Verslag van een schriftelijk overleg - Nadere Wijziging van de Werkloosheidswet (Wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Vastgesteld 16 juli 1993

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft na ontvangst van de nota naar aanleiding van het eindverslag en de daarbij behorende tweede nota van wijziging van 11 december 1992 nog enkele vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Deze zijn door de regering beantwoord bij brief van 16 juli 1993. Tevens zond de regering een derde nota van wijziging (21608, nr. 17). Van deze gedachtenwisseling brengt de commissie het volgende verslag uit.

De voorzitter van de commissie, Doelman-Pel

De wnd. griffier van de commissie, Van Overbeeke

314009F ISSN 09217371 Sdu Uitgevenj Plantijnstraat 's Gravenhage 1993

  • Inleiding

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de tweede nota van wijzigingen van de Nadere wijziging van de Werkloosheidswet. Zij wilden nog nadere vragen stellen en opmerkingen maken over werkloosheid bij onwerkbaar weer.

Ook de leden van de PvdA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de tweede nota van wijzigingen van de Nadere wijziging van de Werkloosheidswet. Zij spraken de hoop uit dat met de indiening van deze nota een lange procedure uiteindelijk tot een goed einde kan worden gebracht. Voor de rechtszekerheid achtten zij het van groot belang dat er snel een duidelijke regeling met betrekking tot werkloosheid bij onwerkbaar weer komt. Voor de ontstane vertraging konden zij evenwel begrip opbrengen. Met betrekking tot de nieuwe wijzigingsvoorstellen hadden de aan het woord zijnde leden evenwel nog enkele opmerkingen en vragen.

De leden van de fractie van D66 hadden met belangstelling kennis genomen van de Nota naar aanleiding van het Eindverslag en de daarbij horende tweede Nota van Wijzigingen. Zij waren tevreden over het feit dat de regering mede op hun verzoek de schriftelijke behandeling had stopgezet teneinde over de resultaten van het SVR-onderzoek te kunnen beschikken met betrekking tot het begrip onwerkbaar weer en de interpretatieverschillen daarover tussen de regering en de bedrijfsvereniging voor het agrarisch bedrijf (BVAB). Desalniettemin waren zij van mening dat de verdere behandeling wel erg veel vertraging heeft ondervonden. De SVR had immers haar advies «Weer of geen weer» al in december 1991 afgerond en de Raad van State had haar advies medio augustus 1992 uitgebracht. De leden van de D66-fractie hadden met betrekking tot dit wetsvoorstel nog een aantal opmerkingen en nadere vragen.

  • Het Werkloosheidsbegrip

Voor een beter begrip van de gevolgen van de voorgestelde wijziging van artikel 16, vijfde lid, WW, hadden de leden van de PvdA-fractie gaarne een nadere toelichting in vorm van een voorbeeld ontvangen. Welke consequenties ondervindt een werknemer die bij ontslag volledig arbeidsongeschikt is van de voorgestelde wijziging? Waarin verschilt de nieuwe situatie van de oude, thans geldende voor deze werknemer? Kan de regering een en ander helder uiteen zetten? Benieuwd waren de leden van de fractie van de PvdA over de financiële gevolgen van de uitspraak van de CRvB (WW 1989/364; RSV 91/98) met betrekking tot de beschikbaarheidsvereiste. Kan de regering aangeven welke kosten er voor de WW zouden ontstaan, wanneer, zoals de kroonleden en het werknemersdeel van de SVR adviseren, compensatie achterwege zou blijven? De redenering van het werknemersdeel en de kroonleden in de SVR leek deze leden overigens plausibel. Met de wijziging van artikel 17 konden deze leden instemmen. Indien een werknemer een paar dagen ziek is kan de week niet én als werkweek tellen én tevens de WW met een week kan opschorten. Overigens waren de leden van de PvdA-fractie van mening dat de voorgestelde wijziging van artikel 21 WW, waarbij één uniform termijn voor het herleven van het recht op een WW-uitkering voor verschillende uitsluitingsgronden wordt gesteld, de inzichtelijkheid van de wet ten goede komt. De leden van de PvdA fractie gingen eveneens akkoord met de wijziging van de artikelen 20 en 35 WW waarin de reeds in artikel 20 verwoorde redenen om een uitkering te beëindigen in afzonderlijke artikelen worden geregeld. Instemming betuigden de leden van de fractie van de PvdA met het voorstel van wijziging van artikel 19, vierde lid, WW. Het leek hen een goede zaak omdat met het voorstel de rechtsgelijkheid wordt bevorderd. Ook met de wijziging van artikel 8 konden de leden van de PvdA instemmen omdat daar de werknemer die tijdelijk als ambtenaar gaat werken de status van werknemer weer kan krijgen en zo hervatting van zijn WW-recht herkrijgt.

  • Werkloosheid bij onwerkbaar weer

De leden van de CDA-fractie constateerden dat de regering uit de conclusies van het SVr-rapport opmaakt dat de perioden van werkloosheid wegens onwerkbaar weer in feite aanmerkelijk korter kunnen zijn dan tot nu toe het geval is. Zij vroegen of dit in wezen niet inhoudt dat dit betekent dat wijziging van het financieringsstelsel overbodig is, aangezien vrijwel alle lasten voortkomend uit de toepassing van art. 18 WW al voornamelijk ten laste van de wachtgeldfondsen komen. En hierdoor in feite het principe van werkloosheid wegens onwerkbaar weer ten laste van het bedrijfstakrisico al heel ver is doorgevoerd. Slechts voor die gevallen die langer duren dan 8 weken, hetgeen weinig voor zou moeten komen, worden de kosten ten laste van het AWF gebracht. De reden hiervoor is dat bij overschrijding van de 8 weken niet meer tot het risico van de bedrijfstak gerekend mag worden. Bij deze overgang van wachtgeldfonds naar AWF is echter nooit een onderscheid naar aard van de werkloosheid gemaakt, dat dwingt, gelet op de belangen in geding, tot een heldere motivering waarom dat thans wel zou moeten. Deze leden zou daar nogmaals om willen verzoeken.

Uit de tot nu toe gewisselde stukken blijkt dat de materie uitermate complex is. Met name is moeilijk aan te geven wanneer de perioden van onwerkbaar weer aanvangen en emdigen Tegen die achtergrond leek het de leden van de CDA-fractie gewenst dat de regering wellicht via de SVr reageert op de voorstellen die de BV TAB 15 oktober 1992 heeft gedaan ter verbetering van de regelgeving. Tevens verzochten zij de regering alsnog te reageren op de opmerkingen van de BV TAB waarin de uitvoeringsproblemen met art. 18 naar voren worden gebracht.

De leden van de D66-fractie herinnerden zich nog goed dat er ten tijde van de uitbrenging van het eindverslag (6 mei 1991) een conflict tussen de BVAB en de regering lag met betrekking tot de werkloosheid wegens onwerkbaar weer en het al dan niet toepassen van de duurbepalingen uit de WW (artikel 18). In het verlengde hiervan -zo waren deze leden zich terdege bewust -speelt de vraag of de uitkeringen ten laste zouden moeten komen van het AWf danwel de wachtgeldfondsen uit de agrarische sector. Zoals zij reeds in het eindverslag hadden aangegeven achtten de aan het woord zijnde leden de interpratatie van de staatssecretaris juister dan die van de BVAB (TAB). Het zeker stellen van het recht op arbeid wanneer bijzondere weersomstandigheden het werken onmogelijk maken leek hen een juiste interpretatie van de in artikel 18 WW genoemde «buitengewone natuurlijke omstandigheden». De leden van de D66-fractie deelden de conclusie van de regering dat uit het SVR-advies blijkt dat de perioden van werkloosheid wegens onwerkbaar weer feitelijk aanmerkelijk korter zijn, dan tot dusverre in de uitvoering door de TAB als zodanig werd beschouwd. De leden ondersteunden de wetswijziging op dit punt aangezien er op die manier duidelijk wordt gemaakt dat er sprake is van een specifiek bedrijfstakrisico en dus de wachtgeldfondsen de lasten moeten dragen. De leden van de D66-fractie hadden nog steeds enige moeite met het feit dat de BVAB (thans TAB) twee premiegroepen hanteert in haar wachtgeldfonds. Eén voor vaste werknemers die een wachtgeldpremie betalen van 0,3% en één voor de overige werknemers die een wachtgeldpremie betalen van maar liefst 7,8 procent. Het antwoord van de regering komt er -zo constateerden deze leden -op neer dat de sociale partners in de betreffende bedrijfstak op dit punt hun eigen verantwoordelijkheid hebben. De aan het woord zijnde leden constateerden echter dat deze verschillen ook bij de staatssecretaris een gevoel van gebrek aan onderlinge solidariteit binnen de bedrijfstak had opgeroepen. De leden van de D66-fractie meenden dat hier toch op zijn minst sprake is van een bedenkelijke gang van zaken. Wellicht zou er zelfs sprake kunnen zijn van enigerlei vorm van indirecte discriminatie. Wat is de opvatting van de regering hierover? Is het de regering bekend of ook andere bedrijfstakken (bijvoorbeeld de Bouw) dergelijke indelingen in premiegroepen maken?

Vakantiebonnen De leden van de fractie van D66 waren vooralsnog van mening dat de systematiek ten aanzien van de vakantiebonnen zoals door de regering voorgesteld, tot een tamelijk ingewikkeld geheel leidt. De door de SVR voorgestelde systematiek leek de hier aan het woord zijnde leden aanzienlijk eenvoudiger. De vraag of er sprake is van het al dan niet opschorten van het WW-uitkeringsrecht hangt bij de SVR af van de vraag of de vakantiebon is verstrekt in een periode waarover een dienstbetrekking zich uitstrekte. Dienstbetrekkingsbonnen dienen dan in principe te leiden tot het uitsluiten van het recht op uitkering en het opschorten van de duur van de uitkering. Bij het verzilveren van niet-dienstbetrekkingsbonnen tijdens de WW-uitkering, moet het recht op uitkering daarentegen in stand blijven. Is de systematiek waar de regering voor heeft gekozen, niet onoverzichtelijker voor uitvoerders èn cliënten terwijl het daadwerkelijke verschil met de SVR-oplossing vrijwel nihil is?

Overige opmerkingen

De leden van de fractie van D66 wilden nog kort hun opvatting weergeven ten aanzien van het feit dat 57 en halfjarige werklozen momenteel doorgaans hun uitkeringsrecht verliezen wanneer zij langer dan drie maanden in het buitenland verblijven. Dit beschouwden zij als een beperking van de bewegingsvrijheid van betrokkenen omdat: 1. deze groep werklozen formeel door de RBA's als een groep worden gezien waarvoor bemiddeling «vrijwel zinloos is» (blz.8 Nota n.a.v. Eindverslag) en betrokkenen daarom doorgaans géén sollicitatie-en inschrijvingsplicht hebben; 2. 57V2-jarigen niet meetellen voor het werkloosheidscijfer; 3. andere groepen uitkeringsgerechtigden vrijwel zonder belemmeringen onbeperkt in het buitenland kunnen verblijven (bijvoorbeeld volledig arbeidsongeschikten).

Deze beperking wordt met name als een probleem ervaren door buitenlandse werkloze werknemers van boven de 57'/2 jaar die in dergelijke situaties zouden willen remigreren naar hun land van herkomst. De aan het woord zijnde leden hadden het gevoel dat dit onderwerp voldoende aan de orde is geweest in deze schriftelijke voorbereiding. Zij wilden nog slechts de vraag stellen of de regering het beleid ten aanzien van 57V2-jarigen wenst te handhaven of voornemens is hier wijzigingen in aan te brengen? Zij zagen op dit punt ook graag een reactie tegemoet op het onlangs verschenen OESO-rapport over de werking van de Nederlandse arbeidsmarkt.

ANTWOORD REGERING

  • Inleiding

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de bijdragen van de verschillende fracties aan het verslag inzake de tweede nota van wijzigingen. Het deed mij genoegen dat deze fracties konden instemmen met een groot deel van de wijzigingsvoorstellen. Voorts heb ik goede nota genomen van de opmerkingen met betrekking tot de ontstane vertraging. Inmiddels heeft de Sociale Verzekeringsraad (SVr) twee spontane adviezen uitgebracht. De adviezen hebben betrekking op de toepassing van de Werkloosheidswet bij beëindiging van de dienstbetrekking anders dan door opzegging (advies A 93/5), en op het overgangsrecht in dit wetsvoorstel (advies A 93/6). Dit laatstgenoemde advies heeft mede aanleiding gegeven tot een derde nota van wijziging, die bij deze nota is gevoegd. In de derde nota van wijziging is een nader overgangsrecht voor dit voorstel van wet opgenomen, alsmede een aanpassing van het voorgestelde artikel 16 WW. Thans wil ik gaarne nader ingaan op de in het verslag gestelde vragen en geplaatste opmerkingen.

  • Het werkloosheidsbegrip

Voor een beter begrip van de gevolgen van de voorgestelde wijziging van het huidige artikel 16, vijfde lid, WW, hadden de leden van de PvdA-fractie gaarne een nadere toelichting in de vorm van een voorbeeld ontvangen. Voorts vroegen deze leden zich af welke consequenties een volledig arbeidsongeschikte werknemer bij ontslag ondervindt van de voorgestelde wijziging. Volgens de oorspronkelijke bedoeling van de wetgever was het meetpunt voor wekeneis, arbeidsverledeneis en uitkeringsduur gelegen op het moment van arbeidsuren-en loonverlies, onverschillig of de werknemer op dat moment beschikbaar was voor arbeid. Indien een werknemer op het moment van ontslag niet beschikbaar was, ontstond op dat moment (een eerste dag van) werkloosheid en recht op uitkering. Het recht op uitkering ging volgens de wettekst weer onmiddellijk teniet omdat de werknemer niet beschikbaar was voor arbeid. Het fictief ontstaan en eindigen van het recht op uitkering vond plaats op grond van de zogenaamde samenvaltheorie. Zodra de werknemer beschikbaar was voor arbeid herleefde het recht op uitkering. Er kon derhalve enige tijd gelegen zijn tussen het ontstaan van werkloosheid en de daadwerkelijke eerste betaling van de uitkering op grond van het herleefde recht. Zoals in de tweede nota van wijzigingen is uiteengezet, werd bovenbedoelde samenvaltheorie door de Centrale Raad van Beroep verworpen, waardoor de noodzaak van een wetswijziging onder ogen moest worden gezien. Door de voorgestelde wijziging zal het onderscheid tussen het ontstaan van werkloosheid en het ontstaan van een recht dat ook daadwerkelijk tot betaling kan komen worden opgeheven. Ingevolge het nieuwe artikel 16, zevende lid, WW, kan pas werkloosheid en recht op uitkering ontstaan op het moment dat de werknemer beschikbaar is voor arbeid. Dit moment zal tevens het meetpunt zijn voor wekeneis, arbeidsverledeneis en uitkeringsduur. Indien, bijvoorbeeld, het ontslag plaats- vindt per 1 februari en de werknemer is wegens privé-omstandigheden eerst per 1 maart beschikbaar voor de arbeidsmarkt, dan zullen de werkloosheid en het recht op uitkering op 1 maart ontstaan. De werknemer die bij ontslag volledig arbeidsongeschikt is zal geen nadeel ondervinden van de voorgestelde wijziging. Eerst bij de intrekking of herziening van de AAW/WAO-uitkering ontstaat werkloosheid en recht op uitkering. Nu de leeftijd op de eerste werkloosheidsdag (mede) bepalend is voor de uitkeringsduur wordt deze werknemer juist in een gunstiger positie gebracht dan voorheen, toen het moment van ontslag nog als meetpunt gold. Benieuwd waren de leden van de fractie van de PvdA naar de financiële gevolgen van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) WW 1989/364; RSV 91/98. Door deze uitspraak is het thans niet meer mogelijk de eerste drie maanden van ziekte in mindering te brengen op (de duur van) de werkloosheidsuitkering. Dit betekent dat de duur van het WW-recht toeneemt met de duur van de ziekteperiode. Van een daadwerkelijke toename van de duur van de werkloosheidsuitkering zal echter alleen sprake zijn in de gevallen waarin de maximale duur van de uitkering wordt bereikt. Door deze duurverlenging nemen de lasten in de WW met ca. 65 miljoen toe. Tegenover deze toename van de WW-lasten staat echter een beperking van de lasten in de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werknemers (IAOW) en de Rijksgroep regeling werkloze werknemers (Rww) van tezamen ca. 40 miljoen. Omdat er langer recht op een werkloosheidsuitkering is zal immers op een later tijdstip een beroep op de IAOW cq. de Rww worden gedaan. Per saldo nemen de lasten ten gevolge van de uitspraak van de CRvB derhalve toe met ca. 25 miljoen. Benadrukt zij dat het hierbij gaat om tentatieve becijferingen, aangezien geen statistische informatie beschikbaar is over de frequentie en de duur van het ziekteverzuim van werklozen. Er is daarom verondersteld dat het ziekteverzuim van werklozen qua frequentie en duur overeenkomt met dat van actieven.

  • Werkloosheid bij onwerkbaar weer

De leden van CDA-fractie vroegen nogmaals of de voorgestelde wijziging van het financieringsstelsel niet overbodig is, nu gebleken is dat de perioden van werkloosheid wegens onwerkbaar weer in de agrarische sector aanmerkelijk korter kunnen zijn dan tot nu toe het geval is geweest. Bovendien meenden deze leden dat vrijwel alle lasten voortkomend uit de toepassing van artikel 18 WW al voornamelijk ten laste van het wachtgeldfonds komen. Zij verzochten nogmaals om een heldere motivering waarom thans een onderscheid wordt gemaakt naar aard van de werkloosheid. Reeds eerder is uiteengezet dat het bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer om een specifiek bedrijfstakrisico gaat (Kamerstukken II, 1990-1991, 21608, nr. 3 blz. 13). Het betreft kortlopende uitkeringen terzake van omstandigheden die in begmsel voor risico van de werkgever komen. De Bedrijfsvereniging voor de Tabaksverwerkende en Agrarische Bedrijven (BV TAB) hanteert echter een ruime interpretatie van artikel 18 WW, waardoor perioden van werkloosheid van langer dan acht weken mogelijk zijn. De SVr constateert in zijn rapport «Weer of geen weer» van december 1991 dat de gemiddelde duur van de werkloosheid wegens weersomstandigheden bij de BV TAB schommelt tussen de 12 a 13 weken. Uit het overzicht op blz. 10 van de Memorie van Antwoord (Kamerstukken II, 1990-1991, 21608, nr. 6) blijkt dan ook dat de uitkeringsbedragen wegens onwerkbaar weer ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf) aanzienlijk zijn. De voorgestelde wijziging van het financieringsstelsel is derhalve noodzakelijk om de financiële lasten daar te leggen waar de risico's zich voordoen. Ik wijs er nogmaals op dat met deze wijziging beoogd wordt alle werkloosheidsuitkeringen wegens onwerkbaar weer ten laste van de wachtgeldfondsen te brengen. Het is thans nog zo dat de uitkering van een werknemer die in het jaar voorafgaand aan de werkloosheid minder dan 26 weken in dezelfde bedrijfstak verzekerd is geweest, onmiddellijk, dus niet eerst na acht weken, ten laste van het AWf wordt gebracht, De leden van de CDA-fractie verzochten voorts om een reactie op de opmerkingen van de BVTAB waarin de uitvoeringsproblemen met artikel 18 WW naar voren worden gebracht, en op de voorstellen die de BVTAB bij brief van 15 oktober 1992 aan de SVr heeft gedaan met betrekking tot de regelgeving. De SVr heeft in 1991 een onderzoek ingesteld naar de wijze waarop artikel 18 WW door de BVTAB wordt uitgevoerd. In januari 1992 heeft de SVr het bestuur van de BV TAB verzocht tot een heroverweging van haar beleid te komen, daar waar het betreft het ontbreken van beoordelingscriteria voor de vaststelling van onwerkbaar weer, en het ontbreken van een actief beleid inzake het beëindigd verklaren van een periode van onwerkbaar weer. Op 15 oktober 1992 heeft het bestuur van de BV TAB de SVr op de hoogte gesteld van de resultaten van haar heroverweging. Inmiddels heeft de Toezichtkamer van de SVr in zijn vergadering van 18 maart 1993 een reactie gegeven op de brief van de BV TAB van 15 oktober 1992. De Toezichtkamer onderschrijft de interpretatie van artikel 18 WW door de BV TAB niet en heeft, alvorens een definitief standpunt in te nemen, de BV TAB verzocht haar stellingen nader te onderbouwen. Bovenstaande kwestie betreft de interpretatie en (de rechtmatigheid van) de uitvoering van artikel 18 WW door de BV TAB. Uit hoofde van zijn toezichthoudende taak berust de verdere afhandeling van dit onderwerp thans in eerste instantie bij de SVr. De in dit wetsvoorstel beoogde wijziging van artikel 90 WW ziet echter op de financiering van de uitkeringen wegens onwerkbaar weer. Ik wijs erop dat beide onderwerpen -uitvoering van artikel 18 WW, en financiering in artikel 90 WW-zowel inhoudelijk als procedureel onderscheiden dienen te worden.

De leden van de D66-fractie kwamen nog terug op de hantering van twee premiegroepen in haar wachtgeldfonds door de BV TAB. Zij vroegen of er wellicht sprake zou kunnen zijn van enigerlei vorm van indirecte discriminatie. Mede ter beantwoording van de vraag van deze leden naar de indeling in premiegroepen in andere bedrijfstakken is hieronder een overzicht opgenomen van een aantal wachtgeldpremies per bedrijfstak.

Overzicht wachtgeldpremies per bedrijfstak

Wachtgeldfonds van de Bedrijfsvereniging voor:

Percentages in 1993

Tabakverwerkende en Agrarische bedrijven Vaste arbeiders op schriftelijk jaarcontract

0,15 Overige arbeiders

6,5 Tabakverwerkende industrie

nihil 3

de Bouwnijverheid

4 4

de Hout en meubelindustrie en groothandel in hout Hout-en meubelindustrie 2,4 Groothandel in hout, zagerijen, schaverijen en houtbereidingsindustrie

1,2 8

de Grafische Industrie Fotografische bedrijven

0,72 Overige bedrijven

0,14 18

Detailhandel, ambachten en huisvrouwen Alle groepen, uitgezonderd het grootwinkelbedrijf

0,8 Grootwinkelbedrijf

0,03 19

de Haven-en aanverwante bedrijven, binnenscheepvaart en visserij Havenbedrijf: -vast personeel

0,08 -los personeel

1,08 Scheepsonderhoudbedrijven: -vast personeel

1,5 -los personeel

7,48 Visserij: -lid (Sociaal Fonds voor de Ned. visser)

1,44 -geen lid

7,86 Binnenscheepvaart: -werkgever lid van het Soc. Fonds voor de Binnenvaart

0,06 -werkgever geen lid van dat fonds

1,26 21

het Vervoer Nederlandse Spoorwegen

5,32 KLM

nihil Overig vervoer: -overig personenvervoer

0,4 -goederenvervoer

0,24 -besloten vervoer

1,42 PTT

nihil 26

de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging Uitleenbedrijven en uitzendbureaus

2,08 de algemene groep

0,71 27

Nieuwe Industriële Bedrijfsvereniging a1. algemene groep 0,88 2. verwerking van bitummeuze dakbedekkingsrollen

0,57 b1. chemische industrie

0,37 2 verwerking van bitumineuze dakbedekkingsprodukten

0,96 c. textielindustrie

1,81 d voedings en genotmiddelenindustrie nihil e. steen-, cement-, glas-, en keramische industrie

1,68

Uit het overzicht blijkt dat ook bij andere bedrijfsverenigingen de wachtgeldpremies per bedrijfsvereniging en per premiegroep binnen een wachtgeldfonds kunnen verschillen. Deze verschillen worden verklaard door de verschillen in werkloosheidsrisico binnen een bedrijfstak of een deel daarvan en leiden niet tot ongerechtvaardigde (indirecte) discriminatie.

  • Vakantiebonnen

De leden van de fractie van D66 kwamen nog terug op de systematiek van uitsluiting en opschorting bij vakantiebonnen. Deze leden vroegen of de voorgestelde systematiek ten opzichte van de door de SVr verkozen systematiek niet onoverzichtelijker is voor uitvoerders en cliënten, terwijl het daadwerkelijke verschil met de SVr-oplossing vrijwel nihil is. Het enige verschilpunt met het SVr-advies is hierin gelegen dat vakantiebonnen verstrekt tijdens vorstwerkloosheid en andere vormen van werkloosheid waarbij de dienstbetrekking voortduurt, in het voorstel niet leiden tot uitsluiting en opschorting van het recht op uitkering. Op alle overige punten komen het SVr-advies en de voorgestelde wijziging overeen, en ik acht deze dan ook niet onoverzichtelijk. Het verschilpunt wordt overigens verklaard door de gedachte die ten grondslag ligt aan de wijziging, namelijk dat de financieringsbron waaruit de vakantiebon wordt verstrekt bepalend is: indien de vakantiebon gefinancierd wordt vanuit de werkloosheidsfondsen vindt geen opschorting plaats.

  • Overige opmerkingen

De leden van de fractie van D66 stelden de vraag of de regering voornemens is het beleid ten aanzien van 57'/2-jarigen en ouder te wijzigen. Zij zagen op dit punt ook graag een reactie tegemoet op het onlangs verschenen OESO-rapport over de werking van de Nederlandse arbeidsmarkt. De OESO komt in haar rapport van 1992 onder meer tot de conclusie dat demografische ontwikkelingen er toe noodzaken de geringe arbeidsparticipatie van ouderen te verbeteren. Dit wordt inmiddels in brede kring ingezien. Het kabinetsbeleid richt zich vooral op het stimuleren van werkgevers om ouderen te behouden voor de arbeidsmarkt en het tegengaan van uittreding. Ter ondersteuning hiervan wijs ik nog eens op de onlangs aangekondigde intrekking per 1 januari 1994van de «Ontslagrichtlijn oudere werknemers». Voorts is het van belang te voorkomen dat het op hogere leeftijd werkloos worden neerkomt op definitieve uittreding uit het arbeidsproces. Voor een meer uitgebreide toelichting wil ik gaarne verwijzen naar de voortgangsnota «Ouderen in tel» (Kamerstukken II, 1992-1993, 21814, nr. 16), en de Sociale Nota 1993 (Kamerstukken II, 1992-1993, 22802, nrs. 1-2), waarin nader wordt ingegaan op het arbeidsmarktbeleid ten aanzien van ouderen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Wallage

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.