Tweede nota van wijziging - Aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Ontvangen 18 januari 1994

In het voorstel van wet houdende de aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Tweede Kamer, 1992/03, 23141) worden de volgende wijzigingen aangebracht.

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: 1. Onderdeel d wordt vervangen door: d. Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming: het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming, bedoeld in artikel 31; 2. In onderdelen k en I wordt «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

B In de artikelen 6, eerste lid, 10, eerste en tweede lid, 12, 13, eerste en tweede lid, 15, eerste en tweede lid, 16, eerste lid, 17, tweede lid, 19 en 20 wordt telkens «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

Het opschrift «HOOFDSTUK IV. HET GEMEENSCHAPPELIJK INSTITUUT VAN BEDRIJFSVEREIMIGINGEN boven het vierde hoofdstuk wordt vervangen door: HOOFDSTUK IV. HET TIJDELIJK INSTITUUT VOOR COÖRDINATIE EN AFSTEMMING.

Het opschrift «§1. Erkenning als Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» boven de eerste paragraaf van het vierde hoofdstuk wordt vervangen door: §1. Erkenning als Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

411684F ISSN 0921 • 7371 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1994

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste en tweede lid wordttelkens «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming. 2. In het eerste lid wordt onderdeel b vervangen door: b. het bestuur van de rechtspersoon blijkens de statuten bestaat uit leden van de besturen van de bedrijfsverenigingen en een bij koninklijk besluit op voordracht van Onze Minister benoemde voorzitter, van wie de rechtspositie wordt vastgelegd in een door het bestuur van de rechtspersoon te stellen regeling, die goedkeuring van het College behoeft;

In de artikelen 32, eerste en tweede lid, 33, eerste lid, 34, eerste lid, en 35, wordt telkens «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

Het opschrift «§2. Taken en bevoegdheden van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» boven de tweede paragraaf van het vierde hoofdstuk wordt vervangen door: §2. Taken en bevoegdheden van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

H !n artikel 36 wordt «1. Het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

I In de artikelen 37, 38, eerste en tweede lid, 39, tweede lid, 61, eerste lid, 63, vierde lid, 64, derde en vijfde lid, 65, eerste, tweede, derde en vierde lid, 66, eerste en tweede lid, 67, 69, eerste, zevende, achtste, negende en tiende lid, 70, 71, tweede lid, 73, eerste lid, en 75, eerste en derde lid, wordt telkens «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

In artikel 76 vervalt «1.» en wordt «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

In de artikelen 77, eerste lid, 78, eerste, vierde en vijfde lid, 79, tweede en derde lid, 82, tweede, derde en vijfde lid, 83, tweede, derde en vijfde lid, 84, eerste en tweede, 85, derde lid, 87, eerste, vierde, vijfde en zesde lid en 89, eerste lid, wordttelkens «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

In hoofdstuk VII wordt in het opschrift van §1. «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

MIn artikel 91, eerste lid, wordt «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

N In artikel 97 vervalt «1.» en wordt telkens «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

In de artikelen 98, en 100, eerste en tweede lid, wordt «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

In hoofdstuk VII wordt in het opschrift van §3. «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming.

In deartikelen 101, 103, eerste lid, 104, eerste lid, 106, eerste lid, en 115, tweede lid, wordt telkens «Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen» vervangen door: Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming. Na artikel 117 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 117a

  • Hoofdstuk IV van deze wet vervalt met ingang van 1 januari 1998. 2. Onze Minister bevordert dat uiterlijk een halfjaar vóór 1 januari 1998 een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingediend waarin de gevolgen van het vervallen van hoofdstuk IV van deze wet worden geregeld.

TDELICHTING De voorliggende nota van wijziging is aangekondigd bij brief van 22 november 1993, nr. SZ/SV/5164 en in het debat over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie. Door middel van deze nota wordt een drietal wijzigingen tot stand gebracht die betrekking hebben op het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen.

De naam van het Gib verandert in het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica).

In onderdeel E is een wijziging van artikel 31 aangebracht, ertoe strekkende dat het bestuur van het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming mede bestaat uit een onafhankelijk voorzitter die op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wordt benoemd door de Kroon. Deze voorzitter is lid van het bestuur en derhalve, evenals de andere leden van het bestuur, stemgerechtigd.

Onderdeel R voorziet in een regeling van de tijdelijkheid van het Tica. Het eerste lid van het voorgestelde artikel 71a voorziet in het opheffen van hetTica met ingang van 1 januari 1998. Hettweede lid verplicht de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te bevorderen dat tijdig een wetsvoorstel wordt ingediend dat voorziet in een regeling van de gevolgen van het verdwijnen van dit instituut.

De discussie die in het parlement is gevoerd over het rapport van de commissie Buurmeijer maakte eens te meer duidelijk dat met dit wetsvoorstel geen definitieve uitvoeringsstructuur voor de werknemersverzekeringen wordt neergezet, maar een overgangsstructuur. Deze overgangsstructuur moet gestalte krijgen onder onafhankelijktoezicht door het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv). Het is nadrukkelijk de bedoeling dat een proces op gang komt, dat voor de «uitvoering aan de voet» leidt tot een beweging van sectorale verantwoordelijkheden naar regionale verantwoordelijkheden op de schaal die nu al geldt voor de RBA's. Het Tica is de geëigende instantie om die beweging de komende jaren in gang te zetten en te houden.

Dat proces zal starten met een binnenkort te verzenden, gerichte adviesaanvraag aan de SER, niet over de vraag of deze beweging moet worden gemaakt, maar hoe. Het kabinet verwacht in mei dit jaar daarover advies te ontvangen. Het volgende kabinet zal vervolgens tot taak hebben om een totaalstructuur, die gedurende een flink aantal jaren houdbaar moet zijn, te ontwerpen en voorstellen te doen om dit wettelijk vast te leggen. Intussen zal de met dit voorstel ingerichte structuur onder onafhankelijk toezicht reeds naar de regionale schaal moeten toewerken, opdat te zijner tijd de overgang relatief eenvoudig zal zijn. Dit is des te meer van belang waar het de samenwerking tussen de bedrijfsverenigingen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie betreft. Bij de eerste nota van wijziging op het voorliggende wetsvoorstel is de verplichting opgenomen tot samenwerking tussen de bedrijfsverenigingen en de Arbeidsvoorzieningsorganisatie om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen. Deze samenwerking dient met name in de regio vorm te krijgen. Ik hecht er dan ook zeer aan dat het Tica bevordert dat bedrijfsverenigingen -reeds in de overgangsfase -bevoegdheden op hetterrein van deze samenwerking mandateren naar het regionale niveau. Alleen dan zal de bij wet verplichte samenwerking succesvol kunnen zijn. De onafhankelijk toezichthouder dient erop toe te zien dat het Tica deze taak naar behoren uitvoert. Verder zal de toezichthouder via periodieke rapportages aan de Minister inzicht bieden in de voortgang die op dit punt wordt geboekt.

De tijdelijkheid -die nu ook in de naam van het instituut tot uitdrukking wordt gebracht -geldt het Tica als geheel. Het komt mij waarschijnlijk voor dat te zijner tijd in ieder geval een andere bestuursvorm zal worden gekozen. De taken die in dit voorstel aan het Tica worden toebedeeld zullen echter over het algemeen ook na realisatie van de definitieve structuur ergens (centraal) uitgeoefend moeten worden. Dat betekent dat te zijner tijd de bij het apparaat van het Tica opgebouwde expertise in stand zal moeten worden gehouden.

De eerder voorgestelde bestuurssamenstelling van het Tica (toen nog Gib genoemd) wordt in zoverre gewijzigd dat dit instituut een door de Kroon benoemd voorzitter zal hebben. Ik kom tot dit voorstel omdat ik meen dat het de bestuurbaarheid van de veranderingsprocessen, die door dit wetsvoorstel in gang worden gezet, ten goede zal komen als er bij het Tica een onafhankelijk, vast aanspreekpunt is. Vooral voor de Toezichtkamer -die bij de sturing van die processen in mijn visie ook zelf een belangrijke rol zal vervullen -zal dit een voordeel zijn. De aanwezigheid van een onafhankelijk bestuurder in het Tlcabestuur kan tevens het «intern»-functioneren van het bestuurten goede komen. Immers, het wetsvoorstel voorziet in een bestuur waarin werknemers-en werkgeversvertegenwoordigers ieder een gelijk aantal bestuurszetels bezetten. Een onafhankelijk voorzitter, met stemrecht, kan in geval van het staken der stemmen, bijvoorbeeld wanneer werknemers-en werkgeversvertegenwoordigers het oneens zijn, uitkomst bieden. Deze voorzitter kan ook een bemiddelende rol vervullen, waardoor de daadkracht van het bestuur kan toenemen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Wallage

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.