Brief van De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

1 Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 11 juni 1993

Naar aanleiding van de vragen en opmerkingen gesteld door leden van uw Kamer tijdens de regeling van werkzaamheden op 10 juni j.l. (zie bijlage) met betrekking tot het bericht in de Volkskrant van die datum, dat de uitvoeringsorganisatie voornemens is het synthesemodel landelijk in te voeren, bericht ik u het volgende.

Ik ben van mening dat het niet mogelijk is het synthesemodel volledig te implementeren zolang de huidige Organisatiewet Sociale Verzekering (OSV) geldt. Dit neemt echter niet weg dat het een goede zaak is indien de betrokken instanties binnen de kaders van de huidige wet reeds zoveel mogelijk hun uitvoering inrichten conform de doelstellingen van het synthesemodel. Dit standpunt is ook door mijn ambtsvoorganger ingenomen, onder meer in antwoord op de door mevrouw Groenman op 15 oktober 1992 gestelde vragen.

De situatie die zich nu voordoet is de volgende. Op 1 september 1992 is in Eindhoven een pilot van start gegaan waarbij geëxperimenteerd wordt met geïntensiveerde gevalsbehandeling. Het gaat hierbij om het vroeger inzetten van arbeidskundige en sociaal-medische expertise en versterking en sturing van de gevalsbehandeling. De Toezichtkamer constateerde bij het verlenen van goedkeuring voor deze pilot dat een en ander past binnen de huidige OSV, welk standpunt ik deel. Naar aanleiding van de evaluatie van dit project zijn de presidia van Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK), Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) en Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) voornemens om over te gaan tot landelijke implementatie van de pilot Eindhoven. Van deze voornemens ben ik heden schriftelijk in kennis gesteld. Van de betreffende brief doe ik u hierbij een afschrift toekomen.1

Ik ben van mening dat landelijke implementatie van het uitvoeringsproces zoals toegepast in Eindhoven past binnen de kaders van de Aan de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid Hierbij zend ik u het stenografisch verslag van het ordedebat van heden toe. Met deze brief breng ik het verzoek van de heer Linschoten over en vraag u mij te willen berichten of u aan dit verlangen kunt voldoen.

W. J. Deetman

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Vanmorgen stond er in de Volkskrant een interessant bericht met de kop «Opsplitsen van GMD krijgt informele steun van de coalitie». Ik wil dit punt bij de regeling van werkzaamheden aan de orde stellen, omdat in het bericht staat dat de uitvoerders van de sociale verzekering het door hen gewenste synthesemodel -een ingewikkelde kreet, maar dat betreft hun wens met betrekking tot de manier waarop de uitvoeringsorganisatie er in de toekomst moet gaan uitzien -voor het gehele land wensen in te voeren, conform een pilotproject dat op dit ogenblik in Eindhoven loopt. Interessant bij dat bericht was de mededeling van de voorzitter van de FBV dat, als dit ging gebeuren, dit een onomkeerbaar element was in de reorganisatie. Nu doet zich daarbij het probleem voor dat wat men wil, in strijd is met de huidige wet. Er is weliswaar een wetsontwerp ingediend om daaraan tegemoet te komen, maar wat men wil, is in strijd met de bestaande wet. Het artikel meldt vervolgens dat deze actie, in strijd met de bestaande wet, informeel wordt toegestaan door de Toezichtkamer van de SVR. Het bericht meldt bovendien dat men bij de woordvoerders van de PvdA en het CDA gecheckt heeft of men dit wel of niet wil steunen. Ik zeg het nu met mijn eigen woorden. De betrokken voorzitter van de federatie is niet bij mij of bij woordvoerders van D66 en Groen Links langs geweest. Hij heeft het blijkbaar voldoende geacht om bij de coalitiepartijen te checken of er steun is voor een dergelijke situatie die in strijd is met de wet. Dat kan natuurlijk niet. Wetten behoren hier in een debat in de Kamer besproken te worden. Niet alleen regeringspartijen zijn betrokken bij wetgeving, maar dit hele parlement en de Eerste Kamer. Ik vind dit dus een onbevredigende gang van zaken. Ik vraag u, voorzitter, de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de Kamer te laten berichten of het verhaal in de Volkskrant klopt, of hij daarvan op de hoogte was en of hij dit een aanvaardbare gang van zaken vindt. Mijn eerste gedachte was om de staatssecretaris vandaag te interpelleren, maar dat schijnt enige problemen met zich te brengen. Het lijkt mij een goede procedure om de staatssecretaris te vragen wat er waar is van dit bericht, zodat wij -als het antwoord wellicht voor dit weekend is verschenen -het erop kunnen aansturen dat daarover volgende week een debat plaatsvindt. Dat is mijn verzoek.

Mevrouw Brouwer (Groen Links): Voorzitter! Ik kan mij aansluiten bij het verzoek met de opmerking dat, zelfs als zou zijn getoetst bij een partij als Groen Links, het even ernstig is om vooruit te lopen op de wetgeving. De wetgeving is uiteindelijk de basis waarop dit soort zaken moet worden geregeld Mevrouw Groenman (D66): Ik vind het verstandig dat de nieuwe staatssecretaris om een brief wordt gevraagd. Ik wijs hem erop dat D66 verleden jaar vragen heeft gesteld naar aanleiding van een heel traject dat door de FBV was voorgesteld. Ik heb daarover vragen gesteld en antwoorden gekregen. Het lijkt mij dat hij die eventueel in de brief moet verwerken. De voorzitter: Ik neem aan, dat het om schriftelijke vragen gaat.

Mevrouw Groenman (D66): Schriftelijke vragen van 15 oktober 1992 en beantwoord op 11 november 1992.

De voorzitter: Ik vraag dit in verband met de conclusie straks. Zijn deze vragen nog niet beantwoord?

Mevrouw Groenman (D66): Ze zijn op 11 november 1992 beantwoord. De voorzitter Wat wilt u dan met de antwoorden?

Mevrouw Groenman (D66): Dat de staatssecretaris zich even herinnert dat aan zijn voorgangster mooie vragen zijn gesteld en dat geantwoord is dat je niet vooruit kunt lopen op de wet en dat er nu iets anders dreigt te gebeuren.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Voorzitter! Ik kan mij aansluiten bij het verzoek van de heer Linschoten om de staatssecretaris hierover een brief te vragen. Dan kunnen wij beoordelen wat wij verder met deze kwestie doen. Voorts komt het mij voor dat er sinds november 1992 wel enige voortgang is geweest, ook wat dit onderwerp betreft. Dan is het niet vreemd dat er verder gewerkt en gedacht wordt, ook in de organisaties, aan respectievelijk over de toekomst. De SVR, althans de toezichtkamer, heeft wel degelijk toestemming gegeven om op die manier verder te werken. Ik weet zeker dat het ook voor de heer Linschoten het allerbelangrijkst is dat er een goed volumebeleid gevoerd wordt en dat uiteindelijk de resultaten tellen. Daarbij wordt soms vooruitgelopen op de wetgeving. Dat is ook door deze Kamer toegestaan. Er is wat dit betreft dus wel degelijk iets meer aan de hand dan het vooruitlopen op. Ik kan mij dus bij het verzoek aansluiten. Tot slot merk ik op dat ik graag intermediair ben in de communicatie tussen de heer Linschoten en de Federatie van bedrijfsverenigingen om ervoor te zorgen dat zij zich ook bij hem meldt met haar goede ideeën.

Mevrouw Doelman-Pel (CDA): Voorzitter! Het lijkt mij erg verstandig als wij om die brief vragen. De CDA-fractie kan dus met het verzoek instemmen. Dan kan ook even gevraagd worden welke actie de staatssecretaris in de richting van de SVR heeft ondernomen en of deze projecten eventueel beschouwd kunnen worden als pilotprojecten, vooruitlopend op de wetgeving. Ik meld nog even dat de Organisatiewet nu bij de Kamer ligt. De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft besloten om binnenkort het voorlopig verslag uit te brengen.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! Het verzoek wordt gelukkig ondersteund. Dus daarover hoef ik niets meer te zeggen. Ik wil nog wel even reageren op de opmerkingen van mevrouw Van Nieuwenhoven. Dit staat even los van de vraag hoe je tegen het synthesemodel aankijkt en hoe je over volumebeleid denkt. Over die zaak bestaat geen consensus, ook niet in deze Kamer. Het is dan ongepast om in strijd met de bestaande wet, eventjes wat woordvoerders en regeringspartijen te consulteren om na te gaan of je, in strijd met de wet, je gang kunt gaan. Dat is achterkamertjespolitiek in optima forma. Los van een inhoudelijk standpunt, kan dat van geen kanten! Dat weet mevrouw Van Nieuwenhoven net zo goed als ik.

Mevrouw Van Nieuwenhoven (PvdA): Voorzitter! Nu wordt het belangrijk om de tekst te citeren. De heer Linschoten heeft het bericht zojuist in zijn woorden weergegeven. Er staat: de Federatie van bedrijfsverenigingen heeft heeft -er staat twee keer «heeft»; dat heeft de eindredacteur er niet uitgehaald -voor het verder gaan met het synthesemodel informeel goedkeuring gekregen van de toezichtkamer; een delegatie van de FBV heeft de fractiespecialisten van CDA, P. Biesheuvel, en PvdA, J. van Nieuwenhoven, hierover gepolst; ook zij hebben toegezegd dat zij het synthesemodel blijven steunen. De heer Biesheuvel en ik hebben dus gezegd dat wij dat blijven steunen. Ik was erbij, dus ik mag dit rustig zeggen. Ter informatie van de heer Linschoten kan ik eraan toevoegen dat wij gezegd hebben, dat dit onveriet laat dat wij keurig het voorlopig verslag over de OSV in onze fracties zullen brengen en dat men dan pas zeker weet hoe beide fracties erover denken.

De heer Linschoten (VVD): Voorzitter! ...

De voorzitter: Wij gaan nu niet in debat. U hebt uw punt duidelijk kunnen verwoorden in twee termijnen. Dit geldt ook voor mevrouw Van Nieuwenhoven. Uiteindelijk gaat het om een brief die de Staatssecretaris van Sociale Zaken zal moeten verzenden. Door toezending van het uitgewerkte stenogram van dit deel van de vergadering zullen hem de ins en outs van de gevoelens wel duidelijk worden, opdat een adequate brief verstuurd kan worden. Op grond van die brief zullen wij verder besluiten over de handelwijze.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.