Vierde nota van wijziging - Nadere wijziging van de Werkloosheidswet (Wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Ontvangen 20 september 1993

In het voorstel van wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

Artikel I wordt als volgt gewijzigd:

1°. Onderdeel Ab wordt vervangen door:

AbArtikel 16 wordt vervangen door:

Artikel 16

  • Werkloos is de werknemer die: a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht. Indien de werknemer minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, wordt bij de bepaling van het aantal arbeidsuren, bedoeld in de eerste volzin, mede in aanmerking genomen het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt: a. indien de dienstbetrekking anders dan door opzegging is geëindigd, of b. indien de dienstbetrekking door opzegging is geëindigd zonder dat de werkgever de voor opzegging geldende bepalingen in acht heeft genomen, niet het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon gelijkgesteld: de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband

314453F ISSN09217371 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's Gravenhage 1993 met de eindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door de werkgever met inachtneming van de termijn van opzegging zou zijn beëindigd. Dit bedrag wordt toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd. 4. Het derde lid vindt geen toepassing indien de werkgever na de eindiging van de dienstbetrekking is komen te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, en voorzover de werknemer als gevolg van die toestand de in het derde lid bedoelde inkomsten niet ontvangt. 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid regels worden gesteld: a. omtrent de berekening van het verlies van arbeidsuren bij een opeenvolgend verlies van arbeidsuren, waarbij andere perioden voor de berekening van het aantal gewerkte arbeidsuren in aanmerking kunnen worden genomen; b. waarbij voor bepaalde groepen werknemers een kortere of langere periode voor de berekening van het aantal gewerkte arbeidsuren geldt. 6. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd ten aanzien van groepen van werknemers die in de regel meer dan 50 uren per kalenderweek werken, bij verlies van arbeidsuren uit een dienstbetrekking, waarin over de laatste 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren gemiddeld meer dan 50 uren is gewerkt, voor de toepassing van het tweede lid te bepalen welk aantal uren ten hoogste in aanmerking wordt genomen. 7. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd: a. voor de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het tweede lid, uren waarin geen arbeid is verricht gelijk te stellen met arbeidsuren en uren waarin arbeid is verricht buiten beschouwing te laten; b. voor de berekening van het verlies van arbeidsuren regels te stellen met betrekking tot wisselende arbeidspatronen. 8. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van een of meer uren, alsmede een verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over die uren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in het eerste lid. 9. Indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies bedoeld in het eerste lid aan een van de overige in dat lid genoemde voorwaarden niet wordt voldaan, of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, of 19a, wordt in afwijking van het achtste lid voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als eerste werkloosheidsdag aangemerkt, de dag van de kalenderweek waarop aan de overige voorwaarden als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan, en zich geen omstandigheid meer voordoet als bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, of 19a. 10. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de maandag de eerste dag van de kalenderweek.

2°. Onderdeel Ib wordt als volgt gewijzigd:

In het derde lid van het voorgestelde artikel 43 wordt «minder dan een maand» vervangen door: minder dan vier weken.

3°. Onderdeel M wordt vervangen door:

MIn artikel 116, eerste lid, wordt na «op grond van de artikelen» ingevoegd: 16, zesde lid,.

TOELICHTING

Artikel I, onderdelen Ab en M

(Artikelen 16en 116) In de derde nota van wijziging werd onder meer voorgesteld een nieuw vierde lid toe te voegen aan artikel 16 van de Werkloosheidswet (WW) zoals dat op grond van eerder in het kader van dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen zou komen te luiden. Uiteraard werd tegelijkertijd voorgesteld het tot op dat moment voorgestelde vierde tot en met negende lid van artikel 16 te vernummeren tot het vijfde tot en met het tiende lid. Per abuis is vergeten verwijzingen naar laatstgenoemde leden van artikel 16 WW in de voorgestelde artikelen 16, negende lid, en 116, mee te vernummeren. In de voorliggende nota van wijziging wordt dit rechtgezet.

Met het oog op de overzichtelijkheid is van de gelegenheid gebruik gemaakt om alle tot nog toe in het kader van dit wetsvoorstel voorgestelde wijzigingen van artikel 16 te verwerken in de huidige tekst van dat artikel. Het uiteindelijk voorgestelde artikel 16 is te vinden in het nieuwe artikel I, onderdeel Ab.

Artikel I, onderdeel Ib

(Artikel 43) In het voorstel van wet houdende wijziging van de Ziektewet, het Burgerlijk Wetboek en enkele andere wetten, alsmede het treffen van een regeling voor het overheidspersoneel, in verband met terugdringing van het ziekteverzuim (Wet terugdringing ziekteverzuim; Kamerstukken II, 1992/93, 22899) zoals dat bij koninklijke boodschap van 5 november 1992 is ingediend, wordt voorgesteld tijdvakken van ongeschiktheid tot werken wegens ziekte samen te tellen, indien deze elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen. Bij nota van wijziging bij dat wetvoorstel, dat op 3 februari 1993 bij de Eerste Kamer is aangeboden, is de termijn van een maand vervangen door een termijn van vier weken. Het is uit het oogpunt van harmonisatie en coördinatie wenselijk om deze laatste termijn ook in artikel 43, derde lid, WW zoals dit zal luiden na inwerkingtreding van het voorliggende wetsvoorstel, op te nemen. De voorgestelde wijziging voorziet hierin.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Wallage

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.