Tweede nota van wijziging - Herinrichting van de Algemene Bijstandswet (Algemene bijstandswet)

Inhoudsopgave

Tekst

Ontvangen 12 april 1994

Het wetsvoorstel wordt als volgt gewijzigd:

  • In artikel 1, onderdeel c, komt de aanduiding «(Stb. 1990, 402)» te vervallen. 2. Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd: 1°. In onderdeel a, komen de aanduidingen «(Stb. 1990, 402)», «(Stb. 1990, 130)», «(Stb. 1990, 127)» en «(Stb. 1990, 176)» te vervallen; 2°. In onderdeel b, komen de aanduidingen «(Stb. 1987, 88)», «(Stb. 1987, 93)» en «(Stb. 1987, 89)» te vervallen; 3°. In onderdeel c, komt de aanduiding «(Stb. 1987, 227)» te vervallen; 4°. In onderdeel d. komt de aanduiding «(Stb. 1990, 128)» te vervallen. 3. In artikel 5, eerste lid, onderdeel b, ten tweede, komt de aanduiding «(Stb. 1990,103)» te vervallen. 4. In artikel 8, tweede lid, komt de aanduiding «(Stb. 1965, 40)» te vervallen. 5. In artikel 14, vijfde lid, komt de aanduiding «(Stb. 1991, 250)» te vervallen. 6. In artikel 15, tweede lid, onderdeel a, komt de aanduiding «(Stb, 1990, 395) tevervallen. 7. In artikel 17, vijfde lid, komt de aanduiding «(Stb. 1971, 268)» te vervallen. 8. In artikel 27 komt de aanduiding «(Stb. 1990, 104)» te vervallen. 9. In artikel 50, eerste lid, onderdeel a, komt de aanduiding «(Stb. 1958, 590)» te vervallen. 10. In artikel 81, eerste lid, komt de aanduiding «(Stb. 1987, 91)» te vervallen. 11. In artikel 120, tweede lid, komt de aanduiding «(Stb. 1987, 687)» te vervallen. 12. Artikel 131 wordt als volgt gewijzigd: 1°. In het eerste lid, onderdeel a, komt de aanduiding «(Stb. 1989, 119)» te vervallen; 2°. In het eerste lid, onderdeel c, komen de aanduidingen «(Stb. 1964, 485)» en «(Stb. 1987, 281)» te vervallen. 13. In artikel 136 komt de aanduiding «(Stb. 1950, K22)» te vervallen.

412948F ISSN 0921 -7371 Sdu Uitgeveri] Plantijnstraat 's-Gravenhage 1994

  • In artikel 146 komt de aanduiding «(Stb

)» te vervallen.

B Artikel 1, onderdeel d, wordt vervangen door: d. inrichting: 1°. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van verpleging of verzorging aan aldaar verblijvende hulpbehoevenden; 2°. een instelling die zich blijkens haar doelstelling en feitelijke werkzaamheden richt op het bieden van slaapgelegenheid, waarbij de mogelijkheid van hulpverlening of begeleiding gedurende meer dan de helft van ieder etmaal aanwezig is.

Aan artikel 9, derde lid, onderdeel b, wordt een volzin toegevoegd, luidende: Verlenging van deze termijn met ten hoogste 12 maanden is op verzoek van de belanghebbende mogelijk voor zover de beëindiging naar het oordeel van burgemeester en wethouders een langere termijn noodzakelijk maakt.

Artikel 20 wordt vervangen door:

Artikel 20

  • De belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf, heeft recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, anders dan ingevolge dit artikel, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. 2. Indien voor de belanghebbende, bedoeld in het eerste lid, recht op bijstand bestaat, heeft de algemene bijstand de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek: a. indien de algemene bijstand over een periode van een jaar, te rekenen vanaf de eerste dag waarover bijstand wordt verleend, naar verwachting meer bedraagt dan het netto minimumloon, bedoeld in artikel 60, eerste lid; en b. voor zover het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf op grond van het derde lid niet buiten beschouwing blijft. 3. Van het vermogen gebonden in de woning met bijbehorend erf blijft buiten beschouwing: a. f 15000alsmede de helft van het meerdere, doch in totaal ten hoogste f 60000; en b. het bedrag waarmee het bij de aanvraag om bijstand aanwezige overige vermogen minder bedraagt dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 59. 4. Indien uitsluitend bijzondere bijstand wordt verleend, kunnen burgemeester en wethouders, indien wordt voldaan aan de in het tweede lid genoemde voorwaarden, deze bijstand verstrekken in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek. 5. Indien de bijstand naar verwachting minder bedraagt dan het bedrag bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kunnen burgemeester en wethouders deze bijstand uitsluitend verstrekken in de vorm van een geldlening, borgtocht of een uitkering om niet. 6. Het eerste tot en met vijfde lid zijn niet van toepassing: a. op de zelfstandige;
  • indien het een woonwagen betreft. 7. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de voorwaarden waaronder bijstand in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek wordt verleend.

Artikel 25, 26 en 27 worden vervangen door:

Artikel 25

  • Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien: a. het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3; en b. er geen in aanmerking te nemen vermogen is. 2. De hoogte van de algemene bijstand is het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm, bedoeld in paragraaf 2 en 3. 3. In de algemane bijstand is een vakantietoeslag begrepen ter hoogte van 5,2 procent van die bijstand. 4. De algemene bijstand wordt verhoogd met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de bijstand verleent, krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, alsmede met de over die bijstand verschuldigde ziekenfondspremie.

Artikel 26

  • De algemene bijstand wordt per kalendermaand vastgesteld. 2. De algemene bijstand wordt vastgesteld over het deel van de kalendermaand waarover recht op bijstand bestaat, indien de alleenstaande of het gezin voorafgaand aan of volgend op de bijstandsverlening: a. gedurende een periode van ten minste 30 dagen geen algemene bijstand ontvangt; of b. anderszins geen recht op algemene bijstand heeft. 3. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten de algemene bijstand over een langere periode vast te stellen voor zover het patroon van de inkomensverwerving en de hoogte daarvan daartoe aanleiding geeft.

Artikel 41 wordt vervangen door:

Artikel 41

Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht. Artikel 50, derde lid, wordt vervangen door: 3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, wordt bij de bijstandsverlening aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een boekjaar, zoals dat aan de hand van zijn administratie wordt vastge- steld. Een teruggave van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen wordt bij een zelfstandige niet als inkomen aangemerkt.

H In artikel 59 vervallen het derde en het vierde lid.

I Onder plaatsing van de aanduiding 1 voor de tekst van artikel 71 wordt toegevoegd een tweede lid luidende: 2. Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat aan ondernemers in de binnenvaart die in een daarbij aangegeven gebied verblijven, bijstand wordt verleend door burgemeester en wethouders van een bij die maatregel aan te wijzen gemeente.

Artikel 79, eerste lid, wordt vervangen door: 1. Burgemeester en wethouders betalen de algemene bijstand maandelijks achteraf.

In artikel 84, tweede lid, wordt «over de voorafgaande maand opgegeven middelen» vervangen door: over de voorafgaande drie maanden ontvangen middelen.

Hoofdstuk VI, paragraaf 2, wordt als volgt gewijzigd: 1. «betrokkene» wordt telkenmale vervangen door: belanghebbende. 2. In artikel 90, eerste lid, wordt «betrokkenen» vervangen door: belanghebbenden.

MIn artikel 103, zesde lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. «artikel 232, tweede lid, onderdeel e, van de Gemeentewet (Stb...)» wordt vervangen door: artikel 231, tweede lid, onderdeel e van de Gemeentewet. 2. «Artikel 253 van de Gemeentewet» wordt vervangen door: Artikel 252 van de Gemeentewet.

N In artikel 107 worden onder vernummering van het derde tot tweede lid, het eerste en tweede lid vervangen door: 1. Kosten van bijstand worden verhaald op de nalatenschap van de persoon indien sprake is van een situatie als bedoeld in de artikelen 85, 87 en 88 en voor zover voor het overlijden nog geen terugvordering heeft plaatsgevonden. Onder vervanging van het opschrift van hoofdstuk IX, § 3. Adviesorganen door «§ 3. Adviesorgaan» vervallen de artikelen 137 en 138.

Artikel 141 wordt onder vernummering van het tweede, derde en het vierde lid in het derde, vierde en vijfde lid, als volgt gewijzigd: 1. Een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende: 2. In afwijking van het eerste lid is de vergoeding honderd procent voor zover het bijstand betreft die is verleend met toepassing van artikel 71, tweede lid. 2. In het derde lid wordt de zinsnede «de in het eerste lid bedoelde» vervangen door: de in het eerste en tweede lid bedoelde. 3.ln het vierde lid wordt de zinsnede «bedoeld in het eerste en tweede lid» vervangen door: bedoeld in het eerste, tweede en derde lid. 3. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt de zinsnede «de in het derde lid bedoelde verklaring» vervangen door: de in het vierde lid bedoelde verklaring .

In artikel 142, eerste lid wordt «artikel 141, eerste lid» vervangen door: artikel 141, eerste en tweede lid .

Artikel 143 wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt «artikel 141, eerste lid,» vervangen door: artikel 141, eerste en tweede lid, en wordt «artikel 141, derde lid» vervangen door: artikel 141, vierde lid. 2. In hettweede lid wordt «artikel 141, derde lid» vervangen door: artikel 141, vierde lid.

Artikel USvervalt.

TOELICHTING

Algemeen De voorliggende nota van wijziging voorziet in een aantal aanpassingen van het wetsvoorstel Herinrichting Algemene bijstandswet die in de eerste nota van wijziging geen plaats hebben gekregen omdat deze zich beperkte tot de onderwerpen uit de beleidsbrief vernieuwing ABW van 30 november jl. ( kamerstuk Tweede Kamer, 22545, nr. 14). De in deze nota van wijziging voorgestelde aanpassingen vloeien, behalve een aantal technische aanpassingen en redactionele wijzigingen, voort uit overleg met gemeenten en Divosa over de uitvoeringstechnische aspecten van het wetsvoorstel. De aangebrachte wijzigingen maken een meer effectieve bijstandsverlening door de uitvoerders mogelijk.

Artikelsgewijze toelichting

Onderdeel A

Deze wijziging heeft tot doel de tekst in overeenstemming te brengen met de Aanwijzingen voor de regelgeving die met ingang van 1 januari 1993 van kracht zijn geworden. In Aanwijzing 86 wordt aangegeven dat vermelding van het Staatsblad overbodig is indien een regeling met de citeertitel wordt aangehaald. In de via de eerste nota van wijziging aangepaste artikelen zijn de Staatsbladvermeldingen reeds achterwege gelaten. Teneinde tot een uniforme redactie te komen worden thans de overgebleven vermeldingen geschrapt.

Onderdeel B

Ingevolge dit onderdeel wordt de omschrijving van het begrip inrichting gewijzigd. Aan de reeds in het wetsvoorstel opgenomen tekst, die nu is vervat in 1°, is onder 2° een nieuw element toegevoegd dat is ontleend aan artikel 12, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit stimulering sociale vernieuwing (Stb. 1993, 737). Deze toevoeging is gewenst in verband met de decentralisatie van het beleid ten aanzien van voorzieningen en in verband met het ontstaan van een groot tussengebied, met name op het terrein van de maatschappelijke opvang, tussen zelfstandig wonen, enerzijds, en volledig verzorgd verblijf in een inrichting, anderzijds. Of een bijstandsgerechtigde in een inrichting verblijft dan wel zeifstandig woont is van belang voor de bepaling van de bijstandsnorm die van toepassing is. De uitbreiding van de definitie strekt ertoe om ten aanzien van deze voorzieningen een objectief waarneembare scheidslijn te trekken tussen datgene dat als (begeleid) zelfstandig wonen kan worden beschouwd en datgene dat als verblijf in een inrichting moet worden bezien. Verwacht wordt dat de omschrijving gemeenten voldoende houvast zal bieden bij de bepaling van de juiste bijstandsnorm.

Onderdeel C

De voorgestelde mogelijkheid van verlenging komt tegemoet aan de situatie dat de verkoop van het bedrijf niet binnen een jaar te realiseren is. Als dat het geval is dan zal de belanghebbende dit tijdig aan burgemeesters en wethouders moeten melden en hiervoor een verzoek om verlenging moeten indienen. In de nadere regels gebaseerd op het zesde lid zal worden aangegeven aan welke termijnen een dergelijk verzoek moet voldoen.

Onderdeel D en H

Ook op grond van de nieuwe Algemene bijstandswet kan aan de bewoner van een eigen woning bijstand worden verleend als in redelijkheid niet kan worden gevergd dat deze het daarin aanwezige vermogen door verkoop te gelde maakt dan wel door bezwaring of verdere bezwaring van de woning contante middelen verwerft. In zo'n geval wordt de bijstand, onder verband van een hypotheek op de woning, als lening verstrekt voor zover de betrokkene in de woning inderdaad een vermogen heeft. Bij de beoordeling van dit vermogen wordt, evenals dat onder de huidige wetgeving het geval is, een extra vrijlating toegepast. Deze bedraagt f 15000vermeerderd met de helft van het verdere in de woning aanwezige vermogen, tot een maximum van f 60000. Als het overige vermogen onder de grens van de algemene vermogensvrijlating blijft, wordt vervolgens het vermogen in de eigen woning tot dit verschil eveneens vrijgelaten. De betreffende materie is in het wetsvoorstel niet geheel juist geregeld. De extra vermogensvrijlating is opgenomen in artikel 59. Dit artikel vormt onderdeel van de bepalingen betreffende het recht op en de hoogte van de bijstand. De huidige redactie van artikel 20, eerste lid, geeft onvoldoende duidelijk weer dat het vermogen in de eigen woning niet in de weg hoeft te staan aan het recht op bijstand als zodanig. Met de onderhavige wijzigingen wordt de wetstekst meer in overeenstemming gebracht met de strekking van de betreffende bepalingen. Door de in het eerste lid van artikel 20 behandelde materie te beperken tot het recht op bijstand als zodanig, wordt verduidelijkt dat het vermogen in de eigen woning in zijn geheel buiten beschouwing kan blijven voor de beantwoording van de vraag of de betrokkene voor bijstandsverlening in aanmerking komt. Omwille van de overzichtelijkheid van de regelgeving is dit aspect geregeld in artikel 20. Het nieuwe tweede lid van artikel 20 regelt uitsluitend de vraag of de in zo'n situatie te verlenen bijstand de vorm heeft van een hypothecaire lening of als een bedrag om niet wordt verstrekt. Daarbij vindt tevens een verduidelijking van de redactie plaats voor het geval de betrokkene de algemene vermogensvrijlating nog nietten volle heeft kunnen benutten. Voor de beoordeling daarvan is de extra vermogensvrijlating van belang. De daartoe strekkende bepaling van artikel 59 wordt dan ook als een nieuw derde lid aan artikel 20 toegevoegd. Door de nieuwe redactie vervalt de noodzaak in artikel 59 een aparte bepaling op te nemen over de voorrang van de algemene vermogensvrijlating ten opzichte van die in het eigen huis. Het vierde lid van artikel 59 kan derhalve ook komen te vervallen. Met deze wijzigingen regelt artikel 59 de algemene vermogensvrijlating en worden in artikel 20 alle aspecten behandeld die van belang zijn voor degenen met een eigen woning.

Onderdeel E en F

In overleg met de gemeenten over de uitvoeringstechnische aspecten van het wetsvoorstel is gebleken dat de betekenis van artikel 25, eerste lid, kan worden verduidelijkt door hierin expliciet te vermelden dat, voor zover dat de middelentoets betreft, op grond van deze bepaling het recht op algemene bijstand wordt vastgesteld. Artikel 41, waarin een zelfde bepaling is opgenomen ten aanzien van het recht op bijzondere bijstand, is op overeenkomstige wijze opnieuw geredigeerd. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de redactie van artikel 25 ook op andere punten te vereenvoudigen. Uit artikel 26 blijkt reeds dat de hoogte van de bijstand in beginsel per kalendermaand wordt vastgesteld, zodat het niet nodig is om in artikel 25 nogmaals te vermelden dat voor de vaststelling van het recht op bijstand het inkomen per kalendermaand in beschouwing wordt genomen. In artikel 44 is reeds bepaald dat, afhankelijk van de leefvorm van de betrokkene, het inkomen van de belanghebbende zelf en zijn gezinsleden in aanmerking wordt genomen. Door artikel 27, waarin wordt geregeld dat de over de bijstand verschuldigde belasting en premies voor rekening van de gemeente komen, in artikel 25 te integreren, wordt het geheel van deze bepalingen eveneens overzichtelijker. In het genoemde overleg is gebleken dat de redactie van artikel 26 eveneens kan worden verduidelijkt, vooral wat betreft de in het tweede lid, onderdeel a, opgenomen uitzondering op de hoofdregel dat de bijstand per kalendermaand wordt vastgesteld. Overeenkomstig de bedoeling van deze bepaling wordt nu als criterium genoemd dat de betrokkene gedurende ten minste 30 dagen geen algemene bijstand heeft ontvangen. Door een samenvoeging van het tweede en derde lid wordt een verdere vereenvoudiging van de redactie bereikt.

In het voorlopig verslag is door de Tweede Kamer in dit verband de vraag aan de orde gesteld of het bij aanwezigheid van sterk wisselende inkomsten niet redelijk is om het recht op bijstand over een langere periode vast te stellen. In de memorie van antwoord is gesteld dat het wetsvoorstel al voldoende aanknopingspunten lijktte bieden om op dergelijke situaties in te spelen. Bij nader inzien acht het kabinet het wenselijk om hiertoe in het wetsvoorstel een bepaling op te nemen die de gemeenten hiertoe uitdrukkelijk de bevoegdheid geeft. In het overleg met de gemeenten is eveneens de noodzaak van een meer flexibele beoordeling van het inkomen aan de orde gesteld.

Het nieuwe derde lid van artikel 26 voorziet in een dergelijke mogelijkheid voor een inkomenstoets over een langere periode. Omdat hierbij het recht op bijstand in het geding is, acht het kabinet het noodzakelijk dat in de wet wordt aangegeven in welke situatie een dergelijke afwijkende inkomenstoets kan plaatsvinden. Zoals in de memorie van antwoord aangegeven, dient het hierbij te gaan om een combinatie van het patroon van de inkomensverwerving en de hoogte van het inkomen. De betrokkene moet er immers redelijkerwijs op kunnen rekenen dat zijn inkomsten zouden wegvallen én moet voor die inkomensloze periode kunnen reserveren. Door deze twee elementen als criterium op te nemen en daartoe ook te beperken, is naar het oordeel van het kabinet een voor de uitvoering flexibele regeling ontstaan die toch geen afbreuk doet aan de rechtszekerheid voor de aanvrager om bijstand. Deze bepaling zal vooral van betekenis zijn voor degenen die tussen twee bijstandsperiodes in gedurende een korte periode een relatief hoog inkomen verwerven, waarbij rekening moet worden gehouden met de tijdelijkheid ervan. Met een beroep op deze bepaling kan de gemeente de bijstand weigeren of eerst op een latere datum laten ingaan, mits de betrokkene over middelen beschikt om die periode te overbruggen. Daarbij is uiteraard de vrijlating van een bescheiden vermogen niet aan de orde. Als de betrokkene in het geheel niet over middelen beschikt, zal de gemeente er doorgaans niet aan kunnen ontkomen om -hoewel de situatie dat feitelijk niet rechtvaardigt -bijstand te verlenen. Artikel 14, eerste lid, biedt echter de mogelijkheid om de bijstand af te stemmen op het onvoldoende besef van verantwoordelijkheid voor de eigen bestaansvoorziening.

Onderdeel G

In artikel 50, eerste lid, onderdeel b, wordt gesteld dat de middelen, die in aanmerking worden genomen betrekking hebben op de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan. Deze bepaling is niet in overeenstemming met de wijze waarop thans bij de bijstandsverlening het inkomen van zelfstandigen in aanmerking wordt genomen. Aangezien de inkomensvorming van een zelfstandige niet regelmatig over een jaar verloopt en het inkomen in zijn administratie over een boekjaar wordt vastgesteld, wordt bij de definitieve vaststelling van de bijstand aan een zelfstandige rekening gehouden met het inkomen over een geheel jaar, ook al is de bijstand slechts over een gedeelte van dat jaar verleend. Door rekening te houden met het inkomen over een geheel jaar wordt bij de bijstandsverlening aan zelfstandigen afgeweken van het uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met het inkomen over de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Onderdeel I

Het toegevoegde tweede lid komt overeen met artikel 19a van de huidige Algemene Bijstandswet. Het houdt in dat een gemeente kan worden aangewezen voor het verlenen van bijstand aan een ondernemer in de binnenvaart die in een bepaald gebied verblijft. Mede naar aanleiding van de moeilijke situaties waarin deze bedrijfstak zich thans bevindt en de pogingen die worden ondernomen om tot een betere uitgangspositie te komen is bij nadere overweging besloten om deze mogelijkheid opnieuw op te nemen. De noodzakelijk specifieke deskundigheid bij de afhandeling van aanvragen van ondernemers in de binnenvaart is hierbij doorslaggevend. Niet verwacht mag worden dat alle gemeenten hierover beschikken. Handhaven van de mogelijkheid tot het treffen van een aanwijzingsbesluit betekent dat het advies van de Commissie Sociale Voorzieningen van de SER van 6 oktober 1992 inzake het ontwerp-Besluit bijstandsverlening zelfstandigen wordt overgenomen.

Onderdeel J

In het wetsvoorstel is voorgeschreven dat de uitbetaling van de bijstand aan het eind van de kalendermaand piaatsheeft. Van de kant van Divosa is erop gewezen dat deze regeling bezwaren heeft omdat het voor de meeste gemeenten praktisch niet mogelijk is om bij de uitbetaling van de uitkering over een maand rekening te houden met de eventueel over die maand ontvangen inkomsten. Dat leidt ertoe dat pas wanneer via het inkomstenformulier melding wordt gemaakt van ontvangen inkomsten boven de bijstandsnorm, de gemeente de ten onrechte uitbetaalde uitkering moet trachten terug te krijgen in de situatie dat er geen recht op uitkering meer bestaat en dat in de voorafgaande maand sprake is geweest van inkomsten die met de bijstand verrekenend hadden moeten worden. Het gaat hier met name om situaties waarin als gevolg van de datum van de werkaanvaarding een tijdige administratieve verwerking voor de lopende maand niet meer mogelijk is. De oplossing van verrekening met de uitkering over de volgende maand is uiteraard niet mogelijk voor degenen die na die maand geen uitkering meer ontvangen. De ten onrechte uitbetaalde uitkering dient dan volgens de daarvoor geldende procedures te worden teruggevorderd. Deze noodzaak van terugvordering kan worden vermeden door de uitkering pas op het moment uit te betalen waarop de eventuele inkomsten verrekend kunnen zijn. De huidige formulering van het wetsvoorstel maakt dat niet mogelijk. Door het dwingende voorschrift aan het eind van de maand te laten vervallen, verkrijgt de gemeente weer de mogelijkheid om het betalingstijdstip zo te kiezen dat die verrekening wél kan plaatsvinden. De nieuwe bepaling beperkt zich daarom tot het vastleggen van een maandelijkse betaling achteraf. Het exacte tijdstip van uitbetaling wordt aan de gemeenten overgelaten zoals ook in de huidige situatie het geval is. In de praktijk blijkt een uitgestelde betaling van de bijstand over het algemeen niet tot liquiditeitsproblemen bij de cliënten te leiden. Met de voorgestelde wijziging wordt een flexibilisering van het uitbetalingstijdstip bereikt waardoor voor de uitvoering een meer effectieve inkomstenverrekening mogelijk wordt.

Onderdeel K

Deze wijziging betreft het verruimen van de mogelijkheid om rekening te houden met inkomsten die tijdens de bijstandsperiode zijn ontvangen zonder dat de gemeente gebonden is aan de voor terugvordering geldende extra procedures. Bij de verrekening van inkomsten blijken in de praktijk een aantal knelpunten waarvoor het wetsvoorstel geen oplossing geeft. Het gaat hier om de situaties van een nabetaling of latere opgave van ontvangen inkomsten die niet met de bijstand in de daaropvolgende maand kunnen worden verrekend. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen als het inkomen pas na enkele maanden tot uitbetaling komt, zoals veelal het geval is bij invalkrachten in het onderwijs. Als dit inkomen de bijstandsnorm overschrijdt is op het moment van uitbetaling een eenmalige verrekening met de bijstand van de daarop volgende maand nietvolledig mogelijk. De handelwijze die in dat geval op grond van het huidige wetsvoorstel gevolgd moet worden is die van terugvordering. Er is immers sprake van naderhand ontvangen inkomsten, waarmee rekening gehouden had moeten worden bij de bijstandsverlening. Behalve dat aan de terugvordering extra procedures zijn verbonden heeft deze wijze van verrekening als bezwaar dat de feitelijke invordering minder effectief kan zijn omdat de betalingscapaciteit nog in beslag kan worden genomen door andere schuldaflossingen. De hier voorgestelde wijziging maakt het mogelijk dat gecumuleerde inkomsten die over een voorafgaande periode ineens zijn ontvangen niet over één maar over ten hoogste drie daaropvolgende maanden direct met de bijstand kunnen worden verrekend zonder dat daarvoor een formele aktie tot terugvordering hoeft te worden gestart. Een periode van drie maanden is in dit verband redelijk. Voor een eventueel nog resterend bedrag heeft de gemeente dan de mogelijkheid van de reguliere terugvorderingsmogelijkheden. Met deze beperking lijken de huidige uitvoeringsproblemen goeddeels opgelost te zijn. Een gecumuieerde uitbetaling over een langere periode zal in de praktijk slechts zelden voorkomen, zodat het bedrag dat via terugvordering moet worden gerealiseerd beperkt zal zijn.

Onderdeel L

In de terugvorderingsbepalingen wordt gesproken over betrokkene. Dit begrip is overgenomen uit de wet van 15 april 1992 houdende een nieuwe regeling tot terugvordering en verhaal van kosten van bijstand (Stb. 193). Het wetsvoorstel herinrichting Algemene bijstandswet is met uitzondering van deze bepalingen geheel in overeenstemming gebracht met de definitiebepaling van de Algemene wet bestuursrecht. Het verdient de voorkeur ook voor deze bepalingen het begrip belanghebbende te hanteren, temeer nu dat begrip gedefinieerd is in de wet zelf.

Onderdeel M

De verwijzingen naar de Gemeentewet moeten worden aangepast in verband met een vernummering van de artikelen uit die wet.

Onderdeel N

In de circulaire Uitvoeringsaspecten van de nieuwe verhaalswetgeving van 30-9-1992, kenmerk SZ/BV/AUB/14218, is deze wijziging reeds aangekondigd. Het hier voorgestelde artikellid bewerkstelligt dat verhaal op de nalatenschap uitsluitend mogelijk wordt in de situatie dat de belanghebbende een schuld heeft aan de gemeente die niet (geheel) is terugbetaald. Op grond van de huidige bepaling in het wetsvoorstel is voor de gemeente verhaal op de nalatenschap ook mogelijk voor de kosten van bijstand die vijf jaar voor overlijden zijn gemaakt indien op het moment van beëindiging van de bijstand geen vordering bestaat op de desbetreffende persoon. Handhaven van deze mogeiijkheid tot verhaal wordt, zoals ook reeds in bovengenoemde circulaire is uiteengezet, als onredelijk beschouwd en leidt daardoor ooktot uitvoeringsproblemen.

Onderdeel O

Deze wijziging behelst het laten vervallen van de verplichting tot het instellen van gemeentelijke adviescommissies. De gedachtenwisseling die tot dusver met de Tweede Kamer heeft plaatsgevonden heeft het kabinet bij nader inzien tot de overtuiging gebracht dat de verantwoordelijkheid voor het inschakelen van specifieke deskundigheid en het betrekken van maatschappelijke organisaties bij het gemeentelijk bijstandsbeleid aan gemeenten zelf kan worden overgelaten, zodat van een wettelijk voorschrift kan worden afgezien. Gemeenten hebben, ook op grond van de nieuwe Gemeentewet, de bevoegdheid tot het instellen van een adviescommissie die adviseert aan burgemeester en wethouders. Deze wijziging brengt derhalve een versterking van de verantwoordelijkheid van gemeenten en een verdere beperking van regelgeving met zich. Met de voorgestelde wijziging wordt ook aangesloten bij het standpunt van een meerderheid van de Commissie Sociale Voorzieningen van de

Sociaal-Economische Raad in het vervolgadvies van 16 februari 1990 over de herinrichting. De meerderheid van de Commissie ziet geen reden waarom voor het gemeentelijk bijstandsbeleid een aparte, door de wet opgelegde, gemeentelijke adviesstructuur zou moeten bestaan, aangezien de algemene aspecten van het gemeentelijk bijstandsbeleid aan de orde kunnen komen in de gemeenteraad en in de (raads)commissies, terwijl ten aanzien van de individuele gevalsbehandeling voldoende rechtsbescherming is verzekerd door de bezwaar-en beroepschriftenprocedures. De meerderheid van de Commissie wenst wel een verplichting voor de gemeente tot instelling van een adviescommissie te handhaven voor wat betreft de bijstandsverlening aan zelfstandigen vanwege de eigensoortige problematiek die daarbij aan de orde is. Het kabinet ziet echter onvoldoende aanleiding om uitsluitend ten aanzien van de bijstandsverlening aan zelfstandigen een adviescommissie voor te schrijven. Ook wat dit onderdeel van de bijstandsverlening betreft, beschikken gemeenten immers over de mogelijkheid een adviescommissie in te stellen. Bovendien hebben gemeenten de mogelijkheid om -alvorens een beslissing op een bijstandsaanvraag van een zelfstandige te nemen -extern advies in te winnen waarvoor op grond van artikel 144 van het wetsvoorstel een vergoedingsregeling kan worden getroffen.

Onderdeel P

In artikel 71, tweede lid, is geregeld dat voor ondernemers in de binnenvaart een besluit kan worden vastgesteid waarin bepaalde gemeenten worden aangewezen om aan deze categorie bijstand te verlenen. Dit betekent dat de aangewezen gemeenten hogere bijstandskosten hebben. Er wordt immers bij de gemeente meer beroep op bijstand gedaan dan wanneer er geen aanwijzingsbesluit zou zijn. Gelet hierop is bepaald dat de aangewezen gemeenten structureel een vergoeding van honderd procent kunnen verkrijgen voor genoemde bijstandskosten.

Onderdelen Q en R

Deze aanpassingen van de verwijzingen vloeien voort uit de vernummering van de leden in artikel 141.

Onderdeel S

De mogelijkheid tot het instellen van cassatie bij schending of verkeerde toepassing van artikel 3 was aanvankelijk in het wetsvoorstel opgenomen teneinde in de gehele sociale zekerheid een gelijkluidende interpretatie van het begrip gezamenlijke huishouding te waarborgen. Nu de Algemene bijstandswet echter kiest voor een eigen definitie van het begrip gezamenlijke huishouding vervalt de grond om deze bepaling in het wetsvoorstel te handhaven.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J. Wallage

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.