Inhoudsopgave

Tekst

OORSPRONKELIJKE TEKST VAN HET VOORSTEL VAN WET EN VAN DE MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS VOORGELEGD AAN DE RAAD VAN STATE EN VOOR ZOVER NADIEN GEWIJZIGD TEKST VAN HET WETSVOORSTEL 1. Het in artikel I voorgestelde vijfde lid van artikel 17 van de Werkloosheidswet luidde aanvankelijk: 5. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde aantal van 26 weken: a. weken, waarin geen arbeid is verricht in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden, zonodig in afwijking van het derde lid, gelijk te stellen met weken als bedoeld in het eerste lid; enb. regels te stellen omtrent het meer keren in aanmerking nemen van weken waarin arbeid is verricht.

TEKST VAN DE MEMORIE VAN TOELICHTING 1. De vijfde alinea van paragraaf 2 luidde aanvankelijk: Daarom stelt zij voor de band met het arbeidsproces te verzwaren door de referteperiode in artikel 17 WW te verkorten, en wel van 12 maanden tot 39 weken. Dit betekent dat de 26 weken waarin moet zijn gewerkt wil aan de wekeneis worden voldaan, in een kortere periode voorafgaande aan de werkloosheid zuilen moeten worden gehaald. Wijziging van de wekeneis conform het voorstel van de regering verzwaart de band met het arbeidsproces dus in die zin, dat deze recenter moet zijn. Opgemerkt wordt nog dat van de voorgestelde wijziging van de wekeneis enige participatiebevorderende werking uit kan gaan.

Personen met een onregelmatig arbeidspatroon (op sommige weken -al dan niet in deeltijd -werken, op andere in het geheel niet) zullen in de verscherping een prikkel ervaren tot extra inspanning om minder en minder lange gaten te laten vallen tussen de weken waarin zij werken.

  • Paragraaf 3, eerste alinea, van de memorie van toelichting luidde vanaf de vijfde volzin aanvankelijk: Uit de Rapportage Arbeidsmarkt 1991 (pagina 75, tabel 7.8, cijfers 1990) blijkt echter het volgende. Van de werkzame mannen heeft 83,2% vast werk, 4,0% uitzicht op vast werk, 2,4% tijdelijk werk, werkt 1,2% bij een uitzendbureau en heeft 0,3% een op/afroepcontract. Verder werkt 7,0% als zelfstandige en verricht 1,9% nog op een andere manier werk. Voor vrouwen liggen deze cijfers respectievelijk op 74,8% vast werk, 7,5% uitzicht op vast werk, 4,4% tijdelijk werk, 1,2% uitzendwerk

3,6% op/afroepcontract, 6,6% werk als zelfstandige en 1,9% overig werk. Noch in de Rapportage Arbeidsmarkt 1991, noch in het Trendrapport 1991 van de OSA, waarop de betreffende tabel is gebaseerd, is aangegeven wat de bijbehorende contractsduren zijn. Op grond van ervaringsgegevens, onder meer afgeleid uit de Enquêtes Beroepsbevolking, kan er echter van uit worden gegaan, dat onder «vast werk» en «uitzicht op vast werk» werk van langer dan een jaar valt, en onder tijdelijk werk werk langer dan een half jaar. De contractsduur bij het uitzendwerk zal tussen de nul en de zes maanden hebben gelegen, terwijl het bij de op/afroepcontracten om contracten tussen de nul en de twaalf maanden zal zijn gegaan. Onder de categorie «overig werk», ten slotte, zal werk zijn gerekend van korter dan zes maanden, zoals werk als vakantiekracht en/of als seizoenarbeider. (De categorie werk als zelfstandige blijft in het hiernavolgende buiten beschouwing, aangezien zelfstandigen niet verzekerd zijn ingevolge de WW en derhalve ook nooit recht op uitkering kunnen verkrijgen.) Uit het bovenstaande kan allereerst worden geconcludeerd dat het verschil in percentage vrouwen dat vast werk, werk met uitzicht op vast werk of tijdelijk werk verricht en mannen die 314542F ISSN09217371 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's Gravenhage 1993 dat doen, niet relevant is, aangezien zowel alle mannen als alle vrouwen in deze categorieën zowel nu als in de toekomst aan de wekeneis zullen voldoen. Vervolgens kan worden geconcludeerd dat er geen verschil bestaat tussen de participatiegraad van werkzame vrouwen en werkzame mannen als het gaat om uitzendarbeid en «overig werk». Onder de veronderstelling dat ook de tijd gedurende welke men aaneensluitend uitzendarbeid en «overig werk» verricht voor vrouwen en mannen niet relevant verschilt, kan worden gesteld dat vrouwen die uitzendwerk of overig werk verrichten door de verscherping van de wekeneis net zo sterk zullen worden getroffen als mannen. Doordat vrouwen iets vaker op op/afroepcontract werken dan mannen, zullen vrouwen naar verwachting uiteindelijk iets vaker door de verscherping van de wekeneis worden getroffen dan mannen. Het relatieve verschil in getroffenheid tussen mannen en vrouwen zal echter maximaal slechts 3,3% (3,6% -0,3%) bedragen. Het werkelijke verschil zal naar verwachting zelfs nog kleiner zijn, omdat de genoemde percentages mensen die op op/afroepcontract werken niet alleen mensen vertegenwoordigen die niet aan de verscherpte wekeneis zullen kunnen voldoen, maar ook mensen die wél aan deze eis zullen kunnen voldoen. Het bovenstaande heeft tot de eindconclusie geleid dat de verschillen in getroffenheid tussen vrouwen en mannen bij verscherping van de wekeneis dermate klein zijn, dat niet gesproken kan worden van een ongelijke behandeling van vrouwen en mannen. Immers, 96,4% van de werkzame vrouwen heeft evenveel kans door de maatregel getroffen te worden als 99,7% van de werkzame mannen. Daarnaast wordt opgemerkt dat de redenen voor de verscherping als weergegeven in § 2 de voorgestelde wetswijziging in casu voldoende rechtvaardigen. 3. Paragraaf 5, tweede alinea, van de memorie van toelichting luidde aanvankelijk: De beperking van het WW-volume ten gevolge van de verscherping van de wekeneis kan in de structurele situatie worden geraamd op 6%. Bij de bepaling van dit percentage is rekening gehouden met het feit dat een belangrijk deel van de personen die niet aan de verscherpte wekeneis voldoen, bestaat uit jongeren, die sneller uit de WW stromen dan gemiddeld. De procentuele vermindering van de instroom in de WW is derhalve groter dan eerdergenoemd percentage van 6.

Paragraaf 5, vierde alinea, vierde volzm, luidde aanvankelijk: Dit gemiddelde uitkeringsbedrag is relatief laag.

Paragraaf 5, zesde alinea, bevatte oorspronkelijk een tweede volzin, die als volgt luidde: In die tweede nota van wijziging wordt voorgesteld het huidige landelijk genormeerde bijstandsrecht voor personen van 18 tot 21 jaar, gelet op de sluitende aanpak van de JWG voor personen tot 21 jaar, te vervangen door de mogelijkheid voor gemeenten om bijstand te verlenen indien zij van oordeel zijn dat dit, gelet op alle omstandigheden, noodzakelijk is.

  • In de artikelsgewijze toelichting op artikel IV luidde de eerste zin van de tweede alinea aanvankelijk: Ten gevolge van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep geldt momenteel -in afwijking van de tekst van artikel 16, vijfde lid, WW -dat de eerste werkloosheidsdag de dag is waarop de werkloosheid intreedt, dat wil zeggen het moment waarop aan de vereisten van artikel 16, eerste lid, WW is voldaan.
 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.