De behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de overheidspensioenwetten en enkele andere wetten strekkende t... - Handelingen Eerste Kamer 1992-1993 29 juni 1993 orde 6


Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van het wetsvoorstel: -Wijziging van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, de overheidspensioenwetten en enkele andere wetten strekkende tot herziening van het arbeidsongescKiktheidscriierium, het binden van het uitkeringsrecht aan een termijn, aanpassing van de arbeidsongeschiktheidsuitkering aan de leeftijd alsmede invoering van een stimuleringsmaatregel voor herintreding van arbeidsongeschikten (Wet terugdringing beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen) (22824)

©

De voorzitter : Ik heet allereerst de staatssecretarls van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van harte welkom. Vervolgens geef ik een indicatie van de thans voorziene procedure. Vanmiddag is de eerste termijn van de zijde van de Kamer voorzien. Morgenochtend om tien uur zal de staatssecretaris antwoorden, waarna de verdere afhandeling zal plaatsvinden. Hoe ver die verdere afhandeling strekt, zien wij morgen wel.

De beraadslaging wordt geopend

©

H.M. (Hanneke)  Gelderblom-LankhoutMevrouw Gelderblom Lankhout (D66): Mijnheer de voorzitter. Welkom vandaag aan staatssecretans Wallage, niet nieuw in dit huis Gelderblom-Lankhout maar wel nieuw in zijn functie als staatssecretans van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Een staatssecretaris die zelf niet tot in alle details het terrem beheerst, dat kan juist een voordeel zijn bij een fundamentele discussie over sociale zekerheid. En die discussie is noodzakelijk. Immers, aan het Nederlandse socialezekerheidsstelsel is een tiental jaren gebouwd en verbouwd. De bezuinigingsnoodzaak leidde in 1987 tot de stelselwijziging. Toen werd onder meer de verdiscontering uit de WAO gehaald en de uitkering verlaagd van 80% naar 70%. De voorganger van deze staatssecretaris, de heer De Graaf, beloofde toen rust op het front, een uitspraak waarvan hij onlangs bij de parlementaire enquête zei dat hij er toen eigenlijk ook al niet in geloofde Die rust is er dan ook niet gekomen, evenmin trouwens als de noodzakelijke fundamentele discussie over de vraag: welke richting willen wij in Nederland inslaan met het stelsel van sociale zekerheid? Mijn partij, D66, onderschrijft de noodzaak tot bezuinigen, maar vindt het niet juist om de noodzakelijke bezuinigingen door te zetten en intussen de minstens even noodzakelijke discussie over de hoofdlijnen uit te stellen omdat nu weer gewacht moet worden op het advies van de enquêtecommissie of het rapport-Van der Zwan. En dan is er ook nog de politieke moraal die ons moet leiden naar de vraag: mag een overheid tekortkomingen in de uitvoering van het beleid -en dat die tekortkomingen er zijn, daar is langzamerhand iedereen van overtuigd -afwentelen op de burgers die door premies voor verzekeringen te betalen een legitieme verwachting hebben opgebouwd? Laten wij wel zijn, de huidige wijziging in de WAO -ook al heet die dan TBA -gaat door met delen uit het bouwwerk sociale zekerheid weg te hakken, nog steeds zonder dat een meer fundamentele discussie heeft plaatsgevonden. De Eerste Kamer heeft een aantal ronden van zeer grondige schriftelijke voorbereiding achter de rug. De staatssecretans heeft zich in no time ingewerkt en is aan de slag gegaan om met alle partijen te onderhandelen om tot een goed resultaat te komen. De toon van de nadere memorie van antwoord, die de handtekening van Jacques Wallage draagt, is open. De bereidheid van de staatssecretaris, daarin uitgesproken, om te zoeken naar een oplossing voor het probleem van de niet dan wel tegen een onaanvaardbaar hoge premie te verzekeren groep van chronischziekendienogwelwerken is mooi, maar voor geen van de fracties in dit huis voldoende. Het is een verstandig gebaar van de staatssecretaris om een adviesaanvraag te doen uitgaan naar de Verzekeringskamer, die door het kabinet, de politieke partijen en de verzekeraars wordt gewaardeerd vanwege de onafhankelijkheid van haar leden en haar deskundige oordeel over de financiële houdbaarheid van een regeling. Over de pro's en de contra's van hetgeen nu voor ons ligt ten aanzien van het waarborgfonds kom ik later in dit betoog te spreken. Mijnheer de voorzitter! De indruk die de laatste dagen is ontstaan is, dat indien het probleem van de chronisch zieken maar is opgelost het belangrijkste beletsel om deze wet te aanvaarden zou zijn weggenomen. Was het maar zo simpel. De Eerste Kamer is het huis van heroverweging. Een van onze criteria voor de beoordeling van een wetsvoorstel betreft de vraag: is voor het bereiken van het doel deze wet noodzakelijk? Wat is daarbij de probleemstelling? Volgens ons is er sprake van een dubbel probleem. Het ene betreft de financiën en het andere het volume. Er zijn te veel arbeidsongeschikten met een uitkering, betaald uit inkomsten uit premies die zijn opgebracht door een voortdurend slinkende groep werkenden. Daardoor is de collectievelastendruk te hoog. Het gevolg daarvan is een te grote wig en daardoor is er sprake van loonkosten die ongunstig afsteken bij onze directe handelspartners. D66 erkent beide problemen en hun interdependentie. Wat is nu de doelstelling van de TBA? Dat is het verbeteren van de verhouding tussen actieven en inactieven. In gewone mensentaal: enerzijds minder mensen arbeidsongeschikt, meer mensen aan het werk en anderzijds de premies omlaag. Minder mensen in de WAO en van het loon dat je krijgt niet een steeds groter deel aan premies en belasting moeten betalen. Ook met die dubbele doelstelling zijn wij het eens. Vervolgens wil ik iets zeggen over de ene kant van de zaak, die betreffende de financiën en de prijsmaatregel. Het kabinetsvoorstel luidt: verlaag de duur en de hoogte van de uitkering dan kan de premie voor de WAO en daardoor de collectievelastendruk omlaag. Het kabinet slaagt er alleen niet in D66 te overtuigen dat door dit wetsvoorstel dit ook het geval zal zijn. De premiedruk zal namelijk niet dalen. Wat zijn onze argumenten daarvoor. 1. Doordat er nog steeds geen sprake is van een dalend aantal WAO'ers kan de premie voor de WAO niet naar beneden. Daar komt dan ook nog bij dat premie betaald moet worden voor de particuliere verzekering. De conclusie lijkt mij dan ook onmiskenbaar: met behulp van dit wetsvoorstel zal het niet lukken, tot daling van de collectievelastendruk te komen. 2. Weliswaar ziet minister De Vries nog kans in een mondeling overleg op 9 juni aan de overkant om de meerderheid van de Tweede Kamer te doen geloven dat de collectievelastendruk daalt, omdat: "er vooral sprake is van herschikking, dat wil zeggen dat de toeslagen en de aanvullingen op de uitkeringen van 70% in de "oude" CAO's op grote schaal zijn afgeschaft en ingeruild tegen de aanvullende verzekering van het WAO-gat." Dat zei minister De Vries op 9 juni en op 18 juni blijkt al dat zijn optimisme niet op cijfers is gebaseerd. De Dienst collectieve arbeidsvoorwaarden van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid publiceert een rapportage die betrekking heeft op 76 grotere akkoorden. In 20 akkoorden biijven de bovenwettelijke uitkeringen gehandhaafd. In slechts 19 van de 76 gaat de WAO-reparatie gepaard met een verlaging van de bovenwettelijke uitkeringen bij arbeidsongeschiktheid. Naar onze mening blijkt bij nauwkeurige lezing van het rapport dat in die CAO-onderhandelingen niet eens sprake is geweest van het schrappen van de bovenwettelijke uitkeringen, dan wel dat het punt onmiddellijk als het ware van de tafel is geveegd. Wij vrezen dan ook dat het hier om ongefundeerd optimisme van de zijde van het Gelderblom-Lankhout kabinet gaat. Van inleveren op grote schaal van bovenwettelijke uitkeringen in ruil voor reparatie van het WAO-gat is geen sprake 3. Je kunt natuurlijk zeggen dat aanvullende verzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid uit de definitie van de collectievelastendruk moeten verdwijnen. Dat hoor je nog wel eens, maar iedere werknemer zal merken dat hij of zij meer moet gaan betalen om zich in te dekken tegen het risico van inkomensverlies door arbeidsongeschiktheid. 4. Het kabinet antwoordt op onze vragen dat het, nog?, niet van plan is de aftrekbaarheid van premies af te schaffen, maar als wij dan zeggen dat dat minder belastingopbrengst betekent wuift men dat probleem als het ware vrij gemakkelijk weg. Na deze vier argumenten blijft mijn vraag: hoezo vermindering van lasten ten gevoige van dit wetsvoorstel? Mijnheer de voorzitter! Er is nog meer dat niet is gegaan zoals het kabinet dat eigenlijk wilde Tijdens en na de bespreking van het wetsvoorstel inzake de TBA in de Tweede Kamer heeft het kabinet meermalen betoogd het niet goed zou zijn wanneer het WAO-gat massaal via CAO's zou worden gerepareerd Ik geef een van de vele citaten. In de NRC van 29 januari 1993 stond een artikel met als kop: "WAO niet collectief repareren". En vervolgens: "De Vries en Ter Veld vinden dat sociale partners terughoudend moeten zijn bij het afsluiten van bijverzekeringen tegen arbeidsongeschiktheid op landelijk niveau of per bednjfstak ... Het is niet de bedoeling van het kabinet geweest dat de kosten voor de nieuwe WAO via CAO-onderhandelingen worden afgewenteld op de loonkosten in de bednjven " Inmiddels lijkt iedereen er zich bij te hebben neergelegd, dat er wel massaal wordt gerepareerd. Het Rijk repareert trouwens in zijn functie als werkgever ook voor de eigen werknemers: een maatschappelijk signaal dat men het belangrijk vindt zich te verzekeren tegen de financiële gevolgen van arbeidsongeschiktheid. Vervolgens heeft minister de Vries het hele jaar de dreiging boven de markt laten hangen om de CAO's, waarin het WAO-gat wordt gerepareerd, niet algemeen verbindend te verklaren. Hij heeft zijn gedachten daarover niet op papier gezet en daardoor is een inhoudelijke discussie over de voors en tegens van AW niet mogelijk gemaakt. Nu besluit hij om toch maar weer een AW af te geven. De conclusie kan voor ons moeilijk anders zijn dan dat de financiële doelstelling van dit wetsvoorstel, de daling van de lastendruk, niet is gehaald. Het beleid begint dan veel trekken van overeenkomst te tonen met het verhaal over de ziektekosten. Die zouden ook dalen. Ook daarover was de regering nogal optimistisch in haar uitlatingen. Wij vinden dat je moet oppassen met dat soort optimisme. Het maatschappelijk draagvlak voor een regering wordt niet groter als keer op keer blijkt dat een dergelijk optimisme niet met de realiteit overeenkomt. Wat is nu de stand van zaken wat betreft de reparatie van het WAO-gat? Globaal kunnen de 5 miljoen werknemers in Nederland bij de verzekering tegen arbeidsongeschiktheid in drie groepen worden ingedeeld: Groep 1 betreft de grote collectieven, meer dan 50 werknemers. Dan vragen de verzekeraars geen gezondheidsverklaring en is het WAO-gat tegen een redelijke premie gedicht. Er is sprake van een collectieve regeling wanneer 80% van die werknemers besluit mee te doen. Is het overigens juist dat de vrijheid om niet mee te doen daardoor alleen het eerste jaar bestaat? Is het ook juist dat een werknemer het risico van een WAO-breuk loopt als hij of zij van baan wisselt? Groep 2 betreft de zogenaamde kleine collectieven, minder dan 50 werknemers. Dan vragen de verzekeraars wel een gezondheidsverklaring. Ons is door diezelfde verzekeraars gemeld dat dit voor ongeveer 50% van de deelnemers uitsluitingen kan inhouden. Maar hoe zit het met werknemers zonder vast dienstverband en hoe zit het met uitzendkrachten? Vallen die buiten die regeling? Ik krijg daarover graag nadere helderheid. Groep 3 betreft de degenen die werken bij een bedrijf waar geen collectieve regeling wordt afgesloten. Dan is een individuele verzekering de enige mogelijkheid, net als trouwens voor de zelfstandigen voor wie dat overigens altijd al gold. Van deze mensen zal altijd een gezondheidsverklaring worden geëist op grond waarvan uitsluitingen mogelijk zijn. Weigeringen zullen weliswaar officieel niet voorkomen, maar onverzekerbaarheid kan wel de facto een feit worden als een onbetaalbaar hoge premie wordt gevraagd. Dan kom ik op de problemen rondom de werkwilligen met een handicap of, zoals wij ze ook wel hebben genoemd, de dapper werkenden met een chronische handicap. Dat zijn dus de mensen uit groep 2 of groep 3. Voor hen staat het vrijwel zeker vast dat hun ziekte of gebrek het hun in de loop der tijd meer en meer moeilijk, zo niet onmogelijk zal maken om aan het werk te blijven. Hun problemen hebben van de Eerste Kamer terecht heel veel aandacht gekregen. Wij hebben met vereende krachten -de staatssecretaris hoort daarbij -naar een oplossing gezocht. Dat is dan dat waarborgfonds. Het probleem van de chronisch zieken dle wel werken, is wel tijdens de behandeling in de Tweede Kamer gesignaleerd, maar amendementen en moties om daar wat aan te doen, verklaarde het kabinet voor ongewenst. Onder druk van alle fracties in de Eerste Kamer verklaarde staatssecretaris Wallage zich bereid om met de verzekeraars te onderhandelen. Dat is op zichzelf natuurlijk een grote verbetering ten opzichte van de opstelling in de Tweede Kamer, maar daar zijn de chronisch zieken die wel werken, nog niet mee geholpen. Wij kennen inmiddels het advies van de Verzekeringskamer. Ik wil nu maar een paar randvoorwaarden van D66 op tafel leggen. Allen die een PAO, een particuliere arbeidsongeschiktheidsverzekering, afsluiten, zullen moeten meedoen met de circa 5 miljoen deelnemers aan het waarborgfonds. Dat levert, als wij uitgaan van het tientje van Van de Zandschulp, dus 50 mln. per jaar op. Dit betekent dat de 2 miljoen werknemers die hun WAO-gat via de pensioenfondsen hebben geregeld. daar naar onze mening uitdrukkelijk bij horen. Als je die er namelijk niet bij doet, komt de vraag van de grote collectieven -dat zijn er ook 1,5 miljoen -: waarom wij wel en zij niet? Dan gaat de solidariteit verloren en zal het waarborgfonds niet gevuld worden. Ten tweede lijkt D66 een Gelderblom-Lankhout wettelijke regeling onontkoombaar. Ik trek even een vergelijking met de wettelijke WA-verzekering in de autobranche -deze wordt particulier geregeld, maar er bestaat wel een wettelijke verplichting toe -en de MOOZ. Ten derde is er de financiële afdekking. Ook daarover is gepraat. Dat vinden wij op dit moment echter niet nodig. D66 zit daarmee grotendeels op dezelfde lijn als de Verzekeringskamer. Minister De Vries heeft evenwel steeds gezegd, niet aan een dergelijke wettelijke regeling te willen meewerken. Daarom zijn wij natuurlijk uiterst benieuwd naar de reactie van de regering op dit advies van de Verzekeringskamer. Voor alle duidelijkheid: een vage toezegging, een inspanningsverplichting of zoiets is niet voldoende om tot afhandeling van dit wetsvoorstel te komen. Wij hebben hier nog een paar vragen over. Wie mogen er nu in dat waarborgfonds? De Verzekeringskamer geeft hiervoor een aantal alternatieven. Ons lijkt het de beste oplossing om allen die bij de verzekeringsmaatschappijen op grond van hun ingeleverde gezondheidsverklaring viermaal -er is echter ook sprake van tweemaal -de normale PAO-premie zouden moeten betalen, over te laten gaan naar het waarborgfonds. De Verzekeringskamer spreekt dan over 17.000 personen, welk aantal leder jaar met 1000 stijgt. Wij hebben van de verzekeraars het aantal van 50.000 personen gehoord. Welk aantal acht de regering de meest juiste benadering? Wat wordt de positie van deeltijdwerkers en uitzendkrachten? Wat wordt de positie van herintredende ex-WAO'ers? Wat wordt de positie van mensen die na 25 januari ziek zijn geworden? Voorzitter! Bij een oppervlakkige waarnemer zou wellicht de indruk kunnen ontstaan dat voor het aanvaarden van de TBA alleen nog maar dat ene knelpunt restte. Dat brengt het risico met zich van een zekere euforie, omdat wij de problemen rond het waarborgfonds opgelost lijken te hebben. De paradox is evenwel dat wij er niet omheen kunnen dat een wettelijke regeling noodzakelijk is om iets te regelen wat in de oude wet geregeld was, namelijk solidariteit met de chronisch zieken. Wat waren ook al weer de doelstellingen van de TBA?

Een daarvan was het verlagen van de lastendruk. Dat is echter niet gelukt. Hoe staat het ervoor met de tweede doelstelling, namelijk het laten dalen van het aantal mensen dat nog steeds met duizenden de WAO instroomt, in casu het volumebeleid? Om te bepalen hoe het volume-beleid ervoor staat, noem ik zes punten ter toetsing. 1. Het volume in de WAO neemt nog steeds toe. 2. Het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium is nog buiten werking. 3. Er zijn geen reïntegratieplannen. 4. De zekerheid dat een oud geval een oud geval blijft, is met vraagtekens omgeven. Excuseert u mij overigens voor die afschuwelijke woorden, want het gaat om mensen en niet om gevallen. Dit is echter de terminologie.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! Kan mevrouw Gelderblom toelichten waarom dat met vraagtekens omgeven zou zijn? Ik dacht dat de wettekst op dit punt duidelijk was.

©

H.M. (Hanneke)  Gelderblom-LankhoutMevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Dat dacht ik ook. Ik werk dadelijk echter de afzonderlijke punten nog uit. Ik ga nu eerst even door met mijn opsomming. 5. Premiedifferentiatie werkt reïntegratiebelemmerend. 6. De malusregeling werkt contraproduktief. Voorzitter! Het volumebeleid, de tweede doelstelling van dit wetsvoorstel, is door de terechte aandacht die het probleem van de onverzekerbaarheid van de chronisch zieken heeft gekregen, in de beeldvorming nagenoeg geheel verdwenen. Wij moeten evenwel constateren dat er nog steeds geen wezenlijke vermindering van het volume plaatsvindt. De preventieve werking die van dit wetsvoorstel zou moeten uitgaan op het volume, is nog steeds niet zichtbaar. Op 14 juni konden wij in een persbericht van het AAF en het AOF lezen dat men daar voor 1994 een toename met nog eens 20.000 personen verwacht. Dan zijn er dus 938.000 personen met een arbeidsongeschiktheidsuitkering. Het tweede punt is het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium. Ik kom dan eerst op de instroom. De wet stelt dat het arbeidsongeschikt- heidscriterium wordt gewijzigd. De indruk wordt gewekt dat deze wet een scherper arbeidsongeschiktheidscriterium verschaft. Er is sprake van gangbare arbeid in plaats van passende arbeid. Ziekte of gebrek moet medisch-objectief vast te stellen zijn. Kortom, belangrijk wordt wat een werkwillige met een handicap nog wel kan. Maar de uitvoeringsorganisatie heeft, bij monde van het SVR-advies met betrekking tot de TBA, om operationalisatie van dat nieuwe criterium gevraagd. Aan wie? Aan de politiek. Het kabinet meent vervolgens juist met betrekking tot die operationalisering eerst een advies aan de SVR te moeten vragen. Met dit jojo-effect rondom het aangescherpte arbeidsongeschiktheidscriterium gaat natuurlijk wel kostbare tijd verloren. Maar het is nog veel erger: de adviesaanvrage aan de SVR is maanden geleden toegezegd -meteen na het debat in de Tweede Kamer zou ze verzonden worden -maar nog steeds niet verzonden. De voorbereiding van de adviesaanvrage is in volle gang, zo staat op bladzijde 5 van de nadere memorie van antwoord. Waarom duurt dat in vredesnaam allemaal zo lang? Vervolgens verbiedt het kabinet dan ook nog de uitvoeringsorganisaties, en wel op bladzijde 5 van diezelfde nadere memorie van antwoord: "in afwachting van de algemene maatregel van bestuur alvast op eigen houtje te gaan experimenteren met toepassing van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium". En waarom is die AMvB er dan nog niet? Is het zinvol om "ja" te zeggen tegen een wet die wat betreft één van de instrumenten om een werkelijk volumebeleid te voeren blijft steken in halve maatregelen? Wel een aangescherpt arbeidsongeschiktheidscriterium, maar getalm met het operationaliseren ervan en experimenteren mag niet. Arbeidsongeschikten, ook degenen die nu een WAO/AAW-uitkering hebben, zullen in de toekomst periodiek worden herkeurd. Op zichzelf is D66 daar ook voor. Het kabinet spreekt hoge verwachtingen uit van de herkeuringsoperatie. Het bestaande volume zou hierdoor structureel met 190.000 omlaag kunnen. Maar wanneer dan wel, nu de operationalisatie van het gewijzigde arbeidsongeschiktheidscri- Gelderblom-Lankhout terium maar niet tot stand komt? Bovendien gaat het kabinet er dan kennelijk van uit dat de uitvoeringsorganisaties de nieuwe regels, als die er ooit komen, zullen gaan toepassen. Maar ook daarover bestaan langzamerhand enige twijfels. Er zijn sterke aanwijzingen -bij de openbare verhoren van de enquêtecommissie bleek dat -dat de uitvoeringsorganisaties nog steeds, en dat "contra legem", werkloosheid verdisconteren in de arbeidsongeschiktheidsbepaling. Contra legem, want bij de stelselwijziging in 1987 is de verdiscontering geschrapt, maar de uitvoeringsorganisaties hebben, zo lijkt het, tamelijk lang hun eigen interpretatie kunnen hanteren. Welke zekerheid is er dan dat dat ook bij het uiteindelijk in te voeren nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium niet eveneens zal gebeuren? Opnieuw een citaat: De SVR geeft voorts in zijn advies nog aan, dat bij de vaststelling van wettelijke regels zoveel mogelijk moet worden voortgebouwd op de beleidsregels, zoals die zijn ontwikkeld in de uitvoeringspraktijk. Wie werkelijk gelooft dat de uitvoeringsorganisaties zullen handelen zoals de politiek in wettelijke regels vastlegt, is tamelijk optimistisch. En dan is er nog die opdracht uit de TAV om -even een stukje techniek -na 13 weken ziekte conform artikel 71 a lid 3 WAO, reïntegratieplannen te maken. Reïntegratieplannen hebben als doel, ervoor te zorgen dat een werknemer na een periode van ziek zijn niet naar de WAO verdwijnt. Bij de TAV is in de Tweede Kamer een amendement-Linschoten/Schimmel ingediend en aanvaard dat als volgt luidt: In gevallen waarin arbeidsongeschiktheid voortduurt, stelt de GMD in overleg met de werkgever en de werknemer, zodra een termijn van dertien weken na aanvang van de arbeidsongeschiktheid is verstreken, een reïntegratieplan in ten behoeve van de hetïntreding van de werknemer in het arbeidsproces. De TAV is sinds aanvaarding door de Eerste Kamer in februari 1992 in werking. Hoe staat het met die reïntegratieplannen, vroeg D66 bij de schriftelijke voorbereiding. Slechts door persistent doorvragen kwam de waarheid boven tafel. De SVR zag het niet zitten. De verplichting tot het maken van reïntegratieplannen heeft op verzoek van de SVR geen rechtskracht gekregen; het hele artikel 71 a TAV Is door het kabinet niet in werking gesteld. Want wat zegt de SVR in zijn advies van 20 februari 1992? Dat zij bezwaren ziet bij de nodeloze stapels papier die door een verplichting tot zesdeweeksmelding zullen ontstaan. Die melding werd ook in artikel 71 geregeld, maar in een ander lid. Wij hebben begrip voor de bezwaren tegen die stapels papier die niet zo zinvol zijn. Wat wij echter niet begnjpen, is dat de bewindspersonen op Sociale Zaken met de SVR zijn meegegaan met de koppeling van die twee zaken, de zesdeweeksmelding uit het tweede lid en de verplichting tot het opstellen van reïntegratieplannen uit het derde lid. Het wettelijk instrument voor reïntegratie ligt klaar. De wettelijke basis is aanwezig, maar de SVR ziet het niet zitten en het kabinet laat het erbij zitten. Inmiddels heeft de Tweede Kamer de noodzaak van die reïntegratieplannen nog eens bevestigd bij de behandeling van de TZ. Het amendement-Groenman heeft de plicht om die plannen te maken nu maar bij de uitvoeringsorganisaties weggehaald en bij de werkgever gelegd. Het amendement is met algemene stemmen aangenomen, maar inmiddels is een instrument ten behoeve van het door iedereen onderschreven volumebeleid ruim anderhalf jaar ongebruikt gebleven. Onze conclusie kan dan ook niet anders zijn, dan dat de aandacht voor het volumebeleid achter de horizon is verdwenen. Dan het vierde punt. Daarin is de heer Van de Zandschulp zeer geïnteresseerd. In de Tweede Kamer heeft met name woordvoerder Leijnse keihard betoogd, dat mensen die tot de groep van vóór 25 januari behoren, de oude gevallen dus, de rechten die zij in de WAO hebben opgebouwd altijd zullen behouden Het oude geval blijft het oude geval. Dat is het principe. Nog helderder: een oud geval komt niet in de nieuwe uitkeringssystematiek terecht. Inmiddels bereiken ons echter geluiden, dat ook hier de uitvoeringsorganisaties zo hun eigen regels hanteren. Welke garantie kan het kabinet geven, dat een "oud geval" niet terechtkomt in de nieuwe systematiek, maar de oude rechten blijft behouden? Als het kabinet dat niet kan, moet dan niet de conclusie zijn, dat iedereen die nu tot de categorie WAO'ers behoort, dat tot zijn 65ste blijft en wel zal uitkijken om die rechten te verspelen en dat daarmee het volumebeleid voor de bestaande gevallen tot mislukken gedoemd is?

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! Kan mevrouw Gelderblom de geluiden die zij heeft opgevangen, als zouden de uitvoeringsorganisaties zich op dit punt niet aan de wettekst houden, toelichten of nader concretiseren? Anders vind ik dit een beschuldiging die hier niet zo maar kan blijven hangen.

Mevrouw Gelderblom-Lankhout (D66): Ik heb hier voor mij een GAK-info, gedateerd maart 1993: Een uitleg over de WAO. Daarin staat onder andere, dat: "Indien iemand van wie de AAW/WAO-uitkering is beëindigd, later opnieuw arbeidsongeschikt wordt, de uitkerïng wordt berekend volgens de nieuwe regels." Voorzitter! Ik kom aan mijn vijfde punt, namelijk de premiedifferentiatie. Premiedifferentiatie in de arbeidsongeschiktheidsverzekering lijkt nu ineens een algemeen aanvaard principe. Waarom neemt de regering deze wet dan niet terug en waarom maakt zij premiedifferentiatie in de bestaande WAO niet mogelijk? Heeft het kabinet dat overwogen? Waarom eigenlijk niet? Het kabinet zou in onze ogen aan prestige winnen, als het het heroverwegen als een teken van sterkte, in plaats van als een teken van zwakte zou gaan zien. Premiedifferentiatie heeft overigens ook een negatieve kant voor het volumebeleid, maar het maakt geen verschil of in de WAO van de overheid of in de PAO van de verzekeraars een premiedifferentiatie is opgenomen. Het gevaar schuilt namelijk in het toekomstig aannamebeleid. Het aanstellen van ex-WAO'ers kan ertoe leiden dat de andere werknemers een hogere premie moeten betalen. Grof gezegd: die kneus willen wij niet in ons bedrijf. Het is inderdaad grof, maar zo wordt er nu eenmaal uit eigenbelang geredeneerd door de zittende gezonde werknemers die Gelderblom-Lankhout met een hogere premie geconfronteerd worden. Dan kom ik bij het zesde punt. Nu wij het toch hebben over de negatieve kant van premiedifferentiatie: in de TAV is een regeling ingebouwd bonus/malus geheten Die regeling heeft staatssecretaris Ter Veld ooit met groot enthousiasme verdedigd. Uit de opbrengst van de malus zou de premie voor de AAW verlaagd kunnen worden. Nu blijkt die malus contraproduktief te zijn als het erom gaat iemand uit de WAO weer aan het werk te krijgen. Dat is het eerste argument ertegen. Het tweede is dat de malus het rechtsgevoel aantast wanneer er geen verband is tussen schuld voor arbeidsongeschiktheid en de boete genaamd de malus. In de Eerste Kamer bestonden bij de bespreking van de TAV al de nodige reserves. Wij vreesden verleden jaar al dat de malus met name voor de chronisch zieken een averechts effect zou kunnen hebben vanwege aangescherpte aanstellingskeuringen. Het zou dan nog moeilijker worden om een werkplek te bemachtigen. Inmiddels hebben wij van de WSW'ers vernomen dat dit inderdaad het geval is. Tegen de zin van de staatssecretaris in werd er daarom bij de behandeling van de TAV een motie aangenomen met een hardheidsclausule om de deur naar het opleggen van een malus, die door haar potdicht wenste te worden gehouden, op een kier te krijgen door het instellen van een enkele uitzondering bij het opleggen van de malus. Die motie stelt dat de malus niet wordt opgelegd aan de werkgever wanneer een chronisch zieke binnen drie jaar uitvalt. De staatssecretaris riep: als de Kamer dat wil dan doe ik dat. Zij maakte echter wemig aanstalten, die motie daadwerkelijk uit te voeren. Tot mijn spijt moet ik constateren dat ook staatssecretaris Wallage de motie niet volledig uitvoert en nog steeds uitgaat -zie de nota naar aanleiding van het verslag -van een fikse opbrengst van de malus. Zoals mijn fractie reeds verwachtte werd er met name door de kleine werkgevers massaal protest aangetekend tegen deze nieuwe last voor het bedrijfsleven. Ik heb mmiddels van het GAK cijfers gekregen die het volgende uitwijzen. Vanaf 1 maart kunnen die malussen worden opgelegd. Dat is in 1100 gevallen gebeurd. In iets meer dan 200 gevallen is er betaald. In alle andere gevallen is er bezwaar gemaakt en beroep aangetekend. Van die premieverlaging in de AAW is overigens ook nooit meer iets vernomen. Al die bezwaarschriften tegen de malus betekenen dat het GAK die aangetekende beroepen moet gaan beoordelen en dat betekent dan weer dat er geen energie en tijd overblijft om aan het volumebeleid te werken. Inmiddels is ook een meerderheid in de Tweede Kamer tot de conclusie gekomen dat de malus-regeling toch niet zo'n fantastisch instrument is. Bij de behandeling van de TZ is derhalve besloten, de malus gedeeltelijk in maanden salaris te halveren. Maar wat antwoordt de staatssecretaris tot onze verbazing? Hij vindt dat het van wijs beleid getuigt om die halvering in de TZ ongedaan te maken door, indien de TBA onverhoopt zou worden aangenomen, de malus in een aantal maanden salaris weer te verdubbelen. Dat nu lijkt ons een zigzagbeleid en daar moeten wij niet toe overgaan. Ik heb in bijlage 1 achter mijn verhaal laten zien hoe wij dat wel moeten oplossen Die verdubbeling moet niet doorgaan en als de staatssecretans niet op zijn voornemen tot die verdubbeling terugkomt, zal ik daarover in tweede termijn een uitspraak van de Kamer vragen. Die bonus/malus krijgt steeds meer de schijn een typisch achter het bureau bedachte regeling te zijn door mensen die weinig inzicht hebben in hoe het er in het bedrijfsleven werkelijk aan toegaat. Het KNOV heeft inmiddels een zwartboek aangelegd. En zelfs bij het GAK, waar men omdat het nu eenmaal in de wet staat de malus moet uitschrijven, heeft men bedenkingen tegen deze regeling. Ook Professor Fase van de SVR heeft bij zijn inaugurele rede in Limburg aangetoond hoe slecht doordacht de malusregeling is. Zeker nu ook Nederland dichtbij een algehele recessie staat, hebben werkgevers wel iets anders aan hun hoofd dan tijd investeren in de mogelijkheid om een bonus te vangen. Een boete -malus -wordt als onrechtvaardig gevoeld wanneer een werknemer zodanig in de kreukels raakt dat vanuit medisch oogpunt geen sprake van werkher- vatting meer kan zijn. De regering verwijt D66 hierbij het risque professionnel met het risque social te verwarren. Voorzitter! Hier is sprake van een misverstand. Voor ons is niet bepalend de reden waarom een werknemer niet meer tot werken in staat is, maar het feit dat hij/zij, niet meer tot werken in staat is. Ik zal dit verduidelijken aan de hand van een voorbeeld. Of iemand bij het bergklimmen in een spelonk terechtkomt of ondanks veiligheidsvoorschriften van de steiger valt, maakt niet uit: met een ruggegraatkwetsuur is hij/zij niet meer tot werken in staat. Hier kan de werkgever weinig aan doen. Voor de werkgever is trouwens het uitvallen van een ingewerkte kracht op zich al schadepost genoeg. Daarbovenop ook nog een boete -malus -zonder dat er van directe schuld sprake is, tast het rechtvaardigheidsgevoel aan. In Nederland, waar wij gezamenlijk voor de krachtsinspanning staan iedereen die kan werken aan het werk te krijgen, moet staatssecretaris Wallage zoeken naar oplossingen waarbij hij de werkgevers aan zijn kant houdt. Het intrekken van de vermaledijde malus-regeling zou daartoe een uitstekend signaal zijn. Voorzitter! Genoeg over de bonus/ malus-regeling die eigenlijk niet eens een onderdeel vormt van dit wetsvoorstel, maar door de aangekondigde verdubbeling niet onbesproken kan blijven in afwachting van behandeling van de TZ in dit Huis. Mijnheer de voorzitter! Ik keer terug naar de TBA. Het voorgestelde waarborgfonds is natuurlijk een oplossing voor een probleem dat is ontstaan door dit wetsvoorstel. De wijziging van de WAO heeft dit probleem gecreëerd. Nu is het op zichzelf niet erg als wijziging van een wetsvoorstel een probleem creëert dat vervolgens kan worden opgelost, maar het wordt nogal wonderlijk als die oplossing dan vervolgens de veel principiëlere vraag of het wetsvoorstel nog wel aan haar doelstellingen voldoet, achter de horizon doet verdwijnen. We moeten dus kritisch naar het hele wetsvoorstel blijven kijken. De conclusie van D66 is dan: Er is ontzettend veel overhoop gehaald, er is heel veel onrust en Gelderblom Lankhout weinig effect. 1. Naast de premie voor de WAO ook premie voor de PAO, er is dus geen lastenverlaging. 2. Het aantal WAO'ers neemt nog steeds toe 3. Het volumebeleid is uit de aandacht verdwenen. 4. De malus is voor reïntegratie contraproduktief, verdubbeling is ongewenst. 5. Verzekeren van chronisch zieken via een waarborgfonds is alleen sluitend via een wettelijke regeling. Is voor het bereiken van het doel dit wetsvoorstel noodzakelijk ? Dit is het vierde criterium dat de Eerste Kamer heeft vastgesteld bij het beoordelen van wetten. De regering moet niet alleen ons maar vooral de regeringsfracties hiervan overtuigen. Wij gaan ervan uit dat deze staatssecretaris een open en zakelijke afweging van argumenten op waarde weet te schatten en dat het niet nodig zal zijn ons te dwingen voor dit wetsvoorstel te stemmen door met een kabinetscrisis te dreigen. In de Kamer van heroverwegen laat een regering zich van haar sterkste zijde zien door tot terugnemen van dit wetsvoorstel te besluiten.

©

W. (Willem) van de ZandschulpDe heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter! Dit debat vindt plaats onder een vreemd gesternte. Het gaat om een merkwaardig wetsvoorstel met een zeer uitzonderlijke voorgeschiedenis. Het debat vindt plaats op een vreemd tijdstip, kort na een plotselinge personele wisseling van de staatssecretaris voor sociale zekerheid. Verder heeft het wetsvoorstel in de maatschappij een heel andere uitwerking gekregen dan de indieners ervan voor ogen stond. Ten slotte is nog niet op toereikende wijze voldaan aan de voorwaarde van de gehele vaste Commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid in het eindverslag, namelijk dat er een bindende overeenkomst op hoofdlijnen inzake de toegankelijkheidsvraag bij aanvullende verzekeringen moet liggen, alvorens tot afhar.deling van dit wetsvoorstel wordt besloten. Na deze openingszinnen heet ik de staatssecretaris hier van harte welkom. Ik wens hem veel sterkte en politieke wijsheid toe. Hij zal geconifronteerd worden met een kritische Eerste Kamer. De wisseling van staatssecretaris kwam ook voor onze fractie onverwacht. Wij hebben -ondanks aanvaringen -steeds een groot respect behouden voor de grote inzet en vakkennis van Elske ter Veld. De woordvoerders van onze fractie hebben dit ook in een persoonlijke brief aan haar laten weten. Aan de voorgeschiedenis van dit wetsvoorstel maak ik maar weinig woorden vuil. Dit kabinet verdient op zichzelf lof, omdat het als eerste de arbeidsongeschiktheidsproblematiek indringend op de maatschappelijke en politieke agenda geplaatst heeft Het heeft schoksgewijs de bewustwording van het probleem vergroot. Maar de manier waarop dit gebeurde, vertoonde te veel feilen. De meeste politieke beoordelingsfouten die gemaakt hadden kunnen worden, zijn ook gemaakt. Ik heb ook geen aandrang om hier een reprise van het debat in de Tweede Kamer over TBA op te voeren. Politieke compromissen zijn op zichzelf zeer oorbaar, zelfs als ze er esthetisch niet zo fraai uitzien en ze tot stand gebracht zijn via ruwe krijgstechnieken. Mijn waarneming is echter wel dat in het debat in de Tweede Kamer over TBA de nabeschouwing over al dan niet uitgelokt overspel, een bijna-akkoord bij McDonald's en een heel akkoord bij de afhaalchinees in Bergschenhoek, een politiekinhoudelijke beoordeling van TBA sterk overschaduwde. Zowel regerings als oppositiepartijen lieten zich meezuigen in het moeras van prestigeoverwegingen en partijstrijd in de slechte zin van het woord. De extreme politieke geladenheid van TBA en de fixatie op het voorafgaand geharrewar over enkele onderdelen leidden er bovendien toe dat nogal wat relevante vragen onopgehelderd bleven en sommige einden nog steeds los rondslingeren. De Eerste Kamer moet die losse einden, bijvoorbeeld over de invulling van het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium en over de verwerkingscapaciteit van de uitvoeringsorganisatie, nu oppakken. Bovendien kan de Eerste Kamer zich vandaag niet beperken tot een beoordeling van de oorspronkelijke bedoeling van TBA of de wettekst zelf. De maatschappij heeft inmiddels TBA op geheel eigen wijze verwerkt en de beoogde bezuiniging op arbeidskosten goeddeels omgezet in een verschuiving van arbeidskosten, van een geheel publiekrechtelijke premie naar een deels privaatrechtelijke premie. De Eerste Kamer moet nu twee zaken tegelijk behandelen: het oorspronkelijke kabinetsvoorstel en de sterk afwijkende vertaling ervan in de maatschappij In deze uitzonderlijke situatie claim ik noodgedwongen meer spreektijd dan gebruikelijk is. De totstandkoming van dit wetsontwerp heeft diepe sporen getrokken in de maatschappij en in de politiek. Veel arbeidsongeschikten hebben er slapeloze nachten over gehad. Het voorstel heeft bij velen een schok teweeggebracht in het vertrouwen in de parlementaire democratie in het algemeen en in de sociaal-democratie in het bijzonder. Dat spijt ons zeer en dat is voor ons een extra impuls om het debat over TBA zorgvuldig te voeren. Onze bijdrage aan dit debat staat mede in het teken van nog niet geheelde wonden. Het is nog steeds niet goed mogelijk om ons geheel los van politieke verhoudingen te beperken tot een loutere beoordeling van de inhoudelijke merites van TBA zelf. Ik besef dat. Het weerhoudt mij er niet van om te proberen de zwakke steeën van TBA -naar mijn mening zijn dat er vele -hier bloot te leggen. De WAO-voorstellen van zomer 1991 hadden een hoog paniekgehalte. Eén prognose uit het voorjaar van 1991 over een versterkte volumegroei gaf tenslotte de doorslag tot die voorstellen. Die prognose werd achteraf al snel onjuist bevonden Bij de verdediging van de oorspronkelijke voorstellen gebruikte het kabinet frequent termen als "onontkoombaar" en "onvermijdelijk". Dit deterministische spraakgebruik kan echter niet verhullen dat het om politieke keuzen ging die ook anders hadden kunnen uitvallen. Ik denk dat die keuzen op belangrijke onderdelen anders zouden luiden indien eerst nauwkeuriger geanalyseerd was in hoeverre de onmiskenbare scheefgroei in de WAO ligt aan bijvoorbeeld premiestructuur, uitkeringsstructuur, uitvoeringsstructuur, uitvoeringspraktijk en -in samenhang daarmee -het arbeidsbestel Op de achtergrond van die complexe vraag speelt steeds indringender een andere vraag: op welke wijze kunnen wij -eventueel in aangepaste vorm -onze humane en sociale normen handhaven bij verscherpte internationale concurrentie? Drukken onze collectieve lasten niet te eenzijdig op de factor arbeid? Is een verbreding van de heffingsgrondslag mogelijk? Kunnen met name aan de onderkant van de arbeidsmarkt lasten verlicht worden? Ik houd ook nu nog staande dat de WAO van Veldkamp op zichzelf een heel fatsoenlijke wet is. Arbeidsorganisaties en CAO-partijen hebben er echter een te ruim gebruik van gemaakt, bijvoorbeeld als ventiel bij ingrijpende reorganisatie-en saneringsprocessen. Ook de overheid heeft een zeer extensieve interpretatie van de wet toegestaan, bijvoorbeeld als middel ter "opzwabbering" van werkloosheidscijfers, om een term te gebruiken van de vroegere directeur-generaal Arbeid van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De WAO fungeerde te vaak als afkoopsom voor het recht op arbeid. Uitkeringsbestel en arbeidsbestel zijn decennia lang te ver uiteengegroeid. Een en ander werd mede mogelijk gemaakt omdat het in uitvoeringsorganisatie en -praktijk ontbrak aan een systeem van checks and balances en omdat in de uniforme premiestructuur de relatie tussen betalen en gebruik maken van de regeling geheel afwezig was. De "vervuiler" betaalde niet, maar wentelde af. Een correctie op de scheefgroei in de WAO moet vooral op twee punten inhaken. Dat betreft ten eerste een wijziging in uitvoeringsorganisatie en -praktijk, met veel sterkere accenten op preventie en reïntegratie, dat wil zeggen bemoeienis met het arbeidsbestel, én met een grotere publieke verantwoordingsplicht van de uitvoeringsorganisatie. Daaraan wordt nu gewerkt en ik ga er nu niet verder op in. Ten tweede betreft het het weloverwogen aanbrengen van enige relatie tussen financiering en gebruik van de regeling. Daar ga ik wel op in, omdat het direct relevant is voor de beoordeling van TBA. Het kabinet zet sterk in op financiële prikkels, zowel voor werkgever als werknemer. Ik erken het belang van financiële prikkels, maar ik wijs ook nadrukkelijk op de grenzen ervan en de keerzijde van een dominant financieel prikkelverhaal. Ik pleit verder voor meer aandacht voor het arbeidsbestel in de ruime zin van het woord, bijvoorbeeld selectiemechanismen op de arbeidsmarkt, arbeidsomstandigheden en leeftijdsgericht personeelsbeleid èn voor de noodzaak tot investeren in de uitvoeringsorganisatie. Ik ga eerst in op fmanciele prikkels voor de werkgever, dat wil zeggen op het belang van premiedifferentiatie per afzonderlijke arbeidsorganisatie. Premiedifferentiatie moet een uitwerking hebben op onderling concurrerende bedrijven en moet dus vooral per bednjf en niet per bedrijfstak worden toegepast Wij slaan die weg nu in met drie wettelijke instrumenten. Ten eerste door twee of zes weken eigen risico in de Ziektewet voor de werkgever in te voeren. Ten tweede door premiedifferentiatie per bedrijf voor langer durend ziekteverzuim in te voeren. Ten derde door invoering van het bonus/malussysteem bij AAW en WAO. Daar komt nu, niet gepland, als vierde element een premiedifferentiatie bij de reparatie van het WAO-gat bij. Dat geheel roept de vraag op wanneer het ongecoördineerd opeenstapelen van prijsprikkels per bedrijf te veel van het goede wordt. Premiedifferentiatie per bedrijf is namelijk wèl een medaille met twee kanten. Aan de keerzijde van die medaille springen de volgende elementen in het oog. Ten eerste het reële risico van verscherpte medische aanstellingskeuringen. De voorspellende waarde ervan moge gering zijn, maar in de belevingswereld van de werkgever telt het terdege. Normering ervan via zelfregulering of wettelijke regulering moge gewenst zijn, maar over de effectiviteit daarvan koester ik enige twijfels. Ten tweede stelt het feit dat veel werkgelegenheid en vooral potentiële werkgelegenheidsgroei bij het midden-en kleinbedrijf zit, eveneens grenzen. Voor de kleine werkgever is het draagvlak voor eigen risico immers smal. Ten derde stelt het gegeven dat Nederland niet differentieert tussen beroepsnsico en sociaal risico al evenzeer grenzen. Hoewel op zich sterke argumenten pleiten tegen een herintroductie van dit onderscheid, roept het bij sterk opgevoerde financiële prikkels voor de werkgever wel een legitimiteitsvraag op. Kamminga scoort thans -toegegeven, met enig demagogisch effectbejag -met zijn kruistocht tegen de malus, die aan burgerlijke ongehoorzaamheid grenst. Ten vierde komt daar bovenop de, als gevolg van de "wilde privatisering", bij wet vastgestelde premiedifferentiatie bij aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Het smalle draagvlak van het kleine bedrijf bij premiedifferentiatie speelt soms een zeer indringende rol, bijvoorbeeld in het geval van een klem personeelsbestand met èén MS-patinte, als gevolg waarvan de aanvullende premie voor dit collectief meer dan verdubbeld wordt. Dat zet een grote druk op zo'n klein arbeidscollectief. Ook het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt nu fors geconfronteerd met het smalle draagvlak bij sterk verhoogd risico in een sector, namelijk bij de vraag naar de WAO-reparatie in de WSW-sector. Ik vermoed dat het ministerie op dit punt snakt naar een grotere mate van risicospreiding bij de premiestelling. Toch zal het ministerie deze consequentie van de eigen TBA moeten accepteren en spoedig het overleg hierover moeten aangaan. Mijn conclusie is dat premiedifferentiatie in Ziektewet en WAO nuttig is, mits weloverwogen gedoseerd. Die differentiatie kan het best via wettelijke kaders plaatsvmden, dat maakt tussentijdse bijstelling mogelijk. Nog enkele opmerkingen over het bonus/malussysteem. De oorspronkelijke vormgeving via TAV werkt te ruw uit. Nu wordt voorgesteld om per invoeringsdatum TBA de malus te verdubbelen en straks per invoeringsdatum TZ een aantal zeer noodzakelijke nuanceringen aan te brengen. Dat is in elk geval de verkeerde volgorde! Hier wreekt zich de volgorde van behandeling van de verschillende wetsvoorstellen. Ik denk dat in het algemeen aan de diverse voorstellen tot terugdringing van het ziekteverzuim en van het beroep op WAO, geen goed doordacht plan ten grondslag heeft Van de Zandschulp gelegen en dat het tot dusverre ontbroken heeft aan vaste regie inzake fasering, samenhang en implementatie. Ik kom daar later nog op terug. Het kabinet zet tevens in op financiële prikkels voor de werknemer. Ik meen dat in die discussie grote zorgvuldigheid past. Ik heb de argumenten pro en contra goed gevolgd, onder andere naar aanleiding van het onderzoek van Aarts en De Jong en de kritiek erop van andere onderzoekers, namelijk dat een statistisch waargenomen relatie tussen uitkeringshoogte en de kans op WAO-toetreding ten onrechte geïnterpreteerd wordt als een causale relatie. Hoe dat ook zij, gegevens uit begin jaren tachtig, toen bijvoorbeeld de werkloosheidscomponent nog verdisconteerd mocht worden in de WAO-uitkering en toen dat ook ruimschoots gebeurde, zijn niet zonder meer door te trekken naar begin jaren negentig. Ik constateer verder dat de huidige WAO reeds een eigen risico kent van 30%, dat bij langdurige arbeidsongeschiktheid allicht kan oplopen tot bijvoorbeeld 40%. Dat is toch vrij aanzienlijk. Zelfs al zou enige causale relatie tussen uitkeringshoogte en WAO-toetreding wèl aangetoond kunnen worden, dan is dat toch vooral een aanwijzing dat de individuele beslissingsruimte te groot is. Het antwoord hoort dan te zijn: een striktere uitvoeringspraktijk en niet het grove middel van een forse verlaging van de uitkering die degenen die geen enkel alternatief hebben, het hardst treft. Arbeidsongeschikten hebben vooral behoefte aan positieve stimulansen: aanmoediging van zelfvertrouwen, scholing, trajectbegeleiding en positieve actie. Bij een intensief reïntegratiebeleid kunnen eventueel positieve financiële prikkels en, bij eventuele ontbrekende bereidheid tot medewerking, negatieve financiële prikkels enige ondersteunende rol spelen. Het kabinet kiest nu niet alleen voor negatieve, maar ook voor positieve financiële prikkels via een zogenaamde stimuleringspremie. De vormgeving is echter nogal absurd: de stimulans vindt grotendeels achteraf plaats. Dat is een contradictio in terminis. De premie is een percentage van de bespaarde uitkering. Bij de hoogste uitkeringen valt deze veel te hoog uit. In deze vorm is de zogenaamde stimuleringspremie vooral een beloning achteraf voor personen die ook zonder die premie werk hervat zouden hebben én die bovendien uitzonderlijk goed geïnformeerd zijn over de details van zich wijzigende wetgeving. Ik ga nu in op de wijziging van het arbeidsongeschiktheidscriterium. Het arbeidsongeschiktheidsbegrip wordt in de voorgestelde wettekst op 2 punten gewijzigd. Ten eerste: arbeidsongeschiktheid moet een "rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg (zijn) van ziekte of gebreken". Dat is een formulering waarmee geen enkele goede arts uit de voeten kan. Geneeskunde is geen natuurwetenschap, maar een menswetenschap. Het ziektebegrip is niet geheel objectiveerbaar, maar evolueert mee met zich wijzigende maatschappelijke opvattingen. De causale relaties tussen gezondheidsbeperkingen en het wel of niet kunnen functioneren op de arbeidsmarkt zijn niet altijd rechtstreeks en geheel te herleiden tot ziekte en gebrek Er is geen monocausaal verband. Complexe relaties moeten serieus genomen worden. Een serieuze benadering betekent niet dat de klager klakkeloos gelijk krijgt; de verzekeringsgeneeskundige en de arbeidsdeskundige kunnen tegenspel bieden en op de werkgever en zijn werknemer een appel doen om de arbeidsplaats aan te passen en het resterend arbeidsvermogen te benutten. Aan dat tegenspel heeft het te lang ontbroken. Natuurlijk is het zeer onbevredigend als keuringsresultaten in vergelijkbare gevallen sterk uiteenlopen, al naar gelang beoordelingsteam of regio. In die zin moeten we streven naar een grotere mate van objectivering en uniformering en een inzichtelijker maken van objectivering, inzichtelijkheid en uniformering van beoordelingscriteria. Daarvoor zijn procedureafspraken te maken, bijvoorbeeld second opmion, intercollegiale toetsing en een onafhankelijke inspectie. Het merkwaardige is dat het kabinet en ik het hierover eens zijn. In alle gewisselde witte stukken wordt de voorgestelde nieuwe wettekst drastisch gerelativeerd. "Lees maar, er staat niet wat er staat" is blijkbaar het motto. Waarom wordt de voorgestelde toevoeging dan toch gehandhaafd?

Het kabinet zegt dat het hiermee een "signaal" wil uitzenden naar de uitvoeringsorganisatie en de rechterlijke macht. Dat is mijn probleem. Wetteksten dienen niet voor het uitzenden van signalen, maar dienen toetsbaar te zijn. Ik beschouw de nieuw voorgestelde passage slechts als een bezweringsformule. Het is overigens opvallend dat in de Ziektewet -het voorportaal van de WAO -het medisch kerncriterium "wegens ziekte of gebrek" wel ongewijzigd is gebleven. Het tweede wijzigingsvoorstel is wèl van substantiële betekenis en ingrijpend van aard. Het gaat om de schrapping van het zogenaamd billijkheidscriterium bij de omschnjving van de arbeid die bepalend is voor eventuele resterende verdiencapaciteit. De bestaande passage "die hem met het oog op zijn opleiding en vroeger beroep in billijkheid kan worden opgedragen" vervalt. Bij de arbeidsongeschiktheidsschatting telt voortaan mee "alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de werknemer met zijn krachten en bekwaamheden in staat is". Betrokkene moet, zo wordt gesteld in de memorie van toelichting, over de grenzen van de vroegere functie heen stappen, zowel in de diepte als de breedte. Ik kan daarmee instemmen. De vervanging van -even huiselijk gezegd -het begrip "passende arbeid" door "algemeen geaccepteerde arbeid" bij de arbeidsongeschiktheidsschatting, zal ertoe leiden dat meer personen gedeeltelijk in plaats van volledig arbeidsongeschikt verklaard worden. Vanuit mijn mening, dat arbeidsongeschiktheid en werkloosheid geheel verschillende risico's zijn, accepteer ik dit gevolg. Het leidt tot een structureel ombuigingseffect, dat door de GMD geraamd wordt op 0,5 mld. en door het kabinet op 3,5 mld. Bij zulke extreem uiteenlopende ramingen frons ik mijn wenkbrauwen. Na lezing van beide argumentaties neig ik tot de mening, dat de GMD iets te laag zit, maar de werkelijkheid toch iets dichter benadert dan het kabinet. Het betrekken van meer functies bij de bepaling van de mate van arbeidsongeschiktheid, roept vanzelf de vraag op, hoe de eventueel resterende verdiencapaciteit vastgesteld Van de Zandschulp moet worden. Dat is een cruciale vraag, die echter eerst via een algemene maatregel van bestuur beantwoord zal worden. Het is mij nog steeds een raadsel, hoe de uitvoeringsorganisatie met het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium kan werken zolang die AMvB nog niet gereed is. Voorzitter! Het kabinet loopt in de toelichtende stukken al iets vooruit op de inhoud van die AMvB. In de memorie van toelichting worden de volgende omschrijvingen gebruikt: "het afstemmen van de restcapaciteit op het voor betrokken hoogst denkbare niveau" en "schatting op basis van het hoogst haalbare functieniveau". Ik kan met die formulering heel wel instemmen, veronderstellende dat functieniveau slaat op de indeling in zeven ARBI-niveaus van het functie-informatiesysteem van de GMD. In de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer duikt opeens een andere formulering op, namelijk: "schatting op basis van de functie met de hoogste loonwaarde". Eerst bij herlezing viel mij het verschil op. De functie met de hoogste loonwaarde zal zich meestal wel, maar zeker niet altijd bevinden op het hoogst haalbare functieniveau. Ik vroeg dus opheldering over deze contradictie. Ik heb daar nu al bijna spijt van, want de nadere beantwoording klonk onverbiddelijk: schatting niet naar functieniveau, maar naar loonwaarde en de GMD kan in de jacht op de ene functie met de hoogste loonwaarde zelfs volstaan met het aanwijzen van èén functie. De schatting wordt dan wel erg theoretisch en geabstraheerd van elke maatschappelijke realiteit, terwijl -alweer volgens de memorie van toelichting -niet gestreefd moest worden naar een louter theoretische schatting. Nu de AMvB nog niet eens in concept gereed is, probeer ik er nog enige invloed op uit te oefenen. Eerst een uitvoeringstechnisch argument. De GMD heeft vorig jaar het nieuwe geavanceerde functie-informatiesysteem (FIS) ingevoerd. Daarin zijn meer dan 6000 functies geanalyseerd naar onder andere belastbaarheidspatroon en loonwaarde. Die functies zijn ingedeeld in zeven ARBI-niveaus. Als we nu bij de arbeidsongeschiktheidsschatting geheel afzien van functieniveaus en ons concentreren op loonwaarden, moeten we een heel ander FIS ontwerpen. Dat is zeer tijdrovend en betekent een forse kapitaalvernietiging. Mijn tweede argument betreft het reïntegratieperspectief. De arbeidsongeschiktheidsschatting voor de vaststelling van de resterende verdiencapaciteit zal meestal slechts een indicatie opleveren, die geïllustreerd wordt met een aantal voorbeeldfuncties. Voor de oriëntatie van belanghebbende is het van belang dat een redelijk aantal functies geduid wordt. Bij daadwerkelijke werkhervatting vindt er nu in het algemeen een herschatting plaats op basis van het feitelijke ioon. De praktijk prevaleert dan boven de eerdere theoretische schatting. Het kabinet stelt nu dat bij werkhervatting tegen een lager loon dan de eerdere indicatieve schatting, herschatting achterwege moet blijven. Dat kan anti-reïntegrerend uitwerken, als de combinatie van gedeeltelijke WAO-en gedeeltelijke WW-uitkering hoger is dan het inkomen na werkaanvaarding. De kans neemt toe als de theoretische schatting gebaseerd is op die ene functie met de hoogste loonwaarde. Reïntegratie maakt de beste kans bij de eigen werkgever. Jurisprudentie èn een betrekkelijk recent aangescherpte ontslagbescherming verplichten de eigen werkgever om, indien mogelijk, aan betrokkene een andere, eventueel aangepaste, functie aan te bieden, die misschien een lager loon oplevert. Deze reïntegratlemogelijkheid bij de eigen werkgever wordt natuurlijk wel gefrustreerd als de schatting van de resterende verdiencapaciteit gebaseerd wordt op die ene functie met de hoogste loonwaarde en bij werkhervatting tegen een lagere loonwaarde herschatting achterwege moet blijven. Bij werkhervatting onder de vigeur van artikel 33 AAW/44 WAO (het vangnetartikel bij twijfel aan duurzaamheid) vindt er volgens oude èn nieuwe wettekst wèl een schatting, een zogenaamde fictieve schatting, plaats op basis van het feitehjk loon. Indien na verloop van tijd de duurzaamheid gebleken is, moet er volgens de redeneertrant van het kabinet alsnog een schatting plaatsvinden op basis van de functie met de hoogste loonwaarde, eventueel met een negatief inkomenseffect. Volhouden bij twijfel aan duurzaamheid wordt dus niet erg gestimuleerd! In de nadere memorie van antwoord krijg ik een vrij cryptische reactie, gevolgd door de passage: in de toekomst zal onder het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium de toepassing van deze artikelen nog beperkter zijn. Hoe heb ik het nu? Vorig jaar bij de behandeling van TAV hebben wij de werkingssfeer van deze artikelen uitgebreid, juist omdat zij zo'n belangrijk reïntegratie-instrument zijn. En nu schrijft het kabinet over deze artikelen in wegwerptaal? Ik denk dat de hele redenering over schatting op basis van de functie met de hoogste loonwaarde niet goed doordacht is. Ik doe daarom een dringend beroep op de staatssecretaris en zijn medewerkers om bij de formulering van de algemene maatregel van bestuur nader overleg te plegen met mensen uit de uitvoeringspraktijk en de formulering te toetsen op ten eerste het reïntegratieperspectief en ten tweede de praktische uitvoerbaarheid. Voorzitter. Ik ga nu in op de periodieke herbeoordeling. De gedachte van periodieke herbeoordeling onderschrijf ik volledig. De meerwaarde van het zelf opnieuw aanvragen van de uitkering bij iedere periodieke herbeoordeling ontgaat mij echter. De termijnen van de periodieke herbeoordeling worden nu in de wettekst zelf vastgelegd. Dat roept natuurlijk meteen de vraag op of voor iedereen altijd dezelfde termijn van periodieke herbeoordeling moet gelden. Het heeft waarschijnlijk weinig zin om iemand die verpleegd wordt in een AWBZ-instelling op te roepen. Datzelfde geldt voor een ongeneeslijk zieke in de terminale fase, maar ook voor een gedeeltelijk arbeidsongeschikte die zijn resterende verdiencapaciteit ten volle benut. Het kabinet erkent dat dit reële vragen zijn, maar voorlopig wordt geen enkele uitzondering op de uniforme herbeoordelingstermijnen toegestaan. Wel wordt aan de uitvoeringsorganen gevraagd, alle individuele gevallen waarvoor zij een andere termijn of eventueel geen termijn wenselijk zouden vinden, te Van de Zandschulp registreren en op te sturen naar de SVR. Aan de hand van die verzamelde individuele registraties kan de SVR dan na verloop van tijd categorieën aanwijzen, waarvoor een andere termijn kan gelden. Zo'n besluit van de SVR behoeft dan nog wel de goedkeuring van onze minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Waarom zo'n omslachtige en bureaucratische procedure? De politiek benadert de uitvoeringsorganisatie met wantrouwen en dat wantrouwen wordt vertaald in bureaucratische regelneverij. Politici en uitvoerders kunnen natuurlijk ook op een meer volwassen manier met elkaar omgaan en elkaar op verantwoordelijkheden aanspreken. De overheid geeft de kaders aan en laat daarbinnen enige beleidsruimte aan de uitvoerders. Kabinet en uitvoeringsorganen maken nadere afspraken over de invulling van die ruimte en een onafhankelijke toezichtkamer rapporteert over de naleving van die afspraken. Dan is er sprake van een flexibele en controleerbare uitvoeringspraktijk. Maar kennelijk zijn we het stadium van het zwartepietenspel over de schuldvraag in verband met de scheefgroei in de WAO nog niet te boven gekomen. De herbeoordeling volgens een strikter arbeidsongeschiktheidscriterium treft ook het hele geldende bestand van mensen beneden de 50 jaar. Ik acht dat in principe aanvaardbaar, al heb ik mijn twijfels over de doeltreffendheid van zo'n gigantische herbeoordelingsoperatie. Een iets selectievere benadering zou wellicht effectiever zijn. Ik verbind aan mijn instemming met deze herbeoordelingsoperatie wel de randvoorwaarde dat de uitvoeringsorganen de operatie gepaard laten gaan met een extra reïntegratie-inspanning. In het voorlopig verslag suggereerde ik de inzet van minder orthodoxe instrumenten als terugploegregelingen of een nieuwe versie van het nuttige, helaas beemdigde, project "Welzijn werkt". Die suggesties werden in de memorie van antwoord afgewezen. Ik herhaal hier mijn verzoek om extra reïntegratie-inspanningen, op welke wijze dan ook, te doen. Ik herinner eraan dat velen van het oude bestand in de WAO ingestroomd zijn -soms gedumpt zijn -zonder dat iemand later nog naar hen omkeek. Dat gebeurde in een stadium waarin de GMD niet of nauwelijks over een reïntegratie-instrument beschikte. De arbeidsbemiddelingsrol van de GMD, de verscherpte ontslagbescherming, het eigen scholingsbudget van de GMD, de loonkostensubsidies en het bonus/malussysteem dateren alle van pas de late jaren tachtig of begin jaren negentig. Een groot deel van het oude bestand is ingestroomd onder heel andere condities dan de recente toetreders. Als we nu spreken over een strakker evenwicht van rechten en plichten, moet dat eveneens gelden voor wetgever en uitvoeringsorganisatie. Bij deze herbeoordelingsoperatie zij dus het parool investeren in de reïntegratietaak van de uitvoeringsorganisatie. Anders is er slechts sprake van een kille saneringsoperatie. Ik ben er nog niet gerust op als ik zie hoe weinig personeel er nu beschikbaar is voor de arbeidsbemiddeling van arbeidsongeschikten. Ik dring er bij de staatssecretaris op aan, spoedig aan tafel te gaan zitten met de uitvoeringsorganen om gezamenlijk na te gaan hoe een extra reïntegratie-inspanning gedaan kan worden en om de startdatum en fasering van de herbeoordelingsoperatie mede af te stemmen op de noodzakelijke personele uitbreiding van de uitvoeringsorganisatie Het kabinet presenteert de WAO in de nieuw voorgestelde uitkeringsstructuur als een risicoverzekering met opbouwelementen. Ik maak hierbij twee kanttekeningen: 1. Opbouwelementen en ook individuele keuze-elementen passen heel goed bij risico's die zowel vrij gelijkmatig gespreid als ruim voorzienbaar zijn. VUT en aanvullend pensioen zijn nu semi-collectief nog te massief en uniform geregeld. Meer flexibiliteit is hier gewenst, evenals ruilmogelijkheden tussen bijvoorbeeld toetredingsleeftijd en hoogte. Wat mij betreft, kunnen ook aanvullend nabestaandenpensioen of verlofdagen betrokken worden bij zulke ruilelementen. Het arbeidsongeschiktheidsrisico is echter zeer ongelijkmatig gespreid, onder andere afhankelijk van beroep en individuele gezondheidssituatie, en kan iemand zeer plotseling treffen, ook aan het begin van de beroepsloopbaan. Opbouwelementen vind ik in deze wet daarom niet direct voor de hand liggend. Niettemin vind ik een kleine marge van opbouw, bijvoorbeeld ter hoogte van 10% van het dagloon, het overwegen wel waard, omdat enige relatie met arbeidsverleden en premiebetaling de verzekering sterker als iets "eigens" kan doen beleven. 2. Een eventueel opbouwelement moet wel gebaseerd zijn op arbeidsverleden of jaren van premiebetaling. Leeftijd is een veel willekeuriger critenum en neigt al snel naar discriminatie. De nieuw voorgestelde uitkeringsstructuur is in twee opzichten ongelukkig: -het zogenaamde opbouwelement is slechts een pseudo-opbouwelement, waar leeftijd geheel doorslaggevend is; -die leeftijdsafhankelijkheid wordt twee keer toegepast in wel zeer sterke vorm, namelijk zowel in de loondervingsfase, die varieert van 0 tot 3 a 6 jaar, als in de vervolguitkering, waarvan de hoogte schommelt tussen 33,2 en 70% van het laatste loon. Ik vind dat extreem. Inmiddels is het debat erover grotendeels van louter academische aard geworden, dankzi] de massale reparatie van het WAO-gat. Hiermee beland ik bij het laatste onderdeel van mijn betoog, te weten: de goeddeels met beoogde en niet-geordende privatisering van grote delen van de werknemersverzekeringen tegen de geldelijke gevolgen van arbeidsongeschiktheid. Onze fractie heeft zich tot nu toe steeds nogal beducht getoond voor een ministelsel, dat wil zeggen voor privatisering van grote delen van de werknemersverzekeringen. Dat berustte niet op een dogma, maar op een realistisch vermoeden van de vele haken en ogen daaraan. Het wettelijk stelsel van werknemersverzekeringen is mede ontstaan als reactie op de vele tekortkomingen van eerdere particuliere initiatieven uit uiteenlopende hoek: verlichte werkgevers, opkomende vakbonden, onderlinge waarborgfondsen en huisartsen. Die gang van privaatrechtelijk naar publlekrechtelijk is treffend beschreven door Abraham de Swaan in "Zorg en de Staat". De wettelijke verzekering tegen de Van de Zandschulp werknemersrisico's van de arbeid heeft onovertroffen voordelen: algemene toegankelijkheid, grote risicospreiding, bevordering van een goede allocatie op de arbeidsmarkt en grotere vrijheid van de werknemer, ook om langlopende verplichtingen aan te gaan. Het equivalentiebeginsel drukt wederkerigheid uit en creëert een groot draagvlak voor deze verzekeringen tot ver in de middengroepen. Die voordelen moeten niet ondoordacht prijsgegeven worden. Enige vorm van privatisering is, hoewel die optie niet onze voorkeur heeft, voor ons op zichzelf wel bespreekbaar. Evenals bij andere privatiseringsoperaties dient de overheid dan wel randvoorwaarden te formuleren. De belangrijkste randvoorwaarden zijn naar mijn mening fmanciele veiligstelling van aanvullende verzekeringen, de aansluiting tussen wettelijke en aanvullende verzekeringen, het voorkomen van verzekeringsbreuken en vooral de toegankelijkheid van aanvullende verzekeringen. Men kan niet besluiten tot een forse reductie van het wettelijk traject, zonder zich tegelijkertijd een beeld te vormen van wenselijkheid, mogelijkheid en toegankelijkheid van aanvullende verzekeringen. Juist op deze punten kende en kent TBA de grootste manco's. Op 25 januari koos het kabinet ten langen leste voor respectering van lopende uitkeringsrechten. Daarmee is aan de rechtszekerheid, nadat het verzekerd risico is ingetreden, tegemoetgekomen. Daarmee is tevens tegemoetgekomen aan de allereerste eis van onze fractie. Een scherp en langdurig onderscheid tussen oude en toekomstige "gevallen" kan gerechtvaardigd worden vanuit de constatering dat oude gevallen zich niet kunnen bijverzekeren en vanuit de veronderstelling dat een aanvullende verzekering voor alle toekomstige toetreders openstaat. Die veronderstelling moet wel waargemaakt worden. Zolang de toegankelijkheid niet toereikend geregeld is, kan het scherpe onderscheid tussen lopende en toekomstige uitkeringen de toets aan het rechtsgelijkheidsbeginsel niet doorstaan Het kabinet heeft de toegankelijkheidsvraag te lang genegeerd en zelfs de relevantie ervan ontkend. In de memorie van antwoord aan deze Kamer beweert het kabinet zelfs nog dat bij overgangsrecht de toegankelijkheid van aanvullende verzekeringen slechts in één situatie ter zake doet, namelijk bij een wijziging vanuit het motief van herverdeling van verantwoordelijkheden. De Eerste Kamer kan natuurlijk niet volstaan met een beoordeling van het oorspronkelijke motief van het kabinet, maar moet vooral de feitelijke gevolgen in haar beoordeling betrekken. Welnu, TBA betekent de facto een gigantische privatiseringsoperatie. En dat thema is vandaag aan de orde. Eerst na een tweede indringende schriftelijke ronde van deze Kamer heeft het kabinet zijn achterhoedegevecht tegen semi-collectieve aanvullingen gestaakt en heeft het althans een eerste aanzet tot medeverantwoordelijkheid voor beantwoording van de toegankelijkheidsvraag op zich genomen. Ik incasseer met erkentelijkheid dat bedrijfstak-CAO's op het punt van WAO-reparatie algemeen verbindend verklaard worden. Hoe men ook in het algemeen moge denken over het bijna-automatisme van het AW-instrument, ik reken de WAO-reparatie zonder aarzeling tot de goede doelen, omdat deze een uitdrukking is van onderlinge werknemerssolidariteit. Met die algemeenverbindendverklaring is de kwantitatieve omvang van de problematiek van de meest kwetsbare groep met sterk verhoogd risico in elk geval verkleind. Ik merk terzijde op dat CAO-aanvullingen bij voorkeur verplichtend moeten zijn. Facultatieve aanvullende CAO-regelingen lopen het gevaar dat op den duurtoch risicoselectie binnensluipt en kwantitatief de problehnatiek van een waarborgconstructie vergroot wordt. Het voor de hele Eerste Kamer zeer aangelegen punt van toegankelijkheid van aanvullende verzekeringen voor kwetsbare groepen met sterk verhoogd risico is tot op de dag van vandaag nog steeds niet bevredigend opgelost Ook lijkt een concreet zicht op een oplossing nog niet direct binnen handbereik te liggen. Ik ben deze staatssecretaris er erkentelijk voor dat hij na zijn aantreden terstond het overleg met verzekeraars over dit dringende thema heeft geopend en advies heeft gevraagd aan de Verzekerings- kamer. Ik kan het belang van deze zaak niet genoeg onderstrepen. Sociale verzekeringen, ook als delen ervan geprivatiseerd worden, moeten vooral de meest kwetsbare groepen bescherming bieden. Na de zomer van 1991 is er discussie geweest over een mogelijke uitzonderingspositie voor zogenaamde onomkeerbare gevallen. Die categorie is prognostisch niet af te bakenen. Mede daarom is de rechtspositie van lopende gevallen steeds gewaarborgd. Nu staat vast dat voor de overgrote meerderheid van werknemers aanvullende verzekeringen openstaan. Zonder antwoord op de toegankelijkheidsvraag introduceren we nu een analoge problematiek, nu van onverzekerbare gevallen. Het bereiken van een bevredigende oplossing is een politiekmorele opdracht voor deze Kamer en naar ik aanneem ook voor het kabinet en voor de verzekeraars. Het kan niet zo zijn dat we bij de toegang tot de arbeidsmarkt en de toegang tot aanvullende verzekeringen een scherpe maatschappelijke tweedeling accepteren tussen gezonde werknemers en personen met ernstige gezondheidsbeperkingen. En, zoals hiervoor al aangetoond, is het overgangsrecht van oud naar nieuw tevens aan de orde als het om de rechtsgelijkheid gaat. Deze Kamer kan dit debat deze week of volgende week niet afronden zonder dat een bevredigende oplossing inzake deze rechtsgelijkheidsvraag gewaarborgd is. Tot en met het eindverslag heeft deze Kamer éèn lijn getrokken: waarborgen van een afdoende oplossing is vereist, voordat tot stemming kan worden overgegaan, maar wij mengen ons niet in het onderhandelingsproces zelf. Daarom vroeg de commissie vorige week in het eindverslag om een bindende overeenkomst op hoofdlijnen, zonder zich over welke variant dan ook uit te laten. Ook nu nog laat ik in het midden, of mijn voorkeur samenvalt met de voorkeursvariant van het kabinet. Het kabinet acht een oplossing in de markt, liefst zonder wettelijk instrumentarium, verkieslijk. Bij de keus van het instrument stel ik mij in deze fase terughoudend en pragmatisch op. Ik neem aan dat het kabinet zich eveneens pragmatisch opstelt en dat geen enkel instrument a priori onbespreekbaar is.

In de huidige impasse staan er twee mogelijke uitwegen open: óf het kabinet presenteert ons nog vóór de stemming een bindend akkoord op hoofdlijnen, óf het kabinet committeert zich hier aan een afdoende oplossing, langs welke weg dan ook, en verklaart zich aanspreekbaar voor het bereiken van een oplossing. Ik laat die keus aan het kabinet. Over die aanvullende verzekeringen zijn nog veel andere vragen te stellen. Ik heb geprobeerd de meeste te inventariseren in de voorafgaande schriftelijke rondes. De meeste zijn beantwoord, sommige konden nog niet beantwoord worden en enkele andere zijn wellicht nog niet eens gesteld Ik constateer dat de Verzekeringskamer toezicht houdt op de financiële veiligstelling van aanvullende regelingen. Over een andere belangrijke zaak ben ik minder gerust. Het gaat om de vraag hoe we, wat ik gemakshalve noem "verzekeringsbreuken", kunnen voorkomen bij een tijdelijke onderbreking van de deelneming of bij baanwisseling. Zowel voor betrokkenen als voor een goede werking van de arbeidsmarkt is dat een belangrijke zaak. Het probleem zou opgelost kunnen worden door een wettelijk recht op individuele voortzetting na beëindiging van de deelneming te creëren. Ik pleit op dit moment nog niet voor zo'n wettelijke regeling. Wellicht kan het ook via CAO-afspraken en zelfregulering van verzekeraars en pensioenfondsen bereikt worden. Ik neem aan dat de staatssecretaris dat thema in zijn besprekingen ook aan de orde wil stelien. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is van plan de ontwikkelingen bij aanvullende verzekeringen goed te volgen. Ik vraag de staatssecretaris, ons te zijner tijd daarover nader te informeren, bijvoorbeeld over het bereik van aanvullende verzekeringen, de belangrijkste typen premiestelling, eventuele aansluitingsfricties tussen wettelijk en aanvullend traject en de vraag, in hoeverre "verzekeringsbreuken" optreden. De reparatie van het WAO-gat is op zichzelf een boeiend sociaal experiment. Het experiment startte ongelukkig, zonder dat randvoorwaarden waren geformuleerd. Ook het tijdstip was ongelukklg. Voor zover het tevens een gedeeltelijke wijziging van financiering betreft, namelijk van omslagstelsel naar kapitaal-of risicodekkingsstelsel, betekent het initieel hogere arbeidskosten. Die wijziging in financiering kan beter plaatsvmden in een opgaande dan in een neergaande conjunctuur. Aan dit experiment zitten nogal wat risico's. Voor het leervermogen van de maatschappij is een goede rapportage straks zeer gewenst. Ik rond af, voorzitter. De discussie over aanvullende verzekeringen vertoont nogal wat losse einden. Met name de toegankelijkheidsvraag voor kwetsbare groepen staat hier vandaag en de komende dagen terecht centraal en behoeft een veel duidelijker beantwoording, voordat wij tot stemming kunnen overgaan. Ook de TBA zelf kent losse einden. Daarop moet de aandacht evenzeer worden gericht. De TBA wacht nog op een uitwerking van het arbeidsongeschiktheidscriterium via een AMvB. Gemeten aan normen van goed bestuur zou die AMvB gereed moeten zijn per invoeringsdatum TBA. In elk geval moet er vooraf meer helderheid zijn over de manier waarop de resterende verdiencapaciteit moet worden vastgesteld. De invulling in de laatste stukkenwisseling is zo rigide, dat die uitvoeringstechnisch voorlopig op zeer grote obstakels zal stuiten. Voorts wordt onvoldoende acht geslagen op het reïntegratieperspectief. Een tweede los eind. De uitvoeringsorganisatie is nog niet begonnen met het aantrekken van het benodigde extra personeel voor de herbeoordelingsoperatie. Dat is wellicht begrijpelijk, gezien de vele onzekerheden die andere aanstaande wetswijzigingen, zoals de WVG en de WTZ, voor de samenstelling van de personeelsformatie met zich brengen. Dankzij de vreemde volgorde waarin de wetsvoorstellen ons bereiken, dreigt de malus verdubbeld te worden, voordat de dringend noodzakelijke nuanceringen worden aangebracht Verder zijn er nog enkele andere onafgeronde, misschien minder urgente zaken, zoals de noodzakelijke wijziging van artikel 40 van de WAO, waarbij nu de minder fraaie noodklep is ingebouwd van een voorlopige ministeriële regeling. Dit geheel maakt de vraag naar ingangsdatum of ingangsdata voor de verschillende onderdelen van groot belang De wettekst laat alle mogelijkheden open. De verschillende onderdelen kunnen een verschillende ingangsdatum krijgen. Maar wanneer de Eerste Kamer ook zal stemmen over de TBA, ik dring er in elk geval bij de staatssecretaris op aan om per onderdeel voorrang te geven aan een goed invoeringstraject, boven krappe data. Bij vele achtereenvolgende wijzigingen in de sociale zekerheid van de laatste jaren zijn de uitvoeringsaspecten te vaak verwaarloosd. Zorgvuldigheid is nu geboden.

De vergadering wordt van 16.05 uur tot 16.15 uur geschorst.

©

H.F. (Han)  HeijmansDe heer Heijmans (VVD): Voorzitter! Om te beginnen sluit ik aan bij het woord van welkom, uitgesproken door mijn twee voorgangers, aan deze staatssecretaris, die hier overigens geen onbekende is. Ik volsta met hem heel veel sterkte toe te wensen, nu en in de toekomst, want dat zal hij wel nodig hebben. Voor ons ligt een wetsvoorstel dat aan de overzijde door slechts de twee coalitiepartners -en dan nog onder druk van het machtswoord -is aanvaard. In feite was de gehele Tweede Kamer, zij het op uiteenlopende gronden, tegen het voorstel. Wie de uitspraak van de minister-president aan het einde van het debat in de Handelingen naleest: "waarom zou ik -namelijk de oppositie -boodschap hebben aan het feit dat dit de uitkomst is van het gemiddelde van de opvattingen in dit huis, want het is niet mijn opvatting, dus ik stem tegen" zal, wellicht zelfs met enige be-of verwondering voor deze impliciete oproep aan de oppositie verzuchten: "je moet het lef maar hebben." Overigens laten de Handelingen zich lezen als een schelmenroman: een kunstje flikken, schaken op twee borden. Wij zullen desalniettemin het wetsvoorstel aan onze opvattingen toetsen. Hiervoor hanteert mijn fractie als criteria de rechtmatigheid en de rechtvaardigheid van het voorstel, zijn effectiviteit en de graad van ingewikkeldheid. Wij zullen ook ingaan op de aanvullende verzekeringen, de chronisch zieken en wij Heijmans eindigen met enkele losse opmerkingen. Tot slot volgt het standpunt van mijn fractie. Voorzitter! Ons sociaal-zekerheidsstelsel is niet voor de eeuwigheid gebeiteld. Verandenngen in maatschappelijke opvattingen -bijvoorbeeld individualisering -of in normatief gedrag -bijvoorbeeld de calculerende burger -kunnen dwingen tot aanpassingen. Maar ook sociaal-economische omstandigheden -de betaalbaarheid van het stelsel -kunnen hiertoe aanleiding zijn. De Raad van State heeft in zijn advies over dit wetsvoorstel de voorwaarden voor ingrepen in het stelsel als volgt omschrijven: "ingrijpende voorstellen behoren niet dan na zorgvuldige afweging van alle belangen te worden gedaan en aan die voorstellen dient een met die mate van ingrijpendheid overeenkomstige motivering te worden gegeven." Een nogal ingewikkeld geformuleerd citaat. Wat de bestaande uitkeringsrechten betreft: "moet in ieder geval aan de voorwaarde zijn voldaan dat zeer bijzondere omstandigheden tot de voorgestelde ingrepen dwingen en dat bij het achterwege blijven van zodanige ingrepen maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen optreden voor het sociaal-zekerheidsstelsel en voor de rijksbegroting." Over dit laatste kan ik kort zijn. De bevriezing van de bestaande uitkeringen is gelukkig van de baan en er treden blijkbaar volgens de regering geen maatschappelijk onaanvaardbare gevolgen voor het sociaal-zekerheidsstelsel op. Dat is een hele troost. De rijksbegroting heeft met de voorstellen niets te maken, omdat het gaat om premies en niet om belastingen. Wel speelt uiteraard de collectievelastendruk een rol, maar hierover wordt in het advies niet gesproken. In het eerste deel van het zojuist gegeven citaat wordt gewezen op een zorgvuldige afweging van belangen en een motivering die overeenkomt met de mate van ingrijpendheid van de voorstellen. De motivering van de regering komt er, kort samengevat, op neer dat Nederland ziek is, dat een onverant woord beroep op de WAO is gedaan, dat verslechtering van de uitkeringen zal leiden tot een kleiner beroep op deze wet, dat ook gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan het werk moeten, en dat in het jaar 2000 4,5 mld. cumulatief moet zijn bespaard of juister: dat de WAO-premie in dat jaar met dit bedrag moet zijn teruggebracht. Los van de vraag wat het werkelijkheidsgehalte van zo'n geraamd bedrag is -de voorspellende waarde is mijns inziens even groot als die van de weerman over de hoge of lage druk -zijn de andere elementen in de motivering over het algemeen juist. Ik maak een uitzondering voor het motief dat slechtere uitkeringsvoorwaarden invloed hebben op het volume. En als ze al invloed hebben, is deze dan zo groot dat de mate van ingrijpendheid hiermee overeenkomt? Mijn fractie heeft in het voorlopig verslag verwezen naar een uitspraak van de toenmalige staatssecretaris in de Tweede Kamer dat de verlaging van de uitkeringen van 80 naar 70% in 1987 geen effect op het volume heeft gehad. In de memorie van antwoord wordt gesteld dat die opmerking in ieder geval de toevoeging "waarneembaar" behoeft. Dit is dan een verfijning achteraf, want dit woord is niet uitgesproken. In de nadere memorie van antwoord wordt hierop ingestoken door de mededeling dat "niet zonder meer" mag worden geconcludeerd dat de verlaging in 1987 geen effect heeft gehad. En wat betreft het voorliggende wetsvoorstel: in deze nadere memorie wordt een beperkt volume-effect verondersteld, dat nog kleiner wordt -dus nog minder dan 15.000 uitkeringsjaren -als volledige reparatie van het WAO-gat plaatsvindt. Wie zich daarentegen realiseert dat de achteruitgang in inkomens voor bepaalde categorieën uitkeringsgerechtigden honderden guldens per maand kan bedragen zal, afgezet tegen de door de Raad van State geformuleerde criteria, geen objectieve rechtvaardigingsgrond voor het wetsvoorstel kunnen vinden. Elkerbout, rechter in Den Haag, citeert in een artikel in NRC Handelsblad van 17 september 1991 het begin van de inaugurele rede van minister Hirsch Ballin op 2 april 1982: "Vertrouwen mogelijk te maken en gerechtvaardigd vertrouwen te beschermen, is één van de elementairste geboden die de rechtsorde in acht moet nemen." Heeft de regering deze uitspraak van haar minister van Justitie meegewogen toen ze het voorliggende wetsontwerp schreef? Maar zelfs als het wetsvoorstel rechtmatig zou zijn, rijst de vraag of het ook rechtvaardig is of als rechtvaardig wordt ervaren. We schakelen dan over van de juridische categorie naar de normatieve. Is het rechtvaardig om hen die nu of in de toekomst terecht op een uitkering zijn aangewezen, op die uitkering te korten omdat er zo velen waarschijnlijk ten onrechte in de WAO zijn gekomen? En is het rechtvaardig om toekomstige arbeidsongeschikten op te laten draaien voor de kosten die het niet-bevriezen van de uitkeringen voor "oude gevallen" -met alle respect -veroorzaakt? Vicepremier Kok verklaarde aan de enquêtecommissie als oud-vakbondsleider dat de vakbeweging -ik zeg het in mijn eigen woorden -als sociale belangenbehartiger de sociale taak had om in de tachtiger jaren met zijn groeiende werkloosheid de werklozen een behoorlijk bestaan te garanderen, en dat kon in de WAO. Nu verdedigt hij met hart en ziel de voorgestelde ingrepen. Oudstaatssecretaris Ter Veld zei voor die zelfde commissie dat zij als kamerlid de rechtvaardigheid ten opzichte van leder individu plaatste boven de toenemende ingewikkeldheid van het stelsel. Tot voor kort was zij het boegbeeld van de kortingsvoorstellen. Bestaat er dan tweeërlei rechtvaardigheid? De subjectieve: mijn gevoel voor rechtvaardigheid dat geobjectiveerd wordt als velen het delen -het maatschappelijk verzet tegen de nieuwe WAO -en een rechtvaardigheid die zich schikt naar iemands politieke of maatschappelijke positie? Wij hebben in het voorlopig verslag gevraagd naar de principiële -en dus niet de pragmatische -rechtvaardigingsgrond van de voorstellen. Het antwoord is: budgettaire consequenties. Daarmee ging de regering volledig voorbij aan de vraagstelling. Waarschijnlijk had ze geen antwoord. Elkerbout geeft het in zijn reeds genoemde artikel wèl. Ik citeer: "Het kabinet gaat ook geheel voorbij aan de rechtsgrond van de WAO". Vervolgens: "Het gaat hier niet om een financiële faciliteit of om een subsidieregeling (...). Het basis- Heijmans principe van de WAO is dat werknemers premie betalen om bij intreden van het verzekerde risico (...) een uitkering te krijgen. Dit impliceert dat als het risico inderdaad intreedt er in beginsel ook volledig moet worden uitbetaald." Voorzitter! Naast de rechtmatigheid en de rechtvaardigheid speelt ook de effectiviteit van het wetsvoorstel een rol bij de beoordeling. In de memorie van antwoord wordt gezegd dat de regering zich wat de effectiviteit van haar voorstellen betreft, onder meer heeft gebaseerd op een onderzoek van Aarts en De Jong. Op een desbetreffende vraag antwoordt de regering, geen aanleiding te hebben gezien om de gedragseffecten die zij op basis van dat onderzoek heeft verondersteld, bij te stellen. Het is geen sterke onderbouwing van een causale relatie tussen volume en uitkeringsniveau. Beide auteurs hebben in Socialisme en democratie van oktober1991 een meer genuanceerde stellingname dan in de memorie van antwoord wordt gesuggereerd. Beide auteurs zeggen dat de modale WAO'er tussen 1980 en 1985 er 25% in koopkracht op achteruit ging -de heer Van de Zandschulp heeft dit ook gememoreerd -en dat het aantal toetreders van gemiddeld 23 per duizend verzekerden daalde tot 14 per duizend. Ik citeer: "Deze ontwikkeling illustreert hoe het beroep op AO-regelingen afhangt van de hoogte van de uitkeringen." Voorzitter! lllustreert: ja, maar het bewijst niets. lllustraties tekenen vaak illusies. Bovendien zouden we dan vandaag niet het aan de orde zijnde wetsvoorstel behoeven te behandelen. De auteurs wijzen ook op de mislukking van het schrappen van de verdiscontering in 1987. Verwacht was dat deze maatregel het aantal arbeidsongeschikten met de helft zou terugbrengen. Het werkelijke effect was 10%. In de nadere memorie van antwoord wijst de staatssecretaris op het "announcementeffect". Een wat merkwaardig argument, gegeven het feit dat het aantal arbeidsongeschikten het eerste kwartaal van dit jaar aanzienhjk is gestegen Het gaat om mensen die in het eerste kwartaal van 1992 ziek zijn geworden. Toen was de discussie over de WAO allang gaande, denk maar aan de bekende 1-meiverklaring van de socialistische vice-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, de heer Leijnse. Of zou het lange uitblijven van het wetsvoorstel -het werd pas op 22 september van dat jaar ingediend -van invloed zijn geweest? Of is een "announcementeffect" een tijdelijk iets? Ik verwijs in dezen naar het aangehaalde artikel van Aarts en De Jong. Of zou de verwachte stijging van de werkloosheid van invloed zijn geweest? Beide auteurs stellen in hun artikel in Socialisme en democratie ook dat, hoe strikt men arbeidsongeschiktheid ook definieert, arbeidsmarktfactoren altijd van mvloed zullen zijn op het aantal arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. De nadere memorie van antwoord weet het eigenlijk ook niet. Op pagina 11 wordt gezegd dat door aanpassing van de uitkeringen het grote aantal arbeidsongeschikten aanmerkelijk zal dalen. Enkele regels verder wordt deze uitspraak gerelativeerd met de opmerking dat het om een totaalbeeld gaat: het aan de orde zijnde voorstel, de wet TAV, de wetsvoorstellen TZ, wijziging van de Arbowet en wijziging van de OSV. Op pagina 56 deelt de staatssecretaris mee -ik heb er al naar verwezen -dat dit wetsvoorstel slechts een beperkt volume-effect zal hebben. Het oorspronkelijke uitgangspunt zwakt dus zienderogen af.Voorzitter! Het is opvallend dat in de discussies over het WAO-probleem weinig of geen aandacht is besteed aan andere factoren, die misschien van invloed zijn geweest op de groei van het volume. De lange wachtlijsten bijvoorbeeld voor de ziekenhuizen. Prof. Doeke Post wees hierop in een artikel in Trouw van 2 november 1991. Ik citeer: "Als iemand klachten heeft en door de huisarts verwezen is naar de specialist gaat hij meestal niet meer naar zijn werk voordat hij de specialist heeft bezocht en van hem gehoord heeft of het verantwoord is naar kantoor of fabriek terug te gaan. (...) Het is bekend dat mensen die langer dan drie maanden in de ziektewet zijn veel moeite hebben om in het arbeidsproces terug te komen. (...) We kunnen de WAO-discussie niet voeren zonder aandacht aan het wachtlijstprobleem te schenken." Ik verwijs in dit verband ook naar de reportage over de wachtlijsten in De Werkgever van 19 mei 1993. De conclusie van mijn fractie is dat een causaal verband tussen uitkeringshoogte en volume dubieus is. Dat sluit naadloos aan bij de opvatting van MHP-voorzitter Van Dalen in De Werkgever van 25 maart 1993: "Het is namelijk maar zeer de vraag of een lagere uitkering tot een geringer aantal arbeidsongeschikten leidt". De geringe mate van effectiviteit wordt uiteraard negatief beïnvloed door het feit dat mensen zich massaal bijverzekeren. Het resultaat is dat het wetsvoorstel, althans wat de verslechtering van de uitkeringen betreft, nauwelijks een bijdrage zal leveren aan het terugdringen van het beroep op de WAO, maar dat het verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid wel duurder wordt. In feite is dat verspilling van geld van 0,5 mld., heeft het FNV berekend. In de nadere memorie van antwoord wordt deze berekening aangevallen, maar de staatssecretaris zet er geen ander cijfertje tegenover. Wil hij dat morgen in zijn antwoord wel doen? De FNV houdt overigens aan zijn berekeningen -in de structurele situatie -vast, onder erkenning van hun voorlopigheid, maar dit geldt ook voor de cijfertjes van de regering. Het is onbegrijpelijk dat de wetgever de ontwikkeling van het bijverzekeren niet heeft voorzien. Vanaf het begin van de discussie over ingrepen in de WAO is gesproken over deze mogelijkheid. Te denken is aan de brandende en de smeulende huizen. Bovendien: het lag toch voor de hand dat de zich zijn verantwoordelijkheid bewust zijnde, al dan niet calculerende burger, deze verantwoordelijkheid zou nemen? Wat tijdens de behandeling van het wetsvoorstel aan de overzijde nog voor de hand lag, is nu een feit. En daarmee staat het oordeel vast dat het wetsvoorstel al grotendeels is mislukt, voordat het in het Staatsblad is gedrukt. Alvorens nader in te gaan op dat bijverzekeren, wil ik een reëel of een dreigend misverstand wegnemen. In de inleiding op de nadere memorie van antwoord schrijft de staatssecretaris: "De opmerking van de leden van de fractie van de WD over een Heijmans kikkerkoude, formalistische en afstandelijke opstelling hebben naar mijn indruk dezelfde achtergrond", namelijk wat de PvdA noemde de zeer rigoureuze waterscheiding tussen overheidsverantwoordelijkheid en de afwezigheid daarvan. Nee, de opmerking sloeg op de houding van de regering tegenover het probleem van de chronisch zieken. Die houding kan als volgt worden getypeerd: "Niks aan te doen, jammer dan." Gelukkig is, zij het wel te laat, het besef doorgedrongen dat het zo echt niet kan. Er dreigt nog een misverstand. In de nadere memorie van antwoord wordt gesteld dat er algemene overeenstemming zou zijn over de opvatting dat het doel van de sociale zekerheid zich verplaatst van primair inkomensgarantie naar primair arbeidsparticipatie. Ik heb in dit huis achter deze ongeclausuleerde opvatting een vraagteken geplaatst en ik verwijs hiervoor naar het laatste begrotingsdebat op 20 maart. Ik keer terug naar het bijverzekeren. Laat ik over de houding van mijn fractie duidelijk zijn: wij hebben geen enkele behoefte aan nadere wet-of regelgeving. Die zou het collectivistische element vergroten en een financiële verantwoordelijkheid van de overheid introduceren. Er is echter wel iets anders. Al in de tijd dat nog slechts de contouren van het wetsvoorstel bekend werden, heb ik meermalen in dit huis gezegd dat het niet aangaat om tegen de verzekerden die premie betalen in de gerechtvaardigde verwachting dat zij, indien nodig, de vastgestelde uitkering zouden ontvangen, te zeggen: bedankt voor Uw trouwe premiebetaling gedurende 10, 20, 30 of nog meer jaren, maar nu kunt u de boom in. Mijn fractie vond en vindt dat enig initiatief door de regering had moeten worden genomen, niet om wet-of regelgeving te maken, maar om belanghebbenden aan tafel te krijgen en door overreding tot een aanvaardbaar convenant te komen. Dan hadden wij misschien niet met het probleem van de chronisch zieken gezeten, dan was wellicht de toegankelijkheid meer zeker gesteld, dan had CAO-overleg, zonder stakingen, meer gericht kunnen zijn op goede doelen -zoals de werkgelegenheid, ook voor allochtonen -en dan was het wetsvoorstel, behalve weinig of niet effectief, niet ook nog contraproduktief geweest. In de nadere memorie van antwoord wordt het wel juist getypeerd, maar dat is veel en veel te laat omdat het kalf nu al is verdronken: de overheid moet zich in dit veranderingsproces niet willen onttrekken aan haar verantwoordelijkheid voor een bepaalde begeleidende rol. Ik heb destijds ook gewezen op wat ik noemde de geloofsbelijdenis van de bewindslieden in de memorie van toelichting op hun eerste begroting: de overheid moet een betrouwbare partner zijn. Ik heb eraan toegevoegd dat zo'n initiatief een absolute voorwaarde was om nog enigszins positief ten opzichte van het, toen nog toekomstige, wetsvoorstel te staan. Nooit hebben we hierop een reactie van de regering gekregen. Nu is die reactie er wel, maar die is te laat, heeft betrekking op een beperkt terrein en wordt bovendien gedaan onder de dreiging van een "neen" in dit huis. Een betrouwbare fractie houdt zijn woord, dat weet de staatssecretaris nu.Ik heb al gesproken over de zich van zijn verantwoordelijkheid bewust zijnde burger. Bij dit thema past in theorie het beste dat hij vanuit zijn individuele gevoel voor verantwoordelijkheid individuele contracten sluit. Maar collectieve verantwoordelijkheid is óók verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid heeft gevolgen voor de eigen portemonnaie, de premies zijn immers lager, en heeft niet minder belangrijke gevolgen voor de minder gezonde collega die zonder extra bezwaar wordt meegenomen. Vandaar, in de gegeven omstandigheden, onze voorkeur voor collectieve contracten, zoals in de metaal, waaraan ieder wel of niet, naar eigen keuze, kan deelnemen. Verplichte collectieve overeenkomsten, te meer als ze bedrijfstaksgewijs tot stand komen, wijst mijn fractie af omdat de individuele verantwoordelijkheid dan weer wordt weggeschoven naar het anonieme collectief. De regering staat op hetzelfde standpunt, maar zij heeft geen recht van spreken omdat zij voor of tijdens de debatten aan de overzijde zich niet of nauwelijks hierover uitliet. Toen werd het beginsel van de vrije markt zo dogmatisch geïnterpreteerd dat zelfs Adam Smith zich ervoor zou schamen: geen onzichtbare hand, maar helemaal geen hand. Vervolgens de kwestie van de chronisch zieken. Ons huis heeft van dit probleem, dat door de regering aan de overzijde op een nauwelijks serieus te nemen wijze is afgedaan, een belangrijk punt gemaakt. Dat punt heeft door de gang van zaken in de publiciteit extra aandacht gekregen, en het is erop gaan lijken dat als de staatssecretaris voor dat bijverzekeren van die chronisch zieken nu maar een oplossing verzint, dit huis met hoerageroep het wetsvoorstel zal aannemen. Zo is het niet, althans niet voor mijn fractie, en ik kreeg de indruk dat dit ook voor ander fracties niet zo is. Wanneer de staatssecretaris niet voor de afhandeling met een oplossing komt, is dit slechts een reden te meer om het wetsvoorstel af te wijzen. De opstelling van de regering in de nadere memorie van antwoord heeft aanvankehjk hier en daar enig geknor van tevredenheid opgeroepen: het probleem is emdehjk bespreekbaar geworden! Maar wie goed leest, komt tot de conclusie dat er eigenlijk sprake is van "gebakken lucht in een feestverpakking". Er wordt gestudeerd, oplossingsrichtingen worden in kaart gebracht, advies aan de Verzekeringskamer gevraagd, het kabinet wil een constructieve bijdrage leveren en de staatssecretaris spreekt het vertrouwen uit dat tot een afdoende oplossing kan worden gekomen. De vaste Commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid heeft in het verslag een concretisering aangebracht: het wetsontwerp kan pas worden afgehandeld als er een bindende afspraak op hoofdlijnen op tafel ligt. De nota naar aanleiding van het verslag presenteert die bindende afspraak niet. Meegedeeld wordt dat de Verzekeringskamer is gevraagd uiterlijk maandag, gisteren dus, een advies uit te brengen. Dat lijkt een stapje vooruit, maar "de meet" -zoals ik het aan de vooravond van de Tour de France in wielertermen wil uitdrukken -is nog niet in zicht. Of om het anders te zeggen: de geschenkverpakking is wat luxueuzer geworden, maar ze omwikkelt nagenoeg dezelfde inhoud als het eerste pakketje. Ach ja, kleine cadeaus dienen nu eenmaal de vriendschap te onderhouden! Wij zijn benieuwd of de staatsse- Heijmans cretaris morgen in zijn antwoord een echte verrassing kan presenteren. Dit iijkt ons, eerlijk gezegd, wat lastig, gezien het inderdaad gisteren verschenen advies van de Verzekeringskamer. Wat is de reactie van de staatssecretaris op dit advies? Ik vraag dit toch nog maar even, hoewel aangekondigd is dat de staatssecretaris er morgen op zal reageren Wij hadden overigens die reactie graag vernomen voordat wij vanmiddag met de behandeling van het wetsontwerp begonnen. Ik zeg het eerlijk tegen de staatssecretaris dat wij, van onze kant, er geen enkele behoefte aan hebben om bouwstenen aan te dragen voor zijn uiteindelijke mening, die wij morgen mogen horen. De regering moet regeren en niet reageren. Vandaar slechts enkele vragen. Vindt hij dat een oplossing voor de chronisch zieken nog ver weg is of ziet hij toch mogelijkheden voor een bindende overeenkomst met de verzekeraars, conform het eindverslag?

Staatssecretaris Wallage: Ik neem aan dat de geachte afgevaardigde niet de stelling betrekt dat de regering uitsluitend moet regeren en dat zij niet moet reageren?

De heer Heijmans (VVD): Als er een wetsvoorstel ligt, gaat het initiatief uit van de regering. Deze Kamer controleert. In discussies kan er best nader gepraat worden, maar dan is het wel gewenst dat eerst het standpunt van de regering op tafel ligt. Dat missen wij nu.

Staatssecretaris Wallage Ik vroeg het, omdat ik graag wilde weten of u een reactie op prijs stelt. Dat is echter wel het geval.

De heer Heijmans (VVD): Uiteraard, maar zij komt wel te laat, naar onze mening. Wij hadden de reactie liever vanmorgen of vanmiddag gehad. Goed, dat is een verschil van mening. Ik vraag de staatssecretaris, of hij morgen of op 6 juli het verlossende woord denkt te kunnen spreken; of is een langere termijn van onderhandelen noodzakelijk? Met andere woorden, moet de afhandeling van dit wetsvoorstel misschien zelfs na het reces worden voortgezet? Overigens -en laat ik dit met nadruk zeggen -zijn we het volslagen eens met de regering dat in een eventueel garantiefonds geen financiële verplichtingen voor de overheid mogen worden opgenomen. Dus geen garantiestelling voor eventuele tekorten. Die bouwsteen krijgt de staatssecretaris van mij. Het zou immers een verstrengeling van publiekrechtelijke en privaatrechtelijke verantwoordelijkheden meebrengen en hier willen we in de bovenminimale sector juist van af. De verzekeraars moeten zich wel realiseren dat er voor hen een zeer aantrekkelijke markt is opengegaan. Die kan echter worden verloren als dit huis mede om hun al te zakelijke stellingname het wetsvoorstel zou afstemmen. Hoewel ik op het standpunt sta dat we ons in dit huis moeten bezighouden met de grote lijnen en ons niet moeten vermeien of vermoeien met technische details, werd me onlangs een casus voorgelegd die toch wel symptomatisch is voor het probleem van de chronisch zieken. Meneer A is voor de helft arbeidsongeschikt. Hij werkt desniettemin vijf dagen per week op een kantoor. Kan hij zich voor zijn 50% arbeidsgeschiktheid bijverzekeren? "Neen", zeggen de verzekeringsmaatschappijen, "meneer A is een oud geval en we nemen hem dus niet aan". Het ABP, waarvan hij zijn invaliditeitsuitkering krijgt, en Binnenlandse Zaken nemen een ander standpunt in. Als zijn ziekte verergert, is A een oud geval, maar wanneer hij vanwege een "nieuwe" ziekte verder arbeidsongeschikt wordt, is hij een nieuw geval en dus is bijverzekeren gewenst. Maar dan stuit hij op de verzekeraars. Meneer A weet het niet meer. De staatssecretaris ongetwijfeld wèl. En dat zullen wij morgen wel horen! Vervolgens enkele opmerkingen over de ingewikkeldheid van het wetsvoorstel. Het is weer een onderstreping van het feit dat we willen vereenvoudigen en globaliseren, maar dat we uit een al te groot gevoel voor rechtvaardigheid zo verfijnen dat, zoals het oud-lid van de Tweede Kamer de heer Weijers voor de enquêtecommissie ongeveer zei, geen mier zonder een eigen regeling voorbij trekt. Is de leeftijdsafhankelijke loondervingsuitkering wel nodig? Kan na een jaar Ziektewet niet onmiddellijk worden overgeschakeld op particulier bijverze- keren? En waarom de vervolguitkering, die het wetsvoorstel nog ingewikkelder maakt? Alleen omdat een compromis moest worden gezocht tussen de beoogde besparing aan premies en het gevoel voor rechtvaardigheid? Maar heeft de regering zich gerealiseerd, dat computers alleen kille cijfers produceren en geen ethische normen kennen, ook al zijn die computers gedomicilieerd in Bergschenhoek? Los van de vraag, of een opbouwelement in een risicoverzekering past -we hebben op deze principiële vraag geen antwoord gekregen -is, aldus het SER-bulletin van 20 april jongstleden, Nederland het enige land met een onderscheid tussen een loonderving-en een vervolguitkering, en deze dan ook nog gebaseerd op een toetredingsleeftijd. De staatssecretaris neemt het allemaal voor zijn politieke verantwoordelijkheid. Dat is dapper van hem, en de eerste kandidaat voor de openbare verhoren door een volgende enquêtecommissie is genoteerd! Voorzitter! Mijn fractie begrijpt niet dat de regering blijft staan op het uitgangspunt, dat de helft van de arbeidsongeschikten werk zal vinden. De werkloosheid stijgt immers dramatisch. Het Centraal planbureau voorspelt voor 1994 een naoorlogs record en de malusregeling, ook al is die enigszins versoepeld, maakt de geneigdheid van werkgevers om gedeeltelijk arbeidsongeschikten in dienst te nemen, minimaal. Mijn fractie, tussen haakjes, dringt aan op uitstel van de in dit wetsontwerp opgenomen verdubbeling. Zijn de ramingen van het CPB over het absorberen van het extra aanbod nog niet bijgesteld? Wat zijn de gevolgen? Arbeidsvoorziening wordt nog steeds als een taak van de overheid gezien -overigens niet geheel terecht -en de belangstelling in de politiek. het bedrijfsleven en de media voor werkloosheidsstatistieken is dan ook groot; groter, zo lijkt het, dan die voor de statistiek van de arbeidsongeschiktheid, waarvoor de politieke verantwoordelijkheid als kleiner wordt ervaren. Toch straks weer dumpen van de werklozen in de arbeidsongeschiktheid? Ik hoop het niet, maar helemaal gerust ben ik er niet op. Misschien kan de staatssecretaris me morgen wèl gerust- Heijmans stellen? Voorzitter! Tot nu toe heb ik alleen lelijke dingen over het voorliggende wetsvoorstel gezegd. Er zijn natuurlijk ook positieve punten. Ik noem het feit dat de uitkering niet meer tot het 65ste jaar wordt toegekend, maar periodiek moet worden aangevraagd, met hieraan verbonden een herkeuring. Deze maatregel doet niet alleen het gevoel van "eenmaal een uitkering, voorgoed onder de pannen" teniet, maar zal ook tot een grotere arbeidsgeschiktheid kunnen leiden; een afname dus van het volume. Aan dit laatste werkt in principe ook het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium mee, met als uitgangspunt het "rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekten en gebreken". De artsenorganisaties hebben vanmorgen, dus op het allerlaatste moment, in een brief hun bezwaren tegen de operationalisering van dit criterium naar voren gebracht. Zij voeren ook op andere punten bedenkingen aan. Ik zou morgen ook graag een reactie van de staatssecretaris op die brief hebben. Voorzitter! Met name door het CDA -en misschien horen wij daarover nog iets van de heer Van der Meulen -is aangedrongen op een onderscheid tussen het risque social en het risque professionnel. Ik geloof dat we de beroepsrechter moeten sparen In andere landen valt het sociale risico ook onder de arbeidsongeschiktheid, zij het dat de uitkeringen lager zijn. Maar waarom vastomlijnde categorieen, zoals bijvoorbeeld sportletsels, niet uitgesloten? Deze zijn particulier te verzekeren; zie de knie van Gullit of de enkel van Van Basten! Niet doen omdat sport zo gezond is? Ja, voorzitter, spinazie is ook gezond, maar we subsidiren de consumptie van dit moes toch ook niet? We zijn het eens met de regering dat er geen sprake is van een verzekeringsbreuk, maar we zetten wel vraagtekens achter de stimuleringsmaatregel. Wie kan werken, heeft de zedelijke plicht werk te aanvaarden. In dit uitgangspunt past geen sinterklazenj en zeker niet op zo'n royale manier. Trouwens, wil de regering nu juist niet bezuinigen op subsidies? Waarom dan deze uitbreiding? Zonde van het geld! Over geld gesproken: de staatsse- cretaris vraagt zich misschien af, waarom mijn fractie zo weinig aandacht aan de financiële aspecten van het wetsvoorstel heeft gegeven. Het antwoord is eenvoudig: omdat dit voorstel ten eerste niet het geeigende middel voor noodzakelijke èn mgrijpende besparingen is en vervolgens omdat die besparingen er niet door worden bereikt; denk aan het "gat" van 1,8 mld. Er zijn andere oplossingen nodig, die aansluiten op maatschappelijke veranderingen en die méér opleveren dan de door de regering nagestreefde 4,5 mld.

Voorzitter: Heijne Makkreel

De heer Heijmans (VVD)undefined: Voorzitter. In het begin van mijn verhaal heb ik al gezegd dat zulke maatschappelijke veranderingen een rechtvaardigingsgrond kunnen zijn voor fundamentele ingrepen in het stelsel. Onze maatschappij is een zich individualiserende maatschappij van mondige burgers die hun verantwoo'delijkheid zo niet willen dan toch kunnen nemen en die wel eens al te veel calculeren. In dit beeld past een geïndividualiseerd, fraudebestendig en dus globaal stelsel met verantwoordelijkheid van de overheid voor uitkeringen die voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, dus op minimumniveau, en met de vrijheid voor het bedrijfsleven om tot aanvullende afspraken te komen. Als complement op dit systeem moet de mogelijkheid tot individueel bijverzekeren aanwezig zijn. Dus: ook een geïndividualiseerde bijstand (maar dan ook strikt geïndividualiseerd), een mini-of, wat vriendelijker gezegd, een basisstelsel en hierop particulier bijverzekeren. Mag ik in dit verband de aandacht van de staatssecretaris vragen voor de semantische discussie die ik met zijn voorgangster tijdens de laatste begrotingsbehandeling heb gehad? Deze staatssecretaris, die zo wijs is dat hij onderwijs in zijn portefeuille mocht hebben, zal mij ongetwijfeld gelijk geven Dat is niet onbelangrijk omdat eenheid in definities en begrippen een noodzakelijke voorwaarde is voor een ordentelijk debat. Particulier bijverzekeren dus, maar dan na een zorgvuldige voorbereiding met en tussen sociale partners, de verzekeraars, de pensioenfondsen en met een actieve deelname van de bewindslieden van Sociaie Zaken en Werkgelegenheid. Niet om, het zij nogmaals gezegd, wet-en regelgeving te plegen, maar om tot overeenstemming te komen over bijvoorbeeld de toeganke lijkheid, ook voor de minder gezonden, of de afweging tussen individuele en collectieve verantwoordelijkheid en over de vraag in hoeverre werkloosheid, met een in duur beperkte uitkering, zou kunnen worden meegenomen. De vraag is echter of dit nog kan, want wij hebben nu al goeddeels zo'n particulier systeem waarin door de passieve houding van de regering de verzekeraars een relatieve machtspositie hebben verworven. Die zullen zij, als na aanneming van het voorliggende wetsvoorstel de buit binnen is, niet gemakkelijk meer afstaan. Dat kan hen niet kwalijk worden genomen. Wie -en ik kijk dan ook met een schuin oog naar de enquê-tecommissie -macht geeft, dient meer aangesproken te worden dan wie macht grijpt. Juist de politiek moet zich dat realiseren, omdat deze immers mikt op zoveel mogelijk stemmen en dus op een zo groot mogelijke macht. Voorzitter. Er ligt nog èén siuier over dit debat: het machtswoord. Op een vraag in het voorlopig verslag wordt een antwoord gegeven dat niet past bij de vraagstelling. Een tweede vraag wordt in de nadere memorie volstrekt genegeerd. Waarom geen duidelijk standpunt van de regering, zoals bij het debat aan de overzijde? Maar dat standpunt is er wel. Het is geformuleerd door de vorige staatssecretaris, die uiteraard namens het kabinet sprak in een interview in het dagblad De Stem van 8 februari jl.: "Wij gaan ervan uit dat de Eerste-Kamerfracties dit signaal (het machtswoord) niet op die manier hoeven te krijgen, omdat zij de stukken ook lezen. Zij weten dat het kabinet met zeer zware middelen heeft gehecht aan deze wet in de Tweede Kamer". Dan vraagt de interviewer: dus dat bindt ook de Eerste Kamer? Het antwoord is: ja, het is een belangrijk wetsvoorstel. Voorzitter. In weerwil van dit dreigement en ondanks de in het begin van mijn bijdrage geciteerde oproep van de minister-president, zal mijn fractie het wetsvoorstel niet steunen.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Voorzitter. Waarom heeft de heer Heijmans er zo dringend behoefte aan om een eventueel machtswoord uit te lokken?

De heer Heijmans (VVD): Voorzitter. Je kunt niet uitlokken wat bestaat. Ik heb zojuist aangetoond dat het er is.

©

W.Th. (Wim) de BoerDe heer De Boer (GroenLinks): Voorzitter! Ook wij heten de heer Wallage in zijn nieuwe functie hier welkom. Of er sprake is van een verstandige transfer, moet nog blijken. Voorzitter! Ongeveer een week geleden heb ik de film "DAENS" gezien, het verhaal van Louis Paul Boon van de priesterintellectueel die het opneemt voor de uitgebuite arbeiders in het Belgische textielstadje Aalst. Ongezond slavenwerk, kinderarbeid, krotwoningen die op gezag van de pastoor met jaarlijks een kind erbij worden volgestapeld, 14 uur werken voor een hongerloon, bittere armoede en als je te oud, te ziek of te opstandig bent, word je al aan de poort geweerd. Goed gevoed vanwege de opbrengsten van die uitbuiting hadden de godvrezende textielbaronnen, de gegoede bourgeoisie en de vertegenwoordigers van adel en kerk een lux en tamelijk leeg bestaan. De tegenstellingen waren groot en de verdediging daarvan was met het Woord in de hand fanatiek en van God los. Nu, negentig jaar later, zijn wij een stuk verder. Kiesrecht, vakbonden, sociale ontwikkeling, onderwijs en toegenomen produktiviteit hebben deze uitbuiting en mdustriële slavernij voorgoed verbannen. Wij hebben ingezien dat democratie, een dak boven je hoofd en een menswaardlg bestaan als je ziek, arbeidsongeschikt of oud bent niet alleen iets is dat in een sociale maatschappij de burgers rechtens toekomt, maar dat dit ook goed is voor een gezond economisch systeem met een stabiele koopkrachtige vraag. De verzorgingsstaat werd een feit en velen van ons beschouwden dat als een collectief teken van beschaving. Nederland was zo'n beetje af. Althans, dat dachten wij. Maar hoe gaat dat?

Goed is vaak niet goed genoeg Op sommige punten zijn we doorgeschoten. De parlementaire enquête laat dat zien: oneigenlijk gebruik door alle partijen op alle fronten. En wat is het resultaat? Dat er nu bij de vanzelfsprekendheid van dit collectieve beschavingsniveau forse vraagtekens worden gezet, met als voorlopig dieptepunt het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen. Helaas speelt in de discussie het belangrijkste dilemma de kleinste rol: zijn we de afgelopen negentig jaar eigenlijk wel zoveel opgeschoten? In eigen land is de bittere armoede van toen wehswaar uitgebannen, maar daar ontstaat in snel tempo een nieuwe klasse van veel verdienenden met aan de andere kant een nieuwe onderklasse van uitgerangeerden en kanslozen En gelukkig speelt dat zich af op een veel hoger niveau dan toen, maar wat is het principiële verschil? Nog veel indringender is die vraag te stellen op wereldniveau. Wat is het feitelijke verschil tussen de textielbaronnen van toen die geen boodschap hadden aan de mensonterende toestanden naast hun deur en de door ons stevig bewaakte welvaartssamenleving die even weinig boodschap heeft aan de uitbuiting, ellende en armoede die in onze eigen huiskamer dagelijks te zien is en waarover wij dagelijks lezen? Ook ik zal mij vandaag in deze bijdrage bezighouden met ontwikke-Imgen in dit land en de positie van de niet-sterken daarbinnen. Maar ik ontkom er niet aan om vooraf de betrekkelijkheid van deze problemen aan te geven in het perspectief van het hierboven aangegeven dilemma. Er zijn in deze dagen te veel avonden dat ik na het journaal de Nederlandse zorg en problemen moeilijk nog op mijn netvlies kan krijgen. Als je in je eigen kamer achter het venster op de wereld mensen ziet sterven als vliegen, krijgt een discussie over bijvoorbeeld de vraag of de hogere inkomens volgend jaar misschien wat meer dan 1% erop achteruit kunnen toch veel weg van blasfemie. En dan laat ik het dilemma dat onze welvaart een op de uitbuiting van de natuur gebaseerde schijnrijkdom is nog buiten beschouwing. De generaties na ons zullen weinig waardering op kunnen brengen voor de wijze waarop wij onvervangbare waarden als grond, lucht, water en fossiele energie hebben vermorst en verziekt. Hoezo welvaart? Wie of wat vaart er eigenlijk wel? En ten koste van wat en wie? Laten we daar maar eerlijk over zijn. Ook wij zijn gesteld op de luxe van onze huidige situatie. Wij zijn geen heiligen. Ik ben geen Franciscus die in zijn eentje de stap maakte en kwam tot het verkopen van zijn bezit en die zijn leven ging delen met de armen. In mijn beste momenten vind ik misschien heel even dat zoiets zou moeten, maar ik breng het niet op. Wat ik wel wil is collectief forse stappen terug doen en genoegen nemen met een eenvoudiger en soberder bestaan, wij, veelverdieners, voorop. Ik begrijp niet waarom het collectieve in diskrediet wordt gebracht. Het betekent nogal wat als je mede namens de sociaal democratie in de nadere memorie van antwoord krijgt voorgeschoteld, dat het gaat om de correctie van de in de loop van ettelijke decennia -zeg: een stuk of tien; dus het gebeurde in de tijden van DAENS -te ver doorgeschoten collectieve bemoeienis. Het is de burger te gemakkelijke gemaakt om risico's af te wentelen op de collectiviteit. Dit dient tot de juiste proporties te worden teruggebracht, staat er. Wat zijn dan de juiste proporties in dit nononsense tijdperk? ledereen die pech heeft of minder kansrijk is, moet terug naar het maaiveld van een ministelsel. Krijg je AIDS of MS, val je van een steiger of heb je een dwarslaesie door een auto-ongeluk, jammer voor je. Hier heb je een minimumuitkering en de rest moet je zelf regelen. Kun je je niet verzekeren, tja dat is niet een collectief probleem, dat moet je privaat oplossen. Maar wij zullen dat aan de verzekeringsmaatschappijen voorleggen, komt misschien nog wel in orde, maar eerst deze wet. Dat kan beslist niet wachten tot alles een beetje fatsoenlijk is geregeld. Dit kabinet moet nu eindelijk eens scoren. Koste wat het kost. Wordt dit de toonzetting van de postsolidaire samenleving: wij zorgen dat je niet verhongert, maar verder red je je maar? Moeten wij terug naar het "ieder voor zich" van de vorige eeuwen? En waarom eigenlijk? Waaruit blijkt nu dat er geen draagvlak zou zijn voor echte.

goed georganiseerde en niet misbruikte collectiviteit? Wat is er eigenlijk mis aan saamhorigheid en collectieve oplossingen? Collectiviteit ontstaat niet vanzelf. Daar moet je aan werken. Je krijgt geen solidaire samenleving als je die niet dagelijks tegenover eigen en andermans egoïsme in vestigt en oefent. De mens is de mens een wolf, maar het ging toch om vooruitgang in beschaving? Wat is er mis aan een sociaal systeem waarbinnen de rijken en geslaagden wat meedragen van de lasten van armen en hen die niet zo succesvol zijn? Wat is er mis aan collectiviteit? "De Nederlandse uitkeringsfabriek is vastgelopen. Economisch gezien valt dit systeem niet meer te handhaven. De sociale acceptatle van de lasten van de verzorgingsstaat is nagenoeg nihil aan het worden". Dat is de filosofie waarmee de kabinetten-Lubbers I en II orde op zaken hebben willen stellen, en Lubbers III met behulp en ten koste van de PvdA ernst begint te maken. Ook GroenLinks erkent de noodzaak van ingrijpende vernieuwing van de verzorgingsstaat. Wat ons betreft, wordt de discussie nog ingewikkelder gemaakt door ook de Derde Wereld en het milieu als componenten van die probleemstelling te beschouwen. Ook wij zien in dat de tegenstellingen zich verscherpen en dat zeker bij een teruglopende conjunctuur dit systeem zonder ingrijpen eindigt in grote sociale en maatschappelijke onrust en, als het verkeerd uitpakt, in een aanzienlijke chaos. Wat ons echter ernstig teleurstelt, zijn het gebrek aan visie en creativiteit en de behoudzuchtige bijna asociale richting van de oplossingen. Eerlijk gezegd, had mijn fractie na de kabinetten met de WD meer verwacht van de kwaliteitsimpuls die de PvdA aan het regeren van dit land zou gaan geven. Daar kwam geen spaan van terecht. De PvdA is niet bij machte gebleken om werkelijk andere analyses en oplossingen op het kleed te brengen dan de CDA/VVD-kabinetten waar diezelfde partij zo stevig tegen te keer ging. Het socialezekerheidsboegbeeld werd uiteindelijk toch afgeschaft, en dat niet vanwege de eens ook door haarzelf onmogelijk geachte ommezwaai -van kleur verschieten is binnen de huidige PvdA helaas een volledig ingeburgerde bezigheid geworden -maar omdat de communicatie met de fractie niet meer helemaal je dat was. Ach kom nou toch. Het ook door mij -laat daarover geen misverstand bestaan -betreurde massaal weglopen van het PvdA-electoraat heeft niets met communicatie en alles met integriteit te maken. Er werd in 1989 verandering beloofd. Visie en kwaliteit zouden het kortzichtige CDA/VVD-beleid snel doen verbleken. Helaas. Het enige dat tot nu toe verbleekt, is de PvdA zelf. Ook daar bleek nog geen begin van een idee waarheen de samenleving zich moet ontwikkelen, getuige dit wetsvoorstel. Er werd in 1989 rust beloofd op het terrem van de sociale zekerheid. Inmiddels is de WAO, als deze Kamer daar geen stokje voor steekt, vrijwel teruggebracht tot een ministelsel en liggen er voorstellen tot afschaffen van de bijstand voor jongeren. Er werd behoud van de koppeling beloofd, maar daar is nlets meer van over dan een bevroren goede bedoeling. Er werd een kwaliteitsimpuls voor het milieu beloofd, maar geen van de doelstellingen wordt ook maar bij benadering gehaald. Als regeringspartij behoor je je gewoon te houden aan het programma waar je kiezers op stemmen. Doe je dat niet, dan lopen zij weg. Terecht. Dit visieloos doormodderen van het kabinet is zelfs het leedvermaak van een concurrerende oppositiepartij als GroenLinks voorbij. Ik zou graag willen dat deze gênante vertoning snel tot een einde komt, en dat niet omdat een oppositiepartij per definitie een regering naar huis wil hebben. Wij hadden -ik zeg dat in alle eerlijkheid -maar wat graag een andere opstelling willen kunnen kiezen tegenover dit CDA/PvdA-kabinet dan wij vroeger hebben gedaan tegenover de kabinetten-Lubbers I en II. Het is er niet van gekomen. Maar goed, wie weet, durft de PvdA-fractie in dit huis de enige juiste conclusie te trekken en wordt er op de valreep een daad gesteld. De uitstekende bijdrage die collega Van de Zandschulp zojuist heeft gehouden en waar ik hem graag van harte mee complimenteer, doet mijn hoop daarop enigszins herleven. Ik heb zelden in deze Kamer een wetsvoorstel zo gedegen en finaal de grond in horen boren als ongeveer een uur geleden. Het probleem van de heer Van de Zandschulp is nu wel, hoe hij na dit verhaal nog ruimte kan vinden om eventueel de wending te maken naar voor stemmen. Dat merken wij de komende week echter wel. Naast het zoeken van consensus betekent politiek ook het botsen van overtuigingen en meningen. Wij vallen de PvdA hard, omdat daar de pretenties voor een andere politiek het grootst waren. Onze kritiek geldt echter zeker niet minder de meest verantwoordelijke "altijdregeerder", het CDA. Christendemocraten zitten met handen en voeten vast in het conglomeraat van belangen dat wij het maatschappelijk middenveld zijn gaan noemen. Dat veld -ik zeg het Van der Zwan na -is grotendeels verantwoordelijk voor de verstarring van onze samenleving. Deze belangengroepen en het CDA hebben de macht in Nederland, of wij het prettig vinden of niet. Macht staat haaks op vernieuwing. Macht is per definitie behoudzuchtig en doortrokken van een reparatiecultuur. Vernieuwing betekent risico durven lopen en de risico's ook daar neerleggen, waar zij het beste gedragen kunnen worden. Het CDA zou eens op zoek moeten gaan naar een Daens in plaats van genoegen te nemen met een Brinkman. Ons hoofdbezwaar tegen de huidige herijkingsoperatie rond de sociale zekerheid is dat de discussie eenzijdig gericht is op de hoogte en de duur van de uitkeringen en niet op de vraag hoe je kunt voorkomen dat mensen in een uitkeringssituatie terechtkomen. Het probleem in dit land is niet het niveau, maar het volume. Daar zijn wij het volgens de nadere memorie van antwoord allemaal over eens. Als het volume klein is, hoeven wij over het niveau niet te zeuren en zijn acceptatie en solidariteit een vanzelfsprekendheid. Het is dan echter triest en treurig om vandaag diep in te grijpen in niveau en toegang tot een arbeidsongeschiktheidsverzekering -een goed dat in onze ogen inderdaad niets meer of minder is dan een kwestie van beschaving -terwijl wij met het aanpakken van de oorzaken om daarmee tot volumevermindering te komen, niet veel verder zijn dan goede bedoelingen op geduldig papier.

Het niveau van een uitkering verlagen is de gemakkelijkste weg. Dat kun je achter je bureau met een computer en een planbureau regelen Maar een beleid ontwikkelen dat de instroom tegengaat, dat een WAO weer echt een WAO laat worden en geen verkapte WW, dat arbeidsomstandigheden creëert, waarbinnen produktiviteit en stress niet zo hoog oplopen dat veel te veel mensen er lichamelijk of psychisch aan kapot gaan, dat zou nu echt eens wat voorstellen. Niemand aan de kant, is de kreet die vandaag bij sommige politici opgeld doet Afgezien van het bij dit soort leuzen gebruikelijke, maar niet te realiseren absolutisme: als het uitgangspunt is dat iedereen die in staat is om een eventueel gedeeltelijke maatschappelijke bijdrage te leveren, dat ook moet doen en daar fatsoeniijk voor betaald wordt, zorg daar dan ook voor door een voldoende aanbod van goed en regulier werk. Ik citeer de nadere memorie van antwoord, pagina 1: "Er is binnen de sociale zekerheid een verschuiving of liever omslag nodig, die de aandacht verplaatst van primair inkomensgarantie via uitkeringsverstrekking naar primair (re)integratie op de arbeidsmarkt en dus naar arbeidsparticipatie als superieure vorm van sociale zekerheid." Dat is prima, maar regel dat dan! Ontwikkel een geloofwaardig beleid, waarmee je deze fraaie volzin tot realiteit verheft. Op dit moment komen er elke maand 10.000 werklozen bij. De mensen die nog wel werk hebben, moeten zich steeds meer te pletter werken om hun hoofd boven water te houden. De WAO'ers van morgen worden vandaag gemaakt. ledereen die in een bedrijf of in de ambtelijke organisaties werkt, ziet het om zich heen. Doe daar dan wat aan door: -herverdeling van werk en zorg; -arbeidstijdverkorting; -gelijke rechtspositie voor deeltijders; -fors investeren in zichzelf betalende arbeidsintensieve produktie op de terreinen van energiebesparing, milieubehoud, vervoer en onderwijs; -lastenverschuiving van arbeid naar kapitaal-, energie-en milieuverbruik; -verkleinen van de wig, waar deze wet absoluut niet bij helpt; -herkeuring van WAO'ers met een integratie-en stappenplan en een reëel aanbod van bruikbare banen, want anders is het fake; -stimuleren van jongeren via een JWG-en scholingsproject met een baangarantie daarna, die er nu niet is; -activeren van langdurig werklozen via dienstverleningscontracten in de collectieve sector of de banenpool. En heb het fatsoen voor hen die echt niet mee kunnen, een redelijk bestaan te garanderen. Zo zou het dus moeten en kunnen. Waarom gebeurt dat dan niet? De noodzakelijk keuzes worden helaas niet gemaakt. Sommige keuzes die wel gemaakt worden -herkeuring WAO, de JWG, de banenpool -blijven steken in de goede bedoelingen, omdat er wel geïnvesteerd wordt in begeleiding, werkervaring en scholingstrajecten, maar de resultaten zeer mager zijn. Er is daarna namelijk veel te weinig perspectief. Het werk is er wel, maar de betaalde banen niet. Dat is het eigenlijke probleem bij de reïntegratievoorstellen bij WAO of JWG. Hoe hypocriet is het om mensen met een WAO-uitkering te herkeuren, ze gedeeltelijk geschikt te verklaren, ze vervolgens een lagere uitkering te geven en daarna voor de meesten geen schijn of schaduw van een baan in de aanbieding te hebben? Gaan we al die mensen verplichten om weer te solliciteren, om elke keer afgescheept te worden met een brlefje dat helaas de keuze op een ander is gevallen, maar toch heel veel succes? En dat niet omdat ze niet voldoen aan de functie-eisen of onvoldoende gemotiveerd zijn, maar wel omdat er domweg onvoldoende banen zijn voor zoveel instroom, of omdat zij geen enkele recente werkervaring hebben, of omdat er genoeg nieuwe, goed opgeleide en jongere arbeidskrachten klaar staan, waar nog -let wel: nog -niks mis mee is. In dit land tellen we zo'n 1,5 miljoen mensen die een betaalde baan willen, maar die niet kunnen krijgen. Bij de huidige oplopende werkloosheid kun je toch niet verwachten dat werkgevers de voorkeur zullen geven aan werknemers met een WAO-verleden, terwijl een cohort valide jongeren staat te trappelen? Is het dan niet asociaal of op zijn minst schijnheilig om hier een wet aan te nemen waarin net gedaan wordt alsof? Kan de staatssecretaris mij nu eens uitleggen, wat de maatschappelijke relevantie is van dit fakegedrag? Voorzitter! Mee omdat aan de overzijde de behandeling van dit wetsontwerp meer gefocust was op de partijpolitieke verwikkelingen over wie nu met wie wel of niet in een achterkamertje had mogen onderhandelen, had mijn fractie er behoefte aan het WAO-debat hier in een wat bredere context te plaatsen. In het laatste deel van mijn bijdrage wil ik enkele specifieke punten aansnijden. Voor de discussie rond de verschuiving van passende arbeid naar gangbare arbeid en de merkwaardige ingangsdatum van de stimuleringspremie, sluit ik mij kortheidshalve aan bij de kanttekeningen van collega Van de Zandschulp. De discussie rond de bonus/malusregelingen laat ik vol vertrouwen over aan de specialiste in goed en kwaad in dit huis, mevrouw Gelderblom. Over het verbindend verklaren van CAO's heeft de regering de lucht geklaard door uiteindelijk op pagina 21 van de nadere memorie van antwoord een helder standpunt in te nemen. Maar er blijft nog heel wat over. Wil de regering wat het overgangsrecht betreft nu eens helder uitleggen, waarom de datum van 25 januari zo onmisbaar is? Was het niet veel fatsoenlijker geweest om deze wet af te handelen en te kiezen voor een ingangsdatum ruim na de afkondiging in het Staatsblad? Tot die datum vallen dan alle ziektegevallen onder de oude regeling en hebben mensen behoorlijk de tijd om, nu ze nog niet ziek zijn, zich te verzekeren. Dat had veel schrijnende situaties voorkomen van mensen die na 25 januari getroffen werden door een ernstige ziekte of ongeval, maar zich nog niet hebben kunnen verzekeren. Wij allen hebben daar buitengewoon trieste brieven over gekregen. Waarom gebeurt niet wat behoorlijk is? Wil de regering mcrgen duidelijkheid verschaffen over de brij die door deze wet ontstaat in de belastingwetgeving? Hoe zijn premies aftrekbaar? Hoe zit het met de uitkeringen die straks uit verschillende bronnen komen? Worden premies verdisconteerd in de inhouding loonbelasting, en zo ja, ook die buiten de CAO-regeling? Als dat niet De Boer gebeurt, hoeveel extra IB-aangiften betekent dit? Vinden er inhoudingen plaats op de uitkeringen? Zo niet, hoeveel IB-aangiften betekent dat extra? Wat zijn de meerkosten van deze nieuwe belastingbureaucratie en wat kost het aan belastingderving op aftrekbare premies? Baanverandering. Mogen wij morgen een heldere trajectbeschrijving ontvangen van de procedure van een werknemer, die in een collectieve WAO-regeling zit, maar overstapt naar een baan buiten ambtenarij of CAO? Blijft hij dan verzekerd, ook als hij er tijdelijk mee ophoudt? Zo ja, waar en voor welke premie? Zo neen, is dan niet het gevolg dat iedereen noodgedwongen blijft zitten waar hij zit en gaat dan alle noodzakelijke flexibiliteit niet teloor? Tijdelijke werknemers vallen nog niet onder het ABP en vaak niet onder een CAO. Worden ze, vooruitlopend op een vast contract, wel verzekerd? Zo ja, door wie en tegen welke voorwaarden? Ik heb dezelfde vraag over uitzendkrachten. De reparatie van het WAO-gat voor ambtenaren; een wat merkwaardige definitie trouwens. Vindt u het erg, als ik dit een illustratie vindt van de mislukking van dit wetsvoorstel? Ik citeer wat uitspraken: "Privatisering is noodzakelijk. Persoonlijke verantwoordelijkheid met het liefst individuele contracten. Het is niet mijn bedoeling, in CAO-onderhandelingen de WAO te gaan repareren." En wat doet de werkgever overheid zelf? Binnen de kortste keren razendsnel akkoord gaan met een collectieve reparatie voor alle ambtenaren. In mijn ogen terecht, maar het is wel weinig overtuigend, als je vindt dat de samenleving geheel andere keuzen zou moeten maken. Ineffectiviteit. In tal van beschouwingen en artikelen is met een reeks van argumenten ernstige twijfel gezaaid over de effectiviteit van de wet, zoals die er nu ligt. Dat is vandaag ook in niet mis te verstane bewoordingen door diverse sprekers gedaan. Op grond van diverse analyses valt niet te verwachten, dat de nu voorliggende mengvorm van een publiek en privaat stelsel een werkelijke oplossing zal gaan bieden voor de problemen van volume en kostenbeheersing van de arbeidsongeschiktheid in dit land. Wellicht neemt het kostenbewustzijn iets toe, maar de risicofactoren, de risicobeoordeling, de arbeidsgeschiktheidskeuringen, het onduidelijke begrip "gangbare arbeid", het arbeidsongeschiktheidscriterium en wat de artsen daarvan vinden, het niet beschikbaar zijn van banen en de veel te grote ingewikkeldheid van de vermenging van een basisvoorziening met daar bovenop een al dan niet collectieve meerverzekering, zijn even zoveel valkuilen, die een betere en goedkopere regeling van de arbeidsongeschiktheid kunnen doen sneuvelen. Waarom houden wij niet gewoon de WAO, vraag je je af. Over een jaar of wat zal een volgende parlementaire enquêtecommissie zich verbijsterd afvragen waarom wij medio 1993 zo stom hebben kunnen handelen. Graag het commentaar van de regering. Kortheidshalve laat ik de andere gesignaieerde onduidehjkheden en open einden nu maar even liggen. Een aantal is in de voorbereiding genoemd, maar onvoldoende beantwoord of weerlegd. Wel wil ik graag morgen een reactie op de brief van de artsen, die straks moeten gaan keuren, maar naar eigen zeggen absoluut niet weten op welke heldere criteria zij dat moeten gaan doen. De acceptatieplicht. Dit wordt natuurlijk het concentratiepunt voor de behandeling in deze Kamer. De vaste Commissie voor sociale zaken heeft een duidelijk en kamerbreed ondersteund signaal afgegeven. Voor afhandeling in dit huis moet er een bindende overeenkomst op hoofdlijnen op tafel liggen met betrekking tot de aanvullende verzekeringen. Het is iedereen duidelijk dat die overeenkomst er op dit moment nog niet ligt. De brief van de Verzekeringskamer van 22 juni ligt er wel. De staatssecretaris krijgt, ben ik bang, een moeilijke avond om dit voor morgen tot een werkbaar geheel samen te smeden. Hij zal echter de handreiking van de PvdA-fractie -het tweede gedachtenstreepje bovenaan pagina 19 -wel met beide handen aangrijpen en morgen met een gecommiteerde toezegging komen, wat dat ook moge zijn, die voor CDA en PvdA de terugtocht zal inluiden, is mijn inschatting. Voorzitter, ik kom tot mijn slotconclusie. Volgende week stemt deze Kamer over een wet die het beroep op arbeidsongeschiktheidsregelingen wil terugdringen. Deze wet deugt niet. De titel van de wet is misleidend, omdat de wet niet het beroep terugdringt, maar vooral het niveau van de uitkering verlaagt. Het tijdstip van de wet deugt niet, omdat op dit moment een parlementaire enquêtecommissie een rapport voorbereidt, met een analyse van waarom het zo uit de hand is gelopen en aanbevelingen om het beter te doen. Het zou normaal zijn, dit onderzoek af te wachten in plaats van nu een wet er doorheen te sleuren die nog vol staat met open einden en problemen met definities en uitvoering. Het principe van de wet deugt niet, omdat het gebaseerd is op een vals axioma dat het private altijd beter zou zijn dan het coliectieve. De regelgeving van de wet deugt niet, omdat te veel zaken niet helder, nodeloos ingewikkeld, nog niet afdoende duidelijk of voor de terechte gebruiker maatschappelijk onaanvaardbaar worden geregeld. Het rendement van de wet deugt niet, omdat bij uitvoering zal blijken dat de wet niet leidt tot minder arbeidsongeschiktheid, maar tot arbeidsongeschikten met minder uitkering. De financiering van de wet deugt niet, omdat het totaal van basis-WAO en aanvullende verzekeringen beduidend meer kost dan het huidige pakket. Wat worden wij er als samenleving nu wijzer van als alleen een papieren CLD-cijfer wat lager wordt, maar de werkenden een hoger totaalbedrag moeten opbrengen waar uiteindelijk alleen de verzekeringsmaatschappijen beter van worden. De ratio daarvan ontgaat mij geheel De morele kwaliteit van de wet deugt niet, omdat er geen behoorlijke overgangsregeling is voor mensen die na 25 januari 1993 getroffen zijn door plotselinge en niet meer te verzekeren arbeidsongeschiktheid en omdat er op dit moment geen sprake is van de door deze Kamer noodzakelijk geachte bindende overeenkomst op hoofdlijnen met betrekking tot de acceptatieplicht voor aanvullende verzekeringen, zodat ook chronisch zieken of mensen met een ander verhoogd risico, die niet onder een CAO vallen, toch in dit land behoorlijk verzekerd zullen zijn.

Kortom, het deugt niet. Voorzitter! Ik wil eindigen met een rechtstreekse vraag aan de kersvers aangetreden staatssecretaris. Zeg nou eens eerlijk: heeft u, toen u zich inwerkte in de materie, niet een keer of wat in de spiegel gekeken en gezucht "Jacques, wat ben je nu toch aan het doen, dit kan toch eigenlijk niet zo"? Wat wij willen is de WAO terugbrengen tot een echte verzekering tegen arbeidsongeschiktheid in plaats van een verkapte en dure parkeerplaats of WW. Wat wij echter doen is, omdat het kabinet een daad moest stellen, een slecht compromis bakken waarin niveau en toegankelijkheid ingrijpend worden aangepakt, zonder dat er uitzicht is op aangepaste banen of de garantie om ook buiten een CAO verzekerd te blijven. Daar komt bij dat na de behandeling in de Tweede Kamer blijkt dat er in de samenleving absoluut geen draagvlak is voor dit gedoe. De Nederlandse werknemers en werkgevers willen dit risico gewoon verzekerd houden. Dus wordt de WAO gerepareerd. Ook de overheid zelf ging als een haas door de bocht toen het om het WAO-gat van de ambtenaren ging. Alleen een miljoen mensen, nu zonder CAO, vallen straks misschien tussen wal en schip. Resultaat wij zijn geen steek opgeschoten; de oorzaken worden niet aangepakt; het volume blijft gelijk; het kost meer dan het huidige systeem; de bureaucratie neemt toe en de overhaaste dadendrang telt een groot aantal individuele slachtoffers. Wij hebben er nog geen weet van hoeveel mensen er tussen de mazen van deze wet vermorzeld worden. Geachte staatssecretaris, wat is de ratio hiervan? Volgens velen staat u voor kwaliteit, redelijkheid en communicatie met de samenleving. Waarom, vraag ik u, zit u dan hier vandaag achter de tafel en doet u mee aan het verdedigen van wat in mijn ogen niet meer is dan een schijnvertoning?

©

K. (Kars)  VelingDe heer Veling (GPV): Mijnheer de voorzitter! Ik spreek ook mede namens de fractie van SGP en RPF. Evenals voorgaande sprekers heet ik deze staatssecretaris welkom. Ik bewaar heel goede herinneringen aan eerdere discussies met hem. Ik hoop op een goede voortzetting daarvan in deze andere verhouding. De publieke behandeling van omstreden wetsvoorstellen in het parlement spitst zich niet zelden toe op één steen des aanstoots. Met de TBA ging het in de Tweede Kamer uiteindelijk vooral over de vraag wat de regeringsfracties verstaan onder "gemeen overleg tussen regering en parlement". Vandaag spitst de discussie in dit huis zich speciaal toe op de mogelijkheid van chronisch zieken en andere "slechte risico's" om zich tegen de gevolgen van arbeidsongeschiktheid bij te verzekeren. Zo'n toespitsing heeft natuurlijk altijd een goede reden. Er is vandaag alle aanleiding om goed door te spreken over de toegankelijkheid van arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, juist voor de meest kwetsbaren in het arbeidsbestel. Maar laten wij alsjeblieft toch ook verder kijken. Anderen hebben dit ook gezegd. De regering stelt voor, de sociale zekerheid op een belangrijk punt te herijken. Dus moet het gaan om de doelstellingen van het kabinet, en om de vraag of de voorgestelde maatregelen bruikbaar zijn om deze doelstellingen te realiseren. Ik wil proberen het wetsvoorstel TBA in een ruime context te beschouwen, namelijk als een leerzaam sociaal pohtiek experiment. Sociologen en politieke wetenschappers hebben zelden de mogelijkheid een hypothese te onderzoeken via een experiment. Daarin onderscheiden zij zich van bijvoorbeeld natuurkundigen en chemici. Waarom lukt dit in de sociale wetenschappen slecht? Leefomstandigheden van mensen manipuleren om wille van onderzoek doe je niet zomaar. En als je het al zou willen, dan stuit je in het geval van hypothesen op macroniveau doorgaans ook op onoverkomelijke moeilijkheden bij de praktische realisering. In maart jongstleden, tijdens de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, heb ik een recent proefschrift over de verzorgingsstaat ter sprake gebracht, The Imprisoned State, in januari jongstleden door J.M. Roebroek verdedigd aan de univer- siteit van Tilburg. Mede op grond van de analyses in dit proefschrift stelde ik de vraag hoe groot de beleidsmo gelijkheden van de Nederlandse regering op het terrein van de sociale zekerheid feitelijk zijn. De marges zijn bijzonder smal, onder andere waar het gaat om veranderingen in het stelsel van sociale zekerheid. De centrale hypothese waarop deze suggestie gebaseerd was, hield in dat burgers niet gauw bereid zijn verworven rechten op het terrein van de sociale zekerheid prijs te geven, en dat staat en maatschappij in landen als het onze zodanig met elkaar verweven zijn dat versobering van de verzorgingsstaat bijzonder moeilijk te realiseren valt. Maar hoe toets je een dergelijke hypothese? Soms echter hebben sociale wetenschappers geluk. Het experiment dat ze moeilijk zelf kunnen inrichten, wordt hun door de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen in de schoot geworpen. Dit was het geval met de gebeurtenissen rondom de wijziging van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsregelingen. Ik zal de stap die de regering, met steun van de meerderheid van de Tweede Kamer, heeft gezet om tot een verandering van de WAO/AAW te komen, analyseren als een experiment. Een experiment dat interessant is voor de theorievorming over sociale zekerheid. Mijnheer de voorzitter! Hoe was de situatie? In de loop van een aantal decennia is in Nederland een uitgebreid systeem van sociale zekerheid ontstaan. Niet planmatig, maar voor elke volgende uitbreiding waren goede redenen. Allicht. Een verplichte verzekering om ervoor te zorgen dat burgers niet al te sterk in inkomen achteruitgaan wanneer ze door ziekte of handicap niet langer in staat zijn te werken, was een goed voorbeeld van zo'n uitbreiding. Maar na verloop van tijd werd, door de één wat enthousiaster dan door de ander, geconstateerd dat de zaak uit de hand gelopen is. Het meest in het oog springende probleem is de buiten proportie grote groep mensen met een uitkering. Ik beperk me nu maar tot de WAO-en AAW-uitkeringen. Een meer fundamenteel probleem dat hiermee te maken heeft, lijkt te zijn dat de verdeling van de verant- woordelijkheden tussen overheid en burgers niet in orde is. De burgers leunen te gemakkelijk op voorzieningen die de overheid creëert. Er is te weinig ruimte voor persoonlijke keuzes. De mensen worden te weinig met de neus gedrukt op de kosten van de voorzieningen. En de verplichte premies maken de wig tussen bruto-en nettoloon te groot. In deze situatie ging de politiek maatregelen bedenken om de problemen het hoofd te bieden. Eén van die maatregelen was de aanpassing van duur en hoogte van de wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Het kabinet merkte al gauw dat deze maatregel op grote weerstand stuitte, maar -zo betoogde men in alle toonaarden -het kan niet anders. De versobering van de WAO en de AAW vormt volgens de regering een wezenlijk onderdeel van het antwoord op de gerezen problemen. Door verkleining van de wettelijke rechten zal de WAO minder zuigkracht krijgen, zo werd geredeneerd, waardoor meer mensen zullen blijven werken. Willen mensen per se rechten behouden op langduriger of hogere uitkeringen, dan moeten ze zich zelf maar verzekeren. Daarmee wordt dan meteen de verantwoordelijkheidsverdeling tussen overheid en burgers wat recht getrokken. De druk van de collectieve lasten wordt daardoor ook verminderd. De regeringspartijen spanden zich in om het de mensen uit te leggen: Het is nodig. En het is toch ook sociaal niet onaanvaardbaar dat de wettelijk gegarandeerde rechten enigszins worden beperkt? Dit laatste was natuurlijk essentieel. Uiteindelijk ging de Tweede Kamer met een variant op het oorspronkehjke plan akkoord. Mijnheer de voorzitter! Het experiment werd gestart. Een experiment dat door een onderzoeker als Roebroek bedacht had kunnen zijn, om eens na te gaan hoe sterk burgers gehecht zijn aan de verworvenheden van de sociale zekerheid en ook of de hypothese over de vervlochtenheid van Staat en samenleving houdbaar is. Is beleid gericht op versobering van de verzorgingsstaat werkelijk zo moeilijk te realiseren? Ja dus. We hoefden niet te wachten om te zien of het verschil in rechten tussen oude en riieuwe gevallen op den duur niet tot maatschappelijke spanningen zou leiden Die tijdbom ligt er nog steeds en wij hoeven niet te wachten op het ontploffen daarvan. De reacties van het maatschappelijkpolitieke systeem waren heftig en prompt. De werknemers en hun organisaties zetten alles in het werk om het WAO-gat te repareren, het liefst per bedrijfstak. Dat moest dan maar wat kosten. Blijkbaar hechten mensen sterk aan een arbeidsongeschiktheidsvoorzieni ng naar het model van de WAO. En de werkgevers toonden zich -misschien verrassend -bereid, financieel ook een steentje bij te dragen. Zwichtten ze daarmee voor de druk van de werknemers? Of vonden ze het wel prettig, een voorziening in stand te houden waardoor werknemers die eigenlijk voor de arbeid in hun onderneming niet geschikt zijn, toch op een elegante wijze konden blijven afvloeien? Die vraag moet ook nu nog worden gesteld. De regering toonde zich weinig ingenomen met deze reactie. Lange tijd heeft staatssecretaris Ter Veld consequent betoogd dat bijverzekeren weliswaar niet verboden is, nnaar dat natuurlijk moeilijk van het kabinet verwacht kan worden dat het zelf maatregelen gaat nemen om de WAO collectief te gaan repareren. Allicht niet. Je stelt toch geen versobering voor, om je vervolgens verplicht te voelen, mee te werken aan het ongedaan maken van die versobering? Maar de druk van de sociale partners, gecombineerd met politieke signalen, bracht het kabinet ertoe, de afgesloten CAO's met reparatie-afspraken algemeen verbindend te verklaren en zelfs te verklaren dat ook tijdens de rest van de regeerperiode te doen. Vervolgens was er geen houden meer aan. De grote meerderheid van de Nederlandse werknemers behoudt dus de rechten van de oude WAO, behalve degenen die, bijvoorbeeld door een voortschrijdende ziekte, bij de commerciële verzekeraars niet terecht kunnen. Dat zou toch wel heel onbillijk zijn, zo zei de Eerste Kamer. Waar dat toe leidt, zal vandaag, morgen en volgende week blijken. Mijnheer de voorzitter! Ik constateer dat de versobering van de arbeidsongeschiktheidsregelingenglobaal genomen -niet is geslaagd. De burgers accepteerden de beperking van de uitkeringsrechten niet. De eerste hypothese is verworpen. En de Staat heeft in de huidige verhoudingen niet de mogelijkheid om langs de weg van de beperking van uitkeringsrechten de sociale zekerheid in te krimpen. Ook de tweede hypothese is dus gefalcificeerd. Wat nu? Hypothesen die toetsing niet doorstaan, verdienen het, verlaten te worden. Maar zo gaat het niet altijd. In de politiek niet. Politieke groeperingen kunnen zichzelf zozeer hebben gebonden aan bepaalde hypothesen, dat er geen partijpolitieke ruimte is om de uitkomst van een toetsingsexperiment serieus te overwegen. Politieke partijen immuniseren zulke hypothesen dan. Zou zo iets in de natuurwetenschappen niet gebeuren? Toch wel. Een voorbeeld uit de astronomie. Er is een tijd geweest dat men ervan overtuigd was dat hemellichamen zich noodzakelijkerwijs met eenparige snelheid, in cirkelvormige banen voortbewegen. Weliswaar spraken de waarnemingen -op het eerste gezicht -deze hypothesen tegen, maar verwerpen kon niet. Dus zetten astronomen heel hun vernuft in om -wat genoemd wordt -de verschijnselen te redden. Ptolemaeus heeft hier iets prachtigs van gemaakt. Onder andere door aan te nemen dat het middelpunt van de banen van bijvoorbeeld planeten zelf ook weer een cirkelvormige baan beschrijven, werden de waarnemingen en de dierbare hypothesen -tijdelijkverzoend. Mijnheer de voorzitter! Met alle respect: Van de Zandschulp is de Ptolemaeus van de WAO. Hij heeft geen ruimte -hoewel? -om de hypothesen onder de TBA te verlaten, maar hij doet bewonderenswaardig werk om de arbeidsongeschikten te redden van de gevolgen ervan. Waarborgfonds en acceptatieplicht zijn de epicycli van de arbeidsongeschiktheidsregeling volgens TBA.

De heer Van de Zandschulp (PvdA): Deze Ptolemaeus weet niet wat epicycli zijn!

De heer Veling (GPV): Dat ziin die cirkels om cirkels. Mijnheer de voorzitter! Het is natuurlijk de vraag of de verschijnselen blijvend gered kunnen worden. Dat zal nog moeten blijken. Maar ook al zou dat het geval zijn -laten wij dus even aannemen dat het lukt -dan nog moet geconstateerd worden dat de geconstrueerde oplossing bijzonder onaantrekkelijk is. De nieuwe arbeidsongeschiktheidsregeling is duurder dan de oude; de premies worden voorlopig alleen maar hoger. De regeling is ingewikkelder, bijvoorbeeld door het bestaan van verschillende uitvoeringsorganisaties. De regeling blijft voor chronisch zieken en voor andere kwetsbaren in het arbeidsbestel toch moellijk toegankelijk, bijvoorbeeld omdat door hun toedoen de premies in een bedrijf aanzienlijk hoger worden. De regeling vermindert de mobiliteit in de arbeidsmarkt, doordat in een bepaalde bedrijfstak opgebouwde rechten niet zomaar kunnen worden meegenomen. En al met al is er weinig reden om aan te nemen dat de instroom in de WAO/AAW zal verminderen. De recente cijfers bevestigen dit. Redenen genoeg om de TBA te verwerpen, lijkt me. De hypothesen waarop het voorstel is gebaseerd, zijn ondeugdelijk gebleken. En de pogingen om "de verschijnselen te redden", leveren op hun best een gecompliceerd en onbevredigend knutselwerk op. Ik ben nieuwsgierig naar het antwoord van de staatssecretaris op deze analyse. Ik daag hem uit om niet te blijven steken in de discussie over de epicycli, maar over de vooronderstellingen. Ik zou ook bijzonder graag vernemen of de fracties van het CDA en de PvdA menen dat aan de conclusies van mijn analyse te ontkomen valt. De weg die het wetsvoorstel TBA wijst, blijkt in de huidige verhoudingen onbegaanbaar. Een substantiële beperking van de rechten in WAO en AAW vraagt blijkbaar meer overtuigingskracht dan dit kabinet kan opbrengen. Het alternatief voor overtuigingskracht zou misschien een verandering in het sociaal-politieke speelveld zijn. De macht van de sociale partners zou dan moeten worden verkleind. CAO's zouden dus minder vanzelfsprekend algemeen verbindend moeten worden verklaard en wie weet zouden er via wetgeving nog drastischer maatregelen moeten worden opgelegd. Het is duidelijk dat dit alternatief niet gemakkelijk uit te voeren zou zijn. Het experiment heeft in ieder geval, misschien ten overvloede, bewezen dat het onmogelijk is om scherpe bochten te maken met het voertuig van de sociale zekerheid. Toch moet er wat gebeuren. De eerder genoemde problemen met de WAO/AAW zijn ernstig genoeg. In het algemeen gesproken, zou het sociale stelsel er naar mijn mening niet slechter op worden als de verantwoordelijkheid wat verschoof van overheid naar burgers. Werkgevers zouden grotere verantwoordelijkheid kunnen dragen voor de gevolgen van arbeidsongeschiktheid van hun werknemers, maar dan wel, zoals onlangs ook Wouter Zant in Socialisme en Democratie schreef, in die gevallen dat de arbeidsongeschiktheid op één of andere wijze met het werk te maken heeft. De nu terecht ingebrachte kritiek van werkgevers op het bonus/malussysteem zou dan veel van haar overtuigingskracht verliezen. Is er misschien een maatschappelijk draagvlak te vinden voor een beperking van de wettelijke uitkeringsrechten bij arbeidsongeschiktheid die voortkomt uit sociale risico's? De verdeling van de verantwoordelijkheden zou beter kunnen, maar het grote probleem is toch de te grote instroom in de WAO/AAW, in het verleden en ook nog in het heden. Ik vind dat daar vanmiddag verbazend weinig over is gesproken. Met mijn geestverwant Schutte in de Tweede Kamer ben ik van mening dat nog lang niet al het mogelijke is gedaan om dit probleem rechtstreeks aan te pakken. Ik vind op dit punt bijvoorbeeld ook steun in een recent Volkskrantartikel van Mart van Stralen, GAK-directeur en lid van de PvdA. Terecht schrijft hij dat de les van de WAO-enquête toch geen andere kan zijn dan dat het grote probleem zit in de toegang tot de WAO. Ik stel een paar vragen. Waarom is er geen verplichte intercollegiale toetsing, een second opinion, bij volledige afkeuring? Waarom is er geen mogelijkheid van beroep tegen een arbeidsongeschiktheidsverklaring? Waarom is er geen concurrentie in het aanbod van de uitvoering van de WAO? En -die vraag is vanmiddag al vaker gesteld -is het nieuwe arbeidsongeschiktheidscriterium deugdelijk? Blijkbaar hebben de Nederlandse artsen grote twijfels. Het experiment van de TBA heeft onzes inziens uitgewezen dat bij de huidige maatschappehjke en politieke verhoudingen in de beperking van de uitkeringsrechten geen oplossing van het WAO-probleem kan worden gevonden. Het lijkt mij verstandig om die conclusie hier in dit huis maar expliciet te aanvaarden. De energie die wij -op het huidige spoor -zouden moeten steken in het beperken van de schade, kunnen we beter besteden aan het uitwerken van echte oplossingen.

©

H. (Harm) van der MeulenDe heer Van der Meulen (CDA): Mijnheer de voorzitter! Als laatste in de rij wil ik de nieuwe staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid geluk wensen met zijn benoeming. Ik gebruik dat woord toch maar. Voor hem is het echter een benoeming met een bepaald randje, misschien wel een zwart randje. Wat men ook van de toenmalige staatssecretaris kan zeggen -ik wil mij helemaal niet in die discussie mengen -één ding staat vast: zij beheerde het terrein waarop zij staatssecretaris was volledig. De nieuwe staatssecretaris moest een voor hem heel bekend terrein verlaten en treedt nu een andere arena binnen met een aantal diep ingrijpende en complexe wetsvoorstellen. Ik wens hem het allerbeste en ik wens hem daarbij ook veel wijsheid toe. De CDA-fractie treedt de nieuwe staatssecretaris met vertrouwen tegemoet. Gekscherend heb ik hem gezegd dat hij er op moet rekenen dat de Eerste Kamer het hem moeilijk zou maken, waarop hij antwoordde dat dit niet zo moeilijk zou zijn omdat hij zich wel in zeer korte termijn in moest werken in problemen die hij eerder vanaf de zijlijn had gevolgd. Ook uit dien hoofde ben ik benieuwd wat er morgenochtend allemaal gaat gebeuren. De nadere memorie van antwoord is van de hand van de nieuwe staatssecretaris. Direct al in de eerste Van der Meulen volzin constateert hij dat dit wetsvoorstel al een politiek en maatschappelijk roerige geschiedenis achter de rug heeft. Dat mag men wel stellen. Het is niet allemaal even fraai geweest Ik zal de hele geschiedenis niet oprakelen, al heb ik vanmiddag aardig wat minuten toegewezen gekregen. Ik sta hierbij slechts een moment stil. Op enig moment stelt de minister-president dat de coalitiegenoten er niet uit kunnen komen en dat het parlement, desnoods met wisselende meerderheden, maar een standpunt moest bepalen. Toen de spanning hoog opliep en er ailerlei verwikkelingen plaatsvonden buiten het parlement om -in de Tweede Kamer is daar uitvoerig over gesproken -kwam op 23 januari het verlossende woord. Ik citeer de NRC van 25 januari: "Tussen de resten van de chinese afhaalmaaltijd in een rijtjeshuis in Bergschenhoek werd zaterdagavond de sinds 1991 rondspokende WAO-kwestie politiek onschadelijk gemaakt. De gebeurtenissen rolden als een spannende film voorbij, aldus een van de betrokkenen." Het hele volk weet nu wel waar de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid woont, maar waar de plaats precies ligt is wat anders. Wat toen exact werd afgesproken, was voor velen ook niet zo bevredigend. In dat zelfde artikel stelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid dat het wel ongebruikelijk is om de portefeuillekwestie te stellen voordat de collega's het wisten. Dat is wel zeer ongebruikelijk. Nu heb ik een wat ondeugende vraag aan de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs en Wetenschappen: wanneer werd hij op de hoogte gesteld? Zeer belangrijk in het compromis was het besluit om de bestaande gevallen te ontzien, met als peildatum 25 januari 1993. Dit ging wel ten koste van toekomstige arbeidsongeschikten. Bij maatschappelijke groeperingen is het eerste besluit goed gevallen, het tweede besluit kreeg een minder goed onthaal. In een eerder traject is gewerkt met het begrip "onomkeerbare gevallen". Het is te betreuren dat hier nog geen oplossing voor werd gevonden. Op enig moment -het was nog in september 1991 -heb ik via het CNV-blad Opinie gesteld "dat het toch mogelijk moet zijn dat we een systeem ontwikkelen waarin deze mensen worden ontzien". En voorts: "Binnen de Nederlandse vakbeweging zit onder de leden voldoende deskundigheid. Laten die mensen zich suf piekeren om hieraan een bijdrage te leveren. We kunnen tegenwoordig alles, we moeten het proberen, we hebben nog wel even de tijd, zodat mensen kunnen zeggen 'we hebben wel een uitzichtloze gezondheid, geen kansen op een baan, maar we zijn wel verzekerd van een rechtvaardige uitkering'." Einde citaat uit eigen werk. Maar de problematiek was blijkbaar ook voor hen te weerbarstig. Een oplossing bleef uit. Dat is te betreuren, want het zou de problematiek hebben vereenvoudigd. We hebben nu de situatie dat de afstand tussen oude en nieuwe WAO-gerechtigden wordt vergroot. Dat was niet de uitgangsstelimg van het kabinet. We hebben daarover vragen gesteld in het voorlopig verslag. Bij alle commotie die ontstaan is over de positie van de chronisch zieken, die terecht een prominente plaats hebben gekregen in het nader voorlopig verslag en het eindverslag, mag bij deze behandeling niet vergeten worden dat er ook nog zoiets is als een voorlopig verslag en een memorie van antwoord. Dat is vanmiddag ook wel gebleken. Ik hecht eraan, ook in dit debat de randvoorwaarden te memoreren die het kabinet zich had gesteld, te weten: a. een zo kort mogelijke periode tussen de twee verschillende systemen; b. een niet al te groot verschil tussen bestaande en nieuwe gevallen. Als argument werd aangevoerd dat het over een aantal jaren aan de mensen niet meer uit te leggen is dat er zulke grote verschillen zijn. Nu zijn de verschillen nóg groter geworden, zowel in hoogte als tijdsduur Is dit nu wél aanvaardbaar, hebben we in het voorlopig verslag gevraagd. We hebben het antwoord op deze vraag, in relatie tot die randvoorwaarden, nergens kunnen vinden. Vandaar dat we deze vraag nu nogmaals stellen aan de nieuwe staatssecretaris. Voorts lezen we in de memorie van antwoord -ook een vraag van het CDA, die wèl beantwoord werd-"dat het wel meer voorkomt dat in het gemeen overleg tussen regering en parlement uiteindelijk een andere keus wordt gemaakt". Maar, zo vraag ik de staatssecretaris, is er wel sprake van een gemeen overleg als op maandag 25 januari 1993 een nieuw voorstel op tafel komt, als de afhandeling in de Tweede Kamer plaatsvindt op woensdag 27 januari met een eindstemming op donderdag 28 januari en als dat gebeurt met het mes van een kabinetscrisis op tafel? Is er zo sprake van gemeen overleg, dus niet van een gemeen overleg, maar van een gemeend overleg, zoals dat gemeen moet worden verstaan! We hebben voorts een vraag gesteld over het ontdooien van de voorgestelde bevriezing bij de WAO, maar die nog wel intact bleef bij de Algemene nabestaandenwet. We willen de discussie daaromtrent nu niet voeren, alhoewel voor ons de vraag stellen tevens het antwoord inhoudt. Dit wetsvoorstel ligt momenteel weer in de Tweede Kamer en mocht het op enig moment weer aan deze Kamer ter behandeling worden aangeboden, dan zullen we daarover gemeen overleg voeren. Wat het overgangsrecht in het algemeen betreft wordt verwezen naar de beschouwingen in de notitie "Overgangsrecht bij wijzigingen in sociale verzekeringswetten". Het presidium van de Eerste Kamer heeft besloten, deze nota op enig moment te agenderen. We willen deze discussie afwachten Wij zullen dit wetsvoorstel daarmee niet belasten. Wat in het vat zit, verzuurt niet. In de nadere memorie van antwoord wordt een opsomming gegeven van de wetsvoorstellen die betrekking hebben op het terugdringen van het ziekte/arbeidsongeschiktheidsverzuim en als voorshands laatste onderdeel, de uitvoeringsorganisatie. Voorshands, als de laatste. Heeft, zo vroegen wij ons af, de staatssecretaris nog wat "achter de hand"? In dit kader willen wij graag enkele opmerkingen maken over en hebben we als fractie wederom behoefte stil te staan bij het onderscheid risque professionnel en risque social. De heer Heijmans heeft ons hierop aangesproken. Hij wordt op zijn wenken bediend. Voorzitter! Bij de totstandkoming van de WAO heeft Nederland Van der Meulen gekozen voor een genereus stelsel, te weten: -geen onderscheid in het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid; dat kan zowel gebeuren in de "beroepssfeer" als in de "sociale sfeer"; -geen onderscheid in psychische en psychosomatische arbeidsongeschiktheid; -het verdisconteren van de arbeidsmarktkansen gelet op het eigen beroep, bij de beoordeling van de kansen op terugkeer op de arbeidsmarkt; hier werd dus wel rekening gehouden met de "beroepssfeer", en -een hoog uitkeringspercentage. Op basis van dit systeem ontstond een bepaalde interpretatie en, mede daarop gebaseerd, een soepele toekennings-en toepassingspraktijk. Correcties, die daarop in de jaren daarna volgden, hebben niet kunnen verhinderen dat het aantal WAO-gerechtigden gestaag bleef groeien. Als grootste aandeel in het totaal maar ook in de instroom worden in de analyses wel genoemd: -de arbeidsongeschiktheid als gevolg van psychische en psychosomatische oorzaken, en -mede als gevolg hiervan, het ontstaan van arbeidsongeschiktheid in de "sociale, zo u wilt, privésfeer". Indertijd is de wetgever er kennelijk van uitgegaan, dat arbeidsongeschiktheid als gevolg van een bedrijfsongeval of beroepsziekte verreweg de meest voorkomende situatie zou zijn en dat daarbij arbeidsongeschiktheid in de sociale privésfeer, bijvoorbeeld als gevolg van een ongeval in het verkeer, bij het werken en tijdens het sporten in de toegenomen vrije tijd, of als gevolg van levensproblemen (psychische en psychosomatische klachten) op de koop toe moest worden genomen. Het hart lag toen in bedrijfsongevallen en beroepsziekten en waaierde als het ware uit naar de rest. Onderschrijft de bewindsman deze vaak gehoorde en in literatuur beschreven analyse? Is de bewindsman het eens met het standpunt, dat verbetering van arbeidsomstandigheden, hoe belangrijk ook in werksituaties, en het opleggen van cumulatieve boetes aan werkgevers -ik kom hierop nog terug -slechts een beperkte uitwerking hebben op de verlaging van het aantal WAO-gerechtigden?

Is het anno 1993 nog te rechtvaardigen, dat arbeidsongeschiktheid als gevolg van een bedrijfsongeval, beroepsziekte of anderszins als gevolg van werkomstandigheden, over één kam geschoren wordt met arbeidsongeschiktheid voortkomend uit de sociale privésfeer? Zou er ook in dit opzicht geen onderscheid gemaakt moeten worden tussen werken en niet werken? Ziet Nederland het als enig land in Europa goed en zitten alle andere landen op een dwaalspoor? Als er nagedacht wordt over de vraag, hoe het in de toekomst moet, wat vindt de bewindsman dan van het volgende systeem? Op de eerste plaats een aparte arbeidsongeschiktheidsregeling voor in loondienst werkenden en voor zelfstandigen. Op de tweede plaats in de regeling voor in loondienst werkenden een onderscheid naar risque professionnel en risque social. Voor het eerste risico een hoge uitkering, bijvoorbeeld 80% a 85% van het laatstgenoten loon, en voor het laatste risico een lage uitkering van 60% a 70% van het laatstgenoten loon. Misschien moet er sprake zijn van invoering van opbouwcriteria: dienstjaren en/of leeftijd dan wel betaalde premiejaren. In de derde plaats noem ik het onderscheid tussen beide groepen. Uit het verleden weet ik hoe het bij de ongevallenwet en de invaliditeitswet is gegaan. Ik heb er mooie verhalen over te vertellen, als het moet. In deze tijd, waarin zoveel kan, moet worden gedacht aan onderscheid tussen beide groepen. De eerste groep bevat bedrijfsongevallen, beroepsziekten opgenomen op een lijst en arbeidsongeschiktheid toe te wijzen gelet op de werksituatie. Alle overige "arbeidsongeschiktheid" valt onder het niet-werkenbegrip, de sociale privé-sfeer. Dit brengt ons bij een onderwerp dat op de problematiek van beroepsrisico's en sociale risico's nauw aansluit, namelijk het bonus/malussysteem. De memorie van antwoord kenschetst dlt systeem in haar uitwerking als de meest ultieme, op werkgevers gerichte vorm van premiedifferentiatie in de AAW. Wat hiervan ook waar moge zijn, de vraag is of het systeem zelf redelijk is en of het, betrokken op het doel, ook effectief is. Ten aanzien van beide vragen bestaan grote twijfels, zoals vanmiddag al eerder is gezegd. De werkgevers -en ik spreek niet altijd hun taal -ervaren het bonus/malussysteem als onrechtvaardig en niet effectief, zie hun herhaalde signalen. Hun klachten zijn onder andere de volgende. -Ook voor arbeidsongeschiktheid, ontstaan in de sociale sfeer, worden zij aangeslagen voor een boete -De hoogte van de boete is niet gekoppeld aan de uitkering, inclusief het maximum van WAO-dagloon, maar aan het salaris. -De boete is des te hoger naarmate het invalidiseringsrisico in de bedrijfstak lager is; dus hoe groter de inspanning tot terugdringing van verzuim, hoe hoger de malusü Voorzitter. De combinatie van deze drie klachten brengt de werkgevers tot "de meest ultieme" afwijzing van het bonus/malussysteem. Ook de heer mr. Fase laat in zijn rede ter gelegenheid van de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Recht van de sociale zekerheid aan de Rijksuniversiteit Limburg op 3 juni weinig heel van het bonus/malussysteem. Ik ga ervan uit dat men in ieder geval op het ministerie kennis heeft genomen van deze kritiek. Als dat niet het geval is, heb ik hier het hele verhaal. Maar ik denk dat men precies weet waarover ik het heb. Zo wijst de heer Fase er onder meer op dat de werkgever voor één casus arbeidsongeschiktheid met vier boetes kan worden geconfronteerd: 1. de malus van het bonus/malussysteem; 2. de boete van artikel 35 WAO, juncto 46 AAW; 3. de uitkering die door de bedrijfsvereniging kan worden verhaald, als de werkgever geen terugkeerplan opstelt; 4. de loonverplichting van de eerste 6 weken, terwijl het ziekteverzuim nadien zwaar drukt op zijn ziekteverzuimcijfers, wat een indeling in een hogere premieklasse tot gevolg kan hebben. Voorzitter. Gaarne willen wij van de bewindsman vernemen of hij deze kritiek deelt. Wij willen hem met klem verzoeken in ieder geval de verdubbeling van de malus achterwege te laten, te meer daar de gegevens van de knelpunteninventarisatie en de resultaten van een eerste evaluatie van het bonus/ Van der Meulen malussysteem nog niet ter beschikking staan. Wij hebben ook een vraag gesteld over de op handen zijnde herkeuringen van huidige WAO-gerechtigden. Hoe staat het precies met de verandering van de formule "gelijkwaardige arbeid" in "gangbare arbeid"? Hoe zit het met de zaken die door de artsen worden genoemd? Gesteld wordt dat de arbeidsongeschiktheid op een totaal andere wijze moet worden vastgesteld dan bij de Ziektewet en de Werkloosheidswet, wanneer het gaat om een uitkering. Is er eenduidigheid over het begrip "gangbare arbeid"? Wil de staatssecretaris reageren op de opvatting van de directeur van het GAK te Heerlen? Die stelt in de Volkskrant van donderdag 24 juni jongstleden, dat "als mensen nog iets kunnen verdienen deze theoretische verdiencapaciteit op de WAO in mindering wordt gebracht." Ligt het bij het verzwaren van de toetredingseis tot de WAO niet voor de hand nog eens na te denken over de vraag wat er moet gebeuren wanneer gangbare arbeid niet voorhanden is? Of staat de staatssecretaris op het standpunt, dat er altijd wel wat te vinden is? In hetzelfde artikel wordt gezegd: "De keuringsarts wordt gedwongen bij gebrek aan richtlijnen (de vraag is of dat zo is) tot een keuze tussen een onrechtvaardige wettelijke bepaling en zijn eigen sociale en medische geweten. Het toekomstige oneigenlijke gebruik staat hiermee al in de steigers." Dit schrijft een directeur van een GAK en hij is toch niet de eerste te beste. Die zal toch zeker wel weten wat er in zijn tent omgaat. Op dit punt knjgen wij graag een reactie van de staatssecretaris. Ik ga nu niet in op de brief die de artsen hebben geschreven. Die brief heb ik vanmorgen in mijn vakje gevonden, maar nog niet kunnen lezen. Anderen hebben dat gelukkig wel gedaan. Maar die brief liegt er toch ook niet om. Krijgen wij straks weer te maken met een golfgolfje van oneigenlijk gebruik? Voorzitter! Dan hebben we nog een paar losse einden. Uit het wetsvoorstel hebben we begrepen, dat alle WAO-gerechtigden die op de dag van inwerkingtreding een uitkering hebben en die na die tijd weer aan het werk gaan bij een volgende uitval aanspraak kunnen maken op een uitkering volgens de oude regeling. Mij lijkt dat het GAK zich vergist. Dat werd vanmiddag al aangetoond. Uit een oogpunt van bevordering van reïntegratie is het gestelde een uitstekende zaak, maar ik heb op dit punt twee vragen. Is deze "heropening van rechten" aan een bepaalde tijd gebonden? Kan bijvoorbeeld in het jaar 2010 of in het jaar 2020 -we hebben dan het magische jaar 2000 gehad -nog een beroep gedaan worden op een besluit dat in 1993 is genomen? Is er een verband of moet er een verband bestaan tussen de eerste uitval en de onverhoopt tweede? Moeten ze in elkaars verlengde liggen of kunnen het totaal verschillende gevallen zijn? En dan de WSW-kwestie! Voorzitter! Het gaat hierbij om een bedrijfstak met 84.000 werknemers. Vandaag heb ik voor het eerst een petitie ontvangen. Ik heb ze bijna altijd uit moeten reiken. Ik voelde mij bij deze mensen ook wel thuis. Welnu, daar zitten ze met een probleem. Van die 84.000 werknemers hebben er ongeveer 45.000 een AAW/WAO-uitkering. Die mensen zullen onder de oude regeling vallen. Het dichten van het WAO-gat geeft problemen. Ik vraag hiervoor in het bijzonder de aandacht van de staatssecretaris. Ik wil niet ingaan op het overleg, al heb ik daar soms wel zin in. Dit mag echter niet. Ik heb begrepen dat het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid als werkgever een koppeling legt met de onderhandeling namens het overheidspersoneel over de beruchte en beroemde 2,5%. Die koppeling lijkt mij niet juist. In het geval van de WSW wordt door vertegenwoordigers zelfstandig onderhandeld en daarbij gaat het niet om 2,5% erbij. Het is dan niet juist dat men zegt: eerst moeten wij overeenstemming met de ambtenaren bereiken over de 2,5% en pas dan gaan we met jullie over het dichten van het gat praten. Het lijkt er overigens op, dat ik nu aan het onderhandelen ben. Voorzitter! Ik heb ook begrepen, dat het ministerie geen begin wil maken met het instellen van een studiecommissie die de problemen en de eventuele oplossingen in kaart zou kunnen brengen. Eerst zouden de acties moeten worden afgeblazen. Toen ik dat hoorde, dacht ik: ik waan mij in het jaar 1950! Als er toen gestaakt of actie gevoerd werd, zeiden de werkgevers: eerst weer aan het werk en dan praten. Maar zo gaan wij nu niet meer met elkaar om. Dat is al lang verleden tijd. Ik wil de staatssecretaris dan ook in overweging geven, die werkgroep toch zo snel mogelijk te starten, Wie weet, komt dan het overleg ook weer op gang. Ik kom dan op de aanvullende verzekeringen. Wij hadden eerst de oude gevallen, toen de brandende huizen en wij zijn nu bezig met de smeulende woningen. Die zijn moeilijk verzekerbaar. Wij waarderen de ernstige pogingen die de minister en de staatssecretaris ondernemen om met de verzekeraars tot een oplossing te komen. Maar die eindsprint is wel laat ingezet. In eerste instantie heeft het ministerie zeven weken nodig gehad om een memorie van antwoord te schrijven; dat in schrille tegenstelling met de WVG, waarbij de ambtenaren kans zagen om binnen zes dagen een memorie van antwoord te schrijven. In onze visie heeft dat dus veel te lang geduurd. Wij dachten dat de eerste memorie van antwoord in drie a vier weken binnen zou zijn, dat wij dan verder zouden gaan en dat wij ons dan op 1 juli konden richten. Dat heeft dus wel tot vertraging geleid. Daar kwam nog bij dat het kabinet of de minister en de staatssecretaris helemaal geen gehoor gaven aan de problemen die door de hele Kamer in eerste instantie al werden gesignaleerd. Het kabinet stond met de rug naar deze groep toe. Dat is bij ons toch ook wel pijnlijk overgekomen. Door de Eerste Kamer is de druk toen fors opgevoerd. Bij het nieuwe duo De Vries-Wallage werd wel gehoor gevonden. Ik ga niet in op het antwoord van de Verzekeringskamer. Ik wil wel een opmerking maken over de brief van de staatssecretaris aan die Verzekeringskamer. Daarin wordt gesteld dat de problematiek van de ontoegankelijkheid zich concentreert op individuele verzekeringspolissen, gezien de garantstelling van verzekeraars dat verzekeringen voor zogenaamde collectiviteiten in beginsel volledig toegankelijk zijn. Maar vanmiddag is ook al gesignaleerd dat een collectiviteit van minder dan 50 personen een individuele behandeling krljgt. Hoe dat uitwerkt, wil ik de staatssecretaris in het kort meedelen.

Ik heb hier een vrouw van 42 jaar, fulltime werkend, diagnose MS. Zij werkt als organisatieadviseur bij een organisatiebureau dat tien medewerkers in loondienst heeft. Er is offerte gevraagd. Omdat één van die tien MS had, bleek dat de premie voor al die medewerkers moest worden verhoogd van 3 naar 9%. Zij schrijft mij: Misschien kunt u zich voorstellen dat ik mij naar mijn collega's toe niet lekker voel in deze situatie: zonder haar 3%, met haar allen 9%. Indien door mijn toedoen de premie van mijn collega's extreem verhoogd wordt, zal ik mij genoodzaakt voelen om mij vrijwillig terug te trekken uit de verzekering. Dit zou in de toekomst, wanneer ik arbeidsongeschikt zal zijn, grote gevolgen hebben. Ook wij vinden het helder en duidelijk dat hiervoor een oplossing moet worden gevonden, dus niet alleen voor de echt individuelen maar ook voor de mensen die werken in die kleme, individueel behandelde collectiviteiten. Het antwoord van de Verzekeringskamer is binnen. Ik ga daar echter niet op in. Ik ga ook niet in op het begeleidende briefje. Ik begrijp best dat de reactie niet ogenblikkelijk klaar is. De stukken van de Verzekeringskamer zijn immers maandagmiddag binnengekomen. Mijn fractie staat echter wel op het standpunt dat het woord nu ten eerste aan de staatssecretaris is en misschien zelfs wel aan het kabinet. Als dat standpunt morgen komt, zullen wij dat in de fractie bespreken. Het luistert namelijk erg nauw; van ons wordt een zorgvuldige afweging gevraagd. Het kabinet is echter aan zet, niet wij. Wij handhaven evenwel het in de laatste nota gestelde, namelijk dat ook wij vinden dat er een overeenkomst op hoofdlijnen gesloten moet worden, alvorens wij tot afhandeling kunnen overgaan. Ik heb de indruk -ik weet het eigenlijk wel zeker -dat er op dit moment bij de huidige stand van zaken geen sprake is van voldoende vertrouwen in het feit dat er een dergelijke regeling komt, hoe die er ook uit zal zien. Ik neem aan dat het kabinet en de verzekeraars zich daar voldoende van bewust zijn. Voorzitter! Ik kom terug op het wetsvoorstel. De openingszet van de staatssecretaris in de nadere memorie van antwoord luidde: "Het wetsvoorstel waarop deze nadere memorie betrekking heeft, heeft al een politiek en maatschappelijk roerige geschiedenis achter de rug." Met wisselend succes hebben vanaf 1991 voor-en tegenstanders zich tot het uiterste ingespannen; de een om het voor elkaar te krijgen en de ander om het af te wijzen. Velen vragen zich af, het resultaat of, zo men wil, het slagveld overziende, of dit al die energie van voor-en tegenstanders wel waard is geweest. De Prediker zou zeggen: "Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen onder de zon?" Voorts zou hij zeggen "Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend." Ik herken mij daarin. Ik zou graag willen dat deze nieuwe staatssecretaris, althans nieuw op Sociale Zaken en Werkgelegenheid, een winst-en verliesrekening opmaakt. Anderen hebben heel wat minder genoemd vanmiddag. Ik ga dat niet herhalen Misschien was er hier en daar sprake van een plusje. Ik zou echter graag willen dat de staatssecretaris ons de balans voorhoudt en aangeeft welke winst dit wetsvoorstel ons zal geven en waar er verlies gesignaleerd moet worden. En de vraag is, om nog eenmaal de Prediker te citeren, of het einde beter is dan het begin. Men kan zo zijn twijfels hebben. Misschien kan de staatssecretaris deze twijfels wegnemen. Met meer dan gewone belangstelling zien wij ook op deze vraag het antwoord tegemoet.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter De staatssecretaris zal morgenochtend om tien uur met zijn beantwoording beginnen.

Sluiting 18.23 uur.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.