Eindverslag - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen (Organisatiewet sociale verzekeringen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 9

EINDVERSLAG Vastgesteld 19 oktober 1993

De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgeiegenheid heeft kennisgenomen van de memorie van antwoord, die aanleiding heeft gegeven tot verscheidene opmerkingen en vragen in de commissie. Onder het voorbehoud dat de regering de vragen tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging van dit wetsvoorstel voldoende voorbereid.

ALGEMEEN

1 Samenstelling: Leden: Spieker (PvdA), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Schutte (GPV), Groenman (D66), Wolters (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Linschoten (VVD), Leijnse (PvdA), Janmaat (Centrumdemocraten), Doelman-Pel (CDA), voorzitter, G. H. Terpstra (CDA), Biesheuvel (CDA), Vliegenthart (PvdA), Schoots (PvdA), Beijlen-Geerts (PvdA), Schimmel (D66), Rosenmöller (Groen Links), Huibers (CDA), Middel (PvdA), Van Zijl (PvdA), Bijleveld-Schouten (CDA), Van Hoof (VVD), Van der Ploeg-Posthumus (CDA). Plv. leden: Witteveen-Hevinga (PvdA), Sou-tendijk-van Appeldoorn (CDA), Quint-Maagdenberg (PvdA), Van der Vlies (SGP), Schel-tema-de Nie (D66), Paulis (CDA), Franssen (VVD), Kamp (VVD), Van Nieuwenhoven (PvdA), Willems (Groen Links), G. de Jong (CDA), Tuinstra (CDA), De Kok (CDA), Akkerman (PvdA), Melkert (PvdA), Leerling (RPF), Kohnstamm (D66), Brouwer (Groen Links), Eisses-Timmerman (CDA), Van Gelder (PvdA), Kalsbeek-Jasperse (PvdA), Reitsma (CDA), De Korte (VVD), Van Houwelingen (CDA).

  • Inleiding

De leden van de CDA-fractie dankten de regering voor de gegeven antwoorden. De hier aan het woord zijnde leden onderschreven de stellingname van de regering dat beperkte aanpassingen van de Organisatiewet sociale verzekeringen noodzakelijk zijn. Ook na het verschijnen van het rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie over de uitvoeringsorganen sociale verzekeringen (Enquêtecommissie) is er alle aanleiding om door te gaan met het geven van een wettelijke basis aan de integratie van de sociaal-medische functie. Alleen op die manier kan daadwerkelijk inhoud worden gegeven aan het instrumentarium dat nodig is om een effectief volume-beleid te voeren. Ook sloten zij niet uit, dat de uitkomst van de discussie over het rapport van de Enquêtecommissie zal leiden tot aanpassingen van de Organisatiewet. Een en ander laat echter onverlet, dat het hoogst noodzakelijke op zo kort mogelijke termijn wettelijk wordt geregeld. Deze beperkte aanpassingen doorkruisen in de visie van deze leden geenszins een fundamentele discussie over het rapport van de Enquêtecommissie. Het wetsvoorstel en het rapport van de Enquêtecommissie sporen vooral met elkaar ten aanzien van de invoering van de geïntegreerde gevalsbehandeling op het gebied van de arbeidsongeschiktheid en de invoering van een vorm van regionalisering van de uitvoering, alsmede het onafhankelijk toezicht.

314973F ISSN 09217371 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's Gravenhage 1993

De leden van de PvdA-fractie dankten de regering voor de gegeven antwoorden. Zij achtten de behandeling van dit wetsvoorstel noodzakelijk om het proces wat in de meeste uitvoeringsorganisaties de afgelopen twee jaar in gang is gezet, nu ook van een wettelijk kader te voorzien.

De leden van de VVD-, D66-en Groen Linksfractie hadden met een grote mate van ongenoegen kennis genomen van de memorie van antwoord. De regering bagatelliseert niet alleen het advies van de Raad van State, welk orgaan in tegenstelling tot de regering spreekt van forse wijzigingsvoorstellen van de bestaande uitvoeringsstructuur, maar bedient zich voorts van een dubbele moraal, zo constateerden deze leden. Immers, enerzijds wenst de regering de behandeling van het onderhavige wetsvoorstel voort te zetten, ondanks alle kritiek in verband met de cumulatie met het rapport van de parlementaire Enquêtecommissie, maar anderzijds weigert de regering in te gaan op voorstellen van de fracties van VVD, D66 en Groen Links die vóór de installatie van de Enquêtecommissie zijn gedaan. De regering wenst deze voorstellen wél pas te bespreken bij de behandeling van het rapport van de Enquêtecommissie. De leden van de VVD-, D66-en Groen Linksfractie vonden deze houding van de regering niet alleen dubbelhartig en inconsistent, maar bovendien getuigen van een zekere mate van gebrek aan respect voor een grote minderheid in het parlement. Zij betreurden dat in hoge mate en wensten dan ook geen verdere bijdrage te leveren aan de schriftelijke voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel. Deze leden vroegen wederom -kennis genomen hebbende van het rapport en de aanbevelingen van de Enquêtecommissie -wat de concrete meerwaarde van het onderhavige wetsvoorstel is. Naar hun mening zouden enkele punten uit het onderhavige wetsvoorstel, zoals de wettelijke basis van het onafhankelijke toezicht, weliswaar kunnen worden gerealiseerd, maar dient het merendeel van de overige voorstellen, zoals de instelling van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib), thans niet plaats te vinden. Deze leden zouden te dien aanzien de behandeling van het rapport van de Enquêtecommissie willen laten prevaleren.

De leden van de SGP-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de memorie van antwoord op de Organisatiewet sociale verzekeringen. De tot nu toe naar aanleiding van deze wet gevoerde schriftelijke gedachtenwisseling, alsmede de publicatie van het rapport van de Enquêtecommissie, hadden hen nog niet afgebracht van de gedachte dat een voorlopige en beperkte aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen op korte termijn gewenst is. Zij konden zich iets voorstellen bij de stelling van de regering dat juist het aanhouden van het onderhavige wetsvoorstel een fundamentele discussie over de resultaten van de parlementaire enquête zou kunnen belemmeren, door de tijdsdruk die op deze wijze op de discussie gelegd zou worden. Verder meenden deze leden dat ook de inwerkingtreding van de Wet terugdringing ziekteverzuim per 1 januari 1994 vraagt om de zogenaamde geïntegreerde gevalsbehandeling, zoals in het onderhavige wetsvoorstel is begrepen. De leden van de SGP-fractie waren tegelijkertijd van oordeel dat, nu de Enquêtecommissie inmiddels haar conclusies èn aanbevelingen in openbaarheid heeft gebracht, een zorgvuldige bezinning op het voorliggende wetsvoorstel noodzakelijk is. Immers, het risico dat nu genomen stappen reeds in de nabije toekomst achterhaald zullen zijn, is niet geheel denkbeeldig. Een dergelijke situatie zou wel eens zoveel onrust kunnen geven dat de effecten averechts zullen zijn. Overigens erkenden de hier aan het woord zijnde leden dat er een spanningsveld bestaat tussen het enerzijds rekening moeten houden met, en het anderzijds nog onwetend zijn van de resultaten van een toekomstige discussie.

De leden van de GPV-fractie meenden dat de eigenlijke discussie over het wetsvoorstel nu pas echt kan beginnen. Het was deze leden opgevallen dat de regering uiterst terughoudend is geweest in haar beantwoording van het voorlopig verslag. Dat kon zij ook moeilijk anders gelet op de te verwachten onderzoeksresultaten van de Enquêtecommissie. De voorstellen van de Enquêtecommissie gaan veel verder dan menigeen had verwacht. Uitvoering van deze voorstellen zou een kleine revolutie betekenen in de wereld van de sociale zekerheid. In ieder geval gaan deze voorstellen het kader van dit wetsvoorstel verre te buiten. Deze leden achtten het procedureel niet juist deze inbreng voor het eindverslag te gebruiken om alvast een voorlopig oordeel te vellen over de voorstellen van de Enquêtecommissie, alhoewel de verleiding daartoe groot is omdat zij een groot aantal elementen in die voorstellen waren tegengekomen waarin zij zich konden herkennen. De uitdaging zal nu zijn, het onderhavige wetsvoorstel te beschouwen als een poging om de grootste knelpunten bij de uitvoeringsorganisatie uit de weg te ruimen, zonder daarmee de weg naar verdere aanpassing van de uitvoeringsorganisatie af te snijden. Tevens zal de gelegenheid te baat moeten worden genomen die elementen uit de aanbevelingen van de Enquêtecommissie over te nemen, die weinig omstreden zijn.

Het lid van de RPF-fractie had kennis genomen van de memorie van antwoord. Hij dankte de regering voor de beantwoording van zijn vragen. Dit lid herinnerde de regering er aan, dat hij in het voorlopig verslag vraagtekens had gezet bij de opportuniteit van het voorliggende wetsvoorstel. Nu het rapport van de Enquêtecommissie aan de Kamer is aangeboden, was het voor hem duidelijk dat het niet verstandig zou zijn de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel voort te zetten. Hij drong er bij de regering op aan het voorstel in te trekken en na de behandeling van het rapport van de Enquêtecommissie in de Tweede Kamer met spoed nieuwe wetgeving te initiëren.

  • De uitvoeringsinstanties en de toezichthouder

De leden van de CDA-fractie konden zich vinden de argumentatie van de regering over het onafhankelijk toezicht. Zij vroegen evenwel of de regering niet vreest dat de taak om toezicht te houden in strijd kan komen met het voorgestane sociaal-economisch beleid. Immers, in feite wordt hierbij door de regering gesteld, dat de toezichthouder kan worden gecorrigeerd en bijgestuurd indien deze zich niet houdt aan het sociaal-economisch beleid dat de regering voor ogen staat. Op deze manier kunnen er subjectieve elementen in de toezichtstaak worden gebracht. In hoeverre wordt de hier aan de orde zijnde toezichthouder anders behandeld dan bijvoorbeeld de Verzekeringskamer, die een vergelijkbare taak heeft op het terrein van de bedrijfspensioenfondsen? De leden van de CDA-fractie vroegen de of de regering periodiek op de hoogte gebracht wordt van de nevenfuncties van de bestuursleden van het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv). Met betrekking tot de Ctsv wilden de hier aan het woord zijnde leden nog weten, in hoeverre eerstgenoemde sturend kan optreden inzake de uitstroom uit de ZW/WAO, nadat de arbeidsbemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten overgedragen is aan het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (RBA). Deze leden hadden in het voorlopig verslag een vraag gesteld over mogelijke inperking van de onderzoekstaak van het Ctsv. Deze leden constateerden, dat de regering heeft volstaan met de mededeling dat in een aparte paragraaf van het oorspronkelijke wetsvoorstel ook de zinsnede «voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering» is opgenomen (art. 25, eerste lid). De aan het woord zijnde leden merkten op, dat door deze zinsnede uit artikel 25 op te nemen in artikel 12, lid d, de strekking van dit artikel duidelijk is veranderd. Heeft de regring daarmee niet gekozen voor een zodanig beperkte onderzoekstaak, dat onderzoek naar de werking van wetten niet meer behoort tot de taken van het Ctsv? Welk orgaan onderzoekt volgens de regering de effecten van beleidsmaatregelen? De hier aan het woord zijnde leden constateerden dat de regering in het voorliggende wetsvoorstel de bedrijfsverenigingen handhaaft en de rol van de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) opwaardeert. In de visie van de Enquêtecommissie worden de bedrijfsverenigingen opgeheven, en wordt inhoud gegeven aan een vorm van centrale sturing, waarbij geen behoefte is aan een instituut Gib. Vooruitlopend daarop vroegen de leden van de CDA-fractie, op welke wijze de regering deze verschillen denkt te overbruggen zonder vooruit te lopen op de uitkornst van de discussie over het rapport van de Enquêtecommissie. Deze leden merkten in dit verband op, dat zij de visie van de regering onderschreven betreffende de rol van de sociale partners bij de uitvoering van de sociale verzekeringswetten. De visie van de Enquêtecommissie op het Gib heeft ook consequenties voor de door deze commissie gekozen positionering van de fondsen. Het viel de hier aan het woord zijnde leden op, dat de regering voor het Gib geen coördinerende taak ziet weggelegd voor reïntegratie-activiteiten. Hoe is volgens de regering de samenwerking tussen de uitvoeringsinstanties gegarandeerd, indien de arbeidsbemiddeling min of meer los komt te staan van de sociaal-medische begeleiding? Hoe stelt de regering zich de begeleiding van de cliënt voor gedurende het gehele proces voor, zoals omschreven op pagina 24 van de memorie van antwoord, indien het RBA en de bedrijfsvereniging zelfstandige organisaties zijn?

De regering constateert in de memorie van toelichting dat de leden van de PvdA-fractie met een mogelijke splitsing van het wetsvoorstel voor de korte en de lange termijn in relatie tot de uitkomsten van de Enquêtecommissie, voor wat betreft de lange termijn, vooral doelden op verdergaande samenwerking en besturing in de regio. De regering gaat er terecht van uit dat deze leden voor de korte termijn in ieder geval het onafhankelijk toezicht en het opheffen van de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) als zelfstandige organisatie nodig vinden. Voor het instellen van het Gib konden zij enerzijds de redenering van de regering volgen; zeker waar de taken van de op te heffen Sociale Verzekeringsraad (SVR) en GMD in hun ogen opnieuw een wettelijke basis nodig hebben. Anderzijds constateerden zij hier een mogelijk probleem in samenloop met de aanbevelingen van de Enquêtecommissie. De leden van PvdA-fractie wilden hierop graag een reactie van de regering. Het instellen van het Gib aan de top van de door de Enquêtecommissie -op termijn? -voorgestelde opheffing van de bedrijfsverenigingen leek deze leden een te grote stap. Toch dachten zij een coördinatietaak te zien, die een wettelijke basis nodig heeft. Was het niet zo dat in het verleden de soms «dubbele» situatie met SVR en de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) wel eens tot pseudo-wetgeving leidde? Het nu vastleggen van een wettelijke status voor de FBV in wat dan het Gib gaat heten, hoeft toch niet voor altijd te zijn. Zoals ook het bestaan van bedrijfsverenigingen, zo wensten deze leden hier op te merken, niet voor altijd behoeft te zijn. Deze leden meenden dat de uitvoering van de sociale verzekeringen niet sectorspecifiek is. Een bedrijfstak zal of kan specifieke kenmerken hebben, maar of dat een zekere meerwaarde kan hebben voor de uitvoeringspraktijk is in hun ogen maar zeer de vraag. Zij hadden daarop graag een reactie van de regering.

Daar de leden van de PvdA-fractie in ieder geval voor de nabije toekomst een rol voor de sociale partners bij de uitvoering van de sociale zekerheid zagen, dachten deze leden dat de door hen hierboven opgesomde voorstellen uit het wetsvoorstel op voorhand de aanbevelingen van de Enquêtecommissie niet hoeven te doorkruisen. Zij beschouwden het meer als het vastleggen van een reeds in gang gezet proces in de uitvoeringsorganisatie waarbij volumebeleid het sleutelwoord is. Een oplossing waarbij toezicht en coördinatie van wetgeving op één plaats komen te liggen spreekt deze leden vooralsnog niet aan. Verdergaande samenwerking en besturing in de regio is, in tegenstelling tot wat de regering in de memorie van toelichting opmerkt, wel degelijk een weg die de leden van de PvdA-fractie nu al in wilden gaan. Voor een goede geïntegreerde gevalsbehandeling is de inbreng van de arbeidsvoorziening een voorwaarde, en op dat punt zouden zij het proces zeker vanuit de regering gestuurd willen zien. Ook de mogelijkheid tot budgettering van de uitvoeringskosten is een onderdeel van dit wetsvoorstel dat de instemming van deze leden kon wegdragen. De regering schrijft in de memorie van toelichting op pagina 3 dat zij het risico van vertraging bij dit wetsvoorstel door de uitkomsten van de Enquêtecommissie laag inschat, mogelijk wel beïnvloeding. Nu de resultaten van het onderzoek van de Enquêtecommissie bekend zijn, hadden deze leden graag een nadere beschouwing van de regering op dit punt. Deze leden hadden nog graag een toelichting op het combineren van een privaatrechtelijke rechtspersoon zoals het Gib wordt genoemd, met de bij wet verkregen bevoegdheden van een rechtspersoon met publiekrechtelijke status. Om alerter te kunnen sturen inzake de regionalisering en de daarmee samenhangende samenwerking met de arbeidsvoorziening vroegen deze leden, of hiervoor geen experimenteerartikel in deze wet zou moeten worden opgenomen. Datzelfde zou kunnen gelden voor samenwerking met gemeentelijke sociale diensten, zo dachten deze leden.

Eén van de punten waarop dit wetsvoorstel redelijk lijkt te sporen met de aanbevelingen van de Enquêtecommissie, is de toekomst van de SVR. De leden van de SGP-fractie dachten hierbij met name aan het onafhankelijk maken van het nieuwe orgaan, hetzij Ctsv hetzij SVK genaamd, van de sociale partners en daarin alleen leden te plaatsen die door de Kroon zijn benoemd. Anderzijds bespeurden deze leden ook duidelijke verschillen tussen beide genoemde voorstellen, bijvoorbeeld op het punt van een rapporteerplicht aan het parlement, zoals voorgesteld door de Enquêtecommissie. Graag vernamen zij hierop de visie van de regering. Sluit uitvoering van het nu voorliggende voorstel de integrale uitvoering van het voorstel van de Enquêtecommissie betreffende de SVR niet uit -al was het alleen maar omdat men niet de ene verandering op de andere verandering kan stapelen? In dit verband wilden de leden van de SGP-fractie tevens weten of de toezegging van de regering in de memorie van antwoord op pagina 10, om op het punt van de adviesverplichtingen (met name de adviestaak van de SER) het wetsvoorstel nog eens kritisch door te nemen, al tot resultaten heeft geleid. Een ander punt waarop bij de leden van de SGP-fractie nog vragen bestonden, was de omvorming van de FBV in het Gib. In tegenstelling tot de huidige FBV zal het Gib een publiekrechtelijke status krijgen. De hier aan het woord zijnde leden vroegen tevens hoe de voorgestelde veranderingen zich verstaan tot het open houden van de door de Enquêtecommissie voorgestelde sporen. Zij vroegen de regering hierbij ook de ontwikkelingen te betrekken die in de praktijk al gaande zijn ten aanzien van de vorming van het Gib. Is het plan voor implementatie van de FBV «nieuwe stijl» al ter beoordeling aan de Toezichtkamer gezonden? Zo ja, is er ook al een reactie hierop?

Naar het oordeel van de leden van de GPV-fractie was het omvormen van de SVR tot een College van toezicht een element dat in ieder geval door kan gaan. Of dit college dan ook al die bevoegdheden moet krijgen die de regering voor ogen staat is voor deze leden echter de vraag. Zij hadden hierover een aantal klemmende vragen gesteld in het voorlopig verslag, maar meenden dat de regering hier volstrekt onvoldoende op had gereageerd. Dat betrof met name de vraag over de afstand van het Ctsv tot de uitvoeringsorganisatie, de aanwijzingsbevoegdheid en de spanning die dit op kan leveren met de coördinatietaak van het Gib, en de mogelijke vermenging van verantwoordelijkheden als een toezichthoudend orgaan zich direct gaat bemoeien met de uitvoering. In dit verband rees tevens de vraag in hoeverre niet nu al zou kunnen worden beslist dat het college de bevoegdheid krijgt beslissingen van uitvoeringsorganen aan te vechten, om zo het algemeen belang als toetsings-criterium in te voeren bij de uitvoering van de sociale zekerheid. In het licht van de aanbevelingen van de Enquêtecommissie waren de leden van de GPV-fractie terughoudend bij het voorstel, de FBV om te bouwen tot een Gib. De positie van de bedrijfsverenigingen staat ten principale ter discussie in het enquêterapport Duidelijk is in ieder geval dat de gedwongen winkelnering breed als achterhaald moet worden beschouwd, en dat een meer marktgerichte benadering van de uitvoeringsorganisatie wenselijk wordt geacht. Is het opheffen van de gedwongen winkelnering niet een eerste stap in de nieuwe benadering van de uitvoeringsorganisatie die nu al zou kunnen worden genomen? Een belangrijk element in het huidige wetsvoorstel is wettelijk de ruimte te creëren voor de invoering van het synthesemodel. Deze leden waren van oordeel dat de ervaringen die daarmee tot nu toe waren opgedaan niet van dien aard waren, dat zich bij hen de overtuiging had postgevat dat dit nu dé oplossing zou zijn. Zij wensten dit model ook nadrukkelijk te confronteren met het model dat door de Enquêtecommissie is gepresenteerd Dat model gaat uit van een onafhankelijke organisatie die volgens strakke normen gedeconcentreerd werkt. In die organisatie wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de medische en de arbeidskundige beoordeling. De uitkeringsverstrekking wordt overgelaten aan zelfstandige administratiekantoren. Deze leden herkenden in dit voorstel meer van het door hen in het voorlopig verslag geschetste alternatief dan in het regeringsvoorstel. In ieder geval zijn de vragen daaromtrent nog zo talrijk, dat gerede twijfel aan de wijsheid om doorte gaan met het zogenaamde synthesemodel op zijn plaats is. Het had deze leden verbaasd, mede in het licht van de enquêteresultaten dat de regering zich blijft verzetten tegen het wettelijk voorschrijven van een «second opinion». Juist ten aanzien van het medisch oordelen is er zoveel kritiek gekomen op de uitvoeringsorganisatie. Deze leden bleven er daarom voor pleiten deze «second opinion» toch dwingend voor te schrijven, althans zo lang er nog geen sprake is van een adequate controle op de individuele uitkeringsbeslissingen

  • Gevalsbehandeling in het kader van de ZW, WAO en AAW

De leden van de PvdA-fractie merkten op dat zij het van groot belang achten, dat op korte termijn duidelijkheid wordt geschapen over een aantal reeds in gang gezette ontwikkelingen. Zij waren zich er zeer van bewust dat al vóór het onderzoek van de Enquêtecommissie begon, er in de uitvoeringsorganisaties een proces op gang is gekomen door wijzigingen in de ZW-WAO uitvoering dat een wettelijke basis nodig heeft. Er worden anders door de wetgever risico's genomen die de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering in de waagschaal kunnen stellen. Deze leden dachten dat de vooral voor 1991 gegroeide praktijk met soms pseudo-wetgeving en soms zogenaamde contralegem uitvoering van de wet zo vlug mogelijk tot een einde moet komen. Kan de regering, waar de aanbevelingen van de Enquêtecommissie voortkomen uit onderzoek van vóór 1991, voorzien in een overzicht van datgene wat sinds die tijd in de uitvoeringspraktijk tot stand is gekomen?

Het lid van de fractie van de RPF vroeg nog speciale aandacht voor het GMD-personeel. Momenteel wordt in kringen van bedrijfsverenigingen en GMD's geanticipeerd op de in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde integratie van beide. Als de voorstellen van de Enquêtecommissie worden overgenomen, betekent het echter dat er van een integratie geen sprake zal zijn. Zag dit lid het goed, dan bepleit de Enquêtecommissie de oprichting van een nieuw orgaan, dat gelijksoortig is aan de huidige GMD's. Hij voorzag een heen en weer schuiven van het GMD-personeel, met alle extra kosten die daaraan zijn verbonden, dat voor geen van de betrokken partijen aanlokkelijk is. Deelt de regering deze opvatting?

  • Het toezicht op de sociale verzekerïngen
  • Kostenbeheersing en fondsbeheer

De leden van de SGP-fractie stemden met de regering in dat budgettering een middel kan zijn om de uitvoeringskosten omlaag te krijgen, althans beheersbaar te maken. Zij waren er echter nog steeds niet geheel van overtuigd dat het Gib de meest geëigende instantie zou zijn om de budgetten van de bedrijfsverenigingen vast te stellen. De Enquêtecommissie legt deze bevoegdheid bij de nieuwe SVK, waarin (in haar concept) de sociale partners geen uitdrukkelijke plaats meer hebben. De leden van de SGP-fractie constateerden hier een duidelijk verschil in visie, en vroegen of de discussie op dit punt niet beter kon worden opgeschort.

  • Uitvoering in de regio
  • Financieeleconomische consequenties

De voorzitter van de commissie, Doelman-Pel

De griffier voor dit verslag, Van Luyk

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.