Nota naar aanleiding van het eindverslag - Wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging wekeneis)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG Ontvangen 29 november 1993

  • Inieiding

Ik dank de leden van alle fracties voor de grote snelheid waarmee het eindverslag is uitgebracht. De leden van de PvdA-, VVD-, D66-en Groen-Linksfracties hadden nog enkele vragen en opmerkingen waarop zij gaarne een reactie van de regering zagen. Alvorens daar op in te gaan, meen ik er goed aan te doen te wijzen op het feit dat er zeer tot mijn spijt op grond van tussentijds cijfermateriaal dat door de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) is vervaardigd, twijfel is ontstaan over de hoogte van de met het voorstel gepaard gaande besparing, in die zin, dat deze volgens het FBV-materiaal substantieel lager uit zou vallen dan de door mijn departement becijferde besparingen. In de financiële paragraaf van deze memorie wordt hierop nader ingegaan. Het spreekt voor zich dat alle inspanningen er op gericht zullen zijn zo spoedig mogelijk uitsluitsel te krijgen over de betrouwbaarheid van dit cijfermateriaal van de FBV, en daarmee over de juiste te verwachten besparingseffecten van de voorgenomen aanscherping van de wekeneis. Vóór de plenaire behandeling van het voorliggende wetsvoorstel, zal ik Uw Kamer nader inlichten. Hoewel de effecten van de maatregel substantieel geringer kunnen blijken te zijn dan verwacht, ben ik tot de conclusie gekomen dat het toch aanbeveling verdient de voorliggende verscherping van de wekeneis door te zetten. Mijn overweging daarbij is, dat een minder gemakkelijke toegang tot de Werkloosheidswet (WW) geboden blijft.

In het onderstaande is rekening gehouden met de kans dat de FBV-cijfers juist blijken te zijn. Echter, bij de beantwoording van vragen over de eerder gemelde kwantitatieve effecten is uiteraard uitgegaan van de oorspronkelijke cijfers.

  • Algemeen

De leden van de WD-fractie kwamen nog terug op hun eerdere vraag inzake het aanscherpen van het begrip gewerkte week. Deze leden verzochten om nadere informatie omtrent de extra inspanningen welke ten opzichte van nu nodig zijn om vast te stellen dat er in een bepaalde week arbeid is verricht, alsmede of op voldoende dagen en uren is gewerkt. De zinsnede «in ten minste 26 weken» in het huidige artikel 17 lid 1 WW houdt in dat elke week waarin als werknemer is gewerkt meetelt voor de wekeneis. De bedrijfsvereniging behoeft dus slechts na te gaan óf in een bepaalde week arbeid als werknemer is verricht, onverschillig de omvang van die arbeid. Wanneer als aanvullende voorwaarde zou gelden dat in een week op ten minste twee of drie dagen moet zijn gewerkt gedurende ten minste 4, 6 of 8 uren per dag zal de extra inspanning van het uitvoeringsorgaan gelegen zijn in het moeten vaststellen van deze gegevens. Het uitvoeringsorgaan zou over ten minste 26 in de referteperiode gelegen weken de daadwerkelijk gewerkte dagen en uren moeten tellen om te kunnen bezien of aan de wekeneis is voldaan. Deze methode van aanscherping acht ik op zichzelf niet onmogelijk of onuitvoerbaar maar heeft niet mijn voorkeur wanneer eenvoudiger alternatieven voorhanden zijn. De registratie van per week gewerkte dagen en uren zou ook voor werkgevers een extra administratieve belasting betekenen. Tot slot wijs ik de leden van de VVD-fractie nog eens op het vermoeden van indirecte discriminatie, dat zou kunnen ontstaan indien de wekeneis zou worden verscherpt door het stellen van een minimum aan de gewerkte dagen en uren per week.

Eenzelfde vraag stelden de leden van de VVD-fractie met betrekking tot de uitspraak in de memorie van antwoord, dat de beoordeling in het kader van de oude Werkloosheidswet van de vraag of iemand met een onregelmatig arbeidspatroon bij het vervallen van de minimumeis van 65 dagen aan de wekeneis zou voldoen, problematisch zou blijven. Indien in de oude systematiek het minimum van 65 dagen niet had bestaan, zou die beoordeling -in vergelijking met de huidige situatie -toch een extra inspanning van de bedrijfsverenigingen gevergd hebben. In de eerste plaats zou nagegaan dienen te zijn of er sprake was van een regelmatig dan wel een onregelmatig arbeidspatroon, met alle bezwaren van dien. Zo zouden criteria dienen te zijn gehanteerd aan de hand waarvan de aard van het arbeidspatroon (regelmatig dan wel onregelmatig) werd beoordeeld. Vervolgens zou ten aanzien van de deeltijdwerker met een onregelmatig arbeidspatroon moeten zijn vastgesteld op hoeveel dagen hij gemiddeld per week had gewerkt in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn werkloosheid. Op het punt van de wekeneis ben ik van oordeel dat de huidige WW beter uitvoerbaar en minder casuïstisch is dan de oude systematiek. Tot mijn spijt kunnen de leden van de VVD-fractie mij in mijn redenering ten aanzien van de herlevingstermijnen niet volgen. Zoals ik in de memorie van toelichting en in de memorie van antwoord heb uiteengezet, ben ik van mening dat degenen die in de toekomst reeds aan de verscherpte wekeneis hebben voldaan en van wie derhalve aangetoond is dat de band met het arbeidsproces sterk genoeg is, niet met verkorte herlevingstermijnen dienen te worden geconfronteerd bij de vraag of een eenmaal verkregen recht op uitkering na een eventuele beëindiging daarvan kan herleven. Anders dan de bovengenoemde leden, ben ik derhalve niet van mening dat de gevraagde band met het arbeidsproces ook in het kader van de herlevingsmogelijkheden van het recht op uitkering dient te worden verzwaard.

De leden van de PvdA-fractie vroegen of zij het juist zagen dat een groot deel van de in de memorie van antwoord genoemde deelgroepen, namelijk uitzendkrachten, op/afroepcontractanten en thuiswerkers meestal weinigverdienende werknemers met een toch al zwakke arbeidsmarktpositie zijn. De leden van de fractie van GroenLinks vonden het onaanvaardbaar dat deze groepen door de voorgestelde verscherping zullen worden getroffen. Volume-effecten in de WW kunnen, zo vervolgden deze leden, immers veel beter bewerkstelligd worden door een betere werkgelegenheidspolitiek, gericht op herverdeling van betaald werk en op het bevorderen van werkgelegenheid aan de «onderkant» van de arbeidsmarkt.

Inderdaad zullen vooral in de categorieën op/afroepcontractanten en thuiswerkers weinigverdienende werknemers relatief vaak voorkomen. Dit is echter geen reden om van het wetsvoorstel af te zien. Immers, de band met het arbeidsproces die op dit moment gevraagd wordt, wil men in aanmerking kunnen komen voor een WW-uitkering, is te zwak. Daarom is besloten deze band door middel van de voorliggende aanscherping van de wekeneis voor alle werknemers te versterken. Dit brengt onlosmakelijk met zich dat in de toekomst personen die de gevraagde sterkere band met het arbeidsproces niet hebben, bij werkloosheid geen recht op WW-uitkering zullen verkrijgen. Of men veel of weinig verdient is voor de vraag of men aan de wekeneis kan voldoen niet van belang, en deze vraag dient naar mijn mening daarvoor ook niet relevant te zijn. Opgemerkt zij nog dat aan de zwakke arbeidsmarktpositie van op/afroepcontractanten en thuiswerkers in het kader van het beleid inzake flexibele arbeidsrelaties veel aandacht wordt besteed. Aan de leden van de fractie van GroenLinks kan ik antwoorden dat ook ik een groot belang hecht aan een goed werkgelegenheidsbeleid. De beleidsvoornemens op dit terrein zijn recentelijk neergelegd in de notitie «Meer werk, weer werk» (Kamerstukken II, 1993/94, 23406, nr. 1). Zoals uit paragraaf 4 van die notitie kan worden opgemaakt, acht de regering de problemen met betrekking tot vraag en aanbod op het onderste segment van de arbeidsmarkt van een dermate groot belang, dat besloten is een commissie in te stellen die de regering zal adviseren over de mogelijke oplossingen daarvoor.

Anders dan de leden van de fractie van GroenLinks, ben ik niet van mening dat de verscherping van de wekeneis extra nadelig is indien ook andere door de regering aangekondigde dereguleringsmaatregelen worden getroffen, zoals de afschaffing van de preventieve ontslagtoets en de verruiming van de mogelijkheden om werknemers in te lenen. Volgens de leden van GroenLinks zal de gemiddelde duur van de dienstverbanden daardoor bekort worden. Dat dit wat betreft de voornemens op het terrein van het verlenen van arbeidsbemiddeling en het ter beschikking stellen van arbeidskrachten niet zonder meer kan worden aangenomen, volgt reeds uit het gestelde in de memorie van antwoord. Door de voorgenomen afschaffing van de preventieve ontslagtoets zal de gemiddelde duur van vaste dienstverbanden naar verwachting iets korter worden, doordat de procedure voor de Regionaal Directeur voor de Arbeidsvoorziening niet meer gevolgd zal hoeven te worden. Het aantal door ontslag beëindigde vaste dienstverbanden dat hierdoor beneden een duur van 26 weken komt, waardoor niet aan de wekeneis zal kunnen worden voldaan, zal echter zeer klein zijn. Overigens zouden betrokkenen in dat geval ook zonder de voorgestelde aanscherping van de wekeneis niet voor een WW-uitkering in aanmerking komen. Immers, ook op dit moment dient men -tenzij men onder het Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet (verder te noemen: het Besluit) valt -26 weken te hebben gewerkt, wil men aan de wekeneis kunnen voldoen. Ten slotte merk ik op dat voor het vervallen van de preventieve ontslagtoets onder gelijktijdige invoering van een systeem van civielrechtelijke ontslagbescherming juist gekozen is, omdat daardoor de flexibiliteit van de arbeidsmarkt naar verwachting zal toenemen, terwijl ook een positief effect op de werkgelegenheid en op de mobiliteit op de arbeidsmarkt wordt voorzien.

De leden van de fractie van de PvdA konden de redenering van de regering ten aanzien van werknemers die werkzaam zijn als musicus of artiest volgen, maar waren nog niet overtuigd. Naar de mening van deze leden slaan de specifieke omstandigheden van deze groep niet alleen terug op de omstandigheden van de individuele werknemer, maar ook op de aard en omvang van het werk, zijnde vaak eenmalige produkties in de culturele sfeer. De leden van de PvdA-fractie zagen graag dat hierover contact werd opgenomen met de minister van WVC en hadden op dit punt graag een nader antwoord. Ik deel de opvatting van de leden van de PvdA-fractie, dat de specifieke omstandigheden van de groep van musici en artiesten mede zijn terug te voeren op aard en omvang van het werk in de culturele sector, alsmede dat het vaak om eenmalige produkties gaat. De duur van deze werkzaamheden kan evenwel sterk verschillen. Het kan gaan om een eenmalig optreden van een musicus, maar vaak is ook sprake van dienstverbanden voor langere tijd. In dat geval worden contracten voor bepaalde tijd gesloten voor de duur van de opnamen van een film of televisieserie, of voor de duur van een theaterproduktie. Het onregelmatig en wisselend karakter van de werkzaamheden in de culturele sector is algemeen bekend en op dit punt bestaat geen verschil van inzicht. Van de zijde van het ministerie van WVC zal deze zienswijze bevestigd kunnen worden. Ik geef er de voorkeur aan op dit punt geen nadere informatie in te winnen. Ik merk in dit verband nog op dat het juist de specifieke werkomstandigheden van musici en artiesten zijn geweest, die hebben geleid tot opname van deze beroepsgroep in het Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet. Anderzijds benadruk ik nogmaals dat de verlaagde wekeneis in concreto zeer soepel uitpakt voor de groep van ambulante musici en artiesten: het is voldoende wanneer door hen, mits verspreid over 16 weken, op 16 dagen is gewerkt in een tijdvak van 39 weken. Dit kan bereikt worden door deelname aan één langdurige produktie, of door deelname aan meerdere korter durende produkties of het verrichten van meerdere optredens. Wanneer men dan toch deze 16 dagen niet als musicus of artiest kan vervullen, dienen naar mijn oordeei de overige 23 of meer weken te worden benut door arbeid buiten dat beroep te verrichten.

De leden van de PvdA-fractie vroegen nogmaals naar de gevolgen voor seizoenwerkers van de voorgenomen bekorting van de referteperiode in het Besluit verlaagde wekeneisen WW. Zij vroegen of zij het juist zagen, dat het vervullen van deze arbeid steeds onaantrekkelijker wordt gemaakt. Zoals ook in de memorie van antwoord en in de hiernavolgende financiële paragraaf wordt aangegeven, zijn de gevolgen van de verkorting van de referteperiode in het Besluit van 12 maanden naar 39 weken naar verwachting marginaal. Immers, de verlaagde eisen van 20, 16 of 13 te werken weken blijven voor deze werknemers van kracht. Slechts de periode waarin dit aantal gewerkte weken moet worden gehaald, wordt verkort. Aangezien betrokkenen hun te werken weken doorgaans gedurende het seizoen in een aaneengesloten periode zullen halen, waarna ze direct na einde werk een WW-uitkering zullen aanvragen, zal de verkorting van de referteperiode voor seizoenwerkers nauwelijks negatieve gevolgen hebben. Uit het oogpunt van uniformiteit van regelgeving en ter bevordering van een goede wetsuitvoering is het echter wenselijk ook voor deze groep de referteperiode op 39 weken te stellen.

Ik deel de mening van de leden van de PvdA-fractie, dat seizoenarbeid steeds onaantrekkelijker wordt gemaakt, derhalve niet.

  • Financieel

De raming van de financiële gevolgen van de beoogde verscherping van de wekeneis is, vanwege het niet beschikbaar zijn van recente gegevens, gebaseerd op informatie ontleend aan in het verleden verricht onderzoek. Daarbij is, zoals reeds aangegeven in de memorie van antwoord, gebruik gemaakt van informatie uit het arbeidsverledenonderzoek 1985, waarvan de resultaten zijn weergegeven in de nota naar aanleiding van het eindverslag van de nieuwe Werkloosheidswet (Kamerstukken II, 1985/86, 19261,nr. 15). Via interpolatie van de effecten van de in deze nota weergegeven varianten van de arbeidsverledeneis is daarbij het effect van de beoogde verscherping wekeneis bepaald. Op verzoek van de Sociale Verzekeringsraad (SVr) is door de Federatie van Bedrijfsverenigingen onderzoek verricht naar de effecten van de beoogde verscherping van de wekeneis van 26 uit 52 tot 26 uit 39 weken, zoals opgenomen in het onderhavige wetsvoorstel, en van een verscherping van de 3 uit 5-eis tot 3 uit 4. Laatstgenoemde verscherping maakt evenals de verlenging van de duur van de vervolguitkering deel uit van een aanvullend pakket van maatregelen in de WW waartoe het kabinet in augustus jl. heeft besloten. Ik neem aan dat door de leden van de fractie van de PvdA op dit onderzoek wordt gedoeld, wanneer deze leden vragen naar de uitkomsten van het door de SVr gestarte onderzoek naar de effecten van de verscherpte wekeneis op de «WW-uitstroom».

Een rapportage over het onderzoek van de FBV is zeer onlangs in concept gereed gekomen. Dit onderzoek is gebaseerd op recent cijfermateriaal, dat voor het Ministerie niet beschikbaar was. De in deze concept-rapportage opgenomen uitkomsten van eerste berekeningen op basis van steekproeven doen twijfel ontstaan over de omvang van de met genoemde voorstellen samenhangende besparingen. Volgens deze berekeningen zou het instroombeperkende effect van de beoogde verscherping van de wekeneis aanzienlijk geringer zijn dan de in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel veronderstelde effecten. Ook het effect van de verscherping van de 3 uit 5-eis tot 3 uit 4 zou volgens het onderzoek veel beperkter zijn dan door het kabinet is verondersteld. Op dit moment kan nog geen definitief oordeel worden gegeven over de kwaliteit van het desbetreffende onderzoek. Zoals aangegeven in de inleiding van deze nota zal ik op zeer korte termijn nadere informatie hierover verstrekken. Indien de uitkomsten van het onderzoek betrouwbaar blijken te zijn, (waarover ik op dit moment dus nog geen oordeel kan geven), zal het kabinet overwegen welke consequenties daaraan dienen te worden verbonden. Indien noodzakelijk zal het kabinet alternatieve cq. aanvullende maatregelen treffen om de beoogde ombuigingseffecten te bereiken.

De leden van de fractie van de PvdA wilden graag weten waarvoor de in de memorie van antwoord gebruikte omschrijving «aanmerkelijk besparingsverlies» staat. Deze beschrijving is gebruikt ten aanzien van het effect van het uitstel van de beoogde verscherping van de wekeneis tot 1 juli 1994. Bij uitstel van deze maatregel zou, uitgaande van de in de memorie van toelichting gehanteerde veronderstellingen, een besparingsverlies optreden van ca. 130 mln in de WW. Tegenover dit besparingsverlies in de WW staat echter een geringere weglek naar de ABW.

Per saldo zou bij uitstel sprake zijn van een nettobesparingsverlies van ca. 55 mln.

De leden van de PvdA-fractie vroegen zich voorts af hoeveel werknemers te maken zouden kunnen krijgen met het aanscherpen van de wekeneis, buiten de in het Besluit verlaagde wekeneis WW genoemde groepen. Het ging deze leden niet, zoals in de memorie van antwoord verondersteld wordt, om een overzicht per deelgroep, maar om de omvang van de totale groep. Als een aanmerkelijk besparingsverlies genoemd wordt, dan zou volgens deze leden toch een relatie moeten kunnen worden gelegd met het aantal werknemers waarom het gaat. De leden van de fractie van D66 hadden, evenals de regering, geconstateerd dat de aanscherping van de wekeneis met name gevolgen zal hebben voor werknemers met flexibele arbeidscontracten. Deze leden wilden weten welk deel van de instroombeperking toe te schrijven is aan het feit dat personen zonder vast werk niet langer een beroep kunnen doen op WW-uitkeringsrechten en welk deel van de structureie bezuinigingen op de WW wordt veroorzaakt door de wijziging van het besluit verlaagde wekeneis. In antwoord op deze vragen kan worden opgemerkt dat er in de raming van de financiële gevolgen van is uitgegaan dat het aandeel van personen waarvoor het Besluit verlaagde wekeneis WW geldt binnen de uitvalpopulatie te verwaarlozen is. Dit betekent dat deze uitvalpopulatie vrijwel volledig bestaat uit personen die niet onder het Besluit vallen. Het deel van de structurele besparing dat wordt veroorzaakt door een beperking van de instroom in de WW van personen behorend tot de zogenoemde Besluitgroepen is om deze reden eveneens te verwaarlozen. De leden van de fractie van GroenLinks hadden een duidelijke reactie gemist op hun eerder gemaakte opmerkingen met betrekking tot de toename van het WW-volume als gevolg van volumemaatregelen in de WAO. Voorzover de toename in de WW het gevolg is van maatregelen in de sfeer van de WAO, mag deze toename naar het oordeel van deze leden er niet toe leiden dat aan de bestaande aanspraken op de WW wordt gesleuteld, zo meenden deze leden. Het gaat dan niet alleen om de wet Terugdringing van het beroep op de arbeidsongeschtikheidsregelingen (TBA), maar ook om eerder getroffen maatregelen, zoals de afschaffing van de verdiscontering.

In aanvulling op mijn opmerking in de memorie van antwoord op dit punt wil ik er op wijzen dat een aanleiding voor het treffen van de onderhavige maatregel is gelegen in de tegenvallende ontwikkeling van de werkloosheid ten opzichte van het beeld zoals opgenomen in de Miljoenennota en de Macro Economische Verkenning (MEV) van het Centraal Planbureau voor het jaar 1993. In de ramingen ten behoeve van de MEV en Miljoenennota 1993 is rekening gehouden met de te verwachten effecten van de volumemaatregelen in de WAO op het WW-volume. Er kan derhalve geen directe relatie worden gelegd tussen de tegenvallende ontwikkeling van het WW-volume die sindsdien is opgetreden en de WAO-maatregelen.

De leden van de fractie van de PvdA hadden ten slotte graag een overzicht van de aantallen werknemers die de laatste drie jaar vielen onder artikel 1 en 2 van het eerder genoemde Besluit.

Informatie over de aantallen werknemers die in de laatste drie jaar vielen onder artikel 1 en 2 van het Besluit zijn niet beschikbaar. Een indicatie van de omvang van deze groep kan worden verkregen aan de hand van het onderzoek Uitkeringspositie van bijzondere groepen in de nWW van de FBV van mei 1992. Uit dit onderzoek kan worden opgemaakt dat in de periode 1 juni 1989 tot 1 juni 1990 in totaal ca. 15600personen behorende tot de besluitgroepen een WW-uitkering hebben aangevraagd. Van deze 15600personen behoren ca. 345 personen tot de categorie musici/artiesten.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Wallage

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.