Voorlopig verslag van de vaste commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 266a

23141

De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen Samenstelling: Van Gijzen (CDAI, Van der Meulen (CDA), voorzitler, Rongen (CDA), Jaarsma-Buijserd (PvdA), Van de Zandschulp (PvdA), Gelderblom-Lankhout (D66), Soetenhorst-de Savornin Lohman (D66), Heijmans (VVD), Van Leeuwen-Schut (VVD), Bolding (GroenLinks), Barendregt (SGP), Schuurman (RPFI en Veling (GPV).

VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID Vastgesteld 21 april 1994

Het voorbereidend onderzoek gaf aanleiding tot het formuleren van de volgende opmerkingen en vragen.

De leden van de CDA-fractie hadden met belangstelling en een grote mate van instemming kennis genomen van het voorliggende wetsvoorstel, dat met name betrekking heeft op: -een geïntegreerde gevalsbehandeling door het samentrekken van GAKenGMD; -een onafhankelijk toezicht op de uitvoering van de werknemersverzekeringen; -een duidelijke structuur voor de beheersing van de kosten. Het wetsvoorstel gaf hen aanleiding tot het stellen van de volgende vragen. Zo vroegen zij of uit de zesde kwartaalrapportage over het samen gaan GAK/GMD d.d. februari jl. de conclusie kan worden getrokken dat zij op de goede weg zijn dan wel of de staatssecretaris een andere mening is toegedaan. Zijn er nog knelpunten -kwantitatieve of kwalitatieve -die opgelost kunnen worden binnen het kader van de huidige wetgeving of moet voor een verdere integratie gewacht worden op deze nieuwe wettelijke regeling?

Is er verband tussen deze ontwikkelingen en de brandbrief van de hoofddirecteur W. Boersma aan de regiodirecteuren van het GAK over de grote achterstand in de keuring van arbeidsongeschikten?

De noodzaak van een onafhankelijktoezicht, los van de invloed van sociale partners, onderschreven deze leden. Wel stelden zij de vraag waarom tot een nieuw orgaan was besloten. Om welke reden is de suggestie, door de RCO gedaan met onderbrenging bij bijv. de Algemene Rekenkamer of de Verzekeringskamer, niet opgevolgd? Is het voorts de bedoeling dat het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv) zich zeer gedetailleerd gaat bezig houden met de uitvoering of is er meer sprake van een marginale toetsing?

412998F ISSN 09217363 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1994

Welke bevoegdheid ontvangt/behoudt de minister om in te grijpen in het beleid van het Ctsv of is er sprake van een werkelijk onafhankelijk toezicht los van de bemoeienis van de minister? Mede gelet op de inzichten die bestaan omtrent het overdragen van de werknemersverzekeringen aan de sociale partners bevreemdt het enigermate dat deze alleen invloed uit kunnen oefenen op de «bemensing» van dit College via de Sociaal Economische Raad. Was een directere beïnvloeding via de Stichting van de Arbeid geen betere oplossing geweest? Is overwogen -met behoud van de absolute onafhankelijkheid van de leden van dit College -de sociale partners een grotere rol te laten spelen bij de benoeming?

Welke besluiten, door dit College te nemen, vallen onder het goedkeuringsregiem ex: art.140/105 enz.? Heeft deze bijna limitatieve opsomming niet tot gevolg dat het College zelf weinig beleidsruimte krijgt daar uiteindelijk de minister alle touwtjes in handen heeft?

De leden van de CDA-fractie constateerden dat wel in een zeer laat stadium de toch wel principiële wijziging werd aangebracht in hoofdstuk IV, waar het gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen vervangen werd door het Tijdelijk instituut voor coördinatie en afstemming. Zijn hieromtrent de nodige adviezen ingewonnen? Is bijv. onderzocht of een dergelijke wijziging gedragen wordt door de sociale partners? Uit hoeveel medewerkers zal deze Tlca bestaan en geeft het geen problemen dat na 2 jaar de werkzaamheden beëindigd worden? In de toelichting op deze wijziging staat «Het is nadrukkelijk de bedoeling dat een proces op gang komt, dat voor de «uitvoering aan de voet» leidt tot een beweging van sectorale verantwoordelijkheden naar regionale verantwoordelijkheden op de schaal die nu al geldt voor de RBA's. Het Tica is de geëigende instantie om die beweging de komende jaren in gang te zetten en te houden». Reeds nu bereiken deze leden signalen dat verschillende werkgevers-en werknemersorganisaties afwijzend staan ten opzichte van deze regionalisering. Enerzijds mag er van worden uitgegaan dat vertegenwoordigers van werkgevers-en werknemersorganisaties een eenmaal aanvaarde wet zullen uitvoeren, maar anderzijds is het niet denkbeeldig dat bepaalde onderdelen, met name de regionalisering, met «gepaste tegenzin» ter hand zullen worden genomen. Ziet de staatssecretaris dit dilemma? Zo ja, hoe denkt hij daar in de praktijk mee om te gaan?

De leden van de CDA-fractie hadden begrepen dat zal worden gestart op basis van de huidige 28 regio's, maar dat het na de evaluatie mogelijk is dat het aantal regio's drastisch zal worden verminderd. Kan dit tot gevolg hebben dat opnieuw een grote reorganisatie gaat plaatsvinden? In dezelfde toelichting wordt verwezen naar het komende, intussen bekende adviesaanvraag aan de SER. In de toelichting staat dat het niet gaat over de vraag of deze beweging moet worden gemaakt, maar hoe. Ligt het niet meer voor de hand dat een bij uitstek beleidsorgaan als de SER zich wel over deze zaak zal uitspreken en zich niet bezig zal houden met de vraag hoe dat technisch moet? Kan voorts een indicatie worden gegeven wanneer de SER met zijn advies komt?

De leden van de CDA-fractie deelden de opvatting dat een beter fondsbeheer een goede beheersing van de uitvoeringskosten en een goede verslaggeving een besliste noodzaak is. Vanuit uitvoeringsorganisaties wordt de stelling verkondigd dat de bewegingsvrijheid om zelfstandige beslissingen te nemen sterk wordt ingekrompen door de grote invloed die Ctsv en Tica op het uitvoeringsbeleid krijgen waardoor een slagvaardig beleid niet mogelijk is. Graag ontvingen deze leden een reactie van de staatssecretaris.

De leden van de fractie van de PvdA hadden met grote interesse kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. De wetsgeschiedenis tot nu toe riep bij hen enkele vragen op van meer principiële aard. Daarnaast zouden zij het op prijs stellen wat meer helderheid te verkrijgen over de doelmatigheid en uitvoerbaarheid van de in dit wetsvoorstel vervatte wijzigingen in relatie tot het beoogde veranderingstraject. En passant gingen zij in op enkele wettechnische aspecten die in de voorafgaande behandeling van het wetsvoorstel niet aan de orde waren geweest. De leden van de PvdA-fractie hadden geconstateerd dat het negatieve advies van de Raad van State onder meer werd onderbouwd met de perceptie dat, ondanks het feit dat het wetsvoorstel er volgens het kabinet slechts toe strekte de meest urgente knelpunten in de uitvoering van de sociale verzekeringen op te lossen, er de facto een nieuwe uitvoeringsorganisatie werd gepresenteerd en dat er sprake was van een onomkeerbaar proces. Mede op basis hiervan hechtte de Raad het predikaat «onzorgvuldig» aan de adviesprocedure. De aan het woord zijnde leden hadden vervolgens geconstateerd dat nagenoeg alle fracties in de Tweede Kamer in de eerste ronde van de schriftelijke voorbereiding de zienswijze van de Raad van State onderschreven en van mening waren dat wel degelijk de hoofdstructuur van de uitvoeringsorganisatie aan de orde was. Het kabinet persisteerde in de memorie van antwoord bij het eerder ingenomen standpunt: «discussie over de fundamentele wijzigingen van de uitvoering valt buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel». Nadat de Tweede Kamer had gediscussieerd over de uitkomsten van het onderzoek van de parlementaire enquêtecommissie en twee moties had aanvaard die naar de zienswijze van de leden van de fractie van de PvdA aanzienlijk verder gaan dan «de meest urgente knelpunten», werd mede op basis hiervan het wetsvoorstel via nota van wijziging op onderdelen aangepast. Deze leden vroegen of de staatssecretaris met hen van oordeel is dat hiermee de eerder gehanteerde argumentatie om het «onzorgvuldigheidsargument» van de Raad van State te pareren in feite werd geëlimineerd. In de adviesaanvrage aan de SER, «Van sectorale naar regionale uitvoering van de werknemersverzekeringen», van 23 maart 1994 immers wordt de structuur «aan de top», zoals neergelegd in dit wetsvoorstel, nadrukkelijk gekoppeld aan dete bereiken structuur «aan de voet». Met andere woorden: het wetsvoorstel markeert in dit licht bezien wel degelijk het begin van een «onomkeerbaar proces» (een eerder door het kabinet bestreden zienswijze van de Raad van State). Het wetsvoorstel heeft nu (ook) een instrumenteel karakter gekregen ten behoeve van een veranderingsproces, terwijl het «slechts» bedoeld was om de meest urgente knelpunten op te lossen. Zij hadden bovendien geconstateerd dat in de laatste fase van de behandeling van dit wetsvoorstel in de Tweede Kamer met geen woord meer werd gerept over dit door de Raad van State benadrukte zorgvuldigheidsaspect van het wetgevingsproces. De aan het woord zijnde leden erkenden volledig het recht van kabinet en Tweede Kamer om -buiten het kader van de procedure van dit wetsvoorstel -verworven inzichten alsnog in wetgeving te vertalen. Zij vroegen echter of het aldus vormgeven aan het «politieke primaat» niet leidttot aantasting van de zorgvuldigheidseis die aan het wetgevingsproces moet worden gesteld. Het wetsvoorstel is immers lopende de rit op essentiële punten gewijzigd en van bedoeling veranderd zonder dat adviesorganen (ook de verplichte) in de gelegenheid werden gesteld erop te reageren. In dit verband zouden zij een beschouwing van de staatssecretaris in retrospectief op prijs stellen, waarbij zij met name geïnteresseerd waren in de meer algemene vraag hoe dergelijke «gebeurtenissen» tijdens het wetgevingsproces zich verhouden tot het rechtzekerheids-/ vertrouwensbeginsel. De leden van de fractie van de PvdA hadden er kennis van genomen dat, waar er een grote meerderheid bestond in de Tweede Kamer ten aanzien van de toekomstige vormgeving van de uitvoering van het stelsel van sociale verzekeringen, die consensus over de toekomstige inhoud van dat stelsel, zoals gepresenteerd in het rapport van de enquêtecommissie, veel minder bestond. Zij voorzagen dat er een discongruentie zal gaan optreden tussen de wetgeving ter zake van de vormgeving van de uitvoeringsorganisatie en de inhoudelijke materie. Op zichzelf behoeft dit geen onoverkomelijk probleem te zijn, hoewel de logica anders voorschrijft. Zij dachten echter dat de stelling van het kabinet, zoals betrokken in de adviesaanvrage aan de SER, «dat de voorgestelde uitvoeringsstructuur naar de mening van het kabinet geschikt is voor de uitvoering van het publieke deel, ongeacht de materiële inhoud ervan», te luchthartig was en aan de samenhang tussen vorm en inhoud voorbijgaat. De voorgestelde regionalisering -die de instellingen die in het onderhavige wetsvoorstel in het leven worden geroepen, moeten voorbereiden -heeft hun hartelijke instemming. Echter, al in de adviesaanvrage wordt duidelijk hoezeer materiële inhoud en vormgeving van de uitvoering samenhangen, bijvoorbeeld in complicerende factoren als premiedifferentiatie of de woonwerkproblematiek. Zij dachten dat de hoofdopgave zou moeten bestaan uit een combinatie van èn behoud van de «sterke» kanten van het bedrijfstakgewijze organisatiemodel èn de gewenste regionale uitvoeringspraktijk. Aangezien dit wetsvoorstel mede bepalend is voor de uiteindelijke vormgeving van de uitvoering en derhalve vooruitloopt op de inhoud van het stelsel, zouden zij een nadere bewijsvoering voor de stelling dat inhoud en vorm zonder bezwaar kunnen worden gescheiden, op prijs stellen. Vervolgens wilden deze leden enkele vragen stellen over de doelmatigheid en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel. Zij hadden geconstateerd dat een aantal meer technische aspecten bij de behandeling in de Tweede Kamer niet of nauwelijks aan de orde waren geweest en maakten van de gelegenheid gebruik hierop alsnog in te gaan. Het meest in het oog springend is het Tica, waarvan het bestaan via een «ingeamendeerde» horizonbepaling is gelimiteerd tot 1 januari 1997. Alvorens op de verschillende taken van het Tica in te gaan vroegen deze leden of het juist is dat dus ruim vóór deze datum een nieuw wetsvoorstel bij de Tweede Kamer moet zijn ingediend. Zij vroegen bovendien welke voorbereidingen reeds zijn getroffen voor een «vliegende start» van dit instituut. Is de afzonderlijke wetgeving met betrekking tot invoerings-en overgangsrecht en de noodzakelijke wijziging in de materiewetten al klaar? Zijn er al concept-statuten? Wordt er reeds gewerkt aan een primitieve raming voor de uitvoeringskosten, zodat de definitieve begroting 1995 vóór 1 augustus 1994 aan het Ctsv kan worden gezonden (art. 79, tweede lid)? Wie keurt deze begroting goed indien het Ctsv niet tijdig operationeel is? De wettekstten aanzien van de begrotingsaanbieding (art. 72) kent, in tegenstelling tot de budgetvaststelling (art. 82), geen «escapeartikel» (art. 84). Wat zijn de consequenties indien het Tïca niet komt met een begrotingsaanbieding vóór 1 augustus 1994? Is de opzet van een financieel beheersreglement en -systeem met betrekking tot de geldelijke betrekkingen tussen het Tica en de bedrijfsverenigingen al gereed? Wanneer kan het operationeel zijn? Deze vragen -er zijn er meer -hebben alle betrekking op de «aanloopperiode» van het Tica. Afhankelijk van de antwoorden kan bepaald worden hoeveel tijd nog van de beschikbare periode tot 1 januari 1997 moet worden afgetrokken om de daadwerkelijke operationele periode vast te stellen. De aan het woord zijnde leden zouden hierin graag enig inzicht verwerven in verband met de beoordeling van de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel. De taken van het Tica zijn omschreven in artikel 36 en gepreciseerd in artikel 37. Wat deze leden opviel was dat hierin niet is opgenomen de bij amendement in artikel 31, derde lid toegevoegde taak van de voorzitter met betrekking tot het regionaliseringsproces. Weliswaar suggereert artikel 37, eerste lid de bevordering van de fysieke spreiding van de bedrijfsverenigings/uitvoeringskantoren, maar dit dekt maar voor een zeer gering deel het in artikel 31, derde lid bedoelde veranderingsproces. Overigens waren deze leden benieuwd naar een overzicht van de mate waarin de betreffende gedeconcentreerde kantoren thans al zijn gespreid over de 28 RBA-regio's. Het was voor hen de vraag in hoeverre het veranderingsproces dat moet leiden tot regionalisering van de uitvoeringsorganisatie nu wel of niet een taak is van het gehele Ticabestuur, dan wel een exclusieve taak van de voorzitter. Zij hadden kennisgenomen van de discussie terzake in de Tweede Kamer (Handelingen p. 3602 en 3606), maar constateerden dat in de adviesaanvrage aan de SER in de taakomschrijving van het Tlca weer ni'et gerept wordt over het veranderingsproces als expliciete taak van het Tlca-alsgeheel. Deze kwestie is niet zonder betekenis, aangezien artikel 31, derde lid bepaalt dat de voorzitter rechtstreeks rapporteert aan de minister. Het is dan wel van belang te weten of dit communicatie met of zonder draagvlak vanuit het bestuur betreft.

Ook was deze leden niet duidelijk of dit wetsvoorstel nu ondubbelzinnig opdracht geefttot het regionaliseringproces zoals omschreven in de adviesaanvrage. In artikel 63 wordt de bedrijfsverenigingen opgedragen samen te werken met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie teneinde de inschakeling van uitkeringsgerechtigden in het arbeidsproces te bevorderen. De wettekst schrijft echter niet voor dat dit op regionale schaal dient te gebeuren (hoewel dit wel voor de hand ligt). In dit verband is niet duidelijk op welk onderdeel van de wettekst het kabinet zich beroept als het in de adviesaanvrage stelt «dat [in de nOSV] de bedrijfsverenigingen de verplichting is opgelegd tot regionale samenwerking met de Arbeidsvoorzieningsorganisatie» (getypte tekst p. 4). Aangezien het regionaliseringsproces zo'n centrale plaats inneemt, ook in dit wetsvoorstel, zij het minder expliciet dan uit de mondelinge gedachtenwisseling in de Tweede Kamer en uit de adviesaanvrage zou kunnen worden afgeleid, zouden de aan het woord zijnde leden het op prijs stellen terzake een heldere uiteenzetting te krijgen.

Terecht stelt de memorie van toelichting op pag. 80 dat tussen bedrijfsverenigingen en het Tica een complex netwerk van financiële betrekkingen zal bestaan. Dit stelt hoge eisen aan de inrichting en de systematiek van het administratieve beheerssysteem. Dit systeem zal tevens steeds een actueel inzicht moeten bieden in de relatietussen ramingen en realisatie, bijvoorbeeld in verband met de in artikel 75 voorgeschreven maandelijkse overzichten. Gezien de korte tijd die het Tica gegeven is om een groot complex aan taken tot een goed einde te brengen vroegen deze leden naar de huidige stand van de automatisering en de compatibiliteit van systemen als beschikbare «hardware» voor de beoogde inhoudelijke coördinatie en afstemming. Het zou niet voor de eerste keer zijn dat «goede doelen» achter de einder verdwijnen als gevolg van het feit dat automatiseringsprocessen weerbarstiger zijn dan voorzien of gehoopt. Overigens bepaalt artikel 19 dat het College van toezicht sociale verzekeringen regels kan stellen ten aanzien van de administratie en de administratieve organisatie. Deze leden namen aan dat van deze bevoegdheid slechts gebruik zal worden gemaakt indien het Tica zijn administratieve organisatie niet behoorlijk heeft ingericht. Ingeval deze bevoegdheid ruimer geïnterpreteerd zou worden, achtten deze leden uitvoering van de taakopdracht van het Tica, gezien de beperkte periode, volstrekt illusoir.

Ingevolge artikel 36 sub d worden beheer en administratie van de centrale fondsen opgedragen aan het Tica. Betekent dit ook dat de afzonderlijke rechtspersonen ophouden te bestaan? Zo nee, worden de fondsbesturen dan ondergeschikt aan het bestuur van het Tica en zijn zij gehouden ook aanwijzingen die beheer en administratie te boven gaan op te volgen? Wat is de meerwaarde van de premieadvisering (door de fondsbesturen of door het Tica?), die via de (geïntegreerde?) begroting van het Tica en het Ctsv uiteindelijk de minister bereikt, ten opzichte van de huidige situatie?

Is het waar dat de huidige controlerende bevoegdheden van de fondsen worden overgeheveld naar de Ctsv? Betekent dit dat het Tica, als beheerder van de fondsen, niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor de rechtmatigheid van de afdrachten aan en declaraties bij het Tica? Of krijgt het Tica de toezichthoudende taken die thans bij de fondsen berusten? Zo ja, hoe verhoudt zich dat dan met de in het wetsvoorstel gepropageerde strikte scheiding tussen toezicht en beheer?

(Is de verwijzing ten aanzien van het Arbeidsongeschiktheidsfonds in artikel 1, sub h, 2e, naar de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering artikel 76 overigens juist? Moet dit laatste niet zijn artikel 72?) De cash flow tussen de fondsen onderling alsmede eventuele leningen ter compensatie van tijdelijke tekorten worden geregeld in artikel 69. Deze leden dachten overigens dat in de memorie van toelichting ten aanzien van het achtste lid van dit artikel ten onrechte wordt gesproken over leningen op de kapitaalmarkt. Aangezien het gaat om in beginsel kortlopende leningen van maximaal een jaar, dachten zij dat bedoeld zal zijn de geldmarkt, gezien de aard van de kredieten. Voor een geldlening door een fonds is in de toekomst een voorafgaand besluit nodig van het Ctsv, terwijl de minister regels kan stellen terzake. Ten opzichte van de huidige situatie betekent dit een extra schakel in het proces. Wat is de meerwaarde hiervan en wordt hierdoor een soepele uitvoering van het betalingsverkeer niet belemmerd?

Een overeenkomstige vraag doet zich voor waar het gaat om de verplichtingen met betrekking tot de rekeningcourantverhouding tussen fondsen en uitvoeringsorganisaties. Ingevolge artikel 77 stelt de Ctsv regels over de rekeningcouranttussen Tica en bedrijfsverenigingen, terwijl het Tica regels kan stellen over de maandelijkse overzichten van ontvangsten en uitgaven van de uitvoeringsorganen (artikel 75). Het kwam deze leden voor dat door deze ingewikkelde systematiek de doorzichtigheid en flexibiliteit niet worden bevorderd. Ook met betrekking tot de budgettering van uitvoeringskosten kwam hen de in het wetsvoorstel neergelegde getrapte procedure onhelder en nodeloos ingewikkeld voor. Aangezien dit een breder probleem betreft kwamen zij daarop afzonderlijk terug.

De leden van de fractie van de PvdA betwijfelden of er een rechtsgrond bestaat voor de in artikel 17, derde lid opgenomen vormgeving van een «sanctiebepaling» bij het niet opvolgen van een aanwijzing van het Ctsv respectievelijk het oneigenlijk gebruik van fondsen. De bedoeling is helder: oneigenlijke of lichtvaardige uitgaven ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Toeslagenfonds worden niet-declarabel verklaard en dienen gecompenseerd te worden door lastenverzwaring voor de bij de betreffende bedrijfsvereniging aangesloten werkgevers en werknemers. Artikel 17, derde lid bepaalt dat de onaanvaardbaar verklaarde uitgaven gefinancierd moeten worden uit bijvoorbeeld de wachtgeldfondsen of de ziekengeldkassen. De aan het woord zijnde leden achtten de rechtsgrond hiervoor echter niet of nauwelijks aanwezig. Immers, aldus worden de wachtgeldfondsen en ziekengeldkassen (die ieder hun wettelijke basis vinden in respectievelijk artikel 102 WW en artikel 63 ZW) oneigenlijk gebruikt, namelijk om onrechtmatig gebruik van andere delen van de sociale zekerheid te compenseren. Een aldus, kunstmatig, bewerkstelligde premieverhoging staat huns inziens ook haaks op wat bijvoorbeeld met de premiedifferentiatie in de ZW wordt beoogd: het leggen van een nauwere en effectievere relatie tussen gerealiseerd ziekteverzuim en te betalen premiehoogte. Deze leden dachten dat het aanbeveling zou verdienen «misbruik» of «oneigenlijk gebruik» van fondsen via een afzonderlijke sanctieregeling te beboeten, zonder te treden in de systematiek die aan andere delen van de sociale verzekeringswetgeving ten grondslag ligt.

De leden van de fractie van de PvdA constateerden voorts dat het Tica, naast een aantal sterk op de uitvoering betrokken taken (door de wetsgeschiedenis hebben deze taken een sterker accent gekregen: aansturen van een reorganisatieproces is de facto sterk uitvoeringsgericht), ook een adviseringstaak naar de minister heeft. Een van de «manco's» van het oude systeem bestond juist uit de vertroebelende werking van de advisering door direct belanghebbenden. Wat is de reden, zo vroegen zij, waarom deze «mix» van taken is gehandhaafd? Was het niet logischer en doorzichtiger geweest om de Tïca-adviesfunctie te beperken tot die richting Ctsv?

Deze vraag leidde de aan het woord zijnde leden tot een verdere opmerking over de taak-en verantwoordelijkheidsverdeling. Het leidend beginsel is een strikte scheiding tussen toezicht en uitvoering. Het toezicht op de uitvoering is opgedragen aan de Ctsv. Het lijkt derhalve logisch dat in dit College bij KB benoemde onafhankelijke leden zitting hebben. Het eerste «schoonheidsfoutje» in dit opzicht, dachten deze leden, is aan te treffen in artikel 5. Aangezien deze kwestie al aan de orde kwam tijdens de behandeling in de Tweede Kamer beperkten zij zich tot de vraag: waarom wordt alleen bij tussentijdse benoeming de SER om advies gevraagd (artikel 5 refereert alleen aan artikel 4, vierde lid)? Wordt bij reguliere benoeming (bijvoorbeeld bij benoeming van het eerst aantredende College) de SER nfet geraadpleegd? Vervolgens wordt in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 12 aangegeven dat het College een Commissie informatievoorziening kan instellen, waarin ook vertegenwoordigers van uitvoeringsorganen zitting hebben. Artikel 9, het algemene artikel dat de instelling van commissies mogelijk maakt, bevat geen beperkingen terzake, zodat de aan het woord zijnde leden concludeerden dat in alle commissies van het College derhalve vertegenwoordigers van de uitvoeringsorganen zitting kunnen hebben. Hoe verhoudt zich dit nu, zo vroegen zij, met de beoogde strikte scheiding tussen toezicht en uitvoering?

Ook ten aanzien van het Tica is, zoals reeds opgemerkt, de verdeling van taken niet helder. Enerzijds krijgt de coördinerende taak van het Tica sterk toezichtachtige trekjes, anderzijds heeft het Tica een adviesfunctie naar de minister. Het «aanwijzingensysteem» (artikelen 11 en 16) wekt sterk de indruk dat de minister de lachende derde is. De minister kan aanwijzingen geven aan het College wat betreft de aan het College opgedragen taken (artikel 11). Het College kan aanwijzingen geven aan de Bank, het Tica, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen (artikel 16). Alle aanwijzingen hebben een verplichtend karakter. Daarnaast geeft artikel 115 de minister nog eens vergaande bevoegdheden om alle gremia te overrulen, met terzijdestelling van de wet. Tot de taak van het College behoort het houden van toezicht op de Bank, hetTica, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen (artikel 12). Tot de taak van (bijvoorbeeld) het Tlca behoort het bevorderen van een goed gecoördineerde uitvoering van de sociale verzekeringswetten door de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen (artikel 36). Deze leden ontwaarden hierin een sterk centralistisch model en dachten dat de minister in feite aanstuurt of, via aanwijzingen, in ieder geval de mogelijkheid daartoe heeft. Slechts de besluitvorming betreffende individuele verzekerden, uitkeringsgerechtigden of werkgevers is daarvan uitgezonderd. Deze vindt op werkvloerniveau plaats. (Wat is trouwens de betekenis, in deze constellatie, van artikel 62 waarin wordt bepaald dat uitkeringsgerechtigden betrokken moeten worden bij de besluitvorming omtrent de wijze waarop wetten ten aanzien van uitkeringsgerechtigden door de bedrijfsvereniging worden uitgevoerd?) Moet hieruit nu afgeleid worden dat de regionalisering waarover het advies aan de SER is gevraagd uitsluitend op het «werkvloerdeel» van het takenpakket van de totale uitvoeringsorganisatie van de sociale zekerheidswetten betrekking heeft? Heeft de aan de SER voorgelegde vraag over de vormgeving (óf het één-orgaanmodel óf één landelijk en 28 regionale publiekrechtelijke organisaties) dan nog wel realiteitswaarde? Of bestaat de mogelijkheid dat de in de nOSV vastgelegde structuur «aan de top» alsnog ingrijpende verandering ondergaat? De aan het woord zijnde leden hadden uit het wetsdossier tot nu toe niet die indruk gekregen. De leden van de PvdA-fractie hadden ook nog enkele vragen over het financieel beheerssysteem. Artikel 7a schrijft voor dat jaarlijks vóór 1 augustus een begroting van de uitvoeringskosten wordt voorgelegd door Ctsv aan de minister, door Bank en Tica aan de Ctsv, en door bedrijfsverenigingen aan het Tica. Eerder vroegen deze leden er al naar hoe de imperatieve bepalingen in de artikelen 79 en 82 met betrekking tot de begrotingsaanbieding en budgetvaststelling zich verhouden met de in artikel 84 opengelaten mogelijkheid dat de budgetvaststelling niet voor 1 januari van het kalenderjaar is geschied. De budgetvaststelling dient regulier te gebeuren voor 1 december. Artikel 84 bepaalt dat Ctsv, Bank, Tica en bedrijfsverenigingen geen verplichtingen mogen aangaan die het voor hen vastgestelde budget overschrijden. Dit nu lijkt een optimale bedrijfsvoering in de weg te staan. Indien bijvoorbeeld een volumetoename van het aantal uitkeringsgerechtigden wordt voorzien, hetgeen tot uitdrukking komt in de begroting van de uitvoeringskosten, is het volgens de letter van de wet verboden om personeel aan te stellen en op te leiden in de laatste maanden van het kalenderjaar. De aan het woord zijnde leden vroegen aandacht voor dit soort praktische problemen. De uitvoeringskosten komen ten laste van de fondsen respectievelijk de bedrijfsverenigingen en de Bank (artikel 85). De berekening behoeft de goedkeuring van de minister (artikel 85 lid 2). Is het de bedoeling dat jaarlijks opnieuw de budgetten in extenso worden bezien of wordt er, zoals binnen de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, een landelijke verdeelsleutel vastgesteld? Zo ja, welke basisgegevens vormen dan de bestanddelen hiervan? Zijn er thans al «kengetallen» beschikbaar die een beoordeling van de noodzakelijke personeelsbezetting bij een bepaald aantal cliënten (caseload) enigszins kunnen objectiveren? Waarom is, bijvoorbeeld in afwijking van de Arbeidsvoorzieningswet, bepaald dat begrotingsafwijkingen zijn toegestaan zondertoestemming (artikel 82 memorie van toelichting)? Welke «onvoorziene omstandigheden» kunnen leiden tottoepassing van artikel 83? Betekent de toelichting op dit artikel in de memorie van toelichting dat tussentijdse wijziging alléén op verzoek van de betreffende rechtspersoon kan plaatsvinden? Kan een aanwijzing van het Ctsv, via het Tica, bijvoorbeeld leiden tot door de bedrijfsvereniging óngewenste tussentijdse budgetbijstelling? In artikel 87 is bepaald dat de jaarrekeningen zowel van de bedrijfsverenigingen als van het Tica voor de afzonderlijke fondsen jaarlijks vóór 1 juli moeten zijn vastgesteld. Levert dit geen problemen op voor de verwerking van de gegevens van de bedrijfsverenigingen in die van het Tica?

Tenslotte wilden deze leden nog een enkele geïsoleerde vraag stellen. Waarom staat in artikel 115, eerste lid «zonodig in afwijking van deze wet, tijdelijke» en in het tweede lid «zonodig in afwijking van de wet» (zonder: tijdelijke)? Kan deze laatste formulering geacht worden tegemoet te komen aan de door de Raad van State geformuleerde fundamentele bezwaren tegen het terzijde stellen van de formele wet en zeker wanneer het gaat om niet alleen «deze» wet maar meer in het algemeen (Advies RvS p. 44-45)? Deze leden vroegen ook waarom deze delegatiebevoegdheid in de nOSV moet zijn opgenomen, gezien de aanwijzingsbevoegdheid van de minister aan het Ctsv (artikel 11) en van het Ctsvaan de Bank, het Tica of de bedrijfsvereniging (artikel 16). Wordtthans reeds voorzien dat het noodzakelijk zal kunnen zijn bij aanwijzing aan het Ctsv deze wet tijdelijk en bij aanwijzing aan de Bank, het Tica of de bedrijfsvereniging n'importe welke wet voor onbepaalde tijd terzijde te stellen? Zo ja, aan welke gevallen moet dan worden gedacht? De aan het woord zijnde leden achtten het zonder nadere toelichting vooralsnog bezwaarlijk dit ongeclausuleerd in de wettekst te laten staan.

De leden van de fractie van D66 realiseerden zich dat het wetsvoorstel een aanpassing betreft van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen. Daarbij is tevens aangegeven dat de noodzakelijke ingrijpender maatregelen pas door een nieuw kabinet aan de Eerste Kamer zullen worden voorgelegd. De leden van de fractie van D66 willen zich dan ook in dit voorlopig verslag beperken tot vragen over onduidelijkheden in de overgangsfase.

De nOSV geeft aan de uitvoeringsorganen formeel de taak volumebeleid te voeren. Welke (nieuwe) bevoegdheden en instrumenten hebben de uitvoeringsorganen tot hun beschikking om deze taak eindelijk ter hand te nemen?

VNO en NCW hebben laten weten fel tegen het voornemen te zijn de uitvoeringsorganisaties te regionaliseren. (Motie Wöltgens-Van Mierlo). Uit de Handelingen blijkt dat de staatssecretaris deze discussie een gepasseerd station vindt. Zal de weerstand tegen regionalisering niet belemmerend werken bij de oprichting van Ctsv en Tica waarin de sociale partners nog steeds een grote rol en dus invloed is toebedeeld.

Onafhankelijk toezicht gaat naar het Ctsv, dat geen uitvoerende taken zal hebben. De leden van D66 meenden dat het toezicht sinds het «besluit Toezicht SVR» bij de SVR berust. Moet geconcludeerd worden dat er thans geen sprake is van onafhankelijk toezicht?

De voorzitter van het Tica krijgt binnen het bestuur niet alleen de rol van voorzitter, maar is, het enige bestuurslid dat geacht wordt geen bindingen met representatieve organisaties van werkgevers of werknemers te hebben. Hoe kan hij/zij deze rol vervullen wanneer in een conflict binnen het bestuur zijn stem (in de stemverhouding) niet doorslaggevend is?

Het Ctsv is het (enige) orgaan dat een toezichthoudende functie wordt toebedeeld. Het Tïca krijgt als beheerder van het Algemeen werkeloosheidsfonds, het algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds en het Toeslagenfonds, geen controlerende bevoegdheid met betrekking tot de miljardendeclaraties door de bedrijfsverenigingen ten laste van bovengenoemde fondsen. Is dit juist? Wie controleert de juistheid van de door de 19 bedrijfsverenigingen maandelijks in te leveren declaraties?

Fiatteert de Ctsv maandelijks de declaraties van de 19 bedrijfsverenigingen? Zo ja, is dan niet opnieuw sprake van een vermenging van verantwoordelijkheid bij het Ctsv van de uitvoering met die van het onafhankelijk toezicht?

De afbakening van de coördinatietaak Tlca en de regelgevende bevoegdheid van het Ctsv over de inrichting van de administratie van de uitvoeringsorganen was deze leden niet geheel duidelijk. Kan dit worden verduidelijkt? In artikel 57, eerste lid en artikel 59, eerste lid staat dat een bedrijfsvereniging haar administratie aan ten hoogste één uitvoeringsinstelling opdraagt. Ten hoogste één kan betekenen 0 en 1. Is opdragen hetzelfde als laten bijhouden? Moet 0 geïnterpreteerd worden als niet uitbesteden en 1 als wel uitbesteden? Betekent niet uitbesteden zelfadministreren, zoals bijv. bij de DETAM? Zo ja, wordt dan een zelfadministrerende bedrijfsvereniging erkend als uitvoeringsorganisatie? Betekent dit de facto niet dat dan personeel en kantoor van bv de DETAM in de stichting uitvoeringsorganisatie DETAM worden ondergebracht, waardoor er twee rechtpersoonlijkheden, nl. de bedrijfsvereniging DETAM en de uitvoeringsorganisatie DETAM naast elkaar ontstaan? Dient zo'n opzet de doelmatigheid en de doorzichtigheid van de uitvoering? De uitvoeringskosten van de uitvoeringsorganen sociale zekerheid zullen worden gebudgetteerd. Als de leden van de fractie van D66 het goed begrepen hebben gaat de budgettering volgens de formule: budget komende jaar = begroting ingediend vóór 1 augustus op basis van het niveau van vóór 1 december. Uitgaande van de oprichting van Ctsv en Tica per 1 januari 1995, betekent dit dat budgettering pas per 1 januari 1996 zal plaatsvinden? Als daarentegen budgettering per 1 januari 1995 beoogd is, wie heeft dan de taak tot opstellen van dit budget? Wie heeft de taak tot vaststellen van het budget 1995?

Het Tica zal jaarlijks van ieder fonds afzonderlijk een jaarrekening vaststellen, die allereerst via het Ctsv en vervolgens via de minister aan de Staten-Generaal zal worden aangeboden. Ziekengeld-en wachtgeldverzekering kennen geen centrale fondsen. Krijgt het Tlca de taak ook voor ziekengeld-en wachtgeldverzekering de jaarrekening vast te stellen? Is het bedoeling deze jaarrekeningen samen (getrapt) dan wel afzonderlijk aan de Staten-Generaal aan te bieden? Wanneer is de bespreking ervan in de Tweede Kamer gepland? Bij de begrotingsbehandeling?

Is bij benadering reeds iets te zeggen over de personeelomvang en de kosten van Ctsv en Tica? Hoe kan worden voorkomen dat deze kosten hoger zijn dan die van Svr en FBv op dit moment. Waar komt het budget vandaan wanneer bij instelling van Ctsv en TICA, Svr en FBv nog niet (dan wel nog niet geheel) ontbonden zijn?

Er zijn in de huidige situatie beleggingsvoorschriften, maar geen voorschriften voor het lenen door de fondsen. De nOSV stelt dat de minister regels kan stellen voor lenen tussen de fondsen en in artikel 69, achtste lid de mogelijkheid van eventueel lenen op de kapitaalmarkt. Is het denkbaar dat indien beslissingen lang op zich laten wachten de fondsen in liquiditeitsproblemen komen? Hoe kan dit laatste worden voorkomen? Hoe kan worden voorkomen dat door de mogelijk langdurige procedure, geschetst in het zevende lid van dit artikel te vaak een beroep op het Rijk (achtste lid) moet worden gedaan? Loopt het Rijk hierdoor geen gevaar van een verder oplopend begrotingstekort?

Brief bedrijfspensioenfondsen ten aanzien van VUT-problematiek. De leden van de fractie van D66 vroegen tot slot een reactie van de regering op de brief van de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen van 8 april 19941aan de leden van de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit de Eerste Kamer.

De leden van de fractie van de VVD hadden het wetsvoorstel met belangstelling ontvangen. Zij hadden moeten constateren dat hettijdens de behandeling aan de overzijde een ander, verderreikend karakter heeft gekregen. Ging het in het oorspronkelijke voorstel om het wegnemen van enkele knelpunten -onafhankelijke toezicht: integratie van GAK en GMD; Gib -thans wordt een aanzet gegeven tot een regionale uitvoering. De aan het woord zijnde leden vroegen zich af welke onomkeerbare beslissingen worden genomen als dit huis het voorstel aanneemt. Is het waar dat alleen het instellen van een onafhankelijk toezicht -overigens niet omstreden -een definitief karakter heeft? Het Tica is tijdelijk en de aan het woord zijnde leden nemen aan dat dit ook geldt voor de ambtstermijn van de voorzitter.

Zij waren voorts wel van mening dat aan de opzet van een uitvoeringsorganisatie de opzet van een nieuw stelsel vooraf dient te gaan. Wat nu gebeurt is een verwisseling van oorzaak en gevolg, hetgeen tot onnodige inspanningen en tijdverlies zou kunnen leiden. Men kan nu eenmaal geen pak voor een man snijden als men de omvang van zijn buik niet kent. De leden van de VVD-fractie gaven een voorbeeld. Wanneer de suggestie van de parlementaire enquêtecommissie zou worden gevolgd om de uitvoering van de Werkloosheidswet toe te vertrouwen aan de regionale bureaus voor de arbeidsvoorziening (RBA) eindigt automatisch ' Deze brief is ter inzage gelegd op het Cemraai informatiepunt onder griffie nr.

de voorgestane en m de nOSV voorgeschreven samenwerking tussen 11270 0.2 xv.

deze bureaus en de uitvoeringsorganen. Dan hebben het Tica en zijn

voorzitter waarschijnlijk vergeefs werk gedaan. Als de door werkgevers en werknemers gedane suggesties om bepaalde wetten op te heffen dan wel in handen te geven van sociale partners werkelijkheid zouden worden, heeft dit uiteraard invloed op het werkpakket en wellicht op de gretigheid van administratiekantoren om met de regionale besturen contracten te sluiten. Zij zijn het dan ook eens met het betreffende gedeelte van de brief van de Raad van Centrale Ondernemingsorganisaties (RCO) van 24 maart en zij zouden van de staatssecretaris dan ook graag een reactie willen horen. De leden van de fractie van de VVD vroegen vervolgens of het juist is dat de Sociaal Economische Raad in de maand mei slechts een advies op hoofdlijnen wil uitbrengen dat later in het jaar -of het volgend jaar? -gevolgd zou moeten worden door een meer gedetailleerd advies. Is het juist dat de Raad bij deze laatste gelegenheid ook wil adviseren over een nieuw stelsel? Vindt de staatssecretaris het aanbevelenswaard dat de Raad adviseert over een nieuw stelsel zonder dat de regering enige indicatie heeft gegeven over de richting waarin zo'n stelsel zich zou moeten ontwikkelen? Vreest hij niet dat de beraadslagingen aan de Bezuidenhoutseweg dan dreigen te ontaarden in een gehakketak over door de belangen van de eigen achterban geïnspireerde voorstellen van sociale partners? Het was deze leden overigens opgevallen dat de laatste tijd veel suggesties zijn gedaan voor een ander stelsel maar dat de staatssecretaris zich hult in een diep zwijgen. Zij herinnerden zich zijn aankondiging van een fundamenteel debat over de sociale verzekeringen -inclusief een rechtsgronddiscussie. Wanneer en waar moet dit debat plaatsvinden? Heeft de staatssecretaris het naar het volgend kabinet verschoven? Herhaalde malen hadden de leden van de fractie van de VVD aangedrongen op een commissie, bestaande uit van de materie afstandelijke beleidsdeskundigen plus materiedeskundigen, die alternatieven voor een toekomstig stelsel zouden moeten ontwerpen, waaruit de politiek een keuze zou moeten maken. Meent de staatssecretaris nog steeds dat hij deze suggestie van de hand moet wijzen omdat «zijn» ministerie het zelf wel kan? Zo ja, wanneer zien we dan de resultaten?

De leden van de fractie van de VVD hadden nog enkele vragen over het tijdpad. Met verbazing hebben zij gelezen dat de staatssecretaris een half jaar voor de parlementaire behandeling van wetsvoorstellen inzake de regionalisatie van de uitvoering voldoende acht. Mist deze schatting niet ieder gevoel voor de realiteit en betekent ze niet een miskenning van de eigen dynamiek van het parlement? Zou een tijdsplanning van tenminste een jaar niet meer met de werketijkheid overeenstemmen? Uitgaande van een half jaar voor parlementaire procedures en in aanmerking genomen de beëindiging van hetTica op 1 januari 1997 resteert voor dit orgaan slechts anderhalf jaar om een regionalisatie van de uitvoering voor te bereiden en te begeleiden los van de vraag of op 1 januari 1995 er al een SER-advies is dat enige indicatie voor een toekomstige ontwikkeling inhoudt. Heeft de staatssecretaris een idee van wat in die korte tijdspanne in concreto tot stand kan worden gebracht?

De aan het woord zijnde leden hadden vervolgens enkele vragen over aangelegenheden die met de fondsen en het fondsbeheer samenhangen. Het was hen opgevallen dat in artikel 73, sub c, evenals in de memorie van toelichting, wordt gesproken over een premieadvies. Aan wie moet het Tica adviseren? In het wetsvoorstel staat geen bepaling dat de minister de hoogte van de premies gaat vaststellen. Derhalve blijven naar de mening van deze leden de artikelen 86, eerste lid WW en 78, eerste lid WAO van kracht. Het betekent dat de fondsbesturen -straks het Tica -de

premies vaststellen, gehoord (nu nog) de Sociale Verzekeringsraad en onder goedkeuring van de minister. De staatssecretaris heeft aan de overzijde gezegd dat er (voor de minister) op korte termijn een beperkte ruimte is om de premie afwijkend vast te stellen. Zou de staatssecretaris een overzicht willen geven over de premiebeslissingen gedurende de laatste tien jaar? Hoe vaak is de minister (staatssecretaris) akkoord gegaan met het premiebesluit van de fondsbesturen, hoe vaak is hij afgeweken en op welke gronden heeft hij dit gedaan? De aan het woord zijnde leden hebben uit het staatje op pag.29 van de memorie van antwoord opgemaakt dat de index van de uitvoeringskosten van de SVB sinds 1988 enigszins schoksgewijze met uitzondering van 1990 -is gestegen. Heeft de staatssecretaris hier een verklaring voor?

De leden van de VVD hadden enkele vragen over de adviesaanvrage aan de SER. Zij lazen op pag. 7, doorlopend naar 8 (stencil): «De bevindingen van de parlementaire enquêtecommissie geven voedsel aan de gedachte dat in de jaren tachtig de sociale partners zich onvoldoende hebben gekweten van hun verantwoordelijkheden en zich onvoldoende rekenschap hebben gegeven van de publieke belangen die in het geding zijn». Zou het niet meer overeenkomstig de werkelijkheid en het oordeel van de commissie geweest zijn als de staatssecretaris na de woorden «de sociale partners» had ingevoegd « -en trouwens ook het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en Tweede Kamer-». Waarom heeft de bewindsman zich tot een eenzijdige benadering laten verleiden? Op pag. 8 stelt hij de vraag aan de orde in welke mate de publieke verantwoordelijkheid voor de uitvoering middels deelname aan het regionale bestuur tot haar recht dient te komen. Wat wordt onder «deelname» verstaan? Wordt hier het onderscheid tussen het begrip tripartisering en de functie van kroonleden niet over het hoofd gezien? Bij tripartisering gaat het volgens deze leden om deskundigen met een publieke beleidsverantwoordelijkheid terwijl kroonleden naar eigen inzicht en verantwoordelijkheid handelen zonder dienaar van het departement te zijn. Graag een duidelijke uiteenzetting van wat de staatssecretaris voor ogen staat. De aan het woord zijnde leden hebben begrepen dat de aanzet naar regionalisering van de uitvoering moet gebeuren krachtens mandaat. Is de bewindsman niet erg optimistisch over de kans van slagen? Houdt hij er rekening mee dat, zeker zolang er geen definitief SER-advies plus een reactie van de regering op tafel ligt de medewerking door de bedrijfsverenigingen niet groot zou kunnen zijn? Heeft hij directe of indirecte machtsmiddelen om voortgang van het proces af te dwingen? De leden van de VVD-fractie meenden een tegenstrijdigheid te lezen op pagina 2 (stencil). De staatssecretaris zegt dat enerzijds stelsel en uitvoering «voortdurend in onderlinge samenhang moeten worden bezien» maar dat «de voorgestelde uitvoeringsstructuur (...) geschikt (is) voor de uitvoering van het publieke deel, ongeacht de materiële inhoud ervan». Deze leden zouden graag een toelichting krijgen.

Het lid van de fractie van het GPV, in dit verslag mede sprekende namens de leden van de fracties van de SGP en de RPF deelde mee met belangstelling van het wetsvoorstel te hebben kennisgenomen. Zij zijn er -met de regering -van overtuigd dat aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale zekerheid noodzakelijk is. Het voorliggende wetsvoorstel bevateen aantal elementen die een verbetering zullen kunnen betekenen, met waar het gaat om het toezicht op de uitvoering en om opheffing van belemmeringen om tot meer geïntegreerde gevals-behandelingen te komen.

De aanpassing van het stelsel van de sociale zekerheid in ons land vraagt, zo stelden deze leden, geïntegreerde actie langs verschillende sporen. Geïntegreerde actie, niet alleen inhoudelijk, maar ook in de volgorde en de fasering. Hun vragen spitsen zich dan ook voornamelijk toe op de plaats en de functie van het voorliggende wetsvoorstel in het meer omvattende proces.

Hoe stelt de regering zich de feitelijke invoering van het voorliggende wetsvoorstel voor (aangenomen dat het wordt aanvaard in de Eerste Kamer)? Hoever is de voorbereiding van de aangekondigde regeling ter invoering en aanpassing gevorderd? Is de genoemde datum van 1 januari 1995 haalbaar? Voor inwerkingtreding van heel de wet?

Het voorliggende wetsvoorstel bevat, via het in de Tweede Kamer aanvaarde amendement Van Nieuwenhoven, één verwijzing naar de gewenste toekomstige regionalisering van de uitvoering van de sociale verzekeringen. In de adviesaanvraag aan de SER wordt geschetst hoe de uitvoeringsorganisatie op 31 december 1996 zal zijn toegegroeid naar een zodanige vorm dat slechts de uitschakeling van de bedrijfsverenigingen noodzakelijk is om tot volledige regionalisering te komen.

Hoe zal deze ontwikkeling in feite worden gestuurd naar het gewenste resultaat? Biedt het voorliggende wetsvoorstel voldoende instrumenten daartoe? Is de taakomschrijving van de voorzitter van het Tica zo'n instrument? Welke mogelijkheden biedt de regeling omtrent goedkeuring, schorsing en vernietiging van besluiten? De SER-adviesaanvraag zegt dat de situatie zoals die op 31 december 1996 zal zijn ontstaan, het vertrekpunt vormt voor de verdere reorganisatie. Die situatie verschilt aanmerkelijk van de huidige situatie. Is het uitgesloten dat het advies van de SER aanleiding zal vormen voor opnieuw aanpassing van de OSV, nog vóór 1 januari 1997? Zullen de in het kader van de nOSV in het spel betrokken instellingen feitelijk in staat zijn de gewenste ontwikkeling door te maken? Zullen de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen in staat zijn effectief tot regionalisatie over te gaan?

Wat de (functies van) de BGD betreft, stelden deze leden de volgende vragen. Zal het mogelijk zijn de bestaande expertise (die een bedrijfstakoverstijgende samenhang bevordert) door de fase van regionalisering van zelfadministrerende bedrijfsverenigingen te behouden? Is het model van detachering vanuit het GAK blijvend mogelijk?

Is het mogelijk om binnen het kader van de taakomschrijving van de voorzitter van het Tica ruimte te behouden voor bedrijfstakgebonden elementen in de uitvoering van de sociale verzekeringen? Daarbij denken wij niet alleen aan premiedifferentiatie, maar ook aan de waarde van betrokkenheid op een bedrijfstak voor begeleiding en reïntegratie?

Tenslotte vroegen ook deze leden de staatssecretaris te reageren op een brief van de Vereniging van Bedrijfspensioenfondsen aan de Eerste Kamer van 8 april 1994, waarin melding wordt gemaakt van een knelpunt dat veroorzaakt zou worden door de toepassing van artikel 102 van het

wetsvoorstel. Is de staatssecretaris het met de briefschrijvers eens dat de wet hier kostenverhogend werkt en bovendien de controle op cumulatie van uitkeringen bemoeilijkt?

De voorzitter van de commissie, Van der Meulen

De (wnd.) griffier van de commissie, Nieuwenhuizen

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.