Memorie van antwoord - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 266b

23141

De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 11 mei 1994

  • Inleiding

Het verheugt mij te kunnen constateren dat de leden van de verschillende fracties met belangstelling kennis hebben genomen van het voorliggende wetsvoorstel. Vrijwel alle fracties besteden niet alleen aandacht aan de feitelijke inhoud van het wetsvoorstel, maar gaan ook in op de achtergronden ervan en op een aantal recente ontwikkelingen op hetterrein van de uitvoeringsorganisatie, zoals de resultaten van de discussie over het rapport-Buurmeijer en de adviesaanvrage van het kabinet aan de Sociaal-Economische Raad (SER). In § 1.2 wordt hierop uitvoerig ingegaan. In § 2 komen achtereenvolgens de verschillende instanties, die in het wetsvoorstel een rol spelen aan bod. De vragen en opmerkingen met betrekking tot het samengaan van de bedrijfsverenigingen en de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD), het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica) en het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) worden in deze paragraaf beantwoord. Het fondsbeheer en de uitvoeringskosten en de daarmee samenhangende onderwerpen komen aan de orde in § 3. In § 4 wordt ingegaan op de overblijvende vragen en opmerkingen.

1.2. Achtergronden en recente ontwikkelingen

Met name de leden van de fracties van de PvdA en de VVD besteden aandacht aan de ontwikkelingen op het terrein van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen, die hebben plaatsgevonden sinds de indiening van het wetsvoorstel bij de Tweede Kamer op 10 mei van het vorig jaar. De leden van de PvdA-fractie refereren in dit verband aan het negatieve advies van de Raad van State, waarin gesproken werd van «onzorgvuldigheid in het wetgevingsproces». De hier aan het woord zijnde leden menen dat de wijzigingen, die door middel van een tweetal nota's van wijziging in het wetsvoorstel zijn aangebracht het standpunt van het kabinet in het nader rapport ondermijnen. In het nader rapport stelde het kabinet dat de discussie over fundamentele wijzigingen van de uitvoeringsorganisatie buiten de reikwijdte van het onderhavige wetsvoorstel valt. Ik wil op deze plaats nogmaals benadrukken dat ik nog steeds van mening ben dat de discussie over een fundamentele wijziging 413229F ISSN 0921 • 7363 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1994 van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen en de oplossing van een aantal knelpunten, waarin dit wetsvoorstel voorziet, weliswaar een onderlinge samenhang vertonen, maar zeker niet onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. De aangebrachte wijzigingen in het wetsvoorstel doen aan die stellingname niets af. De oorspronkelijke reactie van het kabinet op het advies van de Raad van State is op dit punt derhalve onverkort van toepassing.

Overigens, dit in reactie op de opmerkingen van de leden van de VVD-fractie, wordt met de implementatie van dit wetsvoorstel niet alleen een onafhankelijk toezicht gerealiseerd maar ook de opheffing van de GMD als zelfstandige organisatie, de budgettering van de uitvoeringskosten, de verplichting tot samenwerken voor de bedrijfsverenigingen en de RBA's en een aantal andere verwante elementen. De instelling van het Tica is inderdaad, zoals de hier aan het woord zijnde leden terecht opmerken, slechts tijdelijk.

In het najaar van 1993 hebben het kabinet en de Tweede Kamer gedebatteerd over het rapport van de parlementaire enquêtecommissie die was belast met een onderzoek naar het functioneren van de uitvoeringsorganen van de werknemersverzekeringen. Naar aanleiding van dit debat is besloten dat de uitvoering van de werknemersverzekeringen in de toekomst niet langer sectoraal (bedrijfstaksgewijs) maar regionaal georganiseerd zal worden. De destijds aangekondigde gerichte adviesaanvrage over deze materie, is op 23 maart jl. naar de SER verzonden. Daarin staat de vraag centraal op welke wijze de overgang naar een regionale uitvoeringsstructuur gerealiseerd zou kunnen worden, uitgaande van een nauwe samenwerking met de arbeidsvoorzieningsorganisatie. De vraag öf een regionale structuur gerealiseerd zou moeten worden, is niet meer aan de orde gesteld; deze was immers reeds beantwoord. In de periode waarin de besluitvorming op grond van het rapport van de enquêtecommissie tot stand kwam, eind november 1993, was de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel nOSV reeds vergevorderd. Door het kabinet en de meerderheid van de Tweede Kamer werd er ook sterk op aangedrongen de behandeling met voortvarendheid voort te zetten; het wetsvoorstel voorziet immers in de oplossing van een aantal urgente knelpunten. Elementen uit het rapport van de enquêtecommissie, of daaraan verbonden conclusies van de Tweede Kamer, konden slechts worden meegenomen in het wetsvoorstel nOSV indien en voor zover daarmee de essentie en de fundamenten van het voorstel niet aangetast zouden worden. Met betrekking tot een aantal noties uit het rapport bleek dat tot de mogelijkheden te behoren: middels de eerste nota van wijziging werden het verbod op zelfadministreren en het gebod tot samenwerking tussen de bedrijfsverenigingen en de arbeidsvoorzieningsorganisatie in het wetsvoorstel opgenomen.

Nadat het besluit tot regionalisatie genomen was, werd eens te meer duidelijk dat de nOSV niet voorziet in een definitieve uitvoeringsstructuur, maar in een overgangsstructuur. Om dit tot uiting te brengen in het wetsvoorstel nOSV werd door middel van de tweede nota van wijziging het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib) veranderd in het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica). In dezelfde nota werd het bestuur van het Tica, gelet op de herijking van de positie van de sociale partners, voorzien van een onafhankelijk voorzitter. Voorts werd tijdens de plenaire behandeling van het wetsvoorstel in de Tweede Kamer middels amendering bepaald dat de voorzitter van het Tica belast is met het veranderingsproces gericht op regionalisering van de uitvoeringsorganisatie, en werd de opheffingsdatum van het Tica vervroegd naar 1 januari 1997. Op deze datum zou de regionale uitvoeringsstructuur moeten gaan functioneren.

Terecht stellen de leden van de fractie van de PvdA de vraag aan de orde hoe, in algemenezin «gebeurtenissen» of wijzigingen tijdens het wetgevingsproces zich verhouden tot het rechtszekerheids-en vertrouwensbeginsel. Gesteld kan worden dat dergelijke wijzigingen inherent zijn aan wetgeving. Het behoort bovendien tot de primaire verantwoordelijkheid van de wetgever om aanpassingen in een wetsvoorstel aan te brengen indien men dat, op welke gronden dan ook, wenselijk of noodzakelijk acht. Het wetsvoorstel dient gedurende het héle wetgevingsproces getoetst te worden op rechtszekerheid, het in de overheid of volksvertegenwoordiging gestelde vertrouwen, maar ook op bijvoorbeeld uitvoerbaarheid. Adviesorganen leveren aan deze taak van de wetgever een belangrijke bijdrage. Indien na advisering wijzigingen in een wetsvoorstel worden aangebracht, toetsen de regering en het parlement het gewijzigde voorstel in principe zonder bijdragen van adviesorganen. Gelet op de inhoud van discussies in de Kamer is mijn oordeel dat daarbij het rechtszekerheids-en vertrouwensbeginsel zeker niet uit het oog verloren zijn.

Met betrekking tot het onderhavige wetsvoorstel ben ik van mening dat de gevolgde procedure voldoet aan de eisen van zorgvuldigheid. De aangebrachte wijzigingen zijn bovendien niet van dien aard, dat de oorspronkelijke essentie van het wetsvoorstel is aangetast. Nog steeds staan de initiële doelstelling -het oplossen van de meest urgente knelpunten -en de daartoe strekkende voorstellen recht overeind. Als gevolg van de aangebrachte wijzigingen is duidelijker geworden dat het ook gezien moet worden in het kader van de voorbereidingen op een meer definitieve structuur waaronder een regionale uitvoering. De aanpassingen die daarvoor zijn aangebracht expliciteren het tijdelijk karakter van de uitvoeringsstructuur die met de nOSV wordt neergezet en de richting van het veranderingsproces.

Dit neemt niet weg dat voor de feitelijke uitwerking van de nieuwe uitvoeringsstructuur nog een groot aantal vraagstukken, waarvan de belangrijkste zijn opgenomen in de SER-adviesaanvrage, moet worden beantwoord. Dat geldt ook voor de structuur «aan de top», en de mate waarin het onderhavige wetsvoorstel daarvoor reeds belangrijke bouwstenen aandraagt. Wèl ben ik, zoals ook uit de adviesaanvrage blijkt, van mening dat belangrijke elementen uit de nOSV ook na 1 januari 1997 in stand zouden kunnen blijven. Er is echter nog een lange weg te gaan; een weg die bovendien een eigen wetgevingstraject, en adviesronde, zal krijgen. Op het aangewezen moment kom ik over deze materie ook weer met u te spreken. Er is dus zeker geen sprake van een onomkeerbaar proces. Zoals gezegd is wel de richting van het veranderïngsproces geëxpliciteerd. Zoals blijkt uit de toelichting bij de tweede nota van wijziging moet een proces op gang komen dat voor de «uitvoering aan de voet» leidt tot een beweging van sectorale naar regionale verantwoordelijkheden. Dit proces zal dienen plaats te vinden binnen de kaders van de nOSV. De vraag is dan aan de orde of de nOSV voldoende handvatten biedt om het veranderingsproces in de gewenste richting te sturen. De leden van de fracties van de VVD, GPV, SGP en RPF zetten hier vraagtekens bij. Ze vragen zich af wat de mogelijkheden van de staatssecretaris respectievelijk het Tica zijn, om het veranderingsproces aan te sturen. De leden van de fracties van de GPV, SGP en RPF vragen zich voorts af of de bedrijfsverenigingen, en met name de zelfadministrerende, wel in staat zijn de gewenste ontwikkelingen door te maken, en of het uitgesloten is dat de nOSV, naar aanleiding van het SER-advies, een tussentijdse aanpassing behoeft. Ik wil hierover het volgende opmerken. De mogelijkheden die het Tica, de toezichthouder en de minister of staatssecretaris hebben om het veranderingsproces aan te sturen, hangen samen met hun mogelijkheden om de uitvoering te coördineren en af te stemmen. Het ontbreken van adequate sturingsmechanismen en -instrumenten is één van de knelpunten in de huidige uitvoeringsstructuur. De nOSV beoogt hiervoor een oplossing aan te dragen. Zo krijgt het Tica een duidelijke regelgevende bevoegdheid om zijn coördinatietaak uit te kunnen voeren. Ook de minister beschikt over een uitgebreid sturingsinstrumentarium. Kenmerkend voor dit instrumentarium is dat het zich niet direct richt op de uitvoeringsinstanties maar op de toezichthouder. De minister beschikt over de volgende sturingsinstrumenten: -de bevoegdheid aanwijzingen te geven aan het Ctsv in verband met uitoefening van diens taak; -de bevoegdheid besluiten van het Ctsv en de uitvoeringsinstanties voor te dragen voor vernietiging door de Kroon; -het goedkeuringsvereiste voor bepaalde besluiten van het Ctsv en de uitvoeringsinstanties; -de mogelijkheid om bij amvb, zo nodig in afwijking van de wet, voorzieningen te treffen indien de toezichthouder of een van de uitvoeringsinstanties zijn taken verwaarloost; -de bevoegdheid de erkenning van een bedrijfsvereniging in te trekken wanneer deze niet meer aan zijn wettelijke en statutaire verplichtingen voldoet; -de mogelijkheid inzage te krijgen in alle gegevens van de toezichthouder en de uitvoeringsinstanties; -de bevoegdheid om de leden van het Ctsv te schorsen of voor te dragen voor ontslag door de Kroon.

Het Ctsv voorziet de minister van informatie over al zijn activiteiten en rapporteert op zo nodig door de minister voor te schrijven wijze.

De (eventuele) inzet van de genoemde instrumenten ten behoeve van het veranderingsproces, vindt zijn wettelijke grondslag in de eerste plaats in de bepaling in de nOSV die de voorzitter van het Tica expliciet belast met het veranderingsproces gericht op regionalisering van de uitvoeringsorganisatie. Hij dient aan deze verantwoordelijkheid op rechtmatige, doelmatige en doeltreffende wijze invulling te geven, en moet daartoe de nodige instrumenten aanwenden; de minister kan hem daarop, via het Ctsv, aanspreken. Aangezien de voorzitter van het Tica rechtstreeks aan de minister rapporteert over de voortgang van het veranderingsproces, is de minister ook direct in staat om te beoordelen of ingrijpen nodig is. In aansluiting hierop zij gewezen op de projectorganisatie die het kabinet overweegt in te stellen. Een dergelijke organisatie zou dan een belangrijke bijdrage moeten leveren aan het voorbereiden, begeleiden en aansturen van het veranderingsproces.

Een tweede bepaling in de nOSV die de inzet van sturingsinstrumenten ten behoeve van het veranderingsproces kan rechtvaardigen, betreft de samenwerking tussen bedrijfsverenigingen en de arbeidsvoorzieningsorganisatie. De letterlijke tekst van die bepaling luidt: «de bedrijfsverenigingen en de arbeidsvoorzieningsorganisatie werken samen om de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen.» De leden van de fractie van de PvdA vragen zich af of deze bepaling regionalisering behelst. Naar mijn mening is dat in belangrijke mate het geval. Uiteraard dient ook op centraal niveau afstemming plaats te vinden, maar een doeltreffende tenuitvoerlegging van de samenwerkingsverplichting betekent ook dat bevoegdheden inzake de individuele gevalsbehandeling in de uitvoering «aan de voet» moeten worden neergelegd. De gevalsbehandeling staat immers ten aanzien van alle werknemersverzekeringen, in mindere of meerdere mate, in hetteken van inschakeling in het arbeidsproces van de individuele uitkeringsgerechtigde. Om in dat kader «zaken» te kunnen doen met de regionale arbeidsbureaus, dienen de uitvoeringsinstellingen van de werknemersverzekeringen op hetzelfde niveau te beschikken over substantiële bevoegdheden. Aan de voorgaande beschouwing over het inzetten van sturingsinstrumenten ligt natuurlijk de veronderstelling ten grondslag dat de bedrijfsverenigingen ook in staat zullen zijn de gewenste ontwikkelingen door te maken. Deze veronderstelling is mijns inziens gerechtvaardigd; zij hebben immers de mogelijkheid om datgene wat van hen verlangd wordt -bevoegdheden inzake de gevalsbehandeling te mandateren naar de regio -tot uitvoering te brengen. Overigens betekent dit niet dat elke uitvoeringsinstelling in iedere regio een eigen kantoor moet hebben. Uit bedrijfseconomisch oogpunt kan het, met name voor de bedrijfsverenigingen die thans nog zelfadministreren, noodzakelijk of wenselijk zijn dat op regionaal niveau uitvoeringsinstellingen de facto fuseren. Voor dit veranderingsproces is een (tussentijdse) aanpassing van de nOSV niet nodig. Vervolgens is met betrekking tot het veranderingsproces van belang of bij de uitvoerders de bereidheid bestaat om daaraan mee te werken. De leden van de fractie van de VVD zetten vraagtekens bij die bereidheid, zeker zolang er nog geen definitief SER-advies en een reactie van de regering op tafel liggen. De leden van de fracties van het CDA en D66 wijzen op afwijzende reacties van sociale partners met betrekking tot de regionalisering, hetgeen het veranderingsproces kan belemmeren.

Ik ben optimistisch gestemd. In de eerste plaats zal de SER vrij snel, naar verwachting in juni, zijn advies uitbrengen. Dit advies zal onderdeel kunnen uitmaken van de beraadslagingen in het kader van de kabinetsformatie, waarna het nieuwe kabinet betrekkelijk snel zijn standpunt zal kunnen bepalen. Op het moment waarop het Tica aantreedt en haar taak met betrekking tot het veranderingsproces zal kunnen starten, op zijn vroegst op 1 januari 1995, is derhalve al een aantal belangrijke stappen genomen. Met betrekking tot de medewerking van de sociale partners -en met name hun vertegenwoordigers in de besturen van het Tlca en de bedrijfsverenigingen -mag ik verwachten dat loyaal uitvoering wordt gegeven aan door de wetgever vastgesteld beleid. Het enthousiasme dat zij daarbij aan de dag leggen is natuurlijk in belangrijke mate afhankelijk van de mate waarin de sociale partners zich kunnen «vinden» in regionalisering. Tot op heden hebben mij daarover nog geen gerichte signalen bereikt; wel heb ik de indruk gekregen dat met name aan werkgeverszijde bepaalde reserves bestaan. Een eerste afgewogen oordeel van sociale partners zal, verwacht ik, worden neergelegd in het SER-advies.

Eén van de onderdelen waarover de SER een oordeel is gevraagd betreft de betrokkenheid van sociale partners in het landelijk bestuur en de regionale besturen. In de adviesaanvrage spreekt het kabinet hierover geen expliciete voorkeur uit. Er is een beschouwing gewijd aan argumenten tegen bestuurlijke deelname van de sociale partners, gebaseerd op de bevindingen van de enquêtecommissie met betrekking tot de jaren tachtig, en aan argumenten vóór bestuurlijke deelname. De SER is gevraagd om een oordeel over het geschetste dilemma, rekening houdend met de motie-Van Mierlo. Het spreekt voor zich dat zo'n oordeel medebepalend is voor het antwoord op de vraag of de sociale partners kunnen «meegaan» -letterlijk en figuurlijk -met regionalisering.

Naar aanleiding van de passage in de adviesaanvrage over de argumenten tegen bestuurlijke betrokkenheid van sociale partners, maken de leden van de fractie van de VVD bezwaar tegen het onvermeld laten van de gebreken van het Ministerie van SZW en de Tweede Kamer. Naar hun mening geef ik daarmee blijk van een eenzijdige benadering. Ik kan het met deze constatering niet eens zijn. De betreffende passage moet bezien worden in de eigen context; het gaat daar expliciet om de positie van sociale partners. Bovendien geef ik ook uitvoerig aan vanuit welke overwegingen de betrokkenheid van sociale partners juist wenselijk zou kunnen zijn. Voorts is in het kader van de discussie over de bevindingen van de enquêtecommissie, niet alleen door mijzelf, ook hettekortschieten van de politiek en de ambtenarij erkend. Zij hebben, zeer in het algemeen, onvoldoende betrokkenheid met de uitvoeringsorganisatie getoond. Dit besef, tezamen met de overwegingen ten aanzien van de positie van sociale partners, was voor het kabinet aanleiding om de vraag aan de orde te stellen of en in welke mate de publieke verantwoordelijkheid expliciet tot zijn recht dient te komen in de uitvoering. In antwoord op de desbetreffende vraag van de leden van de fractie van de VVD, denkt het kabinet daarbij in de eerste plaats aan bestuurlijke betrokkenheid van onafhankelijke, door de Kroon te benoemen, deskundigen.

De leden van de fracties van de VVD en de PvdA maken een aantal opmerkingen over de relatie tussen de inhoud van het stelsel van sociale zekerheid en de uitvoeringsorganisatie. Zij vragen een nadere toetichting op de stelling uit de adviesaanvrage dat de voorgestelde uitvoeringsstructuur geschikt is voor de uitvoering van het publieke deel van het stelsel, ongeacht de materiële inhoud ervan.

Zoals ook in de adviesaanvrage staat vermeld is het kabinet van mening dat de inhoud van het stelsel en de uitvoering in hun onderlinge samenhang moeten worden bezien; beide elementen kunnen dus niet zonder meer van elkaar worden gescheiden. Het kabinet verbindt daaraan echter niet de conclusie dat het niet mogelijk zou zijn om op dit moment uitsluitend tot een ingrijpende aanpassing van de uitvoeringsorganisatie te komen. Het stelsel van sociale zekerheid zal de komende periode nog volop in discussie blijven. Met betrekking tot de uitvoeringsorganisatie acht het kabinet daarentegen een breed politiek draagvlak aanwezig om op afzienbare termijn tot een aantal wezenlijke verbeteringen over te gaan. Dat momentum mag, zo meent het kabinet, niet verloren gaan.

Gelet op de samenhang tussen stelsel en uitvoering is het wel van groot belang een uitvoeringsorganisatie te ontwerpen die geschikt is voor de uitvoering van elk (reëel) publiek stelsel. Naar de mening van het kabinet is datten aanzien van de geschetste regionale uitvoeringsstructuur in eerste aanleg het geval. Bij de verdere uitwerking van de regionalisering, moet deze «stelselneutraliteit» verder gewaarborgd worden. In verband hiermee bestaat een belangrijke opdracht uit het combineren van een regionale uitvoeringsorganisatie met onmisbare en relevante elementen uit het huidige sectorale organisatiemodel. Enige accentverschillen daargelaten, ben ik het derhalve eens met de terzake strekkende constatering van de leden van de fractie van de PvdA.

Het kabinet heeft gemeend aan de genoemde opdracht een bijdrage te hebben geleverd via de premiedifferentiatie voor de Ziektewet en de wachtgeldverzekering. Nader zal moeten worden bezien of er meer sectorale elementen zijn die een plaats behoeven in de nieuwe uitvoeringsorganisatie. Ook de SER kan hieraan een bijdrage leveren. Het staat de SER overigens vrij om buiten de centrale vraagstelling -over de wijze waarop de overgang naar regionalisatie gerealiseerd kan worden -te treden. Gelet op de korte termijn waarbinnen het advies tot stand zal moeten komen, zou ik het echter zeer op prijs stellen indien men de motie-Wöltgens als politiek feit erkent en zich zoveel als mogelijk concentreert op de gestelde vragen. Dat betekent mijns inziens niet dat men zich slechts kan uitspreken over de technische uitwerking. Integendeel, de beantwoording van de vragen vergt in hoge mate een beleidsmatige oordeelsvorming.

Tot slot een opmerking over het vermoeden van de leden van de fractie van het CDA dat het na de evaluatie van de Arbeidsvoorzieningswet mogelijk is dat het aantal regio's drastisch verminderd wordt. De beleidsconclusies op grond van de evaluatie kunnen uiteraard eerst getrokken worden nadat de uitkomsten van de evaluatie bekend zijn. In de adviesaanvrage heb ik niet méér willen zeggen dan dat één van de mogelijke conclusies betrekking kan hebben op het aantal regio's, en voorts dat het aantal regio's van secundair beiang is; het uitgangspunt is dat de uitvoeringsorganisatie van de werknemersverzekeringen de regio-indeling van de arbeidsvoorzieningsorganisatie hanteert. Voor het overige wil ik binnen het bestek van het onderhavige wetsvoorstel, of zelfs de SER-adviesaanvrage, niet vooruitlopen op de evaluatie. In welke mate deze zal leiden tot nieuwe reorganisaties op het terrein van de arbeidsvoorziening valt nog te bezien.

De leden van de fracties van GPV, SGP, RPF en PvdA informeren naar het invoeringstraject van het voorliggende wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie vragen daarbij met name aandacht voor de voorbereidingen die reeds zijn getroffen voor een «vliegende start» van het Tica.

Inmiddels is een wetsvoorstel gereed gekomen dat voorziet in de invoering van het voorliggende wetsvoorstel en in de aanpassing van de verschillende materiewetten. Het kabinet gaat ervan uit dat invoering van het voorliggende wetsvoorstel in zijn geheel per 1 januari 1995 plaats kan vinden. Het betreffende wetsvoorstel ligt ter advisering bij de Raad van State. Vooruitlopend op de afronding van de behandeling van het voorliggende wetsvoorstel en het wetsvoorstel betreffende de invoering zijn reeds een aantal voorbereidende werkzaamheden, gericht op de implementatie van de nieuwe uitvoeringsorganisatie, van start gegaan. De Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) speelt hierbij een initiërende rol. In het perspectief van de naderende veranderingen werkt de FBV aan de opbouw van een onafhankelijk apparaat met eigen huisvesting en beëindiging van de administratieovereenkomst met het GAK. Bij de opbouw van de werkorganisatie wordt rekening gehouden met integratie van de centrale taken van de GMD en van een aantal huidige taken van de SVr en de centrale fondsen. Met het GAK en de GMD is de FBV in overleg over de consequenties van de overheveling van taken, medewerkers en instrumenten, inclusief informatiestructuren. Tussen de FBV, de SVr en de centrale fondsen is ook overleg gaande. Dit laatste betreft mede het in de nieuwe structuur op zoveel mogelijk analoge wijze inrichten van het bestaande financiële netwerk tussen de centrale fondsen en de bedrijfsverenigingen. Verder wordt het nodige voorbereidende werk verricht voor het ontwikkelen van het sturingsconcept, i.c. de inrichting en werkwijze van de nieuwe bestuurlijke structuur. Ook is reeds een begin gemaakt met het opstellen van ontwerp-statuten. De FBV hanteert een planning waarbij het ontwerp voor een besturingsconcept, managementconcept, bestuurlijke inrichting en de inrichting van haar apparaat voor juli gereed is. De diverse implementatiestappen zoals afspraken over en plaatsing van medewerkers, inrichting van systemen en huisvesting, de formatie van bestuur en bestuurscommisies kunnen in de periode tot oktober/ november hun beslag krijgen. In november/december kunnen alle besluiten voorbereid zijn, die nodig zijn voor de formele inwerkingtreding. Voor de goede orde zij erop gewezen dat de FBV de voornoemde voorbereidingen treft vanuit de verantwoordelijkheid die zij nu als coördinerende instantie heeft en in voortdurende samenspraak met alle betrokkenen. Door mij zullen in overleg met alle betrokken partijen periodieke bijeenkomsten worden belegd om de klokken gelijk te zetten, problemen zo vroeg mogelijk te signaleren en aldus een goede start -als het kan per 1 januari 1995 -veilig te stellen.

De leden van de VVD-fractie geven aan de periode van een half jaar, genoemd in het tweede lid van artikel 118 van het wetsvoorstel, te kort te vinden voor de parlementaire behandeling van een wetsvoorstel inzake de regionalisering van de uitvoering.

Determijn van een half jaar is het uitvloeisel van een afweging tussen enerzijds het tijdstip waarop op z'n vroegst voldoende inzicht bestaat in de vormgeving van de toekomstige uitvoeringsstructuur en anderzijds de voor het parlement noodzakelijke tijd om de behandeling van het wetsvoorstel af te kunnen ronden. Daarbij zij opgemerkt dat oorspronkelijk voorzien was m 1 januari 1998 als einddatum van het Tica. Bij amendement heeft de Tweede Kamer dit tijdstip vervroegd tot 1 januari 1997. Bovendien is in het betreffende wetsartikel de formulering «uiterlijk een half jaar voor..» gebruikt. Verwacht mag worden dat het nieuwe kabinet zal bevorderen dat een dergelijk wetsvoorstel zo spoedig mogelijk ter behandeling aan het parlement zal worden voorgelegd.

  • De uitvoeringsinstanties

2.1. Samengaan bedrijfsverenigingen en GMD

De leden van de CDA-fractie vragen naar de stand van zaken met betrekking tot het samengaan van de bedrijfsverenigingen en de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) en refereren daarbij aan de zesde kwartaalrapportage samengaan GAK/GMD en de brandbrief van GAK/GMD-hoofddirecteur W. Boersma aan de regiodirecteuren van het GAK over de grote achterstand in de keuring van het aantal arbeidsongeschikten. In oktober 1991 heeft de Federatie van Bedrijfsverenigingen het initiatief genomen om, vooruitlopend op de aanpassing van de Organisatiewet Sociale Verzekering (OSV), maar binnen de kaders van de huidige OSV, te komen tot nauwe samenwerking tussen het GAK en de GMD. Met dit initiatief werd een eerste stap gezet op weg naar een geïntegreerde gevalsbehandeling. De Toezichtkamer van de Sociale Verzekeringsraad (SVr) heeft in de afgelopen jaren met regelmaat een aantal kwartaalrapportages over de voortgang van dit samenwerkingsproces uitgebracht. Uit deze rapportages blijkt dat sprake is van een gecompliceerd proces waarbij de huidige OSV menigmaal als een belemmering wordt ervaren om de gewenste doelstelling te bereiken. De huidige OSV kent de GMD immers exclusief een aantal taken toe. De meest recente voortgangsrapportage laat zien dat eerder gesignaleerde problemen in het samenwerkingsproces voor een belangrijk deel zijn opgelost. Tussen de directies van het GAK, de GMD en de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen is inmiddels overeenstemming bereikt over een overgangsmaatregel voor de periode waarin de aanpassing van de OSV nog niet gerealiseerd is. Deze maatregel houdt onder meer in dat GAK/GMD-medewerkers tijdelijk worden gedetacheerd bij de zelfadministreerders. Per 1 maart jl. is met deze detachering begonnen in de noordelijke regio. In de rest van het land zal de detachering in principe vanaf 1 juni a.s. plaatsvinden.

De leden van de CDA-fractie refereren in dit verband aan de brandbrief van de hoofddirecteur van het GAK, de heer W. Boersma, aan de regiodirecteuren van het GAK over de grote achterstand in de keuring van arbeidsongeschikten. Omtrent de aanleiding en doelstelling van de door de leden van de CDA-fractie genoemde brief heb ik mij door de heer Boersma schriftelijk laten informeren. Deze brief is als bijlage I bij deze memorie gevoegd'. Op grond van deze informatie kom ik tot de conclusie dat de GAK/GMD-organisatie op dit moment zeer veel in het werk stelt om een einde te maken aan de problematiek rond de einde wachttijdadvisering.

Ook de leden van de fractie van het GPV stellen, mede namens de leden van de fracties van de SGP en de RPF, vragen over het samengaan van de GMD en de bedrijfsverenigingen. Op de eerste plaats vragen zij aandacht voor het behoud van de bestaande GMD-expertise. Daarnaast willen zij weten of detachering vanuit het GAK mogelijk blijft.

Het voorliggende wetsvoorstel voorziet in de opheffing van de GMD als zelfstandige organisatie. De huidige GMD-taken die betrekking hebben op de gevalsbehandeling gaan over naar de bedrijfsverenigingen. Oe centrale GMD-taken -het betreft dan met name beleidsvoorbereidende en beleidsondersteunende werkzaamheden, zoals de opzet en het beheer van het functie-informatiesysteem (FIS), het opstellen van richtlijnen met betrekking tot schattingsprocedures en dergelijke -gaan over naar het Tica. Gelet op de samenwerking tussen bedrijfsverenigingen en GMD, die binnen de kaders van de huidige OSV reeds in gang gezet is, zal de GMD-expertise voor een belangrijk deel behouden blijven doordat het huidige GMD-personeel overgaat naar de bedrijfsverenigingen. Waarschijnlijk zal detachering vanuit het GAK, na invoering van dit wetsvoorstel niet meer aan de orde zijn, omdat het vanuit het oogpunt van een doelmatige uitvoering voorde hand ligt dat bedrijfsverenigingen zelf ex-GMD'ers in dienst nemen. Het bedrijfstakoverschrijdende karakter van de werkzaamheden van de huidige GMD zal voor een belangrijk deel blijven bestaan doordat bedrijfsverenigingen een inspanningsverplichting tot samenwerking hebben (art. 63, derde lid) en doordat de beleidsvoorbereidende en beleidsondersteunende werkzaamheden uitgevoerd zullen worden door het Tica. Overigens zal de arbeidsbemiddeling van (gedeeltelijk) arbeidsongeschikten op termijn worden overgenomen door de arbeidsvoorziening, een organisatie die uiteraard bedrijfstakoverschrijdend werkt.

2.2. College van Toezicht Sociale Verzekeringen

Zoals de leden van de fractie van D66 vaststellen wordt in het wetsvoorstel hettoezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringswetten onafhankelijk gemaakt van de sociale partners door de omvorming van de Sociale Verzekeringsraad (SVr) in een College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv), waarin alleen onafhankelijke deskundigen zitting hebben en dat geen uitvoerende taken zal hebben. Anders dan deze leden menen berust hettoezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringswetten al sinds de inwerkingtreding van de Organisatiewet Sociale Verzekering in 1952 bij de SVr. Het Besluit Toezicht SVr, waarnaar deze leden verwijzen, beoogt het toezicht van de SVr ten aanzien van rechtmatigheid en doelmatigheid nader vorm te geven en aan te geven aan welke 1 is ter inzage geiegd op het Centraai eisen dit toezicht moet voldoen. Zoals de hier aan het woord zijnde leden informatiepunt onder griffienr. 11304 I.

terecht concluderen, is er thans geen sprake van een onafhankelijk

toezicht. Wel is de invloed van de sociale partners sinds de instelling van de Toezichtkamer in 1992 teruggedrongen van tweederde van de zetels in hettoezichthoudend orgaan tot de helft van de zetels onder een onafhankelijk voorzitter, maar pas met dit wetsvoorstel wordt de stap naar een volledig, van de sociale partners onafhankelijk, toezicht gezet.

De leden van de CDA-fractie onderschrijven de noodzaak van een onafhankelijktoezicht, los van de invloed van de sociale partners. Wel vragen zij zich af waarom tot een nieuw orgaan is besloten; zij verwijzen daarbij naar de suggesties die de Raad van Centrale Ondernemingsorganisaties (RCO) heeft gedaan om het toezicht onder te brengen bij een bestaand orgaan, zoals de Algemene Rekenkamer of de Verzekeringskamer. Hettoezicht in het voorliggende wetsvoorstel kan gekarakteriseerd worden als een sturend toezicht, in tegenstelling tot een louter signalerend toezicht. Het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) heeft de bevoegdheid, en het daarbij behorend instrumentarium, om de uitvoeringsinstanties rechtstreeks bij te sturen. Deze bevoegdheid van de toezichthouder is essentieel in het gekozen toezichtmodel, maar betekent tevens dat dit toezicht nauw gerelateerd is aan de sociale verzekeringssector. Dit leidde tot de keuze voor een specifiek toezichtorgaan voor deze sector en maakte het onderbrengen van de toezichttaak bij bestaande instanties minder voor de hand liggend. Het toezicht zoals dat door de Algemene Rekenkamer en de Verzekeringskamer wordt uitgeoefend, verschilt bovendien aanmerkelijk van het toezicht zoals het Ctsv dat gaat uitoefenen. De Algemene Rekenkamer heeft een signalerende toezichttaak ten behoeve van het parlement en kent geen sturingsinstrumentarium. Overigens heeft en houdt de Algemene Rekenkamer natuurlijk zijn eigen taak ten opzichte van ook deze sector van de collectieve uitgaven. De Verzekeringskamer heeft een specifieke taak bij het beoordelen van met name de financiële positie van verzekeraars en pensioenfondsen. Het toezicht van de Verzekeringskamer is dan ook niet gericht op de toepassing en de naleving van wetgeving, zoals dat bij het Ctsv het geval is, en de Verzekeringskamer beschikt evenmin over sturingsmogelijkheden die met die van het Ctsv vergelijkbaar zijn. Ook is er een verschil in de mate van onafhankelijkheid van deze beide organen: de Verzekeringskamer is autonoom, het Ctsv dient, in verband met de ministeriële verantwoordelijkheid voor deze sector, in laatste instantie onderworpen te zijn aan ministerieel toezicht en het daarbij behorende instrumentarium. Op grond van deze overwegingen komen de Algemene Rekenkamer en Verzekeringskamer niet in aanmerking als mogelijke toezichthouder.

Het is evenwel, dit in antwoord op verdere vragen van de CDA-fractie, niet de bedoeling dat het Ctsv zich over de hele linie zeer gedetailleerd gaat bezighouden met de uitvoering, maar het toezicht kan anderzijds toch duidelijk verder gaan dan uitsluitend een marginale toetsing. Met name in het geval dat het Ctsv op grond van de algemene toezichtbevindingen het vermoeden heeft dat een uitvoeringsinstantie bijvoorbeeld een te ruim gebruik maakt van een bepaalde bevoegdheid, kan een onderzoek tot op het niveau van individuele uitkeringsbeslissingen wenselijk zijn. Hoewel het verrichten van aanvullend onderzoek dus altijd mogelijk blijft, zal in eerste instantie vooral ook gebruik worden gemaakt van de bij de uitvoeringsinstanties aanwezige controle-en toezichtactiviteiten. De leden van de CDA-fractie vragen zich voorts af welke bevoegdheid de minister heeft om in te grijpen in het beleid van het Ctsv of, zo vragen deze leden, is er sprake van een werkelijk onafhankelijk toezicht los van de bemoeienis van de minister. Vooropgesteld dient te worden dat het Ctsv

volledig vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid en volgens zijn eigen beleidsuitgangspunten de primaire besluitvorming door de uitvoeringsinstanties zal beoordelen op rechtmatigheid en doelmatigheid. Met het beleid dat het Ctsv terzake wenst te voeren zal de minister dan ook in zijn algemeenheid geen directe bemoeienis hebben. Slechts in die gevallen dat de uitkomsten van dit proces van besluitvorming en toezicht gezien vanuit de verantwoordelijkheid van de minister voor de sociale zekerheid tot ongewenste resultaten leiden, zal dit aanleiding zijn voor de minister om gebruik te maken van het instrumentarium dat hem met het oog op zijn ministeriële verantwoordelijkheid ten dienste staat, bijvoorbeeld door zijn goedkeuring te onthouden aan besluiten die aan zijn goedkeuring zijn onderworpen of door, en dit is het meest verstrekkende middel, gebruik te maken van zijn aanwijzingsbevoegdheid op grond van artikel 11. Dit instrumentarium is noodzakelijk als uiterste middel om ongewenste ontwikkelingen in de uitvoeringsorganisatie te kunnen bijsturen en zo de ministeriële verantwoordelijkheid op dit punt inhoud te geven. Uitdrukkelijk is niet beoogd om een cultuur van permanent ingrijpen te bevorderen. Het bevreemdt de leden van de CDA-fractie enigermate dat de sociale partners alleen invloed kunnen uitoefenen op de «bemensing» van het Ctsv via de Sociaaleconomische Raad. Zij vragen of een directere beïnvloeding, bijvoorbeeld via de Stichting van de Arbeid, geen betere oplossing was geweest en zij verwijzen daarbij naar de inzichten die bestaan over het overdragen van de werknemersverzekeringen aan de sociale partners. Wat betreft deze inzichten doelen deze leden vermoedelijk op de CNV nota «Overdracht werknemersverzekeringen». De in deze nota verwoorde inzichten gaan er van uit dat de verantwoordelijkheid voor de werknemersverzekeringen dient te worden gelegd bij de sociale partners in de bedrijfstakken. De overheid dient zich in deze zienswijze te beperken tot het aangeven van de wettelijke kaders, de sociale partners verzorgen de beleidsmatige invulling en de uitvoering op het niveau van de bedrijfstak. Hoewel het kabinet met belangstelling kennis heeft genomen van de voorstellen van het CNV, blijven er belangrijke vragen over de mate waarin en de snelheid waarmee deze voorstellen zich lenen voor concretisering. Met de op 1 januari van dit jaar in werking getreden wet Terugdringing ziekteverzuim (TZ) is, voor wat betreft de Ziektewet, een belangrijke stap gezet in een richting die ook het CNV op wil. Dit betekent echter niet dat het kabinet in zijn algemeenheid de CNV-inzichten omtrent het overdragen van de werknemersverzekeringen aan de sociale partners ook deelt. Maar ook afgezien daarvan is het kabinet van mening dat de ook door de leden van de CDA-fractie onderschreven onafhankelijkheid van het toezicht van de sociale partners met zich meebrengt dat ook de advisering over, en dus de beïnvloeding van, de benoeming van de leden van het bestuur van het Ctsv niet direct door de sociale partners, via de Stichting van de Arbeid of anderszins, dient plaats te vinden, maar via een voor deze adviserende taak bij uitstek toegerust orgaan als de Sociaaleconomische Raad.

Ook de leden van de PvdA-fractie stellen vragen over de benoeming van de leden van het bestuur van het Ctsv. Gezien de strikte scheiding tussen toezicht en uitvoering vinden deze leden het logisch dat in het Ctsv bij koninklijk besluit benoemde onafhankelijke leden zitting hebben. Zij menen echter in dit opzicht een schoonheidsfoutje aan te treffen in artikel 5. Kennelijk lezen deze leden het wetsvoorstel aldus dat alleen bij tussentijdse benoeming de SER om advies gevraagd wordt. Dit berust evenwel op een misverstand: artikel 5 ziet op alle gevallen van benoeming of ontslag van bestuursleden van het College. De SER wordt derhalve bij elke benoeming, dus ook bij die van het eerst aantredende College, in de gelegenheid gesteld daarover advies uit te brengen.

De leden van de PvdA-fractie leiden vervolgens uit de toelichting bij artikel 12 en uit de formulering van artikel 9 terecht af dat het in principe mogelijk is dat in de commissies van het Ctsv vertegenwoordigers van de uitvoeringsorganen zitting kunnen hebben. Zij vragen hoe zich dit verhoudt met de beoogde strikte scheiding tussen toezicht en uitvoering. Het Ctsv heeft een eigen verantwoordelijkheid voor de wijze waarop het, binnen de wettelijke kaders, zijn taken en bevoegdheden uitoefent. Het is ondenkbaar dat het College zijn taken zou kunnen uitoefenen vanuit een geïsoleerde positie, zonder goed overleg met de uitvoeringsorganen. Ook het inrichten van deze overlegvormen is uiteraard een eigen verantwoordelijkheid van het Ctsv. Een middel om overleg te institutionaliseren is het instellen van commissies. Artikel 9 opent expliciet deze mogelijkheid, maar bepaalt daarbij tevens dat samenstelling, taken en bevoegdheden van die commissies in het reglement van werkzaamheden van het College moeten zijn beschreven. Aangezien dit reglement in de Staatscourant zal worden geplaatst zal voor een ieder kenbaar zijn in hoeverre bij de instelling van deze commissies de beoogde strikte scheiding tussen toezicht en uitvoering mogelijkerwijs onvoldoende gerespecteerd is, zodat daartegen zonodig met behulp van het de minister ten dienste staande instrumentarium kan worden opgetreden. Uitgaande van de veronderstelling dat in het bijzonder bij het uitoefenen van de informatievoorzieningstaak van het Ctsv samenwerking met de uitvoeringsorganen geboden is, is in de toelichting bij artikel 12 nog eens speciaal gewezen op de mogelijkheid dat het College hiertoe een Commissie informatievoorziening instelt die het College ondersteunt en adviseert bij het uitvoeren van deze taak. Het zitting hebben van vertegenwoordigers van de uitvoeringsorganen in een dergelijke commissie zal een doelmatige en doeltreffende inrichting van de informatievoorziening bevorderen, zonder dat hierdoor de onafhankelijkheid van het toezicht in gevaar wordt gebracht.

Zowel de leden van de PvdA-fractie als van de fractie van D66 stellen vragen over de regelgevende bevoegdheid die het Ctsv op grond van artikel 19 heeft omtrent de inrichting van de administratie en de administratieve organisatie van de uitvoeringsinstanties en over de verhouding tussen deze regelgevende bevoegdheid en de coördinatietaak van het Tica. In de gekozen opzet van scheiding van toezicht en coördinatie heeft het Ctsv als primaire taak het houden van toezicht op de uitvoeringsorganisatie terwijl de coördinatie aan het Tica is opgedragen. Ook de regelgeving ter coördinatie van de uitvoering is uitdrukkelijk de taak van het Tlca, en niet die van het Ctsv. Aan het Ctsv is in artikel 19 slechts op een zeer beperkt gebied regelgevende bevoegdheid toegekend, nl. met betrekking tot de inrichting van de administratie en de administratieve organisatie, dus geheel in het verlengde van de toezichttaak. Door de mogelijkheid van regelgeving op dit punt aan de toezichthouder toe te kennen kan immers de efficiëntie en de effectiviteit van het toezicht gewaarborgd worden. Het Ctsv zal daarom vermoedelijk ook niet, zoals de leden van de PvdA-fractie veronderstellen, van deze bevoegdheid slechts gebruik maken indien het Tica zijn administratieve organisatie niet behoorlijk heeft ingericht. Het Ctsv zal veeleer gebruik maken van de mogelijkheid tevoren aan te geven aan welke vereisten deze administratieve organisatie, vanuit het toezichtsoogpunt moet voldoen en zal eventueel corrigerend optreden, indien achteraf blijkt dat deze vereisten niet in acht zijn genomen.

De leden van de CDA-fractie vragen welke besluiten, door het College te nemen, vallen onder het goedkeuringsregime van artikel 104/105 enz. Zij vragen zich af of deze bijna limitatieve opsomming niet tot gevolg heeft dat het College zelf weinig beleidsruimte krijgt daar uiteindelijk de minister alle touwtjes in handen heeft.

In hoofdstuk VIII van het wetsvoorstel wordt een algemene regeling gegeven voor goedkeuring, schorsing en vernietiging in de hele sociale verzekeringssector, die is afgestemd op het wetsvoorstel Derde tranche Algemene wet bestuursrecht, titel 1.4 Toezicht op bestuursorganen. In tal van bepalingen in de verschillende sociale verzekeringswetten wordt geregeld dat bepaalde besluiten van uitvoeringsinstanties aan goedkeuring van het Ctsvzijn onderworpen. Daarnaast beschikt het Ctsv echter over de mogelijkheid om op grond van artikel 15 aan te geven welke andere regelingen goedkeuring van het College behoeven. In dat opzicht beschikt het Ctsv dus ten opzichte van de uitvoeringsinstanties over ruime beleidsvrijheid. Anders dan de hier aan het woord zijnde leden blijkbaar veronderstellen is maar een beperkt aantal besluiten van het Ctsv onderworpen aan de goedkeuringsbevoegdheid van de minister. Dit betreft bijvoorbeeld de regels die het Ctsv stelt omtrent de toerekening van de uitvoeringskosten op grond van artikel 85, vijfde lid, van dit wetsvoorstel. De beleidsruimte van het Ctsv wordt door het goedkeuringsregime dus niet noemenswaardig ingeperkt.

2.3. Het Tljdelijk instituut voor coördinatie en afstemming De leden van de CDA-fractie constateren dat in een zeer laat stadium een principiële wijziging is aangebracht in hoofdstuk IV van het wetsvoorstel, waar het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib) vervangen is door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming (Tica). Zij vragen zich af of hieromtrent de nodige adviezen zijn ingewonnen en of deze wijziging gedragen wordt door de sociale partners. Door middel van de tweede nota van wijziging op het voorliggende wetsvoorstel (TK, 1993/94, 23141, nr.12) is het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen van naam veranderd, is een onafhankelijk voorzitter aan het bestuur toegevoegd en heeft het instituut een tijdelijk karakter gekregen. Het kabinet is van mening dat deze wijzigingen weliswaar een nadrukkelijke relatie hebben met beoogde principiële wijzigingen in de uitvoeringsorganisatie op de middellange termijn, maar dat deze wijzigingen op zichzelf niet van dien aard zijn dat de inhoud van het voorliggende wetsvoorstel een fundamentele wijziging ondergaan heeft. Hierdoor achtte het kabinet het dan ook niet noodzakelijk om opnieuw advies te vragen aan verschillende instanties en/of de sociale partners. Overigens zij op dit punt verwezen naar §1.2.

De hier aan het woord zijnde leden vragen of het niet problematisch is dat na twee jaar de werkzaamheden van dit instituut beëindigd worden.

De tijdelijkheid van het Tica, zoals tot stand gebracht door middel van de tweede nota van wijziging op het onderhavige wetsvoorstel, heeft met name betrekking op de bestuursvorm van dit instituut. Tot 1 januari 1997 zal het Ticabestuur bestaan uit een onafhankelijk voorzitter, en werkgevers-en werknemersvertegenwoordigers. Na die datum zal dit, afhankelijk van het resultaat van verdere besluitvorming, wellicht anders zijn. Het takenpakket van het Tica zal echter ook na realisatie van de definitieve uitvoeringsstructuur ergens (centraal) uitgevoerd moeten worden. Dat impliceert dat de bij het Tica opgebouwde expertise bewaard zal moeten blijven. Het beëindigen van de betrokken werkzaamheden is dan ook op 1 januari 1997 niet aan de orde.

De leden van de PvdA-fractie merken overigens in dit verband terecht op, dat dus ruim vóór 1 januari 1997 een wetsvoorstel gereed moet zijn dat voorziet in de gevolgen van het vervallen van hoofdstuk IV van de Organisatiewet, waarin de bepalingen omtrent het Tica zijn opgenomen.

In het tweede lid van artikel 118 van het wetsvoorstel is aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de verplichting opgelegd voor een dergelijk wetsvoorstel zorg te dragen.

De leden van de PvdA-fractie constateren voorts dat het Tica, naast een aantal sterk op de uitvoering betrokken taken, ook een adviseringstaak in de richting van de minister heeft. Zij menen dat een van de «manco's» van het oude systeem juist lag in de vertroebelende werking van de advisering door direct belanghebbenden. Zij vragen naar de reden om deze «mix» van taken te handhaven.

Het kabinet meent dat op dit punt sprake moet zijn van een misverstand. De adviserende taak, die het Tica in het wetsvoorstel wordt toegekend, heeft uitsluitend betrekking op uitvoeringstechnische aspecten van wet-en regelgeving. In de huidige OSV is deze taak opgedragen aan de SVr, die daarbij sterk leunt op de uitvoeringsinstanties, die immers de deskundigheid omtrent de uitvoering van de wet-en regelgeving in huis hebben. Het kabinet meent dat ook in de toekomst de uitvoerende instanties direct betrokken moeten zijn bij deze advisering. Dit leidt er logischerwijs toe dat uitvoeringstechnische advisering dientte geschieden door het Tica. Juist omdat in dit instituut degene die direct bij de feitelijke uitvoering vertegenwoordigd zijn, is uitvoeringstechnische advisering bij uitstek een taak voor het Tica.

De leden van de fractie van de PvdA vragen in dit verband tevens aandacht voor de positie van het Ctsv, het Tica en de minister ten opzichte van elkaar. Zij zijn van mening dat door de manier waarop de taken en bevoegdheden over deze instanties zijn verdeeld, gesproken kan worden van een sterk centralistisch model.

In reactie op deze opmerkingen van de leden van de PvdA-fractie hecht het kabinet eraan nog eens nadrukkelijk uiteen te zetten hoe de relatie tussen minister, Ctsv en Tica gezien moet worden. De voorgestelde relatie tussen het Ctsv en het Tica is tweeledig. Beide instanties hebben nadrukkelijk een eigen verantwoordelijkheid. Het Tica is de coördinerende instantie van de uitvoering van de sociale verzekeringen, zoals die door de bedrijfsverenigingen wordt gerealiseerd. Coördinatie is een wezenlijk onderdeel van de uitvoering en hoort dus niet bij de toezichthouder thuis. In die zin kan het Tica beschouwd worden als verzameling en coördinator van de bedrijfsverenigingen. Het Ctsv heeft als centrale taak het toezicht houden op de uitvoering van de sociale verzekeringen en de met de uitvoering belaste instanties. Daarmee strekt het toezicht van het Ctsv zich tevens uit over de activiteiten van het Tica. Uit hoofde van zijn taak is het Ctsv bevoegd het Tica te corrigeren en in dat opzicht is het Tica, zoals de leden van de PvdA-fractie terecht constateren, ondergeschikt aan het Ctsv. Het is echter niet juist, en op dit punt verschilt het kabinet met de hier aan het woord zijnde leden nadrukkelijk van mening, de verhouding Ctsv-Tica zonder meer door te vertalen naar de verhouding Ctsv-minister. Ook al beschikt de minister over een instrumentarium om de toezichthouder te corrigeren, het is de toezichthouder zelf die primair belast is met de toezichthoudende en sturende taak. Slechts in gevallen waarin sprake is van een duidelijke frictie tussen minister en Ctsv, die een directe relatie heeft met de verantwoordelijkheid van de minister voor de sociale zekerheid als geheel en voor de wetgeving, zal de minister overwegen van dit instrumentarium gebruik te maken. Om misverstanden te voorkomen hecht het kabinet eraan op dit punt een nadere uitleg te geven. De primaire verantwoordelijkheid voor de besluitvorming in elk concreet geval berust bij de uitvoeringsinstanties. De besluitvorming van de uitvoeringsinstanties in een reeks concrete gevallen kan evenwel leiden tot uitkomsten die uit een oogpunt van algemeen belang niet wenselijk

zijn. Dit kan de minister aanleiding geven tot het treffen van algemene bestuurlijke maatregelen. Deze maatregelen hebben veelal de vorm van regelgeving (wetgeving, al dan niet in formele zin) of van besluiten die berusten op regelgeving, bijvoorbeeld aanwijzingen van de minister aan het Ctsv. De minister is politiek verantwoordelijk voor het al dan niet nemen van dergelijke maatregelen. Het Ctsv is bij de uitvoering van zijn taken gebonden aan de regelgeving en verantwoordelijk tegenover de minister. Het Ctsv is ook gebonden aan eventuele aanwijzingen van de minister. Voorzover geen aanwijzingen aan het Ctsv zijn gegeven dient het Ctsv zijn taken zo goed mogelijk naar eigen inzichten uit te voeren zonder daarbij afhankelijk te zijn van de minister. Ik ben van mening dat, gelet op het voorafgaande, het beeld van een centralistisch model, waarin alle betrokken instanties ondergeschikt zijn aan de minister, aanzienlijke bijstelling behoeft. Het is dan ook stellig niet zo dat de minister op grond van art. 115 van het wetsvoorstel vergaande bevoegdheden zou hebben om alle instanties te overrulen indien hij van mening verschilt met de toezichthouder, of één van de uitvoerende instanties, zoals de leden van de PvdA-fractie suggereren. Met artikel 115 wordt niet meer beoogd dan de minister de mogelijkheid te bieden een oplossing te vinden in het geval waarin bepaalde instanties grof nalatig zijn en hun bij wet opgedragen taken ernstig verwaarlozen.

De leden van de PvdA-fractie vragen zich af wat de betekenis is van artikel 62 .

In artikel 62 wordt geregeld dat elke bedrijfsvereniging een reglement van werkzaamheden vaststelt waarin in elk geval wordt geregeld op welke wijze uitkeringsgerechtigden worden betrokken bij de besluitvorming omtrent de wijze waarop wetten ten aanzien van uitkeringsgerechtigden door bedrijfsverenigingen worden uitgevoerd. Door middel van deze bepaling wordt gewaarborgd dat cliënten worden betrokken bij de werkwijze van bedrijfsverenigingen met betrekking tot bijvoorbeeld de behandeling van verzoeken en aanvragen.

De leden van de D66-fractie vragen hoe de onafhankelijk voorzitter van het Tica zijn rol kan vervullen wanneer in een conflict binnen het bestuur zijn stem niet doorslaggevend is.

Ik meen dat de mate waarin de voorzitter van het Tica met succes zijn rol kan vervullen niet alleen afhankelijk is van de doorslaggevendheid van zijn stem. Deze voorzitter kan in geval van een conflict binnen het Ticabestuur ook een belangrijke bemiddelende rol spelen, waardoor de daadkracht van het bestuur kan toenemen. Overigens, (dit in reactie op een vraag van de leden van de PvdA-fractie terzake) is bij amendement (TK, 1993/94, 23141, nr. 15) in artikel 31, derde lid, aan de voorzitter van het Tica een eigenstandige taak toegekend met betrekking tot het regionaliseringsproces. Bij de toekenning van deze taak aan een van sociale partners onafhankelijke, op voordracht van Onze Minister benoemde voorzitter past niet dat deze taak tevens wordt toegekend aan andere bestuursleden van het Tica. Uiteraard wordt van de andere Ticabestuursleden medewerking aan het veranderingsproces verlangd. Hierop is hierboven al ingegaan (§ 1.2)

  • Fondsbeheer en uitvoeringskosten

De leden van de CDA-, PvdA-en D66-fractie hebben vragen gesteld over de taakafbakening tussen het Ctsv en het Tica in relatie tot het fondsbeheer. Met name de status van de verschillende fondsen en de positie van de controletaak zijn daarbij aan de orde.

Ingevolge artikel 36 onder d worden beheer en administratie van een aantal centrale fondsen opgedragen aan het Tïca. Dit betekent, zulks in antwoord op vragen van de leden van de PvdA-fractie, inderdaad dat deze fondsen als afzonderlijke rechtspersonen ophouden te bestaan en tevens dat de fondsbesturen ophouden te bestaan. Wel waarborgt artikel 69, eerste lid, dat het Tica elk fonds afzonderlijk beheert.

Uitgangspunt bij de nieuwe taakverdeling is dat een strikte scheiding gaat ontstaan tussen uitvoering en toezicht.

De taak van het Tica is onder meer het bevorderen van een gecoördineerde uitvoering. Hiermee is mede bedoeld coördinatie inzake wetsinterpretatie bij de uitvoering. In deze zin draagt het Tica zorg voor het bevorderen van een goede (en rechtmatige) uitvoering, doch hiermee wordt géén toezicht op een rechtmatige uitvoering bedoeid. De taak van het Tica is niet het toezien op een rechtmatige uitvoering, maar het mede bevorderen van een rechtmatige en doelmatige uitvoering door zorg te dragen voor coördinatie en afstemming. Indien zich verschillen in wetsinterpretatie voordoen dient het Tica dit te signaleren en hierover zonodig te adviseren aan de toezichthouder. Ten behoeve van een goede uitvoering van zijn taken zal het Tica zich derhalve goed moeten laten informeren door de uitvoeringsorganen. Hiertoe zijn regelgevende bevoegdheden aan het Tica toegekend. De verantwoordelijkheid van het Tica inzake rechtmatigheid van uitvoering is beperkt tot die van zijn eigen taken (denk hierbij in het bijzonder aan het financiële fondsbeheer, wijze van geldbeheer).

Wanneer blijkt dat afstemming en coördinatie tussen bedrijfsverenigingen achterwege is gebleven, dient het Ctsv het Tica daarop aan te spreken. Het toezicht op een juiste naleving van de wet-en regelgeving (inclusief de door de Tica gestelde regels) is een taak van het Ctsv, die hiertoe controle uitoefent. Dit is een essentieel verschil met de coördinerende taak van het Tlca: deze oefent geen (rechtmatigheids-) toezicht uit. Derhalve draagt het Tica ook géén verantwoordelijkheid voor de rechtmatigheid van de uitgaven: het Tica heeft «slechts» een kassiersfunctie (naast de coördinerende taken). In de strikte zin van kassier oefent het Tica een rekenkundige controle uit op de declaraties van de bedrijfsverenigingen, en gaat na of voldaan is aan declaratievoorschriften, waarna de declaraties door het Tlca betaald worden. Dit laatste in antwoord op een vraag van de leden van de D66-fractie, die vragen of het Ctsv de declaraties van de bedrijfsverenigingen gaat «fiatteren».

Het Tlca draagt verantwoordelijkheid voor een goede vervulling van de kassiersfunctie, overeenkomstig de hiertoe gestelde regels. Voor de goede orde merk ik nog op dat de verantwoordingsplicht van het Tica richting Ctsv ook bij de eerder gemelde invoeringswet nog aan de orde is.

De leden van de CDA-fractie vragen hierbij of de grote invloed van het Ctsv en het Tica op dit proces niet leidt tot een sterke inkrimping van de bewegingsvrijheid van de bedrijfsverenigingen. De activiteiten van het Ctsv en het Tica zijn er opgericht de randvoorwaarden te scheppen zodanig dat een doelmatige en rechtmatige uitvoering van de wetten kan plaatsvinden. Binnen deze randvoorwaarden en met het vooraf aan hen toegekende budget bestaat naar het inzicht van het kabinet voldoende ruimte om het eigen beleid van de bedrijfsverenigingen vorm te geven.

Ook ten aanzien van de feitelijke budgetvaststelling hebben de leden van de PvdA-fractie nog een aantal vragen. Het is inderdaad de bedoeling dat jaarlijks alle begrotingen van de uitvoeringsorganen worden beoordeeld en dat op basis van deze

begrotingen een budget wordt vastgesteld. Er zal derhalve geen sprake zijn van een verdeelsleutelsystematiek, zoals deze leden bij andere organisaties waarnemen. Het is noodzakelijk dat bij de beoordeling kengetallen beschikbaar zijn. In antwoord op een vraag van de PvdA-fractie kan worden vermeld, dat de SVr een toetsingsmodel uitvoeringskosten heeft ontwikkeld waar uniforme indicatoren en kengetallen deel van uitmaken. Deze zullen in de loop van 1994 beschikbaar komen. Onderdeel van deze indicatoren is ook het aantal personeelsleden in relatie tot de werkomvang. Geplaatst in een normeringskader dat in de loop van 1994 zal worden ontwikkeld, zal dit instrumentarium kunnen worden gehanteerd bij de vaststelling van de budgetten. In artikel 84 is vastgelegd dat de uitvoeringsorganen geen uitgaven mogen doen zodanig dat het totaal van het vastgestelde budget wordt overschreden. Wel is het mogelijk om af te wijken van de verschillende begrotingsposten zolang de totale kosten binnen het begrotingsbedrag blijven. Hiervoor is bewust gekozen door het kabinet om een zo flexibel mogelijke uitvoering mogelijk te maken zonder dat het totale kostenniveau wordt overschreden. Het spreekt voor zich dat bij deze verschuivingen de randvoorwaarden met betrekking tot rechtmatigheid in het oog dienen te worden gehouden.

Zoals door de leden van de PvdA-fractie wordt aangegeven, bestaat de mogelijkheid om in onvoorziene omstandigheden het budget tussentijds aan te passen. Hierbij moet ondermeer gedacht worden aan uitspraken van de beroepsrechter die onverwacht extra uitvoeringslasten met zich brengen of onverwachte wet-en regelgeving. Een verzoek hiertoe zal veelal uitgaan van de betreffende rechtspersoon. De budgetvaststellende instantie (Tica, Ctsv, de minister) kan echter ook, in geval van onvoorziene omstandigheden, zelf besluiten tot wijziging. De budgetten zullen worden bijgesteld naar aanleiding van een aanwijzing van het Ctsv gedurende het budgetjaar, indien deze aanwijzing betrekking heeft op een wijziging in het uitvoeringsproces waardoor het niveau van de uitvoeringskosten wordt beïnvloed. De leden van de PvdA-en D66-fractie stellen een aantal vragen over de procedure rond de vaststelling van de budgetten in het jaar 1995. Gezien de procedure die vooraf dient te gaan aan de budgetvaststelling (aanbieding van begrotingen door uitvoeringsorganen en dergelijke) en de rol die het Tica en Ctsv daarbij spelen, is het niet mogelijk dat reeds in 1995 wordt aangevangen met de budgettering. Daarbij speelt ook mee dat de interne bedrijfsvoering van de bedrijfsverenigingen er nog niet op gericht is om reeds voor 1 augustus 1994 een begroting voor het jaar 1995 op te stellen. De in de nOSV voorgestelde budgettering zal dan ook pas vanaf 1996 kunnen plaatsvinden. In 1995 zal derhalve de huidige procedure worden gecontinueerd waarbij de begroting van de uitvoeringsorganen aan de toezichthouder wordt voorgelegd en de uitgaven worden gecontroleerd op doelmatigheid en rechtmatigheid. Er zullen dan ook voor 1995 nog geen budgetten worden vastgesteld.

Ten aanzien van de verslaglegging worden door de leden van de PvdA-en D66-fractie vragen gesteld over de jaarrekening van het Tica (fondsen) en de bedrijfsverenigingen. In artikel 87 wordt gesproken over de verplichting voor het Tica en de SVb om de jaarrekening vast te stellen voor de verschillende fondsen. Dit betreft uitsluitend de fondsen die bij deze organen in beheer zijn. Hiertoe behoren niet de jaarrekeningen van de ziekengeld-en wachtgeldfondsen, die immers worden beheerd door de bedrijfsverenigingen (art. 58). Deze jaarrekeningen zullen dan ook niet volgens de bepalingen van art. 89 worden aangeboden aan de beide

Kamers der Staten-Generaal. Dit geldt wel voor de jaarrekeningen (en jaarverslagen) van de fondsen die door de bank en het Tlca worden beheerd. Overigens zullen deze jaarrekeningen gezamenlijk ter kennis worden gebracht van beide Kamers. Het is aan de Kamer om te beslissen of deze jaarrekeningen ook met het kabinet worden besproken. Dit laatste in antwoord op een vraag van de leden van de D66-fractie. Zoals de leden van de PvdA-fractie opmerken is in art. 87 bepaald dat de jaarrekeningen zowel van de bedrijfsverenigingen als van het Tica voor de afzonderlijke fondsen jaarlijks voor 1 juli moeten zijn vastgesteld. Zij vragen hierbij of dit geen probleem met zich brengt. Het is inderdaad zo dat een aantal gegevens van de bedrijfsverenigingen verwerkt dientte worden in dejaarverslagen opgesteld door het Tica. Naar de mening van het kabinet dient het Tica ruim vóór 1 juli de beschikking te hebben over de definitieve gegevens van de bedrijfsverenigingen zo dat zij toch in staat is de jaarrekening en het jaarverslag voor 1 juli vast te stellen. Het kabinet is zich bewust van het feit dat dit nadere afspraken vereist tussen de bedrijfsverenigingen en het Tica en tevens dat dit een versnelling inhoudt ten opzichte van het huidige tempo van verslaglegging. Uit het oogpunt van efficiënte monitoring en verbetering van het toezicht op het uitvoeringsproces acht het kabinet deze versnelling echter gewenst.

In dit verband vragen de leden van de PvdA-fractie aandacht voor de complexiteit van de financiële betrekkingen tussen het Tica en de bedrijfsverenigingen. Naar de mening van deze leden vereist dit een gedegen administratieve organisatie van het Tica. Zij verwijzen met name naar de korte tijd die nog rest voordat het administratieve systeem bij het Tica geëffectueerd moet zijn. Ik onderschrijf de noodzaak van gerichte aandacht voor deze complexe materie. Het is immers zo dat een dergelijk systeem noodzakelijk is om een goed fondsbeheer te kunnen voeren. Hierbij moet echter bedacht worden dat geen volledig nieuw systeem hoeft te worden ontworpen. Er kan immers gebruik worden gemaakt van de systemen die bij de centrale fondsen beschikbaar zijn. Daarbij is een voordeel dat in de nieuwe situatie de centrale fondsen zullen zijn ondergebracht bij het Tica en daardoor het aantal financiële stromen kan worden beperkt en hetfinancieel beheer beter kan worden gestroomlijnd.

De leden van de fractie van de PvdA betwijfelen of er een rechtsgrond bestaat voor de in art. 17, derde lid opgenomen «sanctiebepaling» bij het niet opvolgen van een aanwijzing van het Ctsv door de bedrijfsverenigingen. In artikel 17, eerste lid, is bepaald dat het College kan besluiten dat uitgaven van een bedrijfsvereniging die ten laste zouden komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Toeslagenfonds, onaanvaardbaar zijn en niet ten laste van deze fondsen worden gebracht, indien deze bedrijfsvereniging niet handelt overeenkomstig een aanwijzing van het College.

Indien deze mogelijkheid voor het College niet zou bestaan, zouden de onaanvaardbare uitgaven van een bedrijfsvereniging die haar verplichtingen niet nakomt altijd ten laste van genoemde fondsen komen en derhalve gecompenseerd moeten worden door de werkgevers en werknemers die zijn aangesloten bij andere bedrijfsverenigingen. Ik acht dit niet gerechtvaardigd. Een financiële incentive voor bestuurders die geen boodschap hebben aan een «richtige uitvoering» van de sociale verzekeringswetten is een noodzakelijk instrument. De (organisaties van) werkgevers en werknemers die zijn aangesloten bij andere bedrijfsvereni-

gingen kunnen immers op geen enkele wijze invloed uitoefenen op de bedrijfsvereniging die de onaanvaardbare uitgaven doet.

Te rechtvaardigen is dat de onaanvaardbare uitgaven worden gecompenseerd binnen de bedrijfstak waarin die uitgaven worden gedaan. De verantwoordelijkheid van het bestuur van de bedrijfsvereniging in die bedrijfstak wordt daarmee beklemtoond. De representatieve organisaties van werkgevers en werknemers, die de belangen van de bij de bedrijfsvereniging aangesloten werkgevers en werknemers behartigen, benoemen de leden van het bestuur van de bedrijfsvereniging. Deze organisaties kunnen in het niet nakomen van verplichtingen door het bestuur van de bedrijfsvereniging en de daaruit voor de aangesioten werkgevers en werknemers voortvloeiende lasten, aanleiding zien voor benoeming van andere bestuursleden. Op deze wijze kan worden tegengegaan dat het bestuur aanwijzingen van het College niet opvolgt en onaanvaardbare uitgaven doet. Verwacht mag worden dat de in artikel 17 geschapen mogelijkheid een preventieve werking zal hebben zodat niet of nauwelijks van deze mogelijkheid gebruik behoeft te worden gemaakt. De wachtgeldfondsen en ziekengeldkassen zullen dan niet of nauwelijks belast worden.

Deze leden achten een dergelijke systematiek ook strijdig met het principe van premiedifferentiatie in de ZW. Ik kan dit niet onderschrijven. Het systeem van premiedifferentiatie per werkgever leidt hier niet onder. Werkgevers met een hoog ziekteverzuim blijven een hogere premie betalen. In geval er sprake is van onrechtmatige uitgaven die ten laste worden gebracht van de ziekengeldkas van deze risicogroep zal dit leiden tot een verhoging van de totale premie maar niet op de differentiatie op zichzelf. De hier aan het woord zijnde leden stellen met betrekking tot artikel 17 voor «misbruik» of «oneigenlijk gebruik» van fondsen via een afzonderlijke sanctieregeling te beboeten. Hierbij zij opgemerkt dat de bedrijfsverenigingen slechts beschikken over de middelen die aanwezig zijn in de wachtgeldfondsen en de ziekengeldkassen, zodat de bedrijfsverengingen ook de via een afzonderlijke sanctieregeling opgelegde boete ten laste van de wachtgeldfondsen of de ziekengeldkassen zouden moeten brengen.

Door de leden van de PvdA-en D66-fractie worden vragen gesteld over het feitelijk beheer van de geldstromen. Deze vragen hebben betrekking op de bevoegdheid van het Tica om leningen aan te gaan en gelden tussen de verschillende fondsen uit te wisselen. Beide fracties spreken hun zorg uit over de rol van het Ctsv hierbij. Conform artikel 69 dient het Tica een voornemen om over te gaan tot leningen, onderling dan wel op de geldmarkt, voor te leggen aan het Ctsv. Het Ctsv dient voor deze activiteiten goedkeuring te verlenen. De leden van de PvdA-fractie zien het overigens juist dat ten onrechte wordt gesproken over de kapitaalmarkt. Gezien de duur van de leningen betreft het de geldmarkt. De bepalingen zijn opgenomen om een optimale toezichtstructuur te creëren en oneigenlijke danwel ondoelmatige aanwending van gelden te voorkomen. Toch zie ik wel in dat een efficiënt fondsbeheer sterk wordt belemmerd indien een besluit van de toezichthouder te lang op zich laat wachten. Gezien het verloop van de geldstromen is het immers noodzakelijk dat flexibel kan worden ingespeeld op een situatie waarin tijdelijke tekorten ontstaan. Vertraging in de besluitvorming leidt dan al snel tot kosten en een minder doelmatig uitvoeringsproces, waarmee het tegenovergestelde zou worden bereikt dan hetgeen door het kabinet wordt beoogd. Ik ben bereid te zoeken naar een oplossing, zodanig dat een optimale toezichtsstructuur gehandhaafd blijft, maar de mogelijke problemen in de praktijk worden weggenomen. Een mogelijkheid zou

kunnen zijn, het goedkeuringsvereiste voordat een lening wordt aangegaan te vervangen door een systeem waarbij het Ctsv vooraf richtlijnen opstelt en achteraf toezicht uitoefent op de toepassing van deze richtlijnen. Overigens zal via de Invoeringswet in artikel 69 het woord «kapitaalmarkt» worden vervangen door «geldmarkt».

Door de leden van de D66-fractie wordt gewezen op het gevaar van een mogelijk oplopend financieringstekort door een veelheid aan leningen door het Rijk aan het Tica. Het kabinet verwacht niet dat een situatie zal ontstaan waarin veelvuldig een beroep zal worden gedaan op het Rijk en acht het geschetste gevaar dan ook niet realistisch.

Door de leden van de VVD-en PvdA-fractie wordt ingegaan op premieadvisering en premievaststelling. Nadere toelichting wordt gevraagd over de rol van het Tica en de minister en het verschil met de huidige situatie. Met het voorstel in de nOSV wordt beoogd de huidige procedure rond de premiestelling te stroomlijnen. Inhoudelijk wordt geen wijziging aangebracht. De fondsbeheerder heeft en behoudt een belangrijke rol om vanuit financiële overwegingen te komen tot richtpremies. De minister behoudt de eindverantwoordelijkheid om uitgaande van deze richtpremies een oordeel te vormen over de feitelijk vast te stellen premiehoogtes. De leden van de VVD-fractie zien het goed dat in het nOSV-voorstel geen bepaling is opgenomen ten aanzien van de premievaststelling. Deze bepalingen blijven opgenomen in de verschillende materiewetten. Deze leden willen nader geïnformeerd worden over de premiebeslissingen gedurende de laatste tien jaar, waarbij is aangegeven of en waarom de bewindspersoon is afgeweken van het premiebesluit (advies) van het fondsbestuur. In bijlage II is dit overzicht weergegeven.

De leden van de VVD-fractie hebben uit het staatje op pagina 29 van de memorie van antwoord opgemaakt dat de index van de uitvoeringskosten SVb sinds 1988 enigszins schoksgewijs is gestegen. Zij vroegen een verklaring voor deze ontwikkeling. De uitvoeringskostenontwikkeling bij de SVb is beïnvloed door een tweetal incidentele kostenfactoren waardoor de schokken in 1989 en 1991 kunnen worden verklaard. In 1989 hangt dit met name samen met de uitvoering van de AWW (o.a. volume toename). In 1991 is het kostenniveau verhoogd door extra huisvestingslasten in verband met het in gebruik nemen van een tweede rekencentrum.

Een aantal vragen van de leden van de CDA-en D66-fractie heeft betrekking op de omvang en de kosten van het Ctsv en het Tica.

Het takenpakket van het nieuw in te stellen Tica zal voor een belangrijk deel bestaan uit taken die nu verspreid zijn over andere uitvoeringsinstanties (SVr, GMD en GAK). Het Ctsv zal belast worden met het houden van toezicht op de uitvoering. Een taak die nu bij de SVr is ondergebracht. Op grond van een nadere analyse van het aantal mensen dat op dit moment betrokken is bij de uitvoering van de verschillende taken, heeft het kabinet in §7.2 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel (TK, 1992/93, 23141, nr. 3) een schatting gegeven van het verwachte aantal medewerkers van het secretariaat van het Tica en het Ctsv en de daarmee gemoeide kosten. Tegen de achtergrond van de wijzigingen in het uitvoeringsproces (TZ/Arbo, WVG en dergelijke) die momenteel 1 isterinzagegeiegdophetcentraai worden geïmplementeerd zijn deze indicaties echter met de nodige informatiepuntondergriffienr. 11304 I.

onzekerheid omgeven. Het kabinet hoopt, nu het voorliggende

wetsvoorstel zich in een vergevorderde fase van behandeling bevindt, dat op korte termijn meer duideiijkheid zal ontstaan op dit punt.

De leden van de D66-fractie vragen hoe kan worden voorkomen dat de kosten van het Ctsv en Tica hoger uitkomen dan de huidige kosten van de SVr en FBV. Door een verschuiving van taken kunnen beide kostenniveaus niet zonder meer met elkaar worden vergeleken. Oogmerk is de uitvoering van de taken door de genoemde organen zo doelmatig mogelijk te laten verlopen. Om dit doel te bereiken zal gebruik worden gemaakt van het budgetteringsinstrument. Tevens vragen deze leden waar het budget vandaan komt, wanneer bij de instelling van het Ctsv en Tica, de SVr en FBV nog niet ontbonden zijn. Indien deze problematiek al aan de orde zou zijn, heeft zij betrekking op het jaar 1995. Er zullen in 1995 nog geen budgetten worden vastgesteld. De overgangskosten zullen derhalve deel uitmaken van het totaal van uitvoeringskosten.

  • Overige onderwerpen

De leden van de fracties van GPV, RPF, D66 en SGP vragen om een reactie op de brief van de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen d.d. 8 april 1994. De Vereniging maakt zich bezorgd over de gegevensverstrekking aan de aan haar verwante instellingen te weten de vutfondsen. Van de zijde van de vutfondsen zelf of van de uitvoerders van deze fondsen zijn zover mij bekend geen reacties op artikel 102 naar voren gebracht. De Vereniging stelt dat de formulering van artikel 102 kostenverhogend werkt en dat het fraude in de hand werkt.

Wellicht is het goed om eerst te wijzen op de huidige regeling in de wet. In artikel 50m van de OSV is geregeld dat instanties zoals vutfondsen, na schriftelijke machtiging door degene op wie de gegevens betrekking hebben, kunnen beschikken over de gegevens van de uitvoeringsinstellingen van de sociale verzekeringen. In het tweede lid van artikel 50m wordt geregeld dat de schriftelijke machtiging niet vereist is als het vutfonds wordt geadministreerd door een bedrijfsvereniging of het GAK.

In artikel 102 wordt aangesloten bij hetgeen nu reeds is geregeld in artikel 50m behoudens het feit dat de uitzonderingspositie voor vutfondsen die worden geadministreerd door bedrijfsverenigingen of het GAK is opgeheven. Op dit punt is namelijk sprake van een oneerlijk concurrentievoordeel voor het GAK en de bedrijfsverenigingen ten opzichte van de overige administratiekantoren. In de systematiek van artikel 102 worden alle vutfondsen gelijk behandeld. Voor een aantal vutfondsen kan dit leiden tot een stijging van kosten. Voor de overige treedt daar geen verandering in op, omdat zij altijd al met deze kosten werden geconfronteerd. In artikel 102 is er bewust voor gekozen om de privacybescherming van de verzekerden voorop te stellen. Dat dit een stijging van de kosten voor de vutfondsen met zich meebrengt weegt niet op tegen het belang dat wordt gehecht aan een zorgvuldige omgang met privacygevoelige gegevens.

Overigens vind ik het wenselijk dat een principiële bezinning plaats vindt op het gegevensverkeer tussen uitvoeringsinstanties van de sociale verzekeringen en overige instanties die regelingen uitvoeren die verwant zijn aan de sociale verzekeringen maar die geheel beheerst worden door de afspraken die werkgevers en werknemers zelf maken. De kern van het vraagstuk is namelijk dat enerzijds de roep om efficiënte en goedkope gegevensverstrekking zeer wel te begrijpen is en dat anderzijds de beschermende privacybepalingen uit de OSV en de nOSV nu eenmaal

niet voor niets zijn opgenomen. Daarnaast rijst de vraag welk onderscheidend criterium aangelegd moet worden om te bepalen welke instanties wel eenvoudig toegang tot de gegevens van de sociale verzekeringsinstanties mogen hebben en welke niet. Mag bijvoorbeeld een commerciële ziektekostenverzekeraar of een commerciële pensioenuitvoerder ook over deze gegevens beschikken, alleen omdat hij een wettelijke regeling uitvoert?

Ik ben voornemens op korte termijn aan dit belangrijke punt aandacht te besteden. De leden van de fractie van D66 constateren dat het voorliggende wetsvoorstel aan de uitvoeringsorganen formeel de taak geeft volumebeleid te voeren. Zij vragen zich af welke nieuwe bevoegdheden en instrumenten de uitvoeringsorganen tot hun beschikking hebben om deze taak ter hand te nemen.

Het voorliggende wetsvoorstel voorziet niet zozeer in een aantal nieuwe bevoegdheden en instrumenten voor de uitvoeringsinstanties. Dergelijke bevoegdheden, taken en instrumenten zijn expliciet, onder andere via recente wijzigingen (TAV, TZ/Arbo en TBA), in de diverse materiewetten opgenomen. Het voorliggende wetsvoorstel schept wel een beter organisatorisch kader waarbinnen de verschillende uitvoeringsinstanties hun instrumentarium voor het voeren van volumebeleid, op een effectievere wijze dan voorheen, aan kunnen wenden.

De opheffing van de GMD als zelfstandige organisatie draagt daaraan in belangrijke mate bij. Door het realiseren van een geïntegreerde gevals-behandeling worden de mogelijkheden aanzienlijk vergroot om een slagvaardig volumebeleid in het kader van de ZW, AAW en WAO te voeren. Daarnaast voorziet het wetsvoorstel in een belangrijke uitbreiding van de mogelijkheden tot samenwerking tussen de uitvoeringsinstanties aan de voet. De bedrijfsverenigingen en de arbeidsvoorzieningsorganisatie worden nadrukkelijk verplicht tot samenwerking. Ook van dit element van het wetsvoorstel mag verwacht worden dat het een positieve bijdrage levert aan het volumebeleid.

De leden van de PvdA-fractie stellen nog een aantal vragen met betrekking tot art. 115 van het wetsvoorstel.

Verplichtingen van het College worden in de Organisatiewet sociale verzekeringen en in andere wetten geregeld. Daarom is in artikel 115 de zinsnede «uit de wet voortvloeiende verplichtingen» opgenomen. Indien het College verplichtingen op grond van de Organisatiewet sociale verzekeringen of bijvoorbeeld een sociale verzekeringswet niet naar behoren nakomt, kan er aanleiding zijn met spoed bij algemene maatregel van bestuur voorzieningen met betrekking tot de positie van het College te treffen. De positie van het College is geregeld in de Organisatiewet sociale verzekeringen. Daarom is in artikel 115 bepaald dat tijdelijke voorzieningen zo nodig in afwijking van «deze» wet getroffen kunnen worden.

De bevoegdheid bij algemene maatregel van bestuur af te wijken van de wet ontmoette bij de Raad van State bezwaren indien deze maatregel van bestuur niet onverwijld wordt gevolgd door de indiening van een voorstel van wet dat de strijd met de op dat tijdstip vigerende wetgeving opheft. In het Nader Rapport heb ik opgemerkt dat ik mij met dit standpunt van de Raad kan verenigen. De artikelen 114 en 115 mogen daarom slechts de mogelijkheid van het treffen van tijdelijke voorzieningen openen. In artikel 114 is die tijdelijkheid duidelijk aangegeven. In artikel 115, tweede lid,

ontbreekt abusievelijk het woord «tijdelijk». Deze omissie zal worden hersteld. In de thans geldende Organisatiewet Sociale Verzekering is in artikel 41 aan de minister de bevoegdheid gegeven aanwijzingen aan de Sociale Verzekeringsraad te geven. Daarnaast is in artikel 45 van deze wet bepaald dat bij algemene maatregel van bestuur, voor zoveel nodig in afwijking van het bepaaldc in deze wet, voorzieningen kunnen worden getroffen voor het geval dat de Sociale Verzekeringsraad zijn uit deze wet voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt. Naast de aanwijzingsbevoegdheid bestaat aan de in dit artikel geschapen mogelijkheid behoefte in het geval dat de Sociale Verzekeringsraad onverhoopt zou weigeren de verplichtingen die voortvloeien uit een aanwijzing van de minister na te leven. Dezelfde reden ligt ten grondslag aan de in artikel 115 van de nOsv geschapen mogelijkheid naast de in de artikelen 11 en 16 geregelde aanwijzingsbevoegdheden. Overigens bevat ook de huidige Wet op de Sociale Verzekeringsbank (Wet SVb) een artikel op grond waarvan voorzieningen kunnen worden getroffen indien het bestuur van de SVb zijn taak niet naar behoren vervult.

De leden van de fractie van D66 stellen een aantal vragen met betrekking tot de bepalingen in het wetsvoorstel waarin het uitbesteden van de administratie door de bedrijfsverenigingen aan een uitvoeringsinstelling aan de orde is.

Artikel 57, eerste lid, luidt: De bedrijfsvereniging laat alle werkzaamheden met betrekking tot de voorbereiding en uitvoering van beslissingen van de bedrijfsvereniging omtrent prestaties en verschuldigde premies, op grond van een schriftelijke overeenkomst, verrichten door ten hoogste één uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 51. De in dit artikellid neergelegde verplichting deze werkzaamheden door een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 51 te laten uitvoeren, kan niet worden gelijkgesteld met het ontbreken van die verplichting. Uit artikel 57 vloeit voort dat «zelfadministreren» niet is toegestaan. De werkzaamheden moeten worden uitbesteed aan de uitvoeringsinstelling waarmee een schriftelijke overeenkomst moet worden gesloten. Werkzaamheden uitbesteden aan 0 uitvoeringsinstellingen of een schriftelijke overeenkomst sluiten met 0 uitvoeringsinstellingen is niet mogelijk.

Indien een rechtspersoon op grond van artikel 51 zou worden erkend als de uitvoeringsinstelling «DETAM» dan kan de bedrijfsvereniging DETAM haar werkzaamheden op grond van een schriftelijke overeenkomst als bedoeld in artikel 57 laten verrichten door deze uitvoeringsinstelling. Personeelsleden van de bedrijfsvereniging DETAM zouden in dienst kunnen treden bij de uitvoeringsinstelling DETAM.

Terecht merken de leden van de PvdA-fractie op dat artikel 1, onderdeel h, onder 2°, moet verwijzen naar artikel 72 in plaats van naar artikel 76 van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In de Invoeringswet zal een wijzigingsbepaling worden opgenomen teneinde dit recht te zetten.

De leden van de fractie van de PvdA zijn benieuwd naar een overzicht van de mate waarin de verschillende uitvoeringsinstanties nu reeds verspreid zijn over de RBA-regio's. Bijlage III geeft hiervan een overzicht.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, J.Wallage 1 Is ter inzage gelegd op het Centraal Informatiepunt onder griffienr. 11304 I.

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.