Brief van De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (organisatiewet sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

's-Gravenhage, 28 maart 1994

Op 26 januari 1994 heeft de Registratiekamer uit eigen beweging advies uitgebracht omtrent de bepalingen met betrekking tot de geheimhouding en de gegevensverstrekking in het wetsvoorstel voor een nieuwe Organisatiewet sociale verzekeringen (nOsv). Dit advies -dat ook aan u op 26 januari 1994 is gezonden -is niet aan de orde geweest bij de behandeling van het op 8 februari 1994 door uw Kamer aanvaarde wetsvoorstel. Mijn reactie op het advies volgt hieronder.

  • De reikwijdte van de standaardgeheimhoudingsbepaling

De Registratiekamer heeft terecht opgemerkt dat de geheimhoudingsbepaling in de nOsv (art. 100) overeenkomt met de standaardgeheimhoudingsbepaling in artikel 2:5 van de Algemene wet bestuursrecht die op 1 januari 1994 in werking is getreden. De Registratiekamer acht deze harmonisatie begrijpelijk, maar vreest dat de standaardgeheimhoudingsbepaling tot onduidelijkheid kan leiden. De Registratiekamer geeft niet aan waarom de standaardgeheimhoudingsbepaling in het algemeen bij de uitvoering van taken van bestuursorganen niet tot onduidelijkheid kan leiden en waarom dit wel het geval zou kunnen zijn bij de uitvoering van de sociale zekerheidswetten.

De Registratiekamer merkt met betrekking tot artikel 50g, eerste lid, van de huidige Organisatiewet Sociale Verzekering op: «Artikel 50g, lid 1, van de OSV steit dat geen enkel gegeven mag worden verstrekt, tenzij de wet dit toelaat of daartoe verplicht». Dit is niet geheel juist weergegeven. Artikel 50g, eerste lid, van de huidige OSV luidt: Het is ieder verboden (gegevens) verder bekend te maken dan voor de uitvoering van deze wet of die wettelijke regelingen noodzakelijk is dan wel op grond van deze wet is voorgeschreven of toegestaan». De in dit artikel opgenomen zinsnede «niet verder bekend maken dan voor de uitvoering van wettelijke regelingen noodzakelijk is» behoeft in elk concreet geval interpretatie. Dit geldt evenzeer voor de zinsnede «gegevens waarvan hij het vertrouwelijk 412800F ISSN 0921 -7371 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1994 karakter kent of redelijkerwijs moet vermoeden», die is opgenomen in de standaardgeheimhoudingsbepaling van de Algemene wet bestuursrecht en de nOsv. Uiteindelijk beslist de rechter over de juiste interpretatie. De jurisprudentie die zal ontstaan met betrekking tot de standaardgeheimhoudingsbepaling in de op 1 januari 1994 in werking getreden Algemene wet bestuursrecht zal ook betekenis hebben voor de gelijkluidende geheimhoudingsbepaling in de nOsv. Thans is reeds duidelijk dat zowel artikel 50g, eerste lid, van de huidige OSV als de standaardgeheimhoudingsbepaling in de nOsv betrekking hebben op alle gegevens waarover degene die is betrokken bij de uitvoering van sociale zekerheidswetten de beschikking krijgt. Daaronder vallen ook de gegevens over individuele verzekerden of uitkeringsgerechtigden.

  • De verhouding van het wetsvoorstel tot de WPR (de Wet persoonsregistraties) In de memorie van toelichting bij de nOsv is opgemerkt: «In het kader van dit wetsvoorstel gestelde regels met betrekking tot gegevensverstrekking moeten dan ook worden beschouwd als regels die prevaleren boven de WPR» (de Wet persoonsregistraties). De Registratiekamer vraagt zich af of met het begrip «prevaleren» wordt bedoeld dat het regime van gegevensverstrekking aan derden in het wetsvoorstel nog steeds in zijn geheel in de plaats treedt van het regime zoals dat is neergelegd in de WPR. Zij komt na zorgvuldige analyse van het wetsvoorstel tot de conclusie dat dit wat de uitkomst van de voorgestelde regeling betreft inderdaad het geval is. Ik deel die conclusie. Evenals de Registratiekamer ben ik van mening dat verstrekking van gegevens aan derden alleen mogelijk is indien daarvoor een rechtsgrond in het wetsvoorstel kan worden aangewezen. Daarbuiten is geen gegevensverstrekking aan derden mogelijk op grond van de WPR.
  • Het nieuwe regime van gegevensverstrekking

De Registratiekamer ziet in het voorgestelde artikel 103 van de nOsv een aanzienlijke achteruitgang in vergelijking met de huidige OSV omdat niet in een formele wet maar door de Kroon, bij algemene maatregel van bestuur, zal worden geregeld in welke gevallen de uitvoeringsinstanties verplicht of bevoegd zijn tot verstrekking van gegevens aan bestuursorganen. Hierover merk ik het volgende op.

Bestuursorganen zijn organen van rechtspersonen die krachtens publiekrecht zijn ingesteld of andere personen of colleges die met openbaar gezag zijn bekleed. Hiermee is reeds een belangrijke beperking aangebracht in de bevoegdheid van de Kroon. Aangenomen mag worden dat personen en colleges die met openbaar gezag zijn bekleed, op verantwoorde wijze met de verkregen gegevens zullen omgaan. Een belangrijke tweede begrenzing van de bevoegdheid van de Kroon is gelegen in het tweede en derde lid van artikel 103 waarin is voorgeschreven dat gegevensverstrekking uitsluitend is toegestaan in gevallen waarin het belang van de gegevensverstrekking opweegt tegen het belang van bescherming van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de gegevens betrekking hebben. Dergelijke gevallen dienen steeds bij algemene maatregel van bestuur omschreven te zijn.

De Registratiekamer roept in herinnering dat bij de invoering van het huidige regime van gegevensverstrekking uitdrukkelijk is betoogd, dat het de wetgever is die bepaalt aan welke instellingen en personen en onder welke voorwaarden gegevensverstrekking mogelijk is. De Registratiekamer haalt daarbij een passage aan waarin is gesteld dat uitgangspunt van de huidige OSV (art. 50g) is dat het in het algemeen niet de minister is die ontheffingen verleent van het verbod van gegevensverstrekking, maar dat de belangrijkste uitzonderingen met zoveel woorden in de wet genoemd zijn.

In artikel 103 van het wetsvoorstel en de daarop gebaseerde algemene maatregel van bestuur wordt de belangrijkste uitzondering met zoveel woorden geregeld. Evenals de Registratiekamer ben ik van mening dat de minister geen ontheffingen van het verbod van gegevensverstrekking moet kunnen verlenen. Om die reden is in artikel 103 van de nOsv bepaald dat slechts bij algemene maatregel van bestuur, dat wil zeggen door de Kroon na advisering door de Raad van State, kan worden geregeld in welke gevallen gegevens aan bestuursorganen worden verstrekt. In artikel 103 is uitdrukkelijk niet bepaald dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur, dat wil zeggen door de minister op grond van de algemene maatregel van bestuur, een regeling terzake kan worden getroffen. De minister kan derhalve geen ontheffingen van het verbod van gegevensverstrekking verlenen. Hiermee worden enerzijds voldoende waarborgen voor bescherming van de persoonlijke levenssfeer geschapen en wordt anderzijds mogelijk gemaakt dat gewenste wijzigingen in de gegevensstromen tussen bestuursorganen snel, door middel van een algemene maatregel van bestuur, tot stand kunnen worden gebracht. Hierbij kan worden gedacht aan gevallen waarin nieuwe bestuursorganen in het leven worden geroepen of bestaande bestuursorganen worden opgeheven, maar vooral ook aan gevallen waarin het maatschappelijk wenselijk wordt geacht, bijvoorbeeld in het kader van fraudebestrijding, dat nieuwe gegevensstromen tussen bestaande bestuursorganen tot stand worden gebracht. Daarbij komt dat een algemene maatregel van bestuur ook snel gewijzigd kan worden indien zou blijken dat de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen verbetering behoeft. Ik meen dan ook, anders dan de Registratiekamer, dat het voorgestelde artikel 103 voldoende evenwichtig is. Overigens merk ik op dat de Registratiekamer in haar advies geen bezwaar heeft gemaakt tegen het ontwerp van de op artikel 103 van de nOsv gebaseerde algemene maatregel van bestuur die als bijlage 2 bij de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel nOsv is gevoegd (het in dit ontwerp genoemde «artikel 107» moet worden vervangen door: 103).

Afschrift van deze brief zend ik aan de voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal en aan de Registratiekamer.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.Wallage

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.