichtig is door de scheiding tussen medische en administratieve afhandeling. Deze leden meenden hierover op te moeten merken dat zich in de praktijk van de uitvoering reeds op dit moment op bescheiden schaal, hier en daar een wat is gaan heten (vormen van) geïntegreerde gevalsbehandeling voordoet. Bij de eerdere behandeling van wijzigingen van de Ziektewet en de WAO en AAW is daar van de kant van het parlement en van de regering toch ook al rekening mee gehouden. Zagen zij het juist dat door reeds behandelde wetsvoorstellen en nog (in de Eerste Kamer) in behandeling zijnde wetsvoorstellen het hier voorliggende wetsvoorstel bijgesteld moet worden? Kunnen eveneens wijzigingen van de huidige OSV, die al neergeslagen zijn in wetgeving, gevolgen hebben voor het in deze wet voorgestelde? Graag hadden zij bij de memorie van antwoord hiervan een opgave.

De leden van de fractie van de PvdA wilden hier tevens ingaan op de opmerkingen van de Raad van State over de grote druk die gelegd wordt op de uitvoeringsorganisaties in relatie met recente wijzigingen van wetten op het gebied van de sociale zekerheid. De Raad meent dat door deze grote druk het beter ware geweest als de verwerking van al deze wijzigingen er bij de regering toe geleid had om nu niet met verdere wijzigingen van de OSV te komen. De Raad volgt daarbij de redenering dat, door het vele wat in beweging is op het terrein van de uitvoering van de sociale verzekeringen, gewerkt moet worden aan stabiliteit in de uitvoering. Deze leden meenden daarover op te moeten merken dat deze stabiliteit alleen al door de omvang van het volume van de arbeidsongeschiktheid niet kan ontstaan. Zij steunden de regering in hun tegenredenering dat indiening van deze wijzigingen juist voor de uitvoeringsorganisaties zeer nodig is. De leden van de fractie van de PvdA wilden op dit punt wel opmerken dat zij grote waardering hebben voor de werknemers en besturen van de uitvoeringsorganisaties die in de afgelopen jaren in een voor hen niet altijd gemakkelijke positie, met veel discussies soms over hun hoofd heen, in staat zijn gebleken het beroep op toekennen van uitkeringen en het daadwerkelijk uitkeren niet te laten stagneren.

De leden van de fractie van de PvdA wilden hier nogmaals stellen dat de verdeling van de verantwoordelijkheden, zoals in dit wetsvoorstel is geformuleerd, in hun ogen nog alleszins beïnvloed kan worden door de uitkomsten van de parlementaire enquête.

De leden van de VVD-fractie hadden met een mengeling van verbazing en ongenoegen kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel. Ongenoegen omdat, hoewel hierin een eerste stap wordt gezet op weg naar een herijking van de huidige uitvoeringsorganisatie, zij zeer veel van de door de regering gemaakte keuzes afwezen. Verbazing omdat zij zich afvroegen of het tijdstip van indiening van het onderhavige wetsvoorstel wel het juiste was. Op beide punten wensten zij nader in te gaan.

Zo stelt de regering in de memorie van toelichting dat «geen nieuwe uitvoeringsorganisatie wordt gepresenteerd». De inhoud van het wetsvoorstel maakt evenwel duidelijk dat van enkele kleine wijzigingen geen sprake is en dat, vooruitlopend op de resultaten van de parlementaire enquête, wel degelijk een nieuwe uitvoeringsorganisatie wordt voorgesteld. De kritiek van de Raad van State op deze handelwijze van de regering was dan ook -terecht -niet ongezouten. De leden van de VVD-fractie zullen er dan ook met klem voor pleiten om de voortzetting van de schriftelijke voorbereiding van dit wetsvoorstel pas voort te zetten nadat de resultaten c.q. aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie voorhanden zijn.

Uit het mede door de leden van de VVD-fractie in juni 1992 gepresenteerde rapport «Naar een nieuwe uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen» (TK, 1991-1992, 22692, nr. 1) blijkt, zo wensten deze leden te benadrukken, dat zij reeds vóór het besluit van de Kamer om een parlementaire enquêtecommissie in te stellen een heldere en duidelijke keuze hadden gemaakt voor een nieuwe opzet van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen, inclusief een verantwoordelijkheidsverdeling. De regering had daarentegen wél kennis van het instellen van de parlementaire enquête toen zij besloot tot het indienen van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden vroegen de regering om deze handelwijze van een nadere motivering en toelichting te voorzien.

Alvorens in te gaan op enkele expliciete onderdelen van het voorliggende wetsvoorstel wensten de leden van de VVD-fractie de regering nogmaals expliciet te wijzen op het eerder genoemde op 30 juni 1992 door de fracties van VVD, D66 en Groen Links gepresenteerde rapport. Enkele kernpunten van dat oppositievoorstel zijn: -het niet meer langs de lijnen van de bedrijfstakken uitvoeren van de sociale zekerheid maar langs de lijnen van de regio's; -het elimineren van de bestuurlijke rol van de sociale partners in de nieuwe uitvoeringsorganisatie; -het terugbrengen van het aantal uitvoeringsorganen tot één uitvoeringsorgaan op centraal en regionaal niveau; -het jaarlijks afsluiten van contracten tussen de minister en het uitvoeringsorgaan en de aanspreekbaarheid van de minister terzake door het parlement; -de één-loket gedachte en meer klantvriendelijke uitvoering; -een onafhankelijk toezicht.

De leden van de VVD-fractie constateerden dat de regering op een enkel punt in de richting van het oppositieplan is gekomen maar op hoofdlijnen helaas andere keuzes heeft gemaakt. Deze leden verzochten de regering zeer uitgebreid op voornoemd rapport van de oppositie te reageren, zowel op hoofdlijnen als op alle verschillende onderdelen van het oppositievoorstel.

Ondanks het feit dat de leden van de VVD-fractie het -gelet op het mede door de leden van de VVD-fractie in juni vorig jaar gepresenteerde plan -volstrekt oneens zijn met het merendeel van de door de regering gemaakte keuzes als het gaat om een nieuwe uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen en grote vraagtekens plaatsten bij het tijdstip waarop de regering het onderhavige wetsvoorstel heeft ingediend, hadden zij niettemin de behoefte om op een beperkt aantal aspecten van het regeringsvoorstel te reageren.

De leden van de fractie van D66 hadden met gemengde gevoelens kennis genomen van het wetsvoorstel tot wijziging van de huidige Organisatiewet Sociale Verzekeringen (OSV). Alleen de inleiding van het wetsvoorstel gaf hen al aanleiding tot enige verbazing. Zo doet de regering daar mededeling dat «het wenselijk is een aantal knelpunten in de organisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen op te lossen». Het kwam hen voor dat het hier impliciet echter wel degelijk om meer dan enige «aanpassingen» gaat. Op zichzelf konden de aan het woord zijnde leden het oplossen van een aantal knelpunten in de OSV via een wetswijziging wel onderschrijven. Daarbij gingen hun gedachten bijvoorbeeld uit naar een wijziging van de samenstelling van de op 16

januari 1992 ingestelde Toezichtkamer. Een wijziging van de OSV kwam hen op dat punt als zijnde belangrijk voor. De leden van de D66-fractie zagen ook een knelpunt in de huidige weinig duidelijke en «ongrijpbare» positie van de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV). Het geven van een wettelijke grondslag aan de positie van de FBV kwam hen dan ook eveneens als belangrijk en noodzakelijk voor, zolang althans aan de FBV-nieuwe stijl (Gib) een zo belangrijke positie wordt toegekend als de regering voornemens is. De leden van de D66-fractie waren van mening dat dergelijke wijzigingen nu reeds via een wijziging van de OSV tot stand kunnen worden gebracht en meenden dat hier inmiddels nog nauwelijks politieke verschillen van inzicht over bestaan. Dat de regering in dit wetsvoorstel tot wijziging van de OSV ook daadwerkeljk voorstellen doet om deze twee knelpunten op te lossen werd door de aan het woord zijnde leden positief ontvangen al zullen zij op de door de regering voorgestelde wettelijke positie van het Gemeenschappelijk Instituut van Bedrijfsverenigingen (Gib) nog afzonderlijk terugkomen. De leden van de D66-fractie konden zich bij verdere lezing van het wetsvoorstel echter hoe langer hoe minder voorstellen dat de regering de OSV slechts wijzigt om enkele «bestaande knelpunten» op te lossen. Zo wordt er voorgesteld om de SVr op te heffen, de GMD te laten verdwijnen en het GAK niet langer in de huidige vorm te laten voortbestaan. Bovendien wordt er een toezichthoudend orgaan gecreëerd -het Ctsv -en wordt de positie van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aanzienlijk versterkt. Deze leden konden dit alles slechts zien als een presentatie van een nieuwe uitvoeringsorganisatie. Een dergelijke -in de ogen van de leden van de D66-fractie -ingrijpende wijziging van de OSV vonden deze leden op dit moment onverstandig, onbegrijpelijk en zeer dubieus. Evenals de regering (MvT, blz. 1) waren zij van mening dat een reorganisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen pas aan de orde kan zijn nadat de discussie over de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen overheid en sociale partners is uitgekristalliseerd. Zij wilden daarbij nog eens wijzen op het advies van de Raad van State dat terecht vele vraagtekens zet bij de opportuniteit van de voorgestelde -ingrijpende -wijziging van de OSV. Zo zijn de uitkomsten van de parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale verzekeringswetten (WAO/AAW, WW, ZW en TW) nog in het geheel niet bekend. Toch heeft de regering kennelijk al haar standpunt over een nOSV op hoofdlijnen gereed. De aan het woord zijnde leden hadden er geen moeite mee dat de regering al een opvatting heeft over een nieuwe uitvoeringsorganisatie maar vonden de indiening van een ingrijpend wetsvoorstel voorbarig nu het rapport van de parlementaire enquêtecommissie nog niet eens verschenen is. De leden van de fractie van D66 wilden de verdere voortgang van dit wetsvoorstel in ieder geval opschorten tot na de presentatie van het eindrapport van de enquêtecommissie. Hoe wil de regering de conclusies van de enquêtecommissie in de verdere wetgevingsprocedure inpassen? Wat nu te doen wanneer de enquêtecommissie met conclusies komt die fors afwijken van dit wetsvoorstel? Bestaat dan de mogelijkheid dat de reeds meer dan twintig jaar durende discussie over een nieuwe uitvoeringsorganisatie wederom vastloopt? De leden van de fractie van D66 wilden er nog maar eens op wijzen dat er momenteel een reeks van fors ingrijpende wetsvoorstellen bij de Eerste en Tweede Kamer in behandeling zijn op het gebied van de sociale zekerheid. Al deze wetsvoorstellen leggen een meer dan grote druk op de uitvoeringsorganisaties sociale zekerheid om vooral zo goed mogelijk te functioneren. De uitvoeringsorganen zullen door al deze wetswijzigingen (TBA, TZ/ARBO, WVG, ANW, ABW en AAW) geconfronteerd worden met een reeks van nieuwe uitvoeringsvraagstukken terwijl zij eveneens met een half gewijzigde uitvoeringsstructuur te maken krijgen die gepaard zal gaan met ontslagen, personele verschuivingen, verplaatsingen en opheffingen. De leden van de D66-tractie vroegen zich ernstig af of de regering hier wel terdege rekening mee heeft gehouden, te meer daar het om «halfslachtige» wijzigingen gaat. Zo is er bijvoorbeeld nog niet eens een adviesaanvraag naar de SER verzonden omtrent een nieuwe indeling van het bedrijfs-en beroepsleven. Het is dus absoluut onduidelijk hoe de regering een vermindering van het aantal bedrijfsverenigingen (MvT, blz. 42) wil bereiken. Feitelijk komt het nu voorliggende wetsvoorstel huns inziens dan ook neer op een soort blauwdruk voor een herziening van de «top van de uitvoeringsstructuur» zonder veel concreets te melden over de «basis van de uitvoeringsstructuur». Tegelijkertijd kondigt de regering wel alvast aan (MvT, blz. 43) dat zij manieren zoekt tot het inbouwen van meer concurrentie in de uitvoering van de sociale verzekeringen waarbij de rol van de bedrijfsverenigingen (BV's) en de positie van het toekomstige Gib wederom ingrijpend kunnen gaan veranderen. De leden van de fractie van D66 hadden ook moeite met het feit dat de regering een vorm van beheersing van de uitvoeringskosten zoekt in de vorm van budgettering, maar tegelijkertijd nog geen concreet voorstel doet hoe een dergelijk budgetteringssysteem er concreet uit zal gaan zien. Om dit probleem helder te krijgen (MvT. blz. 35) moet de SVR immers nog onderzoek verrichten naar de huidige opbouw van de uitvoeringskosten en de verschillen tussen de uitvoeringsorganisaties onderling. Ook op dit punt vonden de leden van de fractie van D66 het wetsvoorstel tekortschieten. Hoe kan de Kamer zich nu een verantwoord oordeel vormen over de budgettering van de uitvoeringskosten als de wijze waarop dit zal worden vormgegeven nog grotendeels onbekend is? De leden van de fractie van D66 wilden nog opmerken dat zij het -na lezing van de vier door de regering opgesomde belangrijkste knelpunten (MvT, blz. 1 en 2) in de huidige OSV -onbegrijpelijk vonden dat de tekortschietende beheersing van het volumebeleid, en daarmee van het uitgavenniveau van de sociale zekerheid, niet afzonderlijk als een belangrijk knelpunt wordt genoemd. Waarom heeft de regering er niet alsnog voor gekozen dit als belangrijkste knelpunt te vermelden? Tot slot wilden de leden van de D66-fractie nog benadrukken dat zij gedurende de gehele discussie over het hoge aantal arbeidsongeschikten en het ziekteverzuim altijd de lijn hebben gevolgd dat deze problematiek moet worden opgelost door een frontale inzet op volumebeleid. De leden van de D66-fractie hebben ook keer op keer er op gewezen dat een deel van de oorzaak van de arbeidsongeschiktheidsproblematiek naar hun mening zit in het feit dat er sprake is van een inefficiënte en onvoldoende effectieve uitvoeringsorganisatie. Daarom hebben zij dan ook gezamenlijk met de VVD-en de Groen Linksfractie een notitie gepresenteerd voor een alternatieve opzet van de uitvoeringsstructuur. De leden van de D66-fractie zagen dit oppositievoorstel nog steeds als een belangrijk vertrekpunt voor verdere discussie over de uitvoeringsorganisaties. De leden van de fractie van Groen Links hadden met belangstelling, maar ook met verontrusting kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het had ook deze leden bevreemd dat de regering juist dit voorjaar met dit wetsvoorstel is gekomen, net voordat de discussie rond de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid weer in alle hevigheid zal oplaaien naar aanleiding van de nog te verwachten resultaten van de parlementaire enquêtecommissie die het functioneren van de uitvoeringsorganisatie in de afgelopen jaren onderzoekt. De discussie over de uitvoeringsorganisatie kabbelt al vanaf 1967 voort, sinds de eerste adviesaanvraag aan de SER over de vereenvou-

diging van de sociale verzekeringen. Inmiddels was het alle betrokkenen in de afgelopen 25 jaar wel duidelijk geworden dat er met de huidige uitvoeringsorganisatie iets grondig mis is. In 1992 heeft de Kamer daarom genoemde parlementaire enquêtecommissie ingesteld. Te verwachten is dat er uit de bevindingen van de enquêtecommissie vergaande conclusies te trekken zijn ten aanzien van de noodzakelijke wijzigingen van de organisatie. De regering preludeert daar kennelijk ook op, gezien de passage op pagina 4 van de memorie van toelichting dat de uitkomsten van de enquêtecommissie kunnen worden «meegenomen in de nog te voeren discussie over de toekomst van de uitvoeringsorganisatie». De regering wenst kennelijk nu over te gaan tot een ingrijpende herschikking van taken en verantwoordelijkheden in de sociale zekerheid en vervolgens opnieuw -onder meer naar aanleiding van de uitkomsten van de enquête -een discussie voeren over de toekomst van de uitvoeringsorganisatie. Dit begrepen de leden van de fractie van Groen Links niet. Zij meenden dat de nu voorgestelde wijzigingen verder gaan dan het alleen maar wegnemen van enkele acute knelpunten. Het wetsvoorstel roept een aantal nieuwe organen in het leven en schaft enkele andere organen af, brengt een verschuiving aan in verantwoordelijkheden en bevoegdheden, niet alleen binnen de totale uitvoeringsorganisatie, maar ook in de relatie met de arbeidsvoorzieningsorganisatie.

De leden van de fractie van Groen Links vreesden dat met het huidige wetsvoorstel juist een fundamentele discussie over de toekomst van de uitvoeringsorganisatie geblokkeerd wordt. De wijzigingen die volgens deze leden noodzakelijk zijn worden alleen maar opgehouden door dit wetsvoorstel. De behandeling van dit voorstel zal, tesamen met de behandeling van een nog in te dienen voorstel voor een Invoeringswet, geruime, kostbare tijd in beslag nemen; tijd die veel beter besteed kan worden aan de discussie over de vraag hoe de uitvoeringsorganisatie er in de 21ste eeuw uit zal moeten zien. Bovendien wordt een fundamentele herziening van de uitvoeringsorganisatie niet alleen opgehouden, maar mogelijk zelfs voor een langere periode onmogelijk gemaakt. Het is immers uit een oogpunt van behoorlijk bestuur niet goed in relatief kort tijdsbestek achter elkaar verschillende ingrijpende wijzigingen door te voeren. Op die manier verspilt de wetgever geld, energie en goodwill.

De leden van de fractie van Groen Links meenden dan ook dat de gelegenheid om wijzigingen aan te brengen in de structuur van de uitvoeringsorganisatie ten volle benut moet worden, omdat een volgende gelegenheid zich niet snel zal voordoen. Met het voorliggende voorstel wordt die gelegenheid niet voldoende benut. Deze leden wilden daarom de regering uitnodigen eerst met de Kamer een fundamentele discussie te voeren over de toekomst van de uitvoeringsorganisatie en bij die discussie ook de onderzoeksresultaten van de enquêtecommissie te betrekken. Zij wezen in dit verband ook op de zeer principiële bedenkingen die de Raad van State heeft geuit in zijn advies over dit wetsvoorstel. In hoeverre ziet de regering nog kans dit wetsvoorstel aan te passen indien de bevindingen van de enquêtecommissie daartoe aanleiding geven? Zonder te willen vooruitlopen op de onderzoeksresultaten van de enquêtecommissie wilden de leden van de fractie van Groen Links nu reeds kenbaar maken wat voor hen de principiële uitgangspunten zijn voor een toekomstige uitvoeringsorganisatie. Eerder hadden zij hun uitgangspunten reeds bekend gemaakt in een nota d.d. juni 1992 die zij samen met de fracties van D66 en de VVD hadden opgesteld. De daarin verwoorde uitgangspunten zijn in hun visie thans nog steeds geldig.

De leden van de fractie van de SGP hadden met belangstelling kennis genomen van het voorstel tot aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale zekerheid De leden van de fractie van de SGP waren van mening dat de organisatie van de sociale verzekeringen onvoldoende adequaat functioneert. De groei van het aantal uitkeringsgerechtigden en de groei van de kosten van de uitvoering van de sociale verzekeringen blijken nauwelijks beheersbaar. Voor een deel kan dat toegerekend worden aan een inefficiënte organisatie. Een grondige wijziging van die organisatie is dan ook noodzakelijk. Het gaat in dit wetsvoorstel om een beperkte aanpassing; er is geen sprake van een geheel nieuwe opzet van de uitvoeringsorganisatie sociale zekerheid. De leden van de fractie van de SGP konden deze beperkte opzet steunen. Immers eerst dient er duidelijkheid te komen over de gewenste toekomstige structuur van de sociale zekerheid in Nederland. Belangrijkste vraag daarbij is wat binnen die structuur de verantwoordelijkheid dient te zijn van overheid en sociale partners. Tevens dient er duidelijkheid te komen over het gewenste toekomstige systeem van sociale zekerheid. Welke risico's dienen gedekt te zijn, hoe relevant is het onderscheid tussen volksverzekeringen en werknemersverzekeringen, moet er gestreefd worden naar een zogenaamd mini-stelsel, en zo ja, wat valt daar dan onder. Pas als die vragen beantwoord zijn, kan een geheel nieuwe organisatie van de sociale verzekeringen worden opgezet. In dat verband achtten de leden van de fractie van de SGP de conclusies van de enquêtecommissie sociale zekerheid van groot belang. Overigens zullen die conclusies ongetwijfeld ook van invloed zijn op dit voorliggende wetsvoorstel. De leden van de fractie van de SGP waren het dan ook eens met de regering dat het beter is om op korte termijn de grootste knelpunten binnen de huidige organisatie op te lossen, zonder die organisatie zelf op losse schroeven te zetten. Wel vroegen deze leden van de regering om haast te maken met de discussie over de afbakening van de onderscheiden verantwoordelijkheden binnen de sociale zekerheid. Zij vroegen de regering daarvoor een tijdpad aan te geven. Op welke termijn denkt de regering dat er een fundamentele vernieuwing van de organisatie van sociale verzekeringen kan worden doorgevoerd? Met het voorliggende wetsvoorstel wil de regering vier urgente knelpunten in de uitvoering van de sociale verzekeringen aanpakken. De leden van de fractie van de SGP vroegen de regering of een vijfde knelpunt, de soms sterk uiteenlopende wijze waarop de verschillende bedrijfsverenigingen de sociale verzekeringen uitvoeren, ook op het punt van het sanctiebeleid, niet eveneens moet worden aangepakt. In dit wetsvoorstel zitten duidelijke aanknopingspunten, zoals de sterkere coördinerende taak die het toekomstige Gib krijgt in vergelijking met de huidige FBV, maar de leden van de fractie van de SGP wensten dat de regering aan dit knelpunt van uiteenlopende uitvoering meer expliciete aandacht zal geven.

De leden van de fractie van de SGP betreurden het late tijdstip van indiening van dit wetsvoorstel. Al in september 1989 is een voorontwerp van wet naar de SER gestuurd voor advies. Inmiddels is het meer dan drie en half jaar later. Met name ook voor de uitvoeringsorganisaties zelf, die wijzigingen en verbeteringen willen aanbrengen, is die vertraging een slechte, weinig motiverende zaak.

Ook vroegen deze leden of deze trage gang van zaken, en de daardoor ontstane onduidelijkheid, mogelijk mede heeft bijgedragen tot de problemen die gerezen zijn met betrekking tot het samengaan van GAK en GMD en de vorming van een FBV-nieuwe stijl. De leden van de fractie van de SGP vroegen van de regering een tijdschema voor wat betreft de behandeling van dit wetsvoorstel. Deze leden hechtten er sterk aan dat dit wetsvoorstel op tijd, dat wil zeggen in ieder geval voor of gelijktijdig met de wetsvoorstellen TZ/Arbo, in werking treedt. Is de geïntegreerde gevalsbehandeling dan wettelijk nog niet mogelijk, dan zal er nog steeds sprake zijn van een verdere versnippering van verantwoordelijkheden. Naast de Bedrijfsvereniging en de GMD zijn dan ook nog de werkgever/arbodienst verantwoordelijk voor de begeleiding van het ziekteverzuim. Dat zou een situatie zijn, die voorkomen dient te worden, aldus deze leden.

Zij merkten vervolgens op dat de regering met een nieuwe, verbeterde structuur van de organisatie van de sociale verzekeringen wil komen tot een beter werkende, efficiëntere organisatie, waarmee ook een bijdrage kan worden geleverd aan de beheersing dan wel de terugdringing van het volume in de sociale zekerheid. De leden van de fractie van de SGP waren evenwel van mening dat een andere structuur van de organisatie onvoldoende garantie geeft voor een daadwerkelijke oplossing van de problemen. Zit het probleem uiteindelijk niet in de cultuur binnen de organisatie, in de wijze waarop de mensen uiteindelijk werken? Deze leden wezen daarbij op de resultaten van de vierde rapportage volumebeleid arbeidsongeschiktheid van de SVr, waarvan de resultaten door de Toezichtkamer terecht als «schokkend» worden betiteld. Het gaat om een problematiek die al jarenlang de aandacht heeft, maar waar desondanks weinig verbetering in te bespeuren valt. De leden van de fractie van de SGP vroegen de regering naar hun mening over de oorzaken hiervan. De GMD zal ophouden te bestaan en haar taken zullen onder meer worden overgenomen door de bedrijfsverenigingen. Op zichzelf stonden de leden van de fractie van de SGP hier positief tegenover. Het biedt de mogelijkheid tot een geïntegreerde gevalsbehandeling. Wel wilden deze leden de aandacht vragen voor een mogelijk negatief neveneffect. In de huidige situatie is de GMD binnen de organisatie sociale verzekeringen de instantie die bedrijfstakoverschrijdend werkt. Bestaat niet het gevaar, nu dit wegvalt, dat er binnen de bedrijfsverenigingen een verdere verkokering en interne gerichtheid zal optreden? Op welke wijze denkt de regering dat dit voorkomen kan worden?

De leden van de GPV-fractie hadden dit wetsvoorstel met meer dan gemiddelde belangstelling gelezen. Naar hun oordeel bevat een verandering van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen de belangrijkste sleutel om te komen tot een beheersing van het volume van arbeidsongeschikten. De gang van zaken rond de prijsmaatregelen in de WAO had hen gesterkt in deze overtuiging. Dat is inmiddels een vrijwel doodlopende weg geworden. Met het thans voorliggende wetsvoorstel wordt beoogd een aantal erkende knelpunten op te heffen. Deze leden erkenden deze knelpunten en hadden dan ook waardering voor een aantal van de voorgelegde veranderingsvoorstellen. Tegelijkertijd moesten deze leden erkennen dat de voorgestelde wijzigingen ontoereikend lijken om te bereiken wat allerwege noodzakelijk wordt geacht: een beheersing en terugdringing van het volume van uitkeringsgerechtigden. Zij betreurden het dat de regering op dit moment niet in staat is aan te geven welke veranderingen zij nog meer noodzakelijk en wenselijk acht om te komen tot een moderne, flexibele en doeltreffende uitvoeringsorganisatie. Dat had het

makkelijker gemaakt de thans voorgestelde wijzigingen te beoordelen tegen de achtergrond van een gewenst eindmodel. Tevens zou het makkelijker zijn geweest de kritiek van de Raad van State te pareren, die adviseerde het wetsvoorstel thans niet door te zetten gelet op de ingrijpende reorganisaties die al in gang gezet zijn bij de uitvoeringsorganisatie. Wanneer er zicht is op de wijzigingen die nog zullen volgen kan beter beoordeeld worden of de veranderingen die nu in gang worden gezet nodig en haalbaar zijn, en kan ook een tijdpad worden afgesproken waarbinnen het veranderingstraject afgelopen dient te zijn. Dan kan ook een gefundeerd oordeel worden uitgesproken over de vraag of de uitvoeringsorganisatie wordt overbelast met het veranderingstraject dat nu wordt ingezet. Deze leden vernamen graag het oordeel van de regering hierover.

Het lid van de RPF-fractie had met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Hij onderschreef het regeringsstandpunt dat de huidige Organisatiewet Sociale Verzekeringen (OSV) belemmeringen bevat voor een goede en efficiënte uitvoering. In de achter ons liggende decennia is dat reeds vele malen geconstateerd. Verschillende pogingen om tot substantiële wijzigingen van de organisatiestructuur te komen zijn steeds gestrand. Het RPF-fractielid had bij verschillende gelegenheden gepleit voor een andere opzet van deze structuur. Met name het feit dat de werkgevers en werknemers een erg dikke vinger in de uitvoeringspap hebben, heeft naar het oordeel van dit lid geleid tot ongewenste ontwikkelingen op het terrein van de sociale zekerheid. Een belangrijk deel van de WAO-problematiek kan hieruit worden verklaard, meende hij. Het gegeven dat veel werknemers bij bedrijfssluiting met medeweten of zelfs medewerking van werkgevers zijn afgevloeid naar de WAO, terwijl ze normaal gesproken recht zouden hebben op een WW-uitkering, is in dit verband veelzeggend. Hij stelde vast dat de regering dit standpunt desondanks niet deelt. In het voorliggende wetsvoorstel wordt immers vastgehouden aan functionele decentralisatie op het terrein van de uitvoering, die er concreet op neer komt dat de sociale partners daarin een grote rol blijven spelen. Dit lid was van mening dat werkgevers en werknemers als behartigers van de belangen van de eigen groep beter niet kunnen worden opgezadeld met een publiekrechtelijke taak, die toch een behartiging van het algemeen belang veronderstelt. Deze taak moet aan de overheid blijven voorbehouden. Dit lid herinnerde de regering eraan dat hij een soortgelijk standpunt had ingenomen bij de wettelijke regeling van de tripartite arbeidsvoorziening. Hij vernam graag een reactie van de regering op deze opmerking van algemene aard. Het lid van de RPF-fractie kon zich vinden in verschillende onderdelen van het wetsvoorstel. Op enkele, niet onbelangrijke, punten verschilde hij echter met de regering van oordeel. In dit stadium wilde hij reageren op een aantal hoofdlijnen van het wetsvoorstel. In het algemeen vroeg hij de regering in hoeverre de voorgestelde maatregelen als een onlosmakelijk geheel moeten worden beschouwd. Hij verwees in dit verband naar de opmerking van de voorzitter van de SVr, dr. Fase, in Surplus van mei j.l., namelijk: «Alle voorgestelde wijzigingen van de medio mei bij de Tweede Kamer ingediende Organisatiewet Sociale Verzekeringen hangen met elkaar samen. Als je één blokje weghaalt uit het voorstel stort het bouwwerk in elkaar. Het is daarom nog maar de vraag of de blokkendoos van de OSV de eindstreep haalt.» (pag. 13). Kan de regering hierop reageren? Het lid van de RPF-fractie wilde ingaan op de cruciale vraag of het opportuun is de OSV op dit moment te wijzigen. Een grootschalige herziening van de organisatiestructuur ligt immers in het verschiet. Is het

met het oog daarop wel verstandig om de OSV nu reeds aanzienlijk te wijzigen? In de memorie van toelichting en in het nader rapport is uitgebreid aangegeven op grond van welke overwegingen de regering meent dat daartoe nu moet worden overgegaan. In dit kader wordt met name aangegeven dat de knelpunten in de uitvoering om een snelle oplossing vragen en derhalve tot wetswijziging nopen. Het lid van de RPF-fractie had geconstateerd dat de Raad van State het wetsvoorstel ontraadt, althans op dit moment. Dit lid had sympathie voor het standpunt van de Raad van State dat zich op dit moment ontwikkelingen voordoen waarvan de resultaten afgewacht zouden moeten worden, alvorens drastisch in de huidige structuur in te grijpen. Deze ontwikkelingen betreffen de parlementaire enquête Uitvoeringsorganen Sociale Verzekeringen en de veranderingen die inmiddels in de bestaande organisaties zijn doorgevoerd. Hij vroeg in dit verband op grond waarvan de regering zo stellig meent dat niet valt in te zien, waarom de in dit wetsvoorstel opgenomen aanpassingen van de uitvoeringsorganisatie in strijd zouden zijn met de uitkomsten van de parlementaire enquête. Wil de regering hiermee zeggen dat zij al bij voorbaat de uitkomsten van deze enquête kent? Zo nee, hoe moet deze opmerking dan worden verstaan? Dit lid onderschreef overigens het standpunt van de regering dat de huidige uitvoering niet wordt gekenmerkt door stabiliteit. De Raad van State gaat er ten onrechte van uit dat daarvan op dit moment sprake is. Dat gegeven rechtvaardigt naar zijn oordeel echter niet voorshands verstrekkende wetgeving, die vooruitloopt op een integrale wijziging van de organisatiestructuur. Het voorstel van de Raad van State om wijzigingen van de OSV te beperken tot maatregelen die in de huidige situatie op eenvoudige wijze verbetering kunnen brengen, zoals bevordering van de geïntegreerde gevalsbehandeling, sprak het lid van de RPF-fractie aan. Hij was er derhalve nog niet van overtuigd dat alle onderdelen van hc: voorliggende wetvoorstel op dit moment noodzakelijk en wenselijk zijn. In dit kader stelde hij de vraag of sommige knelpunten zó urgent zijn, dat het onverantwoord is te wachten met wijziging van de OSV op die onderdelen. Het lid van de RPF-fractie had kennis genomen van de door de regering gesignaleerde knelpunten in de uitvoering. Hij stelde vast dat de vier genoemde knelpunten behoorlijk verschillen van karakter. Het ene is meer urgent en van groter belang dan het andere. De regering meent dat het bestaan van gescheiden trajecten en verantwoordelijkheden bij de uitvoering van de Ziektewet (ZW), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) het belangrijkste knelpunt is. Het aan het woord zijnde lid meende dat er een breed draagvlak bestaat voor de beoogde wettelijke integratie van GAK en GMD. Hij maakte dan ook geen bezwaren tegen dit onderdeel van het wetsvoorstel, waarmee de opheffing van de GMD als zelfstandige organisatie een feit wordt. Niettemin vroeg hij de regering om een nadere onderbouwing van de stelling dat de samenwerking tussen GAK en GMD door het wettelijk kader begrensd en belemmerd wordt. Hoe wordt de huidige situatie in de praktijk ervaren? Is hier wel sprake van een urgent knelpunt, mede gelet op het feit dat het zwaartepunt van de gevalsbehandeling -namelijk de eerste zes weken in het Ziektewettraject -in principe in handen van de arbodiensten is gesteld? Het lid van de RPF-fractie meende dat de regering terecht de vinger legt bij het ontbreken van een duidelijke structuur voor de beheersing van de kosten van de uitvoering. Hij vroeg of alle betrokken uitvoeringsorganisaties in gelijke mate hebben bijgedragen aan de onbeheersbaarheid van de uitvoeringskosten. Klopt het dat de GMD reeds werkt met een systeem van budgettering?

Het lid van de RPF-fractie kon zich, zoals hij al eerder had aangegeven, vinden in de opheffing van de GMD als zelfstandige organisatie. Dit lid had kennis genomen van het voornemen het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib) in het leven te roepen als opvolger van de FBV. Hij was niet overtuigd van de noodzaak daarvan. Hij kwam daar later op terug. Het RPF-fractielid had met instemming kennis genomen van het voornemen het toezicht op de uitvoering van de sociale zekerheidswetten onafhankelijk van de sociale partners te maken, door omvorming van de SVr in een College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv), waarin alleen onafhankelijke deskundigen zitting hebben. Het lid van de RPF-fractie meende dat met het voorstel om de mogelijkheden voor samenwerking in de regio op het niveau van de uitvoering aan de voet uit te breiden tegemoet wordt gekomen aan een breed levende wens. Hij vroeg de regering welke verwachtingen zij hiervan op korte termijn heeft. Moeten we niet waken voor overspannen verwachtingen, gelet op het feit dat de resultaten van de regionaal georganiseerde arbeidsvoorziening ook niet in alle opzichten optimaal zijn? Het RPF-fractielid informeerde wanneer een wetsvoorstel betreffende overgangs-en invoeringsrecht tegemoet kan worden gezien. Zal het onderhavige wetsvoorstel dan eerst door de Tweede Kamer aangenomen moeten zijn?

HOOFDSTUK. DE UITVOERINGSINSTANTIES EN DE TOEZICHTHOUDER De leden van de fractie van de PvdA merkten op dat de in dit hoofdstuk beschreven instanties, hun taken, hun bevoegdheden alsook hun samenstelling naar hun verwachting zeker ook aan de orde kunnen komen in de uitkomsten van de lopende parlementaire enquête. Deze leden hadden graag tevens een opsomming van de huidige taken van de SVr met de verwijzingen waar deze taken bij de voorstellen in dit wetsvoorstel terecht komen.

De leden van de VVD-fractie constateerden dat er in de opzet van de regering maar liefst vier organen zijn die enigerlei adviesfunctie op het terrein van de sociale verzekeringen bezitten. De Ser als het gaat om sociaal-economische aspecten; het Ctsv met betrekking tot aanbevelingen naar aanleiding van uitvoeringseffectrapportages; en de SVB en Gib als het gaat om uitvoeringstechnische kwesties. Deze leden vroegen in hoeverre hier sprake is van een meer heldere structuur in -en beperking van -adviesland, waar toch een brede steun voor bestaat. Kan de regering aangeven wat zich er tegen zou verzetten om het viertal organen met adviestaken als voornoemd te beperken? Het gevolg van de voorgestelde wijzigingen kan en mag naar de mening van de leden van de VVD-fractie niet zijn dat het huidige aantal organen dat adviserende taken op het terrein van sociale zekerheid heeft wordt verdubbeld van 2 (SER en Svr) naar 4 (SER, Ctsv, Gib en SVB)! Zij verzochten de regering zulks te heroverwegen en hier uitgebreid op in te gaan.

De leden van de GPV-fractie merkten op dat het van fundamenteel belang is voor de beoordeling van de werkwijze van de uitvoeringsorganisatie hoe men haar belangrijkste functie ziet. Is de organisatie primair bedoeld om zorg te dragen voor een goed geöliede uitkeringsmachinerie of is de uitvoeringsorganisatie instrumenteel voor het arbeidsmarktbeleid. Wat is de opvatting van de regering daarover? Naar het oordeel

van deze leden dient het laatste voorop te staan. Dat betekent volgens deze leden dat in de wet dient te worden omschreven dat het tot de taak van de bedrijfsverenigingen en het Gib dient te worden gerekend te streven naar een zo klein mogelijk volume van arbeidsongeschikten. Het Ctsv is dan ook in staat de werkzaamheden van de uitvoeringsorganisatie aan deze taakstelling te toetsen. Is de regering bereid het wetsvoorstel op dit punt aan te scherpen?

2.1. College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv)

Mede gezien de discussie in de Tweede Kamer over het toezicht sociale zekerheid heeft de regering dit wetsvoorstel aangegrepen om een stelsel van onafhankelijk toezicht in te voeren. De leden van de CDA-fractie konden dat op zich indenken, maar wilden weten of het huidige stelsel van toezicht via de Toezichtkamer naar de mening van de regering naar behoren functioneert.

De leden van de CDA-fractie wilden voorts weten hoe het toebedelen van adviestaken aan de SER gezien moet worden. Blijkens de huidige OSV is er sprake van een adviesplicht (artt. 3, 4 lid 1, art. 5 lid 1 en art. 14, lid 1). In het nu voorliggende wetsvoorstel is er geen sprake meer van een adviesplicht (artt. 5 en 14 van het wetsvoorstel). Hoe moet een en ander gezien worden, mede gezien de uitkomst van het beraad van het kabinet met de sociale partners op vrijdag 18 juni 1993, waarbij de adviesplicht aan de orde is geweest?

In het wetsvoorstel zijn duidelijke instrumenten aan het Ctsv toebedeeld teneinde ook effectief toezicht te kunnen houden. De leden van het CDA vroegen wel hoe de Ctsv de Sociale verzekeringsbank kan dwingen een aanwijzing op te volgen, indien hieraan geen financiële consequenties verbonden konden worden. Het Ctsv kan bestuursleden van het Gemeenschappelijk Instituut van Bedrijfsverenigingen en van bedrijfsverenigingen schorsen of ontslaan. Houdt een en ander in, zo vroegen de aan het woord zijnde leden, dat dezelfde organisatie die het geschorste bestuurslid indertijd had benoemd opnieuw een voordracht kan doen? Het viel deze leden op, dat de verzwaarde toezichtstaak van Ctsv uitgevoerd moet worden met minder personeel dan het huidige orgaan. Kan de regering hierop een toelichting geven? De minister krijgt in het wetsvoorstel een aantal sturingsinstrumenten, die niet dlrect op de uitvoeringsinstellingen gericht zijn maar op de toezichthouder. Kan in dat verband dan nog gesproken worden van een onafhankelijk toezicht, met name indien de minister de bevoegdheid krijgt aanwijzingen te geven aan het Ctsv in verband met de uitoefening van diens taak? In art. 6 zijn de incompatibiliteiten voor de leden van het Ctsv opgenomen. Is het begrip «ongewenst bij de werkzaamheden» niet onduidelijk? Is het mogelijk bij AMvB nadere regels hieromtrent te stellen? Moet er nog een regeling omtrent de vervanging van Ctsv-leden komen? De leden van de CDA-fractie waren verheugd te kunnen constateren, dat het idee van een uitvoeringseffectenrapportage, waarvoor deze fractie in het verleden herhaalde malen gepleit heeft, gerealiseerd gaat worden. Wordt een dergelijke rapportage ook naar de Tweede Kamer gezonden? Voorts wilden de leden van genoemde fractie weten hoe het toezicht van de Ctsv op de arbeidsbemiddeling geregeld gaat worden, nadat in 1995 de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten wordt overgenomen door de RBA's.

Is met de zinsnede in art. 12 lid d «voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering» bewust gestreefd naar een inperking van de onderzoekstaak van het Ctsv? In de oorspronkelijke tekst, zoals die naar de Raad van State is gestuurd, kwam de aangehaalde passage namelijk niet voor.

De regering stelt voor het Ctsv een coördinerende rol te geven op het terrein van de informatievoorziening. De beschrijving van die taak wekt echter de indruk dat het Ctsv nauwkeurige voorschriften zal gaan geven met betrekking tot de dataverzameling. Past dat, zo vroegen de leden van de PvdA-fractie, wel bij de rol van het Ctsv? Zou dit College niet kunnen volstaan met het nauwkeurig definiëren van de gegevens die geleverd moeten worden? De wijze waarop de administratie wordt ingericht kan toch worden overgelaten aan de uitvoerende organisaties?

Met betrekking tot advisering over beleid en advisering over de uitvoering vroegen de leden van de PvdA-fractie of de regering op dit punt nader wil ingaan op de relatie met het wetsvoorstel over afschaffing van verplichte advisering en de relatie met de uitkomsten van de behandeling van het rapport van de Commissie-De Jong in de Tweede Kamer. De leden van de fractie van de PvdA waren vooralsnog van mening dat er voordelen zijn verbonden aan een scheiding tussen beleidsadvisering en technische advisering over invoeringsaspecten. Wat is het oordeel van de regering hierover?

Ten aanzien van het niet overnemen van het SER-advies met betrekking tot de zgn. second opinion over het arbeidsongeschiktheidspercentage hadden de leden van de PvdA-fractie graag een onderbouwing van het standpunt van de regering waarom zij het onjuist acht dit bij wet voor te schrijven. Zij deelden de mening van de regering dat het niet mogelijk is voor de wetgever in alle individuele gevallen, rekening houdend met de omstandigheden, het arbeidsongeschiktheidspercentage vast te stellen. Daarmee, zo dachten deze leden, is echter niet voldoende beargumenteerd waarom een zgn. second opinion niet in de wet zou kunnen worden opgenomen. Hadden de leden van de PvdA-fractie het goed begrepen dat de regering zich voorstelt dat individuele herbeoordeling slechts plaatsvindt wanneer er op grond van statistieken, steekproeven of andere toezichtbevindingen het vermoeden is van een te ruime invulling van de beleidsvrijheid door bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling? Een dergelijke vorm van toezicht vindt toch ook plaats bij het toezicht op de uitvoering van de Algemene Bijstandswet?

De passage over het Ctsv in de laatste alinea van pagina 11 van de memorie van toelichting waar het gaat over richtinggeving van de kant van de regering aan het Ctsv over nader onderzoek, ook in individuele gevallen, was de leden van de PvdA-fractie volstrekt onduidelijk. Voorlopig zagen deze leden bovengenoemde passage als een verregaande bemoeienis van het Ctsv met de voet van de uitvoering zonder dat de verantwoordelijkheden duidelijk in het oog worden gehouden.

Wordt hier inderdaad bedoeld dat een onjuist gebleken beoordeling geen (directe) gevolgen heeft voor de betrokken persoon en voor de betrokken uitvoeringsorganisatie?

De regering wil het Ctsv het recht geven om bestuursleden van bedrijfsverenigingen en het Gib te schorsen en te ontslaan. Een dergelijke bevoegdheid, zo vroegen de leden van de PvdA-fractie, betekent toch dat het Ctsv in ieder geval ten dele verantwoordelijke wordt voor de

bestuurssamenstelling van bedrijfsverenigingen en Gib. Verdraagt zich dat wel met de onafhankelijke status van het Ctsv?

De leden van de VVD-fractie waren verheugd over het feit dat het toezicht op de uitvoering volledig onafhankelijk wordt door alleen kroonleden in het bestuur te benoemen. Zij constateerden dat het Ctsv ook de coördinatie van informatie en onderzoek ter hand zal moeten gaan nemen. Deze leden vroegen zich af of het niet meer wenselijk zou zijn om de onderzoekstaken te bundelen in plaats van te coördineren. Zij begrepen immers dat naast het Ctsv ook de SVb, het Gib en de bedrijfsvereniging, ieder vanuit zijn eigen behoefte en belangen, onderzoekstaken zal blijven behouden. Deze leden vroegen of, vanuit deze verschillende behoeften en belangen, de Commissie Onderzoek Sociale Zekerheid (COSZ) het gevaar van -kostbare -overlappingen zal kunnen voorkomen. Zij verzochten de regering hier nader op in te gaan en mogelijke alternatieven in beeld te brengen.

De leden van de VVD-fractie hadden kennisgenomen van de verschillende instrumenten die de regering het Ctsv toebedeelt in het kader van zijn toezichthoudende en informerende taken. Ook hadden zij kennisgenomen van de coördinerende taken -met regelgevende bevoegdheden -van het Gib. Wat deze leden misten was een duidelijke en concrete uiteenzetting tussen de toekomstige relatie Ctsv -Gib. Het merendeel van de instrumenten van het Ctsv zijn immers gericht op de bedrijfsverenigingen als uitvoeringsorganen. Het Ctsv kan het Gib, zo constateerden deze leden, een aanwijzing geven en bestuursleden schorsen danwel ontslaan. De verdere concrete interactie op bestuurlijk en beleidsmatig niveau tussen beide organen was voor deze leden niet echt helder, daar de regering heeft volstaan met een opsomming van de verschillende bevoegdheden van beide organen. Deze leden verzochten de regering meer uitgebreid op de verhouding Ctsv -Gib in te gaan.

De leden van de fractie van D66 hadden kennis genomen van het voornemen van de regering om een College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) in te stellen, dat een bestuur zal hebben met 5 bestuursleden. Allereerst vroegen deze leden zich af waarom de minister -alvorens een voordracht tot benoeming te doen -de SER in de gelegenheid wil stellen om zijn mening te geven over de voordracht. Wellicht kan de regering hier een nadere argumentatie voor geven aangezien het de leden van de D66-fractie niet duidelijk was waarom de SER hier een rol zou moeten spelen. Vervolgens was het deze leden niet helder wat de regering nu precies van plan is met de aanstellingsperiodes: enerzijds begrepen zij dat er een benoeming zal komen voor een periode van 4 jaar terwijl zij anderzijds lazen dat er ieder jaar één of twee leden zullen moeten aftreden (MvT, blz. 6). Hoe ziet de regering een dergelijke roulatie met name in de eerste 4 jaar na instelling van het Ctsv? De leden van de fractie van D66 konden op zichzelf instemmen met een opheffing van de SVr en het instellen van een toezichthoudend orgaan (Ctsv). Ook de formalisering van de positie van de huidige FBV achtten zij een goede ontwikkeling. Meer in algemene zin hadden zij echter enige vraagtekens over de toekomstige relatie tussen Ctsv (als toezichthouder) en Gib (als coördinerend orgaan). Het Ctsv krijgt -zo blijkt uit de memorie van toelichting (met name blz. 9 t/m 12) een reeks van instrumenten richting bedrijfsverenigingen. Deze instrumenten variëren van de mogelijkheid om bestuursleden van BV-en te schorsen of te ontslaan tot de mogelijkheid om bij een BV de individuele beoordeling ten aanzien van de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse te toetsen. Bovendien krijgt het Ctsv de mogelijkheid besluiten van uitvoe-

ringsinstanties te schorsen of te vernietigen en krijgt het eveneens een uitgebreide goedkeuringsbevoegdheid richting uitvoeringsinstanties. Tegelijkertijd zal het op te richten Gib een coördinerende instelling moeten zijn die allerlei taken zal krijgen die momenteel nog bij de GMD en de SVr worden ondergebracht. Zo zal het Gib uitvoeringstechnische adviezen dienen te geven en indelingsgeschillen moeten oplossen. Het Gib zal óók zorg moeten dragen voor de centrale sturing in de uitvoering van de medisch-arbeidskundige taken die nu aan het GMD zijn opgedragen. Zowel het Ctsv als het Gib zullen in de door de regering voorgestane uitvoeringsorganisatie een kernpositie krijgen die zeer wel zal kunnen leiden tot een situatie waarin formeel het Ctsv de toezichthouder is (en daarmee hiërarchisch boven het Gib) terwijl materieel het Gib de gang van zaken binnen de uitvoeringswereld krachtig zal beïnvloeden. Daarbij wilden deze leden er nog op wijzen dat het Ctsv uit 5 onafhankelijke bestuursleden zal bestaan terwijl het Gib een paritair samengesteld bestuur -bestaande uit vertegenwoordigers van werkgevers-en werknemersorganisaties -zal hebben. Daarmee waren deze leden gekomen op een reeds eerder geuit kritiekpunt, namelijk het feit dat de conclusies van de enquêtecommissie verzekeringen nog niet bekend zijn terwijl juist deze enquête veel inzicht en antwoorden kan geven over de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en sociale partners. De leden van de fractie van D66 waren van mening dat zich hier dan ook heel duidelijk het probleem voordoet dat dit wetsvoorstel allerlei veranderingen in de uitvoeringsorganisatie wil doorzetten terwijl de discussie over de verdeling van verantwoordelijkheden nog niet is uitgekristalliseerd. Deze leden wilden er dan ook nogmaals op wijzen dat dit wetsvoorstel wel degelijk gaat over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen sociale partners en overheid, ook al ontkent de regering dat op bladzijde 1 van de MvT.

De leden van de fractie van de SGP konden instemmen met toezicht op de organisatie van de sociale verzekeringen door een onafhankelijke instantie, omdat daarmee ook de schijn van belangenverstrengeling wordt vermeden. Onafhankelijk toezicht alleen is wel noodzakelijk, doch tegelijk ook onvoldoende, om te komen tot een beter functionerende OSV. De regelgeving zelf is daarbij ook relevant. De leden van de fractie van de SGP verwezen daarbij naar de discussie tijdens de parlementaire enquête sociale verzekeringen over de vraag in hoeverre er wettig gebruik dan wel onwettig misbruik van de arbeidsongeschiktheidsregelingen gemaakt was. Is een dergelijke discussie niet een teken dat ook aan de materiële wetgeving in de sociale zekerheid het nodige verduidelijkt en aangescherpt moet worden, zo vroegen deze leden. De regering wil ministeriële verantwoordelijkheid voor het stelsel van sociale zekerheid behouden, maar het directe toezicht overlaten aan een zelfstandig orgaan, het Ctsv. Ten opzichte van het Ctsv beschikt de minister evenwel over een groot aantal sturingselementen. Weliswaar stelt de regering dat zij een beperkt gebruik van deze instrumenten wil maken. Maar toch hadden de leden van de fractie van de SGP de indruk dat de regering met de gekozen oplossing enigszins hinkt op twee gedachten. Zij vroegen of het Ctsv nu een zelfstandig opererend orgaan wordt, dan wel een verlengstuk van de minister. Met name de bevoegdheid om aanwijzingen te geven aan het Ctsv in verband met de uitoefening van diens taak was volgens de leden dermate vaag en algemeen, dat het de minister een te ruime bevoegdheid geeft. De leden van de fractie van de SGP waren van mening dat wanneer het Ctsv een zeker zelfstandig bestaan verdient, de bevoegdheid van de minister om

aanwijzingen te geven duidelijker moet zijn omschreven. Graag wilden zij een reactie van de regering op dit punt.

Een belangrijke verbetering ten opzichte van de huidige situatie in het scheiden van de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de uitvoering en de controle op de uitvoering, zo stelden de leden van de GPV-fractie. Wanneer men de sociale partners de verantwoordelijkheid wil laten houden voor de uitvoering, en ook de leden van de GPV-fractie willen dat, dan is het noodzakelijk de controle daarop in andere handen te geven dan die van de sociale partners. Het voornemen te komen tot een onafhankelijk College van Toezicht konden de leden van de GPV-fractie daarom onderschrijven. Wel rijst in dit verband de vraag in welke kring de bestuurders van het College van Toezicht zullen worden gezocht, als zij geen banden mogen hebben met de sociale partners. Deze leden hadden echter vragen bij de voorgestelde bevoegdheden van het Gib. Zij konden zich voorstellen dat het Ctsv gaat fungeren als een soort Algemene Rekenkamer voor de sociale verzekeringen. Maar het model dat wordt voorgesteld houdt meer in. De vraag rijst of het Ctsv niet te vèr van de werksfeer afstaat om besluiten van uitvoeringsinstellingen goed te keuren, om aanwijzingen te geven, en om regels te geven omtrent de inrichting van de administratieve organisatie. Tegelijkertijd kan men zich afvragen of hiermee geen conflicten worden geriskeerd met het Gib dat een wettelijke coördinatietaak krijgt. Wat blijft er over van die coördinatietaak als het Ctsv aanwijzingen kan geven en regels kan stellen over de inrichting van de administratieve organisatie? Hoe kan het Gib coördineren als het geen bevoegdheid heeft te controleren of de bedrijfsverenigingen zich houden aan zijn aanbevelingen? Betekent dit niet dat een aantal van de bevoegdheden van het Ctsv eigenlijk thuishoort bij het Gib? Past het eigenlijk wel bij een controlerende instantie om regels te stellen en aanwijzingen te geven? De toezichthouder wordt daarmee dan toch meeverantwoordelijk voor de uitvoering, ook voor de fouten bij de uitvoering? Komt de onafhankelijkheid van de toezichthouder daarmee niet in het gedrang? Om te kunnen beoordelen of een bedrijfsvereniging al dan niet een te ruim beleid voert bij de schatting van de arbeidsongeschiktheid beschikt het Ctsv over een onderzoeksbevoegdheid. Daarna kan eventueel een aanwijzing worden gegeven. Het valt te betwijfelen of dit wel de meest adequate reactie is op een te ruim beleid. De leden van de GPV-fractie hadden uit de uitlatingen van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bij de mondelinge behandeling van de WAO-voorstellen begrepen dat het onderhavige wetsvoorstel zou voorzien in een toetsing op medische beslissingen, eventueel een «second opinion». Ook de SER had zulks geadviseerd. De regering acht dit blijkens de memorie van toelichting wel wenselijk, maar wil het niet bij wet voorschrijven. Dit standpunt had deze leden verbaasd. Juist waar de te ruime instroom de oorzaak is gebleken van het te grote WAO-volume hadden concrete voorstellen om beslissingen die in die fase worden genomen te toetsen, voor de hand gelegen. Te meer daar er wel beroep wordt aangetekend wanneer iemand meent ten onrechte geen uitkering toegekend te hebben gekregen, maar er omgekeerd geen instantie is die er belang bij heeft beroep aan te tekenen wanneer ten onrechte wèl een uitkering wordt toegekend. Daardoor zitten er in het huidige systeem geen remmen ingebouwd. Wil de regering haar standpunt ten aanzien van dit onderdeel heroverwegen?

Het lid van de RPF-fractie juichte het voornemen om het toezicht op de uitvoering door onafhankelijke deskundigen te laten plaatsvinden toe. Daarnaast meende hij dat de regering er terecht voor heeft gekozen de

minister te laten beschikken over instrumenten om het Ctsv te corrigeren. Denkt de regering dat de minister vaak van die bevoegdheid zal moeten gebruikmaken? Het lid van de RPF-fractie had geconstateerd dat uit de hoek van de sociale partners grote bezwaren bestaan tegen de vergaande bevoegdheden van het Ctsv. Kan de regering nader uiteenzetten waarom er niet voor is gekozen het toezicht door het Ctsv marginaal te laten zijn? Hij vroeg om een reactie van de regering op de suggestie van de Raad van Centrale Ondernemingsorganisaties om de toezichthoudende taak bij de Algemene Rekenkamer of bij de Verzekeringskamer te leggen. Kunnen de voor-en nadelen van een dergelijke constructie op een rijtje worden gezet?

2.2. Sociale Verzekeringsbank (SVb)

De leden van de fractie van de PvdA konden de redenering van de regering ten aanzien van de SVb niet volgen op het punt van het verdwijnen van de ministeriële vertegenwoordiger in dit bestuur. De regerïng redeneert dat dit komt vanwege een heldere verdeling van verantwoordelijkheden binnen de uitvoeringsorganisatie. De aan de SVb opgedragen taken met betrekking tot de uitvoeringsorganisatie van de volksverzekeringen blijft immers ongewijzigd in dit wetsvoorstel. Dat zou, zo dachten deze leden, toch reden kunnen blijven voor aanwezigheid van een ministeriële vertegenwoordiger in het SVb-bestuur. Verder vroegen zij zich af of hier niet een ingrijpende wijziging in de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en sociale partners aan de orde is.

Ook de leden van de VVD-fractie stelden een meer uitgebreide onderbouwing op prijs van het regeringsvoorstel om geen ministeriële vertegenwoordiger meer deel uit te laten maken van het SVb-bestuur en af te zien van het recht -zoals onderdeel van het oorspronkelijke voornemen -om een ministeriële vertegenwoordiger bij de SVb-bestuursorganen aanwezig te laten zijn.

2.3. Gemeenschappelijk Instituut van Bedrijfsverenigingen (Gib)

De leden van de CDA-fractie vroegen of wel alle regelgeving en coördinatie naar het Gib gaat. Hoe zit het bijvoorbeeld met de coördinatie van het informatiebeleid, handhavingsbeleid en volumebeleid? Eveneens wilden deze leden weten of met betrekking tot reintegratiemaatregelen niet nadrukkelijker in de wet de coördinatietaak van het Gib terzake vastgelegd dient te worden. In de praktijk blijken zich met name rondom scholing nog al eens competentieproblemen voor te doen.

De leden van de fractie van de PvdA konden de redenering van de regering inzake de wettelijke fundering van het Gib begrijpen, maar vroegen of dat op dit moment opportuun is. Betekent de wijziging aan de top niet een forse ingreep in de nu bestaande structuur? Wat is de verhouding in de beoogde situatie tussen Gib en Ctsv? In de SVR zijn immers de centrale organisaties vertegenwoordigd terwijl voor een groot aantal taken de centrales nu geen positie meer lijken te hebben. Deze leden hadden graag een nadere uitleg van de regering op dit punt, waar zij meenden dat in eerdere voorstellen de verdeling tussen centrales en bedrijfsverenigingen een andere was. Met betrekking tot de gewenste verdere regionalisering van de uitvoering van de sociale verzekeringen vroegen deze leden of niet de behoefte aan horizontale structuren nodig was. Juist voor samenwerking met de regionale arbeidsvoorziening in het kader van de integrale gevalsbehandeling achtten zij dit noodzakelijk. Zagen zij het juist dat de structuur via

bedrijfsverenigingen meer verticaal genoemd zou kunnen worden? Graag hadden zij hierover een nadere beschouwing van de regering.

Ten aanzien van het op te richten Gib merkten de leden van de VVD-fractie het volgende op. Hoewel zij in hun meergenoemd rapport «Naar een nieuwe uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen» van juni 1992 géén plaats hadden voor een dergelijk door sociale partners gedomineerd bestuursorgaan, zagen zij als enig lichtpuntje dat de FBV als niet-wettelijk orgaan met min of meer pseudo-regelgevende taken in die vorm ophoudt te bestaan. Zoals gezegd zou in de opzet als verwoord in voornoemd rapport geen noodzaak bestaan tot het in leven roepen van een apart orgaan naast de uitvoeringsorganen door middel van «legalisering» van de FBV. Dit omdat het centraal bestuur van het in dat rapport genoemde Zelfstandig Bestuursorgaan Sociale Verzekering (ZBO) -waar sociale partners een minderheidspositie innemen -de coördinatie van eigen regionale uitvoeringskantoren ter hand kan nemen en daar uiteindelijk ook op zal kunnen worden afgerekend. Deze leden zagen dus wel degelijk de noodzaak van een sturend en coördinerend orgaan, zij het in de door hen gekozen vorm (het ZBO) en niet in de vorm van een Gib als «gelegaliseerd FBV», waardoor de bedrijfstaksgewijze benadering een wettelijke grondslag krijgt, hetgeen naar de mening van deze leden volstrekt ongewenst is.

De leden van de fractie van D66 wilden er uitdrukkelijk op wijzen dat zij het feit dat de regering voorlopig blijft uitgaan van een bedrijfstaksgewijze indeling van bedrijfsverenigingen, onverstandig vindt. Meer dan eens is er uit allerlei kringen gewezen op de weinig efficiënte en -vooral ook weinig effectieve -werkwijze van het huidige aantal van 19 bedrijfsverenigingen. Ook de regering geeft dat duidelijk te kennen in haar MvT (blz. 42/43), waarin zij stelt dat de huidige indeling van het bedrijfs-en beroepsleven niet meer adequaat is. De hier aan het woord zijnde leden konden dat volledig onderschrijven en hadden daar dan ook al hun conclusies uit getrokken door te pleiten voor een regionaal georganiseerde uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheid (zie 22692, nr. 1) in plaats van de keus van de regering om voorlopig met 19 BV-en door te gaan en op termijn misschien tot een nieuwe indeling te komen waarbij aanzienlijk minder BV-en zijn betrokken. De leden van de D66-fractie konden de gedachtengang van de regering volgen wanneer zij stelt dat er een coördinerend orgaan noodzakelijk is -Gib -zolang er 19 bedrijfsverenigingen zijn. Deze leden gingen er echter vanuit dat het niet wenselijk is om 19 bedrijfsverenigingen voort te laten bestaan. Zij waren van mening dat de regering nu helder moet kiezen tussen een model waarbij öf wordt uitgegaan van een hernieuwde indeling van het bedrijfsleven öf een regionaal georganiseerde uitvoeringsorganisatie, los van de bedrijfsindeling. Kan de regering overigens aangeven wanneer zij haar gerichte adviesaanvraag aan de SER omtrent een nieuwe indeling van het bedrijfs-en beroepsleven zal doen? Kan de regering deze adviesaanvraag al in het reces doen uitgaan en ook de Kamer hiervan in kennis stellen? Een ander punt met betrekking tot de taken van het toekomstige Gib betreft het feit dat deze coördinerende organisatie de centrale sturing voor haar rekening neemt met betrekking tot de medisch-arbeidsdeskundige taak van de bedrijfsverenigingen. De leden van de fractie van D66 constateerden dat de regering heeft gekozen voor een paritair samengesteld bestuur van het Gib. Een en ander betekent dat sociale partners die zitting hebben in het Gib de algehele sturing dienen te verzorgen van de sociale partners die in de besturen van de BV-en zitting hebben. Daar komt bovendien nog bij dat de regering de mogelijkheid

open wil houden om ook vertegenwoordigers van centrale werkgevers-en werknemersorganisaties in het Gib zitting te laten nemen (MvT, blz. 15). De leden van de fractie van D66 hadden moeite met het feit dat het coördinerend orgaan -het Gib -slechts uit sociale partners zal bestaan en dat het daarbij bovendien niet hoeft te gaan om vertegenwoordigers van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties. Voor zover zij konden beoordelen is nu juist een van de grote problemen van de huidige uitvoeringsorganisatie dat centrale werkgevers-en werknemersorganisaties onvoldoende vat willen of kunnen hebben op datgene dat de bedrijfsverenigingen en de FBV aan uitvoeringswerkzaamheden verrichten. De conclusies van de parlementaire enquêtecommissie zullen een en ander wellicht bevestigen. Het leek de hier aan het woord zijnde leden een veel helderder verantwoordelijkheidsverdeling wanneer het bestuur van het Gib in ieder geval óók zal bestaan uit vertegenwoordigers van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties. Terzijde wilden deze leden overigens nog opmerken dat een regionaal georganiseerde uitvoeringsorganisatie -conform een regio-indeling van de arbeidsvoorzieningsorganisatie -tenminste tripartiet zal moeten zijn samengesteld in plaats van paritair. Zij wilden er bijvoorbeeld op wijzen dat het toch op zijn minst discutabel is om het Gib de verantwoordelijkheid te geven voor het vaststellen van de budgetten van de bedrijfsverenigingen wanneer er in het bestuur van het Gib alleen vertegenwoordigers van de sociale partners plaats zullen nemen. Kan de regering hier een uitvoerige reactie op geven?

De leden van de fractie van Groen Links waren van mening dat in de eerste plaats een nieuwe uitvoeringsorganisatie gekenmerkt zou moeten worden door een scheiding van belangenbehartiging, uitvoering en toezicht. Het wetsvoorstel voldoet niet aan dit criterium. Het door de regering voorgestelde Gemeenschappelijk Instituut van Bedrijfsverenigingen zal worden bestuurd door vertegenwoordigers van werknemers-en werkgeversorganisaties, evenals dat zal gelden voor de bedrijfsverenigingen zelf. Ook daar blijft het bestuur in handen van de sociale partners. Het functioneren van de zogenoemde kleine commissies van de bedrijfsverenigingen zal geen wijziging ondervinden.

Aan bestuurlijke verantwoordelijkheid van de sociale partners bij de uitvoering van de sociale zekerheidswetten kleven naar de mening van de leden van deze fractie belangrijke bezwaren. In de eerder genoemde nota van juni 1992 worden in dit verband zes elementaire bezwaren genoemd: -de huidige organisatie van de uitvoering bestendigt de verticale structuur, waar een horizontale structuur wenselijk zou zijn; -de bestuurlijke lagen tussen overheid en uitvoering maken het onmogelijk de professionaliteit van de uitvoeringsorganisatie te benutten voor vernieuwing van wetgeving en organisatie; -directe betrokkenheid van sociale partners in bijvoorbeeld de kleine commissies leidt tot het oprekken van toetsingscriteria, willekeur en vertraging in de uitvoering; -gevolg van de grote betrokkenheid van de sociale partners bij de uitvoering zou kunnen leiden tot een ongewenste volumetoename, met name bij de WAO; -de combinatie van een verticale bestuursstructuur en regionale uitvoering leidt tot een gigantische bureaucratie; -de hoofddirectie van het GAK vervult een «dubbelrol»: Zij bekleedt het secretariaat van de besturen van de aangesloten bedrijfsverenigingen en is als zodanig topmanager van een immens concern, maar heeft niet de beleidsvrijheid die bij het leiden van een dergelijk bedrijf noodzakelijk is.

In dit verband wezen de leden van de fractie van Groen Links nog op een passage in de onlangs gepubliceerde rapportage van de Secretarissen-Generaal, «De organisatie en werkwijze van de rijksdienst», waarin op pagina 48 wordt vermeld: «beleidsresistente uitvoeringsconstructies, zoals thans in de sociale zekerheid (...) staan op gespannen voet met de parlementairdemocratische beginselen van ons staatsrecht». Graag zagen deze leden dat de regering haar wetsvoorstel plaatst in het licht van deze opmerking. In hoeverre blijft de uitvoering in de toekomst «beleidsresistent»?

Aan deze fundamentele bezwaren, die inherent zijn aan de huidige structuur, komt het wetsvoorstel te weinig tegemoet, zo meenden de leden van de fractie van Groen Links. De sociale partners worden niet of nauwelijks op afstand gesteld, althans niet voor zover het de uitvoeringspraktijk «aan de voet» betreft. Dit betekent dat er geen, althans te weinig waarborgen worden geschapen om bijvoorbeeld te voorkomen dat ook in de toekomst een ongewenste volumetoename in de WAO kan plaatsvinden. De Federatie van Bedrijfsverenigingen zal in het voorstel van de regering worden omgevormd tot het Gib. In tegenstelling tot de FBV zal het Gib een publiekrechtelijke status krijgen. In vergelijking tot de huidige situatie waren de leden van de fractie van de SGP van mening dat dit een vooruitgang betreft. Wel vroegen zij de regering of het Gib nu tot de overheid kan worden gerekend en in hoeverre eisen die aan overheidslichamen gesteld worden, zoals toepassing van de Wet openbaarheid van bestuur en een vorm van democratische controle, voor het Gib zullen gelden. Zij vroegen voorts of, wanneer het Gib publiekrechtelijke taken uitoefent, het dan wel juist is om de uitvoering van die taken als een verantwoordelijkheid van de sociale partners te beschouwen. Is dit toch geen zwaarwegend argument om in het Gib ook een vertegenwoordiging van de overheid een plaats te geven? Aangezien het Gib publiekrechtelijke taken uitoefent, dient er een vorm van parlementaire controle te zijn. De leden van de fractie van de SGP verwezen hierbij naar een soortgelijke discussie bij de parlementaire behandeling van de Wet op de arbeidsvoorzieningsorganisatie. In de arbeidsvoorzieningsorganisatie is dat mogelijk aangezien in het bestuur een overheidsgeleding vertegenwoordigd is. In het voorliggende voorstel is die mogelijkheid er voor wat betreft het Gib niet. Dit deed de leden van de fractie van de SGP de vraag stellen op welke wijze het parlement wel zijn controlerende taken voor wat betreft de uitvoering van de sociale zekerheidswetten kan uitoefenen. Zolang de uitvoering van de werknemersverzekeringen een publiekrechtelijke taak is, dient het Gib zijn publiekrechtelijke status te behouden. Mocht het sociale zekerheidsstelsel zich ontwikkelen in de richting van het zogenaamde mini-stelsel, dan zal volgens de leden van de fractie van de SGP ook deze publiekrechtelijke status van het GIB herzien moeten worden. In zijn brief van 18 juni 1993 over de rapportage SVr/vervolgstap synthesemodel uit de regering haar zorg over de vormgeving van de FBV-nieuwe stijl. De leden van de fractie van de SGP wilden graag van de regering weten op welke concrete punten er zorg bestaat en wat de oorzaak van de problemen is.

De leden van de GPV-fractie vroegen de regering nader in te gaan op de juridische positie van het Gib. Het is een publiekrechtelijk lichaam dat een aantal wettelijke taken uitvoert en dat geheel vrij is in zijn bestuurssamenstelling, met die beperking dat er evenveel bestuurders van

werkgevers als van werknemers door de sociale partners dienen te worden benoemd. Is het gelet op de voorgeschreven wettelijke taken toch niet nodig dat de minister zo nodig aan het Gib een aanwijzing kan geven? Het lid van de RPF-fractie was nog niet overtuigd van de wenselijkheid de huidige, op privaatrechtelijke grondslag georganiseerde, FBV om te vormen tot een publiekrechtelijk Gib. Is dit voorstel de meest eenvoudige en efficiënte oplossing? Verdient het niet de voorkeur het takenpakket van het Gib zodanig samen te stellen, dat juridisch gezien een privaatrechtelijke status ook voldoet? Het beoogde takenpakket van het Gib is niet onomstreden. Zo moet het Gib de budgetten van de bedrijfsverenigingen vaststellen. In hoeverre rijmt dat met de autonomie, die de bedrijfsverenigingen hebben met betrekking tot de uitvoering van de sociale verzekeringswetten? Het lid van de RPF-fractie wilde voorts weten waarom ervoor is gekozen de advisering over wetstechnische uitvoeringsaangelegenheden aan het Gib over te laten. Zou dit niet een taak voor de SER kunnen zijn?

2.4. Bedrijfsverenigingen

De leden van de VVD-fractie waren verheugd te zien dat de regering de huidige contralegem situatie als het gaat om het materieel opheffen van de GMD door feitelijke overdracht van haar taken aan de bedrijfsverenigingen, met een wetswijziging wenst te formaliseren. Zij dachten dat een wetswijziging altijd voor implementatie uit moest gaan, maar de regering heeft hier een knap staaltje van innoverende wetgeving laten zien door het tegenovergestelde te tolereren. Deze leden achtten zulks verwerpelijk, hetgeen overigens niets afdoet aan het feit dat ook deze leden geporteerd waren van een geïntegreerde gevalsbehandeling.

De leden van de VVD-fractie betreurden het in hoge mate dat de regering de bestuurssamenstelling van de bedrijfsvereniging ongewijzigd laat. Het zou hun voorkeur hebben om sociale partners hier op gezonde afstand te zetten en professionele uitvoerders daardoor meer tot hun recht te laten komen. Zij verwezen hiervoor naar het meergenoemde rapport van de oppositie van juni 1992, waar ook het standpunt van deze leden inzake de vorm van toezicht, één loketgedachte, regionale uitvoering en budgettering door middel van jaarlijkse contracten verwoord staan. Zoals zij reeds in hun inleiding stelden, verzochten deze leden de regering uitgebreid op alle punten van voornoemd rapport te reageren. De leden van de GPV-fractie hadden het terecht gevonden indien de positie van de bedrijfsverenigingen meer ten principale ter discussie zou zijn gesteld in het kader van dit wetsvoorstel. De huidige indeling die uit het begin van de jaren vijftig stamt is in ieder geval volstrekt achterhaald. Kan het zo zijn dat gelet op de cruciale rol van de bedrijfsverenigingen bij de uitvoering, deze organisaties zelf blijven uitmaken hoe zij zich organiseren? Is er gelet op het grote publieke belang dat in het geding is geen rechtsgrond voor de overheid eventueel tot samenvoeging van bedrijfsverenigingen te dwingen? Overigens is dit voor deze leden inmiddels een bijna achterhaalde discussie. Zij zouden er veel meer voorstander van zijn de gedwongen winkelnering bij de bedrijfsverenigingen binnen afzienbare termijn te beëindigen. Deelt de regering dit oordeel? Is de regering ook van mening dat het mogelijk moet zijn dat werkgevers eventueel met andere organisaties in zee gaan dan een bedrijfsvereniging?

2.6. Cliëntenparticipatie

De leden van de fractie van de PvdA wilden weten hoe het reglement ten aanzien van de cliëntenparticipatie tot stand komt. Ook vroegen zij welke instantie toetst en aan welke voorwaarden en regels dit reglement gehouden is.

De leden van de fractie van Groen Links achtten het van groot belang dat de uitvoering van de sociale verzekeringen op klantvriendelijke wijze geschiedt. Het wetsvoorstel regelt dat de bedrijfsverenigingen in een reglement dienen op te nemen op welke wijze de cliënten bij de beleidsvorming ten aanzien van de uitvoering worden betrokken. Op die manier worden weinig waarborgen gecreëerd voor de uitkeringsgerechtigden. In de praktijk komt het maar al te vaak voor dat aanvragers te lang op een beslissing op hun aanvraag moeten wachten, geen gehoor krijgen bij vragen om bemiddeling en dergelijke. De leden van deze fractie meenden dat de wetgever meer richting dient te geven aan de uitwerking van dit soort knelpunten. Zij vroegen de regering in hoeverre zij mogelijkheden zag meer sturing te geven aan het beleid ten aanzien van de verbetering van de positie van de uitkeringsgerechtigden. Bestuursparticipatie is daarvan slechts een onderdeel.

HOOFDSTUK 3. GEVALSBEHANDELING IN HET KADER VAN DE ZW, WAO EN AAW

3.1. Algemeen

In de memorie van toelichting wordt gesteld dat de samenwerking tussen GMD en bedrijfsverenigingen niet altijd even makkelijk verloopt. De leden van de fractie van de PvdA vroegen of dit nog steeds het geval is. Verder wordt op dit punt gesteld dat men niet tot geïntegreerde gevalsbehandeling kan komen. Deze leden vroegen hoe zij dit moeten lezen. Is het niet makkelijk samenwerken van GMD en bedrijfsverenigingen hier de oorzaak van of is de huidige wet hiervan de reden? Zij dachten dat zich op verschillende plaatsen in het land al vormen van geïntegreerde gevalsbehandeling voordoen. De regering moest hier in hun ogen zeker nadere uitleg geven over de teksten in de memorie van toelichting. Het was de leden van de fractie van Groen Links opgevallen dat de regering weliswaar op pagina 5 van de memorie van toelichting stelt van mening te zijn dat de voorgestelde veranderingen van invloed zullen zijn op de omvang en de duur van het beroep op de sociale zekerheidsregelingen, maar waar deze mening op gestoeld is werd hen niet duidelijk. Dit zal kennelijk het resultaat moeten zijn van een meer geïntegreerde gevalsbehandeling, nu verder nauwelijks wijzigingen worden voorgesteld in de dagelijkse uitvoeringspraktijk en de bemoeienis van de sociale partners. Graag zagen de leden van de Groen Linksfractie dat de regering hierop bij haar antwoord nader in zou gaan. Is werkelijk te verwachten dat het volume zich in positieve zin zal ontwikkelen indien de nu voorgestelde wijzigingen kracht van wet krijgen? Rechtvaardigen de eerste, voorzichtige evaluatiegegevens van experimenten met geïntegreerde gevalsbehandeling werkelijk dit vertrouwen? In dit verband wilden deze leden ook terugkomen op de brief van 11 juni 1993 van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid aan de Kamer (23141, nr. 5), waarin gesteld wordt dat voor verdere implementatie van het model van de geïntegreerde gevalsbehandeling een herziening van de OSV noodzakelijk is. De leden van deze

fractie waren van mening dat ook in dit verband van groot belang is wat de politieke besluitvorming zal mhouden naar aanleiding van de uitkomsten van de parlementaire enquête. Was de regering het met deze leden eens dat de besluitvorming over die uitkomsten mede bepalend dient te zijn voor de toekomst van het model van de geïntegreerde gevalsbehandeling? De regering stelt in de memorie van toelichting dat de onderhavige wetsvoorstellen een positieve invloed zullen hebben op de volumeontwikkeling in de sociale zekerheid. Zullen echter eventuele positieve ontwikkelingen niet veeleer het gevolg zijn van de invoering van andere maatregelen gericht op het terugdringen van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid dan van de hier voorgestelde maatregelen, zo vroegen de leden van de fractie van Groen-Links. Naast het terugdringen van de betrokkenheid van de sociale partners bij de uitvoering van de sociale zekerheid en een scheiding van belangenbehartiging, uitvoering en toezicht is het voor de leden van de fractie van Groen Links essentieel dat toegewerkt wordt naar een regionale uitvoeringsstructuur. De nu door de regering voorgestelde maatregelen dragen daartoe niet bij. De bedrijfstakgewijze opbouw van de uitvoering blijft onverkort in stand. Wenselijk zou echter zijn dat maatregelen getroffen worden om een toegroei naar regionale en geïntegreerde uitvoering mogelijk te maken in een platte en flexibele organisatiestructuur. De nu nog geldende indeling van bedrijfsverenigingen naar bedrijfstakken is achterhaald en vormt een blokkade voor adequate reïntegratie van zieke, arbeidsongeschikte en werkloze werknemers. Het huidige systeem is naar hun mening log en bureaucratisch. De leden van de SGP-fractie brachten naar voren dat sinds het voorliggend wetsvoorstel is aangekondigd, een aantal experimenten van start is gegaan, waarbij binnen de bestaande wettelijke mogelijkheden wordt gestreefd naar een geïntegreerde gevalsbehandeling. Zij verwezen daarbij naar het experiment Eindhoven en naar het experiment in Dordrecht en Veghel met de zogenaamde «arbeidsgeschiktheidsteams». De leden van de fractie van de SGP wilden van de regering vernemen hoe zij deze beoordeelt en in hoeverre deze experimenten inderdaad succes hebben in het terugdringen van de arbeidsongeschiktheid en de reïntegratie van arbeidsongeschikten. Met betrekking tot het experiment-Eindhoven stelt de regering in het nader rapport dat ten aanzien van de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen redelijk positieve resultaten zijn geboekt, terwijl dat bij de GAK/GMD niet het geval is. De leden van de fractie van de SGP vroegen de regering naar de oorzaken van dit verschil tussen zelfadministrerende bedrijfsverenigingen en het GAK. Zou de conclusie mogelijk moeten zijn dat het wenselijker is dat bedrijfsverenigingen zelf hun administratie uitvoeren in plaats van die uit te besteden? En in hoeverre geeft deze conclusie van het experiment-Eindhoven aan dat aan éèn van de criteria die de regering heeft gesteld aan het samengaan van GMD en GAK, namelijk dat dit samengaan aantoonbare positieve effecten moet hebben, niet wordt voldaan en welke conclusie trekt de regering daaruit? In haar nader rapport schrijft de regering naar aanleiding van het advies van de Raad van State dat het samengaan van GAK en GMD en het experiment Eindhoven laat zien dat er nog veel problemen bestaan met betrekking tot de geïntegreerde gevalsbehandeling. Als hoofd-

oorzaak noemt de regering daarvoor het bestaande wettelijk kader. De leden van de fractie van de SGP vroegen daarentegen of er ook geen andere oorzaken kunnen zijn, en zij dachten daarbij aan onder meer cultuurverschillen tussen de samengaande instanties. Is het niet te gemakkelijk om de problemen te schrijven op het conto van het bestaande wettelijke kader, alsof met wijziging daarvan de problemen zijn opgelost? Het gaat om experimenten die, samen met de samenvoeging van GAK en GMD, in feite al vooruitlopen op de wijziging van de OSV bij wet. In haar reactie op het advies van de Raad van State wijst de regering erop dat deze ontwikkeling steun verdient en dat een aangepast wettelijk kader nodig is, wil de uitvoering niet een aanzienüjke kans lopen in chaos en onderlinge competentiestrijd ten onder te gaan. Dit riep bij de leden van de fractie van de SGP de vraag op in hoeverre de verandering van de OSV in een soort dwangmatige fase is terechtgekomen, in die zin dat de politiek gedwongen wordt te reageren op ontwikkelingen in het veld en daarbij deels voor een voldongen feit wordt geplaatst. Zij zouden dit een ongewenste ontwikkeling vinden, waarmee de positie van de politiek, en in het bijzonder het parlement, wordt ondermijnd. De leden van de fractie van de SGP vroegen in dit verband naar een reactie van de regering op de brief van de ministeriële leden van het bestuur van de GMD d.d. 18 juni 1993. Daarin stellen zij dat de «vervolgstap richting geïntegreerde gevalsbehandeling ZW/WAO/AAW», zoals de FBV, het GAK en de GMD dat hebben voorgesteld, buiten de huidige wetteiijke kaders valt.

Een belangrijk onderdeel van dit wetsvoorstel is om wettelijke ruimte te bieden aan invoering van het synthesemodel. De leden van de GPV-fractie erkenden dat in de huidige constellatie de samenwerking tussen GMD enerzijds en bedrijfsverenigingen anderzijds niet optimaal is geweest, om het vriendelijk uit te drukken. Inmiddels is in Eindhoven geëxperimenteerd met het zogenaamde synthesemodel. Is het waar dat dit experiment tot nu toe uiterst teleurstellend is verlopen en in ieder geval niet aan de verwachtingen heeft voldaan?

3.2. Verantwoordelijkheid en taken

De leden van de PvdA-fractie begrepen dat de coördinatie van de gevalsbehandeling in samenhang met het RBA bij de bedrijfsvereniging komt te liggen. Is hierover overleg geweest met de arbeidsvoorziening, eventueel op centraal niveau? Wat zijn de resultaten van dit overleg? Stemt men in met deze verantwoordelijkheidsverdeling? Graag hoorden deze leden hierover nader van de regering. Op pagina 23 van de memorie van toelichting meenden deze leden te begrijpen dat de arbeidsvoorziening hier een eigen taak ziet.

3.3. Overdracht van taken van de GMD

De leden van de fractie van de PvdA begrepen dat een aantal medisch-arbeidsdeskundige taken van de GMD uitgevoerd zullen worden door de bedrijfsverenigingen. Het Gib krijgt daartoe de bevoegdheid dwingende voorschriften op te leggen aan de bedrijfsverenigingen, zo lazen deze leden. Dat nu bracht hen tot de nadere vraag hoe zij dat moeten zien tegen het licht van de samenstelling van het Gib, nl. vanuit de bedrijfsverenigingen. Zij vroegen of dit wel een heldere verdeling van verantwoordelijkheden oplevert.

3.4. Arbeidsbemiddeling

Waar de regering thans voorstelt de arbeidsbemiddeling van gedeeltelijk gehandicapte werknemers weer over te hevelen naar de regionale bureaus voor de arbeidsvoorziening wordt bovendien nog een extra belemmering ingebouwd voor snelle en effectieve reïntegratie. De leden van de Groen Linksfractie betreurden het dat de regering aldus twee kansen mist om een beter kader te scheppen voor reïntegratie: namelijk regionaliseren van de uitvoeringsorganisatie en daarbij aanhaken bij de regionale arbeidsvoorzieningsorganisatie. Zij nodigden de regering daarom uit aan te geven waarom zij, ondanks de onmiskenbare voordelen van regionalisering, haar eigen uitvoeringsmodel verkiest. De regering constateert zelf al op pagina 41 van de memorie van toelichting: «Binnen de huidige organisatorische setting is het moeilijk om een goede combinatie van een bedrijfstakgewijze uitvoering op regionaal niveau te bewerkstelligen.» Deze constatering deelden de leden van de Groen Linksfractie. Zij deelden echter niet de keuze die de regering tussen beide polen in dit spanningsveld heeft gemaakt, namelijk de keuze voor het vasthouden aan een bedrijfstakgewijze uitvoering. De aan het woord zijnde leden meenden dat het voorstel van de regering op dit punt ook niet op consistente wijze wordt beargumenteerd. De regering geeft zelf op pagina 42 van de MvT al aan dat er een duidelijke tendens is om in de toekomst regionale uitvoering «een belangrijke plaats» te geven. Deze belangrijke plaats wordt echter in dit wetsvoorstel niet geboden. Nogmaals nodigden deze leden de regering uit om -mede aan de hand van de uitkomsten van de parlementaire enquête -met de Kamer in discussie te treden over de vraag of niet thans reeds gekozen moet worden voor een geregionaliseerde uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen. Nu de GMD-taak met betrekking tot de arbeidsbemiddeling in het voorstel van de regering weer wordt afgestoten naar de arbeidsbureaus vroegen de leden van de fractie van de SGP in hoeverre deze bureaus thans wel beter geëquipeerd zijn voor de bemiddeling van arbeidsongeschikten. Welke garanties zijn er dat de arbeidsbureaus deze taak beter zullen vervullen dan de huidige GMD?

De leden van de GPV-fractie hadden nog steeds hun twijfels bij het synthesemodel. Zij wezen daarbij op het volgende. Naar hun oordeel is een belangrijke reden voor de onbeheerste groei van het volume het feit dat het medisch oordeel vertroebeld is geraakt door allerlei overwegingen van sociaal-politieke en van arbeidsmarkttechnische aard. Daardoor is het begrip arbeidsongeschiktheid in de praktijk zover opgerekt geraakt. Deze vertroebeling zit er nog steeds als mogelijkheid in bij het synthesemodel. Zou het daarom niet veel beter zijn de medische en de arbeidskundige beoordeling strikt te scheiden als het gaat om het langdurige verzuim? Zou dit niet vorm gegeven kunnen worden door, uitgaande van privatisering van het kortdurend verzuim tot zes maanden, de GMD om te vormen tot een zelfstandig opererende medische dienst (als zelfstandig bestuursorganen met een deskundig bestuur, dus geen sociale partners) die uitsluitend medische beoordelingen doet. Een dienst, met eigen specialisten die zo nodig snel beschikbaar zijn en idealiter met een huisvesting dicht bij een gezondsheidszorginstelling. Dit medisch oordeel gaat naar de arbeidskundige, die is aangehaakt of ondergebracht bij het RBA. Daar vindt de uiteindelijke beoordeling van de arbeidsongeschiktheid plaats en zo mogelijk de terugleiding naar de arbeidsmarkt. De bedrijfsvereniging ten slotte is belast met de concrete uitvoering van de uitkering. Deze leden verzochten de regering dit model

nadrukkelijk te confronteren met haar eigen voorstel, ook al omdat dit model tot een minder ingrijpend reorganisatieproces hoeft te leiden. Overigens uit het bovenstaande moge duidelijk zijn dat deze leden instemden met het voornemen de arbeidsbemiddeling voor (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten (weer) onder te brengen bij de arbeidsvoorziening.

HOOFDSTUK 4. HET TOEZICHT OP DE SOCIALE VERZEKERINGEN

4.1. De plaats van het toezicht

De leden van de fractie van de PvdA waren het eens met de voorstellen met betrekking tot de totstandkoming van een onafhankelijk toezicht op de uitvoeringsorganisaties.

4.2. De relatie tussen toezicht en advisering

Met betrekking tot de advisering over de uitvoering stuitten de leden van de PvdA-fractie op enige onduidelijkheid. Eerst wordt gesteld dat het Ctsv door middel van uitvoeringseffectrapportages de minister informeert over de werking en de effecten van het stelsel. Verderop konden zij lezen dat het Ctsv geen rol moet spelen bij uitvoeringstechnische adviezen. Bovenstaande vraagt om uitleg van de regering zo dachten deze leden, over wat tot het beleid en wat tot techniek gerekend wordt.

4.3. De inhoud van het toezicht

In het advies van de SVr over het toezicht op de overheidspensioenorganen wordt ingestemd met het onder SVr-toezicht brengen van deze organen. De leden van de PvdA-fractie vroegen waar na het verdwijnen van de SVr in dit wetsvoorstel bovengenoemd toezicht zal worden ondergebracht. De fictieve uitvoering van de AAW leek de leden van de fractie van de SGP een voorbeeld van het weinig efficiënt rondpompen van gelden binnen de collectieve sector. Zij vroegen de regering of het niet zinvol zou zijn om deze fictieve uitvoering van de AAW te beëindigen.

4.4. De rol van de minister

De leden van de PvdA-fractie waren enigszins verbaasd over de stelling dat de minister geen primaire verantwoordelijkheid dient te dragen voor de daadwerkelijke uitvoering van de sociale verzekeringen. Zo dit al het geval zou moeten zijn, dan, zo vroegen zij, grijpt dit toch wel in op een zienswijze ten aanzien van de verdeling van verantwoordelijkheden tussen de overheid en de sociale partners. Waar de minister wel verantwoordelijk blijft voor de regelgeving ten aanzien van de uitvoering leidt dit op zijn minst in hun ogen tot onduidelijkheid. Het sturingsinstrumentarium van de minister moet zich richten op het toezicht, zo wordt gesteld, en de minister moet de mogelijkheid hebben de toezichthouder te corrigeren. Waar de hier genoemde instrumenten voor de minister ook de mogelijkheid voor een AMvB, zonodig in afwijking van de wet, geven, leken in de ogen van deze leden de bevoegdheden hier toch op zijn minst enigszins door elkaar te lopen. Graag hadden zij hierover wat meer duidelijkheid. Deze leden begrepen niet waarom de SER, in het geval dat de minister leden van het Ctsv zou willen ontslaan, in de gelegenheid zou moeten worden gesteld om tevoren zijn mening kenbaar te maken.

HOOFDSTUK. KOSTENBEHEERSING EN FONDSBEHEER

5.1. Beheersing van de uitvoeringskosten

In het kader van budgettering wilden de leden van de CDA-fractie weten of de uitvoeringsinstellingen als GAK en GUO onder dezelfde regels vallen als de opdrachtgevende bednjfsverenigingen Dienen de genoemde instellingen ook een begroting in? Krijgen zij ook een budget? De budgettering is voorgesteld teneinde structuur te brengen in de beheersing van de kosten van de uitvoering. In de memorie van toelichting heeft de regering de uitvoerïngskosten in tabellen uiteengezet. Hierin wordt niet aangegeven hoeveel de uitvoeringskosten zijn gestegen als percentage van het nationaal inkomen. Evenmin is een correctie voor de inflatie aangegeven. Kan de regering alsnog deze gegevens verschaffen? Wat is de reden, dat de verhouding tussen administratiekosten en uitgekeerde bedragen in negatieve zin is veranderd, zoals op blz. 33 van de memorie van toelichting is aangegeven? Zijn de administratiekosten toegenomen? Een en ander kan veroorzaakt zijn door lager uitgekeerde bedragen of korter durende uitkeringen. In de nieuwe OSV wordt uitgegaan van een getrapt begrotingssysteem: de bedrijfsvereniging biedt zijn begroting aan aan het Gib; het Gib op zijn beurt weer aan het Ctsv en het Ctsv weer aan de minister; de minister stelt het budget vast voor het Ctsv; het Ctsv stelt het budget vast voor het Gib en het Gib stelt het budget van de uitvoeringskosten voor de bedrijfsverenigingen vast. Wat zijn nu de consequenties voor de doorloop in dit systeem indien de begroting van één bedrijfsvereniging niet wordt goedgekeurd?

De leden van de fractie van de PvdA wilden weten wanneer het onderzoek van de SVR naar de huidige opbouw van de uitvoeringskosten en de verschillen in dat opzicht tussen de uitvoeringsinstanties onderling, beschikbaar komt. Deze leden vroegen of zij een juiste invulling van een ontbrekende tekst op pagina 36 van de memorie van toelichting gaven, als zij dachten daar te moeten lezen «Ctsv». Zo niet, dan hadden zij graag de invulling van de regering op dit punt. In het kader van de vaststelling van de verantwoordelijkheden van de minister en de wettelijk verankerde uitvoeringsinstanties was deze leden een aantal zaken nog niet duidelijk. Er wordt gesteld dat de minister afziet van voorafgaande goedkeuring van budgetten voor de uitvoering. Wel is de minister verantwoordelijk voor de collectieve lastendruk. Daartoe kan een aanwijzing aan het Ctsv gegeven worden. Deze leden beseften dat deze redenering een grote subtiliteit bevat omdat het moment van de aanwijzing hier uitmaakt of wel of niet voorafgaande goedkeuring aan budgetten gegeven wordt. Is dit een correcte interpretatie? De leden van de fractie van Groen Links wezen op mogelijke verschillen van inzicht met de regering op het punt van de financiering. In de eerder genoemde nota van Groen Links, D66 en de VVD is voorgesteld de uitvoeringsorganisatie een ruime mate van vrijheid te laten bij de besteding van hun budget. Het wetsvoorstel lijkt voor meer gebondenheid te kiezen. De hier aan het woord zijnde leden vroegen de regering ook op dit onderscheid nader in te gaan en haar visie te verduidelijken. Een belangrijke doelstelling van dit wetsvoorstel is het beheersbaar maken van de uitvoeringskosten. Terecht geeft de regering aan dat deze

kosten een vrijwel onbeheersbaar karakter hebben. Desniettegenstaande vroegen de leden van de fractie van de SGP een verklaring van deze kostenstijging, daarbij rekening houdend met de verzwaring van de taak van de bedrijfsverenigingen in verband met wetswijzigingen. Ook waren deze leden benieuwd naar de ontwikkeling van de uitvoeringskosten bij het GAK en bij de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen. Door middel van budgettering zullen de uitvoeringskosten van de uitvoering van de sociale verzekeringen in de hand gehouden moeten worden. Het Gib zal de budgetten voor de bedrijfsverenigingen vaststellen. De leden van de fractie van de SGP vroegen in hoeverre er voor de verschillende bedrijfsverenigingen verschillende dan wel gelijke normen zullen gelden. Ook vroegen de leden van de fractie van de SGP of het Gib wel het meest geëigende instituut is voor het vaststellen van de budgetten van de bedrijfsverenigingen, aangezien de bedrijfsverenigingen daardoor in feite zelf hun budgetten vaststellen. In hoeverre zijn er dan nog prikkels om zelf tot een strikte beheersing van de uitvoeringskosten te komen?

De leden van de GPV-fractie vonden budgettering van uitvoeringskosten op zichzelf beschouwd een goede gedachte. De vraag is alleen of het moment van invoering wel zo gelukkig is gekozen. Immers er is nu sprake van een zéér ingrijpende reorganisatie, namelijk ten aanzien van de sociaal-medische begeleiding van de eerste zes weken ziektewet en de mogelijke integratie van GAK/GMD. Daarnaast is er een zware claim gelegd op de uitvoeringsorganisatie door een groot aantal herbeoordelingen en door de druk (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten terug te leiden naar de arbeidsmarkt. Dat legt een groot beslag op het beschikbare budget. Uiteraard zal kostenbeheersing nu meer dan ooit nodig zijn, maar de vraag of dit gepaard dient te gaan met een (geheel nieuwe) budgetteringssystematiek is legitiem. Overigens is het naar het oordeel van deze leden van belang dat de bedrijfsverenigingen de mogelijkheid krijgen zo veel mogelijk bedrijfsmatig te werken. Betekent dit bijvoorbeeld niet dat de premievaststelling zo min mogelijk wordt beïnvloed door factoren die niet van verzekeringstechnische aard zijn? Het hanteren van sociale premies als instrument van inkomenspolitiek past daar niet bij. Is het daarom niet raadzaam de rol van de minister bij de premievaststelling te heroverwegen? Moet de bedrijfsvereniging niet meer vrïjheid hebben zelf te kiezen voor een organisatie waaraan de administratie wordt uitbesteed, in plaats van te zijn gebonden aan een instelling als bedoeld in artikel 51? In hoeverre zitten er ook beperkingen aan het meer bedrijfsmatig functioneren van de bedrijfsverenigingen? Op grond van artikel 79 moeten de bedrijfsverenigingen jaarlijks voor 1 augustus een begroting indienen van hun uitvoeringskosten. Maar de activiteiten zijn vaak conjunctureel bepaald. Dan zal het toch vaak niet goed mogelijk zijn een getrouwe begroting in te dienen? Is het ook denkbaar dat ter beheersing van de uitvoeringskosten gewerkt wordt met een vaste prijs per eenheid produkt? Worden zo de activiteiten van de bedrijfsverenigingen niet beter vergelijkbaar?

5.2. Fondsbeheer

De leden van de CDA-fractie concludeerden dat de regering ten aanzien van de positie van de fondsen een knoop heeft willen doorhakken. In de loop der tijden zijn diverse alternatieven voor de positie van de fondsen aan de orde geweest. Deze leden wilden gaarne een nadere onderbouwing van de uiteindelijke keuze van de regering. Daarbij verzochten zij deze keuze af te zetten tegen de voor-en nadelen

van een -reeds eerder gelanceerd -alternatief, te weten een centraal fondsbeheer, waarbij de «Zoetermeerse» fondsen worden samengevoegd met de SVB-fondsen.

De leden van de CDA-fractie vroegen verder waarom in de nieuwe OSV geen wettelijke basis is opgenomen voor risicogroepen binnen het wachtgeldfonds, vergelijkbaar met de wettelijke mogelijkheid om binnen de ziekengeldkas er afdelingskassen op na te houden. Indien de regering dit niet wil regelen in dit wetsvoorstel, met als argument dat hier sprake is van een voorstel met een beperkte opzet, wordt dan wel overwogen om bij de totale herziening van de OSV het instellen van risicogroepen binnen het wachtgeldfonds een wettelijke basis te geven.

De leden van de fractie van de PvdA hadden graag een nadere verklaring van de ontwikkelingen sedert het kabinetsstandpunt van februari 1991, die geleid hebben tot onderbrenging van het fondsbeheer bij de SVB en het Gib.

De leden van de VVD-fractie hadden met verbazing kennisgenomen van het regeringsvoorstel om het Gib te belasten met het fondsbeheer. Ook deze leden wensten nader inzicht te verkrijgen in de ontwikkelingen die zich sedert het kabinetsstandpunt van 11 februari 1991 terzake hebben voorgedaan en die hebben geleid tot een gewijzigde standpuntbepaiing van de regering. Deze leden vroegen of het wel wenselijk is het fondsbeheer door een door sociale partners beheerd orgaan als het Gib te laten plaatsvinden, terwijl de sociale partners -in het voorstel van de regering -eveneens de uitvoering ter hand zullen blijven nemen. Zij twijfelden aan de zuiverheid hiervan en wezen op het gevaar van een mogelijke belangenverstrengeling. Zij achtten het veeleer wenselijk dat de beheerder van de fondsen onafhankelijk zal zijn van de organen die belang hebben bij de gelden, temeer waar het bestuur van de uitvoerders en fondsbeheerders in beide gevallen uit sociale partners bestaat. Deze leden verzochten de regering hier uitgebreid op te reageren en de gemaakte keuze te heroverwegen.

De leden van de fractie van D66 hadden eveneens met verbazing kennis genomen van de voornemens van de regering ten aanzien van de toekomstige positie van de sociale fondsen. De regering stelt in haar memorie van toelichting (blz. 39) voor om het fondsbeheer onder te brengen bij de SVB respectievelijk het Gib. Zij sloten zich aan bij de eerder gestelde vraag welke ontwikkelingen de regering tot de overtuiging hebben gebracht dat het voorkeur verdient om het fondsbeheer bij SVB en Gib onder te brengen in plaats van een apart, tripartite bestuurd fondseninstituut. De leden van de fractie van D66 vonden het bepaald geen heldere verantwoordelijkheidsverdeling om de fondsen bij Gib en SVB onder te brengen. Daarentegen konden zij een apart -tripartiet -fondseninstituut veel beter plaatsen. Uit een oogpunt van een heldere besturingsfilosofie zagen zij een apart fondseninstituut als een goed alternatief aangezien de uitvoering op die manier niet uitsluitend zelf verantwoordelijk zal zijn voor het beheer van hun gelden Wat betreft de toekomstige positie van de SVB-fondsen is de regering van mening dat deze bij de SVB ondergebracht moeten blijven. De leden van de D66-fractie zagen graag een nadere argumentatie tegemoet waaruit duidelijk wordt waarom deze fondsen niet eveneens ondergebracht zouden kunnen worden in één rechtspersoonlijkheid bezittend fondseninstituut. Het feit dat de huidige vier fondsen (AAf, Aof, AWf en Tf) organisatorisch in èén instantie zullen worden ondergebracht is -naar de mening

van de hier aan het woord zijnde leden -overigens wel een positief te waarderen vereenvoudiging.

HOOFDSTUK 6. UITVOERING IN DE REGIO

De leden van de fractie van Groen Links waren van mening dat een goede uitvoeringsorganisatie een zekere mate van flexibiliteit dient te hebben. Uiteraard hangt dit criterium mede samen met de vraag of voor een bedrijfstakgewijze of voor een regionale indeling gekozen wordt. Eveneens hangt de mate waarin flexibel geopereerd kan worden samen met de vraag of gekozen wordt voor een onafhankelijke bestuursstructuur of voor sterke bestuursverantwoordelijkheid van de sociale partners. De leden van de fractie van Groen Links hadden de indruk gekregen dat het wetsvoorstel kiest voor een vrij sterke centralisatie en coördinatie door het Gib, en in het verlengde daarvan het Ctsv. Zij vroegen of een dergelijke tendens tot centralisatie niet op gespannen voet kan komen te staan met de noodzaak een beleid te voeren dat aansluit bij de regionale problematiek en behoeften. Kan de regering de door haar gedane voorstellen nog eens nader motiveren in het licht van het spanningsveld tussen centralisatie enerzijds en differentiatiebehoefte anderzijds?

De leden van de fractie van de SGP stonden positief tegenover een verdergaande regionalisering van de organisatie van de sociale verzekeringen. Voorwaarde daarvoor is een drastische reductie van het aantal bedrijfsverenigingen. Deze leden waren van mening dat de bestaande bedrijfsverenigingen niet meer voldoende aansluiten bij de actuele gang van zaken in het bedrijfsleven. In plaats van opbouwend werken de bedrijfsverenigingen daardoor eerder belemmerend. Deze leden drongen er dan ook bij de regering op aan om op korte termijn over te gaan tot realisatie van deze voornemens. Welke initiatieven zal de regering in dezen ontwikkelen?

De leden van de GPV-fractie waren van oordeel dat een goede en effectieve uitvoering van sociale verzekeringen staat of valt met een soepel lopende samenwerking met de arbeidsvoorzieningsorganisatie. Deze leden namen kennis van het standpunt van de regering dat ook de positie van het Gib weer ter discussie zal komen als de rol van de bedrijfsverenigingen verandert. Dat doet de vraag rijzen naar de opportuniteit van dit onderdeel van de voorstellen. Een van de grote problemen bij de uitvoeringsorganisatie op dit moment is dat de bedrijfsverenigingen bedrijfstaksgewijs zijn georganiseerd terwijl de arbeidsvoorziening regionaal is georganiseerd. Een complete omslag naar regionaal georganiseerde bedrijfsverenigingen zal op dit moment wel een brug te ver zijn, maar kan wel een eerste stap zijn, niet om de bedrijfsverenigingen te stimuleren c.q. te dwingen regionaal onder één dak te komen, het liefst hetzelfde dak als van het RBA, maar om in ieder geval dicht in de buurt te gaan zitten. Is dit niet het minste dat van een moderne klantgerichte organisatie mag worden verwacht?

HOOFDSTUK 7. FINANCIEEL ECONOMISCHE CONSEQUENTIES

Met betrekking tot de financiële aspecten, onderscheidt de regering de eenmalige implementatiekosten en de structurele financiële gevolgen van de wijziging van de OSV. De leden van de fractie van de SGP waren van mening dat de toelichting op deze financiële aspecten te summier is.

Wat de eenmalige invoeringskosten betreft, stelt de regering dat die grotendeels afhankelijk zijn van de invulling die de uitvoeringsorganisaties zelf aan de wijzigingen geven. Daarentegen wilden de leden van de fractie van de SGP een schatting van de regering hoe groot deze eenmalige invoeringskosten zijn en uit welke elementen zij zijn opgebouwd. Wat betreft de structurele financiële aspecten beperkt de regering zich tot de personeelskosten. Een belangrijk doel van de wijziging van de OSV is een meer efficiënt werkende organisatie, en dat zou, volgens de leden van de fractie van de SGP, meer moeten betekenen dan alleen een besparing op de personeelskosten. Zij dachten daarbij met name aan de positieve effecten van een geïntegreerde gevalsbenadering. Het argument dat de regering zich niet wil rijk rekenen, vonden de leden van de fractie van de SGP weinig steekhoudend. Ook op dit punt vroegen zij derhalve van de regering een deugdelijk onderbouwde financiële toelichting.

Het lid van de RPF-fractie had er kennis van genomen dat de regering de SVr heeft verzocht om onderzoek te verrichten naar de huidige opbouw van de uitvoeringskosten. Hij vroeg of het niet raadzaam zou zijn geweest de resultaten van dit onderzoek af te wachten, alvorens tot allerlei ramingen wordt overgegaan. Is de onderbouwing van de nu gepresenteerde cijfers wel serieus te nemen, als onvoldoende inzicht bestaat in de opbouw van de uitvoeringskosten?

De voorzitter van de commissie, Doelman-Pel

De wnd. griffier van de commissie, Van Overbeeke

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.