Nota naar aanleiding van het eindverslag - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Ontvangen 8 november 1993

  • Inleiding

Het op 19 oktober door de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid vastgestelde eindverslag bevat zeer uiteenlopende reacties op de memorie van antwoord. Enerzijds geeft een meerderheid van de Kamer te kennen in te stemmen met de hoofdlijnen van het wetsvoorstel. De leden van de fracties van CDA en PvdA dringen op voortzetting van de behandeling aan. Ook de leden van de SGP-fractie achten een beperkte aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen op korte termijn gewenst. De leden van de GPV-fractie stellen terecht dat de uitdaging is dit wetsvoorstel te beschouwen als een poging om de grootste knelpunten uit de weg te ruimen zonder daarmee de weg naar verdere aanpassing af te snijden. Anderzijds neemt een grote minderheid, in casu de leden van de fracties van RPF, VVD, D66 en Groen Links het standpunt in dat moet worden afgezien van een verdere behandeling van het wetsvoorstel.

Ik betreur dit laatste standpunt. Dat geldt met name voor de stelligheid waarmee door de leden van de drie laatstgenoemde fracties de medewerking aan de schriftelijke behandeling wordt opgezegd.

De oplossing van de bestaande -door de enquêtecommissie in haar analyse indringend in beeld gebrachte -problemen in de uitvoering kan niet wachten op de uitkomsten van een fundamentele discussie over het stelsel en de uitvoering. Het voorliggende wetsvoorstel voorziet in een aantal noodzakelijke wijzigingen en het staat een fundamentele discussie niet in de weg. Ik vind het jammer dat de leden van de fracties van VVD, D66 en Groen Links geheel voorbij gaan aan het terzake strekkende betoog in de memorie van antwoord. Zij willen zodoende kenbaar maken het niet eens te zijn met de wens van het kabinet om pas binnen de kaders van de nog te voeren fundamentele discussie over de toekomstige uitvoeringsorganisatie in te gaan op het rapport van deze fracties inzake een algehele herziening van de uitvoering. Ik meen dat voor het uitstellen van de bespreking goede redenen zijn aangegeven in de 315383F ISSN09217371 Sdu Uitgeverij Plamijnstraat 's Gravenhage 1993 inleiding van de memorie van antwoord. Anderzijds ben ik wellicht te kort geschoten in het expliciteren daarvan. Ik hecht er aan op te merken dat er mij veel aan is gelegen de dialoog met de leden van de fracties van VVD, D66 en Groen Links te herstellen, en zal de bedoelde redenen hierna dan ook nader toelichten.

Het kabinet wordt thans, grofweg, geconfronteerd met een tweetal verschijnselen. In de eerste plaats is er een aantal urgente knelpunten in de uitvoeringsorganisatie. Over deze knelpunten en de noodzaak te komen tot oplossingen meen ik een grote mate van consensus te kunnen constateren, die zich uitstrekt tot een belangrijk deel van de Tweede Kamer. In de tweede plaats is er een groeiende consensus met betrekking tot de noodzaak van een fundamentele discussie over de inhoud van het stelsel van sociale verzekeringen en -min of meer als noodzakelijk sequeel daarvan -de uitvoering. Deze discussie vindt zijn weerslag vooralsnog hoofdzakelijk in het rapport van de parlementaire enquêtecommissie. Ik heb mij tot doel gesteld de bedoelde knelpunten met voortvarendheid op te lossen, zónder de discussie over een algehele herziening van het stelsel en -dus -de uitvoering, waarover nog overleg met de Tweede Kamer moet plaatsvinden, te versperren of te belasten.

Het wetsvoorstel ondersteunt reeds ingezette, noodzakelijke veranderingen in de uitvoeringspraktijk en realiseert instrumenten om de uitvoeringsorganen beter te kunnen sturen, controleren en corrigeren. Dit is mogelijk gebleken met een relatief beperkte opzet; een belangrijk deel van het terrein voor een fundamentele en algehele herziening van het stelsel en de uitvoering ligt dan ook nog steeds braak. Ten aanzien van de delen van de uitvoering die wèl gewijzigd worden, is in de memorie van antwoord reeds aangegeven dat naar de mening van het kabinet het wetsvoorstel evenmin een fundamentele discussie in de weg staat. Implementatie van het wetsvoorstel maakt juist de weg vrij voor een fundamentele discussie, zonder -de leden van de fractie van de SGP wijzen hier terecht op -de druk van een niet goed functionerende uitvoering. Het standpunt van het lid van de RPF-fractie dat het wenselijk is het voorstel in te trekken en na behandeling van het rapport van de enquêtecommissie in de Tweede Kamer met spoed nieuwe wetgeving te initiëren, deel ik derhalve niet.

De voorstellen uit het rapport «Naar een nieuwe uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen», dd. 30 juni 1992, van de fracties van VVD, D66 en Groen Links voorzien in een algehele herziening van de uitvoeringsorganisatie. De voorstellen benaderen wat betreft reikwijdte, kwantitatief en kwalitatief, de aanbevelingen van de enquêtecommissie. Het ligt derhalve voor de hand het rapport te bespreken in het kader van de fundamentele discussie over ons toekomstig stelsel en de uitvoering daarvan, tezamen met de bespreking van het rapport van de enquêtecommissie. Evenals ten aanzien van de aanbevelingen van de enquêtecommissie is hier de vraag aan de orde of de invoering van het voorliggende wetsvoorstel de voorstellen die in het rapport worden gedaan in de weg staat. En evenals ten aanzien van de aanbevelingen van de enquêtecommissie ben ik van mening dat dit niet het geval is. De leden van de fracties van VVD, D66 en Groen Links doen drastische voorstellen tot wijziging van de uitvoering aan de voet en aan de top, en van de verdeling van verantwoordelijkheden. Het voorliggend wetsvoorstel wijzigt de uitvoering(spraktijk) aan de voet nauwelijks en voorziet vooral ten aanzien van het toezicht in een herverdeling van verantwoordelijkheden. Met betrekking tot dit laatste punt, het realiseren van onafhankelijk toezicht, komt het wetsvoorstel overeen met de wensen van de genoemde fracties. Blijkens het eindverslag kunnen deze fracties zich dan ook vinden in de implementatie van het desbetreffende onderdeel van het wetsvoorstel.

De instelling van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (het Gib) zou volgens de fracties van VVD, D66 en Groen Links niet dienen plaats te vinden. Alhoewel zij zich daarover in het eindverslag niet expliciet uitlaten, zijn deze fracties wellicht dezelfde mening toegedaan aangaande de in het wetsvoorstel voorgestelde opheffing van de GMD. In hun eigen rapport pleiten deze fracties voor de vervanging van de bedrijfstaksgewijze uitvoering en de GMD door een Zelfstandig bestuursorgaan sociale verzekeringen (ZBO). Dit ZBO kent een Centraal Bestuur, bestaande uit Kroonleden, en 28 Regionale Uitvoeringskantoren met elk een eigen bestuur, waarvan de samenstelling wordt geregeld door het Centraal Bestuur.

De relatie tussen de instelling van het Gib en de opheffing van de GMD enerzijds en de instelling van bovengenoemd ZBO anderzijds komt in essentie overeen met de relatie tussen genoemde onderdelen uit het wetsvoorstel en de aanbevelingen van de enquêtecommissie. Zowel in de visie van de fracties van de VVD, D66 en Groen Links als van de enquê-tecommissie staat aan het hoofd van de uitvoering van (een deel van) de werknemersverzekeringen een centraal onafhankelijk orgaan, dat tevens verantwoordelijkheid draagt voor de sociaal-medische advisering. Hoe zich dit verhoudt tot de instelling van het Gib, en de opheffing van de GMD, wordt verderop in deze nota nog besproken.

Het kabinet kan vooralsnog geen inhoudelijk oordeel uitspreken over de voorstellen uit het rapport van de VVD, D66 en Groen Links. Gelet op de overeenkomsten tussen het rapport en de aanbevelingen van de enquêtecommissie, inhoudelijk en thematisch, zou daarmee te zeer een voorschot worden genomen op de discussie over de aanbevelingen van de enquêtecommissie. Hierover is eerder medegedeeld dat het kabinet niet voor zijn beurt wil spreken; eerst zal de Kamer het rapport van zijn enquêtecommissie in eigen geledingen bespreken. Daarna zal het kabinet zijn standpunt inzake de bevindingen van de enquêtecommissie kenbaar maken. In het kader van de vervolgens te voeren fundamentele discussie zal ook gesproken worden over de voorstellen uit het rapport van de fracties van de VVD, D66 en Groen Links.

Een onderdeel uit het rapport van deze drie fracties betreft de relatie tussen de minister en (de top van) de uitvoeringsorganisatie. Deze kwestie ligt in zijn geheel binnen het bereik van het voorliggend wetsvoorstel. De aanbevelingen van de enquêtecommissie zijn op dit punt summier. Een korte reactie terzake lijkt reeds hier op haar plaats.

In de visie van de leden van de fracties van VVD, D66 en Groen Links dient de minister zich te beperken tot het formuleren van de hoofdlijnen van het beleid van de uitvoering. In concreto komt het er op neer dat de minister, in overleg met het parlement, jaarlijks een -tussentijds niet te wijzigen -contract sluit met het Centraal Bestuur van het ZBO met globale afspraken over de taakstelling voor de sociale zekerheid en het daarbij behorende budget. Dit instrument heeft mijns inziens een aantal belangrijke beperkingen. Het voorstel is naar mijn mening geenszins toereikend om op de door het kabinet gewenste wijze invulling te geven aan de ministeriële verantwoordelijkheid op het terrein van de sociale verzekeringen. Het legt kabinet en parlement als het ware aan een leiband, terwijl zij als eerstverantwoordelijken voor het beleid ten aanzien van de sociale verzekeringen in beginsel op elk door hen gewenst moment de uitvoering zouden moeten kunnen aan-of bijsturen.

  • De uitvoeringsinstanties en de toezichthouder

De leden van de fractie van het CDA vragen een nadere verduidelijking van het sturingsinstrumentarium van de minister ten opzichte van de toezichthouder. Zij vragen zich af of het kabinet niet vreest dat de taak om toezicht te houden in strijd kan komen met het voorgestane sociaal-economische beleid. Op deze manier kunnen er subjectieve elementen in de toezichtstaak gebracht worden, aldus deze leden. Zij leggen op dit punt tevens een relatie met de Verzekeringskamer.

De hier aan het woord zijnde leden doelen op de mogelijkheid van de minister om de toezichthouder te corrigeren door middel van bepaalde sturingsinstrumenten. Anders dan deze leden veronderstellen is het niet de bedoeling dat gebruik van dit instrumentarium leidt tot een vorm van permanente sturing. De primaire verantwoordelijkheid van het Ctsv is het houden van toezicht op de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering door de uitvoeringsinstanties. De minister heeft een veel omvattende verantwoordelijkheid voor de macro-economische effecten van de uitvoering en voor de wetgeving. De primaire verantwoordelijkheid voor de dagelijkse uitvoeringspraktijk, het verstrekken van uitkeringen en werkzaamheden met betrekking tot de rentegratie van uitkeringsgerechtigden ligt bij de uitvoeringsinstanties zelf. Op de wijze waarop deze met hun verantwoordelijkheid omgaan houdt het Ctsv toezicht. Om zijn verantwoordelijkheid waar te kunnen maken beschikt de minister over een instrumentarium waarmee hij de toezichthouder kan corrigeren. De minister zal in mijn visie hiervan slechts beperkt gebruik maken. Hij zal daarbij uiteraard ook zelf gebonden zijn aan letter en bedoeling van de vigerende regelgeving, zodat voor subjectieve elementen in het toezicht niet behoeft te worden gevreesd. Overigens heeft het parlement de mogelijkheid de minister aan te spreken op de wijze waarop deze van het hem ten dienste staande instrumentarium gebruik maakt.

Over de relatie die de leden van de CDA-fractie leggen met de positie van de Verzekeringskamer merk ik het volgende op. De verhouding tussen de minister en het Ctsv is een fundamenteel andere dan die tussen de minister en de Verzekeringskamer. Het toezicht, uitgeoefend door het Ctsv, strekt zich uit over een sector die gefinancierd wordt uit de collectieve middelen. Hierdoor heeft de minister een bepaalde verantwoordelijkheid waarop hij door het parlement moet kunnen worden aangesproken. Om deze verantwoordelijkheid waar te kunnen maken dient hij over mogelijkheden tot sturing te beschikken. De Verzekeringskamer houdt toezicht op de particuliere verzekerings-en pensioensector. Hier heeft de minister geen of nauwelijks verantwoordelijkheid en beschikt hij dan ook niet over een instrumentarium waarmee hij de Verzekeringskamer kan sturen.

Naar aanleiding van de vraag van de leden van de CDA-fractie of de minister periodiek op de hoogte wordt gebracht van de nevenfuncties van de Ctsv-bestuursleden merk ik het volgende op. Periodiek, bij benoemingen en herbenoemingen, dat wil zeggen in elk geval n maal in de vier jaar, zal de minister zich op de hoogte laten stellen van eventuele nevenfuncties van Ctsv-bestuursleden.

Daarnaast kan de minister op grond van het voorgestelde artikel 10 van het wetsvoorstel ook tussentijds, al dan niet periodiek, aan het Ctsv verzoeken hem op de hoogte te stellen van de nevenfuncties van de bestuursleden. Aan de hand van de verkregen informatie kan de minister handelen op de wijze die is omschreven in de memorie van antwoord. Uiteraard is primair het uitgangspunt dat leden die overwegen een nevenfunctie te aanvaarden, in geval van twijfel over de toelaatbaarheid daarvan, daarover eerst met de minister in contact treden.

Tevens vragen de leden van de fractie van het CDA in hoeverre het Ctsv sturend kan optreden met betrekking tot de uitstroom uit de ZW/WAO, nadat de arbeidsbemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten overgedragen is aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Het Ctsv behoudt, ook na overdracht van de bemiddelingstaak aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, een toezichthoudende en sturende rol waar het gaat om de inspanningen van de bedrijfsverenigingen ten aanzien van het uitstroombeleid. Stellen zij zich actief genoeg op, werken zij goed samen met de RBA's, worden de ter beschikking staande uitstroominstrumenten (o.a. art. 30 ZW) voldoende en op een juiste wijze toegepast? Dit zijn vragen die daarbij aan bod komen. Ten aanzien van de arbeidsbemiddeling zelf speelt het Ctsv geen rol meer. De toezichtstaak op dit punt is opgedragen aan de minister van SZW als wettelijk toezichthouder op de arbeidsvoorzieningsorganisatie.

De leden van de CDA-fractie hebben, evenals in het voorlopig verslag een vraag gesteld over een mogelijke inperking van de onderzoekstaak van het Ctsv. Zij vragen zich af of het kabinet, met de huidige formulering van artikel 12 lid d, kiest voor een zodanig beperkte onderzoekstaak, dat onderzoek naar de werking van de wetten niet meer behoort tot de taken van het Ctsv. Ook willen zij weten welk orgaan in de visie van het kabinet de effecten van beleidsmaatregelen onderzoekt.

Naar mijn mening kan er geen twijfel over bestaan dat het Ctsv, de Bank, het Gib en de bedrijfsverenigingen vanuit hun onderscheiden taken verschillend gerichte onderzoekbehoeften hebben. Het ligt dan ook voor de hand, dat elke organisatie (uit dien hoofde) beschikt over eigen onderzoekcapaciteit, hetgeen ook als uitgangspunt is geformuleerd in de memorie van toelichting.

Het onderzoek dat door of in opdracht van het Ctsv wordt verricht, heeft betrekking op de (doelmatige) uitvoering van wetten door de Bank, het Gib, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. Dit kan onder omstandigheden ook betrekking hebben op de door deze leden genoemde werking van wetten.

Het (laten) onderzoeken van de effecten van beleidsmaatregelen is vanuit bovengenoemde optiek een taak van verschillende instanties vanuit de onderscheiden posities die zij binnen het beleidsterrein innemen. Doelmatige uitvoering van wetten zal het richtpunt zijn voor de onderzoekactiviteiten van het Ctsv, de uitvoeringstechnische aspecten dat van het Gib en de SVb. Ook het ministerie van SZW heeft een duidelijke taak in het licht van onderzoek naar de effecten van wetgeving, zoals onderzoek naar de doelbereiking, de financiële consequenties, de handhaving, neveneffecten en gedragsreacties, de doorwerking van het beleid bij de doelgroepen en andere betrokkenen, e.d.

De leden van de SGP-fractie constateren dat het voorliggende wetsvoorstel en de aanbevelingen van de commissie op het punt van het onafhankelijk toezicht met elkaar sporen. Toch menen zij dat er ook een aantal verschillen bestaat tussen beide voorstellen. Zij wijzen daarbij op de door de enquêtecommissie voorgestelde rapporteerplicht van de toezichthouder aan het parlement. Graag vernemen zij hierop een visie van het kabinet.

De door de commissie voorgestelde rapporteerplicht van de toezichthouder aan het parlement vormt, zoals de hier aan het woord zijnde leden terecht constateren, geen onderdeel van het voorliggende wetsvoorstel. Het is wel de bedoeling dat het Ctsv door middel van uitvoeringseffectrapportages de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid informeert over het uitgevoerde toezicht. In antwoord op een vraag in het voorlopig verslag van de leden van de CDA-fractie terzake, heb ik in de memorie van antwoord opgemerkt geen reden te zien dergelijke uitvoeringseffectrapportages niet naar de Tweede Kamer te zenden. Dit gebeurt nu reeds met de rapportages betreffende de resultaten van het volumebeleid arbeidsongeschiktheid, de uitvoeringskosten en het samengaan van GAK en GMD. Mijns inziens ontstaat hierdoor een situatie die feitelijk nauwelijks afwijkt van hetgeen de commissie-Buurmeijer voorstelt.

De fractieleden van het GPV stelden in het voorlopig verslag een aantal vragen over de voorgestelde bevoegdheden van het Ctsv. Zij zijn van mening dat het kabinet op deze vragen onvoldoende gereageerd heeft. Het betreft vooral de vraag over de afstand van het Ctsv tot de uitvoeringsorganisatie, de aanwijzingsbevoegdheid en de spanning die dit op kan leveren met de coördinatietaak van het Gib en de mogelijke vermenging van verantwoordelijkheden als een toezichthoudend orgaan zich direct gaat bemoeien met de uitvoering.

In het wetsvoorstel is gekozen voor een opzet die gekenmerkt wordt door een scheiding tussen toezicht en coördinatie. De toezichtstaak is in handen van het Ctsv. Het Ctsv kan regels stellen die voortvloeien uit zijn toezichthoudende taak op terreinen als de inrichting van de administratie van de uitvoeringsinstellingen, de administratieve organisatie, de interne controle, de toerekening van uitvoeringskosten en de financiële verslaglegging. De coördinatie van de uitvoering is een taak van het Gib. Het belangrijkste instrument ter uitvoering van deze taak is de mogelijkheid bindende regels te stellen. Tot zover hebben het Ctsv en het Gib een gescheiden verantwoordelijkheid. Uiteraard heeft het toezicht van het Ctsv ook betrekking op de wijze waarop het Gib zijn taken uitoefent. In mijn visie impliceert dat niet dat het Ctsv op de stoel van het Gib als coördinerend orgaan zal gaan zitten.

In dit verband rijst bij de hier aan het woord zijnde leden tevens de vraag in hoeverre nu reeds kan worden beslist dat het Ctsv de bevoegdheid krijgt beslissingen van uitvoeringsorganen aan te vechten, om zo het algemeen belang als toetsingscriterium in de uitvoering van de sociale zekerheid in te voeren.

Het Ctsv heeft in het wetsvoorstel de mogelijkheid gekregen om de uitvoeringsinstanties aanwijzingen te geven. Door middel van aanwijzingen zal het Ctsv derhalve het algemeen belang als toetsingscriterium in de sociale zekerheid kunnen invoeren.

De aanwijzingen kunnen geen betrekking hebben op de besluitvorming betreffende een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever. Het Ctsv wordt derhalve geen beroepsinstantie voor deze individuen. Evenmin wordt het Ctsv een bestuurder die op de stoel van de besturen van de uitvoeringsinstanties kan gaan zitten. Het Ctsv zal niet in concrete gevallen in plaats van de uitvoeringsinstantie beslissingen kunnen nemen die direct rechtsgevolgen voor individuen hebben. Dit zou in strijd zijn met de rol van de uitvoeringinstanties als zelfstandige bestuurslichamen. De zorg die de hier aan het woord zijnde leden in hun bijdrage aan het eindverslag uiten over mogelijke vermenging van verantwoordelijkheden als de toezichthoudende instantie zich direct gaat bemoeien met de uitvoering, kan hiermee wellicht worden weggenomen.

De aanwijzingen kunnen echter wel betrekking hebben op de wijze van besluitvorming van één of meer uitvoeringsinstanties in soorten van gevallen. De uitvoeringsinstanties zijn verplicht de aanwijzingen van de toezichthouder in acht te nemen bij hun toekomstige beslissingen in individuele gevallen. Tegen een aanwijzing, waarmee bijvoorbeeld wordt beoogd het algemeen belang te dienen, zal door een uitvoeringsinstantie op grond van de Algemene wet bestuursrecht beroep kunnen worden ingesteld bij de rechtbank en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, of bij de burgerlijke rechter, afhankelijk van het rechtskarakter van de aanwijzing. Overeenkomstig de aanbeveling van de commissie-Buurmeijer zal derhalve op grond van dit wetsvoorstel «het algemeen belang ook in de rechtspraak nadrukkelijk vertegenwoordigd kunnen zijn» en krijgt de toezichthouder bij wet de bevoegdheid in het algemeen belang richting te geven aan beslissingen van uitvoeringsinstanties, zonder dat hij zelf daartoe de rechter behoeft in te schakelen.

De leden van de fracties van CDA, PvdA, GPV en SGP besteden aandacht aan het voorstel om een Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib) in te stellen. Een aantal fracties legt daarbij een relatie met de voorstellen van de commissie-Buurmeijer en vraagt om een nadere beschouwing op dit punt.

In de memorie van antwoord heb ik reeds uitvoerig uiteengezet de instelling van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen noodzakelijk te achten. Niet alle fracties blijken overtuigd door de aangevoerde argumenten. De in de memorie van antwoord gepresenteerde argumentatie gaat vooral uit van de vraag welke functie het Gib in de voorgestelde uitvoeringsorganisatie krijgt. Het kabinet wil deze problematiek nu eens vanuit een ander perspectief bekijken, door nader te analyseren welke situatie ontstaat als het voorliggende wetsvoorstel ingevoerd wordt, behoudens de realisatie van het Gib.

Van belang is daarbij het uitgangspunt dat het Ctsv niet met andere taken dan de toezichthoudende taak (en daaraan inherente taken als onderzoek en informatieverzameling) moet worden belast: het toezicht moet zuiver worden gehouden. Het recente verleden heeft aangetoond dat het belasten van de toezichthouder met andere taken, zoals coördinatie en daaruit voortvloeiende regelgeving, een effectieve uitoefening van het toezicht in de weg staat. Dit wordt bevestigd door de commissie-Buurmeijer, waar deze een gebrek aan functiescheiding bij de aan de SVr opgedragen taken constateert. Op grond van zijn coördinerende taak en de daaruit voortvloeiende regelgeving heeft de SVr als toezichthouder medeverantwoordelijkheid gedragen voor de feitelijke uitvoering, waardoor het onafhankelijk toezicht in het gedrang is gekomen. Ook de hierdoor ontstane competentiestrijd tussen de SVr en de FBV en de SVr en de centrale fondsen, bevestigt de noodzaak om het toezicht zuiver te houden.

Hierna zal ik dus de «ins» en «outs» aangeven van het aan andere instanties toebedelen van de in het wetsvoorstel aan het Gib toebedachte taken, voor het geval het Gib niet tot stand zou worden gebracht:

-centrale GMD-activiteiten; -coördinatie; -uitvoeringstechnische advisering; -regelgeving; -fondsbeheer; -budgettering; -beslechten van indelingsgeschillen.

De centrale taken van de huidige GMD dienen na de opheffing van deze dienst een nieuwe positie te krijgen. Het gaat met name om beleidsvoorbereidende en beleidsondersteunende werkzaamheden van de stafdiensten van de huidige GMD. In haar aanbevelingen stelt de commissie-Buurmeijer voor, de uitvoering van de Arbeidsongeschiktheidsregeling (AR) op te dragen aan een onafhankelijke, centraal bestuurde instantie die volgens strakke normen, gedeconcentreerd werkt. Ook ik ben van mening dat de huidige centrale GMD-taken -waaronder strakke normering van de gevalsbehandeling -centraal moeten blijven. Deze taken dragen immers bij aan het bevorderen van de eenheid in beieid en kunnen dus niet bij de afzonderlijke bedrijfsverenigingen ondergebracht worden.

Bij coördinatie denk ik aan verschillende zaken. Bijvoorbeeld aan de inrichting van de administraties, aan het berichtenverkeer (tussen bedrijfsverenigingen en met andere instanties, onder meer in het kader van fraudebestrijding), aan werkmodellen voor de gevalsbehandeling, maar ook aan gezamenlijk overleg over huisvesting en andere facilitaire zaken. Een centrale coördinerende instantie lijkt voor de uitvoering van deze taken het meest geschikt. Het uitgangspunt dat het toezicht zuiver wordt gehouden betekent dat deze taken niet bij de toezichthouder kunnen worden ondergebracht, waarbij nog afgezien wordt van het feit dat dit ook uit de aard van de materie (coördinatie van de uitvoering) niet voor de hand zou liggen.

Nu vergt het uitvoeren van de hiervoor beschreven taken wellicht niet noodzakelijkerwijs een instantie met een wettelijke status. Ook een privaatrechtelijke instantie, zoals de huidige FBV, moet in staat geacht worden deze taken uit te voeren. Er is dan in feite sprake van een vorm van zelfregulering. Nadeel daarvan is dat de bedrijfsverenigingen niet gebonden zijn en dus niet verplicht zijn zich aan de gemaakte afspraken te houden. Een ander nadeel is, dat deze coördinatietaken niet nadrukkelijk onderwerp van toezicht vormen voor de onafhankelijk toezichthouder. Deze nadelen zouden wellicht (enigszins) kunnen worden ondervangen door in de wet te bepalen dat op een aantal terreinen de bedrijfsverenigingen verplicht zijn te zorgen voor gemeenschappelijk regelingen. Een andere mogelijkheid zou wellicht zijn dat de toezichthouder in het kader van zijn aanwijzingsbevoegdheid de bedrijfsverenigingen voorschrijft op welke terreinen zij dienen te zorgen voor coördinatie.

De uitvoeringstechnische advisering is een taak die naar mijn mening bij de uitvoering zelf ondergebracht dient te worden. De commissie-Buurmeijer komt in haar analyse tot de conclusie dat de SVr bij het opstellen van adviezen veelvuldig gebruik maakt van de expertise van de FBV op het terrein van uitvoeringstechnische aspecten. Ook hier lijkt het mogelijk in de wet te bepalen dat de bedrijfsverenigingen verplicht zijn te zorgen voor een gemeenschappelijke regeling. Feitelijk zou dit dan betekenen dat de advisering over uitvoeringstechnische zaken wordt opgedragen aan een privaatrechtelijke instantie, zoals de huidige FBV.

Een belangrijk aspect van coördinatie is regelgeving. Het gaat bij de uitvoering van de werknemersverzekeringen om een zeer grote hoeveelheid regels. Bijlage 1 bij deze nota geeft daarvan een overzicht. De keuze van de instantie (of instanties) die met de taak tot het stellen van regels belast wordt (worden) is sterk afhankelijk van het karakter van die regels. Allereerst zou dus moeten worden bezien welk deel van de in de bijlage genoemde regels door de gezamenlijke bedrijfsverenigingen gesteld kunnen worden. De resterende regelgeving zou niet anders dan bij de toezichthouder of bij de minister kunnen worden gelegd. Op dit punt voorzie ik een aantal problemen. Indien de toezichthouder regels gaat stellen ten behoeve van de coördinatie van de uitvoering, wordt een (moeilijk acceptabel te achten) concessie gedaan aan het uitgangspunt van een zuiver toezicht. Het verrichten van regelgevende taken door de minister komt naar mijn mening al snel in strijd met algemene noties die terecht opgang doen over de kernactiviteiten van departementen. Het neerleggen van deze taak op ministerieel niveau zou betekenen dat ten behoeve van het signaleren van de noodzaak om regels te stellen, het concipiëren van die regelgeving, de evaluatie daarvan etc., een uitbreiding moet worden gegeven aan het ambtelijk apparaat. Gelet op voorgaande overwegingen is mijn conclusie dat zonder instelling van het Gib, een juiste plaats voor het onderbrengen van regelgevende taken erg moeilijk te vinden is.

Een ander element dat in dit kader van belang is, is het fondsbeheer. In de memories van toelichting en antwoord is aangegeven, waarom het kabinet het beheer van de fondsen met landelijk uniforme premies, beschouwt als een taak van de uitvoering zelf. Duidelijk is dat dit beheer niet door iedere bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling afzonderlijk gedaan kan worden. Ook deze taak dient door een centrale instantie uitgevoerd te worden. Verder meen ik dat het beheer van collectieve middelen, zoals de premies werknemersverzekeringen, bezwaarlijk buiten het wettelijke regime van de sociale zekerheid gebracht kan worden. Beheer door de toezichthouder zou inhouden dat de minister extra taken (op het toezichtvlak) zou moeten krijgen, hetgeen mij niet wenselijk voorkomt. Daarnaast acht ik het vérgaand om een onafhankelijk toezichthouder, waarbij dus geen sociale partners betrokken zijn, de gelden te laten beheren die vooral door die sociale partners zijn opgebracht.

Een belangrijk element in dit wetsvoorstel is de budgettering van de uitvoeringskosten. Het lijkt minder voor de hand liggend de budgettering van de uitvoeringskosten van de bedrijfsvereniging aan elke bedrijfsvereniging afzonderlijk over te laten. Gelet op het uitgangspunt dat het toezicht zo zuiver mogelijk gehouden moet worden, is ook de toezichthouder niet de juiste instantie om deze taak uit te voeren. Budgettering van de uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen acht ik geen taak voor de minister, omdat het de uitvoering aan de voet betreft. Bovendien zou voor het vervullen van deze taak door de minister uitbreiding van het ambtelijk apparaat vereist zijn, hetgeen ik eveneens niet wenselijk vind. Ook kan de budgettering van de uitvoeringskosten moeilijk aan een instantie zonder publiekrechtelijke status worden opgedragen, daar de uitvoeringskosten worden gefinancierd uit de collectieve middelen.

Ten slotte het beslechten van de indelingsgeschillen. Het betreft hier geschillen omtrent de aansluiting van werkgevers bij een bedrijfsvereniging. Bij geschillen omtrent de aansluiting staan veelal grote (finan- ciële) belangen op het spel. Ik acht het daarom minder voor de hand liggend om de beslechting van indelingsgeschillen aan een instantie zonder publiekrechtelijke status over te laten. Ik ben van mening dat ook de minister deze taak niet behoort uit te voeren. Het betreft immers een kwestie die bij uitstek de uitvoering aan de voet betreft. Gedacht zou wellicht kunnen worden aan het College van Beroep voor het Bedrijfsleven. In het kader van de Algemene wet bestuursrecht is echter het uitgangspunt dat dit College geen extra taken meer krijgt toebedeeld.

Gelet op het voorafgaande kom ik tot de conclusie dat het wellicht denkbaar is, zij het met de hiervoor genoemde nadelen, dat een aantal taken, die nu bij de SVr en de GMD zijn ondergebracht, door een instelling zonder publiekrechtelijke status, zoals de huidige FBV, uitgevoerd zouden kunnen worden. Het betreft de coördinatie van de uitvoering (voor zover het niet gaat om de regelgeving), waaronder de centrale GMD-taken en de uitvoeringstechnische advisering. Ten aanzien van een viertal taken, te weten regelgeving, fondsbeheer, budgettering van de uitvoeringskosten en de beslechting van indelingsgeschillen, voorzie ik echter problemen. Het is onontkoombaar dat het onderbrengen van deze taken bij andere instanties er toe leidt dat wordt ingeleverd op de uitgangspunten dat het toezicht zuiver moet blijven en dat er geen nieuwe bestuurslagen mogen ontstaan. Anderzijds ben ik mij er terdege van bewust dat de instelling van het Gib, zoals opgenomen in het voorliggende wetsvoorstel, weerstand oproept. De analyse en aanbevelingen van de commissie-Buurmeijer en het eerder besproken rapport van de leden van VVD, D66 en Groen ünks stellen de rol van de sociale partners binnen de uitvoeringsorganisatie en daarmee de positie van de bedrijfsverenigingen ten principale ter discussie. Gelet daarop zou de instelling van het Gib door sommigen kunnen worden beschouwd als een optie die de bestaande structuur van de uitvoeringsorganisatie bevestigt, waardoor de te voeren discussie over de toekomst van het stelsel van sociale zekerheid en de uitvoering verstoord wordt. Om dit te voorkomen zou eraan gedacht kunnen worden in de wet vast te leggen dat het Gib slechts voor een bepaalde periode wordt ingesteld. Hierdoor ontstaat automatisch de noodzaak voor een volgend kabinet om expliciet met nadere voorstellen te komen. Anders gezegd, ook de wijze waarop de coördinatie van de uitvoering op middellange en lange termijn gestalte krijgt, is nadrukkelijk onderwerp van nadere afweging bij de discussie over de toekomst van de sociale zekerheid. Ook een eventueel besluit om tezijnertijd het bestaan van het Gib te continueren zou aldus via een wetsvoorstel en dus in overleg met het parlement moeten worden geëffectueerd. Ik ben ten volle bereid tijdens de mondelinge behandeling van het voorliggende wetsvoorstel deze mogelijkheid, die ook als een tegemoetkoming kan worden beschouwd aan de wensen van de leden van de fracties van VVD, D66 en Groen Links, nader te verkennen.

Het valt de leden van de CDA-fractie op dat het kabinet voor het Gib geen coördinerende taak ziet weggelegd voor reïntegratie-activiteiten. Tevens vragen deze leden hoe de samenwerking tussen de uitvoeringsinstanties gegarandeerd is, indien de arbeidsbemiddeling min of meer los komt te staan van de sociaal-medische begeleiding Ook de leden van de PvdA-fractie gaan hierop in. Om alerter te kunnen sturen inzake de regionalisering en de daarmee samenhangende samenwerking met de arbeidsvoorziening en de sociale diensten zou volgens deze leden een experimenteerartikel in de wet kunnen worden opgenomen.

Met betrekking tot een wettelijke coördinatietaak voor het Gib op het terrein van reïntegratie-activiteiten -die de hier aan het woord zijnde leden naar ik aanneem op het oog hebben -merk ik op dat het Gib op

grond van artikel 36 van het wetsvoorstel reeds een coördinatietaak heeft. Deze taak strekt zich uiteraard ook uit over de reïntegratieactiviteiten van bedrijfsverenigingen. Ik ben van mening dat het niet noodzakelijk is deze coördinatietaak in de wet zelf nader te specificeren.

Met de leden van de fracties van CDA en PvdA ben ik van mening dat de samenwerking tussen de bedrijfsverenigingen en de RBA's van groot belang is voor een goede uitvoering en het slagen van het volumebeleid. Het wetsvoorstel bevat op dit punt twee belangrijke elementen. In de eerste plaats is er een experimenteerartikel (artikel 114). In de tweede plaats dienen de bedrijfsverenigingen er zoveel mogelijk voor zorg te dragen dat wordt samengewerkt met andere uitvoeringsinstanties (artikel 63). In een bij deze nota gevoegde nota van wijziging wordt voorgesteld voor de bedrijfsverenigingen op dit punt een expliciete verplichting te laten ontstaan.

De leden van de PvdA-fractie vragen een toelichting op een opmerking van het kabinet op pagina 3 van de memorie van antwoord met betrekking tot de resultaten van het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie. Ook de leden van de fracties van SGP en GPV informeren hiernaar.

De voorstellen van de commissie-Buurmeijer beogen een fundamentele wijziging van het bestaande stelsel van werknemersverzekeringen. Bij een afweging van de verantwoordelijkheid van de wetgever wordt gekozen voor een per wet gedifferentieerde aanpak. In het verlengde daarvan verschilt ook de voorgestane wijze van uitvoering per wet: de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Ziektewet volledig bij de werkgever, een onafhankelijke uitvoeringsorganisatie voor de arbeidsongeschiktheidsregeling (AR) en onderbrenging van de uitvoering van de Werkloosheidswet (WW) bij de Regionale Besturen Arbeidsvoorziening (RBAs).

Tussen het wetsvoorstel en de commissievoorstellen bestaan dus verschillen. Een ander belangrijk verschil betreft uiteraard het nog benodigde tijdpad: waar de commissievoorstellen nog uitvoerige gedachtenwisseling en uitwerking vergen, kan het wetsvoorstel op korte termijn geïmplementeerd worden. Een snelle invoering van het wetsvoorstel is, zoals gezegd, nodig om een aantal klemmende problemen in de huidige situatie aan te pakken.

Een aantal onderdelen van het wetsvoorstel is in lijn met de aanbevelingen van de parlementaire enquêtecommissie. Het betreft dan met name het onafhankelijke toezicht, de geïntegreerde gevalsbehandeling, budgettering van de uitvoeringskosten en de mogelijkheid de administratie uit te besteden aan een uitvoeringsinstelling. Ten aanzien van het laatstgenoemde element merk ik nog op dat het concept van uitvoering op contractbasis reeds in dit wetsvoorstel meer nadruk kan worden gegeven door het zelfadministreren onmogelijk te maken. Dit zou betekenen dat er -anders dan nu -steeds een uitvoeringscontract moet bestaan tussen enerzijds de bedrijfsvereniging en anderzijds een administratiekantoor. Dit ligt in lijn met de aanbevelingen van de commissie-Buurmeijer en maakt het makkelijker -indien daartoe zou worden besloten -tezijnertijd de bestuurlijke kop van de uitvoeringsorganisatie af te halen. Een nota van wijziging op dit punt is bij deze nota gevoegd. Andere onderdelen, zoals de regionale samenwerking, geven een eerste aanzet die uiteindelijk zou kunnen leiden tot realisering van de

aanbevelingen van de commissie. De instelling van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib) maakt geen onderdeel uit van de aanbevelingen van de commissie. Mede in verband hiermee is ook het fondsbeheer elders gepositioneerd. Implementatie van ook deze onderdelen van het wetsvoorstel vormt echter geen belemmering voor het eventueel in een latere fase realiseren van de aanbevelingen. Eventuele implementatie van de voorstellen van de parlementaire enquêtecommissie op stelselinhoudelijk terrein zal zeker een aantal jaren in beslag nemen. Het voorliggende wetsvoorstel vormt hiervoor niet het juiste kader, omdat dat tot gevolg zou hebben dat een directe en voortvarende aanpak van de huidige knelpunten in de uitvoering met een aantal jaren wordt uitgesteld.

De leden van de fractie van de PvdA hadden nog graag een toelichting op het combineren van een privaatrechtelijke rechtspersoon, zoals het Gib genoemd wordt, met de bij wet verkregen bevoegdheden als rechtspersoon met publiekrechtelijke status. Ook de leden van de fractie van de SGP refereren hieraan.

Het Gib, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn privaatrechtelijke rechtspersonen. Privaatrechtelijke rechtspersonen worden niet bij of krachtens de wet ingesteld maar worden opgericht door natuurlijke personen of rechtspersonen (particuliere organisaties, bijvoorbeeld organisaties van werkgevers en van werknemers). In artikel 31 van het wetsvoorstel is geregeld dat een rechtspersoon die is opgericht door naar het oordeel van de minister algemeen erkende centrale en andere representatieve organisaties van werkgevers en algemeen erkende centrale representatieve organisaties van werknemers, door de minister moet worden erkend en slechts kan worden erkend als Gib indien aan een aantal voorwaarden is voldaan. Deze rechtspersoon kan de rechtsvorm van een vereniging of een stichting hebben. Door erkenning van overheidswege verkrijgt deze rechtspersoon de status van Gib en daarmee de taken en bevoegdheden die in de wetgeving aan het Gib worden toegekend. Het Gib behoudt daarbi] zijn oorspronkelijke rechtsvorm, bijvoorbeeld die van een vereniging, doch verkrijgt tevens door de erkenning van overheidswege publiekrechtelijke taken en bevoegdheden, dat wil zeggen een publiekrechtelijke status.

De leden van de fractie van de SGP willen weten of de toezegging van het kabinet om op het punt van de adviesverplichtingen het wetsvoorstel nog eens kritisch te bezien, al tot resultaten heeft geleid.

Het wetsvoorstel Afschaffing adviesverplichtingen is dat inmiddels ter advisering aan de Raad van State voorgelegd. Dit wetsvoorstel voorziet in de afschaffing van tientallen wettelijk geregelde adviesverplichtingen over algemene beleidsvoornemens, waaronder voorgenomen regelgeving. Na advisering door de Raad van State kan worden bezien of en zo ja, in hoeverre, het voorliggende wetsvoorstel nog aanpassing behoeft. De leden van de fractie van het GPV constateren dat de positie van de bedrijfsverenigingen in het rapport van de enquêtecommissie ten principale ter discussie staat. Het is voor deze leden duidelijk dat de gedwongen winkelnering als achterhaald moet worden beschouwd en zij vragen zich af of nu al overgegaan zou kunnen worden tot het afschaffen daarvan. Ook de leden van de PvdA-fractie gaan in op de positie van de bedrijfsverenigingen in de toekomst.

Ik onderschrijf de constatering dat momenteel de positie van bedrijfsverenigingen en de wenselijkheid van een meer marktgerichte uitvoering ter discussie staan. Zoals reeds eerder in de memories van toelichting en antwoord aangegeven, beoogt dit wetsvoorstel op korte termijn een aantal urgente knelpunten in de uitvoeringsorganisatie weg te nemen. De positie en status van de bedrijfsverenigingen is een zo essentieel onderdeel van de uitvoeringsorganisatie aan de voet, dat een wijziging van hun positie een uitgebreidere discussie vereist. Ik ben van mening dat zoiets de reikwijdte van dit wetsvoorstel te buiten gaat. Dat neemt niet weg dat ik van mening ben dat dit onderwerp in de nabije toekomst, in de discussie over de aanbevelingen van de commissie-Buurmeijer (en, zoals eerder gezegd, het rapport van de fracties van VVD, D66 en Groen Links) ruimschoots aandacht verdient.

De leden van de fractie van het GPV geven te kennen nog steeds twijfels te hebben over de noodzaak over te gaan tot invoering van het synthesemodel. De ervaringen die daarmee tot nu toe zijn opgedaan zijn volgens deze leden niet van dien aard dat duidelijk is dat dit dè oplossing is.Bovendien wensen zij het door het kabinet voorgestelde model nadrukkelijk te confronteren met het model dat door de enquêtecommissie is gepresenteerd. Een dergelijke vergelijking roept in de ogen van deze leden nog zoveel vragen op dat gerede twijfel aan de wijsheid om door te gaan met het zogenaamde synthesemodel op zijn plaats is.

Zoals ik reeds eerder heb aangegeven, ben ik van mening dat de resultaten van de experimenten met het synthesemodel positief zijn. Ik voel mij in die opvatting gesteund door de Toezichtkamer, die landelijke invoering van het model-Eindhoven heeft goedgekeurd. De Toezichtkamer acht landelijke implementatie niet alleen vanuit het oogpunt van volumebeheersing wenselijk, maar ook vanuit het oogpunt van een gelijkwaardige behandeling van de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen bij het samengaan van het GAK en de GMD en het voorkomen van een driedeling in de gevalsbehandeling bij de invoering van de wetsvoorstellen TZ/wijziging Arbowet. Ik maakte hiervan reeds melding in de memorie van antwoord.

Inmiddels zijn de resultaten van het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie bekend geworden. De commissie komt tot de conclusie dat de werknemers-en de werkgeversorganisaties niet in staat gebleken zijn de in de wet beoogde samenwerking tussen de GMD en de bedrijfsverenigingen op een adequate wijze vorm te geven. Dit bestuurlijke probleem heeft zich jarenlang voortgesleept. In de visie van de commissie is er dan ook geen plaats meer voor een aparte instantie, belast met de advisering, zoals de huidige GMD. De uitvoering van de door de commissie voorgestelde Arbeidsongeschiktheidsregeling (AR) berust bij éèn organisatie. Daarmee komt een einde aan de huidige scheiding in de uitvoering waar het gaat om de advisering omtrent de mate van arbeidsongeschiktheid (nu bij de GMD) en de beslissing over de hoogte van de uitkering (nu bij de bedrijfsverenigingen). Het model van geïntegreerde gevalsbehandeling wordt hiermee gerealiseerd. Ik ben van mening dat het opheffen van de GMD, als zelfstandige organisatie, zoals in het wetsvoorstel beoogd wordt, past binnen de aanbevelingen van de commissie-Buurmeijer. In beide voorstellen is geen plaats meer voor een onafhankelijke adviserende instantie, zoals de huidige GMD. Weliswaar bestaan er verschillen in de bestuurlijke concepten van de organisatie die de commissie voor ogen heeft en de

bedrijfsverenigingen, maar implementatie van dit onderdeel van het wetsvoorstel vormt geen belemmering voor het eventueel in een latere fase implementeren van het voorstel van de commissie op dit punt. Integendeel, realisering van de geïntegreerde gevalsbehandeling is een stap in de richting van de commissievoorstellen.

De leden van de GPV-fractie zijn verbaasd, mede in het licht van de resultaten van de parlementaire enquête, dat het kabinet zich blijft verzetten tegen het wettelijk voorschrijven van een secondopinion juist nu er ten aanzien van het medisch oordelen zoveel kritiek is gekomen op de uitvoeringsorganisatie. Deze leden blijven ervoor pleiten dit toch dwingend voor te schrijven, althans zolang er nog geen sprake is van een adequate controle op de mdividuele uitkeringsbeslissingen. In de memorie van antwoord heb ik reeds aangegeven van mening te zijn dat een objectieve en rechtmatige vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage nadrukkelijk tot de verantwoordelijkheden van de uitvoeringsorganisatie behoort. Het is de verantwoordelijkheid van de wetgever om de kaders aan te geven waarbinnen die vaststelling dient plaats te vinden.

De wens van de leden van de GPV-fractie om de zogenaamde secondopinion met betrekking tot het arbeidsongeschiktheidspercentage bij wet vooi te schrijven zou leiden tot een sterke toename of zelfs verdubbeling van de uitvoeringslasten, hetgeen ik ongewenst acht. Bovendien is de mogelijkheid van een selectieve secondopinion reeds in een bepaalde vorm in het wetsvoorstel aanwezig. Het Ctsv is vanuit zijn toezichthoudende taak bevoegd om bij een bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling de individuele beoordelingen ten aanzien van de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse te toetsen. Indien het Ctsv vervolgens constateert dat sprake is van een tekortschietende uitvoering kan de betreffende instantie door middel van een aanwijzing gecorrigeerd worden.

  • Gevalsbehandeling in het kader van de ZW, WAO en AAW

De leden van de fractie van de PvdA vragen om een overzicht van hetgeen sinds 1991 in de uitvoeringspraktijk tot stand is gekomen.

Het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie heeft hoofdzakelijk betrekking op de periode vóór 1991. Sinds die tijd is een aantal ontwikkelingen binnen de uitvoeringsorganisatie op gang gekomen.

De uitvoeringsinstanties hebben actief ingespeeld op het signaal van de toenmalige staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Vaste Kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van juni 1991 om binnen het kader van de geldende wetgeving alvast toe te werken naar de te verwachten nieuwe uitvoeringsorganisatie. Dit heeft met name geleid tot een vergaande samenwerking tussen de bedrijfsverenigingen en de GMD. Tevens zijn door de FBV werkmodellen ontwikkeld die gericht zijn op een hechtere coördinatie en sturing van de werkprocessen. Zo is in het kader van het Werkmodel Arbeidsgeschiktheid door de bedrijfsverenigingen een uniforme werkwijze afgesproken op het gebied van ZW en AAW/WAO. Door een verbeterde protocollering van het werkproces en de informatievoorziening is een eenduidige en kwalitatief verantwoorde sociaal-medische begeleiding en claimbeoordeling beter gewaarborgd.

Het lid van de fractie van de RPF vraagt speciale aandacht voor het

GMD-personeel. Momenteel wordt in kringen van bedrijfsverenigingen en GMD geanticipeerd op de in het wetsvoorstel voorgestelde integratie. Als de voorstellen van de commissie-Buurmeijer worden overgenomen betekent dat echter -zo meent dit lid -dat er van een integratie geen sprake zal zijn. Naar het inzicht van dit lid bepleit de commissie de oprichting van een nieuw orgaan, dat gelijksoortig is aan de huidige GMD. Hij voorziet een heen en weer schuiven van GMD-personeel, met alle extra kosten die daaraan zijn verbonden, dat voor geen van de betrokken partijen aanlokkelijk is. Zijn vraag is of het kabinet deze opvatting deelt.

Het kabinet deelt de zorg van het lid van de RPF-fractie met betrekking tot de personele gevolgen van de verschillende voorstellen. Grote zorgvuldigheid zal moeten worden betracht bij verschuiving van personeel tussen de verschillende uitvoeringsorganen. Ik gaf eerder reeds aan dat ik met betrekking tot de positie van de GMD geen grote verschillen zie tussen de voorstellen van de commissie en de huidige OSV-voorstellen. Beide voorstellen voorzien in de opheffing van de GMD in de huidige vorm. De taken die nu door het personeel van de GMD worden uitgevoerd in relatie tot het traject van arbeidsongeschiktheidsbeoordeling blijven echter bestaan. De overgang van het GMD-personeel naar nieuwe organisaties dient zo soepel mogelijk te verlopen. De eerste stap in relatie tot de samenwerking en voorgestelde integratie van het GAK en de GMD zorgt er voor dat op korte termijn de expertise van het GMD-personeel behouden blijft en op langere termijn ook kan worden ingezet binnen de nieuwe organisatievorm die door de commissie wordt voorgesteld, indien zou worden besloten deze voorstellen over te nemen.

  • Kostenbeheersing en fondsbeheer

De leden van de SGP-fractie zijn er nog steeds niet helemaal van overtuigd dat het Gib de meest geëigende instantie is om de budgetten van de bedrijfsverenigingen vast te stellen. De enquêtecommissie legt deze bevoegdheid bij de nieuwe Sociale Verzekeringskamer (SVK), waarin de sociale partners (in haar concept) geen plaats meer hebben. De leden van de SGP-fractie constateren hier een duidelijk verschil in visie en vragen of de discussie op dit punt niet beter opgeschort kan worden. Als aanvulling op hetgeen ik reeds in §2 opmerkte over de budgetteringstaak van het Gib is het volgende van belang. Bij een nadere beschouwing van de voorstellen van de commissie en het kabinet op dit punt kan niet worden gesproken van een duidelijk verschil in visie zoals door de leden van de SGP-fractie naar voren wordt gebracht. In beide voorstellen staat beheersing van de uitvoeringskosten voorop en in beide voorstellen houdt een onafhankelijk toezichtsorgaan toezicht op het budgetteringsproces. Verschil ontstaat pas bij de praktische vormgeving, waar in beide voorstellen op een andere wijze gebruik wordt gemaakt van de kennis van de uitvoerders zelf om uiteindelijk te komen tot de opstelling van een budget. Dit verschil hangt mede samen met de meer ingrijpende wijze waarop de commissie de huidige uitvoeringsorganen wil hervormen. De discussie over deze meer ingrijpende hervormingen, die overigens pas later in de tijd zullen kunnen worden geëffectueerd, zal in de komende periode kunnen plaatsvinden, maar hoeft naar mijn mening geen belemmering te vormen voor de implementatie van de door haar naar voren gebrachte voorstellen op het punt van de budgettering.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Wallage

BIJLAGE

REGELGEVENDE TAKEN SVR (OP BASIS FORMELE WETTEN)

Op basis van de Organisatiewet sociale verzekeringen Nadere regels aansluiting bij bedrijfsverenigingen Regels verplichting werkgevers tot aangifte bij bedrijfsvereniging Regels melding belangrijke besluiten bednjfsverenigingen Regels kosten GMD ten laste van fondsen Voorschriften met betrekking tot de administratie van de bedrijfsverenigingen, het GAK en andere uitvoeringsorganen Regels vergoedingen leden SVr Regels rechtspositie personeel SVr Voorschriften samenwerking van organen met een controlerende of toezichthoudende taak Coördinatievoorschriften Maatstaf voor omslag GAK-kosten Regels toerekening kosten gegevensuitwisseling. Voorschriften aan SVB omtrent de administratie. Vaststellen van het model van de kaart (met naam BV etc.)

Op basis van de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen Regels betreffende het loonbegrip Regels voor de waardering van fooien Regels premiegrondslag specifieke groepen Regels premievaststelling en invordering Regels inzake toerekening verhoging premie Regels inzake aangifte van gebruikmaking van ter beschikking gestelde werknemers

Op basis van de materiewetten

Algemene dagloonregels Bijzondere dagloonregels Regels bij samenloop van uitkeringen Regels vergoeding kosten geneeskundig onderzoek Regels inzake samenloop ziekengeld met inkomsten uit arbeid Regels inzake samenloop van ziekengeld met ouderdomspensioen Regels inzake het zonder machtiging uitbetalen van ziekengeld aan derden Beleggingsvoorschriften; reservevorming Regels vrijwillige verzekering Regels afrekening naar werkelijke premiepercentages Regels voor de verrekening tussen arbeidsongeschiktheidsfonds en bedrijfsverenigingen Regels voor de verrekening van uitkeringen tussen en binnen bedrijfsverenigingen Regels toepassing WW bij scholing Regels over het verrichten van onbeloonde activiteiten met behoud van WW-uitkering Regels over het behoud van een WW-uitkering tijdens noodzakelijke scholing Regels met betrekking tot de samenloop van toeslagen en uitkeringen Regels omtrent het ter beschikking stellen van gelden aan de bedrijfsverenigingen door het Toeslagenfonds Regels omtrent toepassing sancties Regels over de inschrijving bij arbeidsbureau Regels met betrekking tot de wekeneis in de WW

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.