Kamerstuk eerste kamer 1993-1994 kamerstuknummer 21608 ondernummer 102 - Nadere wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 102

21608

IMadere wijziging van de Werkloosheidswet (wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering)

DERDE NADER GEWIJZIGD VOORSTEL VAN WET 10 november 1993

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten: Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is in de Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93) en de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1987, 94) enkele bepalingen inzake het recht op uitkering te wijzigen; Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

De Werkloosheidswet (Stb. 1987, 93) wordt gewijzigd als volgt:

Artikel 8 wordt gewijzigd als volgt: 1°. In het derde lid wordt de zinsnede «bij de aanvang bij die werkzaamheden» vervangen door: bij de aanvang van die werkzaamheden. 2°. Het vierde lid wordt vervangen door: 4. Onverminderd het tweede en derde lid herkrijgt de persoon na afloop van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, indien deze niet langer hebben geduurd dan zes maanden.

B In artikel 11, derde lid, wordt na «Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering» ingevoegd: (Stb. 1987, 89).

31540 IFISSN09217363 Sdu Uitgeverij Plantijnstraat 's-Gravenhage 1993

c Artikel 16 wordt vervangen door:

Artikel 16

  • Werkloos is de werknemer die: a. ten minste vijf of ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren; en b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. 2. Onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren per kalenderweek wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht. Indien de werknemer minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, wordt bij de bepaiing van het aantal arbeidsuren, bedoeld in de eerste volzin, mede in aanmerking genomen het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd. 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt: a. indien de dienstbetrekking anders dan door opzegging is geëindigd, of b. indien de dienstbetrekking door opzegging is geëindigd zonder dat de werkgever de voor opzegging geldende bepalingen in acht heeft genomen, met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon gelijkgesteld: de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de eindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door de werkgever met inachtneming van de termijn van opzegging zou zijn beëindigd. Dit bedrag wordt toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd. 4. Het derde lid vindt geen toepassing indien de werkgever na de eindiging van de dienstbetrekking is komen te verkeren in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, en voorzover de werknemer als gevolg van die toestand de in het derde lid bedoelde inkomsten niet ontvangt. 5. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met betrekking tot het eerste en het tweede lid regels worden gesteld: a. omtrent de berekening van het verlies van arbeidsuren bij een opeenvolgend verlies van arbeidsuren, waarbij andere perioden voor de berekening van het aantal gewerkte arbeidsuren in aanmerking kunnen worden genomen; b. waarbij voor bepaalde groepen werknemers een kortere of langere periode voor de berekening van het aantal gewerkte arbeidsuren geldt. 6. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd ten aanzien van groepen van werknemers die in de regel meer dan 50 uren per kalenderweek werken, bij verlies van arbeidsuren uit een dienstbetrekking, waarin over de laatste 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren gemiddeld meer dan 50 uren is gewerkt, voor de toepassing van het tweede lid te bepalen welk aantal uren ten hoogste in aanmerking wordt genomen. 7. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd: a. voor de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het tweede lid, uren waarin geen arbeid is verricht gelijk te stellen met arbeidsuren en uren waarin arbeid is verricht buiten beschouwing te laten;
  • voor de berekening van het verlies van arbeidsuren regels te stellen met betrekking tot wisselende arbeidspatronen. 8. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de eerste dag van werkloosheid de eerste dag waarop een verlies van een of meer uren, alsmede een verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van het loon over die uren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in het eerste lid. 9. Indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies bedoeld in het eerste lid aan een van de overige in dat lid genoemde voorwaarden niet wordt voldaan, of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, of 19a, wordt in afwijking van het achtste lid voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als eerste werkloosheidsdag aangemerkt, de dag van de kalenderweek waarop aan de overige voorwaarden als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan, en zich geen omstandigheid meer voordoet als bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, of 19a. 10. Voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen is de maandag de eerste dag van de kalenderweek.

Artikel 17 wordt vervangen door:

Artikel 17

  • Recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. 2. Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde aantal van 52 weken worden niet in aanmerking genomen weken gedurende welke de werknemer a. wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten; of b. werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 en hij op grond van dat artikel de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen. 3. Voor de vaststelling van het in het eerste lid bedoelde aantal van 26 weken wordt de in een week verrichte arbeid slechts in aanmerking genomen, voor zover hij betrekking heeft op de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, en voor zover hij niet reeds eerder in aanmerking is genomen voor een recht op uitkering. 4. Bij algemene maatregel van bestuur kan voor bepaalde groepen werknemers het in het eerste lid bedoelde aantal van 26 weken lager worden gesteld. 5. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd met betrekking tot het in het eerste lid bedoelde aantal van 26 weken: a. weken, waarin geen arbeid is verricht in de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos is geworden, gelijk te stellen met weken als bedoeld in het eerste lid; en b. regels te stellen omtrent het meer keren in aanmerking nemen van weken waarin arbeid is verricht.

Na artikel 17 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 17a

  • Indien in de kalenderweek na het ontstaan van een recht op uitkering ter zake van gedeeltelijke werkloosheid uit een dienstbetrekking, een nieuw recht op uitkering ontstaat ter zake van toegenomen werkloosheid uit dezelfde dienstbetrekking, of een dienstbetrekking die voor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen, worden beide rechten samengevoegd tot een recht. 2. Het eerste lid vindt geen toepassing met betrekking tot een recht dat reeds door samenvoeging van rechten is ontstaan.

Artikel 18 wordt vervangen door:

Artikel 18

  • De werknemer, die werkloos is uitsluitend als gevolg van vorst, sneeuwval, hoog water of andere buitengewone natuurlijke omstandigheden heeft recht op uitkering voor de duur van de buitengewone natuurlijke omstandigheden. 2. De bedrijfsvereniging is bevoegd ten aanzien van een of meer bepaalde groepen van bij haar verzekerde werknemers, in afwijking van artikel 16, eerste lid, regels te stellen op grond waarvan voor de toepassing van het eerste lid ook als werkloos wordt beschouwd de werknemer die minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon over die uren. 3. Artikel 17 is niet van toepassing op de in het eerste lid bedoelde werknemer. 4. Bij de vaststelling van de uitkeringsduur op grond van afdeling II en III blijven perioden waarin recht op uitkering op grond van het eerste lid bestaat buiten beschouwing.

Artikel 19 wordt gewijzigd als volgt: 1°. Het eerste lid, onderdeel a, wordt vervangen door: a. een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt; 2°. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt na «Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering», «(Stb. 1977, 492)» en wordt ingevoegd de zinsnede: of een uitkering die naar aard en strekking hiermee overeenkomt. 3°. Het eerste lid, onderdeel e, wordt vervangen door: e. vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, bestemd voor bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feestdagen en verplichte snipperdagen, heeft verkregen, over die dagen, tenzij deze vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op grond van dit hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet, indien de ziekengeldverzekering is ontleend aan artikel 7 van die wet; 4°. Het tweede lid wordt vervangen door: 2. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b, c of d niet wordt betaald wegens voor de werknemer geldende wachtdagen of wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt het niet betalen daarvan voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering. 5°. Het vierde lid vervalt, waarna het vijfde tot en met het achtste lid worden vernummerd tot het vierde tot en met het zevende lid. 6°. Aan het nieuwe vijfde lid, wordt onder vervanging van een punt door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende: c. regels te stellen met betrekking tot het buiten aanmerking laten van vakantiebonnen en daarmee overeenkomende aanspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.

H Artikel 20 wordt gewijzigd als volgt: 1°. In het eerste lid, onderdeel d, wordt «artikel 19, eerste lid» vervangen door: de artikelen 19, eerste lid, of 19a. 2°. Het vierde lid vervalt, waarna onder vernummering van het tweede en derde lid in het derde en vierde lid, een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende: 2. Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is eindigt het recht op uitkering terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd. 3°. In het nieuwe derde en vierde lid vervallen de zinsneden: «a en» en «of werkzaamheden als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin,» en wordt de zinsnede «beschikbaar is om arbeid als werknemer te aanvaarden» vervangen door: beschikbaar is voor arbeid. 4°. Het vijfde lid wordt vervangen door: 5. Voor de werknemer op wie: a. het vierde lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht; b. het vierde lid, onderdeel b, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid. 5°. Het zesde lid wordt vervangen door: 6. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd: a. voor de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het derde en vierde lid, terzake waarvan het recht op uitkering eindigt, uren waarin arbeid wordt verricht buiten beschouwing te laten en uren waarin geen arbeid is verricht gelijk te stellen met uren waarin arbeid wordt verricht; b. regels te stellen met betrekking tot het geheel of gedeeltelijk eindigen van een recht op uitkering bij samenloop van uitkeringen op grond van deze wet.

I Artikel 21 wordt gewijzigd als volgt: 1°. In het eerste lid wordt de zinsnede «van artikel 8 en de op grond van het tweede lid gestelde regels,» vervangen door: van de in artikel 8 en het tweede lid genoemde termijnen en de op grond van het derde lid gestelde regels. 2°. Het tweede lid wordt vervangen door twee nieuwe leden luidende: 2. Een recht op uitkering dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd: a. wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, h of k; of b. op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel b, als gevolg van het niet kunnen voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, wegens andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsongeschiktheid terzake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid; of c. wegens een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden, kan, ook indien deze omstandigheden zich aaneensluitend voordoen, slechts herleven indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden als hier bedoeld niet langer is dan zes maanden. 3. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd regels te stellen op grond waarvan voor groepen van werknemers de termijn genoemd in het tweede lid buiten toepassing wordt verklaard.

In artikel 24, eerste lid, wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel b vervangen door een punt en vervalt onderdeel c.

K In artikel 27, tweede lid, wordt «de artikelen 25 en 26» vervangen door: de artikelen 24, eerste lid, onderdeel a, 25 en 26.

Artikel 34 wordt gewijzigd als volgt: 1°. Het eerste lid wordt vervangen door: 1. Op de uitkering worden geheel in mindering gebracht: a. inkomsten wegens loonderving; b. inkomsten wegens ouderdomspensioen; c. inkomsten wegens uitkering op grond van het bepaalde bij of krachtens dan wel op de voet van de Algemene pensioenwet politieke ambtsdragers (Stb. 1969, 594). 2°. Het derde lid vervalt, waarna het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot het derde en vierde lid. 3°. In het nieuwe vierde lid wordt «het vierde lid» vervangen door: het derde lid. 4°. Het zesde en het zevende lid worden vervangen door vier nieuwe leden, luidende: 5. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel a van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij:a. verband houden met de eindiging van een dienstbetrekking; b. ter zake van werkloosheid ten gevolge van een niet geëindigde dienstbetrekking worden ontvangen; c. bestaan uit een uitkering als bedoeld in artikel 45, vijfde lid; d. uit hoofde van een tijdens het recht op uitkering vervulde dienstbetrekking worden ontvangen. 6. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel a en c van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij: a. door de werknemer reeds voor het intreden van de werkloosheid werden ontvangen naast de inkomsten uit de dienstbetrekking waaruit hij werkloos is geworden; b. door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld. 7. In afwijking van het eerste lid worden de in onderdeel b van dat lid bedoelde inkomsten niet op de uitkering in mindering gebracht, indien zij door de werknemer na het intreden van de werkloosheid worden ontvangen en zij betrekking hebben op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen voor het intreden van de werkloosheid naast elkaar werden vervuld.

  • Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel b wordt onder ouderdomspensioen verstaan een uit een vervulde dienstbetrekking voortvloeiende, in beginsel levenslange periodieke uitkering bij wijze van oudedagsvoorziening. Onze Minister is bevoegd uitkeringen gelijk te stellen met ouderdomspensioen.

MNa artikel 34 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 34a

  • De uitkering wordt niet betaald over dagen, waarop de werknemer vakantie geniet en over bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feest-en verplichte snipperdagen, en de werknemer vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, bestemd voor die vakantie-, feest-of snipperdagen heeft verkregen, mits deze vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op grond van dit hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet, indien de ziekengeldverzekering is ontleend aan artikel 7 van die wet. 2. Artikel 19, vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het eerste lid.

N In artikel 35 vervallen de zinsneden «of werkzaamheden als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin,» en «of werkzaamheden».

In artikel 42, tweede lid, onderdeel a, wordt «het jaar waarin zijn werkloosheid is ingetreden» vervangen door: het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen.

Artikel 43 wordt vervangen door:

Artikel 43

  • Telkens nadat het recht op uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 21, eindigt het recht op uitkering met inachtneming van het tweede en derde lid, zoveel later dan de in artikel 42, eerste en tweede lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering heeft geduurd. 2. Voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering worden, telkens nadat het recht op uitkering geheel is geëindigd wegens ziekte, de eerste drie maanden waarin de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, buiten beschouwing gelaten. 3. Voor de bepaling van de periode van drie maanden bedoeld in het tweede lid, worden perioden waarover de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde uitkeringen worden ontvangen samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen. 4. Artikel 19, tweede lid, is van toepassing op het tweede en derde lid. 5. Indien het recht op uitkering, waarvan de duur wordt bepaald door

artikel 42, eerste en tweede lid, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens een nieuw recht op uitkering is ontstaan als bedoeld in artikel 15, zonder dat aan de voorwaarde bedoeld in artikel 42, tweede lid, wordt voldaan, wordt met inachtneming van het zesde lid, de duur van die uitkering verlengd met de duur van de verlengde uitkering, bedoeld in artikel 42, tweede lid, die de werknemer als gevolg van de eindiging van het eerdere recht niet heeft ontvangen. 6. Het vijfde lid vindt geen toepassing voor zover het eerdere recht geheel of gedeeltelijk was geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d en op grond van artikel 21 niet voor herleving in aanmerking zou zijn gekomen wegens het overschrijden van de in laatstgenoemd artikel bedoelde termijnen.

Artikel 45 wordt gewijzigd als volgt: 1°. In het eerste lid wordt: «het intreden van zijn werkloosheid» vervangen door: het intreden van het arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16, eerste lid. 2°. Aan het artikel wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende: 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 46 kunnen de in het tweede, derde en vierde lid bedoelde regels bepalingen bevatten op grond waarvan het dagloon tijdens de uitkering kan worden herzien.

R Vervallen.

Artikel 90, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt: 1 °. De aanduiding van de onderdelen b tot en met c wordt vervangen door c tot en met d. 2°. Na onderdeel a wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende: b. de op grond van artikel 18 te betalen uitkeringen; 3°. In het nieuwe onderdeel c wordt «onderdeel a» vervangen door: onderdeel a en b. 4°. In het nieuwe onderdeel d wordt «onderdeel a» vervangen door: onderdeel a en b.

In artikel 113 wordt «19, achtste lid, 34, zevende lid» vervangen door: 19, zevende lid, 34, achtste lid.

U In artikel 116, eerste lid, wordt na «op grond van de artikelen» ingevoegd: 16, zesde lid.

1°. In artikel 119 wordt onder vernummering van het tweede en het derde lid in het derde en het vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende: 2. De bedrijfsvereniging behoeft voor het stellen van regels als bedoeld in artikel 18, tweede lid, de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad alvorens zij in werking kunnen treden. 2°. In het nieuwe vierde lid wordt «103, zesde lid,» vervangen door: 103, zevende lid.

wIn de artikelen 120 en 123 wordt «119, tweede lid,» vervangen door: 119, derdelid.

ARTIKEL II

Artikel 34 van de Invoeringswet stelselherziening sociale zekerheid (Stb. 1987, 94) wordt gewijzigd als volgt: 1 °. Onder wijziging van de aanduiding van het zevende tot en met het negende lid in achtste tot en met tiende lid, wordt na het zesde lid een nieuw lid mgevoegd, luidende: 7. Onverminderd het bepaalde in artikel 46 van de nieuwe Werkloosheidswet kunnen de in het tweede, derde en vijfde lid bedoelde regels bepalingen bevatten op grond waarvan het dagloon tijdens de uitkering kan worden herzien. 2°. In het nieuwe negende lid worden de woorden «vijfde en zevende lid» vervangen door: vijfde en achtste lid.

ARTIKEL III

  • Indien een recht op uitkering voor de inwerkingtreding van deze wet is ontstaan, blijven de Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, van toepassing op feiten en omstandigheden, ontstaan voor de inwerkingtreding van deze wet. 2. Indien ter zake van werkloosheid ontstaan voor de inwerkingtreding van deze wet geen recht op uitkering is ontstaan, blijven de Werkloosheidswet en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden op de dag, voorafgaande aan die waarop deze wet in werking treedt, op het ontstaan van het recht op uitkering ter zake van die werkloosheid van toepassing. 3. Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot dit artikel nadere en zonodig afwijkende regels worden gesteld.

ARTIKEL IV

Deze wet treedt in werking met ingang van de derde kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.