Voorlopig verslag - Wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging van de wekeneis)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Vastgesteld 2 november 1993

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid', belast met het voorbereidend onderzoek van dit wetsvoorstel, heeft de eer over haar voorlopige bevindingen, als volgt verslag uit te brengen.

  • Inleiding

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel tot wijziging van de wekeneis in de Werkloosheidswet (WW). Het wetsvoorstel maakt deel uit van een pakket maatregelen om het beroep op de WW te doen dalen. Deze leden konden de doelstelling van het wetsvoorstel, namelijk om een sterkere band met het arbeidsproces te bewerkstelligen, onderschrijven. Immers, juist bij een loondervingsverzekering is dit van belang. Zij brachten in herinnering dat zij reeds tijdens de begrotingsbehandeling in december 1992 voorgesteld hadden de wekeneis aan te scherpen om tot ombuigingen in het kader van de WW te komen.

De leden van de fractie van de PvdA hadden begrepen dat deze wetswijziging onderdeel is van nog in te dienen wijzigingen van de Werkloosheidswet, zoals aangekondigd door het kabinet op 24 augustus 1993. Deze leden vroegen de regering waarom ervoor gekozen is eerst met dit voorstel te komen. Zij gaven te kennen dat zij zich konden voorstellen dat dit voorstel gezamenlijk met de eerdergenoemde wijzigingen van de Werkloosheidswet aan de Kamer zouden worden aangeboden. Deze leden drongen er bij de regering op aan om de betreffende maatregelen gezamenlijk te behandelen. Meerdere wijzigingen van de WW, die gevolgen zullen hebben voor de uitvoering, kunnen toch beter in één keer in de programma's van de uitvoeringsorganisaties verwerkt worden, zo dachten deze leden. Deze leden verbonden hieraan de vraag wanneer zij de overige voorstellen tegemoet konden zien. Deze leden hadden geconstateerd dat in de inleiding van de memorie van toelichting wordt opgemerkt dat de gevolgen van de voorgestelde wijzigingen op sociaal-economisch en emancipatorisch terrein van zeer beperkte aard zijn en dat daarom geen advies is gevraagd aan de SER en de Emancipatieraad. Deze leden vroegen de regering waarop deze veron- 315275F ISSN09217371 Sdu Uitgeverij Planlijnstraat 's Gravenhage 1993 derstelling gebaseerd is. Tevens wordt opgemerkt dat de SVr niet om advies gevraagd is, omdat de wijzigingen geen aanmerkelijke invloed hebben op de werkwijze en de belasting van de uitvoeringsorganen. Deze leden konden zich voorstellen dat dat op langere termijn inderdaad het geval zou kunnen zijn, maar voor de korte termijn, gewenning bij de aanvrager van toch minstens enkele jaren, leek hun dat niet het geval. Daarmee wilden zij niet zeggen dat per se advies gevraagd zou moeten worden, maar naar hun mening was de reden veel meer het spoedeisend karakter dat de regering met deze wetgeving voor ogen heeft. Zagen zij dat juist, zo vroegen deze leden.

De leden van de VVD-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij waren het met de regering eens, dat in geval van aanpassing van de wekeneis in de WW, dat ook zou moeten geschieden voor bepaalde groepen van ambtenaren in de zin van de Algemene burgerlijke pensioenwet, alsook voor het overig overheidspersoneel. Wel vroegen zij de regering, waarom dat zal geschieden via een aparte procedure, waar het de hiervoor als eerste genoemde groepen van ambtenaren betreft. Voorts vroegen zij hoe de regering de gelijktijdige verscherping van de ambtelijke rechtspositieregelingen van het overig overheidspersoneel concreet zal bevorderen.

De leden van de D66-fractie gaven te kennen dat zij met gemengde gevoelens kennis hadden genomen van dit wetsvoorstel, dat er toe strekt de huidige referteperiode van 52 weken te verkorten naar 39 weken.

De leden van de fractie van GroenLinks hadden met ongenoegen kennis genomen van het wetsvoorstel tot aanscherping van de wekeneis in de Werkloosheidswet. In de eerste plaats vonden zij de redenen die de regering aan het wetsvoorstel ten grondslag heeft gelegd niet overtuigend. Ditzelfde gold voor de door de regering gegeven raming van de financiële effecten. Ten slotte meenden deze leden dat de effecten van het wetsvoorstel tè eenzijdig bij bepaalde groepen werknemers worden gelegd.

De leden van de GPV-fractie gaven te kennen dat zij eveneens met gemengde gevoelens van dit wetsvoorstel kennis hadden genomen.

Het lid van de fractie van de RPF had met belangstelling kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel tot wijziging van de Werkloosheidswet. Hij constateerde dat het voorstel een beperkte strekking heeft. Het beoogt namelijk slechts de wekeneis in de WW te wijzigen. Dit lid had begrepen dat inmiddels ook een ander voorstel tot wijziging van de WW aan de Raad van State om advies is gezonden. Laatstgenoemd voorstel betreft een wijziging van de zogenaamde «drie-uitvijfeis», de duur van de vervolguitkering en het begrip passende arbeid. Bovendien heeft de Commissie-Buurmeijer een aantal concrete voorstellen tot wijziging van de WW gedaan. De Kamer zal hierover binnenkort spreken. Gelet op het bovenstaande, vroeg het RPF-fractielid in hoeverre het opportuun is dit wetsvoorstel vooruitlopend op andere wijzigingsvoorstellen afzonderlijk te behandelen. Gebeurt dat uit louter budgettaire overwegingen? Verdient het geen voorkeur beleidsvoornemens met betrekking tot de WW als samenhangend pakket te behandelen, zo vroeg dit lid.

  • Redenen verscherping wekeneis

De leden van de CDA-fractie waren verheugd over het feit dat de regering, nadat de Raad van State hierover heeft geadviseerd, een poging heeft ondernomen om de keus voor 39 weken nader toe te lichten. Zij konden de gedachte dat de verscherping een merkbare invloed op het WW-volume dient te hebben volgen. Toch zouden zij de op zichzelf willekeurig lijkende keus van 39 weken, liggend tussen 26 en 52 weken, graag nader toegelicht zien. Ook de participatiebevorderende werking moest naar de mening van de CDA-leden nader worden onderbouwd. Voorts merkten zij op dat in de memorie van toelichting ingegaan wordt op het feit dat personen met een onregelmatig arbeidspatroon in de verscherping een prikkel zullen ervaren om minder en minder lange gaten te laten vallen tussen de weken waarin ze werken. De leden van de CDA-fractie meenden dat in veel gevallen voor mensen met een onregelmatig arbeidspatroon geen sprake van een keus is. Enerzijds omdat werkgevers geen langere contracten aanbieden, anderzijds omdat de aard van het werk zich niet voor lange contracten leent. De leden verzochten de regering een duidelijke onderbouwing van de theorie te geven. Sprekend over personen met een onregelmatig arbeidspatroon zouden de leden van de CDA-fractie een categorie werknemers met name willen noemen: podiumartiesten, musici, theatercritici, film-en videomakers. Voor deze categorie werknemers is de onregelmatigheid een gevolg van de sterk afwijkende dynamiek op de arbeidsmarkt van de cultuursector. Kortlopende contracten zijn daar naar hun mening eerder regel dan uitzondering. Bovendien is er bijna in ieder seizoen sprake van een produktiestilte. Verder is het vaak zo, dat repetitieperioden niet gehonoreerd worden. In het verleden zijn reeds specifieke maatregelen genomen om aan de gesignaleerde problematiek tegemoet te komen. Waarom moet het Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet op dezelfde wijze als in onderhavige wet voorgesteld aangepast worden, zo vroegen deze leden. Acht de regering specifieke maatregelen niet langer gewenst? De leden van de fractie van de PvdA onderschreven de genoemde band met het arbeidsproces, zoals onder andere tot uitdrukking komt in artikel 17 van de WW. Dat roept echter wel onmiddelijk de vraag op of in die gevallen waar sprake is van achtereenvolgende meerdere (soms korte) arbeidscontracten bij dezelfde werkgever (reisleiders, werknemers in theaters enz.) er eigenlijk geen sprake is van verbreking van de band met het arbeidsproces. Deze leden vroegen of de aard van het werk hier niet veel meer de oorzaak is van de tot nu toe bijzondere regelingen voor deze groepen in de Werkloosheidswet. Deze leden dachten dat er toch sprake is van een reeds lang bestaande traditie in de sociale zekerheid die rekening houdt met een vaak cultuurpolitieke dimensie. Waarbij, zo dachten zij, ook nog gewezen moet worden op de eerder onderkende noodzaak bijzondere regelingen te treffen voor seizoensarbeiders in de land-en tuinbouwsfeer. De zorg over een groter beroep op de WW in het algemeen, een zorg die deze leden overigens deelden, vaagt toch op zichzelf niet de grond voor de eerdere bijzondere regelgeving voor deze groepen weg, zo dachten zij. Deze leden konden de redenering van de regering dat met de huidige vormgeving van de wekeneis een wel heel losse band met het arbeidsproces volstaat voor de toegang tot het recht op WW-uitkering op zich wel volgen, maar plaatsten daarbij de volgende kantekeningen. Allereerst zal dit zeker voor sommige groepen opgaan. De aanleiding die echter vroeger aanwezig geacht werd om voor een aantal met name genoemde groepen uitzonderingen op de wekeneis te maken is daarmee toch niet vervallen, zo dachten zij. Deze leden vroegen om welke groepen en omvang het buiten de in het KB van 10 december 1987, Stb. 633, genoemde groepen zou kunnen gaan. Begrepen zij het juist, als zij dachten dat voor de in het KB van 10 december 1987, Stb. 633, genoemde groepen er dus een aanpassing van de wekeneis mogelijk blijft. Als de regering denkt het juiste midden tussen «26 en 52» weken gevonden te hebben als algemene regel, dan moeten de vroegere aanpassingen voor de eerderbedoelde groepen toch ook gemaakt kunnen worden, zo redeneerden deze leden. Zij hadden graag een heldere beschouwing van de regering op dit punt. Een advies van de SVr, die zoals zij vernomen hadden een onderzoek heeft gestart naar de effecten van de aangescherpte wekeneis op de «WW-toestroom», zou hier op zijn plaats zijn, zo dachten deze leden. Waarbij zij nog opmerkten dat, zoals zij eerder betoogd hadden, gezamenlijke behandeling van de voorziene WW-wijzigingen, deze ruimte voor advies over deze uitvoeringszaak bij de SVr genomen kan worden. Zij benadrukten dit nog door te verwijzen naar de in de memorie van toelichting gebruikte zin: «Opgemerkt wordt nog dat van de voorgestelde wijziging van de wekeneis enige participatiebevorderende werking uit kan gaan.». Enige onderbouwing van deze stelling zou de regering hier toch moeten kunnen geven, zo dachten deze leden. De leden van de VVD-fractie gaven te kennen zich grote zorgen te maken over de ook door de regering gememoreerde verdere groei van de werkloosheid. Zij zagen dit wetsvoorstel enerzijds als een verklaarbare maatregel tegen de achtergrond van de grote financiële problematiek, doch anderszijds ook als een mogelijkheid tot beperking van het volume. In dat verband verwezen zij naar de mededeling van de regering, dat voor dit wetsvoorstel was gekozen na afweging van de voor-en nadelen van diverse mogelijke maatregelen en voegden daar de vraag aan toe of de andere overwogen mogelijke maatregelen eveneens gericht waren op zowel de financiële gevolgen als het volume. Welke maatregelen betreft het dan en welke voor-en nadelen zijn daarbij in beschouwing genomen? De regering geeft aan dat de in verband met het recht op een uitkering gestelde wekeneis zijn basis vindt in de noodzakelijke duidelijke band met het arbeidsproces en constateert, dat de huidige vormgeving van de wekeneis een wel heel losse band is. De leden van de VVD-fractie konden het met die constatering wel eens zijn, evenals met de voorgestelde verscherping op dit punt. Toch vroegen zij de regering of ook was overwogen om een verscherping toe te passen op het begrip «week». Thans wordt een week als een gewerkte week aangemerkt, als ten minste op een dag per week arbeid is verricht. Bovendien is het aantal op die dag gewerkte uren niet van belang. De aan het woord zijnde leden vroegen de regering aan te geven in hoeverre nadere verscherpingen, bij voorbeeld twee of drie dagen per week en ten minste 4,6 of 8 uren per dag, mogelijk en uitvoerbaar zouden zijn. Ook over de verwijzing van de regering naar de oude WW en de toen geldende systematiek hadden deze leden een vraag. Een belangrijk bezwaar van die oude systematiek was de ongelijke behandeling van deeltijdwerkers, aldus de regering. De aan het woord zijnde leden vroegen of dat bezwaar nog immer zou bestaan, indien in de oude systematiek het minimum van 65 dagen niet zou bestaan; voor een ieder geldt dan dezelfde eis: 26 maal het gemiddeld aantal gewerkte dagen. Verder merkten de leden van de VVD-fractie op dat in de memorie van toelichting wordt verwezen naar het wetsvoorstel tot wijziging van enkele bepalingen inzake het recht op uitkering (kamerstukken II, 1989-90, 21608) en dan met name naar dat onderdeel van dat wetsvoorstel, dat de herlevingstermijn betreft (kamerstukken II, 1992-93, 21608, nr. 12). Gezien de in dat wetsvoorstel voorgestelde wijziging zou de aanpassing van de wekeneis van 52 naar 39 weken tot verschillende uitkomsten leiden voor personen, die direct aansluitend aan de werkloosheid naar het buitenland vertrekken en voor hen, die hun uitkering onderbreken door een verblijf in het buitenland. Dat bracht de regering tot de vraag of de herlevingstermijn voor die gevallen niet zou moeten worden gelijkgesteld en verkort tot 3 maanden. Vervolgens geeft de regering aan daartoe niet te hebben besloten. Een en ander had de aan het woord zijnde leden bevreemd. Immers, wanneer de band met het arbeidsproces om in aanmerking te komen voor een WW-uitkering -terecht -dient te worden verscherpt, dan ligt het toch in de rede om die band met het arbeidsproces ook anderszins zo sterk mogelijk te maken respectievelijk te houden, niet in de laatste plaats met het oog op een zo spoedig mogelijke uitstroom uit de WW en daadoor een vermindering van het veel te hoge volume. Begrepen deze leden het nu goed, dat het hiervoor beschreven verschil blijft bestaan? De leden van de VVD-fractie vroegen de regering om haar standpunt in dezen te heroverwegen. Ten slotte merkten deze leden op dat de regering voorstelt om, in relatie tot artikel 17, lid 4, WW ook in het «Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet» de referteperiode terug te brengen tot 39 weken. Dat bracht de leden van de VVD-fractie tot de vraag of dit betekent dat daarmee automatisch een evenredige verlaging van het aantal te werken weken (13, 16 of 20) zal plaatsvinden.

De leden van de D66-fractie gaven te kennen dat zij reeds bij eerdere gelegenheden er op gewezen hadden dat dit voorstel op een wel heel -voor de overheid -opportuun moment wordt ingediend. Voor de komende jaren 1995-1998 wordt er immers alom verwacht dat de economische groei zeer gematigd zal zijn (1,75% behoedzame scenario CPB) en de stijging van de werkgelegenheid uiterst bescheiden. In 1993 zal de werkgelegenheid naar verwachting met zo'n 37000arbeidsjaren afnemen. Voor 1993 en 1994zal de werkloosheid naar verwachting zelfs met bijna 150000personen stijgen. Het voorliggende wetsvoorstel ter aanscherping van de wekeneis komt zodoende op een moment waarop velen een beroep op de WW dreigen te gaan doen. De overheid toont zich daarmee een «onbetrouwbaar verzekeraar» door de voorwaarden voor toelating aan te scherpen nu de werkloosheidsrisico's toenemen. De ieden van de fractie van D66 hadden al bij de aankondiging van dit wetsvoorstel gewezen op de risico's die de regering loopt ten aanzien van de vervulling van met name seizoensgebonden arbeid (land-en tuinbouw). Aanscherping van de referteperiode zou immers heel goed de reeds bestaande personeelsproblemen voor het vervullen van dergelijke arbeid kunnen vergroten. De bereidheid tot het verrichten van arbeid van korte duur zal kleiner kunnen worden, nu betrokkenen ook nog een WW-uitkering zouden kunnen mislopen. De leden van de fractie van D66 constateerden dat de aanscherping van de referteperiode met name gevolgen zal hebben voor flexibele arbeidskrachten. Werknemers met arbeidcontracten voor uitzendarbeid, op-en afroeparbeid en arbeid voor bepaalde duur (bijvoorbeeld «arbeid voor de duur van het verrichten van de werkzaamheden gedurende een bouwproject») zullen door de verscherping worden getroffen. De regering gaat er hierbij van uit dat door deze maatregel de instroom in de WW met circa 7,5% zal afnemen. Naar verwachting zal de beperking van de instroom in de WW met name worden bereikt doordat flexibele arbeidskrachten in een minder aantal gevallen aan de gestelde referte-eis zullen kunnen voldoen. Ook de regering gaat hier in de memorie van toelichting (blz. 4/5) van uit. Werknemers met een vast dienstverband zullen daarentegen niet of nauwelijks met de gevolgen van deze wetswijziging worden geconfronteerd. Aangezien de regering deze maatregelen wil treffen, omdat er naar haar mening sprake is van een «wel heel losse band met het arbeidsproces», konden deze leden niet anders dan concluderen dat de regering hier kennelijk doelt op flexibele arbeidskrachten. Uit eerdere notities (kamerstukken II 1992-93, 22659, nr. 4 van 8 september 1993) hadden deze leden begrepen dat de regering flexibele arbeidsrelaties juist positief beoordeelt en zo mogelijk wil stimuleren. Is de regering van mening dat aanscherping van de referte-eis stimulerend zal werken op de flexibilisering van de arbeidsmarkt? Zal door deze maatregel de flexi -bilisering van arbeid toenemen? De leden van de fractie van D66 zagen graag een reactie van de regering tegemoet op commentaren van de Nederlandse kunstenaarsbond (brief van 26 oktober 1993) en enkele FNV-bonden (brief van 12 oktober 1993). Wat is de opvatting van de regering over het voorstel om voor groepen die onder het Besluit verlaagde wekeneis Werkloosheidswet vallen, de wekeneis te wijzigen in 13 uit 39 in plaats van de door de regering voorgestelde 16 uit 39, zo vroegen deze leden.

De leden van de fractie van GroenLinks merkten op dat blijkens de memorie van toelichting de toegenomen en in de komende jaren naar verwachting verder toenemende werkloosheid tot een pakket ombuigingsmaatregelen noodzaken. De leden van de fractie van GroenLinks wilden naar aanleiding hiervan allereerst vernemen wat de regering verstaat onder een «pakket» ombuigingsmaatregelen. Zal de regering ook nog een voorstel indienen tot aanscherping van artikel 42 WW (de arbeidsverledeneis), zoals eerder is aangekondigd? Zo ja, waarom zijn beide onderdelen niet in één wetsvoorstel opgenomen? En wat is er geworden van het voornemen tot afschaffing van het recht op WW bij de zogenoemde «onderbrekingswerkloosheid»? De leden van deze fractie waren van oordeel dat het argument van de toenemende werkloosheid in zijn algemeenheid onvoldoende valide is om het voorliggende wetsvoorstel te onderbouwen. Weliswaar kan niet ontkend worden dat het aantal werkloosheidsuitkeringen een stijging vertoont, doch daarmee is nog niet gezegd wat daarvan de oorzaak is. Voorzover de oorzaak van het toegenomen aantal werkloosheidsuitkeringen moet worden gezocht in de huidige economische recessie, ligt het niet direct voor de hand de Werkloosheidswet aan te scherpen. De Werkloosheidswet is immers ook bedoeld voor het verzekeren van het loondervingsrisico bij terugloop van de werkgelegenheid tijdens een economische recessie. De huidige WW is toch niet in 1986 vastgesteld om hem bij de eerste de beste economische tegenwind alweer aan te scherpen, zo meenden deze leden. Het toegenomen aantal WW-uitkeringen wordt in de tweede plaats veroorzaakt door het scherpere volumebeleid in de WAO. Naarmate er strengere toetredingsvoorwaarden in de WAO gelden en naarmate er vaker gedeeltelijke in plaats van volledige arbeidsongeschiktheid wordt aangenomen, neemt het beroep op de WW immers navenant toe. Voorzover de toename in de WW dan ook te verklaren is uit het WAO-volumebeleid, mag daaraan ook niet de conclusie worden verbonden dat de toegang tot de WW bemoeilijkt moet worden. Bovendien vraagt de toenemende werkloosheid in het algemeen juist om andere maatregelen dan het inperken van uitkeringsrechten. Wat nodig is, is een beleid gericht op herverdeling van werk en het stimuleren van werkgelegenheid. De aanzetten die de regering daartoe heeft gegeven waren in de ogen van de leden van de fractie van GroenLinks uitermate teleurstellend. Zij meenden dat het bemoeilijken van de toegang tot de WW ook op geen enkele wijze bijdraagt aan het oplossen van het probleem van de toenemende werkloosheid. De leden van de fractie van GroenLinks nodigden op grond van het bovenstaande de regering uit een nadere, en betere, inhoudelijke onderbouwing te geven van het voorliggende wetsvoorstel. De leden van de fractie van Groenünks merkten vervolgens op dat in de memorie van toelichting de regering zelf al aangeeft dat de rekening van dit wetsvoorstel vooral gepresenteerd wordt aan bepaalde groepen werknemers, namelijk zij die onregelmatig werk verrichten, afhankelijk zijn van oproepcontracten of uitzendwerk verrichten. Veelal betreft het hier vrouwen. Opnieuw moesten de leden van de GroenLinksfractie constateren dat de regering weliswaar regelmatig de verbetering zegt na te streven van de rechtspositie van flexibele arbeidscontractanten, doch dat deze groep werknemers in werkelijkheid maar bitter weinig merkt van deze mooie voornemens. Met dit wetsvoorstel worden de mogelijkheden van «flexwerkers» tot enige mate van economische zelfstandigheid zelfs verder ingeperkt. De leden die hier het woord voerden zagen dan ook graag dat de regering dit wetsvoorstel nader verdedigt in relatie tot haar beleid op het punt van de flexibele arbeidsrelaties. Overigens zullen niet alleen «flexwerkers» de dupe worden van dit wetsvoorstel. Evenmin is uitgesloten dat bepaalde beroepsgroepen relatief vaak geconfronteerd worden met de negatieve effecten van dit wetsvoorstel. Te denken valt aan personen die werkzaam zijn in de wereld van de podiumkunsten en de film. Weliswaar geldt voor deze beroepsgroepen een andere referte-eis, maar ook die referte-eis wordt in dit wetsvoorstel aangescherpt. De regering werd uitgenodigd een prognose te geven van de effecten van de voorgestelde maatregel in de kunstensector. Ten slotte merkten de leden van de fractie van GroenLinks op dat het voornemen van de regering tot liberalisering van het uitzendwezen in samenhang met het voorliggende wetsvoorstel een verslechtering zal betekenen van werknemers zonder vast werk. Indien het stelsel van vergunningen voor het ter beschikking steilen van arbeidskrachten zal vervallen, zal het fenomeen tijdelijk werk nog meer toenemen. Een verslechtering van de uitkeringspositie van werknemers met tijdelijk werk verdraagt zich daarmee slecht. De leden van deze fractie zouden daarom graag zien dat de regering dit wetsvoorstel nader bespreekt in relatie tot het voornemen tot afschaffing van het vergunningstelsel voor uitzendarbeid. De leden van de GPV-fractie erkenden de noodzaak te komen tot een verdere beheersing van het totale volume aan overdrachtsuitgaven, en zij waren daarom in principe bereid hun medewerking aan voorstellen ter zake te verlenen. Maar dan achtten zij het wel wenselijk dat dergelijke voorstellen kunnen worden gemotiveerd vanuit een bredere visie op de noodzaak en wenselijkheid van bepaalde soorten uitkeringen en hun modaliteiten. Het thans voorliggende wijzigingsvoorstel was naar hun oordeel nogal opportunistisch gemotiveerd. De recente sterke groei van het aantal mensen zonder werk en het dientengevolge stijgen van het volume van werkloosheidsuitkeringen leek de voornaamste motivering te zijn voor dit wetsvoorstel. Deze leden vroegen of bij het nadenken over het vormgeven van het onderhavige wetsvoorstel ook nadrukkelijk onder ogen is gezien in hoeverre een wijziging van de Werkloosheidswet zelfstandig een bijdrage zou kunnen leveren aan de terugdringing van de werkloosheid. Met andere woorden, verwacht de regering van een gewijzigde Werkloosheidswet in de voorgestelde zin een arbeidsmarktparticipatie bevorderend effect? De tweede vraag die in dit verband is gerezen, is of onder ogen is gezien en of afgewogen is geweest bij welke categorieën van uitkeringsgerechtigden de effecten van de voorgestelde wetswijziging het sterkst gevoeld zullen worden. Zo ja, zou de regering de Kamer dan ook deelgenoot willen maken van dit proces van afweging? De leden van de GPV-fractie vroegen waarom niet in de eerste plaats is gekeken naar het afschaffen van de geïndividualiseerde vervolguit- kering. Ligt afschaffing hiervan niet meer voor de hand, omdat dit toch eigenlijk een toegevoegd element is aan de Werkloosheidswet en omdat in veel gevallen sprake zal zijn van een ander inkomen dat in hetzelfde huishouden wordt ingebracht? Waarom is in dit geval hier niet voor gekozen? De leden van de GPV-fractie merkten vervolgens op dat vooral starters op de arbeidsmarkt en mensen met een zeer onregelmatig arbeidspatroon de dupe zullen zijn van de thans voorgestelde regeling. Zal een gevolg van de wijziging niet zijn dat er een extra vraag komt naar JWG-plaatsen? Wat zijn de resultaten van het Rijk zelf als werkgever bij het aanbieden van JWG-plaatsen? Wil de regering daarvan een overzicht verschaffen? Er zijn categorieën werknemers met een regelmatig onregelmatig werkpatroon. De beloning is daar dan veelal op afgestemd. Desondanks maakt men gebruik van de mogelijkheid een werkloosheidsuitkering te verkrijgen in de periode dat men volgens het regelmatige patroon werkloos is. Deze leden achtten dit een minder wenselijk gebruik van de bestaande mogelijkheden en vroegen de regering na te gaan welke mogelijkheden er zijn om aan deze vorm van oneigenlijk gebruik een eind te maken.

Het lid van de fractie van de RPF kon zich vinden in de hoofdlijn van het wetsvoorstel. Wel vond hij het een ongelukkige omstandigheid dat de voorgestelde beperking van de rechten op een WW-uitkering uitgerekend tot stand wordt gebracht in een periode van economische recessie. Een te verwachten effect van de voorgestelde maatregel is naar het oordeel van het lid van de fractie van de RPF dat meer werknemers aangewezen raken op het inkomen van de partner. Hij kon zich niet aan de indruk onttrekken dat dit effect allerminst spoort met het individualiseringsstreven van het kabinet.

  • Gevolgen voor de positie van vrouwen

Kijkend naar de gevolgen voor vrouwen merkten de leden van de CDA-fractie op dat de verscherping vooral gevolgen heeft voor oproepkrachten, personen die tijdelijk werk verrichten of via een uitzendbureau werken. Op grond waarvan stelt de regering dat er wat betreft arbeidsparticipatie geen sprake is van ongelijke behandeling van met name vrouwen? De leden van de fractie van de PvdA hadden in de memorie van toelichting gelezen dat de verscherping van de wekeneis vooral gevolgen heeft voor personen van wie het recente arbeidspatroon onregelmatig is. Verderop wordt geconstateerd dat er geen gegevens bestaan waaruit met zekerheid kan worden afgeleid hoe de man/vrouwverhouding is onder personen die volgens een arbeidspatroon werken dat zodanig is, dat zij door de verscherping van de wekeneis worden getroffen. Nu wisten deze leden al langer dat een tentatieve benadering als onderbouwing van wetgeving in het algemeen niet gevolgd kan worden. Toch wilden zij hier uitspreken dat zij het idee hebben dat de gevolgen voor vrouwen, nu zij vaker uitzendarbeid verrichten, op afroepcontract werken en «overig werk» in de zin der wet verrichten groter zullen zijn dan voor mannen. Deze leden stoorden zich enigszins aan de passage in de memorie van toelichting (blz.6) «Immers, ten minste 95.4% van de werkzame vrouwen als 100% van de werkzame mannen»; zagen zij het juist dat hier de theorie van «even slecht is ook gelijk» opgang lijkt te doen? Het lid van de fractie van de RPF wilde weten of de regering gelijk

heeft als zij stelt dat mannen en vrouwen bij verscherping van de wekeneis in gelijke mate worden getroffen, nu vrouwen oververtegenwoordigd zijn in de groep werknemers met flexibele arbeidsrelaties.

  • Financiële gevolgen

Ten aanzien van de financiële gevolgen (besparing op de WW en de Toeslagenwet) wensten de leden van de CDA-fractie nog een aantal vragen te stellen. Blijkens de memorie van toelichting is de exacte omvang van de financiële effecten moeilijk aan te geven. Toch kan er een behoorlijk exacte raming van de opbrengst worden gemaakt (tegenover besparing in de WW en in de Toeslagenwet van f 433 mln. staan extra uitkeringslasten in de ABW van f 252 mln; een netto besparing van f 181 mln.), zo hadden deze leden geconstateerd. Deze leden vroegen om een explicitering van de vooronderstellingen, die aan de genoemde berekening ten grondslag liggen. Voorts vroegen zij waarom er in de tweede nota van wijziging van het wetsvoorstel herinrichting ABW (kamerstukken II, 1991-92, 22545, nrs. 1-2) rekening gehouden wordt met een extra introom in de JWG (naast ABW) vanwege een verscherping van de wekeneis. Dit terwijl in het onderhavige wetsvoorstel wordt gezegd, dat het effect op de JWG marginaal zal zijn. De gevolgen voor de uitvoeringskosten (extra 16000ABW-ers) worden geraamd op netto f 5 mln. Het was voor deze leden duidelijk dat er een grotere druk op de gemeentelijke uitvoering van de ABW wordt gelegd. Dit betekende voor deze leden dat dat ook mogelijk moest zijn, zeker waar de onderzoeken in het kader van de fraudebestrijding ABW al een aantal problemen op tafel hadden gebracht. Voor de leden van de CDA-fractie was dit een reden te meer om vaart te zetten achter de herinrichting ABW.

De leden van de fractie van de PvdA hadden uit de memorie van toelichting begrepen dat financiële effecten eigenlijk niet precies te geven zijn, omdat recente gegevens ontbreken. Moesten zij begrijpen dat er wel oude gegevens zijn en zo ja, kunnen die dan gegeven worden? De op veronderstellingen gebaseerde ramingen met een tentatief karakter, zoals geschreven wordt, zouden leiden tot meer uitgaven in de ABW. Lazen zij het juist dat de meerkosten in de ABW, op jaarbasis, hoger zijn dan de structurele vermindering in de WW? En zijn er ook gevolgen voor de IHS en de bijzondere bijstand en zo ja, moeten die niet ook hier opgevoerd worden? Deze leden wilden graag weten voor welk aantal jongeren de gevolgen naar verwachting marginaal zullen zijn. En wat moeten zij hier onder «marginaal» verstaan? Deze leden zagen dat de structurele uitvoeringskosten toenemen met f 5 miljoen. Wordt dat voor de gemeenten gecompenseerd? Mochten er gevolgen zijn voor IHS en bijzondere bijstand, dan zouden de uitvoeringskosten daarmee nog kunnen stijgen, of zagen zij dat verkeerd? De leden van de VVD-fractie wijdden nog enige aandacht aan de financiële gevolgen voor de gemeenten. Mochten zij uit de mededeling van de kant van de regering, dat bij de tweede nota van wijziging HABW rekening is gehouden met de financiële gevolgen van extra instroom ten gevolge van de verscherping van de wekeneis in de WW, begrijpen, dat de gemeenten voor die financiële gevolgen geheel worden gecompenseerd? En als dat het geval zou zijn, op basis van welke berekeningen zal dat dan worden gerealiseerd? Toch niet op basis van de globale, tentatieve cijfers, die de regering in deze memorie van toelichting verstrekt, zo namen zij aan. In hoeverre is in die compensatie rekening gehouden met de uitvoeringskosten, die bij de gemeenten toenemen met f 17 mln?

De leden van de fractie van GroenLinks meenden dat de raming van de financiële gevolgen van het wetsvoorstel volstrekt beneden de maat is. Zo maakt de regering in de memorie van toelichting niet duidelijk waar haar veronderstelling op is gebaseerd dat door dit wetsvoorstel de toestroom tot de WW beperkt zal worden met 7,5 %. De regering verwijst naar «in het verleden verricht onderzoek», zonder aan te geven welk onderzoek bedoeld wordt. De door de regering gehanteerde veronderstellingen zijn dan ook niet de controleren. De regering werd daarom gevraagd haar bronnen van kennis op dit punt aan de leden van de fractie van GroenLinks te openbaren. Daarnaast neemt de regering veronderstellenderwijs aan dat de werknemers die niet aan de strengere wekeneis zullen voldoen thans gemiddeld eerder uit de WW uitstromen. Dit is inderdaad bij uitstek logisch. De regering raamt het verschil in uitkeringsduur met de «normale» WW-populatie op 20 %. Dit percentage kwam de leden van de fractie van GroenLinks erg laag voor. De werklozen die door dit wetsvoorstel van WW zullen worden uitgesloten (de «uitvalpopulatie»), zullen thans veeial slechts aanspraak maken op een uitkering voor de duur van hoogstens een half jaar. Veelal zullen zij thans immers niet voldoen aan de vereisten voor de verlengde uitkering en een vervolguitkering. De rest van de WW-populatie za! over het algemeen daarentegen juist wel voldoen aan de vereisten voor een verlengde uitkering en een vervolguitkering. Het leek de leden van deze fractie dan ook aannemelijk dat het door de regering gehanteerde percentage van 20 (zijnde het verschil tussen de uitkeringsduur van de «uitvalpopulatie» en de overige WW-gerechtigden) in werkelijkheid hoger dan 50 ligt. Alsdan zouden de door de regering geschatte besparingen aanzienlijk lager uitvallen. Een derde vraagteken plaatsten de leden van deze fractie bij het gemiddelde uitkeringsniveau van de «uitvalpopulatie» in verhouding tot het gemiddelde uitkeringsniveau in de WW in het algemeen. Dit verschil raamt de regering op f 1725 per uitkeringsgerechtigde per jaar. Hiermee miskent de regering dat de «uitvalpopulatie» per definitie gevormd wordt door werknemers zonder vast werk. Niet alleen wordt dit werk kennelijk onregelmatig verricht, de beloning zal vaak ook relatief ongunstig afsteken bij de gemiddelde lonen en bovendien zal het vaak gaan om werknemers met een deeltijd-of oproepbaan. Het ligt daarom voor de hand aan te nemen dat ook in dit opzicht de regering de geraamde besparingen te gunstig inschat. De leden van de fractie van GroenLinks vroegen de regering daarom de geschatte besparingen (beter) te onderbouwen. Vooralsnog namen deze leden aan dat de besparingen veel marginaler zullen zijn dan de geraamde f 181 miljoen per jaar.

Het lid van de fractie van de RPF vroeg waarop de verwachting is gebaseerd dat een verscherping van de wekeneis tot 26 uit 39 leidt tot een beperking van de instroom in de WW met ca. 7,5 %. Is hierbij rekening gehouden met de verwachte stijging van de instroom in de WW tengevolge van de recente wetgeving betreffende volumebeperking in de WAO?

De voorzitter van de commissie, Doelman-Pel

De griffier van de commissie, Pe

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.