Advies raad van state, nader rapport - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

ADVIES RAAD VAN STATE

Aan de Koningin

's-Gravenhage, 24 maart 1993

Bij Kabinetsmissive van 30 december 1992, no. 92.012081, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voorstel van wet met memorie van toelichting, houdende de aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen.

  • Algemeen

1.1. In de inleiding van de memorie van toelichting (1.1) wordt gesteld dat dit wetsvoorstel er slechts toe strekt om de meest urgente knelpunten uit de huidige Organisatiewet Sociale Verzekering (OSV) op te lossen. Als belangrijkste knelpunten worden vervolgens genoemd: a. het bestaan van gescheiden trajecten en verantwoordelijkheden bij de uitvoering van de Ziektewet (ZW), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW); b. het niet helder geregelde toezicht; c. het ontbreken van een duidelijke structuur voor de beheersing van de kosten van de uitvoering;

NADER RAPPORT

Aan de Koningin

's-Gravenhage, 7 mei 1993

Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 30 december 1992, nr. 92.012081, machtigde Uwe Majesteit de Raad van State zijn advies inzake het bovengenoemd voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen. Dit advies, gedateerd 24 maart 1993, nr. W. 12.92.0650 bied ik u hierbij aan.

Het advies van de Raad van State geeft mij aanleiding tot de volgende opmerkingen.

  • Algemeen

Alvorens de afzonderlijke onderdelen van het advies van de Raad te bespreken heb ik er behoefte aan in meer algemene zin op dat advies te reageren. De Raad ontraadt na uitvoerige argumentatie het voortgaan op de met dit voorstel ingeslagen weg. De Raad onderkent dat een aantal aanpassingen van de bestaande uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen (bevordering geïntegreerde gevalsbehandeling, het verschaffen van een wettelijke basis aan de huidige Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) en nadere regeling van het toezicht) nodig is, maar adviseert niet verder dan die enkele aanpassingen te gaan. Ik ben het met de Raad eens, dat het op zijn minst twijfelachtig is of voor wijzigingen 312926F ISSN09217371 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's Gravenhage 1993

  • het gebrek aan sturing van de uitvoering van de sociale verzekeringen in de regio. De tekortschietende beheersing van het volumebeleid en daarmee van het uitgavenniveau van de sociale zekerheid is in deze opsomming niet opgenomen, hoewel dit gebrek aan beheersing naar het oordeel van de Raad van State de kern van het probleem raakt dat het wetsvoorstel beoogt te beïnvloeden. De Raad is zich er van bewust dat deze problematiek verder reikt dan de bemoeienissen van de bedrijfsverenigingen. Zo zal het terugdringen van het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen stellig een toeneming van het aantal werkloosheidsuitkeringen tot gevolg hebben. Zolang het algemene werkgelegenheidsbeleid er niet toe leidt dat in voldoende mate aanbod van werk, ook voor gedeeltelijk arbeidsongeschikten, wordt opgeroepen, moet onder ogen worden gezien dat inspanningen van uitvoeringsorganen er slechts toe leiden dat de betrokken (gedeeltelijk) werkloze werknemer van het ene wettelijke uitvoeringscircuit in het andere circuit komt zonder dat van de beoogde herintreding sprake kan zijn. Het effect van die inspanningen resulteert dan slechts in een verschil in niveau van uitkering, waarbij opwaartse druk op het uitkerïngenniveau blijft bestaan. Deze druk zal eerst worden weggenomen als in voldoende mate de mogelijkheid van herintreding in het arbeidsproces aanwezig is. Oplossingen moeten dan komen vanuit het algemene werkgelegenheidsbeleid. Wel binnen de gezichtskring van genoemde uitvoeringsorganen liggen andere elementen van het volumebeleid. Zo dient er zoveel mogelijk naar te worden gestreefd dat de voorwaarden waaronder de uitvoeringsorganen moeten werken helder zijn geformuleerd. De taakstelling van deze organen, die erop is gericht gezonde en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werklozen te begeleiden en zo mogelijk terug te brengen naar de arbeid, alsmede het voorkomen dat sociale zekerheidsuitkeringen ten onrechte of op een te hoog niveau worden genoten, vereist naast een zo eenvoudig mogelijke regelgeving een deskundige staf, een doorzichtige organisatie en goede communicatielijnen. Wijziging van de regelgeving die beoogt in een beperkt kader de

van een dergelijke relatief beperkte strekking de presentatie van een op het oog compleet vernieuwde Organisatiewet Sociale Verzekeringen (OSV) nodig zou zijn. De vraag is, of het gegeven de huidige stand van de ontwikkelingen in de uitvoeringsorganisatie en de actuele politieke en maatschappelijke ontwikkelingen, bij deze aanpassingen kan blijven. Op dit punt verschil ik met de Raad van mening. Ik kom daar in het vervolg nog op terug. Als ik de hoofdlijn van de redenering van de Raad zeer kort mag samenvatten -hierna wordt op de afzonderlijke punten uiteraard nog uitvoerig teruggekomen -dan stel ik vast dat de Raad zijn oordeel baseert op enerzijds de terechte constatering dat voor een goede uitvoering in een tijd waarin zoveel in de materiewetten verandert een stabiele uitvoeringsorganisatie nodig is, onder meer om stagnatie in de uitbetaling te voorkomen, en anderzijds dat binnen de uitvoering al enkele veranderingen aan de gang zijn (samenwerking Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) en Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) en de inrichting van de Toezichtkamer bij de Sociale Verzekeringsraad (SVr)) die de gelegenheid moeten hebben zich nader te ontwikkelen voordat onomkeerbaar wordt ingegrepen. Hier wordt geraakt aan een van de belangrijkste punten van verschil van inzicht tussen de Raad en mij: in werkelijkheid is er op dit moment geen sprake van een stabiele uitvoering, althans niet als het gaat om de uitvoering van de werknemersverzekeringen en de AAW.

De ontwikkelingen die nu aan de gang zijn anticiperen voor een belangrijk deel op eerdere aankondigingen van kabinetsvoornemens. Steun aan die ontwikkelingen door aanbieding van een daaraan aangepast eigentijds wettelijk kader is noodzakelijk, wil -en ik zeg dit zonder overdrijving -de uitvoering niet een aanzienlijke kans lopen in chaos en onderlinge competentiegeschillen ten onder te gaan. Het staat vast dat de cliënten -wier belang door de Raad terecht voorop wordt gesteld -daarvan de meeste schade zouden ondervinden.

Een ander belangrijk verschil van inzicht betreft de appreciatie van de meest urgente knelpunten op te lossen dient dan ook aan de noodzaak van een betere beheersing van de laatstbedoelde elementen van het volume-beleid en uitgavenniveau bij te dragen.

1.2. In de memorie van toelichting (1.1) wordt vooropgesteld dat ondanks een decennia lange voorgeschiedenis geen nieuwe uitvoeringsorganisatie wordt gepresenteerd. Uit de tekst van het wetsvoorstel en de gegeven toelichting volgt echter dat het hier wel degelijk om de vormgeving van een nieuwe uitvoeringsorganisatie gaat. In dit verband kan worden gewezen op het met het wetsvoorstel beoogde verdwijnen van de Sociale Verzekeringsraad (SVr), de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), en het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) in de huidige vorm, de regionalisering van de bedrijfsverenigingen, nieuwe samenwerkingsvormen tussen bedrijfsverenigingen, bedrijfsgezondheidsdiensten en Regionale Arbeidsbureaus (RAB's), de introductie van nieuwe of althans in formeel opzicht nieuwe elementen in de gehele organisatie van de sociale zekerheid door de beoogde totstandkoming van het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) en de formalisering van de Federatie van Bedrijfsverenigingen in het Gemeenschappelijk Instituut van de bedrijfsverenigingen (Gib), grote personele verschuivingen van oude naar al dan niet nieuwe andere organisaties met een belangrijke vermindering van het aantal arbeidsplaatsen, en tenslotte, in meer materiële zin, de aanscherping van het overheidstoezicht. Weliswaar blijven de bedrijfsverenigingen en de Sociale Verzekeringsbank (Svb) als instellingen bestaan, maar door verschuivingen van toezichtfiguren en taken komen ook deze instellingen in een ander verband te functioneren. Gelet op alles, dat hiervoor is genoemd, kan naar de mening van de Raad bezwaarlijk worden volgehouden dat hier geen nieuwe uitvoeringsorganisatie wordt gepresenteerd. 1.3. Opmerking verdient dat de memorie van toelichting vermeldt (1.2) dat op 8 september 1989 een voorontwerp van wet over de nieuwe OSV voor advies is aangeboden aan verschillende instanties die vervolgens in 1990 advies hebben noodzaak om ook de andere knelpunten, waarop dit voorstel betrekking heeft, op te lossen. De Raad stelt dat de tekortschietende beheersing van het volume en het uitgavenniveau van de sociale zekerheid de kern van het probleem raakt dat het wetsvoorstel poogt te beïnvloeden (1.1). Dit is zeker één van de belangrijkste problemen -de toelichting is op dit punt uitgebreid -maar niet het enige. Er is naar mijn oordeel tevens sprake van de noodzaak te voorzien in een -thans geheel ontbrekend -instrumentarium om te komen tot beheersing van de uitvoeringskosten. Ook de inrichting van een van de uitvoerders onafhankelijk toezicht op de rechtmatige, effectieve en efficiënte verdeling van meer dan een kwart van het nationaal inkomen is een eis van deze tijd, die niet meer kan worden genegeerd. Ik kom op deze punten verderop uiteraard veel uitvoeriger terug. Reeds hier wil ik vaststellen dat er een zodanig aantal op te lossen knelpunten is, dat niet kan worden volstaan met wijziging van de bestaande organisatiewetgeving. Om de voorgestelde oplossingen consistent te regelen is samenvoeging in een eigenstandig wetsvoorstel -dat de uitvoering «aan de voet» overigens grotendeels ongemoeid laat -verreweg het eenvoudigst en uit een oogpunt van helderheid van wetgeving naar mijn mening niet te vermijden.

Gelet op het advies van de Raad van State kom ik dan ook tot de conclusie dat het nemen van een aantal maatregelen, waarvan de noodzaak nadrukkelijk vast staat, niet langer uitgesteld kan worden. Deze maatregelen betreffen het bevorderen van de geïntegreerde gevalsbehandeling, het geven van een wettelijke grondslag aan de FBV door het instellen van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib) en een nadere regeling van het toezicht op de uitvoeringsorganisatie. In § 2 wordt gemotiveerd aangegeven waarom het bevorderen van de geïntegreerde gevalsbehandeling niet mogelijk is zonder de opheffing van de GMD als zelfstandige organisatie. De Raad adviseert positief over het geven van een wettelijke grondslag aan de FBV. § 3 bevat een uitvoerige beschouwing over het toezicht. Daaruit blijkt waarom het instellen van een onafhankelijk uitgebracht. Geheel voorbijgegaan wordt echter aan het feit dat bedoeld voorontwerp op zeer essentiële punten verschilde van het thans voorliggende ontwerp, waarbij opheffing van de SVr wordt beoogd en elementen waarop de kritiek zich toen reeds richtte (zoals een uitgebreid sturingsinstrumentarium van de mmister) nog worden versterkt. Alleen de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten (Ctw) heeft opnieuw -op 3 juli 1992 -advies uitgebracht. Dit advies leidt tot de conclusie dat het wetsvoorstel niet verder in procedure moet worden gebracht. Op dit scherp afwijzende advies wordt in de toelichting niet ingegaan noch op de hiervoor weergegeven gang van zaken, waarbij een verplicht adviesorgaan wordt opgeheven, zonder dat zelfs aan dit orgaan en andere organen gelegenheid tot reactie is geboden. Nadere advisering door althans de Sociaal-Economische Raad (S.E.R.) en de SVr behoort naar de mening van de Raad bij voorstellen van een zo ingrijpende aard uit een oogpunt van zorgvuldigheid plaats te vinden.

1.4. De algehele vernieuwing van de uitvoeringsorganisatie wordt voorgesteld op een tijdstip, waarop zich ontwikkelingen voordoen, waarvan de resultaten waren af te wachten alvorens te besluiten tot drastische ingrepen die niet zonder ernstige bezwaren in een later stadium weer ongedaan kunnen worden gemaakt. a. Allereerst moet worden gewezen op de opdracht die aan een op 1 september 1992 benoemde parlementaire enquêtecommissie is verstrekt (Stcrt. 10 september 1992) tot het instellen van een onderzoek naar het functioneren van de organen belast met de uitvoering van de sociale verzekeringswetten, in het bijzonder de Werkloosheidswet, de ZW, de AAW, de WAO en, voor zover aan deze wetten gerelateerd, de Toeslagenwet. Dit onderzoek betreft de centrale vraag «hoe een buitengewoon complexe organisatie, bestaande uit vele deels onafhankelijke organen en geledingen, een evenzeer complexe wet-en regelgeving implementeert en of die implementatie optimaal recht doet aan de doelstellingen van die wet-en regelgeving» (Kamerstukken 22730). Verwacht mag worden dat uit de resultaten van dit onderzoek -waartoe een inventarisatie is toezicht op korte termijn geboden is. Dit overwegende, kom ik tot de conclusie dat in ieder geval de opheffing van de GMD, het mstellen van het Gib en het tot stand brengen van een volledig onafhankelijk toezicht onderdelen van het wetsvoorstel dienen te zijn.

De budgettering van de uitvoeringskosten behoeft hier enige extra aandacht. Blijkens het advies is de Raad van mening dat budgettering op dit moment ontraden moet worden. De belangrijkste argumenten die daarvoor aangevoerd worden meen ik echter op goede gronden te kunnen weerleggen. Daarvoor verwijs ik naar § 4 van dit rapport. Bovendien merk ik daarbij op dat zonder budgettering de bewindslieden van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de facto niet kunnen worden aangesproken op de ontwikkeling van de uitvoeringskosten. Handhavlng van die onderdelen van het wetsvoorstel, waarin de Raad zich kan vinden en die hoogst noodzakelijk geacht worden ter bestrijding van de problematiek in de uitvoeringsorganisatie, inclusief de budgettering van de uitvoeringskosten, betekent dat het voorliggende wetsvoorstel op hoofdlijnen gehandhaafd kan worden. Het advies van de Raad van State heeft echter aanleiding gegeven tot een zorgvuldige heroverweging betreffende de overige onderdelen van het voorstel. Deze heroverweging heeft geleid tot een aantal aanpassingen.

De regeling die het mogelijk maakt tijdelijke voorzieningen te treffen, zo nodig in afwijking van de wet, waarmee wordt bevorderd dat zo min mogelijk een beroep behoeft te worden gedaan op wetten die de bedrijfsvereniging uitvoert, is gewijzigd. Dergelijke voorzieningen kunnen via een algemene maatregel van bestuur getroffen worden. Ik neem daarbij de argumentatie van de Raad, die stelt dat het onjuist is om aan een privaatrechtelijke rechtspersoon de bevoegdheid te geven de formele wet terzijde te stellen, over. Op grond van het aangepaste wetsartikel kan slechts de OSV terzijde gesteld worden. Tevens verwijs ik op dit punt naar § 27.

De op een aantal plaatsen uitdrukkelijk geformuleerde verplichting van het Ctsv, respectievelijk de SVb, het opgemaakt en beschikbaar gesteld van alle in het afgelopen decennium in de betrokken wetten aangebrachte wijzigingen -gegevens zullen voorkomen die een actueler inzicht verschaffen dan de gegevens waarop het wetsvoorstel is gebaseerd. b. Voorts moet worden vastgesteld dat in de bestaande organisaties inmiddels veranderingen zijn doorgevoerd die in de richting werken zoals thans wordt voorgesteld zonder dat daartoe wetswijziging nodig was. -De GMD en het GAK met de zelf administrerende bedrijfsverenigingen hebben op 25 oktober 1991 besloten tot nauwe samenwerking en het integreren van taken en experimenteren sindsdien met nieuwe werkvormen. -De SVr heeft op 16 januari 1992 een Toezichtkamer ingesteld en daaraan met name omschreven bevoegdheden inzake de toezichtstaken gedelegeerd (Staatscourant van4 februari 1992). De meerderheid van deze kamer (de helft van de 12 leden en de voorzitter) wordt gevormd door onafhankelijke, door de minister respectievelijk de Kroon benoemde, personen. Naar de Raad meent, ligt het voor de hand om deze nieuwe samenwerkingsvormen en dit toezicht, die een positief beeld tonen, de gelegenheid te geven zich nader te ontwikkelen, voordat -door opheffing van de GMD en de SVr -onomkeerbaar wordt ingegrepen.

1.5. Bij dit alles komt als verzwarende omstandigheid dat recente wetsvoorstellen als de Algemene nabestaandenwet, de Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen, de Wet terugdringing ziekteverzuim, de gewijzigde Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de gewijzigde Arbeidsomstandighedenwet en de gewijzigde Algemene Bijstandswet een grote druk zullen leggen op de uitvoeringsinstanties en hun medewerkers. Het vraagt een bijzondere inspanning van alle betrokkenen om de ingrijpende en zeer gedetailleerde wijzigingen in de praktijk door te voeren. Daarbij dient voorop te staan dat uitkeringsgerechtigden ondanks deze wijzigingen er van verzekerd moeten zijn dat geen stagnatie in de uitbetaling ontstaat en dat voortdurend actuele voorlichting wordt verstrekt en begeleiding wordt verleend. Alleen al Gib, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen om overeenkomstig een aanwijzing te handelen is vervallen Hierbij sluit ik me aan bij het standpunt van de Raad dat het verplichtend karakter van een aanwijzing reeds besloten ligt in het gebruik van het woord «aanwijzing» en derhalve niet expliciet in de wettekst behoeft te worden opgenomen. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid draagt verantwoordelijkheid voor de wijze waarop hij zijn bevoegdheden ten aanzien van de uitvoeringsorganisatie uitoefent. Ten behoeve hiervan kan hij over informatie van het Ctsv en de uitvoeringsinstanties beschikken. Daarnaast bestaat een informatiebehoefte, die volgt uit de beleidsvoorbereidende taken op het terrein van de sociale verzekeringen. Hiertoe was in het oorspronkelijke wetsvoorstel een informatieplicht van het Ctsv aan de minister opgenomen. Het is niet strikt noodzakelijk om beide elementen van de informatievoorziening afzonderlijk in de wet op te nemen. Uit vereenvoudigingsoogpunt zijn derhalve de artikelen 21 tot en met 23 vervallen en is de memorie van toelichting met betrekking tot de informatievoorziening nader gestructureerd. Voor een nadere beschouwing hieromtrent verwijs ik naar § 12 van dit nader rapport.

In overeenstemming met het wetsvoorstel afschaffing adviesverplichtingen zijn alle adviesverplichtingen voor zover het betreft advisering over nadere regelgeving en algemeen beleid, uit het wetsvoorstel verwijderd. Hiermee wordt beoogd onnodige belasting van het beleids-en wetgevingsproces en de daarbij betrokken actoren te vermijden.

1.1 De Raad constateert dat de tekortschietende beheersing van het volume en daarmee van het uitgavenniveau van de sociale zekerheid niet genoemd wordt als één van de belangrijkste knelpunten die de reden voor het voorliggende wetsvoorstel vormen.

Met de Raad ben ik van mening dat de volume en uitgavenontwikkeling van de sociale zekerheid een belangrijk aandachtspunt in dit kader moet zijn. Juist de vier belangrijkste binnen de ongeschiktheidsverzekeringen gaat het om individuele herberekeningen ten aanzien van een groot deel van het WAO-en AAW-bestand en om enkele honderdduizenden medische en arbeidskundige (her)beoordelingen alsmede om de vaststelling van de daaruit voortvloeiende voor beroep vatbare beslissingen. Bij de eerdere stelselherziening is gebleken dat een lange periode van aanpassing noodzakelijk is en dat daarbij fouten en lacunes in de regelgeving naar voren komen die vervolgens door reparatiewetgeving moeten worden hersteld (nieuwe Werkloosheidswet). De Raad heeft bij herhaling gewezen op de problematiek van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid die door de steeds opnieuw gewijzigde gecompliceerde wetsvoorstellen wordt opgeroepen. Deze problematiek kan naar zijn oordeel slechts dan met enig succes worden gehanteerd, als sprake is van een stabiele organisatiestructuur, waarin de medewerkers zich volledig en met inzet op hun taken kunnen concentreren. Een tijdstip waarop zo talrijke en ingrijpende wetswijzigingen plaatsvinden, leent zich in het geheel niet om tegelijkertijd ook in de uitvoeringsstructuur diep in te grijpen door opheffing, verplaatsing, ontslagen en «personele verschuivingen» (tabel, memorie van toelichting (7.2.5)).

1.6. Verdere vragen over de opportuniteit van de voorgestelde regeling dringen zich op waar blijkt dat de staatssecretaris het voornemen heeft om aan de S.E.R. nog een gerichte adviesaanvrage te doen toekomen over de nieuwe indeling van het bedrijfs-en beroepsleven (memorie van toelichting, paragraaf 6.1). Dit zou moeten leiden tot een sterke reductie van het aantal bedrijfsverenigingen. De discussie over het eindmodel van de uitvoering staat volgens de staatssecretaris evenwel nog pas «aan het begin» (memorie van toelichting, Hoofdstuk 6, Inleiding). Naar het de Raad voorkomt, zal de beoogde advisering dan ook van direct belang zijn voor de opzet van de uitvoeringsorganisatie, zodat het niet juist lijkt reeds nu met te zeer uitgewerkte nieuwe structuren te komen. Het vorenstaande dwingt te meer nu het kabinet verder het voornemen heeft de S.E.R. te vragen welke wegen hij knelpunten, genoemd in de memorie van toehchting, die ten grondslag liggen aan het onderhavige wetsvoorstel bemoeilijken de beheersing van het volume-en uitgavenniveau van de sociale zekerheid. Verwacht mag worden dat de oplossing van deze knelpunten een positieve bijdrage levert aan een betere beheersing van het volume en de uitgaven in de sfeer van de sociale zekerheid. Deze samenhang is in de memorie van toelichting verduidelijkt. Op dit punt zij ook verwezen naar de wetsvoorstellen Terugdringing Ziekteverzuim (TZ) en Terugdringing van het Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA). Ook het uitvoeringsveld en de Toezichtkamer constateren dat een effectief volumebeleid tegen de grenzen van de bestaande wetgeving en diens knelpunten aanloopt. Ovengens sluit ik aan bij de constatering van de Raad dat een goede uitvoering van de sociale zekerheid, zo eenvoudig mogelijke regelgeving, een deskundige staf, een doorzichtige organisatie en goede communicatielijnen vereist. Dit wetsvoorstel levert daaraan stellig een bijdrage. Het wetsvoorstel leidt immers tot aanzienlijk minder en eenvoudiger regelgeving dan thans het geval is. Ik verwijs op dit punt naar § 8.2 van de memorie van toelichting. Door het integreren van de taken van de GMD in die van de bedrijfsverenigingen wordt niet alleen het proces van gevalsbehandeling verbeterd maar wordt ook de organisatie van de uitvoering inzichtelijker en worden de (noodzakelijke) voorwaarden gecreëerd voor een aanzienlijk efficiëntere uitvoering.

Verder onderschrijf ik het betoog van de Raad dat voor een geslaagd volumebeleid een voldoende aanbod van werk van het grootste belang is. Daarop -op verbetering van de verhouding actieven/niet actieven -is het algemene werkgelegenheids-beleid van het kabinet gericht.

1.2 Naar de mening van de Raad kan bezwaarlijk worden volgehouden dat geen nieuwe uitvoeringsorganisatie wordt gepresenteerd. Daarbij wijst de Raad onder andere op het met het wetsvoorstel beoogde verdwijnen van de SVr en de GMD, de introductie van nieuwe elementen in de gehele organisatie van de sociale zekerheid en de aanscherping van het overheidstoezicht.

ziet om de concurrentie in de uitvoering van de sociale verzekeringen te bevorderen. Wordt eenmaal deze weg opgegaan dan ontstaat reeds hierom een extra complicatie, aangezien de invloed van het EEG-recht op dit specifieke rechtsgebied sterk zal gaan toenemen. In 's Raads advies over de «ontwerp-Wet stelselwijziging ziektekostenverzekering tweede fase» constateerde het college «dat de betrekkelijke exclusiviteit van een sociaal zekerheidsstelsel ten opzichte van het EEG-Verdrag haar grond vindt in de aanwezigheid van een in zich gesloten publiekrechtelijke ordening gericht op een specifiek sociale doelstelling, waarin marktelementen nagenoeg ontbreken.» (Kamerstukken II 1989/90, 21592, B). Wordt ervoor gekozen marktmechanismen in het sociaal zekerheidsstelsel te introduceren, dan zal de hier bedoelde exclusiviteit dus gaan verdwijnen. Gelet hierop, en in aanmerking nemende de onvoorziene effecten naar aanleiding van de voorgenomen introductie van marktelementen in de gezondheidszorg lijkt het van belang de met concurrentie samenhangende consequenties zorgvuldig te analyseren. 1.7. De Raad onderkent de wenselijkheid om het functioneren van de bestaande uitvoeringsorganisatie kritisch te bezien. Op grond van de vorenstaande overwegingen is de Raad echter van oordeel dat een vernieuwing van de uitvoeringsorganisatie door ingrijpende wijzigingen van de structuren en de personele samenstelling op dit tijdstip inopportuun is. In deze fase van verschillende samenlopende ontwikkelingen zal met name het onderzoek moeten worden afgewacht van de parlementaire enquêtecommissie, dat zich naast de wijze van uitvoering ook richt op de wijze van wetgeving. Het voorstel moet -in elk geval op dit tijdstip -worden ontraden. De Raad acht het evenals de Ctw aan te bevelen om wijzigingen van de OSV te beperken tot maatregelen die in de huidige situatie op eenvoudige wijze verbetering kunnen brengen. Gedacht kan daarbij worden aan bevordering van de geïntegreerde gevalsbehandeling en aan het geven van een wettelijke grondslag aan de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) alsmede aan een verdergaande verankering De vraag of in dit geval sprake is van wijziging in de bestaande structuur dan wel van het creëren van een nieuwe structuur is kennelijk voor uiteenlopende beantwoording vatbaar. Ik ben geneigd het eerste standpunt in te nemen, in hoofdzaak omdat «aan de voet» -de uitvoering in enge zin -voorshands weinig wordt veranderd. Kijkt men naar de «top» van de uitvoering (coördinatie, toezicht), dan ligt een andere zienswijze meer voor de hand. Overigens kan het zijn dat door de wijziging van de benaming van een aantal bij de uitvoering van de sociale zekerheid betrokken organisaties wellicht de indruk wordt gewekt dat het wetsvoorstel een ingrijpender wijziging van de bestaande uitvoeringsstructuur beoogt dan in werkelijkheid het geval is. Indien uitsluitend gelet wordt op de door de verschillende organisaties na de voorgestelde wetswijziging te vervullen taken blijkt dat de verschillen tussen de huidige en de toekomstige uitvoeringsstructuur relatief beperkt zijn. Dit geldt zoals gezegd in het bijzonder voor de organen die direct het verzorgen van uitkeringen en de daarmee nauw samenhangende werkzaamheden tot taak hebben. De GMD verdwijnt weliswaar, maar haar taken worden grotendeels ondergebracht bij bestaande organisaties. Het GAK heeft geen wettelijke grondslag meer maar kan als organisatie in de huidige vorm blijven bestaan. De reeds bestaande FBV krijgt een wettelijke basis als Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib) om buiten twijfel te stellen dat ook dit orgaan valt onder het toezicht. De bedrijfsverenigingen en de Sociale Verzekeringsbank (SVb) blijven echter in hun huidige vorm bestaan. Met betrekking tot de in het wetsvoorstel opgenomen voorstellen ten aanzien van het toezicht en het daarvoor verantwoordelijke orgaan het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) is wél sprake van een fundamentele wijziging ten opzichte van de huidige situatie. Op dit punt is overigens sprake van een uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer (motie Buurmeijer c.s. Kamerstukken II, vergaderjaar 1990-1991, 22011, nr. 7). De personele gevolgen die gemoeid zijn met het voorliggende wetsvoorstel zijn niet onaanzienlijk, en nadere regeling van de Toezicht- maar zij zijn in vergelijking met kamer van de SVr.

bijvoorbeeld de personele gevolgen die optreden als gevolg van de wetsvoorstellen TZ, TBA en de Wet Voorzieningen Gehandicapten (WVG) toch als beperkt te beschouwen.

1.3 De Raad merkt op dat het huidige ontwerp van wet op essentiële punten verschilt van het ontwerp dat voor advies is voorgelegd aan de verschillende adviesinstanties De Raad constateert dat niet wordt ingegaan op het enige advies dat wel over het huidige ontwerp is gegeven, het advies van de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten (Ctw) en meent vervolgens dat nadere advisering van de Sociaal-Economische Raad (SER) en de SVr op haar plaats zou zijn.

Ik kan het slechts in beperkte mate eens zijn met de opvatting van de Raad dat het huidige ontwerp op essentiële punten afwijkt van het voorontwerp dat voor advies is voorgelegd aan de diverse adviesinstanties. Waar het betreft het toezicht is dit zeker wel het geval. Toezicht is een essentieel punt in het huidige ontwerp dat sterk afwijkend van het voorontwerp is geregeld. In § 3 van dit nader rapport wordt inhoudelijk op het toezicht ingegaan. Op deze plaats acht ik de constatering van belang dat zowel de SER als de SVr in hun advisering uitgebreid zijn ingegaan op hun principiële opvattingen over het toezicht op de sociale verzekeringen. De SER bijvoorbeeld refereert op dit punt uitvoerig aan zijn advies uit 1984, en stelt dit onderwerp nog zeer recentelijk aan de orde in het advies «Convergentie en overlegeconomie» (92/15). Het kabinet was bij het opstellen van het huidige ontwerp goed op de hoogte van de opvattingen van de SER en de SVr ten aanzien van het toezicht op de sociale verzekeringen. Daarnaast is door de SVr, nadat hij het advies op 21 juni 1990 heeft uitgebracht, een discussie gevoerd over het toezicht op de sociale verzekeringen. Dit heeft geresulteerd in het instellen van een Toezichtkamer door de SVr. Gezien het feit dat het kabinet volledig op de hoogte is van de standpunten van de SER en de SVr ten aanzien van het toezicht is er geen noodzaak geweest om opnieuw aan deze instanties advies te vragen. De noodzaak om op zo kort mogelijke termijn ter zake van de bestaande knelpunten nu (eindelijk) eens in oplossende zin een bijdrage te leveren, laat het opstarten van (weer) een nieuw adviestraject overigens ook niet toe.

Wat betreft de opmerking van de Raad van State dat in de memorie van toelichting niet wordt ingegaan op het advies van de Ctw het volgende. Het is gebruikelijk om de adviezen van de Ctw in de memorie van toelichting te behandelen in de voorgeschreven dereguleringsparagraaf. In deze memorie van toelichting is dat ook gebeurd.

Overigens constateert de Raad terecht dat in 1990 een aantal adviesorganen zich in kritische zin heeft uitgelaten over het destijds voorgestelde sturingsinstrumentarium voor de minister en dat het voorliggende wetsvoorstel nog een versterking van dit instrumentarium bevat. Ik merk op dat het kabinet op dit punt na een zorgvuldige afweging tot deze keuze is gekomen. Doorslaggevend in dit verband is geweest het belang van de sector sociale verzekeringen voor het geheel van de collectieve sector en zijn invloed op de werkgelegenheids-en inkomensontwikkeling; terreinen waarvoor het kabinet zich in hoge mate verantwoordelijk acht.

1.4 De Raad is van mening dat zich op dit moment ontwikkelingen voordoen waarvan de resultaten afgewacht zouden moeten worden, alvorens drastisch in de huidige structuur in te grijpen. Het betreft de parlementaire enquête en de veranderingen die in de bestaande organisaties inmiddels zijn doorgevoerd.

Dat het onderzoek door de parlementaire enquêtecommissie naar het functioneren van de uitvoeringsorganen een belangrijke rol zal spelen in de toekomstige gedachtenvorming over de uitvoering van de sociale verzekeringen zal niemand kunnen of willen ontkennen. Ik verwacht dat de resultaten van dit onderzoek een nog actueler inzicht in de uitvoeringsproblematiek zullen verschaffen dan de gegevens waarop dit wetsvoorstel is gebaseerd. Niet goed valt echter in te zien waarom dit reden zou kunnen zijn de in het wetsvoorstel opgenomen maatregelen niet nu aan het parlement voor te leggen. Het parlement krijgt aldus de gelegenheid de eigen bevindingen te toetsen en te vergelijken met uitgewerkte kabinetsvoorstellen. Over de wijze waarop dit wetsvoorstel en de onderzoeksbevindingen van het parlement zelf inhoudelijk en in de tijd zo goed mogelijk met elkaar in verband kunnen worden gebracht, zal zeker nog overleg moeten plaatsvinden. Gezien het verloop van de parlementaire discussie over de uitvoeringsorganisatie tot nu toe heb ik overigens geen reden om te verwachten dat het parlement niet met het kabinet van mening zou zijn dat de eerder genoemde knelpunten om een snelle oplossing vragen.

De vaststelling van de Raad dat inmiddels in de bestaande organisaties veranderingen zijn doorgevoerd die in de richting werken zoals thans wordt voorgesteld zonder dat daartoe wetswijziging nodig was, is juist. De samenwerking tussen het GAK en de GMD en de Instelling van de Toezichtkamer door de SVr zijn hiervan de meest duidelijke voorbeelden Ik deel echter niet de mening van de Raad als deze stelt dat het voor de hand ligt om de resultaten van deze ontwikkelingen af te wachten, voordat onomkeerbaar wordt ingegrepen in de bestaande situatie. Ten aanzien van de samenwerking tussen de GMD en het GAK constateer ik op grond van de laatste voortgangsrapportage «Toezicht op het samengaan GAK/GMD» dat deze samenwerking in de praktijk veel problemen ontmoet. Ook het eerste evaluatierapport inzake de pilot-Eindhoven, waarin een bedrijfstakbrede proef met zoveel mogelijk geïntegreerde gevalsbehandeling gedurende het ZW/WAO-traject, geëvalueerd wordt, laat zien dat ten aanzien van de implementatie van de geïntegreerde gevalsbehandeling nog veel problemen bestaan. De kern van deze problemen is het wettelijk kader waardoor deze samenwerking begrensd en belemmerd wordt. Het onderhavige wetsvoorstel beoogt deze wettelijke belemmetïngen te laten verdwljnen door middel van het opheffen van de GMD als zelfstandige organisatie.

Met betrekking tot het toezicht op de uitvoeringsorganisatie is het wenselijk om via een wetswijziging een onafhankelijk toezicht in te kunnen stellen. Door middel van de motie-Buurmeijer c.s. (Tweede Kamerstukken II, vergaderjaar

1990-1991, 22011, nr. 7) heeft de Tweede Kamer nadrukkelijk kenbaar gemaakt op korte termijn een onafhankelijk toezicht op de uitvoeringsorganisatie noodzakelijk te vinden. Het «Instellings-en delegatiebesluit Toezichtkamer Sociale Verzekeringsraad», dd. 16 januari 1992, vormt een eerste stap in die richting, maar is nog onvoldoende. De op grond van dit delegatiebesluit ingestelde Toezichtskamer kent een meerderheid van onafhankelijke leden, maar de formele toezichthouder blijft de tripartite SVr. Ook de Tweede Kamer heeft in het mondeling overleg (Kamerstukken II, vergaderjaar 1991-1992,22011, nr.13) en het daarop volgend plenair debat ( Handelingen II, 73, 4605 e.v.) naar aanleiding van dit SVr-besluit kenbaar gemaakt de instelling van de Toezichtkamer slechts voorlopig voldoende te vinden als uitvoering van de motie-Buurmeijer (Kamerstukken II, vergaderjaar 1990-1991, 22011, nr.7). Er kan geen misverstand over bestaan dat met de instelling van de Toezichtkamer nog niet bereikt is wat met de motie beoogd werd, namelijk een onafhankelijk toezicht, zo stelt de Kamer. Tevens werd bij die gelegenheid geconstateerd dat het instellen van een volledig onafhankelijk toezicht belemmerd wordt door de huidige OSV. In dat verband werd dan ook aangedrongen op een zo snel mogelijke aanpassing van de OSV, teneinde een onafhankelijk toezicht op korte termijn te kunnen realiseren.

1.5 De Raad is van mening dat een aantal recente wetsvoorstellen een grote druk legt op de uitvoeringsinstanties en hun medewerkers. Daarom is het noodzakehjk dat sprake is van een stabiele organisatiestructuur, alvorens te komen tot wijziging van de uitvoeringsorganisatie. Ik onderschrijf de conclusie van de Raad dat een aantal recente wetsvoorstellen een relatief grote belasting voor de uitvoeringsinstanties met zich brengt. Daarbij wil ik echter wel de nuancering aanbrengen dat het wetsvoorstel Algemene Nabestaandenwet en de voorgenomen wijzigingen van de Algemene Bijstandswet niet

beschouwd kunnen worden als verzwarende omstandigheid voor de uitvoeringsorganisatie naast het reorganisatieproces ten gevolge van de aanpassing van de OSV. Immers, de Algemene Nabestaandenwet wordt uitgevoerd door de SVb waarvan de positie ten gevolge van de aanpassing van de OSV niet wijzigt. De Algemene Bijstandswet wordt uitgevoerd door de gemeenten. Deze zijn niet bij dit wetsvoorstel betrokken. Voor zover het wetsvoorstellen betreft die wel betrekking hebben op de bij de aanpassing van de OSV betrokken uitvoeringsinstanties wijkt mijn zienswijze af van die van de Raad. Ik ben van mening dat de voorgestelde wijzigingen van de OSV juist noodzakelijk zijn om de implementatie van die wetsvoorstellen succesvol te laten verlopen. Initiatieven die door uitvoeringsinstanties, nu reeds, vooruitlopend op bepaalde wetsvoorstellen, genomen worden blijken in hun ontwikkeling belemmerd te worden door het bestaande juridisch kader. Daarbij kan onder andere gedacht worden aan de eerder genoemde samenwerking tussen de GMD en de bedrijfsverenigingen.

Hierbij wil ik nog opmerken dat ten behoeve van de implementatie van een aantal recente wetsvoorstellen, met name op het terrein van ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid, een zware inspanning van de uitvoeringsorganisatie gevraagd wordt. Hierdoor komen steeds nadrukkelijker een aantal knelpunten in de huidige uitvoeringsstructuur aan het licht. Gelet hierop is het kabinet genoodzaakt te komen met voorstellen tot wijziging van de uitvoeringsstructuur van de sociale verzekeringen. Zou het kabinet op dat punt zijn verantwoordelijkheid niet nemen dan zouden aan de uitvoeringsorganisatie onredelijk zware eisen gesteld worden.

1.6 De Raad van State is van mening dat de beoogde advisering door de SER over een nieuwe indeling van het bedrijfs-en beroepsleven direct van belang is voor de opzet van de uitvoeringsorganisatie, zodat het volgens de Raad niet juist lijkt reeds nu met te zeer uitgewerkte nieuwe structuren te komen. Tevens gaat de Raad in op de concurrentie in de uitvoering van de sociale verzekeringen.

Zoals in de memorïe van toelichting aangegeven ben ik voornemens een adviesaanvrage aan de SER te zenden, omdat ik van mening ben dat de huidige indeling van het bedrijfs-en beroepsleven, die tientallen jaren geleden haar huidige vorm heeft gekregen, niet meer adequaat is. Zij sluit niet aan bij de huidige structuur van het arbeidsvoorwaardenoverleg en doet geen recht aan de veranderende betekenis van de verschillende bedrijfstakken. Een nieuwe indeling van het bedrijfs-en beroepsleven kan bijdragen aan een vereenvoudiging van de uitvoeringsorganisatie en meer recht doen aan de huidige betekenis van de verschillende sectoren. Ik onderschrijf de mening van de Raad dat het gelet op het voorgaande niet juist lijkt om nu met te zeer uitgewerkte nieuwe structuren te komen. Daarvan is in het onderhavige wetsvoorstel ten aanzien van de bedrijfsverenigingen geen sprake (zie ook de opmerkingen in § 1.2). De voorgestelde aanpassingen van de OSV vormen dan ook geen belemmering voor een op een later tijdstip door te voeren wijziging «aan de voet», dat wil zeggen, van de indeling van het bedrijfs-en beroepsleven. Het voorliggende wetsvoorstel brengt geen verandering in de verplichte aansluiting van werkgevers bij de bedrijfsvereniging die is erkend voor een onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven. Deze verplichting staat als zodanig op gespannen voet met de concurrentiegedachte. Immers, het staat een werkgever ook na aanpassing van de huidige OSV niet vrij zich aan te sluiten bij de meest efficiënte dan wel goedkoopste bedrijfsvereniging. Toch biedt de OSV na aanpassing zoals voorgesteld meer ruimte aan de concurrentiegedachte. Ik hecht eraan op dit punt wat uitvoeriger in te gaan.

Het uitgangspunt in de huidige OSV is dat de bedrijfsverenigingen hun administratie laten voeren door het GAK. Hierop zijn twee uitzonderingen mogelijk. De bedrijfsvereniging kan zijn administratie zelfstandig voeren indien de SVr daarvoor toestemming heeft verleend. Daarnaast is het mogelijk dat de bedrijfsvereniging zijn administratie opdraagt aan een ander, door de minister erkend, administratiekantoor. Dit is echter alleen mogelijk

samen met een of meerdere andere bedrijfsverenigingen die hun administratie zelf voeren. Bedrijfsverenigingen die hun administratie niet zelfstandig (kunnen) voeren, kunnen derhalve in de huidige opzet niet vrij kiezen voor uitvoering van taken door de meest efficiënt werkende uitvoeringsinstelling. Het wetsvoorstel brengt hierin nadrukkelijk verandering. In § 2 van hoofdstuk V van het wetsvoorstel is geregeld wanneer en op welke wijze de minister een rechtspersoon als uitvoeringsinstelling kan erkennen. Artikel 61 van het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat elke bedrijfsvereniging vrij kan kiezen voor een uitvoeringsinstelling waarmee wordt overeengekomen dat deze taken van de bedrijfsvereniging gaat uitvoeren. Gekozen kan dan worden voor de uitvoeringsinstelling die het meest efficiënt werkt. In vergelijking met de huidige situatie wordt daarmee de bijna-monopoliepositie van het GAK als administratiekantoor opgeheven. Het voorliggende wetsvoorstel beoogt slechts aanpassing van de OSV zonder ingrijpende wijzigingen van de uitvoeringsorganisatie aan de voet door te voeren. Gelet daarop is aan de concurrentiegedachte maximaal inhoud gegeven.

De verplichte aansluiting van werkgevers bij de bedrijfsvereniging die is erkend voor een onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven, blijft gehandhaafd en bedrijfsverenigingen mogen hun taken laten uitoefenen door een, door de minister erkende, uitvoeringsinstelling die ten doel heeft wetten in opdracht van de bedrijfsverenigingen uit te voeren. De gesloten publiekrechtelijke ordening van de sociale zekerheid wordt daarmee gehandhaafd en het marktmechanisme wordt niet zodanig in het sociale zekerheidsstelsel geïntroduceerd dat dit in strijd zou komen met het EEG-mededingingsrecht in dit kader. Overigens sluit ik aan bi] de opmerking van de Raad dat bij een verdere bevordering van de concurrentie in de uitvoering van de sociale verzekeringen de invloed van het EEG-recht op dit specifieke rechtsgebied sterk zal toenemen, hetgeen als een extra complicerende factor beschouwd kan worden. Ik zal bevorderen dat de SER dit bij zijn advisering naar aanleiding van de hierboven bedoelde adviesaanvraag

nadrukkelijk in zijn beschouwingen betrekt. 1.7 Op grond van bovenstaande overwegingen is de Raad van mening dat een ingrijpende wijziging zoals voorgesteld op dit tijdstip inopportuun is en ontraden moet worden. De Raad onderkent de wenselijkheid om het functioneren van de bestaande uitvoeringsorganisatie kritisch te bezien. Op grond van de vorenstaande overwegingen is de Raad echter van oordeel dat een vernieuwing van de uitvoeringsorganisatie door ingrijpende wijzigingen van de structuren en de personele samenstelling op dit tijdstip inopportuun is. Het wetsvoorstel wordt dan ook -in elk geval op dit tijdstip -door de Raad van State ontraden. In het voorafgaande ben ik uitvoerig ingegaan op de door de Raad aangevoerde argumenten op grond waarvan het wetsvoorstel ontraden wordt. In algemene zin heb ik daarbij aangegeven dat ik in tegenstelling tot de Raad van mening ben dat op dit moment geen sprake is van een stabiele uitvoering. Mijns inziens is het hoogst noodzakelijk om de ontwikkelingen in de uitvoering, die nu aan de gang zijn te steunen door aanbieding van een daaraan aangepast eigentijds wettelijk kader. Wanneer dat niet gebeurt bestaat er een aanzienlijke kans dat de uitvoering in chaos en onderlinge competentiegeschillen ten onder gaat. De Raad is van mening dat slechts op beperkte schaal enige aanpassing van het wettelijk kader waarbinnen de uitvoeringsorganisatie zich bevindt, plaats mag vinden. Gelet op de bestaande knelpunten, kan echter niet worden volstaan met een marginale aanpassing van de bestaande organisatiewetgeving.

Het bestaan van gescheiden trajecten en verantwoordelijkheden bij de uitvoering van de ZW, WAO en AAW wordt in het wetsvoorstel beëindigd via het opheffen van de GMD als zelfstandige organisatie. Hierdoor wordt een geïntegreerde gevalsbehandeling mogelijk en ontstaat een extra instrument voor een succesvol volumebeleid. In § 1.1 is hierop uitvoerig ingegaan. Een tweede knelpunt dat door middel van het wetsvoorstel opgelost wordt is

het op dit moment niet helder geregelde toezicht. De Raad is van mening dat een verdergaande verankering en nadere regeling van de door de SVr ingestelde Toezichtkamer vooralsnog voldoende is. In § 1.2, § 1.3, § 1.4 en § 3 is uitvoerig ingegaan op het toezicht. Zowel de opvatting van de Tweede Kamer op dit punt als de positie van de Toezichtkamer ten opzichte van de tripartiete SVr maken een wijziging van de wetgeving ten aanzien van het toezicht op de uitvoeringsorganisatie noodzakelijk. In § 1.4 heb ik aangegeven waarom ik het niet eens ben met de Raad van State als hij van mening is dat de resultaten van de parlementaire enquête afgewacht moeten worden alvorens onomkeerbaar in de uitvoeringsstructuur wordt ingegrepen. Niet goed valt immers in te zien, waarom de in dit wetsvoorstel opgenomen aanpassingen van de uitvoeringsorganisatie in strijd zouden zijn met de uitkomsten van de parlementaire enquête.

  • De geïntegreerde gevalsbehandeling De geïntegreerde gevalsbehandeling wordt in de memorie van toelichting (1.1) als het belangrijkste knelpunt aangemerkt dat het wetsvoorstel beoogt op te lossen. Ook de Raad meent dat met name dit knelpunt in het bijzonder om een snelle en doeltreffende oplossing vraagt, omdat dit niet alleen rechtstreeks van invloed is op het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume, maar ook op de behoefte aan voorlichting en begeleiding in een vroege fase bij de uitkeringsgerechtigde. De Raad is echter van oordeel dat het wetsvoorstel door de ingrijpende maatregelen tot herschikken van uitvoerende instanties en opleggen van een toezichtvanbovenaf aanzienlijk verder gaat dan noodzakelijk moet worden geacht. Indien de integratie van de GMD en de bedrijfsverenigingen gerealiseerd wordt, staat in praktische zin niets eraan in de weg dat in een vroeg stadium met de nog arbeidsongeschikte verzekerde door een bedrijfsdan wel verzekeringsgeneeskundige en een arbeidskundige medewerker overleg plaatsvindt over de mogelijkheid om bij de werkgever het eigen (eventueel aangepaste) werk te hervatten dan wel andere
  • De geïntegreerde gevalsbehandeling De Raad onderschrijft de noodzaak om zo spoedig mogelijk tot een geïntegreerde gevalsbehandeling te komen. In het advies gaat de Raad ervan uit dat een dergelijke gevals-behandeling mogelijk is zonder wetswijziging en zonder opheffing van de GMD. De Raad spreekt over de integratie van de GMD en de bedrijfsverenigingen en samenwerking met de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening (RBA). Voorts ziet de Raad een ondersteunende en toezichthoudende rol voor de FBV op dit proces van de geïntegreerde gevalsbehandeling weggelegd Een ingrijpende externe maatregel zou naar de mening van de Raad het proces van samenwerking eerder verstoren dan bevorderen. Op de eerste plaats wil ik hier opmerken dat zowel de SVr als de SER unaniem van mening zijn (SVr-advies d.d. 21 juni 1990 en SER-advies 90/07) dat realisering van het synthesemodel en daarmee van de geïntegreerde gevalsbehandeling noodzakelijk is. In oktober 1991 heeft de FBV voorgesteld om, vooruitlopend op de aanpassing van de OSV te komen tot nauwe samenwerking tussen het GAK en de GMD

daar beschikbare arbeid te aanvaarden (artikel 30 ZW). Bij een langer voortduren van de ongeschiktheid kan het verrichten van aan de handicap aangepaste, op de arbeidsmarkt «gangbare» arbeid worden voorbereid. Hierbij kan samenwerking worden gezocht met het RAB, waarbij overigens bedacht moet worden dat het RAB (nog) geen deskundigheid heeft in het bemiddelen naar deze soort arbeid. Binnen het bestand van medische en arbeidskundige medewerkers zullen een hernieuwde taakverdeling en prioriteitsstelling vereist zijn, die met de hulp en onder toezicht van de FBV -eventueel om te zetten in een orgaan met een wettelijke grondslag -tot stand zouden kunnen komen en nader in hun werking worden bevorderd. Ingrijpende externe maatregelen zullen het proces van samenwerking, dat juist op gang is gekomen, eerder verstoren dan bevorderen. Een herschikking in de uitvoering door middel van «personele verschuivingen» betekent niets anders dan dat dezelfde deskundigen op andere plaatsen in andere werkverbanden worden ingezet. Hierdoor moet het nu begonnen proces van samenwerking weer van de grond af starten.

(Kamerstukken II 1991-1992, 22300 -XV, nr. 11 en nr. 13). Met dit initiatief werd een eerste stap gezet op weg naar een geïntegreerde gevalsbehandeling. De huidige OSV vormt echter een belemmering om tot een volledig geïntegreerde gevalsbehandeling te komen. In het voorstel van de FBV wordt dan ook over een geïntensiveerde gevalsbehandeling gesproken. Over het voorstel van de FBV heb ik met de Kamer meerdere malen overleg gevoerd. Bij die gelegenheden heeft de Kamer de juridische aspecten die met dit voorstel samenhangen besproken en de wenselijkheid om zo snel mogelijk tot een geïntegreerde gevalsbehandeling te komen. Bij die gelegenheden heeft de Kamer mij dan ook verzocht om zo spoedig mogelijk de aanpassing van de OSV te realiseren. Bij de start van de samenwerking tussen GAK en GMD heb ik aangegeven aan de SVr aan welke criteria deze samenwerking dient te worden getoetst. Enkele van deze criteria zijn:

  • de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen zullen op gelijke wijze als de bedrijfsverenigingen die zijn aangesloten bij het GAK, gebruik moeten kunnen maken, met name wat betreft de geïntensiveerde gevalsbehandeling, van de diensten van de GMD;
  • de nauwe samenwerking dient aantoonbaar een verbetering te zijn ten opzichte van de wijze waarop momenteel tussen de GMD en de bedrijfsverenigingen wordt samengewerkt. Inmiddels is een aantal kwartaalrapportages over de voortgang van het samenwerkingsproces tussen GAK en GMD verschenen. Uit deze rapportages blijkt dat er sprake is van een gecompliceerd proces waarbij de huidige OSV menigmaal als een belemmering om de gewenste doelstelling te bereiken, wordt ervaren. Daarnaast blijkt bij het opstellen van de meest recente kwartaalrapportage dat de gemaakte afspraken om aan de hierboven genoemde voorwaarden tegemoet te komen niet of slechts ten dele worden nagekomen. De Toezichtkamer moet constateren dat naleving van de gemaakte afspraken door GAK/GMD niet voortvarend ter hand is genomen. Zo zijn voor de overdracht van GMD-personeel naar zelfadministrerende bedrijfsvereni-

gingen nog geen plannen beschikbaar. De Toezichtkamer maakt zich grote zorgen of met de wijze waarop nu invulling wordt gegeven aan het voorstel van de FBV, een geïntensiveerde gevalsbehandeling voor de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen mogelijk zal zijn.

Eveneens is vanuit de Tweede Kamer grote bezorgdheid uitgesproken over de kwaliteit van de gevalsbehandeling in de GAK/GMD-organisatie. In antwoord op vragen van het kamerlid Linschoten met betrekking tot het arbeidsongeschikt verklaren zonder advies van de GMD en de aanvullende vragen van de leden Beijlen-Geerts en Van Nieuwenhoven heb ik kenbaar gemaakt deze bezorgdheid te delen (Kamerstukken II, vergaderjaar 1992-1993, Aanhangsel, nrs. 371 en 372). Bij die gelegenheid heb ik reeds aangegeven dat de geconstateerde problemen slechts kunnen worden opgelost door middel van aanpassing van de OSV. Ook bij de uitvoering onderkent men de complicaties en belemmeringen die de huidige OSV met zich mee brengt. In oktober 1992 heeft de FBV zeker niet voor het eerst haar grote ongerustheid uitgesproken over de vertraging in het wetgevingsproces en de daarmee gepaard gaande onzekerheden voor de uitvoeringsorganisatie. Zowel de bijdrage van de uitvoeringsorganisatie aan de volumebeheersing arbeidsongeschiktheid als de ontwikkeling van de geïntegreerde gevalsbehandeling lopen bij een steeds groter wordende vertraging ernstig gevaar, aldus de FBV. In antwoord op vragen van het kamerlid Groenman (Kamerstukken II, vergaderjaar 1992-1993, Aanhangsel nr. 135) heb ik destijds aangegeven het een goede zaak te vinden dat de bedrijfsverenigingen binnen de kaders van de huidige wet reeds zoveel mogelijk hun uitvoering inrichten conform de doelstellingen van het «synthesemodel». Tevens heb ik daarbij nadrukkelijk gesteld dat een volledige implementatie daarvan niet mogelijk is zolang de GMD een wettelijke taak in deze heeft.

Aanvullend op het voorstel van de FBV is in september 1992 in Eindhoven een pilot van start gegaan met als doel het opdoen van ervaring met een zo veel mogelijk geïnte-

greerde gevalsbehandeling (in casu geïntensiveerde gevalsbehandeling). De Toezichtkamer heeft geconstateerd dat het experlment Eindhoven de grenzen van het wettelijk toelaatbare nadert. Niettemin is de Toezichtkamer van mening dat het experiment Eindhoven past binnen de huidige wettelijke kaders. Het voornaamste motief waarom de Toezichtkamer heett ingestemd met het experiment Eindhoven is dat hiermee ervaring kan worden opgedaan voor de situatie zoals deze na de aanpassing van de OSV zal gelden. Is het perspectief op een aanpassing van de OSV niet aanwezig dan zal naar de mening van de Toezichtkamer het experiment Eindhoven moeten worden beëindigd.

In maart 1993 is een eerste (tussen)evaluatie van dit experiment verschenen. Deze evaluatie laat zien dat ten aanzien van de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen redelijk positieve resultaten geboekt worden. Dit in tegenstelling tot de resultaten van de deelname van de GAK/GMD-organisatie aan het experiment. Het bovenstaande geeft een beeld van een uitvoeringsorganisatie die met goede intenties op weg is naar een nieuwe aanpak van het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Deze goede intenties kunnen echter niet voorkomen dat de FBV niet altijd bij machte is de belangen van de verschillende uitvoeringsinstanties op een en dezelfde lijn te houden. Hierdoor wordt de sturing van het veranderingsproces bemoeilijkt. Bovenal moet worden geconstateerd dat de huidige OSV op vele punten een complicerende factor is en aldus belemmerend werkt. Zowel de Tweede Kamer als de uitvoeringsinstanties hebben mij, de problemen onderkennend, met regelmaat dringend verzocht zo spoedig mogelijk met de aanpassing van de OSV te komen.

De stelling van de Raad van State dat ingrijpende maatregelen het proces van samenwerking eerder zullen verstoren dan bevorderen wordt door de informatie over de huidige stand van zaken niet bevestigd. Het tegendeel is waar. Indien nu niet met een wettelijke voorziening wordt gekomen vrees ik

  • Toezicht

3.1. De door de regering met het wetsvoorstel beoogde versterking van het toezicht op de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen kan slechts een beperkte betekenis hebben. In dit verband verwijst de Raad naar het in januari jl. uitgebrachte heroverwegingsonderzoek «Misbruikgevoeligheid van regelgeving in de sociale zekerheid» (Begrotingsvoorbereiding 1993, deelrapport nr.6). Volgens de opstellers van dit rapport vertoont wetgeving op het terrein van de sociale zekerheid een aanzienlijke mate van misbruikgevoeligheid, welke zou voortkomen uit de sterk doorgevoerde verfijning van regelgeving. De controle op de goede uitvoering van deze wetgeving is hierdoor erg moeilijk. Zo bezien zou het toezicht op de uitvoerïng van de regelingen op het terrein van de sociale zekerheid kunnen worden bevorderd door de desbetreffende regelingen beter controleerbaar te maken. Dit vergt dan primair een inspanning op het terrein van de kwaliteitsverbeterïng van wetgeving. Wijziging van de uitvoeringsorganisatie heeft op dit belangrijke knelpunt een gering effect.

3.2. Reagerend op de door de Tweede Kamer der Staten-Generaal uitgesproken wens de onafhankelijkheid te onderstrepen van het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen, heeft de SVr op 7 november 1991 besloten een Toezichtkamer in te stellen, waaraan de Raad zijn toezichthoudende taken en bevoegdheden delegeert (Staatscourant van 8 november 1991). Bij die gelegenheid heeft de staatssecretaris onder meer aldus haar visie gegeven op de ontwikkelingen binnen de SVr: «Betrokkenheid van sociale partners bij het toezicht draagt bij aan het noodzakelijke minimum aan vertrouwen dat nodig dat de kans groot is dat het huidige proces dat gericht is op samenwerking en een zoveel als mogelijk geïntegreerde gevalsbehandeling, volledig zal mislukken. De noodkreten uit de uitvoering om zo snel mogelijk de OSV aan te passen en aldus de geïntegreerde gevalsbehandeling mogelijk te maken, kunnen en mogen niet worden genegeerd.

  • Toezicht

3.1 De Raad van State stelt dat de beoogde versterking van het toezicht slechts een beperkte betekenis kan hebben. De Raad wijst daarbij op het onderzoek naar misbruikgevoeligheid van regelgeving in de sociale zekerheid. Uit dat onderzoek komt naar voren dat de fraudegevoeligheid voor een belangrijk deel voortkomt uit de sterk doorgevoerde verfijning van regelgeving.

De Raad stelt terecht dat primair een kwaliteitsverbetering van de regelgeving het aangewezen middel is om dit knelpunt op te lossen. Dat neemt niet weg dat daarnaast een verbetering van de uitvoering, het toezicht en de handhaving daartoe van groot belang zijn. Bovendien houdt een verbetering van het toezicht op de uitvoering meer in dan het bestrijden van de fraude. Tevens kan daardoor worden bevorderd dat uitvoerïngsinstanties komen tot een meer effectieve en efficiënte inrichting van het uitvoeringsproces en een meer uniforme toepassing van de regels. Daarnaast is er het aspect van de verantwoordingsplicht die bestaat ten opzichte van de burger. Dit maakt het nodig dat het systeem dat algemeen wordt beschouwd als gesloten en anoniem een open karakter krijgt. Hierbij is een organisatiestructuur vereist waarbij de posities van de verschillende schakels eenduidig en helder ten opzichte van elkaar zijn gepositioneerd.

3.2 De Raad van State stelt dat op eenvoudige wijze door wettelijke maatregelen in verbetering van het huidige toezicht, dat wil zeggen gegeven de Toezichtkamer, kan worden voorzien.

Indien dit ontwerp slechts tot doel had het toezicht op een andere wijze vorm te geven, dan was het wellicht

is tussen toezichthouder en uitvoeringsorganisatie». De Toezichtkamer, die op 16 januari 1992 Is ingesteld (Staatscourant van 4 februari 1992), neemt binnen het verband van de SVr een zelfstandige positie in en stelt zelf zijn bevindingen vast. Voor zover blijkt dat de nu bestaande regeling niet voldoende helder is of aanvulling wenselijk is -bijvoorbeeld wat betreft de samenstelling -kan daarin op eenvoudige wijze door wettelijke maatregelen worden voorzien. 3.3. Naar aanleiding van de voorgestelde wettelijke structuur merkt de Raad meer in het bijzonder het volgende op. De SVr wordt omgevormd tot een Ctsv, waarin alleen vijf onafhankelijke, door de Kroon benoemde deskundigen zitting zullen hebben en waarin de sociale partners niet meer zullen participeren. Bovendien wordt het beheersinstrumentarium van het Ctsv ten opzichte van de SVr aanzienlijk uitgebreid. De Raad constateert dat de voorgestelde samenstelling van de Ctsv niet alleen een breuk met het verleden betekent, maar dat deze structuur ook aanzienlijk afwijkt van het uitgangspunt dat is gekozen voor de bestuurlijke inrichting van het arbeidsvoorzieningenbeleid, waarin juist aan het georganiseerde bedrijfsleven een belangrijke plaats is ingeruimd. In de toelichting wordt slechts opgemerkt (paragraaf 4.1) dat door de betrokkenheid van de sociale partners bij het toezicht de kans op vermenging van belangen blijft bestaan en dat de staatssecretaris zich afvraagt of de meerwaarde van de directe betrokkenheid van de sociale partners bij het toezicht nog opweegt tegen het eventuele verlies aan vertrouwen dat het toezicht daardoor zou kunnen oplopen. Gezien de nauwe betrokkenheid die de sociale partners vanouds bij de uitvoering hebben gehad, vereisen de overwegingen die tot deze belangrijke wijziging hebben geleid een nadere uiteenzetting.

3.4. Een belangrijk aandachtspunt betreft in dit verband voorts ook de positie van het Ctsv ten opzichte van de minister. Volgens artikel 11 kan de minister aan dit college aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van de taken van het college. Uit paragraaf 4.1 van de toelichting (de plaats van het mogelijk geweest de OSV op een aantal punten te wijzigen in plaats van de aanpassing zoals die nu wordt voorgesteld. Het ontwerp beoogt echter vier knelpunten op te lossen waar het toezicht er slechts één van is. Voorts is het niet zo eenvoudig in de huidige OSV een onafhankelijk, zuiver toezicht vast te leggen. De huidige Toezichtkamerconstructie is gebaseerd op een delegatiebesluit van de SVr. Het staat de SVr vrij ieder moment dit delegatiebesluit in te trekken of te wijzigen. De garantie voor een onafhankelijk toezicht bestaat pas als in een totaal wettelijk kader de plaats, taak en bevoegdheden van het toezichthoudende orgaan ten opzichte van die van de uitvoerende organisaties zijn gedefinieerd. Dan dringt zich echter meteen de vraag op of dit orgaan ook taken kan uitvoeren die niet tot het toezicht kunnen worden gerekend. Het kabinet heeft gekozen voor een organisatievorm waarbij de toezichthouder zich zuiver met toezichttaken bezighoudt. Dit betekent dat taken ais coordinatie en advisering die momenteel door de huidige toezichthouder worden uitgevoerd, elders moeten worden ondergebracht. Alles bij elkaar genomen betekent dit dat alleen al uit het realiseren van het onafhankelijk toezicht een forse wijziging van de OSV op daarmee verweven punten voortvloeit.

3.3 De Raad van State constateert op het punt van het toezicht een breuk met het verleden en een sterke discrepantie met de gekozen inrichting van het arbeidsvoorzieningenbeleid. De motie Buurmeijer c.s. die met zeer brede steun in de Tweede Kamer is aangenomen betekent inderdaad een breuk met het verleden. Toch is het idee van een onafhankelijk toezicht niet nieuw. Ook in het interimrapport Lamers werd reeds het idee van een onafhankelijk toezicht geopperd. Samen met de Tweede Kamer acht het kabinet het niet meer passen in de huidige besturingsfilosofie van de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen dat de sociale partners als uitvoerders van de sociale verzekeringen tegelijk de toezichthouders zijn op die uitvoering. Dit is evenmin het geval bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Daar oefent de Minister

toezicht) blijkt dat de staatssecretaris een model voor ogen staat, waarin sprake is van een onafhankelijk toezicht, maar waarbij de minister «als het ware» toezicht houdt op de wijze waarop het Ctsv zijn wettehjk opgedragen taak uitvoert en het ter beschikking staande instrumentarium hanteert. Voorts wordt erop gewezen dat de minister, indien hij dit nodig acht, het Ctsv kan corrigeren. In paragraaf 4.4 van de toelichting (De rol van de minister) wordt gewezen op de ministeriële verantwoordelijkheid voor de inhoud van de regelgeving en voor de macro-economische aspecten en consequenties van de uitvoering. Daarin wordt opgemerkt dat de minister geen primaire verantwoordelijkheid dient te dragen voor de daadwerkelijke uitvoering van de sociale verzekeringen. Dit brengt, aldus de toelichting, met zich mee dat de minister ten aanzien van de uitvoering van de sociale verzekeringen een terughoudende rol dient te vervullen. Anderzijds wordt even verder betoogd dat in verband met deze verantwoordelijkheid gekozen is voor een uitgebreid sturingsinstrumentarium. Dit instrumentarium richt zich volgens de toelichting niet direct op de uitvoeringsinstellingen maar op de toezichthouder, hoewel de minister slechts spaarzaam gebruik zal behoeven te maken van dit instrumentarium. De hier vermelde passages uit de toelichting geven, in onderlinge samenhang gelezen, naar de mening van de Raad blijk van een zekere tegenstrijdigheid die, mede in verband met de algemene bewoordingen van artikel 11, de vraag doet rijzen in hoeverre het Ctsv werkelijk zijn taak zelfstandig zal kunnen uitoefenen en voorts of dit college in feite niet hiërarchisch ondergeschikt is aan de minister. Zo het de bedoeling zou zijn van het Ctsv een zelfstandig bestuursorgaan te maken dat een onafhankelijk toezicht uitoefent, is de voorgestelde verdeling van bevoegdheden tussen de minister en het college in strijd met de uitgangspunten die zijn verwoord in het regeringsstandpunt betreffende de functionele decentralisatie («Functioneel bestuur, waarom en hoe» -Kamerstukken II 1990/91, 21042, nr.3). Daarin is nu juist betoogd dat functionele decentralisatie betrekking heeft op het opdragen van taken aan (tot het openbaar bestuur behorende) organisaties die een zodanige van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zelf het toezicht uit.

De suggestie van de Raad van State dat er bij de uitvoering van de sociale verzekeringen sprake zou zijn van een geringere betrokkenheid van de sociale partners dan bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is niet juist. In het ontwerp wordt juist de betrokkenheid van de partners bij de uitvoering beklemtoond. In tegenstelling tot de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is er in de sfeer van de uitvoering door de bedrijfsverenigingen juist geen sprake van overheidsbemoeienis maar louter betrokkenheid van de sociale partners. Gezien de wijze waarop het Gib wordt opgezet en het niet opnemen van ministeriële vertegenwoordigers in het Gib (hetgeen wel in het voorontwerp was voorzien) kan gesteld worden dat voor wat betreft de uitvoering er sprake is van een terugtreden van de overheid en van een versterking van de rol van de sociale partners.

Het toezicht wordt echter losgekoppeld van de sociale partners. Via de in het wetsvoorstel opgenomen invulling van enerzijds de toezichtsfunctie en anderzijds de uitvoeringstaken ontstaat een heldere verantwoordelijkheidsverdeling. Het uitgangspunt dat het toezichtsmodel garant dient te staan voor een onpartijdig toezicht op de uitvoering komt op deze wijze optimaal tot uitdrukking. Een onafhankelijk toezicht waarborgt bovendien dat de uitvoering verloopt overeenkomstig geldende wetgeving en er een strikte scheiding is tussen beleidswensen en in wetgeving neergelegd beleid. Verder is het kabinet van mening dat, een dubbelrol als toezichthouder en uitvoerder niet wenselijk is. In een dubbelrol blijft het problematisch om de belangen goed te scheiden. Bij de voorgestelde opzet van het toezicht kunnen de sociale partners op voldoende wijze hun verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de sociale verzekeringen waarmaken zonder dat zij direct bij het toezicht betrokken zijn. Overeenkomstig het advies van de Raad van State is § 4.1 van de memorie van toelichting op dit punt nader uitgewerkt.

3.4 De Raad gaat uitvoerig in op de positie van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De Raad constateert daarbij dat er sprake is

zelfstandigheid hebben bij het uitoefenen van deze taken dat er geen hiërarchische ondergeschiktheid is ten opzichte van de minister. Voorts wordt er in hetzelfde regeringsstandpunt op gewezen dat bij functionele decentralisatie taken niet langer onder de (volledige) ministeriële verantwoordelijkheid worden vervuld. De Raad meent dan ook dat, indien de ministeriële verantwoordelijkheid voor het toezicht onder zijn rechtstreekse verantwoordelijkheid dient te geschieden, niet de indruk mag worden gewekt dat de Ctsv een zelfstandig bestuursorgaan zou zijn. In dat geval kan echter niet meer gesproken worden van een onafhankelijk toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringswetten. Ten aanzien van de gewenste structuur dient een duidelijke keuze te worden gemaakt. De tekst van de regehng en de toelichting waren hierop aan te sluiten. De Raad is ovengens van oordeel, dat de uitvoering van de sociale zekerheid kwalitatief en kwantitatief dusdanig belangrijk is, dat de ministeriële verantwoordelijkheid en de parlementaire controle niet gemist kunnen worden. De Raad vraagt zich af of binnen een dergelijke benadering plaats kan zijn voor een zelfstandige bestuursorganisatie. van een uitgebreid instrumentarium voor de minister jegens het Ctsv. In de opvatting van de Raad kan dan ook niet gesproken worden van een onafhankelijk toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringswetten en mag het Ctsv niet worden gezien als een zelfstandig bestuursorgaan. Overigens is ook de Raad van oordeel dat de ministeriële verantwoordelijkheid en de parlementaire controle niet gemist kunnen worden. De nota «Functioneel bestuur, waarom en hoe» (Kamerstukken II 1990/91,21042, nr. 4) geeft duidelijk aan welke uitgangspunten moeten worden gehanteerd voor het oprichten van een zelfstandig bestuursorgaan. Voorts geeft de nota ook aan welke consequenties zijn verbonden aan het werken met zelfstandige bestuursorganen. Zo wordt op bladzijde 18 van de nota duidelijk gesteld: «kenmerkend voor functionele decentralisatie is dat taken niet (langer) onder de volledige ministeriële verantwoordelijkheid worden uitgevoerd en dat derhalve ook de parlementaire controle op de taakvervulling navenant vermindert». Met de Raad van State ben ik van mening dat de invloed van de sociale verzekeringen op de collectieve lasten en het belang van een goede uitvoering van de sociale verzekeringen dusdanig belangrijk is dat de ministeriële verantwoordelijkheid en de parlementaire controle daarop niet gemist kunnen worden. Als de uitgangspunten van de nota «Functioneel bestuur» strikt zouden worden gevolgd dan rest slechts de mogelijkheid om het toezicht volledig in handen van de minister te leggen. De vraag is echter of het wenselijk is het toezicht volledig in handen van de minister te leggen. Op het terrein van de sociale verzekeringen is sprake van een bijzondere, deels historisch gegroeide, verantwoordelijkheidsverdeling tussen de sociale partners en de overheid. Terecht merkt de Raad van State op dat het voorgestelde toezicht zonder sociale partners een breuk met het verleden betekent. Het onderbrengen van het toezicht bij de minister zou nog een stap verder zijn. In de memorie van toelichting is reeds aangegeven dat de verantwoordelijkheid van de minister zich uitstrekt tot -uiteraard -de inhoud van de regelgeving, de macro-economische aspecten en de consequenties van de uitvoering. De

  • Kosten uitvoering

4.1. In hoofdstuk 5 van de toelichting wordt gesteld dat in de thans vigerende praktijk de uitvoe- minister dient zich dan ook niet met de details van het toezicht en de sturing van de uitvoering te bemoeien. Uit dien hoofde past het niet om het toezicht in handen van de minister te leggen. Het instrumentarium van de minister dient beperkt te blijven tot hetgeen hij nodig heeft om zijn verantwoordelijkheid te kunnen dragen en daarmee samenhangend de parlementaire controle invulling te kunnen geven. Naast beleidsmatige overwegingen zijn er ook praktische redenen om het toezicht niet bij de minister onder te brengen. Zo beoogt dit ontwerp slechts het hoogst noodzakelijke te regelen. Het volledig opheffen van de SVr en het overhevelen van deze taak naar de minister is een vergaande organisatorische stap die te ver afstaat van de huidige situatie. In het huidige ontwerp is er voor gekozen de bestaande instituties met hun taken zoveel als mogelijk in stand te houden.

De voorgestelde situatie zou kunnen worden omschreven als een toezicht onafhankelijk van de sociale partners en met een verantwoordelijkheid van de minister op belangrijke onderdelen. De minister zal daarbij het instrumentarium aangereikt krijgen om die verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Het toezicht wordt uitgeoefend door het Ctsv en de minister gaat er daarbij van uit dat het Ctsv zijn taken naar behoren zal vervullen en een toezichtsbeleid voert dat het algemeen belang dient. Het Ctsv zal dus zoveel mogelijk de vrijheid worden gegeven om te kunnen opereren als ware het een zelfstandig bestuursorgaan. Het instrumentarium van de minister zal met terughoudendheid worden gebruikt. Op deze wijze ontstaat een toezichtsstructuur die weliswaar niet geheel conform de uitgangspunten van de nota «Functioneel bestuur» is opgezet maar die kan worden gerechtvaardigd door de bijzondere implicaties die de sociale verzekeringen hebben op terreinen (werk en inkomen) die tot het domein van de centrale overheid worden gerekend.

  • Kosten uitvoering

4.1 De Raad merkt in zijn advies op dat in hoofdstuk 5 van de memorie van toelichting een kwantitatieve

ringskosten van de sociale verzekeringen de indruk wekken onbeheersbaar te zijn. Deze indruk is niet nader ondersteund door inzicht te geven in de omvang en het verloop van die uitvoeringskosten in de afgelopen periode. Het gemis van vrijwel elke kwantificering in de gehele toelichting doet aan de betekenis van deze stelling aanmerkelijk afbreuk. Aangezien de vrijwel autonome ontwikkeling van die kosten een van de knelpunten wordt genoemd, waarin het voorstel van wet moet voorzien, is de Raad van oordeel dat een cijfermatig inzicht in de absolute hoogte en het verloop van die kosten niet mag ontbreken. Ook ten aanzien van de relatie tussen uitvoeringskosten en het bedrag dat aan premies is ontvangen en aan uitkeringen is uitgegeven, is een toelichting noodzakelijk. Tenslotte acht de Raad ook een beschouwing vereist met betrekking tot de relatie tussen uitvoeringskosten en het aantal uitkeringsgerechtigden. Tevens dient daarbij een (eerste) analyse gegeven te worden van die kosten in relatie tot het volumebeleid, waarbij in het bijzonder van betekenis is de mate van het maken van (meer) kosten in relatie tot het terugdringen -of beperken van de groei -van het volume. De uitvoeringskosten vormen immers slechts een fractie van de volumekosten -in de toelichting wordt het percentage van 5 genoemd -zodat een besparing op deze kosten, die het risico van vermijdbare volumegroei met zich brengt, contraproduktief is. De vorenbedoelde uiteenzettingen waren naar de mening van het college aan te vullen met vorenbedoelde cijfer matige gegevens en analyse, bezien over de periode van 1980-1991 of 1992, indien deze cijfers reeds beschikbaar zijn.

4.2. De spanning tussen de verantwoordelijkheid van de minister en die van de sociale partners manifesteert zich naar de mening van het college duidehjk bij de in de voorgestelde artikelen 83-89 neergelegde budgettering. Deze vorm van greep krijgen op de uitvoeringskosten van het apparaat kan echter alleen verantwoord plaatsvinden indien voldoende inzicht bestaat in de opbouw van de kosten die noodzakelijk zijn voor -wat de toelichting aanduidt als -een «optimale» uitvoering, een omschrijving die reeds een normering inhoudt Nu het in onderbouwing ontbreekt bij de stelling dat de uitvoeringskosten van de sociale verzekenngen de indruk wekken onbeheersbaar te zijn. Hij is van mening dat een cijfermatig inzicht niet mag ontbreken. Hierbij dient tevens een relatie te worden gelegd met de volume en uitkeri'ngslastenontwikkeling van de desbetreffende wetten.

Relatief gedetailleerde informatie met betrekking tot de uitvoeringskosten is beschikbaar over de periode 1986-1991 (onderzoeksperiode SVr-project «Uitvoeringskosten van de sociale verzekeringen»). Om het inzicht, in de problematiek van de beheersbaarheid, te vergroten, is conform het advies van de Raad, § 5.1 van de memorie van toelichting cijfermatig aangevuld. Het betreft hier een viertal tabellen. Een tabel met de uitvoeringskosten per wet (1986-1991), twee tabellen met de uitgekeerde bedragen en volumina per wet en een tabel met de totale uitvoeringskosten per orgaan (onderscheid: bedrijfsverenigingen, SVr, Belastingdienst, Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP) en GMD). Uit deze gegevens blijkt dat de administratiekosten in de periode 1986 -1991 met 47% zijn gestegen. De uitgekeerde bedragen zijn in dezelfde periode met 27% toegenomen en de volumina met 13%. De verhouding tussen administratiekosten en uitgekeerde bedragen is toegenomen van 3,8% naar bijna 4,5%. Het laatste percentage wordt nog gunstig beïnvloed doordat als gevolg van de invoering van «Oort» in 1990 de bruto-uitgekeerde bedragen AOW en AWW in verband met de overhevelingstoeslag zijn verhoogd (positief noemereffect).

Tevens blijkt dat de kostenstijging met name is geconcentreerd bij de bedrijfsverenigingen, de GMD en de Rijksbelastingdienst (het gaat hier om de perceptiekosten in relatie tot de premieheffing en -inning). Ook bij de SVb en het ABP (fictieve uitvoering AAW) is echter een aanmerkelijke kostenstijging zichtbaar. De administratiekosten zijn in de beschouwde periode veel sneller gestegen dan op basis van de ontwikkeling van de volumina (en de uitgekeerde bedragen) mocht worden verwacht. Naast volumefac-

paragraaf 5.1 van de toelichting omschreven onderzoek nog niet is voltooid, ontbreekt naar de mening van de Raad het kader van de voorgestelde budgettering. Dit sluit uiteraard niet uit dat de rechtmatigheid van de kosten beoordeeld moet worden en dat een correcte toerekening plaatsvindt aan de activiteiten die met de uitvoering van de sociale verzekeringswetten samenhangen. Met betrekking tot de doelmatigheid, die volgens de toelichting slechts gericht is op die kosten die verband houden met een efficiente bedrijfsvoering, moet worden voorzien op welke wijze met daarbij opkomende efficiencyverschillen wordt omgegaan. Het gaat met andere woorden om de vraag op wie de kosten van efficiencytekorten worden afgewenteld en aan wie efficiencyoverschotten toekomen, zolang de uitvoeringsorganen geen «profitinstellingen» zijn en de beoogde optimale situatie (nog) niet is bereikt. Het vastgestelde budget is taakstellend in deze zin, dat geen machtiging bestaat voor het doen van uitgaven boven de toegestane ruimte; als zodanig kunnen dan ook geen «efficiencytekorten» ontstaan. Maar het hiertoe benodigde strakke kader roept naar het oordeel van de Raad naar verwachting zodanig gedetailleerde regelgeving bij de vaststelling van de budgetten op, dat een ondoorzichtig en daardoor het risico van willekeur in zich dragend systeem wordt opgebouwd, waarin de efficiencytoets niet of nauwelijks tot zijn recht kan komen en slechts een van boven opgelegde bezuinigingsoperatie zichtbaar is. De vraag dringt zich bij dit alles op of nog sprake is van verantwoordelijkheid van de sociale partners op dit punt. Het gestelde in paragraaf 6.1 van de toelichting inzake het inbouwen van meer concurrentie in de uitvoering van de sociale verzekering geeft daarbij voedsel aan de gedachte dat wordt gestreefd naar een vercommercialisering waarbij het marktmechanisme de keuze van de contractpartij bepaalt.

4.3. In paragraaf 5.2 van de toelichting wordt gesteld dat de uitvoeringsinstanties verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de sociale verzekeringen en dat daarbij ook hoort het innen en besteden van de gelden. De Raad merkt op dat ten aanzien van de inning onder meer in toren speelt hierbij de invloed van wetswijzigingen, intensivering van het reïntegratie en handhavingsbeleid, loonkostenstijgingen en inrichting van het uitvoeringsproces een rol. Gezien de acceleratie van de uitvoeringskostenstijging dringt de beheersbaarheidsvraag zich op en ontstaat de behoefte om te komen tot een instrumentarium waarmee het inzicht in en de beheersing van de uitvoeringskosten beter vorm kan worden gegeven.

De Raad merkt tevens op dat de omvang van de uitvoeringskosten mede afhankelijk is van het gevoerde volumebeleid. De Raad signaleert het risico dat het uitkeringsvolume extra zou kunnen toenemen als de uitvoeringskosten teveel worden teruggedrongen zodanig dat geen geld meer beschikbaar is voor dit volumebeleid. Het kabinet onderkent dit gevaar. Bij de voorgestelde budgettering dienen derhalve steeds twee aspecten in het oog te worden gehouden. Enerzijds activiteiten in het kader van een efficiëntere uitvoering die een kostenbesparend effect zullen hebben en anderzijds activiteiten die in het kader van majeure beleids-of wetswijzigingen daaraan inherente kostenstijgingen met zich brengen. Voorbeelden van dit laatste zijn investeringen in verzuimbeleid respectieveiijk de verwachte toename van de administratiekosten in het kader van de AAW/WAO ten gevolge van de herbeoordelingsoperatie TBA. Bij het vast te stellen budget dienen de effecten van dit soort beleids-en wetswijzigingen ook te worden verwerkt. Indien beide aspecten worden onderkend acht het kabinet het streven naar efficiencyverbetering bij de uitvoering niet contraproductief aan de doelstelling van het volumebeleid. Het gaat om een optimale uitvoering, niet om een uitvoering tegen minimale kosten.

4.2 De Raad acht bij de voorgestelde budgettering een spanning aanwezig tussen de verantwoordelijkheid van de minister en de sociale partners. In zijn advies merkt hij op dat budgettering nog niet mogelijk is, omdat voldoende inzicht in de onderliggende kostenfactoren zou ontbreken, en tevens een te gedetailleerd stelsel zou moeten worden ontworpen om

het rapport van de Commissie-Stevens voorstellen worden gedaan de inning van de belastingen en de premies door één dienst te laten plaatsvinden. Deze wijze van inning zou kostenbesparend kunnen werken, zowel voor de uitvoeringsinstanties als voor de premieplichtigen. In het kader van de beheersing van de uitvoeringskosten, waartoe de onderhavige voorstellen strekken, zou een afweging van deze voorstellen op zijn plaats zijn. In het bijzonder ware duidelijkheid te betrachten ten aanzien van de vraag of ten aanzien van die voorstellen reeds besluitvorming heeft plaatsgehad, waarbij (definitief) de inning aan de uitvoeringsinstanties wordt opgedragen.

budgettering mogelijk te maken. Tevens vraagt hij zich af of de budgettering niet zal verworden tot een van boven opgelegde bezuinigingsoperatie, waarbij de sociale partners hun verantwoordelijkheid slechts beperkt kunnen waarmaken.

Bij de budgetteringsvoorstellen is gekozen voor budgettering op het niveau van het Gib en SVb. De primaire verantwoordelijkheid ligt derhalve op een niveau waar de inbreng van de sociale partners volledig is gewaarborgd. Het Ctsv houdt vervolgens toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van het door het budget gerepresenteerde uitgavenniveau. In het kader van de beheersing van de administratiekosten heeft de Toezichtkamer van de SVr momenteel reeds een toetsingsmodel in voorbereiding waarin, in overleg met de bedrijfsverenigingen en de SVb, een aantal kengetallen is opgenomen ten aanzien van de onderliggende kostensoorten. Dit stramien kan ook worden benut voor de opstelling van de taakstellende budgetten en de rapportages over de budgetuitputting gedurende het jaar. Indien de ontwikkeling van het toetsingsmodel door de SVr volgens planning verloopt kan op basis van de, in het kader van het toetsingsmodel, uniform verzamelde gegevens het proces van beheersing van de uitvoeringskosten worden geïnitieerd. Het kabinet onderschrïjft derhalve niet de vrees van de Raad dat budgettering nog niet, danwel alleen met behulp van een zeer gedetailleerd systeem, mogelijk is.

Zoals reeds in § 4.1 is aangegeven zal bij de budgetvaststelling rekening worden gehouden met kostenmutaties, die het gevolg zijn van majeure wetswijzigingen en daarmee slechts beperkt beïnvloedbaar door de uitvoeringsorganen (in casu de sociale partners). Daarnaast resteren de organisatorische processen die wel beïnvloedbaar zijn door de uitvoeringsorganen en waarbij deze volledig kunnen worden aangesproken op de doelmatige inrichting van deze processen.

Aansluitend legt de Raad nog een verband met het voornemen van het kabinet om te bezien of elementen van concurrentie zouden kunnen worden ingebouwd in de uitvoeringsorganisaties. Deze gedachte van

  • Arbeidsvoorziening

5.1. De taaktoewijzing met betrekking tot de (her)plaatsing van arbeidsongeschikten kent een lange voorgeschiedenis. Vele jaren vormden deze werkzaamheden een onderdeel van de taken van de toenmalige gewestelijk arbeidsbureaus. Bij de invoering van de Wet arbeid gehandicapte werknemers concurrentie is ook bij § 1.6 van zijn advies door de Raad aan de orde gesteld. In antwoord op het door de Raad gestelde ben ik -eveneens onder § 1.6 -ingegaan op dit onderwerp.

4.3 Ten aanzien van de premie-inningskant van de uitvoering vraagt de Raad om een nadere toelichting, met name tegen de achtergrond van de voorstellen die zijn gedaan door de commissie Stevens.

De commissie Stevens heeft onder meer voorgesteld de premieheffing werknemersverzekeringen over te dragen van de bedrijfsverenigingen naar de belastingdienst. Over onder meer dit voorstel tot centrale heffing en inning is door het kabinet advies gevraagd aan de SER en de SVr. De bewindspersonen van Financiën en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid hebben daarnaast inzicht willen hebben in de precieze effecten van dit voorstel op de uitvoerings-en administratiekosten van de bedrijfsverenigingen, de belastingdienst en de inhoudingsplichtige werkgevers. Aan het Economisch Instituut voor het Midden-en Kleinbedrijf (EIM) is opdracht verleend dit te onderzoeken en daar tevens bij te betrekken de effecten van een alternatief voorstel van de FBV. De SER heeft inmiddels geadviseerd De SVr heeft laten weten advisering aan te houden totdat de resultaten van het EIM-onderzoek bekend zijn. Het EN heeft in december 1992 rapport uitgebracht. Het rapport is aan de SVr gestuurd met het verzoek nu op korte termijn te adviseren. Het kabinet is voornemens om ten aanzien van centrale heffing en inning met een standpunt te komen nadat de SVr geadviseerd heeft. Dit is ook aan de Tweede Kamer meegedeeld bij gelegenheid van de aanbieding van het EIM-rapport aan de Tweede Kamer.

  • Arbeidsvoorziening

5.1 Ten aanzien van de arbeidsbemiddeling van arbeidsongeschikten merkt de Raad terecht op dat sprake is van een belangrijk element in dit wetsvoorstel en dat de invoering van een nieuwe werkwijze een uiterst zorgvuldige voorbereiding vereist. Ook het Kabinet is zich hiervan bij de totstandkoming van het voorstel

(WAGW) is aan de GMD In 1986 de formele bevoegdheid verleend tot arbeidsbemiddeling van arbeidsongeschikten. De arbeidsbureaus hebben deze activiteiten goeddeels beeindigd Thans wordt voorgesteld de bevoegdheden van de GMD in het algemeen over te dragen aan de bedrijfsverenigingen, terwijl het blijkens de toelichting de bedoeling is dat de arbeidsbemiddeling in de toekomst weer door de arbeidsbureaus -inmiddels onderdeel van de nieuwe Arbeidsvoorzieningsorganisatie -ter hand wordt genomen. Deze voorgeschiedenis leert dat er voor-en nadelen kleven aan de keuze voor een van de genoemde varianten. Daaraan moet de conclusie worden verbonden dat -wil de arbeidsbemiddeling voor deze categorie, die juist intensivering behoeft, niet in het gedrang komen -de invoerïng van een nieuwe werkwijze een uiterst zorgvuldige voorbereiding vereist. De wetenschap dat die arbeidsbemiddeling in een betrekkelijk korte periode «heen en weer» gaat, accentueert die noodzaak. De staatssecretaris heeft mede een tot haar gericht schrijven van het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening van 24 april 1992 overgelegd, waarin het uitgangspunt van het kabinet wordt onderschreven dat artikel 3 van de Arbeidsvoorzieningswet aan de organen van de arbeidsvoorziening de zorg opdraagt voor alle groepen werkzoekenden. Ook de bemiddeling van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten is in beginsel een taak van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Het voorgaande geeft de Raad aanleiding bijzondere aandacht te vragen voor dit onderdeel van de voorstellen. Allereerst moet worden vastgesteld dat ook op dit onderdeel de tekst van het aan de Raad ter overweging aangeboden wetsvoorstel sterk afwijkt van de redactie van het aan de S.E.R. en de SVr ter advisering voorgelegde voorontwerp. Dat bemoeilijkt de vorming van een goed oordeel over de uitvoerbaarheid van het voorstel. Voorts blijkt uit het hiervoor aangehaalde schrijven van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dat niet alleen ten behoeve van een goede uitvoering experimenten van beperkte (regionale) aard zullen moeten worden gehouden, maar bovendien dat overeenstemming zal moeten worden verkregen over de financiering. Ook de memorie van toelichting geeft aan dat experimenten noodzakelijk zijn voordat de terdege bewust geweest. De opheffing van de GMD leldt ertoe dat hier een nieuwe oplossing moet worden gevonden. Ook de mogelijkheid de arbeidsbemiddeling bij de bedrijfsverenigingen onder te brengen is daarbij aan bod gekomen. Een situatie waarin naast de bestaande arbeidsbemiddelingsorganisatie tevens negentien bedrijfsverenigingen zich bezig zouden houden met bemiddeling naar de arbeidsmarkt wordt echter als ongewenst beschouwd omdat dit tot een te grote versnippering leidt. Ook de SER heeft zich in het verleden uitgesproken tegen een (complementaire) arbeidsbemiddelende taak van de bedrijfsverenigingen. Het kabinet heeft in 1991 advies gevraagd aan het CBA over de overname van de bemiddelingstaak. In april 1992 adviseerde het CBA in principe positief over die overname. Het bestuur wilde echter eerst een aantal proefprojecten met de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten uitvoeren, om te beoordelen of en op welke manier de RBA's in staat zijn deze (niet eenvoudige) taak naar behoren te vervullen. Daarnaast moeten de proefprojecten ook duidelijk maken hoeveel geld gemoeid is met de bemiddeling van deze groep De proefprojecten starten in mei 1993. In maart 1994 zal de evaluatie van de projectuitvoering bekend zijn. Er worden vier proefprojecten uitgevoerd, waarin de RBA's en de bedrijfsverenigingen cq. GMD-districtskantoren nauw samenwerken. Bij twee daarvan bemiddelt het arbeidsbureau de gedeeltelijk arbeidsgeschikte met gebruikmaking van de arbeidsmedische kennis van deGMD De twee andere proefprojecten gaan uit van de zogenaamde éèn-dossierbenadering. Medewerkers van de GMD/bedrijfsvereniging en de Arbeidsvoorziening ontwerpen gezamenlijk een trajectplan, op grond waarvan de cliënt, hetzij door het arbeidsbureau, hetzij door de GMD/bedrijfsvereniging begeleid wordt naar een vaste arbeidsplaats. De proefprojecten richten zich op nieuwe cliënten en staan alle vier onder regie van het RBA.

Tevens wil ik hier nog opmerken dat in het voorliggende wetsvoorstel sprake is van een minder strakke (wettelijke) invulling van de nieuwe

taken op het gebied van de arbeidsbemiddeling daadwerkelijk kunnen worden overgedragen. Naar de Raad veronderstelt, zullen de genoemde experimenten moeten aansluiten -dan wel moeten volgen -op de experimenten in het kader van de onder punt 1.4 van dit advies gememoreerde samenwerking tussen de GMD en het GAK als besloten op 25 oktober 1991. Gelet op de vele onzekerheden als hiervoor genoemd en op het belang van een meer succesvol volumebeleid, acht de Raad ook vanuit deze gezichtshoek nieuwe regelgeving slechts zinvol voor zover die regelgeving de ingezette ontwikkeling kan ondersteunen en versterken.

5.2. Het college acht in dit verband een wettelijke opheffing van de GMD prematuur. Wel zou kunnen worden voorzien in inspanningsverplichtingen voor de verschillende uitvoeringsorganisaties als geregeld in het voorgestelde artikel 67. Het is de Raad niet duidelijk op welke wijze de door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie in de genoemde brief vermelde financiële middelen ter beschikking moeten komen. Nu wordt aanvaard dat de arbeidsbemiddeling in kwestie tot de normale taken van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie behoort, lijkt er geen plaats voor afwijkende financiële bepalingen. In de memorie van toelichting ware op dit aspect in te gaan en daarbij te bespreken of de financiële regeling zou moeten leiden tot aanvullende wettelijke bepalingen hetzij in een van de wetten op het terrein van de sociale zekerheid hetzij in de Arbeidsvoorzieningswet. Het staat naar de mening van de Raad vast dat geen overdracht van taken kan plaatsvinden voordat een sluitende financiële regeling tot stand is gekomen.

structuur om de sociale partners een zo groot mogelijke vrijheid te geven deze taak op een optimale wijze in te vullen. 5.2 Naar aanleiding van zijn opmerkingen ten aanzien van de arbeidsbe middeling van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten acht de Raad een wettelijke opheffing van de GMD prematuur. Tevens is het de Raad niet duidelijk op welke wijze de financiële aspecten van de verschuiving van de arbeidsbemiddelingstaak van de GMD naar de Arbeidsvoorzieningsorganisatie vorm gegeven worden.

Voor een reactie op de opmerkingen van de Raad met betrekking tot de opheffing van de GMD verwijs ik naar § 2. Gelet op de doorlooptijd van de eerder vermelde regionale experimenten (maart 1994) zal 1994 een overgangsjaar moeten zijn, gericht op de definitieve besluitvorming en voorbereiding van het ter hand nemen van de arbeidsbemiddeling door Arbeidsvoorziening vanaf 1995. In de Invoeringswet zal derhalve een voorziening worden getroffen die erop is gericht dat de arbeidsbemiddeling, tijdelijk vanuit de bedrijfsverenigingen wordt voortgezet. In de praktijk zal dus de bestaande situatie, waarbij de medewerkers van de GMD nauw samenwerken met de medewerkers van de bedrijfsverenigingen, worden gecontinueerd. De proefprojecten moeten meer inzicht bieden in de kosten die de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten voor Arbeidsvoorziening met zich meebrengt. Uitgangspunt van het kabinet is dat, indien van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie verwacht wordt dat zij gedeeltelijk arbeidsgeschikten effectief naar betaalde arbeid bemiddelen, daarvoor toereikende finan-

  • Regionalisatie

Een van de belangrijke knelpunten bij de uitvoering van de sociale zekerheid wordt gevormd door de veelheid van instanties die zich met de gevalsbehandeling bezighouden. De noodzakelijke samenwerking is in het kader van de bestaande regelgeving tot voor kort onvoldoende van de grond gekomen. Een herziening op dit onderdeel leidt echter toch weer tot een structuur waarbij binnen het proces, dat moet leiden tot revalidatie en zo enigszins mogelijk tot herplaatsing, verschillende organen werkzaam zijn. Reeds werd geconstateerd dat het goed kunnen functioneren van de nieuw voorgestelde werkverdeling een nauwe samenwerking van de desbetreffende organen vraagt. Experimenten zijn nodig -en reeds in gang gezet -om tot goede werkvormen te komen. Ook omdat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie regionaal is georganiseerd, gaat het dan om regionale experimenten. Aansluiting op de bedrijfstaksgewijze organisatie van de bedrijfsverenigingen betekent een nogal complexe structuur (19 bedrijfsverenigingen in 18 regio's). Het is begrijpelijk dat vanuit de adviesorganen regionalisatie van de uitvoering onvermijdelijk wordt geacht. Evenzo is het begrijpelijk dat thans nog onvoldoende zicht op die nieuwe structuur bestaat om te denken in passende vormen van regelgeving en voorshands de voorkeur wordt gegeven aan afspraken tussen de betrokken organen. Ook naar het oordeel van de Raad verdient het aanbeveling om thans vooral te investeren in goed opgezette en geëvalueerde experimenten en om eerst daarna op basis van de uitkomst tot eventuele wijziging van wetgeving te komen.

ciële middelen beschikbaar moeten zijn. Op basis van de resultaten van de proefprojecten zal nader overleg plaats vinden met het CBA over de financiering. Ik onderschrljf overigens de constatering van de Raad dat een sluitende financiële regeling tot stand moet komen.

  • Regionalisatie

De Raad is van mening dat een van de belangrijkste knelpunten bij de uitvoering van de sociale zekerheid wordt gevormd door de veelheid van instanties die zich met de gevalsbehandeling bezighouden. De Raad constateert dat het goed kunnen functioneren van de nieuw voorgestelde werkverdeling een nauwe samenwerking van de desbetreffende organen vraagt. Het zou aanbeveling verdienen om thans vooral te investeren in goed opgezette en geëvalueerde experimenten en om eerst daarna op basis van de uitkomst tot eventuele wijziging van wetgeving te komen.

De mening van de Raad dat een van de belangrijkste knelpunten bij de uitvoering wordt gevormd door de veelheid van Instanties die zich met de gevalsbehandeling bezighouden onderschrijf ik volledig. Het grootste knelpunt in dat kader is de scheiding tussen de bedrijfsverenigingen en de GMD. De opheffing van de GMD als zelfstandige organisatie en het onderbrengen van de taken bij de bedrijfsverenigingen en arbeidsbureaus is een maatregel die aan deze problematiek een einde zal maken.

Ik onderschrijf de mening van de Raad dat het goed kunnen functioneren van de nieuw voorgestelde werkverdeling een nauwe samenwerking van de desbetreffende organen vraagt. Evenals de Raad ben ik van mening dat samenwerkingsafspraken op regionaal niveau tussen gemeenten, de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en de bedrijfsverenigingen zo veel mogelijk gestimuleerd dienen te worden. Het wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om via algemene maatregel van bestuur experimenten op regionaal niveau te stimuleren. Hierdoor is het mogelijk om samenwerkingsafspraken tussen uitvoeringsorganen in de regio te realiseren zonder dat de nieuwe wettelijke structuur daarvoor een

  • Invoering

Noch in het algemene gedeelte van de memorle van toelichting noch in de artikelsgewijze toelichting wordt ten aanzien van artikel 120 (inwerkingtredingsbepaling) -waarop overigens iedere toelichting ontbreekt -aandacht besteed aan het tijdschema waarin de voorgestelde maatregelen uiteindelijk hun beslag moeten krijgen. Zoals uit het schema In paragraaf 7.2.5 van de toelichting blijkt, zijn met deze maatregelen onder meer omvangrijke personele verschuivingen gemoeid. Het verdient aanbeveling aan de temporele aspecten van de invoering van dit grote wetgevingsproject ruime aandacht te besteden. Het is niet ongebruikelijk soortgelijke projecten door geleidelijke fasering tot een afronding te brengen, aangezien bij de daadwerkelijke uitvoering de klok als het ware niet meer kan worden teruggedraaid. Ook vanuit dit oogpunt verdient het aanbeveling het wetsvoorstel een beperkte strekking te geven.

belemmering vormt. Immers, bij algemene maatrege! van bestuur kan in dit geval afgeweken worden van de OSV. Voor een nadere toelichting op dit punt en de wijziging die is aangebracht in het oorspronkelijke wetsvoorstel verwijs ik naar § 27.

Overigens stelt de Raad terecht dat een regionale opzet conform de arbeidsvoorzieningsorganisatie voor de bedrijfsverenigingen tot een uiterst complexe situatie zou leiden. Indien de 19 bedrijfsverenigingen in elke regio een regionaal bestuur in zouden stellen zou een uiterst ingewikkelde en daardoor inefficiënte en onwerkbare situatie ontstaan.

  • Invoering

De Raad merkt op dat geen aandacht is besteed aan het tijdschema waarin de voorgestelde maatregelen uiteindelijk hun beslag moeten krijgen. In dit verband wijs ik erop dat in een afzonderlijk wetsvoorstel de invoering van het wetsvoorstel OSV zal worden geregeld. In het kader van dit afzonderlijke wetsvoorstel zal worden ingegaan op temporele aspecten van de invoering van dit wetgevingsproject. De memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel is op dit punt aangepast.

ARTIKELSGEWIJS

  • Artikel 3

In artikel 3 ware aan te geven op basis van welke deskundigheid de leden van het college zullen worden aangewezen. Zo nodig ware dit in de toelichting verder uit te werken.

Artikelsgewijze toelichting

  • Artikel 3

De Raad verzoekt aan te geven op basis van welke deskundigheid de leden van het College zullen worden aangewezen. De leden van het College zullen elkaar wat deskundigheid betreft moeten aanvullen, zodanig dat zij samen de uitvoering geheel kunnen doorgronden. De opmerking van de Raad hierover heeft mij aanleiding gegeven de toelichting op artikel 3

  • Artikel 11

Ingevolge artikel 11 kan de minister aanwijzingen aan het Ctsv geven betreffende de uitoefening van zijn taken. In de artikelsgewijze toelichting wordt benadrukt dat deze aanwijzingen geen betrekking kunnen hebben op een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever. Aangezien dergelijke aanwijzingen geen geïndividualiseerde elementen bezitten, ware bij voorkeur te spreken van «algemene aanwijzingen» in plaats van «aanwijzingen». De Raad verwijst in dit verband naar het woordgebruik in artikel 16 van het wetsvoorstel verzelfstandiging Informatiseringsbank. In artikel 11, tweede lid, is vastgelegd dat het Ctsv gehouden is overeenkomstig de aanwijzingen van de minister te handelen. De Raad vraagt zich in dit verband af of in het woord «aanwijzing» niet reeds een verplichtend karakter ligt besloten. Bovendien is het volgens de Raad, mede in het licht van artikel 4, niet goed voorstelbaar dat het Ctsv een aanwijzing van de minister zou negeren. Meer in het algemeen rijst ten aanzien van de onder meer in artikel 11 voorkomende aanwijzingsbevoegdheid de vraag of hieruit beleidsregels kunnen voortvloeien als bedoeld in de aanwijzingen 44 en 45, derde lid, van de Aanwijzingen voor de regelgeving (Ar). Zo ja, dan ware, mede met het oog op artikel 4.4.4 van het voorontwerp Algemene wet bestuursrecht, derde tranche, in de toelichting aan te geven hoe deze beleidsregels zullen worden bekendgemaakt.

aan te vullen met enkele opmerkingen over de deskundigheid die in het College in ieder geval moet zijn vertegenwoordigd.

  • Artikel 11

De Raad stelt dat het voorkeur verdient te spreken van algemene aanwijzingen in plaats van «aanwijzingen» omdat de desbetreffende aanwijzingen geen betrekking kunnen hebben op een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever. Tevens maakt de Raad een opmerking over het verplichtend karakter en over de wijze waarop de beleidsregels bedoeld in dit artikel worden bekend gemaakt.

Aanwijzingen van de minister aan het Ctsv kunnen geen betrekking hebben op een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever. In zoverre bevatten de aanwijzingen geen geïndividualiseerde elementen. In de memorie van toelichting is evenwel reeds uiteengezet dat de aanwijzingen van de minister aan het Ctsv wel betrekking kunnen hebben op de uitvoering van wetten door een bepaalde bedrijfsvereniging en betrekking kunnen hebben op een bepaalde aangelegenheid (bijvoorbeeld de wijze van bestrijding van een bepaalde vorm van fraude door een bepaalde bedrijfsvereniging). In zoverre is de aanwijzingsbevoegdheid van de minister niet algemeen. Beperking van de bevoegdheid van de minister tot het geven van algemene aanwijzingen, waardoor laatstbedoelde aanwijzingen niet gegeven zouden kunnen worden, is niet wenselijk.

De Raad vraagt zlch af of in het woord «aanwijzing» niet reeds een verplichtend karakter besloten ligt. De memorie van toelichting bij artikel 11 is naar aanleiding van deze vraag gewijzigd. In de gewijzigde memorie van toelichting wordt de vraag van de Raad bevestigend beantwoord. Hierdoor kan in elk geval geen twijfel meer bestaan omtrent het verplichtend karakter van de in de artikelen 11 en 15 van het wetsvoorstel bedoelde aanwijzingen. Daarom zijn in het wetsvoorstel artikel 11, tweede lid, en artikel 16 geschrapt.

Aanwijzingen van de minister of het Ctsv kunnen beleidsregels zijn in

  • Artikel 14

Ingevolge artikel 14, eerste lid, zullen besluiten van de in dit lid bedoelde instellingen de goedkeuring van het College behoeven, indien die besluiten door het College «nader» zijn omschreven. Het valt op dat de hier bedoelde besluitcn in het wetsvoorstei in het geheel niet zijn omschreven, zodat er van een «nader» omschrijven door het College geen sprake kan zijn. Het verdient aanbeveling de hier bedoelde besluiten op hoofdpunten in het wetsvoorstel te karakteriseren. Indien het College evenwel een reële onafhankelijke positie is toebedacht, zoals de Raad in punt 3.4 van dit advies omschreef, dan ware het woord «nader» in artikel 14, eerste lid, te schrappen.

  • Artikel 20

Bij het college is ten aanzien van artikel 20 de vraag gerezen waar het in behandeling nemen van een klacht door het Ctsv uiteindelijk toe zou moeten leiden. Het is van belang dat hierop in de toelichting wordt ingegaan, aangezien in artikel 15, tweede lid, de bepaling is opgenomen dat aanwijzingen van het college geen betrekking hebben op de besluitvorming betreffende een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever. Zo bezien, zou een klacht alleen kunnen leiden tot een algemene beleidsaanwijzing, maar niet tot individuele afdoening. Hierover ware duidelijkheid te verschaffen. Los van het voorgaande is de Raad van oordeel dat de hier voorgestelde voorziening als zodanig niet nodig is naast, zoals in de toelichting wordt gememoreerd, het bestaan van eigen klachtenprocedures bij alle uitvoeringsinstanties. Daar komt overigens nog bij dat de Nationale ombudsman op alle terreinen van de sociale zekerheid competent is.

de zin van aanwijzing 44 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Als beleidsregel wordt hier beschouwd: een anders dan bij algemeen verbindend voorschrift op schrift gestelde algemene regel voor het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. In de memorie van toelichting is aangegeven dat dergelijke beleidsregels in de Staatscourant zullen worden bekendgemaakt.

  • Artikel 14

De Raad vraagt aandacht voor de door het Ctsv nader te omschrijven besluiten, die goedkeuring van het Ctsv behoeven.

Aan het Ctsv is met betrekking tot het in artikel 14 geregelde goedkeuringsvereiste een reële onafhankelijke positie toebedacht. Overeenkomstig de aanbeveling van de Raad is het woord «nader» in het eerste en tweede lid van artikel 14 geschrapt.

  • Artikel 20

De Raad vraagt zich af waar het in behandeling nemen van een klacht door het Ctsv uiteindelijk toe zou moeten leiden. Bovendien is de Raad van mening dat de in artikel 20 voorgestelde voorziening als zodanig niet nodig is gelet op de klachtenprocedures bij alle uitvoeringsinstanties en de competentie van de Nationale Ombudsman.

Met betrekking tot artikel 20 zij opgemerkt dat in de gevallen waarin de SVr tot het oordeel kwam dat een klacht gegrond was, de uitvoeringsinstantie waarop de klacht betrekking had, altijd overeenkomstig het oordeel van de SVr heeft gehandeld. Het ontbreken van een verplichting om in een individueel geval overeenkomstig het oordeel van het Ctsv te handelen, behoeft derhalve niet het nut van de klachtenbehandelingsprocedure in de weg te staan. Een algemene beleidsaanwijzing waarin wordt aangegeven op welke wijze de uitvoeringsinstanties moeten handelen in gevallen die overeen-

  • Artikelen 21 en 22

Naar het voorkomt, bevat artikel 21, tweede lid, een zekere overlapping met artikel 22. Het verdient aanbeveling deze bepalingen zodanig aan te passen dat de verhouding tussen deze bepalingen duideiijk wordt.

komen met het geval waarop een klacht betrekking heeft, heeft overigens wel een verplichtend karakter. Het bestaan van eigen klachtenprocedures bij de uitvoeringsinstanties en de competentie van de Nationale Ombudsman op alle terreinen van de sociale zekerheid kan met zich brengen dat geen of weinig klachten bij het Ctsv in behandeling worden gegeven. In artikel 20 is daarom slechts bepaald dat, indien bij het Ctsv klachten worden ingediend en het Ctsv deze in behandeling neemt, die behandeling overeenkomstig door het Ctsv gestelde regels dient te geschieden en dat deze regels in de Staatscourant dienen te worden geplaatst.

  • Artikelen 21 en 22

Bij het opstellen van het nader rapport is besloten het wetsvoorstel te vereenvoudigen door de artikelen 21, 22, 23 en 25 te laten vervallen. De artikelen 21, 22 en 23 kunnen vervallen gelet op de werkingssfeer van artikel 10. In artikel 10 is aan het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen de verplichting opgelegd om op verzoek van de minister, overeenkomstig de daarbij door de minister gestelde eisen en binnen de daarbij door de minister gestelde termijn, kosteloos, alle door de minister gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. In de toelichting op artikel 10 was reeds aangegeven dat genoemde rechtspersonen verplicht zijn tot bewerking van gegevens indien zij slechts door middel van die bewerking kunnen voldoen aan de door de minister gestelde eisen. Ook zijn deze rechtspersonen verplicht tot het verzamelen van gegevens indien zij slechts daardoor aan de eisen van de minister kunnen voldoen. In artikel 12 is opgenomen dat de informatievoorzieningstaak in relatie tot de uitvoering van de desbetreffende wetten bij het Ctsv ligt.D e minister kan op grond van artikel 10 het College verzoeken aan hem, incidenteel of periodiek, informatie te verstrekken ten behoeve van de financiering, de beleidsvoorbereiding, de statistiek en het wetenschappelijk onderzoek in verband met de uitvoering van wetten door genoemde rechtspersonen, alsmede informatie die hij nodig acht ten behoeve van het door hem te voeren beleid. De verstrekking van reguliere beleidsinformatie door het Ctsv aan

de minister kan derhalve worden begrepen onder de werkingssfeer van artikel 10. Dit maakt artikel 21 overbodig. In de memorie van toelichting is dit nader uitgewerkt.

Voorts kan de minister op grond van artikel 10 het College verzoeken hem, incidenteel of periodiek, gegevens te verstrekken betreffende de stand van zaken met betrekking tot onderwerpen die verband houden met de uitvoering van wetten door genoemde rechtspersonen, de wijze waarop door het College toezicht wordt gehouden, de daarbij gegeven aanwijzingen en de resultaten van het toezicht, het beleid van de Bank en de bedtïjfsverenigingen met betrekking tot de bestrijding van misbruik van wetten, alsmede de wijze waarop door de bedrijfsverenigingen wordt bevorderd dat zo min mogelijk een beroep op de wettelijke regelingen behoeft te worden gedaan. Dit betekent dat ook artikel 22 gemist kan worden. Het laten vervallen van de artikelen 21 en 22 brengt met zich dat ook het op die artikelen betrekking hebbende artikel 23 kan vervallen. In de memorie van toelichting wordt in de toelichting op artikel 10 ingegaan op bepalingen die oorspronkehjk in artikel 23 waren opgenomen.

Het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en de bedrijfsverenigingen zijn bevoegd onderzoek te verrichten, voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van wetten door deze rechtspersonen. Het College heeft tot taak toezicht te houden op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering van wetten door de uitvoeringsinstanties. Het College verricht, dan wel bevordert, dat onderzoek wordt verricht voorzover dat noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van wetten. Zo nodig kan het College door middel van een aanwijzing de uitvoeringsinstanties bijsturen. Daarbij dient het College ook zorg te dragen voor een goede afstemming met onderzoek op andere terreinen. Het eerste lid van artikel 25 kan vervallen, daar deze taak is neergelegd in artikel 12 onder d. Ten behoeve van voornoemde taken kan het College de uitvoeringsinstanties verzoeken, door middel van een overzicht per kalenderjaar of tussentijds, hem in kennis te stellen van voornemens tot het verrichten of laten verrichten van onderzoek,

  • Artikel 27

Het verdient aanbeveling dat in dit artikel tevens wordt geregeld uit hoeveel leden het bestuur ten hoogste bestaat.

alsmede hem in kennis te stellen van de resultaten van onderzoek dat door hen of in hun opdracht is verricht. De uitvoeringsinstanties zijn op grond van artikel 13 verplicht aan een dergelijk verzoek te voldoen. Vanuit de verwachting dat het College om deze informatie zal verzoeken zijn het tweede en derde lid van artikel 25 vervallen. Ter structurering van het wetsvoorstel is artikel 24 verplaatst naar § 1 van afdeling 2. De wettekst en de memorie van toelichting zijn overeenkomstig aangepast.

  • Artikel 27

Gelet op de suggestie van de Raad om het maximaal aantal ieden van het bestuur van de SVb in dit artikel aan te geven is artikel 27 aangepast.

  • Artikel 35

Naar aanleiding van artikel 35 rijst de vraag of ten aanzien van de erkenning niet zou moeten worden bepaald dat aan de erkenning voorschriften kunnen worden verbonden en dat deze onder beperkingen kunnen worden verleend. Aangezien de erkenning als een vergunningsfiguur kan worden opgevat, moge hier worden verwezen naar de aanwijzingen 127-128 Ar.

  • Artikel 37

De verhouding tussen artikel 37, eerste lid, onder a en e, enerzijds en artikel 37, eerste lid, onder d, anderzijds is niet duidelijk. In verband hiermee verdient het aanbeveling de bepaling aan te passen of de toelichting op de onderscheidene onderdelen te verduidelijken. Los hiervan ware te verduidelijken of en waar beroep openstaat tegen intrekking van een erkenning. Zo nodig ware een voorziening als hier bedoeld alsnog te treffen.

  • Artikel 35

De vraag rijst bij de Raad of ten aanzien van de erkenning niet zou moeten worden bepaald dat aan de erkenning voorschriften kunnen worden verbonden en dat deze onder beperking kunnen worden verleend.

Er is geen reden om aan de minister de bevoegdheid toe te kennen aan de erkenning van het Gib voorschriften te verbinden of de erkenning onder beperkingen te verlenen. De taken en bevoegdheden van het Gib worden in de wet geregeld en, indien zulks nodig zou blijken te zijn, kan het Ctsv aanwijzingen aan het Gib geven.

  • Artikel 37

Ter verduidelijking van de verhouding tussen de onderdelen a, e en d van het eerste lid van artikel 37 zij het volgende opgemerkt.

In artikel 37, eerste lid, onder a, is geregeld dat de minister de erkenning van het Gib kan intrekken indien het Gib zijn taken niet naar behoren heeft uitgevoerd. Dit behoeft niet te betekenen dat het Gib heeft gehandeld in strijd met zijn statuten. Indien het Gib heeft gehandeld in strijd met zijn statuten kan de minister op grond van het artikel 37, eerste lid, onder d, besluiten tot intrekking van de erkenning van het Gib, zelfs indien niet kan worden staande gehouden dat het Gib zijn taken niet naar behoren heeft uitgevoerd. Voorts is

  • Artikel

Het voorgestelde artikel 44 vereist voor erkenning dat de vereniging bij uitsluiting ten doel heeft naast de uitvoering van de sociale verzekeringswetten het vervullen van taken waarvoor door de minister schriftelijke toestemming is verleend. De bedrijfsverenigingen verzorgen thans ook veelal de bedrijfstakeigenregelingen, voor welke verzorging, naar de Raad aanneemt, deze toestemming zal worden verleend. De hiermee samenhangende administratie vormt in een aantal gevallen een verzwarend element, zo geen belemmering, voor de vereenvoudiging van de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. In de toelichting ware nader uiteen te zetten of bij het verlenen van de toestemming ook voorwaarden zullen worden gesteld die de mogelijkheid voor de vereenvoudiging van de administratieve lasten kunnen verruimen.

mogelijk dat het Gib handelingen verricht die niet onder de statutaire doelstelling vallen, terwijl geen sprake is van handelen in strijd met de statuten en evenmin kan worden gesteld dat het Gib zijn taken niet naar behoren heeft uitgevoerd. Ook in dit geval kan de minister, op grond van artikel 37, eerste lid, onder e, besluiten tot intrekking van de erkenning van het Gib. Tegen intrekking van erkenning staat, zoals reeds in hoofdstuk 8.1 van de toelichting is aangegeven, dezelfde beroepsgang open die in principe voor alle beslissingen op grond van de OSV geldt, dus in eerste instantie beroep op de rechtbank en hoger beroep op de Centrale Raad van Beroep.

  • Artikel

De Raad veronderstelt dat de administratie van de bedrijfstakeigenregelingen bij de bedrijfsvereniging een verzwarend of zelfs belemmerend element kan zijn voor de vereenvoudiging van de administratieve lasten van het bedrijfsleven.

De administratie van de bedrijfstakeigenregelingen bij een bedrijfsvereniging geschiedt op verzoek van het bedrijfsleven, er is geen sprake van een verplichting. Bij het verlenen van toestemming voor het verzorgen van andere diensten door de bedrijfsverenigingen dan de wettelijk opgedragen taken, zal de minister voornamelijk zaken als oneerlijke concurrentie, strijdigheid met de wet of de beleidsdoelstelling van het kabinet in het oog houden. Het betreft hier activiteiten die geen invloed mogen uitoefenen op het niveau van de uitvoeringskosten. De integrale kosten van bedoelde activiteiten zullen afzonderlijk in rekening dienen te worden gebracht bij de opdrachtgever. Uitvoering van dergelijke activiteiten zal dan ook niet leiden tot een toename van de werkgeverspremies van de wettelijke regelingon en uit dien hoofde tot een lastenverzwaring voor werkgevers. Daarnaast mag verondersteld worden dat wanneer het bedrijfsleven de administratie van een bedrijfstakeigenregeling bij een bedrijfsvereniging als een belemmering of een verzwaring van de administratieve last beschouwt, het bedrijfsleven niet zal verzoeken de administratie door de bedrijfsvereniging te laten voeren. Overigens blijkt het uitvoeren van bedrijfstakeigenregelingen door bedrijfsverenigingen veelal tot

  • Artikel

Artikel 64 bevat operationele bepalingen ten aanzien van het sociaal-fiscaal nummer. Hetverdient aanbeveling dit artikel, gezien zijn zelfstandige betekenis, een afzonderlijke plaats in de regeling te geven en niet op te nemen tussen bepalingen die betrekking hebben op de taken en bevoegdheden van de bedrijfsvereniging. 18. Artikel 72

Ten aanzien van deze bepaling ware in de memorie van toelichting een op zichzelf staande verklaring te geven in plaats van te verwijzen naar onderdelen van de memorie van toelichtlng elders.

  • HoofdstukVI

Het verdient aanbeveling de samenhang tussen de in dit hoofdstuk genoemde termijnen door een schematisch overzicht te verduidelijken, dat als bijlage bij de memorie van toelichting zou kunnen worden gevoegd.

  • Artikel 90

In de artikelsgewijze toelichting ware, mede gelet op artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht, aan te geven of het begrip «belanghebbende» in de praktijk een ruimere strekking kan hebben dan een verwijzing naar een rechtstreeks in zijn belang getroffen rechtspersoon, aanzienlijke administratieve lastenverlichting voor werkgevers te leiden. Tevens worden de uitvoeringskosten van de wettelijke sociale verzekeringen neerwaarts beïnvloed.

  • Artikel 64

Het verdient aanbeveling artikel 64, gezien zijn zelfstandige betekenis, een afzonderlijke plaats in de regeling te geven, aldus de Raad.

In artikel 63 is aan bedrijfsverenigingen de verplichting tot het voeren of doen voeren van een administratie opgelegd In artikel 63, derde lid, is geregeld dat in de administratie van de bedrijfsvereniging of de uitvoeringsinstelling het sociaal fiscaal nummer van de verzekerde en de uitkeringsgerechtigde moet worden opgenomen. Het bepaalde in artikel 64 hangt hiermee samen en is daarom opgenomen in het artikel dat volgt op artikel 63. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt door in artikel 34 ook de SVb te verplichten tot het voeren van een administratie en tot het in die administratie opnemen van het sociaal-fiscaal nummer, dat tevens dient als registratienummer, van degene die verzekerd of uitkeringsgerechtigd is op grond van een wet die door de SVb wordt uitgevoerd.

  • Artikel 72

Overeenkomstig de aanbeveling van de Raad is artikel 72 in de memorie van toelichting zonder verwijzingen toegelicht.

  • HoofdstukVI

Conform de aanbeveling van de Raad is de memorie van toelichting aangevuld met een bijlage waarin de in hoofdstuk VI genoemde termijnen schematisch zijn weergegeven.

  • Artiltel 90

De Raad verzoekt om uitbreiding van de toelichting met betrekking tot het begrip belanghebbende en adviseert tevens in de toelichting te vermelden dat een bezwaarschriftenprocedure moet worden gevoerd voordat de rechter kan worden benaderd.

als genoemd in èén van de bepalingen waarnaar artikel 90 verwijst. De Raad adviseert voorts om in paragraaf 8.1 van de toelichting te vermelden dat krachtens hoofdstuk 7 van eerdergenoemde wet de bezwaarschriftprocedure moet worden gevoerd, voordat de rechter kan worden benaderd.

  • Artikelen 95-103

Met betrekking tot de verplichtingen tot het verstrekken-van gegevens en inlichtingen verdient het aanbeveling de verschillen tussen de vigerende verplichtingen en de in deze artikelen opgenomen regelingen in de toelichting te schetsen. Voorts ware aan te geven op welke punten de voorgestelde regelingen afwijken van die welke bestaan voor de belastingwetgeving, zoals opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het college heeft hierbij bijvoorbeeld het oog op artikel 95, derde lid, van het wetsvoorstel.

Wat betreft het begrip «belanghebbende» zij opgemerkt dat dit in de praktijk mderdaad een ruimere strekking kan hebben dan een verwijzing naar een rechtstreeks in zijn belang getroffen rechtspersoon. In welke gevallen dit zal voorkomen valt overigens thans nog niet te overzien. Artikel 90 beoogt echter geen beperking van het belanghebbendebegrip te geven. Deze aanvulling is in de toelichting opgenomen. Dat een bezwaarschriftenprocedure gevoerd moet worden voordat de rechter kan worden benaderd volgt reeds uit het systeem van de AWB, en is om deze reden niet expliciet vermeld.

  • Artikelen 95-103

Naar de mening van de Raad zou de toelichting uitgebreid moeten worden met een vergelijking tussen de voorgestelde en de huidige verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen.

In de artikelsgewijze toelichting is per artikel aangegeven hoe de regeling in de voorgestelde artikelen zich verhoudt tot de vigerende verplichtingen. De verschillen, die veelal betrekking hebben op aanpassing van de formulering worden toegelicht. Voorts verzoekt de Raad aan te geven op welke punten de voorgestelde regelingen afwijken van die welke bestaan voor de belastingwetgeving, zoals opgenomen in de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De algemene structuur van de inlichtingenbepalingen in de AWR (artikel 53a) en voor de loonbelasting uitgewerkt in de Wet op de Loonbelasting is, dat de werkgever verplicht is een administratie te voeren, waarin de gegevens zijn opgenomen, die voor de uitvoering van de van belang zijnde wetten noodzakelijk zijn en vervolgens de verplichting heeft aan het overheidsorgaan de gegevens periodiek te verstrekken en inzage te geven in de boeken en andere bescheiden, waaruit de noodzakelijke gegevens duidelijk blijken. Deze structuur is ook opgenomen in de artikelen 95 en 96. Er is geen sprake van afwijkingen ten opzichte van de inlichtingenverplichtingen van werkgevers voor de belastingheffing. Artikel 95, derde lid, wijkt inderdaad af van de vigerende bepaling, maar slechts in die zin dat in het huidige artikel 50a, derde lid, de inzage in de boeken van de werkgever niet beperkt is tot de in dat artikel

genoemde loongegevens en gegevens over de werkzaamheden van de werknemers en gegevens voor de vaststelling van de aansprakelijkheid voor de betaling van de premie en voorschotpremie. Deze beperklng kan met zich brengen, dat het inzagerecht beperkt zou zijn tot de loonadministratie van de werkgever en dat daarmee geen inzage mogelijk is in de andere administraties van de werkgever aangelegd voor belastingheffing. Zeker om vast te stellen of voldoende premie is afgedragen of aansprakelijkheid voor premiebetaling bestaat kan controle van die andere bescheiden van belang zijn. De bepaling is daarom bewust even ruim als de bepaling in de AWR. De ruimere bepaling van artikel 95, derde lid ten opzichte van artikel 50a, derde lid, van de huidige OSV zal in de artikelsgewijze toelichting nader worden toegelicht. Overigens hebben de verplichtingen van de werkgever in deze wet niet alleen betrekking op de premievaststelling, maar zijn de door de werkgever in zijn administratie op te nemen en te verstrekken gegevens ook noodzakelijk voor de uitkeringsverzorging. De werkgever meldt immers zijn werknemers als verzekerden aan bij de bedrijfsvereniging.

  • Artikel 95

Het valt op dat ingevolge artikel 95, vierde lid, inzage in het daar bedoelde document «terstond» moet worden verstrekt, terwijl dit begrip in de eerdere bepalingen inzake gegevensverstrekking ontbreekt. In de toelichting ware op de noodzaak van deze toevoeging in te gaan.

  • Artikel 96

Ingevolge artikel 114 juncto artikel 112 is overtreding van artikel 96 een strafbaar feit. Afhankelijk van het opzet van de dader zal dit feit als overtreding dan wel als misdrijf kunnen worden aangemerkt. Gelet

  • Artikel 95

De raad vraagt verduidelijking omtrent het hier opgenomen begrip «terstond».

De toevoeging «terstond» heeft specifiek betrekking op het ter inzage geven van een Identiteitsbewijs. De bepaling is conform de voorgestelde bepaling in het voorstel van Wet op de Identificatieplicht (TK nr. 22694). De achtergrond van deze bepaling wordt bij dat wetsvoorstel nader toegelicht. Naar verwachting zal de Wet op de Identificatieplicht op 1-1-1994 in werking treden voorafgaand aan de in werkingtreding van dit wetsvoorstel. De noodzaak van deze toevoeging hoeft daarom bij dit wetsvoorstel niet nader worden toegelicht.

  • Artikel 96

De Raad van State vraagt zich af hoe een werkgever kan weten, dat hij een administratie voert als is geregetd in artikel 96, eerste lid (de geciteerde bewoordingen zijn die van deze bepaling).

op dit strafbaarheidsaspect rijst de vraag hoe de werkgever kan weten of hij een «zodanige» administratie voert dat hij «aan de bedrijfsvereniging de inlichtingen kan verstrekken die noodzakelijk zijn voor de administratie die de bedrijfsvereniglng Ingevolge artikel 63 voert of doet voeren». De Raad betwijfelt of de geciteerde bewoordingen voldoende concreet zijn om, onder omstandigheden, hiermee in de strafrechtpraktijk een effectieve handhaving te kunnen afdwingen. In de artikelsgewijze toelichting ware in dit geval een verduidelijking op te nemen.

De administratie, die de bedrijfsvereniging ingevolge artikel 63 voert bevat de gegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de taak van die bedrijfsvereniging. De administratie, die de werkgever moet voeren moet dus in ieder geval de gegevens bevatten, die noodzakelijk zijn voor uitvoering van de taak van de bedrijfsvereniging. Die gegevens moet de werkgever dan ook volgens het tweede lid van artikel 96 verstrekken. Welke gegevens dat zijn wordt de werkgever duidelijk omdat voorschriften gelden voor het verstrekken van die gegevens (zie ook artikel 100) en voor de daarbij te gebruiken formulieren. Het gaat daarbij om de melding bedrijfsvereniging, dat wil zeggen de melding van gegevens over werknemers, en de jaaropgaven, dat wil zeggen de opgave van het door de werknemers verdiende loon. De bepaling in artikel 96 is de algemene bepaling. De administratieverplichting van de werkgever en de daarmee verbonden loonopgaven, die van beiang zijn voor de premieheffing worden nader geregeld in artikel 10 Coördinatiewet Sociale Verzekeringen (CwSV). Op het niet opvolgen van deze verplichtingen rust ook een strafsanctie. Over welke gegevens de werkgever in zijn administratie moet opnemen, zal mede vanwege de voorlichting over de wijze van verstrekken van gegevens door de bedrijfsverenigingen niet snel onduidelijkheid bestaan. De door de Raad van State geciteerde woorden zijn daarom in de praktijk voldoende concreet.

  • Artikel 101

Artikel 101 biedt de grondslag voor een vermoedelijk omvangrijke gegevensoverdracht naar de in dit artikel genoemde instellingen. Gelet op het feit dat op basis van artikel 50e, vierde lid, van de vigerende OSV reeds ervaring met deze gegevensoverdracht is opgedaan. en in aanmerking nemende dat de gegevens kosteloos ter beschikking moeten worden gesteld, verdient het aanbeveling in de toelichting een indruk te geven welk kostenbeslag hiermee voor de gegevensverschaffers is gemoeid.

  • Artikel 101

Het verdient volgens de Raad aanbeveling om in de toelichting een indruk te geven welk kostenbeslag met de desbetreffende gegevensoverdracht gemoeid is.

Artikel 101 regelt dezelfde inlichtingenverplichtingen aan de SV-organen als opgenomen zijn in artikel 50e van de huidige OSV. Ook in artikel 50e is geregeld dat deze gegevensverstrekking kosteloos is. Artikel 50e, vierde lid, is geregeld in artikel 102. Omdat hier sprake is van de handhaving van een reeds bestaande situatie bestaat inzicht in de gegevensstromen, die op basis van het genoemde artikel worden gegenereerd. In het algemeen gaat het hierbij om gegevensverstrekking op basis van incidentele verzoeken. Alleen in de relatie met de gemeentebesturen en de belastingdienst is

  • Artikelen 106 en 107

Het verdient aanbeveling dat in de artikelsgewijze toelichting ten aanzien van de artikelen 106, derde lid, en 107, derde lid, voorbeeldsgewijs wordt aangegeven in welke gevallen de verstrekking van gegevens kan opwegen tegen het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

sprake van een structurele gegevensuitwisseling In de huidige situatie is deze gegevensoverdracht, en de daarmee samenhangende kosten, beperkt van omvang. De mate waarin die gegevensverstrekking meer omvangrijk zal worden in de toekomst is afhankeli'k van het nader uitwerken van het beleid inzake gegevensuitwisseling in het kader van de systematische verificatie van gegevens. Hierbij is sprake van een wederzijds belang voor de uitvoeringsorganen en de overige organen, omdat deze laatsten dezelfde gegevens ook nodig hebben voor de uitoefening van hun taken. Dit beleid is onderdeel van het fraudebeleid, dat is uitgewerkt in bijlage 22 bij de Miljoenennota 1993. Punt van aandacht daarbij zijn de kosten die daarmee gepaard gaan. Om een duidelijk beeld te kunnen krijgen van het kostenbeslag moet met deze structurele gegevensuitwisseling worden geëxperimenteerd. Artikel 50e OSV (nieuw artikel 101) is de wettelijke basis voor dit beleid. De uitwerking en de resultaten van deze experimenten, en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor de gegevensuitwisseling, zullen door kabinet in het kader van het fraude-beleid aan de Kamer worden gerapporteerd. In dit stadium kan derhalve niet worden ingegaan op de aanbeveling van de Raad om een overzicht te presenteren van de mogelijke kosten van de gegevensuitwisseling in de toekomst.

  • Artikelen 106-107

De Raad vraagt voorbeelden in welke gevallen het belang van de verstrekking van de gegevens kan opwegen tegen de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer.

In algemene zin kan hiervoor verwezen worden naar de toetsing, die in de jurisprundentie van het Europese Hof van Justitie over artikel 8 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens, dat als basisverdragsbepaling geldt voor de Nederlandse privacywetgeving, vorm heeft gekregen. Vertaald naar de sociale verzekeringswetten gaat het om de toetsing of sprake is van een belang, dat de inbreuk rechtvaardigt, zoals het voorkomen en bestrijden van strafbare feiten. Het belang van de gegevensverstrekking moet een reëel maatschappelijk probleem betreffen («pressing social need»). Beoordeeld moet bijvoorbeeld worden of de

  • Artikel 108

In artikel 108, eerste lid, ware verder te specificeren aan welke goedkeuring hier wordt gedacht. Meer in het algemeen valt op dat de in hoofdstuk VIII («Goedkeuring, schorsing en vernietiging») voorgestelde artikelen wat betreft volgorde en formulering van de meer algemene bewoordingen niet volledig zijn afgestemd op de nieuwe toezichtbepalingen van de nieuwe Gemeentewet (Stb.1992, 96; hoofdstuk XVI van die wet). Zo spoort artikel 108, tweede lid, niet geheel met artikel 258 van de Gemeentewet. Artikel 108, derde lid, spoort daarentegen weer wel met artikel 257 van de Gemeentewet, maar sluit qua volgorde evenmin aan bij de in de Gemeentewet gebezigde volgorde. Uit een oogpunt van harmonisatie van wetgeving waren de bepalingen van hoofdstuk VIII van de wet zoveel mogelijk af te stemmen op de bewoordingen van de Gemeentewet.

  • Artikelen 117-118

In de niet nader toegelichte artikelen 117 en 118 wordt aan een bedrijfsvereniging onder de goedkeuring van de minister en aan de Kroon bij algemene maatregel van bestuur de bevoegdheid gegeven «zo nodig in afwijking van de wet» (tijdelijke) voorzieningen te treffen. De Raad heeft zeer belangrijke bezwaren tegen deze regeling. In het systeem van totstandkoming van formele wetgeving, zoals dat in de Grondwet en staatkundige praktijk is vastgelegd, is het naar het oordeel van de Raad onjuist om aan een privaatrechtelijke rechtspersoon de bevoegdheid te geven de formele wet terzijde te stellen, ook al geschiedt dit tijdelijk. Daarbij wijst de Raad bovendien op het feit dat de aan de bedrijfsvereniging te verlenen bevoegdheid niet is beperkt tot «deze» wet, maar meer algemeen is gegevens ook niet direct van de geregistreerde kunnen worden verkregen. Daarnaast moet de gegevensverstrekking op verantwoorde wijze plaats vmden en aan zorgvuldigheidseisen voldoen. Deze verduidelijking zal in de toelichting op deze artikelen worden opgenomen.

  • Artikel 108

De Raad vraagt om een verdere specificatie van de hier bedoelde goedkeunng In artikel 108, eerste lid, gaat het om besluiten die goedkeuring behoeven ingevolge een wet die door het Ctsv of een in artikel 108, eerste lid, genoemde uitvoeringsinstantie wordt uitgevoerd. Zowel goedkeuringsvereisten die zijn gesteld in het wetsvoorstel als goedkeuringsvereisten die worden gesteld in andere wetten betreffende de sociale zekerheid, die worden uitgevoerd door het Ctsv of een andere genoemde uitvoeringsinstantie, moeten hieronder worden begrepen. Laatstbedoelde goedkeuringsvereisten zullen aan de orde komen in het kader van een afzonderlijk wetsvoorstel waarbij die andere sociale zekerheidswetten worden aangepast aan het wetsvoorstel OSV. Overeenkomstig de aanbeveling van de Raad is hoofdstuk VIII van het wetsvoorstel zoveel mogelijk aangepast aan de bewoordingen van de Gemeentewet.

  • Artikelen 117-118

Naar het oordeel van de Raad is het in het systeem van totstandkoming van formele wetgeving, zoals dat in de Grondwet en staatkundige praktijk is vastgelegd, onjuist om aan een privaatrechtelijke rechtspersoon de bevoegdheid te geven de formele wet terzijde te stellen, ook al geschiedt dit tijdelijk. Daarbij wijst de Raad bovendien op het feit dat de aan de bedrijfsverenigingen te verlenen bevoegdheid niet is beperkt tot «deze» wet, maar meer algemeen is geredigeerd.

Aan deze bezwaren van de Raad wordt tegemoet gekomen door wijziging van artikel 117. Ingevolge het gewijzigde artikel 117 kunnen slechts bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van deze wet (de OSV), tijdelijke voorzieningen worden getroffen waarmee

geredigeerd, hetgeen de bezwaren van de Raad des te groter maakt. Ook de bevoegdheid bij algemene maatregel van bestuur af te wijken van de wet ontmoet bij de Raad bezwaren, indien deze algemene maatregel van bestuur niet onverwijld wordt gevolgd door de indiening van een voorstel van wet dat de strijd met de op dat tijdstip vigerende wetgeving opheft. Het is een eis van behoorlijke wetgeving dat behoudens uitzonderlijke omstandigheden, zoals die waarin noodwetgeving in strikte zin kan worden uitgevaardigd, regelingen op dezelfde wijze worden gewijzigd als waarop zij ontstaan. De Raad verwijst in dit verband naar aanwijzing 34 Ar. De voorgestelde toekenning van bevoegdheden, voor zover zij inhouden dat van de wet mag worden afgeweken, ware te heroverwegen.

MEMORIE VAN TOELICHTING

  • Verhouding tussen de oude en de nieuwe OSV

Het verdient aanbeveling in de memorie van toelichting de verschillen tussen de nu bestaande OSV en de voorgestelde regeling te schetsen, en wel zo dat de verschillen in de opzet van beide regelingen in het kort duidelijk worden gesteld. Onder verwijzing wordt bevorderd dat zo min mogelijk een beroep behoeft te worden gedaan op wetten die de bedrijfsvereniging uitvoert. Deze voorzieningen kunnen ingevolge het tweede lid van artikel 117 slechts betrekking hebben op samenwerking tussen bedrijfsverenigingen en andere in dit artikellid bedoelde diensten en instellingen. De bevoegdheid bij algemene maatregel van bestuur af te wijken van de wet ontmoet bij de Raad bezwaren indien deze algemene maatregel van bestuur niet onverwijld wordt gevolgd door de indiening van een voorstel van wet dat de strijd met de op dat tijdstip vigerende wetgeving opheft. Met dit standpunt van de Raad kan ik mij verenigen. In artikel 117 is om die reden slechts de mogelijkheid geschapen om tijdelijke voorzieningen te treffen. Artikel 118 is gewijzigd waardoor op grond van dit artikel ook slechts tijdelijke voorzieningen kunnen worden getroffen. Indien samenwerkingsexperimenten op grond van artikel 117 succesvol blijken te zijn, dient de desbetreffende algemene maatregei van bestuur onverwijld te worden gevolgd door formele wetgeving. Indien de experimenten niet succesvol blijken te zijn, dient de desbetreffende algemene maatregel van bestuur onverwijld te worden ingetrokken. Indien een m artikel 118 bedoelde rechtspersoon uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, kan het noodzakelijk zijn met spoed bij algemene maatregel van bestuur tijdelijke voorzieningen te treffen. Zodra aannemelijk is dat de desbetreffende rechtspersoon de uit de wet voortvloeiende verplichtingen wederom naar behoren zal nakomen, dient de algemene maatregel van bestuur te worden ingetrokken. Indien daarentegen niet te verwachten valt dat de wettelijke verplichtingen wederom naar behoren zullen worden nagekomen, is onverwijlde totstandkoming van formele wetgeving vereist.

  • Verhouding tussen oude en nieuwe OSV

De Raad is van mening dat het aanbeveling verdient in de memorie van toelichting de verschillen tussen de nu bestaande OSV en de voorgestelde regeling te schetsen, en wel zo dat de verschillen in de opzet van beide regelingen in het kort duidelijk worden gesteld. Daarnaast vraagt de

naar punt 8 van dit advies ware daarnaast in de toelichting aandacht te besteden aan het invoeringstraject voor deze wet.

Raad om in de toelichting aandacht te besteden aan het invoeringstraject van deze wet.

Ten aanzien van deze opmerking van de Raad verwijs ik naar de memorie van toelichting waarin ten aanzien van de belangrijkste wijzigingen ingegaan wordt op de verschillen tussen de huidige OSV en het wetsvoorstel tot aanpassing van de OSV. Voor een nadere toelichting op het invoeringstraject van deze wet zij verwezen naar hetgeen daaromtrent opgemerkt wordt onder § 7 van dit nader rapport.

  • HoofdstukVII

In de artikelsgewijze toelichting wordt ten aanzien van hoofdstuk VII opgemerkt dat het wetsvoorstel geclausuleerde verplichtingen en bevoegdheden tot gegevensverstrekking bevat die niet in de Wet Persoonsregistraties (Stb.1988, 665) (WPR) zijn opgenomen. Met het oog op de hier bedoelde afwijkingen van de WPR ware in dit gedeelte van de toelichting aandacht te besteden aan het advies van de Raad voor de Persoonsregistratie waarnaar overigens in paragraaf 1.2 van de memorie van toelichting wordt verwezen.

  • Hoofdstuk VI!

De Raad van State vraagt in dit gedeelte van de toelichting aandacht te besteden aan het advies van de Voorlopige Raad voor de Persoonsinformatievoorziening (in § 1.2 van de memorie van toelichting ten onrechte aangeduid als de Raad voor de Persoonsregistratie).

Deze Raad heeft op 17 januari 1990 geadviseerd over een voorontwerp, dat wat betreft de structuur van de gegevensverstrekkingsbepalingen enigszins afweek van het voorliggende wetsvoorstel. In algemene zin merkt deze Raad op, dat bij nadere regels expliciet wordt aangegeven, welke gegevens worden uitgewisseld tussen organisaties. De algemene maatregel van bestuur ex artikel 107 biedt in begmsel die mogehjkheid door het benoemen van de gevallen waarin uitvoeringsinstanties bevoegd of verplicht zijn tot gegevensverstrekking. Voorts merkt deze Raad op dat expliciet moet worden aangegeven, dat de verstrekkingen die incidenteel voorkomen onder de normale verstrekkingen van de Wet Persoonsregistraties (WPR) vallen. Verwezen zou moeten worden naar de materiële bepalingen in de WPR. In de toelichting op de voorgestelde bepalingen, met name van artikel '06 en 107 wordt ingegaan op de verhouding tot de bepalingen in de WPR. Dit gebeurt op een wijze die aansluit bij de opmerkingen van deze adviesraad. Nader aandacht besteden aan dit advies voegt daaraan niets toe.

  • Hoofdstuk IX
  • Hoofdstuk IX

Ten aanzien van de in hoofdstuk IX van het wetsvoorstel voorziene sancties ware in het bijzonder te motiveren waarom al de hier genoemde overtredingen moeten leiden tot strafrechtelijke handhaving en niet, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van artikel 99 denkbaar is, tot handhavingsmaatregelen in de administratieve sfeer. Voorts waren alle artikelen van dit hoofdstuk te voorzien van een toelichting.

  • Personele aspecten

Gelet op de omvangrijke personele verschuivingen die de voorgestelde regeling met zich brengt, ware in de memorie van toelichting aandacht te besteden aan de uitkomsten van het georganiseerd overleg over deze aangelegenheid 32. Voor een redactionele kanttekening moge het college verwijzen naar de bij het advies behorende bijlage De Raad vraagt te motiveren waarom alle hiergenoemde overtredingen moeten leiden tot strafrechtelijke handhaving en niet tot handhavingsmaatregelen in de administratieve sfeer.

De in hoofdstuk IX van het wetsvoorstel voorziene sancties zijn op precies dezelfde wijze geregeld in hoofdstuk VI van de huidige OSV. Omdat hier geen wijzigingen worden voorgesteld, zijn de artikelen van hoofdstuk IX niet toegelicht.

Met betrekking tot het door de Raad als voorbeeld genoemde artikel 99 verwijs ik naar de adviesaanvraag aan de SVr omtrent maatregelen ter vergroting van het belang van de werknemer bij registratie, van 26 maart 1993. Na advisering door de SVr wordt nader bekeken of er aanleiding is de huidige systematiek van de strafbepalingen te wijzigen.

  • Personele aspecten

De Raad acht het wenselijk gelet op de omvangrijke personele verschuivingen die de voorgestelde regeling met zich meebrengt, in de memorie van toelichting aandacht te besteden aan de uitkomsten van het georganiseerd overleg over deze aangelegenheid. Eerst nadat het wetsvoorstel is aangeboden aan de Tweede Kamer kan het georganiseerd overleg leiden tot een sociaal plan, waarmee de gevolgen van de voorgestelde aanpassing van de OSV opgevangen worden. Thans kan daarop in de memorie van toelichting niet worden ingegaan. Dit overleg is uiteraard een zaak van sociale partners onderling. Sociale partners hebben zitting in de besturen van de betrokken uitvoeringsorganisaties zodat het vertrouwen in een goed verloop van het georganiseerd overleg des te meer gerechtvaardigd is.

  • Redactioneel

In de memorie van toelichting is «Comptabiliteitswet 1976» vervangen door «Comptabiliteitswet».

De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen de inhoud en de vorm van het voorstel van wet en geeft U in overweging dit niet aldus te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal.

De Vice-President van de Raad van State, W. Scholten Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld Redactionele kanttekening, behorende bij de het advies no. W12.92.0650 van de Raad van State van 24 maart 1993

-Ten onrechte wordt in de memorie van toelichting (bladzijde 104) nog gesproken van de Comptabiliteitswet «1976».

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.