Memorie van toelichting - De aanpassing van de uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 3

MEMORIE VAN TOELICHTING

ALGEMEEN

HOOFDSTUK 1. INLEIDING

1.1 Knelpunten in de huidige OSV De huidige Organisatiewet Sociale Verzekering (OSV) bevat belemmeringen voor een goede en efficiënte uitvoering. Dit is de afgelopen decennia meermalen geconstateerd door zowel kabinet, parlement, adviesorganen als de uitvoeringsinstanties zelf (zie hiervoor het historisch overzicht in de bijlage). Toch wordt in dit wetsvoorstel geen nieuwe uitvoeringsorganisatie gepresenteerd. Een eventuele reorganisatie van de uitvoering van de sociale verzekeringen kan naar mijn mening pas aan de orde zijn nadat de discussie over de verdeling van verantwoordelijkheden tussen overheid en sociale partners is uitgekristalliseerd. Dit wetsvoorstel strekt er dan ook slechts toe de meest urgente knelpunten in de huidige OSV op te lossen.

Als belangrijkste knelpunt zie ik het bestaan van gescheiden trajecten en verantwoordelijkheden bij de uitvoering van de Ziektewet (ZW), de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Dit leidt tot een censuur in de gevalsbehandeling en heeft lange behandelingstijden tot gevolg. De huidige uitvoeringsstructuur draagt daardoor niet optimaal bij aan het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Een geïntegreerde gevalsbehandeling is, zelfs bij zeer nauwe samenwerking tussen de uitvoeringsinstanties, niet mogelijk. Daarnaast is het behandelingsproces voor de cliënt ondoorzichtig door de scheiding tussen advisering en begeleiding door de Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD) enerzijds en beslissing en administratieve uitvoering door de bedrijfsverenigingen anderzijds.

Het tweede knelpunt is dat in de huidige OSV het toezicht niet helder is geregeld. Dit komt onder meer tot uiting in de overlapping van de 31292 6FISSN0921737 ISdu Uitgeverij Plantijnstraat s Gravenhage 1993

1 Ter inzage gelegd bij de afdeling Parlementaire Documentatie controlerende taak van de fondsbesturen en de toezichthoudende taak van de SVr, de coördinerende werkzaamheden van de SVr en de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) waarbij geen duidelijkheid bestaat over de status van de circulaires van de FBV en het ontbreken van een toezicht op de werkzaamheden van de FBV. Voorts meen ik dat in de huidige wet de betrokkenheid van de sociale partners bij het toezicht geen recht doet aan het door mij gewenste onafhankelijke toezicht op de uitvoering.

Het derde knelpunt is het ontbreken van een duideiijke structuur voor de beheersing van de kosten van de uitvoering. De ontwikkeling van die kosten draagt daardoor een vrijwel autonoom karakter.

Het vierde knelpunt betreft het gebrek aan sturing van de uitvoering van de sociale verzekeringen in de regio. De bedrijfsverenigingen (thans 19 in getal) zijn belast met de uitvoering van de werknemersverzekeringen, de AAW en de Toeslagenwet (TW). Het accent ligt daarbij op de autonomie van deze bedrijfstakgewijs georganiseerde instanties. De verschillende uitvoeringsinstanties zijn op verschillende wijze regionaal georganiseerd. De uitvoeringsorganisatie maakt hierdoor naar de cliënt toe een versnipperde en ondoorzichtige indruk. Door het gebrek aan adequate coördinatie en bestuurlijke samenhang op centraal niveau ontstaan verschillen in uitvoering op regionaal niveau. Hierdoor is het niet eenvoudig centraal en regionaal tot afstemming te komen met andere instanties die op aangrenzende beleidsterreinen veelal aan dezelfde cliënten voorzieningen verschaffen. Wellicht ten overvloede wil ik hier tevens de aandacht vestigen op de volume-en uitgavenontwikkeling van de sociale zekerheid die in dit kader een belangrijk aandachtspunt vormen. De vier genoemde knelpunten die ten grondslag liggen aan dit wetsvoorstel bemoeilijken de beheersing van het volume-en uitgavenniveau. Verwacht mag worden dat de oplossing van deze knelpunten een positieve bijdrage levert aan een betere beheersing van het volume en de uitgaven in de sfeer van de sociale zekerheid. Het oplossen van de hiervoorgenoemde knelpunten vergt een aanpassing van de OSV op een groot aantal plaatsen. Daarom is van de gelegenheid gebruik gemaakt om de uit 1953 stammende OSV, die in de loop van de tijd steeds, zij het op ondergeschikte punten, is aangepast, te herschrijven om zodoende de onderdelen van de wet beter op elkaar te laten aansluiten, de eenduidigheid in terminologie te bevorderen, een logische opbouw aan de wet te geven en de Wet op de Sociale Verzekeringsbank in de OSV te integreren.

1.2 De adviesaanvrage van 8 september 1989 en de naar aanleiding daarvan uitgebrachte adviezen

Op 8 september 1989 is een voorontwerp van wet voor een nieuwe Organisatiewet Sociale Verzekeringen voor advies aangeboden aan de SER, de SVr, de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten, de Nationale Ombudsman, het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp) en de Voorlopige Raad voor de Persoonsinformatievoorziening. In 1990 zijn alle adviezen uitgebracht.

Waar nodig zullen in het vervolg van deze memorie van toelichting de adviezen uitvoerig worden besproken. Op deze plaats wordt volstaan met een beschrijving van de inhoud op hoofdlijnen.

De SER adviseerde overwegend positief. De Raad stemde in met het opheffen van de GMD en het mogelijk maken van de geïntegreerde gevalsbehandeling door de bedrijfsverenigingen; ook stond de Raad positief tegenover een versterking van de toezichthoudende taak van de SVr en de overdracht van de coördinerende en regelgevende taken van de SVr naar het Gib. De SER kon zich niet vinden in het standpunt van de adviesaanvraag dat de minister de mogelijkheid heeft om aanwijzingen te geven aan de SVr. Voorts was de SER van mening dat het Gib geen extra bestuurslaag zou moeten worden maar slechts een voortzetting van de huidige Federatie van Bedrijfsverenigingen.

Ook de SVr adviseerde positief op de hoofdlijnen van de adviesaanvraag. Het commentaar van de SVr verschilt voor wat betreft de hoofdpunten niet van dat van de SER. Ook hier wordt de geïntegreerde gevalsbehandeling als positief ervaren en wordt de mogelijkheid van een intensievere bemoeienis van de minister met de uitvoering van de sociale verzekeringen van de hand gewezen. De overige adviserende instanties hebben hun advies beperkt tot het onderwerp dat hen specifiek regardeert. Bij de bespreking van de desbetreffende onderwerpen in deze toelichting zal nader op die adviezen worden ingegaan.

1.3 Recente ontwikkelingen

Naar aanleiding van de uitgebrachte adviezen heb ik op 11 februari 1991 in een brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 1990-1991, 22011, nr. 1) aangegeven wat het kabinetsstandpunt is inzake de nieuwe uitvoeringsorganisatie sociale verzekeringen. Dit kabinetsstandpunt is besproken met de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Tweede Kamer. Naar aanleiding van deze bespreking volgde een tweede brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer (Tweede Kamer, 1990-1991, 22011, nr. 3). Een punt van discussie naar aanleiding van beide brieven bleef het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen. Met het aannemen van de motie Buurmeijer c.s. (Tweede Kamer, 1990-1991, 22011, nr. 7) heeft de Tweede Kamer zich uitgesproken voor «een onafhankelijk toezicht op het reorganisatieproces van de sociale verzekeringen». Dit zal verder in deze memorie van toelichting nog uitvoerig worden besproken.

Ook de ontwikkelingen met betrekking tot de inhoud van het toezicht hebben niet stilgestaan. Gewezen kan worden op de brief van de Algemene Rekenkamer (ARK) d.d. 26 juni 1991 aan mij waarin de ARK verslag doet van haar bevindingen naar aanleiding van een verkennend onderzoek omtrent de verantwoording en verslaglegging ten aanzien van het beheer van de fondsen. Daarnaast is er het in maart 1992 verschenen rapport van de ARK over het toezicht uitgeoefend door de SVr (Kamerstukken 1991-1992, 22555, nrs. 1-2) waarin belangrijke opmerkingen over het invullen van de toezichthoudende taak van de SVr worden gemaakt. In het rapport werd geconstateerd dat de SVr over de jaren 1988 en 1989 op onvoldoende wijze toezicht heeft gehouden op de uitvoering van de sociale verzekeringen. Eveneens stelde de ARK vast dat de Staatssecretaris van SZW de SVr had moeten corrïgeren ten aanzien van het falende toezicht. Het rapport heeft mede geleid tot het Besluit toezicht SVr 1992 (Stcrt 1992, 51).

Ook op het punt van het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume hebben zich belangrijke ontwikkelingen voorgedaan. De Wet terugdringing arbeidsongeschiktheidsvolume (TAV, wet van 26 februari 1992, Stb. 82), bevat maatregelen die een grote invloed hebben op de werkzaamheden van de uitvoeringsorganen. Van nog meer betekenis voor de uitvoeringsorganen zijn de wetsvoorstellen Terugdringing Ziekteverzuim (TZ) en Terugdringing van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA). Beide wetsvoorstellen zijn nu bij de Tweede respectievelijk de Eerste Kamer in behandeling. Het spreekt voor zich dat een goede uitvoering en dus ook organisatie van de uitvoering een voorwaarde is om de (voorgestelde) maatregelen daadwerkelijk effectief te laten zijn. Bij de behandeling van het wetsvoorstel dat geleid heeft tot de wet TAV is door de Tweede Kamer een motie aangenomen waarin het kabinet gevraagd wordt een vorm van bedrijfsgezondheidszorg voor alle werknemers in Nederland verplicht te stellen, een en ander in samenhang met de voorgenomen wijziging van de Arbowet in verband met de implementatie van de EG-kaderrichtlijn voor veiligheid en gezondheid. Dit is voor mij aanleiding geweest de taken en verantwoordelijkheden op het terrein van de sociaal-medische begeleiding van de bedrijfsverenigingen enerzijds en die van de werkgever en bedrijfsgezondheidsdiensten anderzijds nader te bezien. Dit heeft geleid tot het kabinetstandpunt sociaal-medische begeleiding dat op 1 juni 1992 aan de Tweede Kamer is gezonden (Tweede Kamer, 1991-1992, 22300 XV, nr. 82).

De grote aandacht die als gevolg van het kabinetsbeleid ten aanzien van het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen gericht is op de bedrijfsverenigingen, hun administratiekantoren en de GMD hebben ertoe geleid dat eind 1991 de Federatie van Bedrijfsverenigingen met het voorstel kwam om het GAK en de GMD nauwer te laten samenwerken. Dit heeft er inmiddels toe geleid dat een nauwere samenwerking tussen de GMD en de bedrijfsverenigingen plaatsvindt (met name voor de bedrijfsverenigingen die bij het GAK zijn aangesloten).

Tot slot kan worden vermeld dat de Tweede Kamer in september 1992 heeft besloten een parlementaire enquete te houden met als doel te onderzoeken op welke wijze de uitvoering van de sociale verzekeringen de laatste tien jaren heeft gefunctioneerd. Dit is voor het kabinet een reden te meer geweest om het voorliggende wetsvoorstel te beperken tot de hoogst noodzakelijke wijzigingen om de uitvoering te kunnen laten functioneren. De uitkomsten van de parlementaire enquete kunnen worden meegenomen in de nog te voeren discussie over de toekomst van de uitvoeringsorganisatie.

1.4 Hoofdlijnen van het wetsvoorstel In dit wetsvoorstel houdt de GMD op te bestaan als zelfstandige organisatie. De taken van de GMD op het vlak van de gevalsbehandeling verschuiven naar de bedrijfsverenigingen. Dit betekent dat een geïntegreerde en daarmee meer inzichtelijke gevalsbehandeling in het kader van de ZW, WAO en AAW mogelijk wordt. De arbeidsbemiddeling van gedeeltelijk arbeidsongeschikten zal door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie worden overgenomen. Dit zal geschieden langs de weg van een gefaseerde uitvoering.

Voor de coördinerende, adviserende en regelgevende taken op het gebied van de werknemersverzekeringen, de AAW en de TW wordt het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib) in het leven geroepen. Dit instituut kan worden gezien als de opvolger van de FBV.

Het toezicht op de uitvoering van de sociale zekerheidswetten wordt ingrijpend veranderd. Het toezicht wordt onafhankelijk van de sociale partners door de omvorming van de SVr in een College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv), waarin alleen onafhankelijke deskundigen zitting hebben. Het beheersinstrumentarium van het Ctsv wordt ten opzichte van het instrumentarium dat de SVr thans heeft aanzienlijk uitgebreid. Voor de beheersing van de uitvoeringskosten wordt een systeem van budgettering voorgesteld, dat de verantwoordelijkheden zo dicht mogelijk bij de uitvoering legt. Het Gib stelt de budgetten van de bedrijfsverenigingen vast en het Ctsv de budgetten van het Gib en de Sociale Verzekeringsbank (SVb).

Het Gib wordt belast met het beheer en de administratie van de thans nog zelfstandige en rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen, te weten het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (AAf), het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) en het Toeslagenfonds (Tf). De niet rechtspersoonlijkheidbezittende fondsen die momenteel bij de SVb zijn ondergebracht, te weten het Algemene Ouderdomsfonds, het Algemene Weduwen-en wezenfonds en het Algemene Kinderbijslagfonds zullen door de Bank blijven worden beheerd en geadministreerd.

Op het niveau van de uitvoering aan de voet worden in dit wetsvoorstel de mogelijkheden voor samenwerking in de regio uitgebreid. Het betreft zowel de samenwerking tussen de uitvoeringsinstanties onderling als de samenwerking met andere uitvoerende instellingen en diensten in de regio, zoals de sociale diensten en de regionale besturen voor de arbeidsvoorziening. Ik heb de overtuiging dat de hiervoor in grote lijnen beschreven veranderingen zullen leiden tot een hoogst noodzakelijke verbetering van de uitvoering van de sociale verzekeringen. Daarnaast ben ik van mening dat de voorgestelde veranderingen van invloed zullen zijn op de omvang en de duur van het beroep op de sociale zekerheidsregelingen.

In dit wetsvoorstel ontbreekt het overgangs-en invoeringsrecht alsmede de noodzakelijke aanpassingen van de overige sociale verzekeringswetten. Vanwege de omvang en de vrij complexe materie is er voor gekozen het invoeringstraject en de afstemming van de andere wetten op dit wetsvoorstel apart te regelen. Een wetsvoorstel voor invoering en aanpassing van overige wetten zal zo spoedig mogelijk volgen. In het kader van dit afzonderlijke wetsvoorstel zal worden ingegaan op temporele aspecten van de invoering van dit wetgevingsproject.

In het vervolg van deze toelichting wordt de term «uitvoeringsinstanties» gebruikt als verzamelnaam voor: de Bank, het Gemeenschappelijk instituut voor Bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen.

HOOFDSTUK 2. DE UITVOERINGSINSTANTIES EN DE TOEZICHTHOUDER In dit hoofdstuk worden de instanties beschreven, naar taken en naar bestuurlijke samenstelling, die er na realisering van dit wetsvoorstel zullen zijn voor de uitvoering van de sociale verzekeringswetten en het toezicht daarop.

Het College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv): Belast met het toezicht op de Svb, het Gib, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen; de coördinatie van informatie en onderzoek en signalering aan de minister. Als hoogste instantie in de organisatie beschikt het Ctsv over een aantal krachtige instrumenten om, indien nodig, de uitvoering te kunnen bijsturen en te corrigeren.

Sociale verzekeringsbank (SVb): Belast met alle activiteiten met betrekking tot de gevalsbehandeling op grond van de AOW, AWW en AKW en de afhandeling van de liquidatie van een aantal wetten; het beheer van de demografische fondsen en de fondsen van de in liquidatie verkerende wetten; het adviseren van de minister op uitvoeringstechnische punten.

Belastingdienst Belast met de collecterende functie voor de premieheffing AOW, AWW, AAW en AWBZ. Deze blijft verder buiten beschouwing omdat de belastingdienst niet aan het toezicht van het Ctsv is onderworpen.

Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (Gib): Belast met de coördinatie van de uitvoering door bedrijfsverenigingen; het beheer van de centrale fondsen van de WW, WAO, TW en AAW; het adviseren van de minister op uitvoeringstechnische punten. Uit hoofde van zijn coördinerende taak heeft het Gib regelgevende bevoegdheden.

Bedrijfs veren igingen: Belast met alle activiteiten met betrekking tot de gevalsbehandeling op grond van de WW, ZW, WAO, AAW, WAGW, TW en CSV; het beheer van wachtgeldfondsen en ziekengeldkassen en de premieheffing werknemersverzekeringen (incl. ZFW).

De uitvoeringsinstellingen Belast met de uitoefening van taken van bedrijfsverenigingen, voor zover dit met de bedrijfsverenigingen is overeengekomen (hierbij kan men denken aan instellingen als het GUO, GAK en SFB).

2.1 College van toezicht sociale verzekeringen (Ctsv)

2.1.1 De samenstelling

Gekozen is voor een College met een bestuur dat uit vijf mensen zal bestaan. Deze zullen een voltijds aanstelling krijgen voor een periode van vier jaar, waarbij ieder jaar éèn of twee van de leden van het bestuur zullen aftreden. De benoeming van deze personen zal geschieden door de Kroon. Alvorens een voordracht tot benoeming te doen zal de minister de SER in de gelegenheid stellen zijn mening over de voordracht kenbaar te maken. De leden van het bestuur van het College zijn na afloop van hun termijn herbenoembaar.

2.1.2 Taken

2.1.2.1 Toezicht

Het toezicht richt zich op de uitvoering van de wetten en hun uitvoeringsinstanties. De belangrijkste wetten die vallen onder het toezicht van het Ctsv zijn; WW, ZW, WAO, AAW, TW, AOW, AWW, AKW, WAGW, CSV, Wet financiering volksverzekeringen en deze wet. In hoofdstuk 4 van deze memorie wordt uitvoerig ingegaan op de inhoud van het toezicht en de wijze waarop het Ctsv daaraan invulling kan geven.

2.1.2.2 Informatievoorziening en onderzoek Bij het uitvoeren van publieke taken is het van belang dat de informatievoorziening op doelmatige wijze is ingericht. De Verzekerdenadministratie (VZA) levert daartoe een bijdrage. Het ligt voor de hand het Ctsv een coördinerende rol te geven op het terrein van de informatievoorziening. Ten behoeve van het toezicht en het opstellen van uitvoeringseffectenrapportages dient het Ctsv immers te beschikken over een verscheidenheid van gegevens.

De centrale taak van het Ctsv op het terrein van de informatievoorziening is in de eerste plaats, te zorgen dat beleidsinformatie beschikbaar is. Het betreft hier de informatie ten behoeve van de financiering, beleidsvoorbereiding, de statistiek en het wetenschappelijk onderzoek in verband met de uitvoering van wetten door het College, de Bank, het Gib, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. Voorts draagt het Ctsv zorg voor de coördinatie van de verschillende informatiestromen. Daarnaast is het College belast met het toezicht op de inrichting van de administraties bij de uitvoeringsinstanties om de informatievoorziening binnen de sector en in relatie tot andere sectoren van overheidszorg doeltreffend en doelmatig te laten zijn. De uitvoeringsinstanties dragen zelf zorg voor het verzamelen en beheren van hun uitvoeringsinformatie. De rol van het Ctsv is enerzijds toezichthoudend op de wijze waarop deze informatie wordt verzameld en beheerd en anderzijds het coördineren van de diverse informatiestromen. Dit betreft met name de informatiestromen die niet zo zeer ten behoeve van de uitvoering op gang worden gebracht maar ten behoeve van onderzoek en beleidsvraagstukken. Onder meer zullen de gegevens van de verschillende uitvoeringsinstanties vergelijkbaar moeten worden gemaakt. Met de totstandkoming van de VZA is reeds een belangrijke mate van standaardisering en normalisering gerealiseerd. Dit betekent echter nog niet dat alle gegevens die uit de uitvoering voortkomen uniform beschikbaar zijn. Daarnaast speelt het punt dat vanuit de informatiebehoefte de gegevens uit de uitvoering moeten kunnen worden aangevuld met enquêtegegevens. Tevens moeten longitudinale gegevensstromen kunnen worden geconstrueerd, dat wil zeggen volgtijdelijke gegevens van bepaalde groepen van verzekerden en uitkeringsgerechtigden. Bij de aanvulling met enquêtegegevens en constructie van longitudinale gegevensstromen kan gesproken worden van verrijking van de gegevens. Gegevens moeten op het laagst mogelijke aggregatieniveau beschikbaar zijn, waarbij dient te worden gewaarborgd dat zij niet op eenvoudige wijze tot natuurlijke personen herleidbaar zijn.

Behoefte aan (beleids)informatie op het gebied van de sociale zekerheid bestaat er bij de rijksoverheid, het parlement, SER en Ctsv. Daarnaast bestaat behoefte aan beleidsinformatie bij het Gib, de bedrijfsverenigingen en de Svb. Ook maatschappelijke organisaties als werkgevers-en werknemersorganisaties kunnen behoefte hebben aan beleidsinformatie op het terrein van de sociale zekerheid.

Door zijn coördinerende rol is het Ctsv het aanspreekpunt voor het verkrijgen van beleidsinformatie. Dit hoeft niet te betekenen dat het Ctsv al deze informatie bezit maar wel dat het Ctsv toegang heeft tot die informatie. Het behoort tot de taak van het Ctsv om op reguliere basis de minister kosteloos gegevens te verstrekken betreffende: a. de stand van zaken met betrekking tot onderwerpen die verband houden met de uitvoering van wetten door het College, de Bank, het Gemeenschappelijk Instituut van Bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. Het Ctsv geeft deze gegevens weer met behulp van statistieken; b. de wijze waarop door het College toezicht op de onder a. bedoelde uitvoering wordt gehouden, de daarbij gegeven aanwijzigingen en de resultaten van het toezicht; c. het beleid van de Bank en de bedrijfsverenigingen met betrekking tot de bestrijding van misbruik van wetten die worden uitgevoerd door de Bank en de bedrijfsverenigingen; d. de wijze waarop door de bedrijfsverenigingen wordt bevorderd dat zo min mogelijk een beroep op de wettelijke regelingen behoeft te worden gedaan.

Ten aanzien van de periodiciteit, de aard en de inrichting van de door de minister gewenste informatie zal, op basis van artikel 10, de minister nadere regels stellen. Daarnaast kan de minister op adhoc basis aanvullende gegevens vragen.

Naast de informatiestroom richting de minister, dient het College op verzoek aan de Sociaal Economische Raad kosteloos alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die deze raad meent nodig te hebben voor de uitoefening van zijn adviserende taak.

De veelheid van participanten, zowel aan de vraagals aan de aanbodzijde, de noodzaak tot het vergelijkbaar maken van gegevens en de wenselijkheid gegevens te verrijken zijn even zovele factoren die pleiten voor een gecentraliseerde informatiefunctie die als zelfstandige taak aan het Ctsv moet worden opgedragen.

Onderzoek Het Ctsv, de Bank, het Gib en de bedrijfsverenigingen hebben vanuit de onderscheiden taken verschillend gerichte onderzoekbehoeften. Het ligt dan ook voor de hand, dat elke organisatie beschikt over eigen onderzoekcapaciteit. Het gevaar van overlappingen dient te worden voorkomen waarbij het Ctsv een centrale rol kan vervullen. Daarbij dient onder meer goede afstemming plaats te vinden met de Commissie Onderzoek Sociale Zekerheid (COSZ) die onderzoek coördineert en programmeert binnen de sociale zekerheid als geheel.

2.1.2.3 Advisering

Het Ctsv zal de minister gevraagd en ongevraagd van advies dienen over zaken die verband houden met de werkzaamheden van het Ctsv zelf. Adviezen zullen worden gegeven in de vorm van aanbevelingen die worden gedaan naar aanleiding van uitvoeringseffectenrapportages, welke door het Ctsv worden opgesteld. Daarnaast dient het Ctsv de minister van advies op het terrein van de kosten die de uitvoering van de sociale verzekeringen met zich brengt. De algemene adviesfunctie op het terrein van de sociale verzekeringen blijft, waar het de sociaal-economische aspecten betreft, bij de SER liggen, uitvoeringstechnische adviezen worden gevraagd aan de Svb en het Gib. Op deze wijze is de betrokkenheid van de sociale partners bij de advisering over de uitvoering waar zij verantwoordelijk voor zijn, gegarandeerd.

2.1.3 Instrumenten

Om zijn toezichthoudende en informerende taken naar behoren te kunnen uitvoeren dient het Ctsv de beschikking te hebben over een volwaardig instrumentarium waarmee de uitvoering kan worden gecontroleerd en gecorrigeerd. Daarnaast dient het Ctsv de mogelijkheden te hebben om zijn informerende en adviserende functie invulling te geven. In het wetsvoorstel zijn dan ook de volgende instrumenten aan het Ctsv toebedeeld; -het Ctsv heeft het recht op inzage in alle gegevens van de uitvoeringsinstanties en dient alle informatie te verkrijgen van de uitvoeringsinstanties die het voor de uitoefening van zijn taak nodig acht.

Met deze bevoegdheid wordt het voor het Ctsv mogelijk om alle informatie te verkrijgen die het voor de uitoefening van zijn toezicht nodig acht. Deze informatie zal de basis zijn voor het opstellen van uitvoeringseffectrapportages en het afgeven van de rechtmatigheidsverklaring. Voor de minister kan het Ctsv als het centrale aanspreekpunt fungeren wat betreft het verkrijgen van informatie uit de uitvoeringsorganisatie. Dit betekent dus dat dit instrument eveneens dient tot het verkrijgen van informatie ten behoeve van het te voeren beleid.

-in de wet wordt voorgeschreven welke besluiten van de uitvoeringsinstanties de goedkeuring van het Ctsv behoeven.

Door wettelijk voor te schrijven welke besluiten van de uitvoeringsinstanties dienen te worden goedgekeurd door het Ctsv alvorens zij in werking kunnen treden, wordt een extra waarborg met betrekking tot de implementatie van de wetgeving ingebouwd.

-het Ctsv heeft het recht te bepalen welke besluiten van de uitvoeringsinstanties, welke niet reeds op grond van de wet aan een goedkeuringsvereiste van het Ctsv of de minister zijn gebonden, de goedkeuring van het Ctsv behoeven.

Deze bepaling geeft aan het Ctsv de mogelijkheid om naast de reeds wettelijk voorgeschreven goedkeuringsvereisten zelf een beleid te kunnen voeren waarmee de ontwikkelingen binnen de uitvoering worden bewaakt. -het Ctsv heeft de mogelijkheid besluiten van de uitvoeringsinstanties bij de minister voor te dragen voor schorsing en vernietiging door de Kroon. Schorsing en vernletiging kan alleen plaatsvinden indien er sprake is van strijd met het recht of het algemeen belang Dit is een belangrijk instrument waarmee het Ctsv corrigerend kan optreden in de richting van de uitvoeringsinstanties. Het schorsen en vernietigen van een besluit is een dermate gewichtige ingreep dat deze aan de Kroon is voorbehouden. De voordracht door het Ctsv zal echter een sterke signaalwerking hebben. In de praktijk zal een dergelijke voordracht niet eerder geschieden dan nadat het Ctsv langs andere wegen heeft geprobeerd de uitvoeringsinstantie het besluit te laten intrekken. -het Ctsv krijgt de bevoegdheid om de uitvoeringsinstanties aanwijzingen te geven met betrekking tot de uitoefening van hun taken.

Het geven van aanwijzingen is een van de meest effectieve en snelle instrumenten die het Ctsv ter beschikking staat. In mijn ogen zal een aanwijzing door het Ctsv een beheersings-en sturingsinstrument moeten worden dat behoort tot het reguliere instrumentarium. De aanwijzingen kunnen worden onderscheiden in aanwijzingen van algemene aard die gelden voor de gehele uitvoeringsorganisatie of delen daarvan en aanwijzingen die gericht zijn op een specifieke instantie of een specifieke situatie. Het spreekt voor zich dat de aanwijzingen van het Ctsv voortvloeien uit de taken die het Ctsv heeft op het terrein van toezicht en informatievoorziening.

Het niet opvolgen van een aanwijzing kan worden aangemerkt als onzorgvuldig bestuurlijk handelen. Aan het niet opvolgen van een aanwijzing zijn veelal consequenties verbonden die ook financiële gevolgen met zich kunnen brengen. Het zou onjuist zijn wanneer in een dergelijke situatie de centrale fondsen de financiële gevolgen zouden dragen van het niet opvolgen van een aanwijzing door het uitvoeringsorgaan. In het wetsvoorstel is de mogelijkheid opgenomen dat het Ctsv kan vermijden dat deze afwenteling plaatsvindt. Dit kan door aan het Gib aan te geven dat (voor een deel) bij de centrale fondsen gedeclareerde uitgaven niet kunnen worden gehonoreerd. Deze uitgaven zullen dan door de bedrijfsvereniging ten laste van het wachtgeldfonds of de ziekengeldkas moeten worden gebracht. Wanneer bijvoorbeeld een bepaalde bedrijfsvereniging een voorgeschreven of elders effectief gebleken handelswijze, gericht op reïntegratie van arbeidsongeschikten, ook na een daartoe strekkende aanwijzing niet toepast, kan worden besloten dat een deel van de uitgaven die bij de centrale fondsen worden gedeclareerd niet voor vergoeding in aanmerking komt. Dit kan tot gevolg hebben dat de premies voor het wachtgeldfonds of de ziekengeldkas zullen stijgen. Op deze manier worden de leden van de bedrijfsvereniging geconfronteerd met de gevolgen van het door hun bestuur gevoerde beleid. Verwacht mag worden dat hier een sterke preventieve werking vanuit gaat. De hier beschreven correctiemethodiek bij het niet opvolgen van een aanwijzing is alleen mogelijk bij bedrijfsverenigingen. De SVb beschikt immers niet over eigen geldmiddelen waaruit kan worden geput en declareert geen uitgaven.

-het Ctsv krijgt de bevoegdheid om bij een bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling de individuele beoordelingen ten aanzien van de indeling in de arbeidsongeschiktheidsklasse te toetsen.

Het vaststellen van het arbeidsongeschiktheidspercentage en de daarmee samenhangende indeling in een arbeidsongeschiktheidsklasse

is een zwaarwegende beslissing van de bedrijfsvereniging of de uitvoeringsinstelling. Een dergelijke beslissing is niet alleen van groot belang voor de cliënt, er is veelal ook een belangrijk beslag op de collectieve middelen mee gemoeid. Het spreekt voor zich dat bij dergelijke beslissingen de grootst mogelijke zorgvuldigheid en objectiviteit in acht wordt genomen. Bij beslissingen omtrent de indeling in een arbeidsongeschiktheidsklasse bestaat altijd een zekere beoordelingsruimte voor de bedrijfsvereniging. Het is immers niet mogelijk als wetgever voor te schrijven hoe in alle individuele gevallen, rekening houdend met de omstandigheden, het arbeidsongeschiktheidspercentage moet worden vastgesteld. In het SER-advies «Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid» (nr. 91/15) hebben diverse geledingen van de Raad een standpunt geformuleerd over elementen van toetsing in de gevalsbehandeling. De SER deed unaniem de aanbeveling een nieuw instrument te introduceren, de tweede medische en arbeidsdeskundige beoordeling, die zich vooral zou moeten richten op de gevallen die aanvankelijk in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse zijn ingedeeld: «In geval in het beoordelingsproces tot een restloon lager dan 20 procent wordt geconcludeerd dient voorts een tweede medische en arbeidsdeskundige beoordeling plaats te vinden alvorens de uitkering definitief wordt vastgesteld« (blz. 229, SER-advies nr. 91/15).

Het is uiteraard primair aan bedrijfsverenigingen zelf procedures in te stellen die een objectieve en rechtmatige vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage waarborgen. Daarbij kan zeker ook gedacht worden aan het inbouwen van elementen als intercollegiale toetsing en het opzetten van een systeem van second opinion, die dan wel zo spoedig mogelijk na de eerste beoordeling moet plaatsvinden. Dit bevordert de continuiteit in het uitvoeringsproces. Een dergelijke regeling zou volledig passen binnen de opvatting van de SER, dat het wenselijk is dat de definitieve indeling in de hoogste arbeidsongeschiktheidsklasse eerst wordt vastgesteld, nadat de second opinion is uitgebracht.

Ik zal dergelijke maatregelen van harte toejuichen maar acht het niet juist deze ook bij wet voor te schrijven. Anderzijds ben ik van mening dat het Ctsv ten aanzien van de arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen een belangrijke bewakende en controlerende rol dient te spelen.

Het is mijn bedoeling dat het Ctsv wanneer dat op grond van statistieken, steekproeven of andere toezichtbevindingen het vermoeden heeft dat bij een bepaalde bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling een te ruime invulling wordt gegeven aan de beleidsvrijheid op het punt van de arbeidsongeschiktheidsschatting, opdracht geeft aan deskundigen om van door het Ctsv aangewezen individuele gevallen te bezien of het arbeidsongeschiktheidspercentage op een juiste wijze is vastgesteld. De deskundigen werken onder de verantwoordelijkheid van het Ctsv en kunnen door het Ctsv worden ingehuurd van andere bedrijfsverenigingen of uitvoeringsinstellingen maar ook van instanties van buiten de uitvoeringsorganisatie. Op basis van de resultaten van de toetsing kan het Ctsv beoordelen of de vermoedens juist zijn en op welke punten een te ruim beleid wordt gevoerd. Naar aanleiding van deze resultaten zal het Ctsv aan de betreffende bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling de opdracht geven het beleid te herzien en bij te stellen in de door het Ctsv voorgeschreven richting. Een dergelijk onderzoek van het Ctsv kan geen consequenties hebben voor de bij het onderzoek betrokken individuele gevallen. Pas wanneer deze bij een herbeoordeling met het nieuwe beleid

worden geconfronteerd zal vanaf dat moment het nieuwe beleid voor hen van invloed zijn. Bij mensen bijvoorbeeld die te ruim beoordeeld zijn, zal bij de periodieke herbeoordeling, zoals deze in het wetsvoorstel Terugdringing Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) is opgenomen, een aanpassing van het arbeidsongeschiktheidspercentage naar het juiste niveau moeten plaatsvinden. Het spreekt voor zich dat het Ctsv hierop zal toezien.

-het Ctsv kan regels stellen die voortvloeien uit de toezichthoudende taak op terreinen als de inrichting van de administratie van de uitvoeringsinstellingen, de administratieve organisatie, de interne controle de toerekening van uitvoeringskosten en de financiële verslaglegging.

Het Ctsv moet om zijn toezichttaak goed te kunnen uitoefenen regels kunnen stellen op bovenstaande terreinen. Indien door het Gib gestelde regels op deze terreinen niet in overeenstemming zijn met de regels van het Ctsv, zal het Ctsv het Gib een aanwijzing geven om zijn regelgeving in overeenstemming te brengen met die van het Ctsv.

-het Ctsv heeft het recht om bestuursleden van bedrijfsverenigingen en het Gib te schorsen en te ontslaan.

Dit is een van de zwaarste middelen die het Ctsv tot zijn beschikking heeft om corrigerend op te treden. Dit middel zal slechts in een uiterst geval worden gebruikt wanneer duidelijk is geworden dat bestuursleden van het Gib of een bedrijfsvereniging zich misdragen of duidelijk niet voor hun taak berekend zijn. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het weigeren mee te werken aan het opvolgen van aanwijzingen van het Ctsv.

2.1.4 Beoordeling van de taken van het Ctsv Het Ctsv voorziet de Minister van informatie over al zijn activiteiten en rapporteert op zo nodig door de minister voor te schrijven wijze. De minister beschikt over de instrumenten om het Ctsv te corrigeren of, indien dit vanuit zijn verantwoordelijkheid noodzakelijk is, bij te sturen. Het toezicht op de wijze waarop het Ctsv zijn taken uitoefent geschiedt door de minister. Deze kan door het parlement worden aangesproken over de wijze waarop hij corrigerend naar het Ctsv toe is opgetreden. Alle instanties die aan het toezicht van het Ctsv zijn onderworpen worden beoordeeld door het Ctsv. Hiertoe dienen zij (onder meer) de jaarrekening en het jaarverslag, opgesteld overeenkomstig de door het Ctsv gestelde regels, aan het Ctsv toe te zenden.

2.2 SVb

De uitvoeringsorganisatie van de volksverzekeringen blijft in het kader van het voorliggende wetsvoorstel als zodanig ongewijzigd. Dit geldt zowel voor de bestuurlijke structuur als voor de aan de SVb opgedragen taken met betrekking tot de uitvoering van de AOW, AWW en AKW, alsmede enige andere regelingen.

Wat betreft de bestuurssamenstelling is nog vermeldenswaard dat geen ministeriële vertegenwoordiger meer deel zal uitmaken van het bestuur en dat ik tevens heb besloten af te zien van het recht -nog wel voorzien in het voorontwerp van 1989 -een ministeriële vertegenwoordiger bij de vergaderingen van het bestuur aanwezig te laten zijn. Dit past in mijn visie niet in een heldere verdeling van verantwoordelijkheden binnen de uitvoeringsorganisatie.

2.2.1 Taken

De SVb is belast met de uitvoering van AOW, AWW en AKW alsmede enige andere regelingen en het beheer van het Algemeen Ouderdomsfonds, het Algemene Weduwen-en Wezenfonds en het Algemene Kinderbijslagfonds Een nieuwe taak voor de SVb wordt het geven van uitvoeringstechnische adviezen aan de Minister. De expertise over de uitvoering van de wetten die door de SVb worden uitgevoerd is uiteraard primair bij de Bank zelf aanwezig. Het is naar mijn mening dan ook gewenst dat de Bank zelf vanuit zijn eigen deskundigheid kan adviseren over de uitvoeringstechnische aspecten van nieuwe wet-en regelgeving. Een andere belangrijke overweging van mij om de uitvoeringstechnische advisering aan de Bank (en het Gib) over te laten is dat op deze wijze de sociale partners betrokken blijven bij de uitvoeringstechnische advisering over nieuwe wet-en regelgeving.

2.3 Gib

Het opheffen van de GMD leidt automatisch tot de vraag waar de centrale taken van de GMD moeten worden ondergebracht. Daarnaast leidt het instellen van een onafhankelijk toezicht eveneens tot de vraag waar de taken van de huidige toezichthouder waarvan het wenselijk is dat de sociale partners er bij betrokken blijven, moeten worden ondergebracht. Het gaat dan om de coördinatie taken die momenteel bij de SVr en de GMD zijn geplaatst, het geven van uitvoeringstechnische adviezen, en bijvoorbeeld het beslechten van de indelingsgeschillen (zie 2.3.2.5). Vanuit het streven naar een zuiver toezicht kunnen deze taken niet bij het Ctsv worden ondergebracht. Het ligt in de rede om deze taken onder te brengen bij de uitvoering zelf.

De bedrijfsverenigingen hebben zich momenteel verenigd in de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV). De FBV is een privaatrechtelijke organisatie die geen wettelijke taken heeft (uitgezonderd het oprichten van de GMD). De FBV valt niet onder het toezicht van de SVr en ook de minister heeft geen bevoegdheden ten opzichte van de FBV. Ondanks het felt dat coördinatie en regelgeving een taak is die bij wet aan de SVr is opgedragen, houdt de FBV zich hier ook intensief mee bezig. De circulaires die de FBV uitgeeft zijn niet bindend voor de bedrijfsverenigingen. Coördinatie is een wezenlijk onderdeel van de uitvoering. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de FBV zich met dit terrein bezighoudt. Ook in dit wetsvoorstel wordt de lijn onderschreven dat coördinatie een onderdeel is van de uitvoering en dus niet bij de toezichthouder thuis hoort. Zolang er 19 bedrijfsverenigingen zijn is coördinatie noodzakelijk en zal er dus een coördinerende instelling dienen te zijn. Het ligt voor de hand dat ook in de toekomst bedrijfsverenigingen gezamenlijk afspraken maken met betrekking tot de uitvoering van de regelingen. Zou aan de werkzaamheden van de huidige FBV geen wettelijke status worden gegeven dan blijven er doublures in de uitvoering bestaan. Immers, de bedrijfsverenigingen zullen zich vanuit hun verantwoordelijkheid voor de uitvoering zelf blijven bezighouden met onderlinge coördinatie en daarnaast zal nog een andere bij wet geregelde instelling met deze taak moeten worden belast. Ik ben dan ook van mening dat de reeds aanwezige bestuurslaag een formele status dient te krijgen waardoor ook dit onderdeel van de uitvoering een plaats binnen de uitvoeringsorganisatie krijgt en onderwerp is van toezicht. Eveneens kunnen op dit

bestuursniveau taken worden opgedragen die in gezamenlijkheid door de bedrijfsverenigingen moeten worden uitgevoerd zoals de uitvoeringstechnische advisering. Het Gib is in mijn visie dus de coördinerende en regelgevende instantie van de uitvoering van de sociale verzekeringen, zoals die door de bedrijfsverenigingen wordt gerealiseerd. Het krijgt een aantal belangrijke taken opgedragen die voorheen aan de SVr waren toebedeeld zoals bijvoorbeeld de uitvoeringstechnische advisering, fondsbeheer, budgettering en het beslissen over de aansluiting van werkgevers bij een bedrijfsvereniging. Door zijn coördinerende taken en regelgevende bevoegdheden is het Gib ook in staat om de samenwerking in de regio mede gestalte te geven. De taken waarmee het Gib wordt belast zijn van groot belang voor de wijze waarop de uitvoering van de wetten wordt vormgegeven. Het Ctsv waakt vanuit zijn toezichthoudende taak over de manier waarop de uitvoeringsinstanties met hun verantwoordelijkheid omgaan. Ik heb met de taakverdeling tussen het Ctsv en het Gib beoogd een duidelijke bevoegdheidsverdeling te scheppen en een duidelijke afbakening van functies. In dit wetsvoorstel zijn de noodzakelijke voorwaarden gecreëerd voor een goede uitvoering van de aan het Gib opgedragen taken.

Zowel de SVr als de SER hebben er in hun adviezen voor gepleit de positie en de status van het Gib minder zwaar aan te zetten. Zij zijn van mening dat het Gib van, voor en door de bedrijfsverenigingen is en dat er met het creëren van een publiekrechtelijke rechtspersoon niet de indruk mag worden gewekt dat er een extra bestuurslaag wordt gecreëerd. Zij pleiten dan ook voor terughoudendheid van de wetgever op punten als bestuurssamenstelling, benoeming van de voorzitter, reis-en onkostendeclaraties e.d. Met name de SVr wijst erop dat de beleidsvrijheid van de bedrijfsverenigingen, door hetgeen in de adviesaanvrage omtrent de coördinatiebevoegdheden wordt geregeld, te sterk wordt aangetast. Zowel de SER als de SVr pleiten in hun adviezen om de naam van het bestuurslichaam te veranderen in Federatie van Bedrijfsverenigingen nieuwe stijl. Op deze manier zou tot uitdrukking kunnen worden gebracht dat het primair gaat om een voortzetting van de bestaande Federatie, echter nu ook met wettelijk vastgelegde taken.

Ik deel de mening van de SER en de SVr dat in het voorontwerp de bemoeienis van de wetgever met de bestuurlijke inrichting van het Gib te zwaar was aangezet. Daarom is nu gekozen voor het model dat de FBV als Gib kan worden erkend indien de FBV aan een aantal vereisten voldoet. Het opnemen van deze vereisten in de wet is noodzakelijk om een goede gang van zaken te waarborgen. Zouden taken als advisering, coördinatie, fondsbeheer, budgettering, bevorderen van samenwerking in de regio e.d. aan een lichaam worden opgedragen dat zich op een vrijblijvende wijze kan opstellen in de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen, dan ontbreekt voor de toezichthouder het aanspreekpunt omtrent de resultaten van de uitvoering van de opgedragen taken. De stelling van de SVr dat de beleidsvrijheid van de bedrijfsverenigingen te zwaar zal worden aangetast kan door mij niet worden gedeeld. Immers, ten opzichte van de huidige situatie wordt de beleidsvrijheid juist vergroot. Thans is het de toezichthouder die de voorschriften aan de bedrijfsverenigingen oplegt, terwijl het wetsvoorstel er van uitgaat dat de bedrijfsverenigingen, zij het in gezamenlijkheid, zelf hun eigen voorschriften stellen.

Ik heb het voorstel om de naam van het bestuurslichaam te wijzigen in Federatie van Bedrijfsverenigingen nieuwe stijl dan ook niet overgenomen. Dit geeft naar mijn mening niet juist weer wat de nieuwe positie en status van de nieuwe FBV is.

2.3.1 Samenstelling

Ik wil bij de samenstelling van het bestuur van het Gib de bedrijfsverenigingen -en dus de sociale partners -een zo groot mogelijke vrijheid geven. De enige voorwaarde die wordt gesteld is een gelijke verdeling tussen vertegenwoordigers van werknemers-en werkgeversorganisaties. Op deze manier is gegarandeerd dat het Gib van de bedrijfsverenigingen is en dat de sociale partners op gelijkwaardige wijze hun verantwoordelijkheid voor de uitvoering kunnen dragen. Daarnaast laat ik de mogelijkheid open om ook vertegenwoordigers van centrale werkgevers-en werknemersorganisaties in het Gib zitting te laten nemen. Het initiatief hiertoe moet echter van de sociale partners zelf komen.

In zijn advies van 1 februari 1990 heeft het Abp-bestuur voorgesteld de overheidspensioenlichamen meer direct te betrekken bij de besluitvorming binnen het Gib. Kennelijk is daarbij gedacht aan een lidmaatschap of plaatsvervangend lidmaatschap van het bestuur. Waar het Gib slechts een beperkte taak krijgt met betrekking tot de overheidspensioenlichamen ligt een (plaatsvervangend) bestuurslidmaatschap echter niet in de rede. Het wetsvoorstel voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid dat het bestuur van het Gib commissies kan instellen waaraan ook personen kunnen deelnemen die geen lid zijn van het Gib. Via dergelijke commissies kunnen dus de overheidspensioenlichamen hun inbreng hebben.

2.32 Taken

In dit wetsvoorstel wordt aan het Gib een aantal belangrijke taken opgedragen. Evenals voor het Ctsv en de Svb geldt ook voor het Gib dat een uitbesteding van de wettelijk opgedragen taken niet mogelijk is. Naast de problemen die een dergelijke uitbesteding voor het toezicht met zich meebrengt zou dit de onevenwichtigheid van de verdeling van taken over de uitvoeringsinstellingen onnodig versterken.

2.3.2.1 Bevorderen van een goed gecoördineerde uitvoering van de sociale zekerheidswetten door de bedrijfsverenigingen Het is duidelijk dat het Gib zorg dient te dragen voor eenheid in beleid. Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om afstemming van beleid ten aanzien van zowel de distribuerende functie (verstrekken van uitkeringen) als de collecterende functie (premieheffing en premie-inning). Dit zal onder meer betekenen dat er een eenduidig beleid wordt vastgesteld met betrekking tot reintegratie-instrumenten als werkvoorzieningen en scholing.

Bij de uitvoering van de ziekte-en arbeidsongeschiktheidswetten (ZW, WAO/AAW, WAGW) is uiteraard de medisch-arbeidsdeskundige taak, die thans door de GMD wordt verricht, van bijzondere betekenis. De centrale sturing in de uitvoering van deze taak is opgedragen aan het Gib. Een en ander betekent dat het Gib via coördinatievoorschriften zorg dient te dragen voor een op elkaar afgestemde toepassing van de ZW, WAO, AAW en WAGW.

De interne coördinatie betreft voorts de afstemming van de administratieve organisaties van de bedrijfsverenigingen. Een dergelijke afstemming is bijvoorbeeld nodig om te komen tot een efficiënte

gegevensuitwisseling tussen bedrijfsverenigingen. Tevens is die afstemming nodig om te komen tot een eenduidige leverantie van gegevens aan het Ctsv. Overigens zal het Ctsv vanuit zijn toezichthoudende verantwoordelijkheid de kaders aangeven voor de inrichting van de administratieve organisatie.

De interne coördinatie heeft ook betrekking op de afstemming in de allocatie van personeel en middelen. In dit kader kan het Gib stimulerend optreden teneinde te bereiken dat een doelmatige en evenwichtige benutting van de materiële en personeelsvoorziening wordt gerealiseerd.

Vanuit zijn overkoepelende positie is het Gib in de gelegenheid lacunes in de reeds aanwezige expertise van de uitvoeringsorganisatie te signaleren. Het Gib kan maatregelen treffen om de benodigde deskundigheid in voldoende mate tot ontwikkeling te laten komen.

2.3.2.2 Bevorderen van samenwerking tussen de bedrijfsverenigingen en andere diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten, verband houdende met werkzaamheden van bedrijfsverenigingen In hoofdstuk 6 zal nog uitgebreid worden ingegaan op de rol die het Gib op dit terrein kan spelen. Hier kan worden volstaan met het noemen van de taak die in het wetsvoorstel op dit punt aan het Gib is opgedragen.

2.3.2.3 Advisering op uitvoeringstechnisch gebied Evenals bij de Svb, stel ik voor om de uitvoeringstechnische adviezen door het Gib te laten verzorgen. Ook hier gelden de reeds eerder genoemde argumenten van deskundigheid en betrokkenheid van de sociale partners. Het kan in enkele gevallen voorkomen dat een onderwerp zowel de Svb als het Gib aangaat. In die gevallen zullen beide instanties zelf voor een onderlinge afstemming bij de advisering zorg moeten dragen.

2.3.2.4 Indelingsgeschillen

Thans is aan de SVr de beslechting rond indelingsgeschillen opgedragen. Het betreft hier geschillen omtrent de aansluiting van werkgevers bij een bedrijfsvereniging. Dit kunnen zijn geschillen tussen een werkgever en een bedrijfsvereniging maar ook geschillen tussen twee bedrijfsverenigingen. Bij de geschillen omtrent de aansluiting van een werkgever bij een bedrijfsvereniging staan veelal grote belangen voor zowel de werkgever als de bedrijfsvereniging op het spel. Ik heb me afgevraagd of gezien de nieuwe opzet van het toezicht en de nieuwe verdeling van taken tussen het Ctsv en het Gib, het Ctsv nog steeds de aangewezen instantie is om de geschillen omtrent de aansluiting van een werkgever bij een bedrijfsvereniging te beslechten. Daarbij speelt ook op de achtergrond dat de mogelijkheden voor beroep tegen aansluitingsbeslissingen zullen worden veranderd (zie paragraaf 8.1).

Ik ben van mening dat in het kader van de eigen verantwoordelijkheid die de uitvoeringsinstanties dragen voor de uitvoering van de wet, het past om het Gib dat bestaat uit de bedrijfsverenigingen, zelf de geschillen omtrent de aansluiting van een werkgever bij een bedrijfsvereniging te laten oplossen. Daarnaast past het in de taak-en bevoegdhedenverdeling om het Ctsv zo min mogelijk te belasten met uitvoerende werkzaamheden. Daarom heb ik in dit wetsvoorstel opgenomen dat het Gib ingeval van

conflict een besluit dient te nemen omtrent de aansluiting van een werkgever bij een bedrijfsvereniging. Tegen een besluit van het Gib staat -anders dan de besluiten die thans worden genomen door de SVr -beroep open bij de rechter (zie 8.1). Het Ctsv ziet er vanuit zijn toezichthoudende taak op toe dat het Gib op een zorgvuldige wijze omgaat met deze geschillenbeslechting.

2.3.2.5 Fondsbeheer en budgettering Hier wordt volstaan met de opmerking dat ook het beheer van fondsen en de budgettering bij de taken van het Gib horen. In hoofdstuk vijf zal hier nog nader op in worden gegaan.

2.3.3 Instrumenten van het Gib De mogelijkheid bindende regels te stellen is het belangrijkste instrument dat het Gib tot zijn beschikking staat. Daarnaast kan door de samenstelling van het Gib en zijn positie in de uitvoeringsorganisatie veel bereikt worden langs de weg van kennisuitwisseling, overreding en stimulering. Het Gib heeft door zijn coördinerende taak in de nieuwe organisatiestructuur een goede uitgangspositie om de uitvoering te kunnen stroomlijnen. Het is in de eerste plaats het forum waar kwaliteit en uniformiteit van het uitvoeringsproces bij de bedrijfsverenigingen aan de orde worden gesteld. Het Gib is hiermee in staat voorwaarden te scheppen waaronder de bedrijfsverenigingen cliënten efficiënt en eenduidig kunnen helpen. Het Gib kan tevens de samenwerking tussen de uitvoeringsinstanties bevorderen door via coördinatieafspraken (en, indien een bedrijfsvereniging zich aan die afspraken onttrekt, voorschriften) de • juiste condities te scheppen, zoals bijvoorbeeld methodieken voor een adequate vervulling van de loketfunctie en voor de uitwisseling van gegevens. Het Gib is op deze wijze in staat een belangrijke bijdrage aan een optimale structurering van het uitvoeringsproces te leveren. Vanuit zijn centrale positie kan het Gib voorts stroomlijnend werken door over de grenzen van de uitvoeringsorganisatie van de werknemersverzekeringen afstemming te bevorderen.

Verder zal het Gib op basis van zijn eigen verantwoordelijkheid op medisch-arbeidsdeskundig terrein bij kunnen dragen aan een goede aansluiting van beleidsmaatregelen en de realisatie daarvan in het uitvoeringsproces.

2.4 Bedrijfsverenigingen

Voor de bedrijfsverenigingen is de belangrijkste verandering die dit wetsvoorstel met zich brengt het opheffen van de GMD en de daarmee samenhangende overdracht van taken. Een tweede belangrijk aspect is de nadruk op de samenwerking in de regio. Voor het overige blijft in dit wetsvoorstel de status en positie van de bedrijfsverenigingen in de uitvoeringsorganisatie hetzelfde.

2.4.1 Samenstelling en erkenning Zowel de SER als de SVr adviseren om, in tegenstelling tot hetgeen in de adviesaanvrage staat, de minister de bedrijfsverenigingen te laten erkennen. De adviesorganen zijn van mening dat een erkenning door de minister in het verlengde ligt van de ministeriële betrokkenheid ten aanzien van de representativiteit van de organisaties die een bedrijfsver-

eniging kunnen oprichten en dat een dergelijke erkenning past bij de publiekrechtelijke taken die de bedrijfsvereniging uitvoert. Ik heb de adviezen op dit punt overgenomen.

De bestuurssamenstelling van een bedrijfsvereniging blijft op dezelfde wijze geregeld als in de huidige OSV. Zowel de SER als de SVr kunnen zich daar in vinden. De SER gaat in zijn advies nog nader in op het feit dat slechts een representativiteitsverklaring leidt tot een benoemingsrecht in het bestuur van een bedrijfsvereniging, hetgeen -gegeven een bepaald aantal bestuurszetels -kan inhouden dat een organisatie die in een bedrijfstak partij is bij een cao, desondanks toch niet-vertegenwoordigingsbevoegd voor het bestuur van een bedrijfsvereniging moet worden verklaard gezien de sociaal-economische betekenis van de andere organisaties. De Raad schrijft in zijn advies te verwachten dat het bestuur van de bedrijfsvereniging in dergelijke situaties naar wegen zoekt en daaraan in de statuten vorm geeft om ook de niet tot het bestuur toegelaten vakorganisaties op een zinvolle wijze bij het besturen en de arbeid van een bedrijfsvereniging te betrekken, bijvoorbeeld bij de risicogroepen dan wel de bedrijfsafdelingen. Tevens verwacht de raad dat de wel tot het bestuur en arbeid toegelaten organisaties van werkgevers en werknemers er in hun doen en laten blijk van geven ook rekening te houden met de belangen van de niet-vertegenwoordigingsbevoegde vakorganisaties en hun leden; de Raad acht dit een eis van behoorlijk bestuur. Ik kan dit standpunt van de raad onderschrijven.

De bedrijfsverenigingen zijn belast met de uitvoering van de WW, ZW, WAO, AAW, TW en WAGW, inclusief het beheer van wachtgeldfondsen en ziekengeldkassen, en de premieheffing incl. ZFW.

2.5 De uitvoeringsinstellingen In tegenstelling tot de huidige situatie is in het wetsvoorstel als uitgangspunt opgenomen dat de bedrijfsverenigingen zelf hun taken uitvoeren. Het is echter mogelijk om wettelijk opgedragen taken uit te besteden aan een uitvoeringsinstelling. Door het gezamenlijk uitbesteden van de uitvoering ontstaan voor de bedrijfsverenigingen de mogelijkheden de wet op optimale wijze uit te voeren. Een groot aantal bedrijfsverenigingen is immers niet in staat zelf de wettelijke taken op optimale wijze uit te voeren. De huidige verdeling van uitvoeringsclusters is onevenwichtig en draagt niet bij aan een doelmatige uitvoering (zie hoofdstuk 6). De huidige verdeling is overigens zeer wel verklaarbaar aangezien tot voor kort de OSV voorschreef dat de uitvoering alleen aan het GAK mocht worden opgedragen. In het wetsvoorstel is geregeld dat alle bedrijfsverenigingen zelf mogen bepalen aan welke uitvoeringsinstelling de uitvoering wordt uitbesteed, op grond van een schriftelijke overeenkomst die de goedkeuring van het Ctsv behoeft.

In de adviesaanvrage was sterk de nadruk gelegd op de verantwoordelijkheid van de bedrijfsverenigingen en stelde het kabinet zich op het standpunt dat het niet nodig was in de wet regelingen op te nemen over de positie van de uitvoeringsinstellingen, aangezien de bedrijfsverenigingen op alles kunnen worden aangesproken. In dit wetsvoorstel is er voor gekozen de positie van de uitvoeringsinstellingen wettelijk te regelen. De SVr wees er in zijn advies reeds op dat weliswaar langs de weg van het aanspreken van de bedrijfsverenigingen op hun verantwoordelijkheid formeel hetzelfde werd beoogd, maar dat duidelijkheid toch gewenst was.

2.6 Cliëntenparticipatie

In de memorie van toelichting op het voorontwerp voor een nieuwe OSV werd in § 3.3 aandacht besteed aan het vraagstuk van cliëntenparticipatie. Vervolgens heb ik op 19 februari 1991 als bijlage bij het kabinetsstandpunt een nota hierover aan de Tweede Kamer gezonden (Tweede Kamer, 1990-1991, 22011, nr. 1). Ik handhaaf de in die nota getrokken conclusie, dat niet moet worden overgegaan tot participatie van cliëntenorganisaties op bestuursniveau. In dit wetsvoorstel zijn bepalingen opgenomen die de Svb, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen verplichten, in een reglement op te nemen de wijze waarop cliënten bij de beleidsvorming ten aanzien van de uitvoering worden betrokken. Op deze wijze wordt een door mij noodzakelijk geachte betrokkenheid van de cliënt bij de uitvoering gerealiseerd.

HOOFDSTUK 3. GEVALSBEHANDELING IN HET KADER VAN DE ZW, WAO EN AAW

3.1 Algemeen

Een van de hoofddoelstellingen van het kabinetsbeleid is het terugdringen van het aantal arbeidsongeschikten. In verband hiermede zijn drie wetgevende operaties te onderscheiden. De eerste, de Wet Terugdringing Arbeidsongeschiktheidsvolume (TAV) is inmiddels in het Staatsblad verschenen en van kracht geworden. Het wetsvoorstel Terugdringing Ziekteverzuim (TZ) en het wetsvoorstel Terugdringing van het Beroep op de Arbeidsongeschiktheidsregelingen (TBA) zijn inmiddels bij de Tweede respectievelijk de Eerste Kamer aangeboden. Daarnaast heeft het kabinet het standpunt inzake sociaal-medische begeleiding bepaald en verwerkt in het wetsvoorstel wijziging Arbowet en het wetsvoorstel TZ (Tweede Kamer, 1991-1992, 22300 XV, nr. 82). Kenmerkend voor de voorgestelde regelingen is dat zij een groter beroep doen op de verantwoordelijkheid van zowel de werkgever als de werknemer om een bijdrage te leveren aan het terugdringen van het ziekteverzuim en het beroep op de arbeidsongeschiktheidswetten. De nadruk op de verantwoordelijkheid van de arbeidsorganisatie zelf leidt er toe dat de bedrijfsverenigingen een faciliterende, controlerende en corrigerende taak krijgen in plaats van dat zij daadwerkelijk de individuele werknemer begeleiden. De bedrijfsvereniging blijft belast met de beoordeling van de claims op de ziekengeldkassen en de AAW/WAO-uitkeringen en waakt ervoor dat de werkgever zich een voldoende inspanning getroost om de werknemer weer zo snel mogelijk binnen het bedrijf te reïntegreren. De bedrijfsvereniging volgt dit proces, biedt vanuit de mogelijkheden die de Ziektewet en AAW/WAO daarvoor bieden, het benodigde instrumentarium aan en sanctioneert de werkgever en de werknemer indien zij zich niet aan hun verplichtingen houden. Een en ander is, voor wat betreft de taken van de bedrijfsverenigingen, beschreven en geïmplementeerd in het wetsvoorstel TZ, en voor wat betreft de taken van de werkgever en de deskundige diensten, beschreven en geïmplementeerd in het wetsvoorstel tot wijziging van de Arbowet. Laatstgenoemde wetsvoorstel verplicht de werkgever een actief preventie-en verzuimbeleid te voeren en zich daarbij te laten ondersteunen door een gekwalificeerde deskundige dienst (Arbodienst of bedrijfsgezondheidsdienst). Deze ondersteuning dient toegesneden te zijn op de aard van de risco's en de omvang en samenstelling van het personeel. Daarnaast regelt het wetsvoorstel de taken van de deskundige diensten en de vereiste deskundigheid en het toezicht op de diensten.

Door zowel de Tweede Kamer als het kabinet is er tijdens de discussie over de voorstellen voor het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume, voortdurend op gewezen dat de regelgeving niet het optimale effect zal kunnen hebben indien de uitvoering daarvan niet goed geregeld is. Het oplossen van de knelpunten in de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen maakt dan ook een wezenlijk onderdeel uit van het totale pakket van beleidsmaatregelen dat moet leiden tot een terugdringing van het aantal arbeidsongeschikten. Naast het feit dat het wetsvoorstel in zijn totaliteit een bijdrage vormt aan een doelmatige en vereenvoudigde uitvoering, zijn er drie specifieke elementen in opgenomen die gericht het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume tot doel hebben. Ten eerste is dat een verduidelijking van de verantwoordelijkheden bij de gevalsbehandeling in geval van ziekte en arbeidsongeschiktheid (waaronder de «geïntegreerde gevalsbehandeling»); in deze paragraaf wordt daar verder op ingegaan. Ten tweede is dat de bepaling dat in de statuten van de bedrijfsverenigingen moet worden opgenomen dat het bestuur van de bedrijfsvereniging bevoegd is een werkgever toe te staan het risico van de ziekengeldverzekering zelf te dragen. Op deze wijze wordt het dragen van de verantwoordelijkheid door de werkgever bevorderd. Als laatste kan worden opgemerkt dat het Ctsv de mogelijkheid heeft om bij een bedrijfsvereniging op individueel niveau de indeling van cliënten in een bepaalde arbeidsongeschiktheidsklasse te laten toetsen. Op basis van die onderzoeksresultaten kan dan worden besloten of het beleid van de betreffende bedrijfsvereniging op dit punt bijstelling behoeft.

De bestaande uitvoeringsstructuur is op een aantal punten sterk belemmerend voor de uitvoering van een beleid dat gericht is op het terugdringen van het aantal arbeidsongeschikten. De huidige aanpak, waarbij afhandeling van juridischadministratieve vraagstukken bij de beslissende instantie (de bedrijfsvereniging) berust terwijl de medisch-arbeidskundige kwesties onder een adviserende instantie (de GMD) ressorteren, is niet adequaat. Door de opdeling van taken tussen bedrijfsverenigingen en GMD is veelvuldig overdracht van gegevens nodig, hetgeen de snelheid van de besluitvorming niet ten goede komt. Bovendien geeft de betrokkenheid van diverse artsen, ook voor de cliënt, aanleiding tot verwarring. Daarnaast moet gezegd worden dat de samenwerking tussen de GMD en de bedrijfsverenigingen niet altijd even makkelijk verloopt. De Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) heeft met het voorstel tot zeer nauwe samenwerking tussen het GAK en de GMD van 25 oktober 1991 geprobeerd dit laatst genoemde euvel te verhelpen. Echter, tot een geïntegreerde gevalsbehandeling kan men niet komen. Kernpunt blijft immers dat er sprake is van twee instanties met eigen verantwoordelijkheden die beiden bemoeienis hebben met een en dezelfde gevalsbehandeling.

3.2 Verantwoordelijkheden en taken Uitgangspunt voor mij is een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling tussen de werkgever en bedrijfsvereniging als het gaat om de claimbeoordeling en de begeleiding en reïntegratie van de zieke of arbeidsongeschikte werknemer. Met het kabinetsstandpunt sociaal-medische begeleiding is aan de geïntegreerde gevalsbehandeling een nadere invulling gegeven. Hoewel er sprake is van twee gescheiden verantwoordelijkheden (werkgever en bedrijfsvereniging) is er in de nieuwe situatie maar één instantie belast met de uitvoering van de ZW en de AAW/WAO. Tot de verantwoordelijkheid van de werkgever, daarbij ondersteund door een Arbodienst, behoort de preventie, begeleiding en reïntegratie binnen de onderneming. De bedrijfsvereniging is verantwoor-

delijk voor de claimbeoordeling en toepassing van wettelijke instrumenten. Daarnaast is er de verantwoordelijkheid voor de reïntegratie indien blijkt dat herplaatsing binnen de onderneming niet aan de orde is, of indien er geen sprake (meer) is van een dienstverband met een werkgever. Dit is een gezameniijke verantwoordelijkheid van de bedrijfsvereniging en het RBA. Om een soepele overgang in de gevalsbehandeling tussen beide trajecten te bewerkstelligen ligt de coördinatie op dit punt bij de bedrijfsvereniging. Deze is immers bij beide trajecten betrokken. Om een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling te bereiken en voornoemde coördinatie te kunnen vervullen is het noodzakelijk dat de bedrijfsverenigingen op die terreinen waar zij verantwoordelijk zijn ook als enige die verantwoordelijkheid dragen. Dit houdt in dat in tegenstelling tot de huidige situatie waarin zowel aan de bedrijfsvereniging als de GMD taken zijn toebedeeld, nu alleen de bedrijfsvereniging een controlerende, corrigerende en faciliterende taak heeft. De verantwoordelijkheid van de bedrijfsvereniging is de loonschade, gedurende het ziektewetjaar en de AAW/WAO-periode zo gering mogelijk te houden. Dit houdt de volgende taken voor de bedrijfsvereniging in: -de beoordeling of er sprake is van ziekte of gebrek, althans vanaf het moment dat er een beroep wordt gedaan op uitkeringen krachtens de Ziektewet of de AAW/WAO; -de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid; -de beoordeling of een voorziening ter bevordering, tot behoud of herstel van de arbeidsgeschiktheid om medische redenen of arbeidsdeskundige redenen noodzakelijk is; -het beoordelen, corrigeren en faciliteren van de reïntegratie-activiteiten van de werkgever gericht op terugkeer naar de werkplek of elders binnen het bedrijf van dezelfde werkgever; -het sanctioneren van de werkgever in geval van inadequaat functioneren ten aanzien van zijn begeleiding en reïntegratietaken; -in samenwerking met het RBA de werknemer begeleiden naar een nieuwe werkplek op het moment dat herplaatsing binnen het eigen bedrijf niet mogelijk blijkt.

In het wetsvoorstel wijziging Arbowet en in het wetsvoorstel TZ wordt uitvoerig ingegaan op de taak-en verantwoordelijkheidsverdeling tussen de bedrijfsvereniging en de werkgever.

3.3 Overdracht taken van de GMD De taken van de GMD worden in de nieuwe situatie niet als een totaalpakket naar een andere instelling overgeheveld. Een deel van de GMD-taken, namelijk de medische en arbeidsdeskundige taken, zal worden overgeheveld naar de bedrijfsverenigingen voor het uitoefenen van taken als claimbeoordeling en arbeidsongeschiktheidsschatting, het beoordelen, corrigeren en faciliteren van de reïntegratie-activiteiten bij de eigen werkgever, de toepassing van reïntegratie-instrumenten e.d. De activiteiten van de GMD gericht op reïntegratie binnen het eigen bedrijf, zullen in de toekomst door de deskundige diensten, die door de werkgever zijn ingeschakeld, worden verricht. Dit brengt met zich mee dat door de taak die de deskundige diensten ten aanzien van reïntegratie bij het eigen bedrijf hebben, ook daar arbeidsdeskundige activiteiten zullen worden ontplooid. De GMD oefent momenteel een aantal centrale taken uit die niet naar de diverse bedrijfsverenigingen kunnen worden overgeheveld. Het betreft

hier met name de beleidsvoorbereidende en beleidsondersteunende werkzaamheden van de stafdiensten van het huidige GMD-apparaat. Deze activiteiten dragen bij aan het bevorderen van de eenheid in beleid ten aanzien van reïntegratie-instrumenten zoals voorzieningen, scholing en arbeidsbemiddeling Ik acht het wenselijk dat deze activiteiten ook in de toekomst centraal worden gestuurd. Het Gib zal daarom worden belast met de huidige centrale GMD-activiteiten. Het is het voornemen van het kabinet dat de arbeidsbemiddeling in de toekomst weer door Arbeidsvoorziening ter hand wordt genomen. De regering is, zoals bekend, van oordeel dat het verstrekken van leefvoorzieningen aan de gemeenten moet worden overgedragen. Het Gib heeft de bevoegdheid dwingend voorschriften op te leggen aan de bedrijfsverenigingen. Dit is een belangrijk instrument om de kwaliteit van de medisch-arbeidsdeskundige taken van de bedrijfsverenigingen te kunnen waarborgen.

In tegenstelling tot het voorontwerp van wet van 8 september 1989, is in dit wetsvoorstel geen bepaling meer opgenomen die het Gib en de bedrijfsverenigingen verplicht een sociaal-medische en arbeidsdeskundige afdeling in stand te houden. Ik ben het eens met het advies van de SVr dat stelt dat dit bedrijfsorganisatorisch aspect niet in de wet behoort te worden geregeld.

Zowel de SER als de SVr hebben positief geadviseerd over het voornemen de GMD op te heffen en de geïntegreerde gevalsbehandeling mogelijk te maken. De SER sluit voor een belangrijk deel aan bij het advies van de Stichting van de Arbeid dat op 14 oktober 1988 aan de Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid is uitgebracht. In dat advies wordt een uitvoerige analyse van de huidige medische en arbeidsdeskundige gevalsbehandeling gegeven en geeft het Bestuur van de Stichting aan wat naar zijn oordeel de gewenste structuur voor de medische en arbeidsdeskundige gevalsbehandeling dient te zijn. Het advies kon uiteraard geen rekening houden met de recente ontwikkelingen en voorstellen op het terrein van het terugdringen van het arbeidsongeschiktheidsvolume. Als gevolg daarvan zijn de adviezen niet meer volledig in relatie te brengen tot de huidige voorstellen op het punt van sociaal-medische begeleiding en de daarmee veranderde invulling van de geïntegreerde gevalsbehandeling.

3.4 Arbeidsbemiddeling

Door een sterkere bedrijfsgerichtheid wordt de kans op werkhervatting van het merendeel van de arbeidsongeschikten weliswaar vergroot maar dreigt de groep arbeidsongeschikten die niet binnen het eigen bedrijf herplaatst kan worden minder kans op werkhervatting te krijgen. Daarnaast dreigt de noodzakelijke aandacht voor de (her)intreding van vroeggehandicapten en arbeidsongeschikte zelfstandigen (kortom belangrijke delen van de WAGW-populatie) in het arbeidsproces te weinig plaats te krijgen. Door de bedrijfs(tak)gerichtheid van de bedrijfsverenigingen hebben zij geen kennis van de totale (regionale) arbeidsmarkt. Op het moment dat er arbeidsbemiddeling nodig is die verder gaat dan herplaatsing binnen het bedrijf is naast de kennis van het aanbod van arbeid (de cliént) ook kennis en inzicht van de vraagkant van de arbeidsmarkt noodzakelijk en dan nog wel specifiek gericht op de veranderde mogelijkheden van de cliënt. Hierbij moet onder meer gedacht worden aan kennis van functies in andere bedrijven en kennis van scholings-en beroepsoriëntatiemogelijkheden. De arbeidsbemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten is tot 1987 uitsluitend een taak geweest van de Gewestelijke Arbeidsbureaus. Om de reïntegratie van deze groep mensen in het arbeidsproces beter te laten verlopen is de

arbeidsbemiddeling van de gedeeltelijk arbeidsgeschikten sinds 1987 een taak van de GMD.

Naar mijn mening is het voor een geslaagde arbeidsbemiddeling noodzakelijk dat de bemiddelende instantie beschikt over zowel de kennis van het aanbod van de arbeidsmarkt als van de vraag. Daarnaast dient de instantie inzicht te hebben in de regionale scholings-en werkervaringsmogelijkheden en een arbeidsmarktbrede professionele bemiddeling kunnen aanbieden. Bij de afzonderlijke bedrijfsverenigingen is dit niet het geval. Het probleem wordt niet afdoende opgelost door de bedrijfsverenigingen hun kennis van de vraagkant van de arbeidsmarkt aan te laten reiken door de in de regio aanwezige organen van de arbeidsvoorziening. Op de eerste plaats zullen deze organen met minstens vijf verschillende arbeidsbemiddelende instanties te maken krijgen, hetgeen verwarrend zal werken. Daarnaast ontstaat er het risico dat juist bij deze groep moeilijk bemiddelbare cliënten een onwenselijke concurrentiestrijd gaat ontstaan tussen de bedrijfsverenigingen onderling. Ik wil verzekerd zijn van een uitvoeringsorganisatie waarbij alle gedeeltelijk arbeidsgeschikten een zo kansvol mogelijke reïntegratie in het arbeidsproces tegemoet kunnen zien. Vrijwillige afspraken en coördinatie tussen de verschillende uitvoeringsinstanties op dit punt acht ik te weinig voorwaardenscheppend om tot een succesvolle reïntegratie van alle arbeidsongeschikten te komen. Het in het voorontwerp van 8 september 1989 gedane voorstel om tot een opzet van contactbedrijfsverenigingen te komen, wordt door mij bij nadere beschouwing als onvoldoende remedie gezien tegen de eerder beschreven problemen. Bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn de kennis en mogelijkheden op het terrein van arbeidsbemiddeling ruimschoots aanwezig. Gedacht kan worden aan de kennis van de arbeidsmarkt, de kennis van het (traject)bemiddelingsproces en het beschikken over de regiefunctie op de regionale arbeidsmarkt. Ik heb daarom het voornemen het proces van de arbeidsbemiddeling voor die arbeidsongeschikten die niet door de werkgever herplaatst kunnen worden in het eigen bedrijf, nu in overleg met het CBA onder te brengen bij de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

Ik heb bij brief van 3 mei 1991, bijgesteld bij brief van 11 juli 1991 advies gevraagd aan het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) over de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten. In zijn reactie van 24 april 1992 heeft het CBA aangegeven van mening te zijn, mede op grond van artikel 3 van de Arbeidsvoorzieningswet, dat de bemiddeling van gedeeltehjk arbeidsgeschikten in beginsel een taak is van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Artikel 3 bepaalt dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie tot taak heeft een doelmatige en rechtvaardige aansluiting op de arbeidsmarkt te bevorderen. Gelet op de omvangrijke en uitvoeringstechnisch gezien complexe materie wil het CBA -alvorens de betrokkenheid bij de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten in definitieve zin vorm wordt gegeven -via enkele regionale experimenten nagaan of en op welke wijze de Arbeidsvoorzieningsorganisatie deze taak naar behoren kan uitvoeren. Daarbij is op voorhand zeker dat samenwerking met andere organisaties noodzakelijk is, aldus het CBA.

Ik onderschrijf dat een zorgvuldige voorbereiding van de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten wenselijk is. Regionaal zullen tussen de bedrijfsverenigingen en het Regionaal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening afspraken moeten worden gemaakt over de wijze van samenwerking ter bevordering van de arbeidsinpassing van gedeeltelijk arbeidsgeschikten. In dit wetsvoorstel is een inspanningsverplichting tot samenwerking opgenomen.

Ik hecht eraan dat de arbeidsdeskundige van de bedrijfsvereniging nauw bij het bemiddelingsproces betrokken blijft. Hij is op de hoogte van de medische geschiedenis van de werknemer en diens arbeidsdeskundige belastbaarheid en kan op grond daarvan advies geven inzake de geschiktheid van vacatures. Tevens kan hij zorgdragen voor de inzet van het reïntegratie-instrumentarium van de bedrijfsvereniging. Het betreft hier onder meer de toekenning van werkvoorzieningen in het kader van de AAW, de toepassing van artikel 33 AAW en 44 WAO (uitstel herschatting bij twijfel of de werkhervatting duurzaam is) en uitstel van schatting bij scholing. Voor de werknemer is er het voordeel dat de begeleiding door een en dezelfde persoon wordt gecontinueerd. Ten slotte is het van groot belang dat door de continue betrokkenheid van éèn arbeidsdeskundige beter is gewaarborgd dat, zodra de arbeidsdeskundige moet constateren dat herplaatsing bij de eigen werkgever niet mogelijk is, direct aanmelding bij het arbeidsbureau plaatsvindt en de mogelijkheden op de externe markt worden verkend. Immers, naarmate de zieke of arbeidsongeschikte werknemer langer buiten het arbeidsproces verkeert, gaat deze duur op zichzelf een belemmering vormen voor herintrede in het arbeidsproces. Het is daarom van belang dat direct een zo breed mogelijke oriëntatie op de arbeidsmarkt plaatsvindt, opdat de band met de arbeidsmarkt zo snel mogelijk weer wordt hersteld. Voor de overdracht van de bemiddeling van de GMD naar de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is derhalve de opbouw van een goede samenwerkingsrelatie met de bedrijfsverenigingen (en dus de daarbinnen werkzame arbeidsdeskundigen) en met eventuele andere organisaties noodzakelijk. Thans hebben CBA en FBV gezamenlijk een viertal regionaie experimenten in voorbereiding, met als doel een zo goed mogelijke structuur voor samenwerking te ontwerpen. De evaluatie is voorzien in voorjaar 1994. De inrichting van deze samenwerking kan het beste aan de regio worden overgelaten. Het is zelfs goed denkbaar dat in verschillende regio's een verschillende uitwerking van de samenwerking wordt gekozen. De resultaten van het overleg met het CBA, de regionale experimenten en de samenwerkingsafspraken zullen richtinggevend zijn voor de wijze waarop, zo mogelijk vanaf 1995, de arbeidsbemiddeling door de Arbeidsvoorzieningorganisatie kan worden overgenomen.

Het spreekt voor zich dat de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bij de bemiddeling van de arbeidsongeschikten extra kosten zal maken. Dit betreft zowel extra apparaatskosten alswel extra programmakosten. De bevindingen uit de eerder genoemde regionale experimenten zullen hierin nader inzicht geven. Op basis hiervan zal ik nader overleg voeren met het CBA over de beste wijze van financiering van de extra kosten. Het lijkt mij nog te vroeg nu al een beslissing te nemen over de financiering van de extra kosten. Met betrekking tot het huidige reïntegratie-instrumentarium van de GMD ben ik voornemens om het loonkostensubsidie-instrument van de GMD, dat bedoeld is voor de bevordering van plaatsing bij een nieuwe werkgever, te integreren met het belangrijkste loonkostensubsidie-instrument van de Arbeidsvoorziening (de Kaderregeling Arbeidsinpassing, KRA). Op dit moment is de inzet van de KRA, mede op basis van de Wet Vermeend/Moor, mogelijk voor personen die tenminste twee jaar werkloos zijn en personen, behorend tot een etnische minderheid, die tenminste één jaar werkloos zijn. Met deze categorie werklozen is gelijkgesteld de categorie personen die door de bedrijfsvereniging ten minste 1 jaar geleden zijn aangemeld bij de GMD. Het is de bedoeling dat wanneer de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de bemiddeling van gedeeltelijk arbeidsgeschikten weer gaat verzorgen, de KRA direct

inzetbaar wordt gemaakt voor gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Op dat moment is de basis voor een aparte regeling vervallen. Overigens is een en ander onder voorbehoud van de evaluatie van deze aparte regeling zoals in de wet TAV is opgenomen.

HOOFDSTUK 4. HET TOEZICHT OP DE SOCIALE VERZEKE-RINGEN 4.1 De plaats van het toezicht

Het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen is in de huidige OSV opgedragen aan de SVr. De artikelen 47 OSV en 16 WSVB bieden daarvoor de grondslag. Daarnaast hebben de besturen van de fondsen in Zoetermeer (Aof, AAf, AWf, Tf) een bij wet opgedragen taak om de bij hen ingediende declaraties van de uitvoeringsinstanties te toetsen op rechtmatigheid. De Raad liet zijn toezichttaken en de met het toezicht samenhangende bevoegdheden tot 16 januari 1992 uitoefenen door de Commissie Toezicht Uitvoeringsorganen (CTU) en vanaf die datum door de Toezichtkamer. De CTU bestond uit werkgeversvertegenwoordigers, werknemersvertegenwoordigers en onafhankelijke raadsleden die allen in gelijke mate waren vertegenwoordigd. De Toezichtkamer bestaat uit 3 werkgeversleden, 3 werknemersleden en 6 onafhankelijke leden. Daarnaast is de onafhankelijke Raadsvoorzitter eveneens voorzitter van de Toezichtkamer. De instelling van de Toezichtkamer kan gezien worden als een uitvloeisel van de door de Tweede Kamer op 18 september 1991 aanvaarde motie-Buurmeijer c.s. (Tweede Kamer 1990-1991, 22011 nr. 7). In deze motie werd er op aangedrongen het toezicht op de uitvóering van de sociale verzekeringen op een onafhankelijke wijze vorm te geven. Om deze motie te kunnen uitvoeren heb ik mij gericht tot de SVr en verzocht met voorstellen te komen om het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen op een onafhankelijker wijze vorm te geven. In een extra raadsvergadering op 7 november 1991 besloot de Raad tot de instelling van een Toezichtkamer en de opheffing van de CTU. De Kamer mag zijn eigen activiteitenplanning, prioriteiten en werkmethoden vaststellen. De Toezichtkamer is bevoegd alle toezichtbevindingen, besluiten en produkten zonder tussenkomst van de Raad te publiceren. De vergaderingen van de Toezichtkamer zijn in beginsel openbaar.

Een goed toezicht kan een wezenlijke bijdrage leveren aan een goed functionerende uitvoeringsorganisatie die sterk gericht is op het reïntegreren van uitkeringsgerechtigden. Het belangrijkste vraagstuk is of de sociale partners die belast zijn met de uitvoering van de sociale verzekeringen eveneens belast kunnen zijn met het toezicht op die uitvoering en of daar een wezenlijke meerwaarde mee is gemoeid. Na de adviezen en de discussies met de Tweede Kamer en haar vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heb ik de volgende conclusies getrokken.

Zowel de overheid als de sociale partners dragen in de huidige situatie een verantwoordelijkheid voor de sociale verzekeringen. Er zijn overigens duidelijke verschillen in verantwoordelijkheid. De overheid is verantwoordelijk uit hoofde van haar wetgevende taken. De sociale partners zijn verantwoordelijk voor de uitvoering. Het toezichtmodel dient recht te doen aan de verantwoordelijkheidsverdeling. Eveneens dient het toezichtmodel garant te staan voor een onpartijdig toezicht op de uitvoering. Zelfs de schijn van een vermenging van belangen dient te worden vermeden.

Ik ben van mening dat de huidige constructie van een Toezichtkamer bij de SVr met daarin een meerderheid voor de onafhankelijke leden weliswaar een stap in de goede richting is maar niet voldoende tegemoet komt aan de hierboven omschreven voorwaarden. Door de directe betrokkenheid van de sociale partners bij het toezicht blijft de kans op een vermenging van belangen bestaan. Via de in dit wetsvoorstel opgenomen invulling van enerzijds de toezichtsfunctie en anderzijds de uitvoeringstaken ontstaat een heldere verantwoordelijkheidsverdeling. Het uitgangspunt dat het toezichtsmodel garant dien te staan voor een onpartijdig toezicht op de uitvoering komt op deze wijze optimaal tot uitdrukking. Een onafhankelijk toezicht waarborgt bovendien dat de uitvoering verloopt overeenkomstig geldende wetgeving en er een strikte scheiding is tussen beleidswensen en in wetgeving neergelegd beleid. Ik heb mij afgevraagd of de meerwaarde van de directe betrokkenheid van de sociale partners bij het toezicht nog opweegt tegen het eventuele verlies aan vertrouwen dat dit toezicht daardoor zou kunnen oplopen. Alles afwegend is mijn conclusie dat de sociale partners op voldoende wijze hun verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de sociale verzekeringen kunnen waarmaken zonder dat zij direct bij het toezicht betrokken zijn. Wanneer de sociale partners niet meer medeverantwoordelijk zijn voor het toezicht op de uitvoering is de vraag door wie het toezicht moet worden uitgeoefend. Vanuit zijn wetgevende taak heeft de minister een verantwoordelijkheid voor het toezicht op de uitvoering van de wetgeving. De minister kan dit toezicht zelf uitoefenen of door een ander doen uitoefenen. Gezien de taken die de toezichthouder moet vervullen: corrigeren, bijsturen, uitvoeringsrapportages leveren, is het niet doelmatig om het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen aan de minister op te dragen. Zijn directe verantwoordelijkheid zou, gelet op de massaliteit van de processen in de uitvoering, een omvang krijgen die in redelijkheid niet te dragen is.

Een en ander leidt in mijn visie tot een model waarin het toezicht wordt uitgeoefend door het College van toezicht sociale verzekeringen(Ctsv) waarin alleen onafhankelijke leden zitting hebben. In paragraaf 2.1. is reeds aangegeven wat de samenstelling en de taken van dit College zullen zijn. Ik voel me in mijn keuze voor een onafhankelijk toezicht gesteund door het feit dat internationaal gezien een onafhankelijk toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen standaard is (zie het rapport «Organisatie van de sociale verzekeringen in internationaal perspectief« COSZ-publikatie 31, 1991).

Het Ctsv brengt over zijn handelen verslag uit aan de minister. De minister houdt als het ware toezicht op de wijze waarop het Ctsv zijn wettelijk opgedragen taken uitvoert en het ter beschikking staande instrumentarium hanteert. Indien de minister dit nodig acht kan hij het Ctsv corrigeren. In de adviesaanvrage aan SER en SVr van 8 september 1989 werd ten aanzien van de plaats van het toezicht het standpunt van de SER zoals verwoord in het SER-advies 84/12 in zijn geheel overgenomen. Het spreekt dan ook voor zich dat de SER zich in het advies 90/07 geheel kan vinden in de positionering van het toezicht bij de tripartiet samengestelde SVr. Beide adviezen zijn ten aanzien van het toezicht echter door de recente ontwikkelingen achterhaald. Immers in de huidige situatie is er reeds sprake van een Toezichtkamer

hetgeen al verder gaat dan de SVr en de SER in hun advisering nog wenselijk vonden. Ik heb een andere een keuze gemaakt die leidt tot een andere uitkomst dan de SER en de SVr destijds voorstonden. Het maken van keuzen is evenwel noodzakelijk zoals de SER zelf reeds in zijn advies 90/07 benadrukt met het aanhalen van het door Staatssecretaris Van Rhijn in 1952 geciteerde citaat van prof. mr. M.W.F. Treub: Wie een eenvoudige en voor haar taak berekende organisatie der sociale verzekering invoeren wil, is wel verplicht wat aan de bereiking van zijn doel in de weg staat te verwijderen, ook al gaat hem dit nu en dan aan het hart.

4.2. De relatie tussen toezicht en advisering In de huidige situatie worden vraagstukken op het terrein van de sociale zekerheid met een algemeen sociaal-politiek karakter voor advies aan de SER voorgelegd. Uitvoeringstechnische vraagstukken, met name over nieuwe wet-en regelgeving, worden voor advies aan de SVr voorgelegd. Het spreekt voor zich dat de SVr voor zijn uitvoeringstechnische advisering sterk leunt op de uitvoeringsinstanties die immers de deskundigheid omtrent de uitvoering van de wet-en regelgeving in huis hebben.

In het SER-advies Vereenvoudiging uitvoering van de sociale verzekering (84/12) wordt de adviserende taak onderverdeeld in een signalerende functie en een adviserende functie. De Raad betoogt in zijn advies dat de toezichthouder (in dit advies de SVr) door een goede vervulling van zijn taken het nodige inzicht in de opzet, werking en effecten van het wettelijk stelsel van sociale verzekeringen verkrijgt. Op basis van dat inzicht komt de SVr, aldus de SER, mogelijk tot de conclusie dat de wetgeving op bepaalde punten moet worden bijgesteld. De SER rekent het tot de taak van de toezichthouder dat hij dergelijke ontwikkelingen signaleert. Ik kan mij geheel vinden in de opvatting van de SER op dit punt. Vanuit zijn toezichthoudende taak zal het Ctsv onder andere via uitvoeringseffectenrapportages de minister informeren over de werking en effecten van het stelsel. Het spreekt voor zich dat dergelijke rapportages niet alleen kunnen leiden tot correcties en bijsturing van de uitvoeringsinstanties maar dat ook aanbevelingen aan de minister deel uitmaken van deze rapportages. De signalerende functie is in mijn visie dan ook onlosmakelijk verbonden aan de toezichthoudende taak.

De adviserende functie houdt naar de mening van de SER in dat, desgevraagd, de minister geadviseerd wordt over de technische implicaties en aspecten van een voorgenomen wetswijziging. In zijn advies beschouwde de SER dit eveneens als een taak van de SVr. Opvallend is echter dat bij deze functie door de SER geen verbinding met de overige werkzaamheden van de SVr wordt gelegd De adviserende functie, zoals door de SER omschreven, houdt in mijn visie veel meer een relatie in met de activiteiten van de uitvoering dan met de toezichthoudende activiteiten. De huidige praktijk is dan ook dat de SVr voor zijn adviserende taken veelal steunt op de FBV en de SVb. Nu ik heb gekozen voor een onafhankelijk toezicht dient de advisering te worden ondergebracht bij een instantie waarin de sociale partners vertegenwoordigd zijn. Voor de uitvoeringstechnische adviezen zie ik dan ook geen rol meer weggelegd voor het Ctsv. Dat neemt niet weg dat het Ctsv de minister wel van advies zal kunnen en moeten dienen over zaken die het Ctsv rechtstreeks aangaan. Dit zal veelal geschieden aan de hand van de uitvoeringseffectenrapportages die door het Ctsv worden uitgebracht.

4.3 De inhoud van het toezicht

4.3.1 Algemeen

Het Ctsv houdt toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringswetten en de met de uitvoering belaste organen. Het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringswetten is gericht op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van die uitvoering.

Het door het Ctsv uit te oefenen toezicht is gericht op het door het Ctsv vormen van een zodanig beeld van de uitvoering en uitvoeringsinstanties, dat het Ctsv een gedocumenteerd oordeel kan geven omtrent de kwaliteit van uitvoering en uitvoeringsinstanties in termen van rechtmatigheid en doelmatigheid. In het volgens dit wetsvoorstel door het Ctsv uit te oefenen toezicht, zijn de recente ontwikkelingen en inzichten op het terrein van rechtmatigheid en doelmatigheid verwerkt. Zo zijn elementen van het getroffen Besluit toezicht Svr 1992 in het wetsvoorstel opgenomen. Bij de uitoefening van het toezicht houdt het Ctsv rekening met de taak en positie van de uitvoeringsinstanties. Tevens wordt er zoveel mogelijk naar gestreefd om doublures van werkzaamheden te vermijden (singleaudit gedachte). Dit heeft met name betrekking op de reeds aanwezige controle-en toezichtactiviteiten bij de uitvoeringsinstanties. Ten behoeve van de eigen oordeelsvorming toetst het Ctsv of de inrichting en werking van de bij de uitvoeringsinstanties aanwezige controle-en toezichtactiviteiten, zodanig zijn dat het Ctsv van de resultaten van die activiteiten gebruik kan maken. Daarnaast verricht het Ctsv naar eigen inzicht aanvullend onderzoek. Het oordeel inzake de kwaliteit van de uitvoering verstrekt het Ctsv in de vorm van bijvoorbeeld rapportages en/of verklaringen aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

4.3.2 Toezicht op rechtmatigheid Het toezicht op rechtmatigheid van de uitvoering omvat het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringswetten, alsmede de met die uitvoering belaste instanties. Toezicht op rechtmatigheid van de uitvoering richt zich op het handelen van de uitvoeringsinstanties. Voor het te hanteren begrip rechtmatigheid wordt aansluiting gezocht bij de Comptabiliteitswet. De eis van rechtmatigheid betekent dat het handelen dient te geschieden in overeenstemming met de sociale verzekeringswetten alsmede andere wettelijke regelingen. De sociale verzekeringswetten en andere wettelijke regelingen vormen immers de kaders waarbinnen de uitvoering dient plaats te vinden. Voor alle duidelijkheid wordt hier vermeld dat het begrip rechtmatigheid het door diverse instanties gehanteerde begrip wetmatigheid omvat. Het gaat erom dat het uitvoeringsproces in overeenstemming is met de desbetreffende materiewet (sociale verzekeringswet) en, voor zover van toepassing, de OSV en de CSV, alsmede andere wetten. Onder rechtmatigheid wordt daarnaast ook begrepen het in overeenstemming zijn van de uitvoering (handelen van een uitvoeringsinstantie) met de interne richtlijnen van die uitvoeringsinstantie. De sociale verzekeringswetten zijn veelal niet zonder meer bruikbaar voor het feitelijk uitvoerend niveau binnen een uitvoeringsinstantie. Daarom zijn door de uitvoeringsinstanties, die zich daarbij baseren op de sociale verzekeringswet, instructies en richtlijnen opgesteld. Dit betekent dat het Ctsv enerzijds toezicht houdt op het in overeenstemming zijn van deze interne richtlijnen met de wettelijke regelingen, en anderzijds indirect dan wel direct toezicht houdt op het in overeenstemming zijn van de uitvoering met die richtlijnen.

Toezicht op de rechtmatigheid impliceert eveneens toezicht op de wijze waarop de uitvoeringsinstanties een controle-en fraudebeleid voeren. Indien het Ctsv van mening is dat ten aanzien van dit punt te weinig door de uitvoeringsinstanties gebeurt kan het Ctsv een aanwijzing geven. Zoals reeds aangegeven kan het Ctsv bij het niet opvolgen van een aanwijzing, besluiten dat bepaalde uitgaven die door de bedrijfsvereniging bij het Gib worden gedeclareerd niet kunnen worden vergoed. De uitkomsten van het uitvoeringsproces hebben veelal financiële consequenties (toekenning van een uitkering of vaststelling van een premie). Hiertoe worden door de uitvoeringsinstanties uitgaven gedaan en komen ontvangsten binnen. Enerzijds worden uitgaven gedaan in de vorm van bijvoorbeeld uitkeringen en uitvoeringskosten, anderzijds ontstaan ontvangsten onder meer wanneer een bedrijfsvereniging zijn uitgaven declareert bij de fondsen in beheer bij het Gib. Daarnaast vloeien ontvangsten voort voor zover het de bedrijfsverenigingen betreft -uit de premie-inning. Het hierbij door de uitvoeringsinstanties te voeren financiële beheer leidt tot een financiële verantwoording, waarin deze uitgaven en ontvangsten zijn opgenomen. Het Ctsv houdt er aldus ook toezicht op dat de uitgaven en ontvangsten van een uitvoeringsinstantie voldoen aan de eisen van rechtmatigheid. De Rijksbelastingdienst dient eveneens jaarlijks een verklaring inzake de rechtmatigheid van ontvangsten voor de premie voor de volksverzekeringen aan het Ctsv te zenden. Voor de goede orde wordt nog opgemerkt dat de rijksbelastingdienst niet onder het toezicht van het Ctsv valt. Een goed toezicht op de rechtmatigheid is mogelijk wanneer de uitvoeringsinstanties zorg hebben gedragen voor een ordelijk en controleerbaar financieel beheer. Dit betekent dat het Ctsv tevens er op toe ziet, dat het financieel beheer van de uitvoeringsinstanties ordelijk en controleerbaar is. Hiertoe kan het Ctsv ten behoeve van de uitvoeringsinstanties richtlijnen opstellen.

4.3.3 Toezicht op doelmatigheid Toezicht op doelmatigheid van de uitvoering heeft betrekking op een aantal zaken. Ook voor het begrip doelmatigheid wordt aangesloten bij de Comptabiliteitswet. Blijkens de memorie van toelichting van de Vijfde Wijziging van de Comptabiliteitswet, wordt onder doelmatigheid verstaan:

  • de doelmatigheid van de organisatie, waarbij de aandacht gericht is op de gehanteerde structuren, procedures en werkmethoden; 2. de doelmatigheid van het beheer, waarbij de aandacht gericht is op de aanwending van personele en materiële middelen; 3. de doelmatigheid van het functioneren, waarbij de aandacht gericht is op de mate waar in de door de wetgever beoogde doelstellingen zijn bereikt. Het begrip doelmatigheid staat daarmee ook voor andere veel gebruikte termen als efficiency en effectiviteit (waarmee vaak ook het begrip doeltreffendheid bedoeld wordt). Bij het toezicht op doelmatigheid van de uitvoering worden dus zowel het proces van uitvoering, de resultaten van die uitvoering als de met die uitvoering belaste instanties beoordeeld. Het onderzoek naar de doelmatigheid van de uitvoering van de wet zal in veel gevallen uitmonden in een uitvoeringseffectenrapportage van het Ctsv. In dergelijke rapportages doet het Ctsv aanbeve-iingen aan zowel de uitvoeringsinstanties als de minister die kunnen leiden tot een verbetering van de uitvoering en -indien gericht aan de minister -tot verbetering van de wetgeving.

Het toezicht op doelmatigheid hangt nauw samen met de budgettering van de uitvoeringskosten. De doelmatige aanwending van de personele en materiële middelen is immers een belangrijk vereiste voor de uitvoering van de wettelijke regelingen. Het gaat bij de doelmatigheidsbeoordeling primair om een beoordeling van de wijze waarop middelen (personeel/materieel) worden ingezet om een bepaald resultaat in termen van kwaliteit te bereiken. Dit betekent overigens geenszins dat de goedkoopste uitvoeringsinstantie in beginsel het meest doelmatig is. Met name bezien vanuit de doelmatigheid van de uitvoering (volumebeheersing) en de rechtmatigheid (controle/fraudebestrijding) gaat het om een afweging van de inzet van mensen en middelen tegenover produkten zoals kwaliteit van de dienstverlening, beheersing van de uitgaven, pakkans bij fraude etc.

4.3.4 Resultaten toezicht

Inzake het uitgevoerde toezicht verstrekt het Ctsv de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid informatie. In deze informatie (bijvoorbeeld rapportages of verklaringen) is het oordeel van het Ctsv verwerkt inzake de kwaliteit van de uitvoering in termen van rechtmatigheid en doelmatigheid. Dit oordeel heeft enerzijds betrekking op het handelen van elke uitvoeringsinstantie, en anderzijds op de uitvoering per sociale verzekeringswet. Een van de vereiste produkten van het toezicht op rechtmatigheid van de uitvoering is de rechtmatigheidsverklaring per sociale verzekeringswet. De door het Ctsv jaarlijks in november aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te verstrekken verklaring geeft per sociale verzekeringswet weer, in welke mate de bij de uitvoering van de wet betrokken uitgaven en ontvangsten berusten op een juiste wetstoepassing. De bij de uitvoering betrokken uitgaven en ontvangsten per sociale verzekeringswet zijn voor een groot deel terug te vinden in de jaarrekeningen van de sociale fondsen. Bij de vaststelling van de rijksvergoeding aan een rijksgefinancierd sociaal verzekeringsfonds (AKf en Tf), zal de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid onder meer de rechtmatigheidsverklaring als basis hanteren voor die vaststelling. Op deze wijze kan de minister verantwoording afleggen inzake de rechtmatigheid van de (rijks-)uitgaven en ontvangsten, die betrekking hebben op deze rijksgefinancieerde sociale zekerheidswetten.

4.3.5 Toezicht op de fictieve uitvoering AAW Het overheidspersoneel behoort tot de kring der verzekerden ingevolge de AAW. Overheidspersoneel is dezelfde AAW-premie verschuldigd als werknemers in de marktsector. Overheidspersoneel heeft echter slechts recht op AAW-uitkering, indien de ambtelijke uitkering lager is dan de AAW-uitkering en is tevens uitgesloten van voorzieningen. Aan de uitke-rings-en voorzieningenkant prevaleren dus de ambtelijke regelingen. In verband hiermee is het AAf een uitkering verschuldigd aan de lichamen die met de uitvoering van de ambtelijke regelingen zijn belast (artikel 8, derde lid, AAW). Deze uitkering compenseert de besparing die bij het AAf ontstaat. Dit betekent dat deze uitkering de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en voorzieningen en de met de verstrekking hiervan gepaard gaande kosten omvat, die op grond van de AAW ten laste zouden zijn gekomen van het AAf indien overheidspersoneel «normaal» aan deze wet rechten zou kunnen ontlenen. Ter vaststelling van deze uitkering voeren de overheidspensioenlichamen in feite de AAW uit. De arbeidsongeschiktheidsuitkeringen en voorzieningen en de daarmee samenhangende rechten en plichten van overheidspersoneel worden formeel niet

beheerst door de AAW, maar door de ambtelijke regelingen. Vandaar dat gesproken wordt over een fictieve uitvoering van de AAW.

De overheidspensioenlichamen, dat zijn de lichamen aan wie ten laste van het AAf de uitkering ex artikel 8, derde lid, AAW verschuldigd is en die in het besluit op grond van dat artikel (Besluit van 15 oktober 1976, nr. 54674, Stcrt. 1976, nr. 208) zijn aangewezen, moeten dus voor de vaststelling van deze uitkering toepassing geven aan het bepaalde in de AAW. Zij verrichten daartoe werkzaamheden die overeenstemmen met die van de bedrijfsverenigingen bij de uitvoering van de AAW. Zij voeren in feite de AAW, een regeling die tot de sociale verzekeringen behoort, uit, terwijl zij niet tot de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen behoren. Voor zover die uitvoering ten laste komt van de fondsen, dienen daaraan dezelfde eisen van doelmatigheid en rechtmatigheid gesteld te worden. Daarom dient het toezicht van het Ctsv zich ook uit te strekken tot de uitvoering van de AAW met betrekking tot het overheidspersoneel. Dat is in de OSV zoals deze thans luidt, niet geregeld. Dit wetsvoorstel voorziet in deze lacune.

Gekozen is voor een regeling in een apart hoofdstuk. Reden hiervan is, dat het gaat om de relatie tussen lichamen die wel en lichamen die niet tot de uitvoeringsorganisatie behoren. Het accent van de voorgestelde regeling ligt op de taak van het Ctsv als toezichthouder en richt zich niet op de taak van het overheidspensioenlichaam als uitvoerder van de ambtelijke pensioenregelingen. Daarom gelden voor die lichamen, voor wat betreft hun werkzaamheden ter uitvoering van artikel 8, derde lid, van de AAW, in beginsel dezelfde bepalingen van dit wetsvoorstel als voor bedrijfsverenigingen. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen echter nadere en zo nodig afwijkende regels worden gesteld. Dat in verband met het feit dat de overheidspensioenlichamen niet in alle • opzichten vergelijkbaar zijn met bedrijfsverenigingen. Gezien de politieke verantwoordelijkheid van de Ministers van Binnenlandse Zaken, van Verkeer en Waterstaat en van Defensie voor de overheidspensioenlichamen zal de voordracht voor een algemene maatregel van bestuur worden gedaan door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in overeenstemming met voornoemde ministers.

De voorgestelde regeling beoogt geenszins te treden in de verhouding tussen de overheidspensioenlichamen en instanties als de Algemene Rekenkamer en de Verzekeringskamer. Deze regeling laat het bepaalde in de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet en de Algemene militaire pensioenwet onverlet. Ten gevolge van deze wetswijziging zal het Besluit op grond van artikel 8, derde lid, AAW moeten worden aangepast.

Het toezicht op de fictieve uitvoering van de AAW door de overheidspensioenlichamen heeft uiteraard geen betrekking op de uitvoering van het ambtelijke invaliditeitspensioen, de herplaatsingsregeling van de Abpwet en de Spfwet en de ambtelijke regeling van doorbetaling van bezoldiging bij ziekte. De uitvoering van de ambtelijke regelingen valt als zodanig niet onder deze wet. De huidige OSV regelt, zoals gezegd, geen toezicht van de SVr op de overheidspensioenorganen. Wel heeft het kabinet daaromtrent op 30 juni 1987 een gerichte adviesaanvrage gezonden aan de SVr. De SVr heeft echter in juli 1989 besloten de advisering op te schorten in afwachting van de adviesaanvrage over de nieuwe OSV.

Blijkens zijn advies over het voorontwerp stemt de SVr in met het onder zijn toezicht brengen van overheidspensioenorganen, voor zover zij

artikel 8, derde lid, AAW uitvoeren. Hiermede zal -aldus het advies -een lacune in het toezicht worden opgelost. Het bestuur van het Algemeen burgerlijk pensioenfonds heeft in zijn advies van 1 februari 1990 over genoemd voorontwerp van wet de wens van toezicht van de SVr op de fictieve uitvoering van de AAW begrijpelijk genoemd.

4.4 De rol van de minister

De ministeriële verantwoordelijkheid is alleen daar aanwezig waar de minister mogelijkheden tot sturing heeft. Ik ben van mening dat de minister geen primaire verantwoordelijkheid dient te dragen voor de daadwerkelijke uitvoering van de sociale verzekeringen. De minister is verantwoordelijk voor -uiteraard -de inhoud van de regelgeving en voor de macro-economische aspecten en consequenties van de uitvoering. Dit brengt met zich mee dat de minister ten aanzien van de uitvoering van de sociale verzekeringen een terughoudende rol dient te vervullen. Aan de andere kant dient de minister voldoende instrumentarium te hebben om zijn verantwoordelijkheid waarte kunnen maken. Er is in dit wetsvoorstel, wat betreft het aanreiken van sturingsinstrumenten aan de minister afgewogen welke facetten van de uitvoering van de sociale verzekeringen, gegeven de huidige betrokkenheid van de sociale partners bij de uitvoering, tot de directe verantwoordelijkheid van de overheid behoren. Gezien het grote belang dat met de uitvoering van de sociale verzekeringen is gemoeid, kies ik ervoor de minister een uitgebreid sturingsinstrumentarium in handen te geven. Kenmerkend voor dit instrumentarium is dat het zich niet direct richt op de uitvoeringsinstellingen maar op de toezichthouder. In mijn visie zal de minister slechts spaarzaam van het instrumentarium gebruik behoeven te maken. Primair is de toezichthoudende en sturende taak aan de toezichthouder opgedragen; het instrumentarium van de minister is erop gericht om de mogelijkheid te hebben de toezichthouder te kunnen corrigeren. De volgende sturingsinstrumenten worden in het wetsvoorstel aan de minister gegeven: -de bevoegdheid aanwijzingen te geven aan het Ctsv in verband met de uitoefening van diens taak; -de bevoegdheid besluiten van het Ctsv en de uitvoeringsinstanties voor te dragen voor vernietiging door de Kroon. Schorsing en vernietiging kan alleen indien er sprake is van strijd met het algemeen belang of het recht; -het goedkeuringsvereiste voor bepaalde besluiten van het Ctsv en de uitvoeringsinstanties; -de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur, zo nodig in afwijking van de wet, voorzieningen te treffen indien de toezichthouder of een van de uitvoeringsinstanties zijn taken verwaarloost; -de bevoegdheid de erkenning van een bedrijfsvereniging, nadat het Ctsv en de SER in de gelegenheid zijn gesteld hun mening kenbaar te maken, in te trekken wanneer deze niet meer aan zijn wettelijke en statutaire verplichtingen voldoet; -de mogelijkheid inzage te verkrijgen in alle gegevens van de toezichthouder en de uitvoeringsinstanties en de mogelijkheid alle informatie te verkrijgen van de uitvoeringsinstanties en de toezichthouder; -de minister heeft de bevoegdheid om de leden van het Ctsv te schorsen of, nadat de SER in de gelegenheid is gesteld zijn mening kenbaar te maken, voor te dragen voor ontslag door de Kroon.

Wat betreft de opvattingen van de SER ten aanzien van de aanwijzingsbevoegdheid van de minister verwijst de Raad naar het advies van 1984 (SER-publikatienr. 84/12). De SER blijft van mening dat een minis-

teriële aanwijzingsbevoegdheid een bestuurlijk ondeugdelijk instrument is omdat het een onderschikking van de toezichthouder aan de minister veronderstelt. Voorts zou zo'n instrument zich niet verdragen met het streven van het kabinet om de verantwoordelijkheid van het georganiseerde bedrijfsleven te versterken. Een zekere mate van «onderschikking» -als men dit zo wil noemen -is inherent aan de onmiskenbaar bestaande ministeriële verantwoordelijkheid. Een streven om de verantwoordelijkheid van het georganiseerde bedrijfsleven te versterken is, voor zover het de uitoefening van het toezicht betreft, niet aan de orde.

HOOFDSTUK 5 KOSTENBEHEERSING EN FONDSBEHEER 5.1 Beheersing van de uitvoeringskosten

Ik ben van mening dat in de thans vigerende praktijk de uitvoeringskosten van de sociale verzekeringen de indruk wekken onbeheersbaar te zijn. Met name komt dit door de ondoorzichtigheid van die kosten. Door die ondoorzichtigheid ontstaat het beeld dat de uitvoeringskosten zich autonoom kunnen ontwikkelen. Dit kan worden geïllustreerd met behulp van de gegevens over de periode 1986-1991. Achtereenvolgens worden in tabel 5.1 de totale uitvoerings-(administratie)kosten weergegeven. Tabel 5.2 bevat een overzicht van de uitgekeerde bedragen van de diverse wetten en in tabel 5.3 zijn de volumina opgenomen, gemeten in personen c.q. toegekende uitkeringen.

TABEL 5.1: UITVOERINGSKOSTEN 1986-1991 NAAR WET

TOTAALAK

1986

1987

1988

1989

1990

1991

(xf 1 mln.) ZW AAW/WAO WW TW AOW AWW AKW

536787 388 0 142 25131

566 843 459 21501-28 131

606 875 496 58 167 29 122

635881 520 64 165 39 166

706 998 542 63 182 36 146

796 1086 583 65 205 40 157

SUBTOTAAL

2009

2199

2353

2470

2673

2932

RBD AAW

92 RBDSVB

157

156

145

135

164

239

TOTAAL

2220

2407

2548

2661

2906

3263

AK-INDEX

100

108

115

120

131

147

TABEL.2: UITGEKEERDE BEDRAGEN 1986-1991 NAAR WET

uitgek bedr.

TOTAAL

1986

1987

1988

1989

1990

57800

58712

60968

62935

70030

1991 (xf 1 mln.) ZW AAW/WAO WW TW AOW 29424 AWWAKW 5705 16791 1769 0 23734 30752 2724 7077

5967 16904 3238167 24I9I 2718552 7

6354 16961 3856 444 24644 2990 5719

6906 17210 3864 474 25428 3158 5895

7693 18373 3661 452 29424 4339608 8

7944 19173 4145 467 30752 4535637 3

73389

AK/UB UITK. B INDEX

3,84% 100

4,10% 102

4,18% 105

4,23% 109

4,15% 121

4,45% 127

AK-INDEX

100

108

115

120

131

147

TABEL 5.3: VOLUMINA 1986-1991 NAAR WET

volumma

1986

1987

1988

1989

1990

1991

(x 1000uitk) ZW AAW/WAO WW TW AOW AWW AKW

TOTAAL

VOLINDEX

AKINDEX

3635778 338 0 1898 173 2113

8935100

100

3752 793 484 76 1937 172 1932

9146 102

108

3853 814 414 154 1980 170 1895

9280 104

115

4178 845 388 161 2016 190 1857

9635108

120

4373 76 353 153 2044 195 1812

9812110

131

4522903 464 153 2071 197 1803

10113 II3

147

Uittabel 5.1 blijkt dat de administratiekosten in de periode 1986-1991 met 47% zijn gestegen. De uitgekeerde bedragen zijn in dezelfde periode met 27% toegenomen (tabel 5.2) en de volumina met 13% (tabel 5.3). De verhouding tussen administratiekosten en uitgekeerde bedragen is toegenomen van 3,8% naar bijna 4,5% (tabel 5.2). Dit laatste percentage wordt nog gunstig beïnvloed doordat als gevolg van de invoering van «Oort» in 1990 de bruto-uitgekeerde bedragen AOW en AWW in verband met de overhevelingstoeslag zijn verhoogd (positief noemereffect). Naast de informatie per wet kan ook nog worden gekeken naar de informatie per orgaan. In tabel 5.4 is deze informatie opgenomen.

TABEL.4: UITVOERINGSKOSTEN 1986 1991 NAAR ORGAAN

TOTAAL AK

1986

1987

1988

1989

TOTAAL

2220

2407

2548

2661

TOTAAL

100

108

115

120

1990

1991

(x f 1 mln.) BV SVB GMD ABP RBD

1365 298 309 38210

1515306 339 40 208

1635318 358 42 195

1685 370 371 44 191

1854 364 408 47 233

1024402 456 50 331

2906 131

3263

INDFX BV SVB GMD ABP RBD

100 100 100 100 100

1 11103 II0 104 99

120107 II6 111 93

123124 I20 116 91

136122 I32 124111

148 135 148 132157

147

Uit tabel 5.4 blijkt dat de kostenstijging met name is geconcentreerd bij de bedrijfsverenigingen, de GMD en de Belastingdienst (zogenaamde perceptiekosten in relatie tot premieheffing en -inning). Ook bij de SVb en het ABP (fictieve uitvoering AAW) is echter een aanmerkelijke kostenstijging zichtbaar.

De administratiekosten zijn in de beschouwde periode veel sneller gestegen dan op basis van de ontwikkeling van de volumina (en de uitgekeerde bedragen) mocht worden verwacht. Naast volumefactoren speelt de invloed van wetswijzigingen, loonkostenstijgingen en de inrichting van het uitvoeringsproces een rol. Gezien de acceleratie van de uitvöeringskostenstijging dringt de beheersbaarheidsvraag zich op en ontstaat de behoefte om te komen tot een instrumentarium waarmee het inzicht in en de beheersing van de uitvoeringskosten beter vorm kan worden gegeven. In de adviesaanvraag van 8 september 1989 heeft het vorige kabinet aangegeven langs de weg van budgettering te willen bewerkstelligen dat de uitvoeringskosten beheersbaar worden. Daarbij stelde dat kabinet zich voor dat op basis van door de uitvoeringsinstanties op te stellen begrotingen de minister het bedrag vaststelt dat voor uitvoeringskosten beschikbaar is. In de adviezen naar aanleiding van het voorontwerp waren adviesorganen unaniem van mening dat de wijze van budgetteren, zoals het kabinet voorstond, moest worden afgewezen. Volgens de adviesorganen betekende een zodanige budgettering een inbreuk op de eigen verantwoordelijkheid van de uitvoeringsinstanties. In de brief aan de Voorzitter van de Tweede Kamer van 11 februari 1991 (Tweede Kamer, 1990-1991, 22011, nr. 1) heb ik aangegeven het voorstel te handhaven. Wel werd onderkend dat het budgetteren van de uitvoeringskosten een complexe aangelegenheid is, die een zodanige inhoudelijke kennis van het uitvoeringsproces vergt, dat uitoefening daarvan door de overheid op praktische bezwaren zou stuiten. Om dit probleem helder te krijgen heb ik de SVr verzocht om onderzoek te verrichten naar de huidige opbouw van de uitvoeringskosten en de verschillen in dat opzicht tussen de uitvoeringsinstanties onderling. Het spreekt voor zich dat een snelle afronding van dit onderzoek moet worden bevorderd.

Ook zonder over de volledige uitkomsten van dit onderzoek te beschikken ben ik echter tot de overtuiging gekomen dat kostenbeheersing bij de uitvoering van de sociale verzekeringen absoluut noodzakelijk is. Vraag is op welk niveau deze kostenbeheersing moet worden afgedwongen. Uiteindelijk heb ik er voor gekozen zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de bestaande verantwoordelijkheidsverdeling. In lijn met het doel van dit wetsvoorstel dat slechts het hoogst noodzakelijke moet worden geregeld, en dat niet moet worden vooruitgelopen op de nog te voeren discussie over de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen overheid en sociale partners, kies ik er voor de kostenbeheersing aan de uitvoering zelf op te dragen. Dit impliceert dat gekozen is voor een methodiek van budgetteren maar dat het vaststellen van de budgetten door de verantwoordelijken voor de uitgaven zelf gebeurt. In dit voorstel worden de budgetten van de bedrijfsverenigingen vastgesteld door het Gib en de budgetten van het Gib en de Svb door het Uitgangspunt bij de budgettering van de uitvoeringskosten is dat het gaat om kosten voor een optimale uitvoering en niet zonder meer om de minimale uitvoeringskosten. De systematiek van budgetfinanciering die mij voor ogen staat is dat de uitvoeringsinstanties, met inachtneming van hun eigen verantwoordelijkheid voor doelmatigheid en rechtmatigheid, begrotingen opstellen van de op het komende jaar betrekking hebbende uitvoeringskosten. Doelmatigheid in de zin dat slechts die kosten worden opgevoerd die verband houden met een efficiënte bedrijfsvoering en rechtmatigheid in de zin dat slechts die kosten worden opgevoerd die samenhangen met de uitvoering van de wettelijke regelingen. Wat dat laatste betreft is van groot belang dat een correcte toerekening plaatsvindt van activiteiten die verband houden met de uitvoering van de sociale verzekeringswetten en overige activiteiten. De budgetterende instelling beoordeelt deze begrotingen, mede op basis van onderlinge vergelijking, op doelmatigheid en rechtmatigheid van de daarin opgevoerde kosten en stelt afhankelijk hiervan het budget per uitvoeringsinstantie vast. Daarbij wordt eveneens beoordeeld of de begroting past binnen de meerjarenbegroting van de uitvoeringsinstantie. Het aldus vastgestelde budget geldt als taakstellend, met dien verstande dat in voorkomende gevallen aanvragen kunnen worden ingediend voor aanvullende budgetten, welke aanvragen overigens op overeenkomstige wijze worden beoordeeld als de initiële begrotingen. Voorkomende gevallen kunnen bijvoorbeeld zijn; uitspraken van de centrale Raad van Beroep die onverwachts extra uitvoeringslasten met zich meebrengen, onverwachte wet-en regelgeving, of andere niet voorziene extra lasten voor de uitvoering. Het Ctsv zal er als toezichthouder op toezien dat het Gib zich op een juiste wijze bedient van haar budgetbevoegdheid en dat de bedrijfsverenigingen zich aan de gestelde budgetten houden.

In dit wetsvoorstel worden het Ctsv, de SVb, het Gib en de bedrijfsverenigingen onderworpen aan budgetfinanciering. De uitvoeringsinstellingen worden in dit verband niet specifiek genoemd. De uitvoeringskosten van deze instellingen komen tot uitdrukking in de uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen en worden aldus langs indirecte weg bij de budgettering betrokken. Wil het systeem van budgetfinanciering effectief zijn dan moeten de budgetten vooraf vastgesteld worden. Dit vereist een strakke procedure met een strakke tijdsplanning bij het indienen en beoordelen van begrotingen en het vaststellen en toekennen van budgetten. In het wetsvoorstel zijn hiervoor regels gesteld. Aangezien de beoordeling op doelmatigheid en rechtmatigheid hoge eisen stelt aan de inrichting van de begrotingen, aan de kwaliteit van de

onderbouwing en aan de realiteit en validiteit van de daaraan ten grondslag liggende ramingen en veronderstellingen, worden verder regels gesteld omtrent de inrichting van de begrotingen. Zonodig kan het Ctsv aanvullende regels stellen voor de begrotingen van het Gib, de SVb en de bedrijfsverenigingen.

Ik heb nog overwogen om met het oog op diens politieke verantwoordelijkheid en zorg voor de collectieve lastenontwikkeling de minister nog een directe specifieke rol toe te kennen in de systematiek van budgetfinanciering. Gedacht is aan de bevoegdheid tot voorafgaande goedkeuring door de minister van de vastgestelde budgetten. Op deze wijze zou de minister echter in materieel dezelfde positie komen te verkeren als hij de budgetten zelf zou vaststellen. Daarnaast past een dergelijke voorafgaande goedkeuring niet in het beleid om de verantwoordelijkheid van de uitvoering ook daadwerkelijk in z'n geheel bij de uitvoering te laten. Om deze reden is afgezien van het toekennen van de bevoegdheid tot voorafgaand goedkeuring aan de minister. Dit alles laat onverlet dat de minister zijn politieke verantwoordelijkheid voor de collectieve lastendruk moet kunnen blijven dragen. Ook de minister zal daarbij een optimale en niet een minimale uitvoering als uitgangspunt hanteren. Indien hij vanuit die verantwoordelijkheid een aanwijzing aan het Ctsv bewerkstelligen.

Toepassing van het hierboven beschreven model van budgetfinanciering betekent ingrijpende veranderingen ten opzichte van de thans vigerende praktijk. In de eerste plaats betreft dit de toets op de doelmatigheid van de uitgaven ten behoeve van de uitvoering. In het voorgestelde model zal de doelmatigheid van de begrote uitgaven mede beoordeeld kunnen worden aan de hand van criteria die kunnen worden ontwikkeld op basis van onderlinge vergelijking van de begrotingen van de uitvoeringsinstanties en analyse van de verschillen daartussen. Daarmee kan een begin gemaakt worden wanneer de uitkomsten van het hierboven genoemde onderzoek van de SVr naar de huidige opbouw van de uitvoeringskosten beschikbaar zijn. De inzichten die dan beschikbaar komen kunnen behulpzaam zijn bij de oordeelsvorming omtrent de doelmatigheid van de uitgaven. Ik acht het niet reel om verschillen in uitvoeringskosten tussen bedrijfsverenigingen die op het moment dat voor het eerst budgetten worden vastgesteld, worden geconstateerd -verschillen die een ontstaansgeschiedenis van decennia kunnen hebben -terstond weg te werken. Eerst moet worden vastgesteld in welke mate verschillen gerechtvaardigd kunnen zijn. Die rechtvaardiging kan bijvoorbeeld liggen in verschillende omstandigheden waar uitvoeringsinstanties mee te maken kunnen hebben. Niet te rechtvaardigen verschillen moeten dan binnen een redelijke termijn weggewerkt kunnen worden. De zorgvuldige toepassing van doelmatigheidscriteria is overigens niet alleen bij de introductie van budgetfinanciering aan de orde. Ook bij de verdere toepassing moet dit een punt van voortdurende aandacht zijn. Tussen bedrijfsverenigingen zullen altijd verschillen blijven bestaan. Verschillen die ook gerechtvaardigd zijn. Wat dat laatste betreft zij ook verwezen naar paragraaf 4.3.3. over toezicht op doelmatigheid. Daarin is aangegeven dat doelmatigheid niet synomiem is met goedkoop, maar dat het bij de beoordeling van doelmatigheid gaat om de afweging tussen de effectiviteit van de uitvoering en de daarbij ingezette personele en materiële middelen.

Een ander aspect waarin het voorgestelde systeem van budgetfinanciering veranderingen teweeg brengt betreft de arbeidsvoorwaardenontwikkeling. In de huidige situatie is het zo dat de arbeidsvoorwaarden van

het personeel van de SVr en de Svb de goedkeuring van de minister behoeven. De arbeidsvoorwaarden van het personeel van de bedrijfsverenigingen, het GAK, het GUO en de GMD zijn onderworpen aan het vereiste van goedkeuring door de SVr. In dit verband heb ik de SVr gevraagd erop toe te zien dat de arbeidsvoorwaardenontwikkeling van het personeel van de bedrijfsverenigingen niet te zeer afwijkt van de arbeidsvoorwaardenontwikkeling van overheidspersoneel. In de hierboven beschreven systematiek van budgetfinanciering is voorafgaande goedkeuring van arbeidsvoorwaarden respectievelijk toezicht op arbeidsvoorwaardenontwikkeling niet meer aan de orde. Ook is geen sprake van een vooraf vastgestelde ruimte voor de arbeidsvoorwaardenontwikkeling of van een vooraf gegeven indicatie waarnaar de arbeidsvoorwaardenontwikkeling zich moet richten. Bij het voorgestane systeem van budgetfinanciering maken de arbeidskosten onderdeel uit van de uitvoeringskosten, die in begrotingen worden gespecificeerd. Er bestaat door de gekozen methodiek inzicht in de wijze waarop het budget is opgebouwd. De door het Gib en het Ctsv op basis van die begrotingen vastgestelde budgetten bevatten zelf geen taakstellende componenten. Het kan voorkomen dat het Gib, het Ctsv of de minister als het gaat om het budget van het Ctsv, op grond van een negatieve beoordeling van doelmatigheid van de voorgestelde uitgaven tot een lagere vaststelling van het budget komt dan het totaalbedrag van de begroting. De bedrijfsvereniging, SVb , Gib of Ctsv zal zijn uitgaven dan moeten herzien en zal eventueel de arbeidsvoorwaarden niet buiten beschouwing kunnen laten.

Een laatste aspect is dat er een rechtstreekser verband kan worden gelegd tussen taken die aan de uitvoering worden opgedragen en de uitvoeringskosten. Ik acht het van belang dat bij wijzigingen van wetgeving of anderszins (opdrachten aan de uitvoering) welke van invloed zijn op de hoogte van de uitvoeringskosten, bij invoering helderheid bestaat over de gevolgen voor de hoogte van de budgetten. Het wordt daarom van groot belang geacht dat in voorkomende gevallen advies wordt gevraagd aan het Gib respectievelijk de SVb.

5.2 Fondsbeheer

Onder het beheren van fondsen kan een aantal taken worden verstaan. Als belangrijkste mogelijke taken kunnen worden genoemd:

  • het beheer van de gelden. Hieronder wordt verstaan activiteiten zoals: -het aantrekken en uitzetten van kort geld; -het verrichten van betalingen; -liquiditeitsplanning; -vermogensnormering.
  • de premiecalculatie. Hier wordt mee bedoeld het berekenen van de benodigde inkomsten om de te verwachten uitgaven te dekken.

Deze twee activiteiten zijn te beschouwen als de kernactiviteiten van het fondsbeheer in het algemeen. Afhankelijk van de positionering van de fondsen en de betekenis die aan het fondsbeheer wordt gehecht kunnen de volgende taken ook tot het fondsbeheer worden gerekend.

  • informatie verschaffen aan toezichts-en beleidsinstanties. Dit spreekt voor zich. Afhankelijk waar het fondsbeheer is gepositioneerd zullen er veel of weinig informatiestromen ontstaan.
  • het vaststellen van de premies. Deze taak is niet noodzakelijkerwijs gebonden aan de fondsbeheerder. Omwille van inkomens-en financieel-economische politiek kan het gewenst zijn dat de minister de premies vaststelt. Hij kan zich daarbij baseren op de calculatiepremie van de fondsbeheerder.

In afwijking van het kabinetsstandpunt d.d. 11 februari 1991 (Tweede Kamer 1990-1991, 22011, nr. 1) wordt in dit wetsvoorstel voorgesteld het fondsbeheer onder te brengen bij de Svb en het Gib conform de adviesaanvrage van 8 september 1989. In het kabinetsstandpunt had ik voorgesteld om het fondsbeheer onder te brengen bij een apart, tripartite bestuurd, fondseninstituut. Ontwikkelingen sindsdien hebben mij tot de overtuiging gebracht dat het de voorkeur verdient om het fondsbeheer onder te brengen bij de Svb en het Gib.

Bepalend voor de positionering van het fondsbeheer is de vraag welke besturingsfilosofie wordt gehanteerd. In dit wetsvoorstel wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande besturingsfilosofie. Dat wil zeggen een nadrukkelijke scheiding tussen toezicht en uitvoering en een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling. De uitvoeringinstanties zijn verantwoordelijk voor de uitvoering van de sociale verzekeringen. Daarbij hoort ook het innen en besteden van de gelden. Aansluitend bij deze verdeling van verantwoordelijkheden behoort de uitvoering ook verantwoordelijk te zijn voor het beheer van de door hen geïnde gelden. Overigens zal bij de positionering van het fondsbeheer niet kunnen worden geabstraheerd van praktische vraagstukken als toezicht op het beheer van de fondsen en toezicht op de rechtmatigheid van de bij de fondsen gedeclareerde uitgaven, het systeem van kostenbeheersing en een eenvoudige organisatiestructuur. Er zijn drie mogelijke opties yoor de positionering van de landelijke fondsen.

Het onderbrengen van het fondsbeheer bij een zelfstandig fondseninstituut acht ik geen wenselijke optie. Het past niet in de huidige besturingsfilosofie om de uitvoering zelf verantwoordelijk te laten zijn voor het beheer van hun gelden. Daarnaast is het nu niet aan de orde om een nieuwe uitvoeringsinstelling te creëren. Het betekent nog een extra instelling in de organisatiepyramide.

Het onderbrengen van het fondsbeheer bij het Ctsv zou evenmin van problemen zijn ontbloot. Ook deze optie sluit niet aan bij de huidige verdeling van verantwoordelijkheden. Daarnaast moge duidelijk zijn dat het beheer van gelden niet gemakkelijk als taak van een toezichthouder is aan te merken. Een ander probleem is wie dan toezicht kan houden op het fondsbeheer.

Passend bij de bestuurlijke verantwoordelijkheidsverdeling, is het belangrijkste argument voor het onderbrengen van het fondsbeheer bij de Svb en het Gib. De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de besteding en deels de inning van de gelden wordt aangevuld met die voor het beheer van de gelden hetgeen past in de lijn om de uitvoering zoveel mogelijk zelf de verantwoordelijkheid te laten dragen. Organisatorisch treedt een vereenvoudiging op omdat de vier rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen in één instantie worden ondergebracht. Het toezicht op het beheer van de fondsen wordt uitgeoefend door het Ctsv en geeft uit dien hoofde geen problemen. Daarnaast blijft in deze variant het fondsbeheer bij de Svb ongewijzigd. Het fondsbeheer bij de Svb en het Gib zal als taken het beheer van de gelden, de premiecalculatie en de informatieverschaffing aan toezichts-en beleidsinstanties bevatten. De

adviesorganen hebben gewezen op bezwaren tegen het onderbrengen van het fondsbeheer bij het Gib. Met name het toezicht op de rechtmatigheid van de bij het Gib ondergebrachte fondsen gedeclareerde uitgaven beschouwden zij als een knelpunt. De declarant (bedrijfsvereniging) declareert -zo kan men stellen -als het ware bij zich zelf. Ik meen echter dat door de nu voorgestelde toezichtsconstructie dit bezwaar niet meer aan de orde is.

In de huidige situatie wordt aan de rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen de bevoegdheid toebedeeld om na te gaan of; -besluiten van de bedrijfsverenigingen met betrekking tot het verlenen van een uitkering (bijvoorbeeld ww, wao of aawuitkering) in overeenstemming zijn met de bij of krachtens de wet vastgestelde bepalingen; -bedragen, welke bedrijfsverenigingen aan het fonds in rekening brengen wegens voor het fonds gedane uitgaven, alsmede bedragen welke de bedrijfsverenigingen aan het fonds ten goede doen komen wegens voor dit fonds geïnde premies en verhaalsbedragen, op de juiste wijze zijn vastgesteld.

Beide bevoegdheden zijn in de huidige situatie tegelijk taken van de Svr. In paragraaf 4.3. is uitvoerig beschreven wat in de nieuwe situatie de inhoud van het toezicht is dat het Ctsv moet gaan uitoefenen. Gegeven het feit dat de toezichthouder de hierboven beschreven bevoegdheden als taak heeft, rijst de vraag of aan het Gib als fondsbeheerder de bovenstaande bevoegdheden moeten worden toegekend. In de huidige situatie leidt deze dubbeling van bevoegdheden tot onduidelijkheden tussen de SVr en de fondsbesturen en worden de bedrijfsverenigingen met zowel fondsbesturen als SVr geconfronteerd ten aanzien van deze toezichtsaspecten. Gezien de wijze waarop in dit wetsvoorstel de toezichttaak van het Ctsv is ingevuld en het streven om een duidelijke verantwoordelijkheidsverdeling te creëren, acht ik het overbodig en dus ongewenst om aan het Gib voor wat betreft het fondsbeheer specifieke toezichtsbevoegdheden te geven. Overigens zou in een dergelijke situatie, gezien de samenstelling van het Gib, van een onafhankelijk toezicht geen sprake kunnen zijn. Tot slot zij nog vermeld dat het Gib indien het op dit punt een toezichtstaak krijgt, geen instrumentarium heeft om naar aanleiding van de toezichtresultaten corrigerend op te treden. Bovenstaande betekent dat het toezicht op de uitgaven en ontvangsten per definitie door het Ctsv geschiedt. Hierbij maakt het niet uit of die uitgaven en ontvangsten ten laste of ten gunste van een wachtgeldfonds, een door de Svb beheerd fonds of door het Gib beheerd fonds worden gebracht. Te allen tijde zal de toezichthouder zich er van vergewissen dat de uitgaven en ontvangsten rechtmatig zijn geschied. Dit uit zich in de verklaring van rechtmatigheid zoals aangegeven in hoofdstuk 4. Het Gib in zijn positie als fondsbeheerder regelt in dit traject het financieel verkeer tussen fondsen en bedrijfsverenigingen. De hierbij geldende voorwaarden voor betaling van declaraties, worden bewaakt door het Gib. Het Ctsv ziet er weer op toe dat dit alles op juiste wijze geschiedt.

5.2.1 Premie-advisering

De Svb en het Gib brengen op basis van de premiecalculatie een premie-advies uit aan de minister. Op deze wijze zijn sociale partners nadrukkelijk betrokken in het traject van de premievaststelling. De feitelijke premievaststelling komt te berusten bij de minister vanwege de macro-economische samenhang en vanwege de mogelijke noodzaak tot

correctie vanwege (macro)beleid, aanpassing wetgeving, werkgelegenheidsbeleid, collectieve lastendruk etc. Overigens zal de rol van de minister bij de premievaststelling in de materiewetten worden geregeld.

5.2.2 Positionering ziekengeldkassen en wachtgeldfondsen De ziekengeldkassen en de wachtgeldfondsen blijven bij de bedrijfsverenigingen. Het gaat daarbij immers om bedrijfstakfondsen met premiedifferentiatie per (en soms ook binnen) elke bedrijfsvereniging. Het Ctsv kan de declaraties van de bedrijfsverenigingen bij de centrale fondsen verminderen met het bedrag van de niet-rechtmatige uitgaven waarbij het meerdere ten laste van de ziekengeldkassen en wachtgeldfondsen moet worden gebracht.

5.2.3 Svb-fondsen

De fondsen met betrekking tot de demografische verzekeringen (AOW, AWW en AKW) evenals het beheer van Invaliditeits-en Ouderdomsfonds en het Ouderdomsfonds B blijven bij de Svb. Een kanttekening is dat er anders dan in de relatie Ctsv/Gib geen mogelijkheden voor financiële correctie zijn in geval van niet-rechtmatige uitgaven.

5.2.4 Goedkeuring begroting Rijksgefinancierde fondsen Op dit moment dient de minister de begroting van de Rijksgefinancierde fondsen (Toeslagenfonds, Svb/ Algemeen Kinderbijslagfonds) goed te keuren. In een dergelijke aparte behandeling is in dit wetsvoorstel niet voorzien. Voor zover het de aan deze fondsen toe te rekenen uitvoeringskosten betreft, maken deze kosten deel uit van de gebudgetteerde uitvoeringskosten. Goedkeuring van de uitkeringslasten acht ik minder zinvol. Het kan daarbij immers nooit om een taakstellend budget gaan.

HOOFDSTUK 6. UITVOERING IN DE REGIO De uitvoering van de werknemersverzekeringen is bedrijfstakgewijs georganiseerd. Dit levert een spanningsveld op ten aanzien van de samenwerking met andere instanties in de regio. Hierbij denk ik aan samenwerking met RBA's, gemeenten en bedrijfsgezondheidsdiensten. Momenteel vinden er experimenten plaats waarin wordt bezien hoe een bedrijfstakgewijze uitvoering (de bedrijfsverenigingen dus) tot een goede samenwerking met de andere instanties in de regio kan komen. In dit wetsvoorstel zijn enkele stimulansen ingebracht om deze samenwerking te bevorderen. Aan het Gib is een stimulerende en coördinerende rol toebedacht. Gezien de intentie van dit wetsvoorstel om alleen de meest urgente knelpunten in de uitvoering op te lossen, heb ik er van af gezien in dit wetsvoorstel verdergaande regels omtrent de uitvoering in de regio te stellen. Wel ben ik voornemens om de discussie over het optimaliseren van de samenwerking in de regio te blijven stimuleren.

Binnen de huidige organisatorische setting is het moeilijk om een goede combinatie van een bedrijfstakgewijze uitvoering op regionaal niveau te bewerkstelligen. Beide uitgangspunten strikt doorvoeren komt er op neer dat in iedere RBA-regio een zelfstandig bestuur van een bedrijfsvereniging wordt gevestigd. Dit gecombineerd met de uitbesteding van de uitvoering zal leiden tot een hoogst ondoelmatige uitvoering (342 besturen van bedrijfsverenigingen). Belangrijke belem-

meringen voor een goede regionale uitvoering, met behoud van de bedrijfstakspecifieke elementen zijn; -het relatief grote aantal bedrijfsverenigingen; -de onevenwichtige verdeling van de uitvoeringsopdrachten over de uitvoeringskantoren. De huidige clusters zijn qua omvang slecht met elkaar te vergelijken. Het GAK is bijvoorbeeld vele malen groter dan het GUO. Hierdoor ontstaan scheve verhoudingen binnen de uitvoeringsorganisatie. Te kleine administratieve clusters hebben moeite om aan alle verplichtingen die de wet stelt, bijvoorbeeld inzake bereikbaarheid, te kunnen voldoen; te grote clusters hebben de neiging uit te groeien tot logge bureaucratieën die zich nog maar moeilijk laten sturen door hun opdrachtgevers; -de bedrijfsverenigingen hebben op dit moment een uitkerende, innende, een reïntegrerende en controlerende taak.

De discussie over het eindmodel van de uitvoering staat nog aan het begin. Toch is er een duidelijke tendens om ook in de toekomst de uitvoering in de regio een belangrijke plaats te geven. Dit vergt in ieder geval dat twee sporen worden gevolgd. Ten eerste zal het aantal bedrijfsverenigingen geleidelijk aan moeten worden gereduceerd en zullen de uitvoeringsclusters een meer gelijke omvang moeten krijgen. Ten tweede zullen bedrijfsverenigingen in de regio een beleid moeten kunnen voeren op het terrein van de samenwerking.

6.1 Vermindering aantal bedrijfsverenigingen Momenteel zijn 19 bedrijfsverenigingen belast met de uitvoering van de sociale verzekeringen. De verplichte aansluiting van de werkgever bij een bedrijfsvereniging is gebaseerd op de indeling van het bedrijfs-en beroepsleven welke door de minister wordt vastgesteld. ledere bedrijfsvereniging heeft tot taak de uitvoering van de sociale zekerheidswetten voor één of meer van de 26 onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven. Dit betekent dus dat enkele bedrijfsverenigingen meerdere takken van het bedrijfs-en beroepsleven beslaan. Aan de SER en de SVr is in 1989 gevraagd zich uit te spreken over de huidige indeling van het bedrijfs-en beroepsleven. Het vorige kabinet was daarbij van mening dat een vrijwillige samenvoeging van organisatie-eenheden het uitgangspunt diende te zijn. De nieuwe indeling van bedrijfsverenigingen zou betrekking dienen te hebben op de voornaamste produktiesectoren, hetgeen zou leiden tot een beperkt aantal samenwerkingseenheden, die een gelijke sociaal-economische achtergrond hebben. Hierbij zou dan een parallel kunnen worden getrokken met de indeling van de vakbonden. De SER adviseerde op dit punt: «dat het voor de verbetering van de uitvoeringsorganisatie geenszins noodzakelijk en vanuit het oogpunt van functionele decentralisatie met de daarbij behorende afstemming op de andere arbeidsvoorwaarden mogelijk zelfs ongewenst is om aan te sturen op een vermindering van het aantal bedrijfsverenigingen.» (SER-advies 90/07, blz. 34). Uiteindelijk concludeerde de Raad dat het niet opportuun werd geacht om -zoals in de adviesaanvrage uitdrukkelijk wordt gevraagd -een oordeel te formuleren over een nieuwe indeling van het bedrijfs-en beroepsleven. De Raad merkt daarbij op dat op het moment dat bij de parlementaire behandeling duidelijk wordt hoe de nieuwe uitvoeringsorganisatie eruit komt te zien en het vraagstuk nog steeds actueel is, de Raad de vraag alsnog zou willen beantwoorden.

Ik ben van mening dat de huidige indeling van het bedrijfs-en beroepsleven niet meer adequaat is. Naast het feit dat de indeling niet bijdraagt aan een eenvoudige organisatiestructuur is zij op een aantal

punten verouderd. Zij sluit niet meer aan bij de structuur van het arbeidsvoorwaardenoverleg en doet geen recht aan de veranderende betekenis van de verschillende bedrijfstakken. Daarom ben ik voornemens om aan de SER een gerichte adviesaanvrage omtrent een nieuwe indeling van het bedrijfs-en beroepsleven te doen toekomen. Het doel van een nieuwe indeling is in mijn ogen tweeledig. Enerzijds moet worden gekomen tot een sterke reductie van het aantal onderscheiden onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven, waardoor een vereenvoudiging van de uitvoeringsorganisatie kan ontstaan, en anderzijds zal de nieuwe indeling recht moeten doen aan de huidige betekenis van de verschillende sectoren. Een sterke reductie van het aantal bedrijfsverenigingen zal eveneens kunnen leiden tot een evenwichtiger verdeling tussen de uitvoeringsclusters. Het kabinet acht het overigens wenselijk om bij de voorgestelde adviesaanvrage de SER nog een andere vraag voor te leggen. Zowel de uitkomsten van de parlementaire enquête alswel de nog te voeren discussie over een wijziging van de uitvoeringsorganisatie aan de voet zullen naar de mening van het kabinet kunnen leiden tot het zoeken naar middelen om de effectiviteit van de uitvoering verderte doen toenemen. Een manier hiervoor zou kunnen zijn het inbouwen van meer concurrentie in de uitvoering van de sociale verzekeringen. De concurrentiegedachte verenigt zich moeilijk met de verplichte aansluiting bij de bedrijfsvereniging. Het kabinet zal de SER dan ook de vraag voorleggen of een herbezinning op de verplichte aansluiting bij de bedrijfsverenigingen niet op zijn plaats is en welke wegen de SER ziet om de concurrentie in de uitvoering van de sociale verzekeringen te bevorderen. Het spreekt voor zich dat indien de uitkomsten van de adviesaanvrage en de parlementaire enquête leiden tot de inbreng van meer concurrentie en dus een andere rol van de bedrijfsverenigingen in de uitvoering van de sociale verzekeringen, eveneens de positie van het Gib, als gezamenlijkheid van die bedrijfsverenigingen, zal moeten worden herzien.

6.2 Beleidsruimte in de regio

Allereerst zal, om een regionaal beleid van de grond te kunnen laten komen, in iedere regio een aanspreekpunt van de bedrijfsvereniging moeten worden gevestigd. Dit dient dan niet alleen als aanspreekpunt voor de cliënt maar ook voor de overige instanties in de regio. In het wetsvoorstel is aan het Gib opgedragen zorg te dragen voor een regionale spreiding van de kantoren van de bedrijfsverenigingen zodat iedere bedrijfsvereniging in iedere regio van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie bereikbaar is. Ik acht het de verantwoordelijkheid van de bedrijfsverenigingen zelf om tot een dergelijke spreiding te komen. In de huidige situatie mag verwacht worden dat er per regio vijf aanspreekpunten zullen zijn te weten het GAK, het GUO, de BVG, de Detam en het SFB.

Bij de zelfadministrerende bedrijfsverenigingen (de laatste drie) is het relatief eenvoudig om aan kantoren in de regio beleidsvrijheid te geven en het daarvoor benodigde geld. Een verlening van mandaat door het bestuur van de bedrijfsvereniging is daarvoor voldoende. Voor het GAK en het GUO is de situatie echter complexer; de kantoren van de uitvoeringsinstellingen in de regio worden immers gestuurd door het landelijke hoofdkantoor van de uitvoeringsinstelling en niet door de bedrijfsverenigingen. In deze situatie zullen alle bedrijfsverenigingen die hun uitvoering aan het GAK of het GUO hebben opgedragen een uniforme delegatie van hun bevoegdheden op het terrein van samenwerking in de regio moeten maken. Deze bevoegdheden dienen dan weer door de uitvoeringsinstelling naar de regio te worden doorgemandateerd.

Het is mogelijk de bovenbedoelde bevoegdheidsverdeling wettelijk te regelen. In principe is het mogelijk de erkenning van een bedrijfsvereniging en uitvoeringsinstelling te laten afhangen van de in de statuten opgenomen regeling van bevoegdheden. Hiermee is de daadwerkelijke mandatering of delegatie nog niet gegarandeerd. Het wettelijk voorschrijven van een dergelijke toedeling van bevoegdheden is een zeer vergaande stap. Het bedoelde effect kan ook langs andere weg worden bereikt. In plaats van het wettelijk toedelen van bevoegdheden is in het wetsvoorstel de bepaling opgenomen dat iedere bedrijfsvereniging een inspanningsverplichting wat betreft samenwerking in de regio heeft. De wetgever bemoeit zich dan verder niet met de invulling van de inspanningsverplichting en de wijze waarop deze gestalte wordt gegeven. De bedrijfsverenigingen hebben zowel individueel als gezamenlijk de vrijheid om zelf te bepalen hoe zij de samenwerking in de regio mogelijk maken. Op dit punt is een belangrijke rol weggelegd voor het Gib. Zo kan men afspreken dat het Gib als vertegenwoordiger van alle bedrijfsverenigingen in de regio, de bevoegdheid krijgt om namens alle bedrijfsverenigingen afspraken te maken op het terrein van samenwerking in de regio. Ook kan het Gib de bedrijfsvereniging door middel van regelgeving verplichten tot samenwerking. Het Gib krijgt immers als wettelijke taak de samenwerking in de regio te bevorderen en te coördineren. Het Ctsv zal er op toezien dat daadwerkelijk invulling wordt gegeven aan de wettelijke taken van zowel het Gib als de bedrijfsverenigingen. Een voortvarende opstelling met betrekking tot regionale samenwerking, bijvoorbeeld in het kader van een gecoördineerde of gezamenlijke intake van werklozen door bedrijfsverenigingen en Arbeidsvoorziening wordt van groot belang geacht. Ik acht het vooralsnog wenselijk de bedrijfsverenigingen in eerste instantie zelf te laten bepalen hoe zij de samenwerking in de regio gestalte gaan geven. Op dit punt is een belangrijke rol voor het Ctsv weggelegd. Op basis van de uitvoeringseffectenrapportages die het Ctsv over de samenwerking in de regio zal opstellen, zal de minister zich namelijk een oordeel vormen over de noodzaak tot regelgeving op dit punt. Op deze manier kan een vrijwel continue evaluatie van de samenwerking in de regio plaatsvinden. Eventueel zal ik het Ctsv kunnen verzoeken om na een bepaalde tijd met een brede en diepgaande evaluatie te komen over de wijze waarop de uitvoering in de regio gestalte wordt gegeven.

6.3 Experimenten

Een manier om de samenwerking in de regio te bevorderen is door ervaring op te doen met samenwerkingsvormen waarbij (voor een deel) geabstraheerd wordt van de wettelijk toegedeelde taken en bevoegdheden. Deze ervaring kan worden opgedaan door het uitvoeren van experimenten in de regio. Hiertoe dienen dan wel de eventueel aanwezige wettelijke belemmeringen te worden weggenomen. In het wetsvoorstel is een bepaling opgenomen die het mogelijk maakt in bepaalde regio's te experimenteren met verschillende samenwerkingsvormen. De bepaling maakt het mogelijk dat bij algemene maatregel van bestuur wordt afgeweken van de OSV. Dit is een gewichtige stap, de wet wordt immers voor een deel terzijde gesteld.

HOOFDSTUK 7. FINANCIEEL ECONOMISCHE CONSEQUENTIES

7.1 Inleiding

De centrale doelstelling van dit wetsvoorstel is het oplossen van een aantal urgente knelpunten in de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen. In financieel-economisch opzicht is als gevolg hiervan sprake van kwantitatieve effecten die enerzijds neerslaan in de uitvoeringskosten en anderzijds in de uitkeringslasten. Kwantitatieve effecten met betrekking tot de uitvoeringskosten kennen een structurele en een eenmalige component die verbonden is aan de implementatie van de nieuwe organisatiestructuur. Bij deze laatste effecten moet gedacht worden aan bijvoorbeeld aanpassingskosten, verplaatsingskosten, scholingskosten en de kosten van een sociaal plan, die zich tijdens het implementatieproces zullen voordoen. De omvang van de implementatiekosten is sterk afhankelijk van de invulling van het intrinsieke veranderingsproces met name door de uitvoeringsorganisatie zelf (en de organisaties die daarin bestuurlijk participeren). In de toelichting zal hier niet nader op worden ingegaan. De implementatiekosten zullen meer concreet aan de orde kunnen komen bij de nader te formuleren voorstellen met betrekking tot het invoeringstraject. Dit wetsvoorstel handelt derhalve over de structurele situatie van de uitvoeringsorganisatie. Bijgevolg beperkt deze toelichting zich tot de structurele effecten.

Er zij op voorhand op gewezen dat het kabinet de in deze toelichting geschatte kwantitatieve effecten niet als taakstellend wil zien. De ramingen zijn in eerste instantie bedoeld om een indruk te geven vah de schaal waarop zich in dit opzicht veranderingen kunnen voordoen. Zij zijn gebaseerd op gegevens uit jaarverslagen en begrotingen, die onder bepaalde veronderstellingen geïnterpreteerd en gehanteerd zijn. Als zodanig zijn de ramingen dan ook nog met de nodige onzekerheden omgeven. Een complicatie bij de weergave van de mutaties in de uitvoeringskosten ten gevolge van de wijzingen in de OSV is dat de effecten van het beleid gericht op terugdringing van het ziekteverzuim en het beroep op de arbeidsongeschiktheidsregelingen en de effecten van de voorziene overdracht van de AAW-voorzieningen naar de gemeenten hier doorheen spelen. Deze processen zullen op zich een (grote) invloed uitoefenen op de uitvoerïngskosten. Naar verwachting zullen deze kosten dalen ten gevolge van de TZ-maatregelen (o.a. 3/6 weken eigen risico ZW) en toenemen onder invloed van de TBA-maatregelen (o.a. herbeoordelingsoperatie en periodieke beoordeling). Daarnaast vindt een verschuiving van taken van de bedrijfsverenigingen en de GMD naar gemeenten plaats (AAW-voorzieningen) en neemt de Arbeidsvoorziening de bemiddeling van gedeeltelijke arbeidsongeschikten over van de GMD. Voor de helderheid worden hier de OSV-effecten op zichzelf bekeken en als zodaning onderscheiden van de effecten van de zojuist aangeduide maatregelen gericht op terugdringing ziekteverzuim en maatregelen op het vlak van de voorzieningen.

7.2 Effecten op de uitvoeringskosten De effecten die neerslaan in de uitvoeringskosten zijn het gevolg van: a. de toegenomen beheersbaarheid van deze kosten; b. de veranderingen in de structuur van de uitvoeringsorganisatie.

De toegenomen beheersbaarheid wordt bewerkstelligd door versterkt toezicht en door de introductie van budgetfinanciering. De situatie waarin de uitvoeringskosten zich min of meer autonoom leken te kunnen ontwikkelen zal daarmee beëindigd worden. De kwantitatieve omvang van dit effect laat zich op dit moment nog moeilijk ramen. Het in hoofdstuk 5 van deze memorie reeds genoemde onderzoek van de SVr naar de huidige kostenopbouw van de uitvoering is nog niet afgerond. Hierdoor is nog geen uitspraak te doen over de doelmatigheid van de huidige uitgaven ten behoeve van de uitvoeringskosten. Daarnaast speelt de ontwikkeling van de werklast van de uitvoeringsinstanties een rol. De ontwikkeling van de uitvoeringskosten wordt daar primair door bepaald.

Effecten als gevolg van de in dit wetsvoorstel vervatte veranderingen in de structuur van de uitvoeringsorganisatie doen zich voor: -op het niveau van de SVr c.q. het Ctsv; -op het niveau van het Gib en de Svb; -op het niveau van de bedrijfsverenigingen.

7.2.1 Effecten op het niveau van het Ctsv De in dit wetsvoorstel vervatte voornemens hebben ingrijpende gevolgen voor de SVr. In kort bestek komen de veranderingen samenhangend met de omvorming van de SVr tot het Ctsv erop neer dat: a. het toezicht wordt versterkt; b. de uitvoeringstechnische advisering wordt overgedragen aan het Gib en de Svb; c. de coördinerende en regelgevende taken worden overgedragen aan het Gib; d. de centrale fondsen onder het beheer van het Gib komen; e. de centrale informatiefunctie wordt geformaliseerd; f. de behandeling van indelingsvraagstukken wordt overgedragen aan het Gib.

Voor een raming van de hiermee samenhangende effecten op de uitvoeringskosten moet worden nagegaan wat de consequenties zijn voor de personele en materiële kosten van het secretariaat van de SVr. Deze laten zich overigens thans nog slechts indicatief schetsen. Als uitgangspunt geldt daarbij het SVr-secretariaat zoals dat gestalte heeft gekregen na de medio vorig jaar afgeronde reorganisatie in zijn huidige omvang. Hierbij zij opgemerkt dat de SVr in de toekomst als gevolg van efficiencyverbetering een reductie met 15% mogelijk acht.

7.2.1.1 Effecten op de personele kosten Versterking toezicht. In het kader van de hiervoor genoemde reorganisatie van het SVr-secretariaat is, wat betreft de reallocatie van personele en materiële middelen, hoge prioriteit gegeven aan de toezichthoudende taken. Daarbij is niet alleen het kwantiteitsmaar ook het kwaliteitsaspect aan de orde geweest om het toezicht te verbeteren. In dit wetsvoorstel wordt de toezichthoudende taak verder versterkt hetgeen een aantal additionele taken met zich brengt. Het betreft ondermeer de uitvoeringseffectrapportages, de rechtmatigheidsverklaringen en eventuele second opinion en de oordeelsvorming over de kwaliteit van de uitvoering. Naar verwachting zal dit leiden tot een toename van menskracht. Geraamd wordt een aantal van 30 mensjaren, overeenkomend met een kostentoename van 3 mln.

Budgettering van Svb en Gib. Toegevoegd wordt de budgetteringstaak ten opzichte van de Svb en

het Gib. Naar schatting vergt dit een uitbreiding met 5 mensjaren (kostentoename 0,5 mln)

Overdracht adviserende, coördinerende en regelgevende taken. In de huidige formatie van het secretariaat van de SVr hebben ca. 55 mensjaren betrekking op strikt adviserende taken en werkzaamheden in relatie tot coördinatie en regelgeving. In het kader van de overdracht van de uitvoeringstechnische advisering en de regelgeving en coördinatie aan het Gib (en de Svb) en de advisering die samenhangt met fondsbeheer aan het Gib, komen deze arbeidsplaatsen te vervallen (mutatie loonkosten 5,5 mln). Bij de FBV vindt momenteel eveneens coördinatie van uitvoeringstechnische aangelegenheden plaats. Door concentratie van deze taken bij het Gib kan overlap worden voorkomen. Een aantal van de vrijvallende personen bij de SVr kan door het Ctsv worden ingezet bij de oordeelsvorming in het kader van toezicht, een ander deel zal kunnen overgaan naar het Gib en de Svb.

Fondsbeheer Het huidige SVr-secretariaat omvat ca 25 mensjaren voor het beheer van de centrale fondsen. Door overdracht van deze taak aan het Gib kunnen de personeelskosten van het Ctsv-secretariaat naar schatting ca 2,5 mln gld lager uitkomen.

Centrale informatiefunctie Formalisering van de centrale informatiefunctie bij het Ctsv is in grote lijnen een bevestiging van de situatie waar de SVr zich in het kader van de reorganisatie al op heeft ingesteld. Uit dien hoofde zijn dan ook geen effecten verondersteld.

Indelingsvraagstukken In de huidige formatie van het SVr-secretariaat is voorzien in ca 15 mensjaren voor de behandeling van indelingsvraagstukken. Deze taak gaat over naar het Gib. Dit levert bij het SVr-secretariaat een besparing op de personeelslasten op van ca 1,5 mln gld.

7.2.1.2 Effecten op de materiële kosten Als gevolg van de voorziene personele mutaties, zoals hierboven beschreven, resulteert naar verwachting voor het SVr-secretariaat per saldo een vermindering van de personele sterkte van ca. 60 mensjaren. Dit komt overeen met een vermindering van de personeelskosten van 6 mln gld. Als gevolg van deze reductie kunnen ook op de materiële kosten besparingen optreden. Afgaande op de materiële kosten die worden toegerekend aan het uitoefenen van de adviserende taken -de personeelsreductie zal daar immers met name z'n beslag krijgen -zouden de materiële kosten een reductie te zien moeten geven van ca 2 mln gld. Het discontinue karakter van met name de huisvestingskosten verhindert mogelijk een flexibele aanpassing waardoor dit bedrag onder voorbehoud genoemd moet worden.

7.2.2 Effecten op het niveau van het Gib en Svb De wijzigingen die op dit niveau worden voorzien zijn: -de instelling van het Gib, met een eigen secretariaat, dat belast wordt met:

  • coördinatie en regelgeving alsmede met de behandeling van indelingsvraagstukken; b. de uitvoeringstechnische advisering met betrekking tot de betreffende sociale zekerheidswetten; c. de centrale taken van de huidige GMD; d. fondsbeheer centrale fondsen; e. budgettering. -herziening van het takenpakket van de Svb in die zin dat: a. deze wordt belast met de uitvoeringstechnische advisering met betrekking tot de onder de bank vallende sociale zekerheidswetten; b. grotere verantwoordelijkheid ontstaat voor de uitvoeringskosten in relatie tot de budgettering.

7.2.2.1 het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen Effecten op de personeelskosten Coördinatie, regelgeving en uitvoeringstechnische advisering met betrekking tot de betreffende sociale zekerheidswetten. Het Gib komt in de plaats van de huidige FBV, die zich voor een deel al bezighoudt met dezelfde taken als die waarmee het Gib zal worden belast. Met name wat coördinatie betreft is dit het geval. Anders dan bij de FBV, waarvan het secretariaat wordt gevoerd door het GAK, zal dit Gib een eigen secretariaat en een zelfstandige huisvesting hebben.

Voor de omvang van het toekomstige Gibsecretariaat kan in eerste aanleg worden gekeken naar de omvang van de huidige secretariële ondersteuning door het GAK. Dit betreft met name feitelijke werkzaamheden met betrekking tot regelgeving en coördinatie. Uit de GAK-jaarverslagen kan worden afgeleid dat die ondersteuning ca 40 mensjaren behelst.

Met de overdracht van adviserende taken van de huidige SVr naar het Gib zijn naar verwachting niet meer dan 30 mensjaren gemoeid. Dit aantal is gebaseerd op de op advisering betrekking hebbende huidige personeelsinzet van de SVr, waarbij rekening is gehouden met het feit dat ook een deel van die taken wordt overgedragen aan de Svb.

Met de inzet van de in totaal 70 mensjaren moet naar het oordeel van het kabinet het Gib in staat worden geacht, zijn regelgevende, coördinerende en adviserende taken te kunnen verrichten.

Overdracht indelingsvraagstukken. Met de overdracht van de behandeling van indelingsvraagstukken is blijkens de daarop betrekking hebbende huidige personeelsinzet van de SVr maximaal 15 mensjaren gemoeid.

Overdracht centrale taken GMD. Het onderbrengen van de centrale taken van de huidige GMD in het Gib impliceert dat een aantal functies waarmee de ca 160 medewerkers van het centraal kantoor zijn belast, over zal gaan naar het Gib. Daarbij gaat het globaal om 90 arbeidsplaatsen. Een aantal andere functies zal kunnen worden ondergebracht op het uitvoerende niveau. Daarnaast moet de secretariële ondersteuning van het centraal kantoor van het GAK aan de GMD in het beeld worden betrokken. Blijkens jaarverslagen van de GMD en het GAK gaat het hierbij om ca. 400 (administratieve) medewerkers. Voor een substantieel gedeelte lijken deze taken aangewezen om over te gaan naar de bedrijfsverenigingen. Integratie met bestaande werkzaamheden van de bedrijfsverenigingen zal kunnen leiden tot het vervallen van een deel van deze arbeids-

plaatsen. De functies die voor overgang naar het Gib in aanmerking komen, vertegenwoordigen naar schatting niet meer danlOO mensjaren.

Fondsbeheer centrale fondsen. De activiteiten in het kader van fondsbeheer, die in de huidige constellatie worden uitgevoerd door het fondsensecretariaat ondergebracht bij de SVr worden overgebracht naar het Gib. De personeelsomvang bedraagt 25 mensjaren (kosten 2,5 mln).

Budgettering. Nieuw is de budgetteringstaak. Een hiermee samenhangende uitbreiding van de formatie met 10 mensjaren lijkt op voorhand niet onrealistisch. Dit betekent een kostenstijging van 1 mln.

Totaal personeelsbestand Gib

Samenvattend zou de totale formatie van het secretariaat van het Gib op basis van deze benadering zo'n 310 mensjaren kunnen omvatten. Hiermede corresponderen personeelslasten van naar raming 30 mln gld. Zoals hierboven weergegeven zijn deze arbeidsplaatsen afkomstig van de huidige organen, die taken overdragen (SVr, GMD, GAK).

Effecten op de materiële kosten De materiële kosten van het toekomstige Gib met een omvang zoals die hierboven is aangegeven bedragen ruw geschat ca. 7 mln gld. Tegenover dit bedrag staan mogelijke besparingen met name bij het centraal kantoor van het GAK. Ook hier moet echter bij worden aangetekend dat het discontinue karakter van de huisvestingskosten waarschijnlijk zal verhinderen dat dergelijke besparingen ook volledig worden gerealiseerd.

7.2.2.2 De Sociale verzekeringsbank Effecten op de personeelskosten

Met de overdracht van de advisering omtrent uitvoeringstechnische aspecten van volksverzekeringen van de huidige SVr naar de Svb zijn globaal 5 mensjaren gemoeid (kosten 0,5 mln). Gezien de activiteiten die reeds nu door de Svb worden ontwikkeld om de uitvoeringskosten onder controle te houden, wordt geen uitbreiding van menskracht in relatie tot de budgetteringstaak verwacht.

Effecten op de materiële kosten De effecten in de personele sfeer zijn zo beperkt dat in de materiële sfeer geen effecten geraamd worden.

7.2.3 Effecten op het uitvoerende niveau Het belangrijkste kwalitatieve effect van het wetsvoorstel voor het uitvoerende niveau is de integratie van de medisch-arbeidskundige functie in de gevalsbehandeling. De effecten van de overdracht van de GMD-taken naar de bedrijfsverenigingen laten zich op zichzelf globaal kwantificeren. Zoals in de inleiding is aangegeven zal in het hierna geschetste beeld geen rekening worden gehouden met de effecten van de maatregelen gericht op terugdringing van het ziekteverzuim, de zgn 6 wekenmaatregel en de invoering van de Wijziging Arbowet. Deze maatregelen zullen leiden tot een verdere nu nog niet te kwantificeren maar ongetwijfeld omvangrijke reductie van het aantal verzekeringsgeneeskundigen en administratieve medewerkers.

7.2.3.1 Effecten op de personele kosten Integratie van de medisch-arbeidskundige functie in de gevalsbehandeling heeft effecten op het benodigde aantal verzekeringsgeneeskundigen en administratieve medewerkers. Op het aantal arbeidsdeskundigen heeft integratie van de medisch-arbeidskundige functie geen effecten. Door de stroomlijning die met de geïntegreerde gevalsbehandeling kan worden gerealiseerd acht het kabinet het mogelijk dat het aantal verzekeringsgeneeskundigen en het aantal administratieve medewerkers met 10 a 15% (d.w.z. met 85 a 125 respectievelijk 300 a 450) kan worden verminderd. Dit komt neer op een vermindering van de personeelskosten met 35 a 50 mln. De overdracht van (GMD)-taken leidt naar verwachting tot een uitbreiding van ca. 150 mensjaren (kosten 15 mln.).

Inzake de overdracht van de arbeidsbemiddeling van gedeeltelijk arbeidsongeschikten aan de Arbeidsvoorziening worden voor de sv-sector geen substantiële effecten geraamd. De arbeidskundigen, voorheen belast met de bemiddeling, blijven daarbij betrokken, terwijl mag worden aangenomen dat het volume van bemiddelingen zal toenemen.

7.2.3.2 Effecten op de materiële kosten Met het al eerder gemaakte voorbehoud ten aanzien van het karakter van deze kosten, wordt voorzichtig aangenomen dat de materiële kosten als gevolg van de hiervoor geraamde vermindering van het aantal verzekeringsgeneeskundigen en administratieve medewerkers met 7 a 10 mln gld kunnen worden verlaagd.

7.2.4 Effecten op departementaal niveau In de nieuwe situatie zal een intensievere betrokkenheid van het departement worden gevraagd. Dit met name in relatie tot de beoordeling van de uitvoeringseffectenrapportages en de rechtmatigheidsverklaringen van het Ctsv. De hiermee samenhangende uitbreiding van de personeelscapaciteit wordt geraamd op ca. 10 mensjaren (kosten ca. 1 mln)

7.2.5 Recapitulatie

Zoals hierboven in grote trekken is aangegeven, treedt er een aantal personele verschuivingen op. Bij de SVr zou na omvorming tot het Ctsv het aantal personeelsleden met 60 mensjaren kunnen afnemen ten opzichte van het huidige niveau. Dit komt neer op 6 mln minder personeelskosten. Dit is een saldo van een uitbreiding van het personeelsbestand in relatie tot toezicht en een afname als gevolg van een verschuiving van taken naar het Gib en de Svb. Het totaal aantal personeelsleden, dat bij het Gib werkzaam zal zijn, wordt geschat op ongeveer 310 hetgeen gepaard gaat met ca 30 mln. gld. aan personeelskosten. Bij de Svb is daarnaast een toename met 5 mensjaren te verwachten (kosten 0,5 mln.). Daartegenover staan besparingen van de personeelslasten bij het GAK en het centrale apparaat van de GMD van globaal 50 mln. Op het uitvoerende niveau ten slotte zal door de opheffing van de GMD 35 a 50 mln. bespaard kunnen worden op de personeelskosten. Daartegenover zullen door overheveling van taken naar het uitvoerende vlak de personeelskosten met 15 mln. toenemen.

Neuw

Per saldo zou in de gehele sector 50 a 70 mln. bespaard kunnen worden op de personeelskosten. Zoals hierboven is aangegeven is dit het gevolg van het vervallen van GMD-(ondersteunende) taken op centraal niveau en een vermindering van de overlap van GMD en BV-taken op uitvoerend niveau. Ook op het materiële vlak zouden bij een aantal instanties de nodige kosten bespaard kunnen worden, maar het betreft hier grotendeels vaste lasten zoals huisvestingskosten. Zij fluctueren nauwelijks bij afname of toename van het personeel. De besparingen op het materiële vlak zullen derhalve zeer beperkt zijn. Een en ander kan als volgt worden weergegeven:

I

'

OBuugei

20 lovenao 8VI

getrar j.3.overiao

'

00 genr. 3.3.1 onoeist.GAK/GMC''

•:00a-/00ne

2.5™

•50 a-70 m

7.3 Effecten op de uitkeringslasten Een in meerdere opzichten betere uitvoering moet tot kwantitatieve effecten op de uitkeringslasten leiden. Een efficiëntere en beter gecoördineerde uitvoering (ook met het arbeidsvoorzieningsapparaat) gekoppeld aan een stringenter toezicht verhogen de effectiviteit en leiden tot een omvangrijker respectievelijk snellere terugkeer naar het arbeidsproces. In die zin moet onderhavig wetsvoorstel vooral ook een bijdrage leveren aan de realisering van de doelen die het kabinet zich gesteld heeft in het kader van het volumebeleid arbeidsongeschiktheid. De kwantitatieve effecten van dat beleid zijn geraamd bij de verschillende wetsvoorstellen, die in dat kader zijn voorbereid respectievelijk ingediend. Daarnaast creëert het wetsvoorstel ongetwijfeld ook zelfstandig effecten. Deze zijn op voorhand echter niet te kwantificeren. Omdat het kabinet zich niet wil rijk rekenen, wordt nagelaten een raming van deze besparingen te geven.

HOOFDSTUK. RECHTSBESCHERMING EN DEREGULERING

8.1 Rechtsbescherming

De bedrijfsverenigingen en de SVb zijn in hoofdzaak belast met het verstrekken van uitkeringen. Het Gib coördineert de werkzaamheden van de bedrijfsverenigingen. Het College houdt toezicht op de wijze van uitvoering van de sociale zekerheidswetten en de minister is politiek verantwoordelijk voor het geheel. Ter uitvoering van de verschillende wetten nemen de diverse instanties besluiten die van verschillend karakter kunnen zijn. Geschillen omtrent beslissingen in het kader van dit wetsvoorstel vallen onder de bestuursrechtspraak zoals deze wordt beheerst door hoofdstuk 8 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dat is opgenomen in het Wetsvoorstel voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie (Kamerstukken II, 1991-92, 22495, nrs. 1-2). In dit wetsvoorstel worden regels gesteld voor de bestuursrechtspraak in het algemeen. De vraag is in hoeverre tegen de diverse beslissingen die in het kader van de bestuurlijke verhoudingen op grond van de OSV genomen kunnen worden, beroep open moet staan, in hoeverre een mogelijkheid tot instellen van hoger beroep gewenst is en voor welke rechtscolleges dit beroep zou moeten dienen.

Ingevolge het wetsvoorstel voltooiing eerste fase (art.8.1.1.1 Awb) kunnen belanghebbenden tegen een besluit van een bestuursorgaan beroep instellen bij de rechtbank. Hierbij neemt de administratieve rechter niet alleen kennis van geschillen inzake beschikkingen, maar ook van geschillen inzake besluiten van algemene strekking, met uitzondering van algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels (art. 8.1.1.2 Awb) en goedkeuring van dergelijke besluiten (art. 8.1.1.2, onderdeel c, Awb). Geen beroep kan worden ingesteld tegen een besluit, inhoudende schorsing of vernietiging van een besluit van een ander bestuursorgaan (art. 8.1.1.5 Awb). In het kader van de Awb en het Wetsvoorstel voltooiing eerste fase wordt het stelsel van bestuurlijke rechtsbescherming geherstructureerd. Dit leidt tot integratie van de rechtspraak in eerste aanleg in sociale zekerheidszaken, ambtenarenzaken, Arobzaken, een deel van de geschillen op grond van de tijdelijke wet Kroongeschillen (TwK) en kroongeschillen door middel van het opdragen van de rechtsmacht in die zaken aan de nieuw in te stellen administratieve kamers bij de rechtbanken. De rechtsmacht in hoger beroep in Arob-, TwK-geschillen en kroongeschillen wordt in het algemeen opgedragen aan een nieuw te vormen Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Waar de wet beroep mogelijk maakt is het uitgangspunt van het nieuwe bestuursrecht dat beroep in twee instanties plaatsvindt: bij de rechtbank in eerste aanleg en in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep of de Afdeling bestuursrechtspraak. Afwijkingen van dit principe zijn alleen acceptabel als hiervoor gegronde redenen aan te voeren zijn, zoals bijzondere spoed of specialistische kennis bij een andere rechter dan de reguliere administratieve rechter. Overigens zij er op gewezen dat ten aanzien van een vrij groot aantal bestuursgeschillen op grond van onderliggende regelgeving beroep in één instantie openstaat (zie hiervoor nader Kamerstukken II, 1991-92, 22495).

De rechtsmacht in hoger beroep in sociale verzekerings-en ambtenarenzaken blijft opgedragen aan de Centrale Raad van Beroep (CRvB), voorzover het betreft beslissingen genomen op grond van de in de bijlage bij de Beroepswet genoemde wetten (art. 18 Beroepswet (nieuw)). De huidige OSV is de enige van d^sociale verzekeringswetten die niet in de bijlage bij de Beroepswet is opgenomen en door vermelding op de bijlage, bedoeld in artikel 8.1.1.6 Awb ook van de algemene beroepsgang is uitgezonderd, omdat op het moment van indiening van het wetsvoorstel nog niet was beslist over een aantal uitgangspunten met betrekking tot dit wetsvoorstel. Het kabinet is voornemens alle sociale zekerheidskwesties in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep onder te brengen: in de toekomst zal de nieuwe Algemene Bijstandswet, ook voor bestuursrechtelijke geschillen, in de bijlage bij artikel 18 Beroepswet worden opgenomen. Gezien de verwevenheid van dit wetsvoorstel met de andere sociale verzekeringswetten ligt het derhalve voor de hand ook dit wetsvoorstel in de bijlage bij artikel 18 Beroepswet op te nemen. Dan geldt in principe dat voor alle beslissingen op grond van de sociale zekerheidswetten beroep open staat bij de rechtbank en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.

Het wetsvoorstel benoemt de instanties waaraan de bevoegdheid tot het nemen van besluiten wordt toebedeeld, zowel met betrekking tot hun onderlinge relaties, als ten aanzien van burgers. Hierna zal op een aantal specifieke besluiten worden ingegaan en zal voorts worden bezien of er redenen zijn om van het uitgangspunt van beroep in twee instanties af te wijken; voor de niet nader besproken categorieën van besluiten zal de reguliere beroepsgang gelden.

In een aantal gevallen wordt aan een bestuursorgaan de bevoegdheid toegekend de voorzitter en leden van diverse besturen van uitvoeringsinstanties te schorsen en te ontslaan. In de praktijk zal het niet vaak voorkomen dat tot een dergelijke maatregel wordt overgegaan, maar indien dit geschiedt zal het duidelijk zijn dat het uit het oogpunt van de rechtsbescherming van betrokken personen gewenst is dat hierbij volledig beroep in twee instanties op de administratieve rechter openstaat. Aparte regelingen terzake zijn dan ook niet nodig.

Op een aantal plaatsen in de wet zijn besluiten, reglementen en rechtshandelingen onderworpen aan het vereiste van goedkeuring. Zoals hiervoor werd gesteld is van een besluit tot goedkeuring soms geen beroep mogelijk (betreft algemeen verbindende voorschriften en beleidsregels). In de praktijk zal, indien een hogere instantie bezwaar heeft tegen de inhoud van een bepaald besluit, waarschijnlijk aanpassing van dit besluit volgen. Mocht dit echter niet geschieden en goedkeuring geweigerd worden, dan zijn er geen redenen aan te voeren waarom voor het beroep een aparte regeling zou moeten gelden. De reguliere wetsbepalingen volstaan dan ook.

De aanwijzing is een aparte figuur in de verhoudingen binnen het wetsvoorstel. Op grond van artikel 11 kan de minister aan het Ctsv

aanwijzingen geven betreffende de uitoefening van zijn taken. Het College is gehouden overeenkomstig die aanwijzingen te handelen. Op grond van artikel 15 kan het College aanwijzingen geven aan uitvoeringsinstanties. Deze aanwijzingen kunnen geen betrekking hebben op de besluitvorming betreffende individuele verzekerden, uitkeringsgerechtigden of werkgevers. Indien een bedrijfsvereniging niet handelt overeenkomstig de aanwijzing van het College, kan het College besluiten dat bepaalde uitgaven van de bedrijfsverenigingen onaanvaardbaar zijn, en niet ten laste van de centrale fondsen worden gebracht. Een aanwijzing kan ook getrapt geschieden, in die zin dat de minister een aanwijzing geeft aan het College, dat dan weer op zijn beurt aanwijzingen geeft aan een uitvoeringsinstantie.

Ik onderken dat afhankelijk van de inhoud van de aanwijzing, deze een verschillend rechtskarakter kan hebben, hetgeen consequenties heeft voor de beroepsgang. Veelal zal een aanwijzing moeten worden beschouwd als een besluit van algemene strekking, waartegen beroep openstaat bij de rechtbank en hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Voor zover een aanwijzing moet worden gezien als een algemeen verbindend voorschrift of een beleidsregel, staat ingevolge artikel 8.1.1.2 Awb geen beroep open bij genoemde rechters, en zal de tussenkomst van de burgerlijke rechter ingeroepen kunnen worden. Overigens zij opgemerkt dat waar het uiteindelijk oordeel over de taakuitoefening van de diverse instanties aan regering en parlement is voorbehouden, aan te nemen valt dat de rechter zich wat betreft de toetsing van beleidsdoelstellingen die aan een aanwijzing ten grondslag liggen, terughoudend zal opstellen. Wel zal hij beoordelen of de aanwijzing op goede gronden is gegeven en goed gemotiveerd en zorgvuldig is voorbereid.

Een onderwerp dat voorts genoemd moet worden is de erkenning van een vereniging als een bedrijfsvereniging. Aan de rechter kan worden voorgelegd een besluit inzake erkenning van een representatieve vereniging van werkgevers en werknemers als bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling, de goedkeuring van de statuten van die vereniging, de eventuele intrekking van de erkenning en de gevolgen daarvan. Het betreft hier besluiten gericht tot individuele verenigingen, waartegen beroep open staat. Een speciale regeling lijkt ook hier niet aan de orde.

Een vergelijkbare situatie doet zich voor bij de instelling van een afdelingskas, waarbij de bedrijfsvereniging verschillende werkgevers gezamenlijk het risico van de ziekengeldverzekering laat dragen, en het verlenen van toestemming aan één werkgever het risico van de ziekengeldverzekering zelf te dragen. Zowel beslissingen omtrent het instellen van een afdelingskas, als het beslissingen omtrent het verlenen van eigen risicodragerschap, zijn besluiten die bepaalde werkgevers rechtstreeks regarderen en waartegen volledig beroep moet openstaan.

De aansluiting van werkgevers bij een bepaalde bedrijfsvereniging is een zaak die van groot financieel belang kan zijn voor betrokken werkgevers en werknemers. De werkgever die werkzaamheden verricht die onder verschillende onderdelen van het bedrijfsleven vallen, is van rechtswege verzekerd bij de bedrijfsverzekering die haar taak uitoefent in dat onderdeel van het bedrijfsleven waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon betaalt of vermoedelijk zal betalen. Op verzoek van een werkgever of van één of meer bedrijfsverenigingen kan het Gib bepalen dat een werkgever bij een andere bedrijfsvereniging wordt ingedeeld. Dat het hier een besluit betreft waartegen beroep moet openstaan spreekt voor zich. Indelingskwesties, zoals die thans bij de SVr spelen

hebben een zeer eigen karakter. In de eerste plaats is het vaak moeilijk te bepalen bij welk onderdeel van het bedrijfsleven een bedrijf nu precies thuishoort. Dit vereist een gedegen onderzoek. Ik meen dat de termijn van artikel 7:10 Awb daarvoor toereikend is (6 of 10 weken met de mogelijkheid van 4 weken verdaging). Volledigheidshalve merk ik op dat aan de beoepsprocedure bij de Centrale Raad van Beroep geen bezwaarschriftprocedure bij het Gib voorafgaat (7:1 Awb). Tijdens dit onderzoek gaan de premieheffing voor de sociale verzekeringen, en ook het verstrekken van uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen, gewoon door. Het is vanwege de verschillende premieniveaus voor werknemersverzekeringen en aanvullende regelingen en de onomkeerbaarheid van de reeds verstrekte uitkeringen praktisch niet mogelijk een indeling met terugwerkende kracht te wijzigen. In verband met de omvangrijke financiële gevolgen zijn langdurige procedures ongewenst. Deze overwegingen leiden er toe voor indelingskwesties rechtspraak in eerste en enige aanleg in te stellen bij de Centrale Raad van Beroep.

Het College voor de Bank en het Gib en deze laatste weer voor elke bedrijfsvereniging, stelt jaarlijks een budget vast. Ook kunnen terzake tussentijdse wijzigingen getroffen worden. Het betreft hier een verregaande bevoegdheid van het College en het Gib om invloed uit te oefenen op de uitvoering en administratie van de uitvoeringsinstanties van de sociale verzekeringen, die echter vanwege het grote financiële belang noodzakelijk is. Het is van groot belang dat op korte termijn een definitief rechterlijk oordeel beschikbaar kan zijn. Daarom wordt ook voor deze besluiten beroep in één instantie bij de Centrale Raad van Beroep voorgesteld. Indien het College als toezichthouder op het fondsbeheer, bij de controle van de declaraties ten laste van de fondsen, van mening is dat sommige uitgaven van de bedrijfsverenigingen op onjuiste gronden zijn verstrekt, kan het College opdracht geven tot opschorting van betalingen ten laste van een fonds. Het betreft hier een onderdeel van de uitoefening van de toezichttaak door het College, waarbij het College de mogelijkheid krijgt in te grijpen indien er met betrekking tot het doen van uitgaven door een uitvoeringsinstantie fouten worden gemaakt. Er zijn geen redenen aan te voeren voor het treffen van speciale beroepsbepalingen.

In artikel 105, wordt de mogelijkheid geschapen van schorsing en vernietiging van besluiten van het Ctsv en van de uitvoeringsinstanties bij koninklijk besluit. Ingevolge de Awb is van een dergelijk besluit geen beroep mogelijk op de administratieve rechter. Er lijken geen redenen om van deze algemene regeling af te wijken.

8.2 Deregulering

8.2.1 Algemeen

Een belangrijk aandachtspunt bij het opstellen van nieuwe wetgeving is de vraag of de nieuwe wetgeving past in een beleid dat gericht is op terughoudendheid met regelgeving. Bij het tot stand brengen van dit wetsvoorstel heeft het streven naar vermindering en vereenvoudiging van regelgeving voorop gestaan. Zoals in de aanwijzingen inzake terughoudendheid met regelgeving (Besluit van de Minister-President van 5 november 1984, nr. 34993 I) wordt opgemerkt, betekent het streven naar vermindering en vereenvoudiging in regelgeving van overheidswege niet dat de wetgever pas op de plaats zou moeten maken. Maatschappelijke ontwikkelingen brengen

mee dat de overheid voortdurend wordt genoodzaakt te beoordelen of bestaand beleid en bestaande regelgeving nog in voldoende mate is toegesneden op de eisen die daaraan in de steeds veranderende omstandigheden vanuit die samenleving worden gesteld. Dit geldt misschien wel in versterkte mate voor het terrein van de sociale zekerheid. Het stelsel van sociale zekerheid neemt een belangrijke plaats in het rechtsbestel in, gelet op het felt dat het gaat om het waarborgen van bestaanszekerheid van burgers. Terwijl met name de afgelopen decennia het stelsel van sociale verzekeringswetgeving zich in hoog tempo heeft ontwikkeld tot een omvangrijk complex aan regelgeving en de mate waarin een beroep moet worden gedaan op die regelingen sterk is toegenomen.

De wijze waarop momenteel de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen wettelijk is vormgegeven voldoet niet meer aan de vereisten van duidelijke wetgeving. Daarbij dient in aanmerking genomen te worden dat de bepalingen inzake de uitvoeringsorganisatie, zoals die thans in de OSV zijn neergelegd, zelf in de loop der tijd herhaaldelijk zijn aangepast en aangevuld. Dit heeft er toe geleid dat onderdelen van de OSV niet goed op elkaar aansluiten en dat relaties tussen instellingen niet goed of in het geheel niet zijn geregeld. Bovendien speelt een rol dat de in de loop der tijd aangebrachte wijzigingen de overzichtelijkheid, de logische opbouw van de wet en de eenduidigheid in terminologie niet hebben bevorderd.

Met het aanbrengen van de noodzakelijke wijzigingen in de uitvoeringsorganisatie is eveneens de gelegenheid ten baat genomen om in de wet op meer systematische en samenhangende wijze de uitvoeringsstructuur gestalte te geven. Veel aandacht is besteed aan overzichtelijkheid en leesbaarheid van het wetsvoorstel. Hier en daar zijn verouderde bepalingen afgeschaft of vervangen door modernere bepalingen. Voorts is de Wet op de Sociale Verzekeringsbank geïntegreerd in het voorliggende wetsvoorstel. Daarbij ontstaat de mogelijkheid die zaken, die voor een uniforme regeling in aanmerking komen, zoals het toezicht door het Ctsv, de verslaglegging, de gegevensverstrekking en geheimhouding en de informatievoorziening, voor alle instellingen van de uitvoeringsorganisatie op het terrein van de sociale verzekeringswetten op één plaats te regelen, hetgeen met dit wetsvoorstel wordt gerealiseerd. Daarmee past dit wetsontwerp in het streven naar vergroting van de helderheid en overzichtelijkheid en daarmee toegankelijkheid van regelgeving. De Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten is in het eindadvies (CTW 92/9) van oordeel dat het concept-wetsvoorstel aanzienlijke tekortkomingen vertoont vanuit een oogpunt van soberheid en terughoudendheid met regelgeving. De commissie illustreert dit door te wijzen op de 139 artikelen, bijna 200 pagina's toelichting en de 61 bepalingen die nadere regelgeving mogelijk maken. De Toetsingscommissie verwacht dat dit een onoverzichtelijk geheel aan regels en aanzienlijke uitvoeringslasten tot gevolg zal hebben. Zelfs voor de met uitvoering belaste instanties zal het regelcomplex dat dreigt te ontstaan ondoorgrondelijk worden. Het kabinet kan de mening van de commissie niet onderschrijven. De commissie gaat voorbij aan de grote mate van deregulering die met dit wetsvoorstel ten opzichte van de huidige situatie tot stand wordt gebracht. Zo komt er een hele wet te vervallen, zijn de artikelen beduidend korter en wordt er inhoudelijk meer geregeld (bijv. budgettering, Gib en fondsbeheer). Daarnaast dient in het oog te worden gehouden dat als gevolg van dit wetsvoorstel bij de aanpassing van de overige sociale verzekeringswetten veel artikelen uit deze wetten kunnen worden geschrapt. In zijn totaliteit zal er sprake zijn van forse deregulering ten opzichte van de huidige

situatie, zo wordt bijvoorbeeld het aantal delegatiebepalingen teruggebracht van 120 in de huidige twee wetten tot 57 straks.

Overigens heb ik, daartoe nog eens extra gestimuleerd door het advies van de CTW, na advisering van de commissie kans gezien om het aantal artikelen en delegatiebepalingen nog verder terug te dringen.

8.2.2 Toedeling van taken en bevoegdheden Een belangrijk aspect van deregulering is het streven naar een zo duidelijk mogelijke afbakening van taken en toedeling van bevoegdheden tussen de bij de uitvoering van een regeling betrokken instanties onderling alsmede ten opzichte van de centrale overheid. Het onderhavige wetsvoorstel draagt daar in grote mate toe bij, aangezien daarin centraal staat verheldering van de bestuurlijke vormgeving van de uitvoeringsorganisatie. Op basis van een duidelijke scheiding tussen de functieniveaus van toezicht, coördinatie van de uitvoering en uitvoering, zijn taken en bevoegdheden van de instellingen van de uitvoeringsorganisatie zo concreet mogelijk omschreven en zo scherp mogelijk ten opzichte van elkaar afgebakend. Daarmee wordt voorkomen dat, zoals in de huidige situatie het geval is, controversen zouden kunnen ontstaan omtrent taken en bevoegdheden. Per instantie zijn de taken en bevoegdheden zo nauwkeurig mogelijk omschreven. Bij de toekenning van bevoegdheden is nauw aangeknoopt bij de taakstelling van de instanties en strekken niet verder dan noodzakelijk geacht kan worden voor een goede uitvoering van de opgedragen taken. Door bij de toedeling van bevoegdheden zo concreet mogelljk aan te geven op welke aspecten die bevoegdheden betrekking hebben, wordt enerzijds duidelijkheid geschapen omtrent de reikwijdte van toebedeelde bevoegdheden en wordt anderzijds een zo duidelijk mogelijke plaatsbepaling van de instanties ten opzichte van elkaar bereikt.

8.2.3 Werkdruk van het bestuurlijk en justitieel apparaat Het wetsontwerp beoogt te voorzien in een verhelderde bestuurlijke structuur van de uitvoeringsorganisatie. Het opnieuw afbakenen en toedelen van taken aan bestuurlijke instanties op het terrein van de uitvoering van de sociale verzekeringen brengt met zich mee dat ook de verdeling van bestuurlijke lasten als gevolg van de hier voorgestelde regeling wijziging ondergaan.

Een opvallend aspect aan de nieuwe uitvoeringsorganisatie is het opheffen van de GMD. De redenen hiervoor zijn eerder in deze memorie van toelichting uiteengezet. Werkzaamheden die de GMD thans verricht in het kader van de gevalsbehandeling worden in de nieuwe situatie geïntegreerd in de uitvoeringsprocessen bij de bedrijfsverenigingen.

Het moge duidelijk zijn, dat de in dit wetsvoorstel opgenomen veranderingen in de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen materiële en personele consequenties met zich brengen. In hoofdstuk 7 van deze memorie van toelichting is een inschatting gemaakt van de materiële en personele gevolgen van de nieuwe uitvoeringsorganisatie.

De gevolgen voor het justitieel apparaat zijn beperkt. Dit wetsvoorstel bevat geen nieuwe regelgeving, die zou kunnen leiden tot conflicten tussen instellingen en burgers die voorgelegd kunnen worden aan de rechter. Wel zij er op gewezen dat in een aantal gevallen (erkenning als

bedrijfsvereniging, instelling afdelingskassen, eigen risicodragerschap) waarbij burgers betrokken kunnen zijn, beroep openstaat krachtens de Awb. Het Gib oordeelt voorts in geschillen tussen bedrijfsverenigingen of tussen bedrijfsvereniging en werkgever over indeling van een werkgever. Hiervan staat direct beroep open op de Centrale Raad van Beroep. Dit is overigens een codificatie van een reeds bestaande beroepsmogelijkheid. Voor zover het wetsvoorstel strafbepalingen bevat in verband met verplichtingen van burgers, zijn deze niet gewijzigd ten opzichte van de huidige wetgeving. Dit geldt met name voor de verplichtingen voortvloeiende uit de bepalingen omtrent de gegevensverstrekking door werknemers, uitkeringsgerechtigden en werkgevers aan de bedrijfsverenigingen en de Svb, zoals die zijn ingevoerd bij de Wet invoering sociaal-fiscaal nummer (Stb. 1988, 655).

Daarnaast is er de verwachting, dat de druk op het justitieel apparaat zal afnemen als uitvloeisel van de geïntegreerde gevalsbehandeling in het kader van de arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. Een voor cliënten meer inzichtelijk en sneller besluitvormingsproces bij de uitvoeringsorganen geeft immers minder snel aanleiding tot onduidelijkheden en conflicten. Naar mijn mening wordt met het voorliggende wetsvoorstel in belangrijke mate tegemoet gekomen aan de doelstellingen van een wetgevings-beleid dat gericht is op vermindering en vereenvoudiging, met name waar het gaat om verheldering in de bestuurlijke verhoudingen tussen de instellingen op het terrein van de uitvoering van de sociale verzekeringen, de afbakening en toedeling van taken en bevoegdheden en het voorzien in uniforme regeling van onderwerpen die thans nog verspreid over diverse wetten geregeld zijn. Zoals gezegd is veel aandacht besteed aan de inzichtelijkheid en leesbaarheid van de wet.

Dit wetsvoorstel bevat geen voorstellen met betrekking tot onderwerpen die van bijzonder belang zijn voor de positie van vrouwen. In de materiële aanspraken en verplichtingen op grond van de sociale verzekeringswetten worden geen wijzigingen gebracht.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

HOOFDSTUK I. DEFINITIES

Artikel 1

Dit artikel bevat definities die verwijzen naar andere wetsartikelen. Het College van toezicht sociale verzekeringen (artikel 2) en de Sociale Verzekeringsbank (artikel 21) zijn bij wet ingestelde publiekrechtelijke rechtspersonen in de zin van artikel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het zijn ook openbare lichamen in de zin van artikel 134 van de Grondwet. Ingevolge artikel 134 van de Grondwet regelt de wet de taken en inrichting van openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend. Het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen (artikel 31) en bedrijfsverenigingen (artikel 40) zijn door particulier initiatief tot stand gebrachte privaatrechtelijke rechtspersonen. Door de erkenning als Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen of als bedrijfsvereniging verkrijgt een privaatrechtelijke rechtspersoon ook een zekere publiekrechtelijke status. Met betrekking tot de werkzaamheden waarvoor de rechtspersoon is erkend, dat wil zeggen met betrekking tot de uitvoering van sociale zekerheidswetten, is de rechtspersoon onderworpen aan de bepalingen van de Organisatiewet sociale verzekeringen (OSV). Over het begrip «overheidspensioenlichamen» (onderdeel I) kan het volgende worden opgemerkt. Op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) worden bij ministeriële regeling lichamen aangewezen waaraan het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds een uitkering verschuldigd is. Deze uitkering wordt verstrekt in verband met het ontbreken of beperken van het recht op uitkering en het niet in aanmerking brengen voor voorzieningen ingevolge de AAW van de verzekerden (zie ook het eerste lid van artikel 8 AAW), die aanspraak of uitzicht hebben op invaliditeitspensioen krachtens de Algemene burgerlijke pensioenwet, de Spoorwegpensioenwet, dan wel krachtens de Algemene militaire pensioenwet aanspraak of uitzicht hebben op pensioen ter zake van arbeidsongeschiktheid. Bij ministeriële regeling (Besluit van 15 oktober 1976, nr. 54 674, Stcrt. nr. 208) zijn op grond van artikel 8, derde lid, van de AAW als lichamen aangewezen: het Algemeen burgerlijk pensioenfonds, het Spoorwegpensioenfonds en de Minister van Defensie (in het besluit aangeduid als het Ministerie van Defensie). Deze fondsen en minister zijn belast met de uitvoering van genoemde wetten. Zij stellen de in artikel 8, derde lid, van de AAW bedoelde uitkering vast en dienen een declaratie ter hoogte van die uitkering in bij het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds.

HOOFDSTUK II. HET COLLEGE VAN TOEZICHT SOCIALE VERZE-KERINGEN Afdeling 1 Samenstelling van het bestuur en werkwijze

Artikel 2

In artikel 2, eerste lid, is bepaald dat er een College van toezicht sociale verzekeringen is. In het wetsvoorstel dat de invoering van de Organisatiewet sociale verzekeringen zal regelen, zal worden bepaald dat de Sociale Verzekeringsraad (SVr), ingesteld bij de Organisatiewet Sociale Verzekering (Stb. 1989, 119), als rechtspersoon wordt gehandhaafd. Deze rechtspersoon krijgt de nieuwe naam: College van toezicht sociale verzekeringen. De inrichting, taken en bevoegdheden van deze rechtspersoon zullen vanaf het moment waarop het wetsvoorstel tot wet is verheven en in werking is getreden, worden beheerst door de bepalingen van de Osv. In het tweede lid is bepaald dat het College rechtspersoonlijkheid bezit. Hiermee is buiten twijfel gesteld dat het College een publiekrechtelijke rechtspersoon is in de zin van artikel 1 van boek 2 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 3

Artikel 3 bepaalt het aantal leden van het College. In het College zal in ieder geval financieel-economische, juridische en bestuurskundige deskundigheid aanwezig moeten zijn. De leden zullen elkaar wat deskundigheid betreft moeten aanvullen, zodanig dat zij samen de uitvoering geheel kunnen doorgronden.

Artikel 7

De rechtspositie van de leden van het bestuur van het College wordt geregeld door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het gaat hier om bijzondere functies waarbij een bijzondere rechtspositieregeling past. Het personeel van het College wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De bepalingen van de zevende titel A van boek 7A van het Burgerlijk Wetboek worden op dit personeel van toepassing verklaard in verband met artikel 1637z van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge artikel 1637z van het BW zijn de bepalingen van genoemde titel niet van toepassing ten aanzien van personen in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, ten ware zij, hetzij voor of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of verordening, van toepassing zijn verklaard. In artikel 7 worden deze bepalingen van toepassing verklaard.

Artikel 8

Het bestuur van het College moet een reglement van werkzaamheden vaststellen. In dit reglement worden zaken geregeld als wijze van oproeping van leden voor vergaderingen, quorum, wijze van indiening van stukken voor vergaderingen, de wijze van stemmen, verslaglegging, vastlegging van besluiten, het aantal malen per jaar dat ten minste vergaderd wordt, op wiens verzoek vergaderingen worden gehouden, etc.. Deze regels zijn van groot belang voor het goed functioneren van het bestuur van het College. In het reglement van werkzaamheden moet ingevolge artikel 8, tweede lid, in elk geval de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuur

van het College geregeld worden. Hiermee wordt voldaan aan een vereiste dat voor bij of krachtens de wet ingestelde openbare lichamen geldt ingevolge artikel 134, tweede lid, van de Grondwet. In artikel 134, tweede lid, van de Grondwet is bepaald dat de wet de samenstelling en bevoegdheid van de besturen van deze openbare lichamen, alsmede de openbaarheid van hun vergadering, regelt. Ingevolge artikel 8, tweede lid, onder b, van het wetsvoorstel rust op het College de verplichting in het reglement van werkzaamheden te regelen welke taken en bevoegdheden door personeelsleden van het College kunnen worden uitgeoefend. Als uitgangspunt geldt hierbij dat de taken en bevoegdheden die aan het College zijn toebedeeld, worden uitgeoefend door het bestuur van het College dat aan het hoofd staat van de rechtspersoon. Het bestuur van het College kan evenwel mandaat verlenen aan personeelsleden van het College die vervolgens in naam en onder verantwoordelijkheid van het bestuur van het College beslissingen kunnen nemen. In artikel 1A. 1.1.2 van het Voorontwerp van Wet tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Derde tranche Algemene wet bestuursrecht) is bepaald dat een bestuursorgaan (het bestuur van het College) mandaat kan verlenen, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald of de aard van de bevoegdheid zich tegen de mandaatverlening verzet. Ingevolge het tweede lid van dit artikel wordt mandaat in ieder geval niet verleend indien het betreft een bevoegdheid tot het vaststellen van algemeen verbindende voorschriften of een bevoegdheid tot het onthouden van goedkeuring aan een besluit van een ander bestuursorgaan. Het bestuur van het College moet ingevolge artikel 8 in zijn reglement van werkzaamheden de gemandateerde bevoegdheden beschrijven. Het reglement wordt in de Staatscourant geplaatst. Voor belanghebbenden zal derhalve de toedeling van bevoegdheden kenbaar zijn.

Artikel 9

Evenals ten aanzien van personeelsleden van het College geldt ten aanzien van door het College ingestelde commissies dat duidehjk moet zijn welke taken en bevoegdheden deze commissies zullen uitoefenen. Daarom is in het tweede lid van artikel 9 bepaald dat die taken en bevoegdheden in het reglement van werkzaamheden van het College moeten zijn beschreven.

Artikel 10

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid draagt verantwoordelijkheid voor de wijze waarop hij zijn bevoegdheden ten aanzien van de uitvoeringsinstanties uitoefent. Om deze verantwoordelijkheid te kunnen dragen moet de minister ruimschoots informatie van de uitvoeringsinstanties kunnen verkrijgen. Daarbij is van belang dat hij deze informatie rechtstreeks van de betrokken rechtspersonen kan verkrijgen. Artikel 10 geeft hem deze mogelijkheid. Te verwachten valt dat de minister van zijn in artikel 10 neergelegde bevoegdheden een zeer terughoudend gebruik zal maken in relatie tot de hierboven bedoelde informatie. De toezichthoudende taak en de informatievoorzieningstaak zijn immers aan het College toegekend. In dit wetsvoorstel wordt uitgegaan van de «singleaudit» gedachte. Dit impliceert dat zoveel mogelijk gebruik wordt gemaakt van de toezichtsresultaten van voorliggende instanties. Echter ook bij «single audit» moet de mogelijkheid blijven bestaan, bijvoorbeeld voor de departementale accountantsdienst, om inzage in alle stukken te verkrijgen. Voor het College bestaat op grond van artikel 13 eenzelfde mogelijkheid ten aanzien van de Bank, het

Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. In artikel 10, eerste lid, is geregeld dat het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen op verzoek aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid alle door deze minister gevraagde gegevens en inlichtingen kosteloos moeten verstrekken. De minister kan bij zijn verzoek eisen stellen, bijvoorbeeld betreffende de mate van specificatie en de kwaliteit van de gegevens en inlichtingen. Dit betekent dat genoemde rechtspersonen verplicht zijn tot bewerking van gegevens indien zij slechts door middel van die bewerking aan de door de minister gestelde eisen kunnen voldoen.

Naast bovengenoemde informatiebehoefte is het noodzakelijk dat informatie beschikbaar komt in relatie tot het te voeren beleid op het terrein van de sociale zekerheid. Er dient een reguliere informatiestroom te zijn van het Ctsv richting de minister met betrekking tot onderwerpen die de minister van belang acht voor het door hem te voeren beleid. Daarnaast kan de minister op adhoc basis om deze informatie verzoeken. Het betreft hier informatie ten behoeve van financiering, beleidsvoorbereiding, de statistiek en het wetenschappelijk onderzoek in verband met de uitvoering van wetten door het College, de Bank, het Gib, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. De periodiciteit, aard en inrichting van deze informatiestromen zullen door de minister worden aangegeven. De minister zal ten aanzien van de beleidsinformatie ruim gebruik maken van zijn, in dit artikel vastgelegde, bevoegdheid. Gezien de centrale positie die wordt toegedeeld aan het Ctsv zal de minister zich in hoofdzaak richten tot het Ctsv voor het verkrijgen van de beleidsinformatie en in mindere mate tot de andere genoemde uitvoeringsinstanties als de Bank en het Gib. Meer in detail kan worden gedacht aan reguliere informatieverstrekking van het Ctsv aan Onze Minister betreffende onderwerpen die zijn beschreven in paragraaf 2.1.2.2.

Artikel 11

De in artikel 11 aan de minister toegekende bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen aan het College en -in het verlengde daarvan -de in artikel 16 aan het College toegekende bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen aan de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen, maken het mogelijk dat de uitvoeringsorganisatie, zo nodig, centraal wordt bijgestuurd. Naast de in artikel 16 geregelde aanwijzingsbevoegdheid van het College is in dit verband ook het in artikel 15 geregelde goedkeuringsvereiste van belang. Doordat het College in een regeling kan aangeven welke besluiten aan zijn goedkeuring zijn onderworpen, kan het College voorkomen dat werkzaamheden van de uitvoeringsorganisatie zich op hoofdlijnen in een verkeerde richting ontwikkelen.

Ingevolge artikel 11 kan de minister slechts aanwijzingen aan het College geven betreffende de uitoefening van de aan het College opgedragen taken. Bij de uitoefening van zijn taken kan het College ingevolge artikel 16 aan de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen geen aanwijzingen geven die betrekking hebben op de besluitvorming betreffende een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever. In deze opzet kan uiteraard ook de minister aan het College geen aanwijzigingen geven die betrekking hebben op een individuele

verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever. In zoverre is de aanwijzingsbevoegdheid van de minister algemeen.

De minister kan aan het College echter wel aanwijzingen geven die betrekking hebben op de uitvoering van wetten door een bepaalde uitvoeringsinstantie en die betrekking hebben op een bepaalde aangelegenheid (bijvoorbeeld de wijze van bestrijding van een bepaalde vorm van fraude). In zoverre is de aanwijzingsbevoegdheid van de minister niet algemeen. Een aanwijzing die wordt gegeven ingevolge artikel 11 of artikel 16 heeft een verplichtend karakter. Een aanwijzing is geen aanbeveling met een vrijblijvend karakter. De instantie die een aanwijzing krijgt op grond van artikel 11 of artikel 16 is gehouden overeenkomstig die aanwijzing te handelen. De in deze artikelen bedoelde aanwijzingen zijn in al hun onderdelen bindend en worden in de Staatscourant bekend gemaakt.

Afdeling 2 Taken en bevoegdheden van het College van toezicht sociale verzekeringen

§ 1. Algemene bepalingen

Artikel 12

In artikel 12 zijn de taken van het College in algemene zin omschreven. De toezichtstaak is in de overige artikelen van Afdeling 2 meer uitvoerig beschreven. Onder het begrip «rechtmatigheid» in artikel 12, onder a, worden begrippen als «rechtszekerheid» en «rechtsgelijkheid» begrepen. Begrippen als «doeltreffendheid», «beheersbaarheid», «zorgvuldigheid», «bereikbaarheid», «klantgerichtheid», «cliëntvriendelijkheid» en «doorzichtigheid», worden hier onder het begrip «doelmatigheid» begrepen en worden derhalve evenmin als afzonderlijke termen in de wet opgenomen. Hiermee wordt aangesloten op artikel 74 van de Comptabiliteitswet waarin eveneens de veelomvattende term «doelmatigheid» is gekozen met betrekking tot de controle die de Algemene Rekenkamer uitoefent. De informatievoorzieningstaak is geregeld in de leden b. en c. Het College dient zorg te dragen voor informatievoorziening, in elk geval ten behoeve van de financiering, de beleidsvoorbereiding, de statistiek en het wetenschappelijk onderzoek in verband met de uitvoering van wetten door het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. Uit hoofde van deze taak is het College verplicht tot verzameling en bewerking van gegevens. De informatievoorziening betreft in de eerste plaats de verschaffing van gegevens die de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nodig acht voor het door hem te voeren beleid. Voorts gaat het om gegevens die het College op verzoek of uit eigen beweging aan derden wenst te verstrekken of op grond van de Wet openbaarheid van bestuur aan derden moet verstrekken.

Het zorgdragen voor en het toezicht houden op de inrichting van de informatievoorziening van genoemde organen omvat mede het bevorderen van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de informatievoorziening op het gebied van de sociale verzekeringen in ruime zin. Informatievoorzieningstaken van het College richten zich in het bijzonder op de afstemming van de informatieuitwisseling tussen betrokken organen.

Uitgangspunt bij het verrichten van deze taken zijn de beginselen voor het overheidsinformatievoorzieningsbeleid die zijn vastgelegd in het Besluit informatievoorziening in de rijksdienst (Besluit IVR 1990). Het College vervult werkzaamheden op het gebied van de taak-en verantwoordelijkheidstoedeling ten aanzien van de informatiesystemen van de uitvoeringsinstanties. Verder ziet het College toe op het ontwikkelen en onderhouden van functionele specificaties voor informatiesystemen c.q. administraties en het gebruik van standaarden en normen daarbij. Het College kan hiervoor een Commissie informatievoorziening instellen die het College ondersteunt en adviseert bij het verrichten van genoemde taken op het gebied van informatievoorziening. Indien het College dit nodig acht, kunnen vertegenwoordigers van de uitvoeringsorganen in deze Commissie zitting hebben.

De onderzoekstaak van het Ctsv is beschreven in lid d.

Het College verricht slechts onderzoek en bevordert dat de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen slechts onderzoek verrichten, voor zover dat noodzakelijk is voor een doelmatige uitvoering van wetten door deze rechtspersonen, en bevordert tevens dat dit onderzoek goed is afgestemd op onderzoek op andere terreinen. Daarbij dient onder meer goede afstemming plaats te vinden met de Commissie Onderzoek Sociale Zekerheid (COSZ) die onderzoek coördineert en programmeert binnen de sociale zekerheid als geheel.

Artikel 13

In artikel 13 is geregeld dat de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen op verzoek aan het College alle gegevens en inlichtingen moeten verstrekken die het College nodig acht voor de uitoefening van zijn taak. Het College kan bij zijn verzoek eisen stellen, bijvoorbeeld betreffende de mate van specificatie en de kwaliteit van de gegevens en inlichtingen. Dit betekent dat de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen verplicht zijn tot bewerking van gegevens indien zij slechts door middel van die bewerking aan de eisen van het College kunnen voldoen. De in het tweede lid van artikel 13 aan de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen opgelegde verplichting tot het verlenen van toegang en inzage omvat geen verplichting tot bewerking van gegevens.

§ 2. Toezicht

Artikel 15

In artikel 15 is aan het College een bevoegdheid toegekend waarmee het College zijn toezichthoudende taak preventief kan uitoefenen. Het College kan op grond van dit artikel bepalen dat besluiten van de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling aan het vereiste van goedkeuring van het College worden onderworpen. Hiermee wordt bereikt dat het College de uitvoeringsorganisatie in hoofdzaken gericht kan beïnvloeden. Met name kan worden gedacht aan de goedkeuring van reglementen van werkzaamheden, regelingen van rechtsposities en regelingen van tijdverzuimvergoedingen en van vergoedingen van reis-en verblijfkosten. De in artikel 15 bedoelde regeling van het College kan gewijzigd

worden zodra het College meer centrale sturing wenst te geven. Ook kan de regeling worden gewijzigd indien blijkt dat ten aanzien van bepaalde besluiten het goedkeuringsvereiste geen toegevoegde waarde meer heeft en derhalve onnodige bureaucratische rompslomp veroorzaakt. De in artikel 15, tweede lid, geregelde bevoegdheid van het College -inhoudende dat het College kan bepalen dat besluiten die geen goedkeuring van het College behoeven, wel ter kennis van het College worden gebracht -moet worden gezien tegen de achtergrond van de in het eerste lid omschreven bevoegdheid en de in artikel 16 omschreven aanwijzingsbevoegdheid van het College. Ter kennis gebrachte besluiten kunnen het College ertoe brengen een aanwijzing te geven of dergelijke besluiten aan het goedkeuringsvereiste te onderwerpen door middel van een wijziging van de in het eerste lid bedoelde regeling.

Artikel 16

Krachtens artikel 16, eerste lid, kan het College aanwijzingen geven aan de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. En in het tweede lid is tot uitdrukking gebracht dat een aanwijzing geen betrekking kan hebben op een individuele verzekerde, uitkeringsgerechtigde of werkgever. Dit laat onverlet dat een aanwijzing gericht kan zijn tot een bepaalde uitvoeringsinstantie of betrekking kan hebben op een bepaalde aangelegenheid.

Artikel 17

Blijkens artikel 1, onder i, wordt onder «wachtgeldfonds» verstaan een door de bedrijfsvereniging beheerd wachtgeldfonds als bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet. De middelen van het wachtgeldfonds ' worden hoofdzakelijk gevormd door middel van betaling van premies door werkgevers die bij de desbetreffende bedrijfsvereniging zijn aangesloten en de tot hen in dienstbetrekking staande werknemers. Blijkens artikel 1, onder j, wordt onder «ziekengeldkas» verstaan een door de bedrijfsvereniging beheerde reserve als bedoeld in artikel 63 van de Ziektewet. Deze reserve wordt gevormd uit middelen die zijn opgebracht door middel van betaling van premies door werkgevers die bij de desbetreffende bedrijfsvereniging zijn aangesloten en de tot hen in dienstbetrekking staande werknemers. In artikel 17 wordt aan het College de bevoegdheid toegekend uitgaven van een bedrijfsvereniging die ten laste zouden komen van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Toeslagenfonds, als onaanvaardbaar te beschouwen en te besluiten dat deze uitgaven niet ten laste van deze fondsen worden gebracht. Deze bevoegdheid van het College bestaat ingevolge artikel 17 indien een bedrijfsvereniging niet handelt overeenkomstig een aanwijzing van het College. De onaanvaardbaar verklaarde uitgaven zullen dan door de bedrijfsvereniging gefinancierd moeten worden, bijvoorbeeld uit de wachtgeldfondsen of de ziekengeldkassen. De bevoegdheid daartoe ontlenen de bedrijfsverenigingen aan artikel 17, derde lid. Eventuele tijdelijke tekorten die daardoor bij de desbetreffende bedrijfsvereniging zouden kunnen ontstaan, kunnen door het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen worden opgeheven door uit het Algemeen Werkloosheidsfonds of het Arbeidsongeschiktheidsfonds, krachtens artikel 69, negende of tiende lid, een lening aan deze bedrijfsvereniging te verstrekken. De bedrijfsvereniging dient de lening na verloop van een jaar terug betalen met bijbehorende rentevergoeding. Het niet opvolgen van een aanwijzing van het College kan in deze opzet leiden tot

verzwaring van lasten voor werkgevers die bij de bedrijfsvereniging zijn aangesloten en de tot hen in dienstbetrekking staande werknemers. Te verwachten valt dat deze (mogelijkheid van) verzwaring van lasten ertoe zal leiden dat de bedrijfsverenigingen aanwijzingen van het bestuur van het College zullen opvolgen. De in artikel 17 aan het College toegekende bevoegdheid versterkt derhalve de corrigerende kracht van de toezichthouder.

Artikel 18

Het College kan in het kader van het toezicht onderzoek verrichten naar de toekenning, herziening, intrekking of heropening van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Teneinde te kunnen voorzien in tijdelijke extra personeelsbehoefte van het College, is in artikel 18 bepaald dat elke bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling op verzoek van het College personeelsleden ter beschikking van het College dient te stellen ten behoeve van vorenbedoeld onderzoek. Het College kan op deze wijze een deskundig onderzoeksteam samenstellen. De personeelslasten die voortvloeien uit de terbeschikkingstelling kunnen voor de betrokken bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen beperkt blijven indien het College aan verschillende bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen verzoekt enkele personeelsleden ter beschikking te stellen. Voorts is van belang dat het College de kosten van de terbeschikkingstelling aan de bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling dient te vergoeden. Overigens is het College vrij om in zijn extra personeelsbehoefte te voorzien buiten de uitvoeringsinstellingen en bedrijfsverenigingen om. Op grond van artikel 13, tweede lid, kan het College de leden van het onderzoeksteam aanwijzen als personen die toegang hebben tot de bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling waarbij het onderzoek verricht dient te worden. Aan deze personen dient inzage te worden gegeven in alle gegevens die het College nodig acht voor de uitoefening van zijn taak.

Artikel 19

De bevoegdheid tot het stellen van regels omtrent de inrichting van de administratie en de administratieve organisatie van de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen, past bij de toezichthoudende taak van het College. Door middel van deze regels kunnen de mogelijkheden van het houden van efficiënt en effectief toezicht worden verbeterd.

Artikel 20

In het voorontwerp van wet voor een nieuwe OSV is een aparte paragraaf opgenomen met betrekking tot de behandeling van de klachten. Deze klachtenprocedure zou dienen als een «voorgeschakelde» voorziening voor het beroep op de Nationale ombudsman. In de nieuwe situatie zou de Nationale ombudsman bevoegd worden met betrekking tot alle uitvoeringsinstanties van de sociale verzekeringen. Een «voorgeschakelde » voorziening werd nodig gevonden gezien de specifieke aard van de materie en de meerwaarde die de behandeling van klachten bij het toezichthoudend college met zich mee zou brengen. Zowel de SVr als de Nationale ombudsman konden zich, op enkele technische opmerkingen na, vinden in de voorgestelde klachtenprocedure.

Tegenwoordig heeft vrijwel iedere uitvoeringsinstantie een eigen klachtenprocedure. Uit het oogpunt van een doelmatige en cliëntgerichte

uitvoering is een dergelijke procedure een standaardeis die aan een moderne, publiekgerichte organisatie mag worden gesteld. De SVr bewaakt de kwaliteit van de huidige klachtenprocedures als onderdeel van het systematisch toezicht. Overwogen is of gegeven de nieuwe opzet van het toezicht, het feit dat straks alle uitvoeringsinstanties zijn voorzien van een eigen klachtenprocedure waarvan de kwaliteit wordt bewaakt door het College en het feit dat de Nationale ombudsman competent is op alle terreinen van de sociale verzekeringen, het nog zinvol is in de wet een aparte en uitgebreide regeling op te nemen met betrekking tot de behandeling van klachten. Geconcludeerd is dat dit niet het geval is en dat volstaan kan worden met het wettelijk voorschrift dat, indien het College het vanuit zijn toezichthoudende taak wenselijk acht klachten in behandeling te nemen, deze klachtenbehandeling dient te geschieden aan de hand van een regeling die in de Staatscourant wordt gepubliceerd. Het ligt voor de hand dat indien het College een klachtenprocedure in het leven roept, de Nationale ombudsman zal bezien of deze procedure als voorgeschakelde voorziening kan gelden HOOFDSTUK III. DE SOCIALE VERZEKERINGSBANK

§ 1. Samenstelling van het bestuur en werkwijze

Artikel 21

In dit artikel is bepaald dat er een Sociale Verzekeringsbank (de Bank) is. In het wetsvoorstel dat de invoering van de Organisatiewet sociale verzekeringen zal regelen, zal worden bepaald dat de Sociale Verzekeringsbank, ingesteld bij de Wet op de Sociale Verzekeringsbank (Stb, 1968, 158), als rechtspersoon wordt gehandhaafd. Hiermee wordt bereikt dat de Bank als rechtspersoon in stand blijft wanneer de Wet op de Sociale Verzekeringsbank, ingevolge het tot wet verheven wetsvoorstel, wordt ingetrokken. De inrichting, taken en bevoegdheden van de Bank zullen vanaf dat moment worden beheerst door de bepalingen van de Osv. In de Osv worden, in overeenstemming met artikel 134 van de Grondwet, de inrichting en taken van de Bank, de samenstelling en bevoegdheden van het bestuur van de Bank, alsmede de openbaarheid van de vergaderingen van het bestuur van de Bank geregeld.

Artikel 25

Het lidmaatschap van het bestuur van de Bank is geen voltijdsfunctie. Aan de bestuursleden worden daarom tijdverzuimvergoedingen en reis-en verblijfkostenvergoedingen toegekend. Het bestuur van de Bank dient een regeling voor deze vergoedingen vast te stellen. Het personeel van de Bank wordt in dienst genomen op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. De bepalingen van de zevende titel A van boek 7A van het Burgerlijk Wetboek worden in artikel 8 op dit personeel van toepassing verklaard in verband met artikel 1637z van het Burgerlijk Wetboek (BW). Ingevolge artikel 1637z van het BW zijn de bepalingen van genoemde titel niet van toepassing ten aanzien van personen in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, ten ware zij, hetzij vóór of bij de aanvang van de dienstbetrekking door of namens partijen, hetzij bij wet of verordening, van toepassing zijn verklaard. Artikel 25, derde lid, schept in dit verband duidelijkheid.

Artikelen 26 en 27

Voor een toelichting op deze artikelen zij verwezen naar de toelichting op de artikelen 8 en 9. In artikel 26, tweede lid, sub b, wordt voorgeschreven dat de Bank in zijn reglement moet vastleggen hoe aan cliëntenparticipatie inhoud wordt gegeven.

§ 2 Taken en bevoegdheden van de Sociale verzekeringsbank

Artikel 28

De Bank is belast met de uitvoering van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen-en Wezenwet, de Algemene Kinderbijslagwet, de Ouderdomswet 1919, de Liquidatiewet Ouderdomswet 1919, de Invaliditeitswet, de Liquidatiewet Invaliditeitswetten, alsmede de wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen. Bi] laatstbedoelde wetten kan worden gedacht aan de Wet financiering volksverzekeringen, de Wet aanpassing uitkeringsregelingen overheveling opslagpremies (Stb. 1989, 127) en de Organisatiewet sociale verzekeringen. De taak van de Bank is gewijzigd doordat de adviestaak van de Sociale Verzekeringsraad, voorzover het betreft advisering over onderwerpen die verband houden met de uitvoering van wetten door de Bank, bij de Bank is ondergebracht. De Bank blijft het beheer en de administratie van het Ouderdomsfonds, het Weduwen-en Wezenfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds, het Invaliditeits-en Ouderdomsfonds en het Ouderdomsfonds B voeren. Deze fondsen zijn onderdelen van de Bank. Het is de verantwoordelijkheid van de Bank om zijn administratieve organisatie zodanig in te richten dat een rechtmatige uitvoering van de wettelijk opgedragen taken wordt gewaarborgd en misbruik en oneigenlijk zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 29

De indeling van Nederland in een aantal werkgebieden en de plaatsing van districtskantoren in werkgebieden zijn op zichzelf niet bepalend voor de zeggenschapsverhoudingen binnen de Bank. Districtskantoren en eventuele andere kantoren van de Bank zijn onderdelen van de Bank en vallen derhalve geheel onder de zeggenschap van het bestuur van de Bank. Het bestuur van de Bank kan bepalen welke werkzaamheden door personeelsleden van de Bank in het algemeen of per kantoor verricht dienen te worden. Het College houdt toezicht op die werkzaamheden en kan terzake aanwijzingen geven.

HOOFDSTUK IV. HET GEMEENSCHAPPELIJK INSTITUUT VAN BEDRIJFSVERENIGINGEN § 1. Erkenning als Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen

Artikel 31

Een uit particulier initiatief voortgekomen privaatrechtelijke rechtspersoon kan worden erkend als Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, indien deze rechtspersoon voldoet aan de in artikel 31 gestelde voorwaarden. Door deze erkenning krijgt deze rechtspersoon een zekere publiekrechtelijke status. Bij de uitoefening van de publiekrechtelijke taken en bevoegdheden is het Gemeenschappelijk instituut

van bedrijfsverenigingen onderworpen aan wettelijke bepalingen. Het niet naleven van deze bepalingen kan leiden tot intrekking van de erkenning als Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen. Een dergelijke intrekking laat het voortbestaan van de privaatrechtelijke rechtspersoon onverlet.

Artikel 32

In dit artikel is geregeld in welke gevallen de minister verplicht is tot intrekking van de erkenning.

Artikel 33

In dit artikel is geregeld in welke gevallen de minister bevoegd is tot intrekking van de erkenning. In de in dit artikel genoemde gevallen is er ruimte voor belangenafweging door de minister.

Artikel 35

Indien geen rechtspersoon als Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen is erkend, dus ook indien een verleende erkenning is ingetrokken, kan de minister besluiten een rechtspersoon als Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen in te stellen. Een dergelijke door de minister ingestelde rechtspersoon zal dezelfde taken hebben als een als Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen erkende rechtspersoon.

§ 2. Taken en bevoegdheden van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen

Artikel 36

In dit artikel is de coördinerende taak van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen geregeld. Bij de onderdeel b bedoelde diensten en instellingen kan worden gedacht aan sociale diensten van gemeenten, Arbodiensten, bedrijfsgezondheidsdiensten en aan de Arbeidsvoorzieningsorganisatie. Het is de verantwoordelijkheid van het Gib om zijn administratieve organisatie zodanig in te richten dat een rechtmatige uitvoering van de wettelijk opgedragen taken wordt gewaarborgd en misbruik en oneigenlijk zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 37

In artikel 37 zijn aspecten van de in artikel 36 bedoelde taken gepreciseerd. In artikel 37, onder a, is bepaald dat het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen dient te bevorderen dat de kantoren waarin taken van de bedrijfsverenigingen door de bedrijfsverenigingen of de uitvoeringsinstellingen worden uitgeoefend, zoveel mogelijk bijeen zijn geplaatst in de werkgebieden van de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening. In artikel 37, onder b, is bepaald dat het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen bevordert dat de wijze waarop de werkzaamheden van bedrijfsverenigingen zijn georganiseerd, dat wil zeggen de interne organisatie van elke bedrijfsvereniging, zodanig is ingericht, dat een goede coördinatie van werkzaamheden mogelijk wordt. Voorts bevordert het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen dat elke bedrijfsvereniging relevante gegevens vastlegt in een administratie

die zodanig is ingericht dat deze gegevens goed bruikbaar, geordend en uitwisselbaar zijn. Het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen dient er tevens zorg voor te dragen dat de bedrijfsverenigingen aan elkaar en aan de desbetreffende diensten en instellingen de gegevens verstrekken die voor een goede coördinatie van de uitvoeringswerkzaamheden nodig zijn.

Artikel 38

Het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen kan, voorzover dit voor een goede vervulling van zijn taak nodig is, op grond van artikel 38, regels stellen die de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen binden. Indien het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen nalaat in het kader van zijn taak de nodige regels te stellen of regels stelt die de rechtmatigheid en doelmatigheid van de uitvoering van de sociale zekerheidswetten niet bevorderen, kan het College uit hoofde van zijn toezichthoudende taak op grond van artikel 16 een aanwijzing aan het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen geven.

HOOFDSTUK V. DE BEDRIJFSVERENIGINGEN EN DE UITVOE-RINGSINSTELLINGEN § 1. Erkenning als bedrijfsvereniging

Artikel 40

In artikel 40 is geregeld onder welke voorwaarden een vereniging door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid moet worden erkend, en slechts kan worden erkend, als bedrijfsvereniging. Het moet gaan om een vereniging die is opgericht door representatieve organisaties van werkgevers en werknemers. Over de representativiteit beslist de minister, nadat hij de Sociaal-Economische Raad in de gelegenheid heeft gesteld hierover advies uit te brengen. Voor elk onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven dat door de minister op grond van artikel 39 is vastgesteld, wordt niet meer dan één vereniging als bedrijfsvereniging erkend. Voor erkenning komt slechts in aanmerking de vereniging die blijkens haar statuten bij uitsluiting als doel heeft voor èén of meer onderdelen van het bedrljfs-en beroepsleven uitvoering te geven aan de wettelijke arbeidsongeschiktheidsverzekeringen, de wettelijke ziekengeldverzekeringen, de wettelijke werkloosheidsregelingen, de Toeslagenwet, de Wet arbeid gehandicapte werknemers, alsmede wetten die de uitvoering van deze wetten beheersen. Bij laatstbedoelde wetten kan worden gedacht aan de Coördinatiewet Sociale Verzekeringen, de Invoeringswet stelselherziening en de Organisatiewet sociale verzekeringen. Voor erkenning is voorts vereist dat de statuten van de vereniging zijn goedgekeurd door de minister en gepubliceerd in de Staatscourant. Bij zijn beslissing omtrent goedkeuring van statuten is de minister gebonden aan de artikelen 43 tot en met 46. De minister zal daarnaast criteria ontwikkelen waaraan hij de statuten toetst alvorens omtrent goedkeuring te beslissen. Het vereiste van goedkeuring van de statuten, waarop erkenning als bedrijfsvereniging kan volgen, impliceert dat eventuele statutenwijziging ook aan het goedkeuringsvereiste is onderworpen. De erkenning van een vereniging als bedrijfsvereniging geldt slechts voorzover de statuten zijn goedgekeurd.

Artikel 41

Indien tot een onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven rijksdiensten behoren, wordt het Rijk beschouwd als representatieve organisatie van werkgevers. Het Rijk kan daardoor overgaan tot (mede-)oprichting van één of meer verenigingen die als bedrijfsvereniging kunnen worden erkend. Overigens kan de minister krachtens artikel 41, tweede lid, voor de erkenning van een vereniging als bedrijfsvereniging, rechtspersoonlijkheid bezittende organisaties aanmerken als representatieve organisaties van werkgevers, dat wil zeggen als (mede-)oprichters van verenigingen die als bedrijfsverenigingen kunnen worden erkend.

Artikel 43

Indien in de statuten van een bedrijfsvereniging is bepaald dat het bestuur van de bedrijfsvereniging bevoegd is een afdelingskas te vormen, dienen daaromtrent ingevolge artikel 43, eerste lid, in de statuten regels te worden gesteld.

Artikel 44

In artikel 44 is met betrekking tot de afdelingskas een aantal onderwerpen genoemd waaromtrent in de statuten in elk geval regels dienen te worden gesteld. Omdat de statuten in artikel 40, eerste lid, onder e, aan het vereiste van goedkeuring door de minister zijn onderworpen, kan de minister bewerkstelligen dat de in de statuten te stellen regels met betrekking tot afdelingskassen aan de criteria van de minister voldoen.

Artikel 46

Dit artikel heeft betrekking op de zogenaamde «eigen risicodragers». In de statuten van een bedrijfsvereniging dient ingevolge artikel 40, eerste lid, onder d, te zijn bepaald dat het bestuur van de bedrijfsvereniging bevoegd is een werkgever toe te staan het risico op grond van de ziekengeldverzekering op grond van de Ziektewet zelf te dragen. Daaromtrent dienen in de statuten ook nadere regels te zijn gesteld. In artikel 46 is aangegeven wat in elk geval in die regels dient te zijn opgenomen. Omdat de statuten in artikel 44, eerste lid, onder e, aan het vereiste van goedkeuring door de minister zijn onderworpen, kan de minister bewerkstelligen dat de in de statuten te stellen regels met betrekking tot «eigen risicodragers« aan de criteria van de minister voldoen.

Artikel 48

In artikel 48 is geregeld in welke gevallen de minister bevoegd is tot intrekking van de erkenning als bedrijfsvereniging. Zoals in de toelichting op artikel 40 reeds is opgemerkt, impliceert het vereiste van goedkeuring van de statuten, waarop erkenning als bedrijfsvereniging kan volgen, dat eventuele statutenwijziging ook aan het goedkeuringsvereiste is onderworpen. Indien een bedrijfsvereniging haar statuten wijzigt zonder voorafgaande goedkeuring van de minister, wordt niet langer aan een erkenningsvereiste voldaan. Dan bestaat de mogelijkheid dat de gewijzigde statuten later alsnog door de minister worden goedgekeurd of dat de wijziging van de statuten door de bedrijfsvereniging, al dan niet na overleg met de minister, ongedaan wordt gemaakt. In die gevallen is er geen reden voor intrekking van de erkenning van de bedrijfsvereniging. Voorts kan het voorkomen dat een niet goedgekeurde, door de minister onwenselijk geachte statutenwij-

ziging van zodanig ondergeschikt belang is dat deze niet opweegt tegen de gevolgen van het ingrijpende besluit van intrekking van de erkenning. In dat geval is er geen doorslaggevende reden voor intrekking van de erkenning. Omdat statutenwijziging zonder voorafgaande goedkeuring van de minister niet behoeft te leiden tot intrekking van de erkenning is in artikel 48 geen verplichting maar een bevoegdheid tot intrekking geregeld. Indien de minister op grond van artikel 40, vierde lid, nieuwe regels stelt of nieuwe criteria ontwikkelt, waaraan de statuten van een bedrijfsvereniging moeten voldoen om voor goedkeuring in aanmerking te komen, dienen de bedrijfsverenigingen hun statuten in overeenstemming te brengen met de nieuwe vereisten voor goedkeuring. In artikel 48, eerste lid, onder c, is geregeld dat de erkenning van een vereniging als bedrijfsvereniging kan worden ingetrokken indien de bedrijfsvereniging haar statuten niet binnen een door de minister gestelde termijn in overeenstemming heeft gebracht met door de minister aan haar bekend gemaakte gewijzigde vereisten voor goedkeuring van de statuten. Ook hier gaat het niet om een plicht maar om een bevoegdheid tot intrekking van de erkenning, waarbij in elk afzonderlijk geval een belangenafweging kan plaatsvinden. Met betrekking tot handelingen van een bedrijfsvereniging die in strijd zijn met haar statuten of die niet vallen onder de statutaire doelstelling, alsmede voor het niet behoorlijk uitoefenen van taken door een bedrijfsvereniging, gelden soortgelijke overwegingen als hiervoor zijn weergegeven met betrekking tot statutenwijziging zonder voorafgaande goedkeuring van de minister. Ook ten aanzien van deze handelingen en uitoefening van taken bestaat op grond van artikel 48 geen plicht maar een bevoegdheid tot intrekking van de erkenning en is derhalve per geval belangenafweging mogelijk. De bedrijfsvereniging kan dan ook, al dan niet in overleg met de minister, activiteiten ontwikkelen teneinde intrekking van de erkenning te voorkomen.

§ 2. Erkenning als uitvoeringsinstelling

Artikelen 51 tot en met 55

In artikel 23b, tweede lid, van de huidige OSV is bepaald dat, indien een bedrijfsvereniging haar administratie niet zelf voert, deze bij uitsluiting wordt gevoerd door het Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK). In artikel 24a van de huidige OSV is bepaald dat een bedrijfsvereniging, in afwijking van artikel 23b, eerste en tweede lid, de administratie geheel of gedeeltelijk kan laten voeren door een ander, door de minister erkend, administratiekantoor dan het GAK, voor zover de Sociale Verzekeringsraad heeft bepaald dat daartegen geen bezwaar bestaat. In plaats van laatstgenoemde artikelen van de huidige OSV zijn in het wetsvoorstel de artikelen 51 tot en met 55 en 57 opgenomen. Krachtens artikel 57 kan een bedrijfsvereniging op grond van een schriftelijk vastgelegde overeenkomst haar taken geheel of gedeeltelijk laten uitoefenen door één uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 51. Op grond van artikel 51 kunnen verschillende rechtspersonen als uitvoeringsinstelling worden erkend. In het wetsvoorstel vervalt de beperking die inhoudt dat slechts «het voeren van administratie» aan een andere rechtspersoon kan worden opgedragen. Op grond van artikel 57 kan de bedrijfsvereniging al haar taken door één uitvoeringsinstelling laten uitoefenen. Verschillende bedrijfsverenigingen zullen hun taken door dezelfde uitvoeringsinstelling kunnen laten uitoefenen. De taken van een bedrijfsvereniging zijn ingevolge artikel 40, eerste

lid, onder a, vastgelegd in goedgekeurde statuten. Voorts is in artikel 56 bepaald welke taken de bedrijfsvereniging dient uit te voeren. Op grond van artikel 48, eerste lid, onder a, kan de erkenning van een vereniging als bedrijfsvereniging worden ingetrokken indien de bedrijfsvereniging haar taken niet naar behoren heeft uitgevoerd. Hieruit moge blijken dat de bedrijfsvereniging volledig verantwoordelijk is voor de uitvoering van haar taken. Indien een bedrijfsvereniging haar taken geheel of gedeeltelijk door een uitvoeringsinstelling laat uitoefenen, brengt dit geen verandering in haar taken en evenmin in haar verantwoordelijkheid voor de uitoefening van die taken. Om de verantwoordelijkheid voor de uitoefening van haar taken te kunnen dragen, zal het bestuur van de bedrijfsvereniging voldoende bevoegdheden moeten hebben om de uitoefening van die taken zo nodig te kunnen beïnvloeden. Dit betekent dat het bestuur van een bedrijfsvereniging zich bij het aangaan van een overeenkomst, op grond waarvan een uitvoeringsinstelling taken van de bedrijfsvereniging geheel of gedeeltelijk zal gaan uitoefenen, voldoende bevoegdheden zal moeten voorbehouden om de uitoefening van die taken door de uitvoeringsinstelling zo nodig te beïnvloeden of te beëindigen.

§ 3. Taken en bevoegdheden van de bedrijfsvereniging

Artikel 56

In artikel 56 zijn de taken van de bedrijfsvereniging beschreven. Deze taken dienen ingevolge artikel 40, eerste lid, onder a, ook te blijken uit de statuten van de bedrijfsvereniging. Voor een toelichting op artikel 56 zij verwezen naar de toelichting op artikel 40, eerste lid, onder a. In dit verband is de in artikel 38 geregelde bevoegdheid van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen tot het stellen van nadere regels ter bevordering van de doelmatigheid van de uitvoering van wetten door de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen van belang. Met deze bevoegdheid kan het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen de taken van de bedrijfsvereniging in nadere regelgeving concretiseren. Het is de verantwoordelijkheid van de bedrijfsvereniging om zijn administratieve organisatie zodanig in te richten dat een rechtmatige uitvoering van de wettelijk opgedragen taken wordt gewaarborgd en misbruik en oneigenlijk zoveel mogelijk wordt voorkomen.

Artikel 57

In het eerste lid van artikel 57 is tot uitdrukking gebracht dat een bedrijfsvereniging haar taken geheel of gedeeltelijk kan laten uitoefenen door ten hoogste één uitvoeringsinstelling. Evenals de bedrijfsvereniging kan deze uitvoeringsinstelling de werkzaamheden in verschillende kantoren uitvoeren. Deze kantoren maken deel uit van de uitvoeringsinstelling. In het derde lid van artikel 57 is bepaald dat een overeenkomst als bedoeld in het eerste lid, dat wil zeggen een overeenkomst die inhoudt dat een uitvoeringsinstelling geheel of gedeeltelijk taken van de bedrijfsvereniging zal uitvoeren, goedkeuring van het College behoeft. Deze bepaling strekt ertoe dat het College nagaat of bij het aangaan van een dergelijke overeenkomst, voldoende waarborgen aanwezig zijn voor een goede uitvoering van de desbetreffende sociale zekerheidswetten. Het College heeft tot taak toezicht te houden op de rechtmatigheid en de doelmatigheid van de uitvoering van deze wetten. Hierbij past het in het derde lid neergelegde goedkeuringsvereiste. Het College kan criteria ontwikkelen waaraan een rechtspersoon die taken van een bedrijfsvereniging gaat uitvoeren, zal moeten voldoen,

alsmede criteria waaraan een met die rechtspersoon te sluiten overeenkomst zal moeten voldoen.

Artikel 58

De in artikel 62 van de Ziektewet bedoelde reserve (de ziekengeldkas) wordt gevormd uit middelen die zijn opgebracht door de bi] de bedrijfsvereniging aangesloten werkgevers -met uitzondering van de werkgevers aan wier onderneming een afdelingskas is verbonden en de werkgevers die het risico van de in de Ziektewet geregelde verzekering zelf dragen -en de tot hen in dienstbetrekking staande werknemers. Het beheer en de administratie van de ziekengeldkas dienen strikt gescheiden te blijven van het beheer en de administratie van het wachtgeldfonds, bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet.

Artikelen 59 en 60

De artikelen 59 en 60 komen in de plaats van de artikelen 23 en 23a van de huidige OSV. Deze artikelen zijn bij gelegenheid van de invoering van het sociaal-fiscaalnummer (Wet van 28 december 1988, Stb. 655) in de huidige wet ingevoerd. Met betrekking tot de door bedrijfsverenigingen te voeren administraties zij verwezen naar de in artikel 37, onder c, genoemde coördinerende taak van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en de in artikel 38, eerste lid, aan het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen toegekende bevoegdheid tot het stellen van regels die door bedrijfsverenigingen in acht moeten worden genomen. Voorts zij verwezen naar de in artikel 19 aan het College toegekende bevoegdheid tot het stellen van regels omtrent de inrichting van de administratie en de administratieve organisatie van de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. Het College dient er op toe te zien dat de regels die het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen voor de bedrijfsverenigingen stelt, in overeenstemming zijn met de door het College gestelde regels. In dit verband zij gewezen op in artikel 16 aan het College toegekende bevoegdheid tot het geven van aanwijzingen aan het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en de bedrijfsverenigingen.

Artikel 61

Op grond van artikel 60 van de Ziektewet en artikel 85 van de Werkloosheidswet stelt de bedrijfsvereniging het deel van de premie vast dat ten gunste komt van de ziekengeldkas (de in artikel 63 ZW bedoelde reserve) of het in artikel 102 van de Werkloosheidswet bedoelde wachtgeldfonds. De bedrijfsvereniging dient het College en het Gib te informeren over de berekeningen en ramingen die aan de vaststelling van de desbetreffende percentages ten grondslag hebben gelegen en over de hoogte van de vastgestelde premies. Op deze wijze kan het College toezicht houden op het financiële beleid van de bedrijfsverenigingen. Het Gib dient als fondsbeheerder over deze informatie te beschikken. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling van premiepercentages.

Artikel 62

In het reglement kunnen met betrekking tot het bestuur van een bedrijfsvereniging zaken worden geregeld als wijze van oproeping van leden voor vergaderingen, quorum, wijze van indiening van stukken voor

vergaderingen, de wijze van stemmen, verslaglegging, vastlegging van besluiten, het aantal malen per jaar dat ten minste vergaderd wordt, op wiens verzoek vergaderingen worden gehouden, etc. Voorts kunnen in het reglement allerlei aangelegenheden betreffende de organisatie en werkwijze van de bedrijfsvereniging worden geregeld. Hiermee kan voor de bij de bedrijfsvereniging aangesloten werkgevers en de betrokken verzekerden de inzichtelijkheid van de organisatie en werkwijze worden verbeterd. Een duidelijke verdeling van werkzaamheden over afdelingen van een bedrijfsvereniging en duidelijkheid omtrent de werkwijze, bijvoorbeeld bij behandeling van verzoeken en aanvragen, kan de contacten tussen bedrijfsverenigingen enerzijds en werkgevers en verzekerden anderzijds beter doen verlopen. Het reglement dient ter inzage te worden gelegd ten behoeve van betrokkenen en belangstellenden. Het ligt voor de hand dat die terinzagelegging niet alleen op een hoofdkantoor plaatsvindt, doch tevens op andere kantoren waar taken van de bedrijfsvereniging worden uitgeoefend.

Artikel 63

De bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen dienen zoveel mogelijk zorg te dragen voor samenwerking met elkaar, met Regionale Besturen voor de arbeidsvoorziening, met gemeenten en met andere diensten en instellingen die werkzaamheden verrichten, verband houdende met de werkzaamheden van de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen. Ten behoeve van een goede gevalsbehandeling kunnen allerlei samenwerkingsafspraken worden gemaakt die ertoe strekken de uitvoering van de sociale zekerheidswetten beter te doen verlopen. Te denken valt aan afspraken die tot doel hebben categorieën van uitkeringsgerechtigden effectiever te begeleiden bij de terugkeer naar de arbeidsmarkt. Coördinatie van uitvoering van taken door bedrijfsverenigingen op het gehele terrein van de sociale zekerheid is bij uitstek een taak van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen. De in artikel 63, tweede lid, bedoelde afspraken hebben een meer beperkte reikwijdte en kunnen veelal meer gedetailleerd zijn. Het is voor een goede uitoefening van de coördinerende taak van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en van de toezichthoudende taak van het College, onontbeerlijk dat zij door de bedrijfsverenigingen in kennis worden gesteld van dergelijke afspraken.

§ 3. Aansluiting van werkgevers bij bedrijfsverenigingen

Artikel 64

Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de bedrijfsvereniging die haar taak uitoefent voor één of meer onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten. In het geval dat een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven waarvoor verschillende bedrijfsverenigingen hun taken uitoefenen, geldt de loonsom als criterium voor aansluiting. De werkgever is dan aangesloten bij de bedrijfsvereniging die haar taak uitoefent voor het onderdeel of de onderdelen van het bedrijfs-en beroepsleven, waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor de werkgever in de regel het grootste bedrag aan loon betaalt of vermoedelijk zal betalen. De aansluiting van een werkgever bij een bedrijfsvereniging vindt van rechtswege plaats. In het derde lid is bepaald dat de werkgever bij de betrokken bedrijfsvereniging schriftelijk melding dient te doen van zijn

aansluiting bij die bedrijfsvereniging of de beëindiging daarvan. Dit geldt ook indien de aansluiting van een werkgever bij een bedrijfsvereniging zich wijzigt in aansluiting bij een andere bedrijfsvereniging. De bedrijfsverenigingen kunnen vervolgens de werkgever in-of uitschrijven. Het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen stelt de termijn waarbinnen de werkgever melding van zijn aansluiting bij een bedrijfsvereniging dient te doen. Het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en de bedrijfsverenigingen dienen te bevorderen dat deze termijn bij werkgevers bekend is. Los van de melding door de werkgever dient de bedrijfsvereniging, indien zij constateert dat een werkgever niet (langer) bij haar aangesloten behoort te zijn, ervoor te zorgen dat deze werkgever wordt overgeschreven naar de bedrijfsvereniging waarbij hij wel dient te zijn aangesloten. Een besluit van een bedrijfsvereniging, inhoudende dat de werkgever ingevolge het eerste of tweede lid bij die bedrijfsvereniging is aangesloten of dat hij ingevolge het vierde lid naar een andere bedrijfsvereniging wordt overgeschreven, zal op grond van het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht niet in werking treden voordat het is bekendgemaakt Die bekendmaking zal dienen te geschieden door toezending of uitreiking van het besluit aan belanghebbenden. Tegen een dergelijk besluit kan de belanghebbende op grond van het vijfde lid administratief beroep instellen bij het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen. De bepalingen van het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht zullen op dit administratief beroep van toepassing zijn.

Artikel 65

Het kan zijn dat de in het eerste en tweede lid van artikel 64 geregelde aansluiting van werkgevers, voor één of meer categorieën van werkgevers tot ongewenste resultaten leidt. Daarom is in artikel 65, eerste lid, geregeld dat het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen met betrekking tot de aansluiting van één of meer categorieën van werkgevers bij een bedrijfsvereniging regels kan stellen die afwijken van het eerste en tweede lid van artikel 64. Deze regels behoeven goedkeuring van de minister. Indien een werkgever op grond van de geldende regels bij een bepaalde bedrijfsvereniging is aangesloten, doch inschrijving van de werkgever bij die bedrijfsvereniging feitelijk niet plaatsvindt, kan het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen hieromtrent op grond van het tweede lid een beslissing nemen. Bij de aansluiting van werkgevers op grond van artikel 64, eerste en tweede lid, kan het zich voordoen dat een werkgever weliswaar bij bedrijfsvereniging A het grootste bedrag verloont, doch de aard van zijn werkzaamheden veeleer bij bedrijfsvereniging B thuishoort. In zo'n situatie kan het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen op grond van het derde lid, uit eigen beweging of op verzoek van de werkgever, besluiten dat de betrokken werkgever voor door het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij bedrijfsvereniging B. Ingevolge het vierde lid zijn bedrijfsverenigingen gehouden te handelen overeenkomstig besluiten van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen met betrekking tot de aansluiting van werkgevers bij bedrijfsverenigingen. Dit betekent dat een bedrijfsvereniging door dit instituut kan worden verplicht tot inschrijving van een werkgever en dat wellicht tegelijkertijd een andere bedrijfsvereniging wordt verplicht tot uitschrijving van de betrokken werkgever.

Artikel 66

Indien het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen daartoe aanleiding ziet, kan het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen vermogensrechtelijke consequenties verbinden aan de overgang van één of meer werkgevers van de ene naar de andere bedrijfsvereniging. Wanneer met de overgang een aanmerkelijk vermogensbelang is gemoeid, ligt het in de rede dat vermogen van de ene bedrijfsvereniging wordt overgedragen naar de andere bedrijfsvereniging. Dit geldt ook voor vermogen dat deel uitmaakt van het door de bedrijfsvereniging beheerde wachtgeldfonds of de door bedrijfsvereniging beheerde ziekengeldkas. Over de wijze van berekening van vermogensbestanddelen stelt het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen regels. Deze regels behoeven goedkeuring van het College.

Artikel 67

Een besluit van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen op grond van artikel 64, vijfde lid, artikel 65, tweede of derde lid, of artikel 66, eerste lid, zal op grond van het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht niet in werking treden voordat het is bekendgemaakt. Die bekendmaking zal dienen te geschieden door toezending of uitreiking van het besluit aan belanghebbenden. Tegen een dergelijk besluit kan de belanghebbende op grond van het artikel 67 beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.

§ 5. De uitvoering van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet door overheidspensioenlichamen

Artikel 68

De overheidspensioenlichamen, dat zijn de lichamen aan wie ten laste van het AAf de uitkering ex artikel 8, derde lid, AAW verschuldigd is, moeten dus voor de vaststelling van deze uitkering toepassing geven aan het bepaalde in de AAW. Zij verrichten daartoe werkzaamheden die overeenstemmen met die van de bedrijfsverenigingen bij de uitvoering van de AAW. Zij voeren in feite de AAW, een regeling die tot de sociale verzekeringen behoort, uit, terwijl zij niet tot de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen behoren. Voor zover die uitvoering ten laste komt van de fondsen, dienen daaraan dezelfde eisen van doelmatigheid en rechtmatigheid gesteld te worden. Daarom dient het toezicht van het Ctsv zich ook uit te strekken tot de uitvoering van de AAW met betrekking tot het overheidspersoneel. Onder andere daartoe strekt artikel 68.

Voor een uitgebreide toelichting op de positie van de overheidspensioenlichamen in het kader van de OSV zij verwezen naar de toelichting op artikel 1 met betrekking tot het begrip «overheidspensioenlichamen» en naar hoofdstuk 4 van het Algemeen deel van deze memorie van toelichting.

HOOFDSTUK VI. FONDSBEHEER, UITVOERINGSKOSTEN EN VERSLAGLEGGING

§ 1.Fondsbeheer

Artikelen 69 tot en met 72

Elk in artikel 1, onder h, genoemd fonds is een geheel van middelen dat deel uitmaakt van de Bank of het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en afzonderlijk door de Bank of het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen wordt beheerd en geadministreerd. De ten laste van een fonds komende uitgaven worden gefinancierd door heffing van premies bij degenen die voor de desbetreffende sociale verzekeringswetten premieplichtig zijn. Het Toeslagenfonds en het Algemeen kinderbijslagfonds worden echter volledig gefinancierd uit de algemene middelen. Het niveau van de premies (premiepercentage) wordt in beginsel zodanig vastgesteld dat het fonds over voldoende middelen beschikt om in het kader van de uitvoering van de desbetreffende sociale zekerheidswet de nodige uitgaven te doen (structureel lastendekkende premiebaten). Overeenkomstig de aanbevelingen in het rapport van de Externe Commissie van Deskundigen van de SER inzake informatiestromen en reservevorming in de sociale verzekeringen (COMED-rapport: SER 1979, nr. 10) betekent dit tevens dat een vermogensreserve in stand dient te worden gehouden ter dekking van de tekorten aan liquide middelen die per ultimo van het jaar (saldo van debiteuren en crediteuren) respectievelijk binnen het jaar (liquiditeitsbehoefte) ontstaan ten gevolge van het asynchrone verloop van de ontvangsten en uitgaven op kasbasis (financieringsdekking). Dit asynchrone verloop is met name het gevolg van de vertraging waarmee premie-ontvangsten bij de fondsen binnenkomen, die relatief groot is in verhouding tot de vertraging bij verstrekking van uitkeringen. Uitgangspunt van de financiering is dat de uitgaven van een fonds volledig uit de middelen van dat fonds worden gedekt. Dit betekent in beginsel dat geen sprake mag zijn van (tijdelijke) tekorten aan liquide middelen. Indien niettemin ten gevolge van incidentele factoren bij een bepaald fonds een tekort aan liquide middelen ontstaat, kan het College besluiten dat middelen uit een ander fonds worden aangewend voor uitgaven die uit eerstbedoeld fonds gedaan moeten worden (de zogenaamde onderlinge steunverlening). Ingevolge artikel 69, vierde en vijfde lid, dienen vervolgens binnen een door het College te stellen termijn middelen van gelijke waarde, vermeerderd met rente, uit het fonds waarbij het tekort bestond, te worden overgeheveld naar het fonds waaruit eerder middelen zijn weggenomen. Indien bij een bepaald fonds een tijdelijk tekort ontstaat waarvoor geen middelen uit een ander fonds kunnen worden aangewend, kan de Bank of het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, onder goedkeuring van het College, besluiten op de kapitaalmarkt leningen aan te gaan. Indien bij een fonds een tijdelijk tekort ontstaat waarvoor geen middelen uit een ander fonds kunnen worden aangewend en waarvoor op de kapitaalmarkt geen leningen kunnen worden aangegaan, verstrekt het Rijk leningen tegen een door het Rijk vast te stellen rente.

Gezien de hiervoor genoemde uitgangspunten voor de financiering van de fondsen en het tijdelijk karakter van liquiditeitstekorten, dienen leningen een beperkte duur te hebben. In artikel 70 is aan de minister de

bevoegdheid toegekend nadere regels te stellen ten aanzien van leningen die de Bank of het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen op de kapitaalmarkt aangaat. Deze regels kunnen onder meer betrekking hebben op de periode gedurende welke ten hoogste een lening kan worden aangegaan. In artikel 71 is bepaald dat de minister nadere regels dient te stellen met betrekking tot de verstrekking van leningen door het Rijk. Deze regels betreffen in elk geval de periode gedurende welke leningen ten hoogste worden verstrekt. Voor de onderlinge steunverlening tussen fondsen, het aangaan van leningen op de kapitaalmarkt en het verstrekken van leningen door het Rijk, geldt in de huidige praktijk dat de duur in beginsel niet langer dan een jaar mag zijn. Deze duur kan in het systeem van omslagfinanciering, waarin de premieniveaus in principe jaarlijks worden aangepast, voldoende worden geacht. Niettemin kunnen in ministeriële regels andere termijnen worden bepaald. Sluitstuk van de financieringsstructuur van de fondsen is de overheidsgarantie, geregeld in artikel 72, die inhoudt dat het Rijk tegenover degenen die recht hebben op een uitkering c.q. verstrekking aansprakelijk is voor de betaling daarvan, wanneer de Bank of de bedrijfsvereniging met betrekking tot verplichtingen ten laste van een in artikel 1, onder h, genoemd fonds, niet meer tot betaling in staat is.

Artikel 73

De uitgaven uit een fonds kunnen worden gefinancierd uit ontvangen premies en uit opgebouwde reserves. Premiepercentages kunnen zodanig worden vastgesteld dat de uitgaven mede uit reserves gefinancierd moeten worden. Ook kunnen premiepercentages zodanig worden vastgesteld dat meer reserve wordt opgebouwd. In de advisering omtrent de premiepercentages moet daarom de voorgenomen wijze van financiering (uit premies of reserves) van de begrote uitgaven worden betrokken.

Artikel 74

De ministeriële bevoegdheid tot het stellen van regels over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan fondsen die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd, moet worden gezien tegen de achtergrond van de ministeriële verantwoordelijkheid voor de Rijksuitgaven.

Artikel 75

Het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen dient over de in dit artikel bedoelde informatie te beschikken teneinde de omvang te kunnen bepalen van de voorschotten die aan de Bank en de bedrijfsverenigingen verstrekt worden. Tevens dient het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen inzicht te hebben in de afgedragen premies en de nog af te dragen premies. Indien grote verschillen ontstaan tussen eerder gemaakte ramingen van ontvangsten en uitgaven en de feitelijke ontvangsten en uitgaven, dient de bedrijfsvereniging hiervoor een verklaring te geven. Er kan bijvoorbeeld een bedrijf failliet gegaan zijn, waardoor de premie-afdracht is verminderd. Bij de verwachte ontwikkelingen van de ontvangsten en uitgaven kan een bedrijfsvereniging bijvoorbeeld ingaan op de invloed van seizoenen op het aantal werklozen.

Artikel 76

Omdat de ontvangsten en uitgaven van de fondsen niet synchroon lopen, moeten de fondsen over een zeker vermogen beschikken. De minister kan normen stellen omtrent de omvang van dit vermogen, ook wel de financieringsdekking genoemd. Indien het vermogen van een fonds niet overeenkomt met de vereiste financieringsdekking, kan de minister bepalen op welke termijn financieringsoverschotten of -tekorten weggewerkt moeten worden. De minister kan voorts regels stellen voor de belegging van gelden, het verstrekken van geldleningen en bijdragen uit fondsen en het opnemen van geldleningen door fondsen.

Artikel 77

Tussen de bedrijfsverenigingen en het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen zal een complex netwerk van financiële betrekkingen bestaan. De bedrijfsverenigingen dragen enerzijds zorg voor de inning van premies die vervolgens moeten worden afgedragen aan de fondsen van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen. Anderzijds verstrekken de bedrijfsverenigingen uitkeringen aan uitkeringsgerechtigden en hebben zij uitvoeringskosten die ten laste komen van de fondsen van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen. In de praktijk is hierbij geen sprake van zuiver te scheiden geldstromen. De geldstromen lopen door elkaar heen. Premies worden geïnd op bepaalde momenten, terwijl ook de periodieke en incidentele uitkeringen zijn gebonden aan bepaalde tijdstippen. Dit zal ertoe leiden dat het financiële verkeer tussen bedrijfsverenigen en fondsen van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen bestaat uit een mengsel van premie-afdrachten en bevoorschotting c.q. verrekening van gelden bestemd voor onder meer het verstrekken van uitkeringen.

Het betalingsverkeer tussen de bedrijfsverenigingen en het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen dient zo efficiënt mogelijk te verlopen. Dit betekent dat de bij de bedrijfsverenigingen aanwezige middelen zo veel mogelijk «naadloos» dienen aan te sluiten bij de op dat moment aanwezige geldbehoefte. Naarmate dit minder het geval is, dat wil zeggen naarmate meer middelen dan nodig «in de pijplijn» aanwezig zijn, ontstaan onnodig extra kosten.

Halverwege de jaren tachtig heeft in de toen bestaande verhoudingen tussen de bedrijfsverenigingen en de sociale fondsen (Algemeen Werkloosheidsfonds, Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds en Arbeidsongeschiktheidsfonds) een zogenaamde «pijplijnoperatie» plaatsgevonden met als doel het tot stand brengen van een efficiënter betalingsverkeer. Deze operatie ging weliswaar gepaard met een rentederving bij bedrijfsverenigingen die tijdelijk middelen rentegevend op de geldmarkt hadden uitgezet, maar had tevens tot gevolg dat de premies eenmalig op een lager niveau konden worden gebracht.

Het betalingsverkeer tussen de bedrijfsverenigingen en het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen zal efficiënter dan in het verleden kunnen verlopen omdat de verschillende fondsen bi] het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen zijn ondergebracht. Onder de èénhoofdige leiding van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen kunnen besluiten met financiële gevolgen beter op elkaar worden afgestemd dan in de oude situatie waarin elk fonds zijn eigen bestuur had. Efficiëntie wordt voorts bevorderd door het financiële verkeer tussen de bedrijfsverenigingen en het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen te laten verlopen via een rekeningcourantverhouding bij het Gemeenschappelijk instituut van

bedrijfsverenigingen. Daarmee kan het aantal financiële stromen worden beperkt en derhalve de doelmatigheid worden vergroot.

Het College stelt nadere regels omtrent de wijze waarop het betalingsverkeer tussen de bedrijfsvereniging en het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen zal moeten plaatsvinden.

Artikel 78

De toezichthoudende taak van het College gaat verder dan de controle en verificatie die door accountants wordt verricht. Zo valt bijvoorbeeld de rechtmatigheid van een beslissing van de Bank tot toekenning van een uitkering wel onder de toezichthoudende taak van het College maar niet onder de door accountants te verrichten controle en verificatie. Bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen doen uitgaven ten laste van de centrale fondsen. Deze uitgaven worden gedeclareerd bij het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen. Het College dient toezicht te houden op de rechtmatigheid van beslissingen van bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen tot toekenning van uitkeringen. Daarbij past dat door het College ook toezicht wordt gehouden op de controle en verificatie van de uitgaven van bedrijfsverenigingen en uitvoeringsinstellingen die ten laste komen van de centrale fondsen. Dit toezicht is een afzonderlijke taak die geen deel uitmaakt van de gebruikelijke interne en externe accountantscontrole bij het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen.

Het College dient na te gaan of de premies op de juiste wijze zijn geïnd, of de uitkeringen op de juiste wijze zijn verstrekt en of door de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen een zorgvuldig beheer en een adequate administratie wordt gevoerd. Indien dat naar het oordeel van het College niet het geval is, doet hij daarvan mededeling aan de betrokken uitvoeringsinstanties. Het College kan in dat geval bedragen die door een bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling aan een fonds in rekening zijn gebracht of ten goede zijn gekomen, herzien. Daarbij kan het College besluiten dat betalingen aan de betrokken bedrijfsvereniging of uitvoeringsinstelling ten laste van het desbetreffende fonds van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, geheel of gedeeltelijk worden opgeschort. De bedrijfsvereniging kan bedragen die niet ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds, het Arbeidsongeschiktheidsfonds, het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds of het Toeslagenfonds kunnen worden gebracht, ten laste brengen van ziekengeldkassen, als bedoeld in artikel 63 van de Ziektewet, of wachtgeldfondsen, als bedoeld in artikel 102 van de Werkloosheidswet.

§ 2. De uitvoeringskosten

Artikelen 79 tot en met 81

In artikel 1, onderdeel k, is bepaald wat onder uitvoeringskosten dient te worden verstaan.

Artikel 82

De minister stelt het budget voor de uitvoeringskosten van het College vast. Het College stelt de budgetten voor de uitvoeringskosten van de Bank en het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen vast. Het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen stelt de budgetten

voor de uitvoeringskosten van de bedrijfsverenigingen vast. In artikel 84, eerste lid, is als hoofdregel geformuleerd dat het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en de bedrijfsverenigingen geen verplichtingen mogen aangaan en geen uitgaven mogen doen die het voor hen vastgestelde budget overschrijden. Binnen het voor hen vastgestelde budget mogen deze rechtspersonen wel, binnen de grenzen van hun taken, kosten maken die afwijken van de door hen ingediende begrotingen.

Artikel 83

De in artikel 83 geregelde mogelijkheid van tussentijdse wijziging van het budget is bedoeld voor onvoorziene omstandigheden. Tussentijdse wijziging kan plaatsvinden op verzoek van de desbetreffende rechtspersoon.

Artikel 84

Naast de in het eerste lid van artikel 84 geformuleerde hoofdregel is in het tweede lid ten behoeve van de continuïteit van de uitvoering bepaald dat in het geval dat vóór 1 januari geen budget voor het komende kalenderjaar is vastgesteld, beschikt kan worden over ten hoogste vier twaalfde gedeelten van het budget dat laatstelijk voor de desbetreffende rechtspersoon voor een geheel jaar is vastgesteld.

Artikel 86

Tegen besluiten op grond van artikel 82, 83 of 84 is slechts beroep in èén instantie -bij de Centrale Raad van Beroep -mogelijk. Wat betreft het begrip «belanghebbende» zij opgemerkt dat dit in de praktijk een ruimere strekking kan hebben dan slechts een verwijzing naar een rechtstreeks in zijn belang getroffen rechtspersoon. In welke gevallen dit zal voorkomen valt overigens nog niet te overzien. Artikel 86 beoogd in elk geval niet een beperking van het belanghebbendebegrip te geven.

§ 3. Verslaglegging

Deze paragraaf bevat bepalingen omtrent de wijze waarop het College, de Bank, het Gemeenschappelijk bestuurslichaam, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen verantwoording afleggen over de uitvoering van hun taken. Bij de verslaglegging gaat het om de jaarverslagen en jaarrekeningen van de desbetreffende rechtspersonen, waarin de financiële verantwoording is opgenomen.

Artikel 87

De Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen dienen jaarlijks vóór 1 juli de jaarrekeningen en jaarverslagen over het verstreken boekjaar vast te stellen met inachtneming van de door het College daaromtrent te stellen regels. Deze jaarrekeningen en jaarverslagen dienen vóór 1 juli aan het College te worden aangeboden. Het College dient voor 1 november zijn eigen jaarverslag en jaarrekening aan de minister aan te bieden.

Artikel 89

Door middel van de in artikel 89, tweede lid, bedoelde verklaring van rechtmatigheid van het College wordt enerzijds inzicht geboden in de

rechtmatigheid van de uitgaven en ontvangsten in verband met de in dit artikellid genoemde wetten. Anderzijds vormt deze verklaring een onderdeel van de basis waarop de vaststelling van de rijksvergoeding aan de rijksgefinancierde fondsen plaatsvindt. De in het derde lid bedoelde rechtmatigheidsverklaring van de rijksbelastingdienst dient inzicht te verschaffen in de rechtmatigheid van de premie-inning. De term «reikwijdte» in het vierde lid betreft het object van onderzoek waarop de verklaring betrekking heeft. De strekking van de verklaring kan zijn: goedkeurend, afkeurend of goedkeurend met beperking.

Voor een schematische weergave van de in dit hoofdstuk genoemde termijnen verwijs ik naar bijlage 3.

HOOFDSTUK VII. GEGEVENSVERSTREKKING EN GEHEIM-HOUDING § 1. Verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen, de uitvoeringsinstellingen en werkgevers Gegevensverstrekking In deze paragraaf zijn de verplichtingen tot het verstrekken van gegevens en inlichtingen aan het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en werkgevers geregeld. Daarnaast is een paragraaf opgenomen (hoofdstuk VII, § 3) waarin verplichtingen en bevoegdheden tot verstrekking van gegevens door het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn geregeld. In deze laatste paragraaf is een artikel opgenomen op grond waarvan bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld in welke gevallen het College, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen verplicht of bevoegd zijn tot verstrekking van gegevens aan bestuursorganen. Een concept van deze amvb is als bijlage bij deze toelichting opgenomen. In aansluiting op het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht wordt hier onder «bestuursorgaan» verstaan: een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed.

Over de verhouding tussen de boven geschetste regeling van gegevensverstrekking in dit wetsvoorstel en de Wet persoonsregistratie (WPR) kan het volgende worden opgemerkt. De WPR strekt tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer en bevat algemene bepalingen met betrekking tot het verstrekken van gegevens uit persoonsregistratie aan derden. De in dit wetsvoorstel opgenomen regeling van gegevensverstrekking bevat geclausuleerde verplichtingen en bevoegdheden tot gegevensverstrekking die niet in de WPR zijn opgenomen. Voor zover dit wetsvoorstel daarbij afwijkt van de WPR, is door de wetgever reeds de belangenafweging gemaakt waartoe de WPR in andere gevallen verplicht. In het kader van dit wetsvoorstel gestelde regels met betrekking tot gegevensverstrekking moeten dan ook worden beschouwd als regels die prevaleren boven de WPR.

Met betrekking tot verstrekking van gegevens aan het CBS is de Wet van den 28sten December 1936, houdende maatregelen tot het verkrijgen van juiste economische statistieken, van belang (hierna te

noemen: Wet op de economische statistieken). Ingevolge de Wet op de economische statistieken is het CBS bevoegd, met machtiging en onder toezicht van de Minister van Economische Zaken, rechtstreeks of door tussenkomst van ambtenaren en deskundigen de opgaven en inlichtingen in te winnen, die het nodig acht tot het verkrijgen van juiste economische statistieken, ook over reeds verlopen jaren. Alle ingezetenen en andere binnen het Rijk in Europa verblijf houdende personen, met uitzondering van de hoofden der Departementen van algemeen bestuur, zijn verplicht de gevraagde opgaven en inlichtingen te verstrekken. Voorts kan de Minister van Economische Zaken in bijzondere gevallen de door het CBS aangewezen ambtenaren en deskundigen machtigen, inzage te vorderen van boeken, bescheiden en geschriften.

Op grond van artikel 4 van de Wet op de economische statistieken is het aan een ieder die ingevolge deze wet met enige werkzaamheid belast is, verboden van de ontvangen opgaven en inlichtingen verder gebruik te maken dan voor de uitoefening van zijn taak gevorderd wordt. Ingevolge artikel 5 van genoemde wet mogen gegevens, ingevolge deze wet verzameld, niet in zodanige vorm openbaar worden gemaakt, dat daaruit opgaven en inlichtingen over een afzonderlijke persoon, onderneming of instelling kunnen blijken, tenzij die persoon, het hoofd van de onderneming of het bestuur der instelling hiertegen geen bezwaar heeft. Uit de artikelen 4 en 5 van de Wet op de economische statistieken kan worden afgeleid dat bij de verstrekking van gegevens die het CBS nodig acht tot het verkrijgen van juiste economische statistieken, in geen geval de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen onevenredig kan worden geschaad. In artikel 50n, in samenhang met artikel 501, van de huidige OSV is geregeld dat verstrekking van gegevens aan het Centraal Bureau voor de Statistiek niet plaatsvindt, indien de persoonlijke levenssfeer van de betrokkenen daardoor onevenredig wordt geschaad (de zogenaamde «privacytoets»). Omdat de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen bij verstrekking van gegevens aan het CBS niet onevenredig kan worden geschaad, gezien de artikelen 4 en 5 van de Wet op de economische statistieken, kan de in de huidige OSV voorgeschreven privacytoets met betrekking tot die gegevensverstrekking vervallen. Bij het vervallen van de privacytoets voegt de in de huidige OSV (artikel 501) geregelde verplichting tot verstrekking van gegevens aan het CBS niets meer toe aan de regeling van deze verplichting in de Wet op de Economische Statistieken. Artikel 501 wordt daarom niet opgenomen in dit wetsvoorstel of de op dit wetsvoorstel te baseren algemene maatregel van bestuur.

Artikel 91

Artikel 91 heeft dezelfde strekking als artikel 50a van de huidige OSV. Verschillen tussen beide artikelen vloeien voort uit de nieuwe inrichting van de uitvoeringsorganisatie en uit redactionele vereenvoudiging. Aan het hoofd van het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en elke bedrijfsvereniging staat een bestuur. De in artikel 91 neergelegde verplichting tot het op verzoek verstrekken van inlichtingen geldt ten aanzien van het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen en de bedrijfsverenigingen en derhalve ten aanzien van de besturen van deze rechtspersonen. Deze inlichtingen behoeven niet zonder meer te worden verstrekt aan personeelsleden van deze rechtspersonen. De besturen van de rechtspersonen kunnen evenwel aan een orgaan (bijvoorbeeld de directie) of een persoon mandaat verlenen. Het orgaan

of de persoon is dan gemachtigd om namens (het bestuur van) de rechtspersoon handelingen te verrichten. Een handeling die door de gemandateerde namens het bestuur van de rechtspersoon wordt verricht binnen de grenzen van het mandaat, geldt als een handeling van het bestuur. Dit betekent dat een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen, gedaan namens het bestuur door een persoon aan wie daarvoor door het bestuur mandaat is verleend, geldt als een verzoek van het bestuur van de rechtspersoon. Daarom zijn in artikel 91, in afwijking van artikel 50a van de huidige OSV, besturen en door besturen gemachtigde personen niet afzonderlijk in artikel 91 genoemd. Aan een verzoek tot het verstrekken van inlichtingen, gedaan namens het bestuur door een persoon die daartoe door het bestuur is gemachtigd, moet op grond van de desbetreffende wetsartikelen van het wetsvoorstel worden voldaan. De zinsnede «is verplicht opgaven en inlichtingen te verstrekken omtrent feiten en omstandigheden die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet en de wettelijke regelingen, bedoeld in artikel 2, eerste lid» in artikel 50a van de huidige OSV, is in artikel 91 vereenvoudigd. Deze zinsnede luidt thans: «verstrekt.... alle gegevens en inlichtingen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van wetten door de desbetreffende rechtspersoon». Artikel 91, derde lid wijkt af van de vigerende bepaling in die zin dat in het huidige artikel 50a, derde lid, de inzage in de boeken van de werkgever niet beperkt is tot de in dat artikel genoemde loongegevens en gegevens over de werkzaamheden van de werknemers en de gegevens voor de vaststelling van de aansprakelijkheid voor de betaling van de premie en de voorschotpremie. Deze beperking kan met zich mee brengen, dat het inzagerecht beperkt kan zijn tot de loonadministratie van de werkgever en dat daarmee geen inzage mogelijk is in de andere administraties van de werkgever aangelegd voor belastingheffing. Zeker om vast te stellen of voldoende premie is afgedragen of aansprake-' lijkheid voor premiebetaling bestaat kan controle van die andere bescheiden van belang zijn. De bepaüng is daarom bewust even ruim als de bepaling van de AWR.

Artikel 92

Artikel 92 bevat verplichtingen voor de werkgever die in de huidige OSV zijn geregeld in artikel 50b, eerste en tweede lid. Artikel 92 is aangepast aan de nieuwe inrichting van de uitvoeringsorganisatie en is redactioneel vereenvoudigd.

Artikel 93

Artikel 50b, derde lid, van de huidige OSV is opgenomen in artikel 93. Ingevolge artikel 93 is de werkgever ook verplicht tot mededeling van beeindiging van de werkzaamheden van de verzekerde en mededeling van wijziging in de arbeidsverhouding met de verzekerde.

Artikel 94

Ingevolge artikel 94 is de verzekerde verplicht aan de werkgever alle gegevens en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de in artikel 92, tweede lid, bedoelde wetten. Indien de verzekerde weigert de gegevens of inlichtingen aan de werkgever te verstrekken, moet de werkgever hiervan op grond van het tweede lid mededeling doen aan de bedrijfsvereniging. Dit tweede lid komt overeen met artikel 50b, vierde lid, van de huidige OSV.

De verzekerde is ingevolge artikel 91 verplicht op verzoek van de bedrijfsvereniging de desbetreffende gegevens en inlichtingen rechtstreeks aan de bedrijfsvereniging te verstrekken

Artikel 95

Artikel 95 bevat de verplichtingen die zijn geregeld in artikel 50d van de huidige OSV.

Artikel 97

Dit artikel heeft dezelfde strekking als artikel 50e van de huidige OSV.

Artikel 98

Dit artikel heeft dezelfde strekking als artikel 50e, vierde lid, van de huidige OSV.

Artikel 99

De in artikel 99 vervatte verplichting van werkgevers tot het verstrekken van inlichtingen komt in de plaats van de verplichting van de werkgever tot het ophangen van een kaart, die is opgenomen in artikel 63 van de huidige OSV. Het ophangen van een kaart wordt thans beschouwd als een verouderd middel voor het verstrekken van inlichtingen.

§ 2. Geheimhouding

In artikel 100 van het wetsvoorstel is een geheimhoudingsbepaling opgenomen die overeenkomt met artikel 2.1.5 van het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht. Aan het eerste lid van dit artikel is in het wetsvoorstel toegevoegd dat de geheimhoudingsplicht niet geldt voor zover de bij of krachtens de OSV gestelde regels mededeling van gegevens toestaan. Deze toevoeging is nodig omdat bij en krachtens de OSV niet slechts verplichtingen maar ook bevoegdheden tot verstrekking van gegevens zijn geregeld. De in artikel 100 van het wetsvoorstel neergelegde geheimhoudingsbepaling betreft niet slechts gegevens uit persoonsregistraties maar omvat alle gegevens waarover degene die is betrokken bij de uitvoering van wetten door het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling de beschikking krijgt. Artikel 100 van het wetsvoorstel heeft derhalve een ruimere werkingssfeer dan de WPR. De geheimhoudingsplicht geldt ingevolge artikel 100, behoudens voorzover enig wettelijk voorschrift tot mededeling verplicht. Dit betekent dat de geheimhoudingsplicht in geen geval afbreuk kan doen aan verplichtingen tot verstrekking van inlichtingen die gelden mgevolge de Wet openbaarheid van bestuur (WOB) of de OSV. Het bestuur van het College, het bestuur van de Bank, het bestuur van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de besturen van de bedrijfsverenigingen en de besturen van de uitvoeringsinstellingen zullen bij algemene maatregel van bestuur, krachtens artikel 1, onderdeel a, van de WOB (Stb. 1991, 703), worden aangewezen als overheidsorganen in de zin van de WOB. Personen die zijn betrokken bij de uitvoering van de OSV, of een in deze wet genoemde sociale zekerheidswet, zijn geen overheidsorganen in de zin van de WOB. Zij kunnen ook niet worden gelijkgesteld met (besturen van) rechtspersonen die op grond van de OSV verplicht zijn gegevens en inlichtingen te verstrekken. De WOB en de OSV kunnen

derhalve niet worden beschouwd als wettelijke voorschriften die deze personen tot bekendmaking verplichten. Hierbij zij opgemerkt dat personen die zijn betrokken bij de uitvoering van wetten door het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling, soms beslissingen kunnen nemen namens (het bestuur van) het College, (het bestuur van) de Bank, (het bestuur van) het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, (het bestuur van) een bedrijfsvereniging of (het bestuur van) een uitvoeringsinstelling. Daarvoor is mandaatverlening door het betrokken bestuursorgaan vereist. Indien aan een persoon mandaat is verleend, geldt de beslissing, die hij als gemandateerde in naam van het bestuursorgaan neemt, als een beslissing van het desbetreffende bestuur. Met een dergelijke beslissing kan worden voldaan aan een verplichting van het bestuur ingevolge de WOB of de OSV. Artikel 100 komt in de plaats van artikel 50g van de huidige OSV.

§ 3. Verstrekking van gegevens door het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen In de artikelen 50h, tweede lid, en 50m van de huidige OSV gaat het niet (uitsluitend) om verstrekking van gegevens aan bestuursorganen. Daarom is ervoor gekozen het bepaalde in deze artikelen, met hieronder toegelichte wijzigingen, op het niveau van de formele wet te regelen. De verstrekking van gegevens aan bestuursorganen wordt op grond van artikel 103 van het wetsvoorstel bij algemene maatregel van bestuur geregeld. Deze algemene maatregel van bestuur behoeft wellicht wijziging wanneer nieuwe bestuursorganen in het leven worden geroepen,. bestaande bestuursorganen worden opgeheven en vooral ook wanneer het maatschappelijk wenselijk is dat nieuwe gegevensstromen tot stand worden gebracht of dat bestaande gegevensstromen gewijzigd worden. Om de gewenste wijzigingen in de gegevensstromen snel tot stand te kunnen brengen is gekozen voor regeling op het niveau van een algemene maatregel van bestuur. Deze regeling moet, evenals de artikelen 101 en 102, worden beschouwd als een bijzondere regeling die voorrang heeft boven het bepaalde bij en krachtens de Wet persoonsregistraties. Een ontwerp van de tot stand te brengen algemene maatregel van bestuur is als bijlage bij deze memorie van toelichting gevoegd.

Artikel 101

Artikel 101 bevat een verplichting tot het uit eigen beweging verstrekken van voorlichting aan verzekerden omtrent de betekenis van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag met betrekking tot het aan de verzekerde uitbetaalde loon en de vakantiebijslag. Het gaat hier niet om verstrekking van gegevens als bedoeld in artikel 103. Tevens moet ingevolge artikel 101 mededeling worden gedaan aan ambtenaren die door de minister zijn belast met toezicht op de naleving van de verplichting tot uitbetaling van het loon en de vakantiebijslag, waarop ingevolge de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag aanspraak bestaat. Met artikel 101 wordt beoogd naleving van laatstgenoemde wet te bevorderen. Artikel 101 komt in de plaats van artikel 50h, tweede lid, van de huidige OSV. In artikel 101 is geen bevoegdheid maar een verplichting opgenomen. In artikel 50h van de huidige OSV zijn slechts bevoegdheden geregeld.

Artikel 102

Artikel 102 komt in de plaats van artikel 50m van de huidige OSV. In artikel 102 zijn bevoegdheden tot verstrekking van gegevens aan privaatrechtelijke rechtspersonen geregeld. Hiervoor is ingevolge artikel 102, eerste lid, -in overeenstemming met artikel 11, tweede lid van de Wet persoonsregistratie (Stb. 1988, 655) -vereist dat voor de verstrekking van de gegevens schriftelijk toestemming is verleend door de persoon op wie de gegevens betrekking hebben. In artikel 102, derde lid, is, in afwijking van de Wet persoonsregistraties, geregeld in welke gevallen gegevens kunnen worden verstrekt zonder schriftelijke toestemming van betrokkene. Mede vanwege deze afwijking van de Wet persoonsregistraties is gekozen voor regeling op het niveau van de formele wet. De afwijking van de Wet persoonsregistraties moet worden beschouwd als een bijzondere regeling die voorrang heeft boven de Wet persoonsregistraties. De afwijking wordt hieronder toegelicht. De Bank en de bedrijfsverenigingen houden persoonsregistraties in de zin van de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665). Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Wet persoonsregistraties mogen uit persoonsregistraties slechts gegevens aan derden worden verstrekt voor zover zulks voortvloeit uit het doel van de registratie, voorzover zulks wordt vereist ingevolge een wettelijk voorschrift (bijvoorbeeld de OSV of de Wet openbaarheid van bestuur (WOB)) of voorzover zulks geschiedt met toestemming van de geregistreerde. Uit de woorden «wordt vereist ingevolge een wettelijk voorschrift» vloeit voort dat de Wet persoonsregistraties niet in de weg staat aan de verstrekking van gegevens uit persoonsregistraties, waartoe de artikelen 101, 102 en 103 van de OSV of de op artikel 103 van de OSV gebaseerde algemene maatregel van bestuur, verplichten. Evenmin staat de Wet persoonsregistraties in de weg aan verstrekking van gegevens en inlichtingen waartoe andere artikelen van de OSV verplichten, bijvoorbeeld de artikelen 10 en 13. Het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer kan niet in de weg staan aan verstrekking van gegevens en inlichtingen op grond van deze artikelen aan de minister en het College. De Wet persoonsregistraties zou echter wel in de weg kunnen staan aan de verstrekking van gegevens waartoe de OSV niet verplicht maar slechts een bevoegdheid schept. In die gevallen wordt de verstrekking van gegevens niet vereist ingevolge een wettelijk voorschrift en mogen uit de persoonsregistratie slechts gegevens aan derden worden verstrekt voor zover zulks voortvloeit uit het doel van de registratie of voorzover zulks geschiedt met toestemming van de geregistreerde. Omdat de in artikel 50m van de huidige OSV bedoelde gegevensverstrekking niet voortvloeit uit het doel van de registratie, zou steeds voor de verstrekking van de gegevens toestemming van de geregistreerde moeten worden gevraagd. Dit zou een aanzienlijke administratieve belasting zijn die veelal onoverkomelijk zou zijn. Bovendien zou de gegevensverstrekking niet zijn toegestaan indien de betrokkene geen schriftelijke toestemming verleent. Daarom is in het derde lid van artikel 102 -overeenkomstig artikel 50m, in samenhang met artikel 50n van de huidige OSV-geregeld dat de in het eerste lid bedoelde gegevens op verzoek kan plaatsvinden aan bepaalde organen en instellingen, die zijn belast met de uitvoering van pensioenvoorzieningen, zonder schriftelijke toestemming van betrokkene maar met de zogenaamde privacytoets, dat wil zeggen met een voorafgaande afweging van enerzijds het belang van verstrekking van de gegevens en anderzijds het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Hierbij speelt de toetsing, die in de jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie over artikel 8 van het Europese Verdrag van de Rechten van de Mens, dat als basisverdragsbepaling geldt voor de Nederlandse privacywetgeving, vorm heeft gekregen, een belangrijke rol. Vertaald

naar de sociale verzekeringswetten gaat het om de toetsing of sprake is van een belang, dat de inbreuk rechtvaardigt, zoals het voorkomen en bestrijden van strafbare feiten. Het belang van de gegevensverstrekking moet een reëel maatschappelijk probleem betreffen («pressing social need»). Beoordeeld moet worden of de gegevens ook niet direct van de geregistreerde verkregen kunnen worden. Daarnaast moet de gegevensverstrekking op verantwoorde wijze plaatsvinden en aan zorgvuldigheidseisen voldoen.

Artikel 103

Artikel 103 verplicht tot het tot stand brengen van een algemene maatregel van bestuur waarin wordt geregeld in welke gevallen het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen verplicht of bevoegd zijn gegevens te verstrekken aan bestuursorganen. De verstrekking van gegevens die is geregeld in de artikelen 50h, eerste lid, 50i, 50j en 50k van de huidige OSV, zal op grond van artikel 103 in een algemene maatregel van bestuur worden geregeld. Het tweede en derde lid van artikel 103 strekken tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Artikel 103 sluit aan op artikel 18, derde lid, van de Wet persoonsregistraties. In aansluiting op het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht wordt hier onder «bestuursorgaan» verstaan: een orgaan van een rechtspersoon die krachtens publiekrecht is ingesteld, of een ander persoon of college, met enig openbaar gezag bekleed. Het bestuur van het College, het bestuur van de Bank, het bestuur van het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de besturen van bedrijfsverenigingen, de besturen van de uitvoeringsinstellingen, de Minister van Financiën, onder wie de Rijksbelastingdienst ressorteert, gemeentebesturen, de Ziekenfondsraad, de besturen van ziekenfondsen, de Sociaal-Economische Raad, buitenlandse organen die belast zijn met de uitvoering van sociale zekerheidsregelingen, het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening en de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening zijn bestuursorganen in de zin van het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht. Een «bestuursorgaan» kan deel uitmaken van een «lichaam», dat wil zeggen van een publiekrechtelijke rechtspersoon (openbaar lichaam) of een privaatrechtelijke rechtspersoon (bijvoorbeeld een bedrijfsvereniging).

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

BIJLAGE 1

HISTORISCH OVERZICHT VAN DE ONTWIKKELING VAN HET STELSEL VAN SOCIALE ZEKERHEID

1 Inleiding

Dit hoofdstuk bevat een korte historische schets van de ontwikkeling van het stelsel van sociale zekerheid op hoofdlijnen. Het gaat hierbij zowel om de organisatie van de uitvoering (§ 1.2} als om de inhoud van de materiële wetgeving (§ 1.3). Daarnaast wordt een overzicht gegeven van de huidige organisatie (§ 1.4). Het hoofdstuk wordt afgesloten met een overzicht van de in het verleden uitgebrachte adviezen over de herziening van de uitvoeringsorganisatie (§ 1.5).

2 De uitvoeringsorganisatie

2.1 Rijksverzekeringsbank, Raden van Arbeid, Sociale Verzekeringsbank In het jaar 1898 werd bij de Tweede Kamer een wetsvoorstel aanhangig gemaakt, dat geleid heeft tot de eerste sociale verzekeringswet, namelijk de Ongevallenwet 1901. De uitvoering van de ongevallenverzekering werd opgedragen aan een rijksinstelling, de Rijksverzekeringsbank. Een invulling, zoals bij het in Duitsland bestaande stelsel van ongevallenverzekering door middel van «Berufsgenossenschaften», achtte de regering niet wenselijk. Het aantal arbeiders per bedrijfstak was naar de mening van de regering te gering om het ongevallenrisico door elke bedrijfstak afzonderlijk te doen dragen. Onderbrenging van het risico bij één verzekeringsinstelling werd noodzakelijk geacht. Aangezien er bij voortduring toezicht van staatswege diende te worden uitgeoefend, lag het naar de mening van de regering voor de hand de ongevallenverzekering bij een rijksinstelling onder te brengen.

Er rezen ernstige bezwaren tegen deze wijze van uitvoering, waarbij de overheid een monopoliepositie zou verkrijgen. In het bijzonder kwam dit tot uitdrukking door het zogenaamde «grootamendement» van het lid van de Tweede Kamer dr. A. Kuyper. In dit amendement stelde hij voor aan verenigingen van werkgevers, bedrijfsverenigingen geheten, het recht toe te kennen om ten dele zelf in de uitvoering van de ongevallenverzekering te voorzien. De Tweede Kamer verwierp het amendement en aanvaardde het wetsvoorstel. De Eerste Kamer verwierp echter het wetsvoorstel op grond van bezwaren, die ook reeds in de Tweede Kamer naar voren waren gekomen. Vervolgens werd een nieuw wetsvoorstel ingediend, dat gedeeltelijk aan die bezwaren tegemoet kwam. Op 1 februari 1903 trad de Ongevallenwet 1901 in werking.

Onder Minister Talma (1908-1913) werd een drietal wetsvoorstellen ingediend, op het terrein van een ziekengeldverzekering, een invaliditeits-en ouderdomsverzekering en een ontwerp-Radenwet. Talma wilde de uitvoering van de sociale verzekeringen opdragen aan régionale publiekrechtelijke organen (Raden van Arbeid). Deze zouden ook buiten het gebied van de sociale verzekeringen een taak hebben, namelijk door het verlenen van medewerking aan de uitvoering van wetten betreffende de arbeid in het algemeen. Daar toe wilde hij aan de Raden van Arbeid verordenende bevoegdheid geven.

In 1913 verschenen de Invaliditeitswet, de Ziektewet en de Radenwet in het Staatsblad. De taak van de Raden van Arbeid, zoals vastgelegd in de Radenwet, werd beperkter dan de minister aanvankelijk had voorgesteld. De taak van de Rijksverzekeringsbank werd eveneens in een afzon-

derlijke wet geregeld. Op 1 maart 1934 trad vervolgens de Wet op de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid in werking. De Radenwet en de Wet op de Rijksverzekeringsbank kwamen per die datum te vervallen. Het toezicht op de Raden van Arbeid werd opgedragen aan de Rijksverzekeringsbank. In verband met de invoering van de eerste volksverzekering per 1 januari 1957 werd de Rijksverzekeringsbank (een overheidsorgaan) omgevormd tot de huidige SVB met een tripartiete (werknemers, werkgevers en onafhankelijke) samengesteld bestuur. Met ingang van 1 april 1988 zijn de Raden van Arbeid districtskantoren geworden van de SVB.

2.2 Bedrijfsverenigingen zonder verplicht lidmaatschap In 1922 deden de bedrijfsverenigingen hun intrede in de sociale verzekeringen bij de uitvoering van de Land-en Tuinbouwongevallenwet 1922. Dit waren verenigingen van werkgevers, zij het dat de besturen voor de helft werden gevormd door vertegenwoordigers van werknemersorganisaties. Gedurende de jaren 1913-1930 is de vraag of de ZW door de Raden van Arbeid zou moeten worden uitgevoerd volop in discussie geweest. Uiteindelijk werd de uitvoering van de ZW opgedragen aan de zogenaamde «vrije bedrijfsverenigingen en slechts aanvullend aan de Raden van Arbeid. De «vrije» bedrijfsverenigingen waren opgericht door werkgevers-en werknemersorganisaties. Er was geen verplicht lidmaatschap van de werkgevers. De werkingssfeer van deze bedrijfsverenigingen was verschillend. Een aantal beperkte zich tot één bedrijfstak, maar er waren ook bedrijfsverenigingen met een werkingssfeer over alle bedrijfstakken. Indien een werkgever zich niet had aangesloten bij een bedrijfsvereniging, dan was hij aangesloten bij de Raad van Arbeid. Verreweg het grootste deel van de werkgevers sloot zich aan bij een bedrijfsvereniging. Voor de uitvoering van de Kinderbijslagwet 1939 sloot men aan bij die van de ZW.

2.3 Territoriale sociale raden (Commissie-Van Rhijn)

Spoedig na de Tweede Wereldoorlog verschenen verschillende rapporten van de door de regering in Londen in 1943 ingestelde commissie-Van Rhijn. De commissie wilde de gehele uitvoering van de sociale verzekering in handen stellen van een aantal territoriale sociale raden, die een grote mate van zelfstandigheid zouden bezitten en waarin naast de overheid de belangrijkste en meest representatieve organissties uit de kringen van de belanghebbenden in het territorium van die raad zitting zouden hebben. Boven de sociale raden zou een Centrale Sociale Raad staan ter vaststelling van de algemene richtlijnen voor de uitvoering en voor controle op het financiële beleid van de gewestelijke raden.

De Stichting van de Arbeid kon deze voorstellen echter niet onderschrijven. Zij bepleitte een bedrijfstaksgewijze uitvoering van de sociale verzekeringen door particuliere, door werkgevers en werknemers gezamenlijk bestuurde organen.

Vervolgens bracht de zogenaamde Gemengde Commissie-Van Rhijn, samengesteld uit ambtelijke leden en vertegenwoordigers van de

Stichting van de Arbeid, in 1948 het «Rapport inzake de herziening van de sociale verzekering», uit. De hoofdpunten daarvan waren:

  • Aan het hoofd van de uitvoeringsorganisatie zou komen een Centrale Sociale Verzekeringsraad, belast met een controlerende en coördinerende taak. Samenstelling: 1/3 werkgevers-, 1/3 werknemers-, 1/3 overheidsvertegenwoordigers. 2. De uitvoering van de sociale verzekeringen diende bedrijfstaksgewijs te geschieden door bedrijfsverenigingen. Dit zouden vakbedrijfsverenigingen moeten zijn met verplicht lidmaatschap van werkgevers. Daarnaast zou er nog een algemene bedrijfsvereniging moeten komen.
  • De administratie van de bedrijfsverenigingen zou dienen te geschieden door een centraal administratiekantoor met bijkantoren en agentschappen. De bedrijfsvereniging kon haar administratie zelf voeren, doch had daarvoor toestemming nodig van de centrale sociale verzekeringsraad. Ook was het mogelijk afdelingskassen op te richten.

2.4 Vakbedrijfsverenigingen met verplicht lidmaatschap In 1948 werd een voorstel-Werkloosheidswet (WW) bij de Tweede Kamer ingediend. Dit voorstel legde de uitvoering in handen van een nieuw type uitvoeringsorgaan, namelijk de vakbedrijfsvereniging met verplicht lidmaatschap en een algemene bedrijfsvereniging als restorgaan. De Minister werd de bevoegdheid verleend het bedrijfs-en beroepsleven te verdelen in sectoren. In iedere tak van bedrijf of beroep zou slechts èén bedrijfsvereniging worden erkend. Het bedrijfs-en beroepsleven werd verdeeld in 25 sectoren plus één restgroep. De werkgever was van rechtswege aangesloten bij de bedrijfsvereniging, die haar werkingssfeer uitstrekte tot het onderdeel van het bedrijfs-en beroepsleven, waartoe de werkzaamheden behoorden, die hij deed verrichten. Op 1 juli 1952 trad de WW in werking.

Inmiddels was in 1950 bij de Tweede Kamer een ontwerp van wet ingediend tot herziening van de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekering (de ontwerp-Organisatiewet Sociale Verzekering).

Voor de regeling, die in het wetsontwerp was neergelegd, heeft de door de Gemengde Commissie-Van Rhijn geadviseerde uitvoeringsorganisatie als model gediend. Voorgesteld werd de uitvoering van alle sociale verzekeringswetten -ook de toekomstige ouderdomsverzekering -op te dragen aan vakbedrijfsverenigingen met verplicht lidmaatschap. De gehele uitvoering zou onder toezicht worden gesteld van een tripartite samengestelde SVr. Verder werd voorgesteld dat de bedrijfsverenigingen in beginsel verplicht zouden zijn de administratie op te dragen aan een door de SVr op te richten en te beheren Centraal Administratiekantoor (CAK).

In de memorie van toelichting werd uitvoerig ingegaan op de voordelen van een centraal administratief apparaat. Het voeren van de administratie werd geschetst als uitsluitend een technischfinancieel en organisatorisch probleem. Dat zou naar de mening van het kabinet geen inbreuk maken op het «zelfdoen», dat volgens het kabinet mede tot de leidende beginselen van het wetsvoorstel behoorde.

Als gevolg van de in de Tweede Kamer aangevoerde bezwaren nam het kabinet de uitvoering van de toekomstige ouderdomsverzekering uit het voorstel terug. Het voorstel inzake het CAK kreeg veel kritiek. Een dergelijk orgaan zou -aldus de kritiek -wèl inbreuk maken op het «zelfdoen». Een amendement-Stapelkamp, inhoudende, dat een Gemeenschappelijk Administratiekantoor (GAK) op te richten door de centrale organisaties van werkgevers en werknemers wettelijke erkenning zou verkrijgen als administratie-orgaan van de bedrijfsverenigingen, die niet zelfstandig wensten te administreren, nam het kabinet over. Het CAK kwam hierdoor te vervallen.

Op 1 januari 1953 trad de Organisatiewet Sociale Verzekering (huidige OSV) in werking. Door de invoering van de OSV kwam er een einde aan de dualistische uitvoering van de ZW en de Kinderbijslagwet door bedrijfsverenigingen en Raden van Arbeid. De invaliditeits-en ongevallenverzekeringen bleven echter in uitvoering bij de Rijksverzekeringsbank en de Raden van Arbeid.

In verband met de invoering van de WAO (1967) werd in de OSV ook een regeling opgenomen inzake de erkenning door de minister van een Gemeenschappelijke Medische Dienst (GMD).

3 De inhoud van de materiële wetgeving 3.1 Kwalitatieve ontwikkelingen

De eerste sociale verzekeringswet, de Ongevallenwet 1901, had slechts een zeer beperkte werkingssfeer. De wet dekte loonschade door bedrijfsongevallen, doch alleen in de meer gevaarlijke industriële bedrijven. Aan deze wet lag het risque professionnel ten grondslag. De lasten van de aan het bedrijf inherente risico van ongevallen moesten door middel van een verplichte verzekering worden gedekt. De werkingssfeer van deze ongevallenwet werd in 1921 aanzienlijk uitgebreid; zowel voor wat betreft het verzekerde risico (ongevallen in verband met de dienstbetrekking) als voor wat betreft het aantal bedrijven. Afzonderlijke ongevallenwetten kwamen tot stand voor zeelieden en werknemers in de land-en tuinbouw.

In 1919 trad de Invaliditeitswet (IW) in werking. Deze wet gaf recht op een invaliditeitsrente, een ouderdomsrente en een weduwen-en wezenrente. De ZW (in 1930 ingevoerd) voorzag aanvankelijk gedurende 26 weken in een recht op ziekengeld. De IW en de ZW werden gebaseerd op de rechtsgrond van het rechtvaardig arbeidsloon.

Op het terrein van de werkloosheid kwam eerst in 1952 een verplichte verzekering tot stand, namelijk de WW. Daarvóór waren er op vrijwillige basis diverse regelingen door sociale partners in het leven geroepen om werkloze werknemers een uitkering te verlenen. De gemeentelijke overheid verleende terzake subsidies. Voorts voorzag de gemeentelijke overheid sinds 1931 ook in een directe uitkering aan werkloze werknemers. De overheid zorgde ook na de invoering van de WW voor aanvullende werkloosheidsvoorzieningen. Met name kunnen in dit verband worden genoemd de Wet Werkloosheidsvoorziening (WVW) en de op de Algemene Bijstandwet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww).

Na de Tweede Wereldoorlog is het denken over sociale verzekering, mede onder invloed van de in 1942 door Beveridge in Groot-Brittannië gepubliceerde voorstellen, fundamenteel gewijzigd. Er werd een nieuwe

rechtsgrond geformuleerd. De beperking van de sociale verzekeringen tot werknemers werd verouderd geacht.

Als nieuwe rechtsgrond werd geformuleerd: «De gemeenschap, georganiseerd in de Staat, is aansprakelijk voor de sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek van al haar leden, op voorwaarde, dat deze leden zelf het redelijke doen om zich die sociale zekerheid en vrijwaring tegen gebrek te verschaffen» (commissie-Van Rhijn). Hiermee werd de grondslag gelegd voor de totstandkoming van volksverzekeringen, namelijk de Algemene Ouderdomswet (AOW, 1957) (met als voorloper de Noodwet Ouderdomsvoorziening -Noodwet Drees -), de Algemene Weduwen-en Wezenwet (AWW, 1959), de Algemene Kinderbijslagwet (AKW, 1963), de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ, 1968) en de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW, 1976). Door deze volksverzekeringen werden niet alleen werknemers, maar alle ingezetenen tegen bepaalde calamiteiten verzekerd. De solidariteitsgedachte vindt in de volksverzekeringen uitwerking door het ontbreken van een relatie tussen het inkomen, waarover premie is betaald en de hoogte van de uniforme uitkeringen op het sociaal minimumniveau. De uitkeringen ingevolge de volksverzekeringen, met uitzondering van die op grond van de AKW en de AWBZ, zijn thans wat de hoogte betreft gekoppeld aan het wettelijk minimumloon.

Een mijlpaal in de ontwikkeling van de werknemersverzekeringen was de invoering van de WAO (1967). Deze wet kwam in de plaats van de Ongevallenwetten en de IW. Als nieuwe rechtsgrond werd voor deze wet geformuleerd: het recht op zelfontplooiing en op gelijke kansen. Voor de WAO is de oorzaak van de arbeidsongeschiktheid niet relevant. Het «risque professionnel» werd vervangen door het «risque social». Naast het recht op langlopende loongerelateerde uitkeringen voorziet de WAO ook in een bevoegdheid om voorzieningen te treffen tot behoud, herstel of bevordering van de arbeidsgeschiktheid danwel ter verbetering van de levensomstandigheden. De bevoegdheid tot het treffen van die voorzieningen is vanaf 1976 geregeld in de AAW.

In de loop der jaren is de betekenis van de sociale verzekeringen toegenomen. Gewezen kan bijvoorbeeld worden op het vervallen van de loongrenzen met betrekking tot de verzekeringsplicht, op de invoering van de welvaartsvastheid van de uitkeringen, de invoering van minimumdaglonen, de verdiscontering van werkloosheid in de arbeidsongeschiktheidsregelingen, verbreding van het begrip ziekte (naast lichamelijke worden thans ook psychische en sociale factoren in aanmerking genomen), en verlenging van de uitkeringsduur van de ZW tot 52 weken.

In de tachtiger jaren werd in tal van sociale zekerheidsregelingen de gelijke behandeling van man en vrouw vorm gegeven. Dit was een gevolg van internationale verplichtingen en in het bijzonder de 3e EG-richtlijn van 19 december 1978 inzake de geleidelijk e tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid.

Enkele hoofdlijnen van het door de overheid te voeren sociale beleid werden in 1983 opgenomen in artikel 20 van de Grondwet.

Per 1 januari 1987 is het stelsel van sociale zekerheid ingrijpend gewijzigd. Die wijzigingen betroffen met name: -integratie van de WW en de WWV in een nieuwe WW; -uniformering van de uitkeringspercentages van de werknemersverzekeringen op 70; -gelijke behandeling van man en vrouw en gelijkstelling van duurzaam samenwonende personen met gehuwden; -afschaffing van de verdiscontering van de werkloosheid in de AAW en de WAO; -vervanging van de minimumdagloonbepalingen van de werknemersverzekeringen en de toeslagen ingevolge de AAW door de TW; -invoering van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW); een regeling met een overeenkomstig karakter werd op 1 juli 1987 ingevoerd voor gewezen zelfstandigen, te weten de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ); -opname in de kring van verzekerden van de WW van het overheidspersoneel dat echter tot een nader te bepalen tijdstip van deze wet is uitgezonderd. Nu, aan het begin van de jaren negentig, zijn vooral de arbeidsongeschiktheidsregelingen voorwerp van verandering. Deze veranderingen werken twee kanten op: enerzijds wordt het instrumentarium om mensen arbeidsgeschikt te houden of weer terug te brengen in het arbeldsproces sterk uitgebreid en anderzijds worden de mensen geprikkeld inspanningen te verrichten tot het behoud of het weer verkrijgen van arbeid. Het voorliggende wetsvoorstel dient hiervoor de basis te bieden. Daarnaast bevindt zich de herziening van de wettelijke nabestaandenverzekering in een vergevorderd stadium.

3.2 Kwantitatieve ontwikkelingen De groei van de uitgaven ter zake van de sociale verzekeringen en voorzieningen sedert 1970 is weergegeven in tabel 1. Deze tabel is ontleend aan de Sociale Nota 1993. Van 1970tot 1991 stegen de uitgaven explosief en wel van 18,8 tot 135,3 mld. gld. De uitgavendruk in procenten van het netto nationaal inkomen (% NNI) steeg in die periode van 16,9 naar 28,2.

Tabel 1. Kerngegevens omtrent de ontwikkeling van de sociale zekerheid. 1970-1997

1970

1980

1985

1990

1991

1992

1993

1994

1997

Uitgaven (lopende prijzen in mld gld ) -sociale verzekeringen -sociale voorziening totale uitgaven (in mld. gld.) uitgavendruk (in % NNI) premiedruk (in % NNI)" volume soc zek. (uitk jaren x 1000)

17,5 1,3

18,8 16,9 15,0 2052

73,4 10,0

83,4 27,5 20,23078

87,0 20,9

107.9 28,7 22,9 3749

105,0 22,4

127,4 28,1 19,0 3983

112,4 22,9

135,3 28,3 19,8 4028

119,7 24,0

143,7 28,8 20,24077

123,4 24,8

148,2 28,2 19,6 4111

128,5 25,9

154,4 27,8 21,9 4129

147,1 28,8

175,9 27,2 21,7 4248

  • Gecorrigeerd voor mutaties na 1990 in de nominale premies ZFW/AWBZ; inclusief saldo van malussen en bonussen in de AAW/WAO Bron: SZW, CPB.

Voor de totale sociale zekerheid wordt voor 1992 een toeneming van de uitgaven voorzien van 8,4 mld. een stijging ten opzichte van 1991 met ruim 5,5%. Voor de daarop volgende jaren tot en met 1996 wordt een uitgavenstijging voorzien van gemiddeld bijna 6,5 mld. gld. ofwel 4,1% per jaar.

De uitgavendruk, als percentage van het nationale inkomen, zal in 1992 nog stijgen. Onder invloed van de voorgestelde maatregelen in het

kader van het volumebeleid arbeidsongeschiktheid moet de uitgavendruk in de jaren na 1992 een daling te zien geven.

Met betrekking tot de volumeontwikkelingen in de sociale zekerheid zij verwezen naar tabel 2. Die tabel is eveneens ontleend aan voornoemde nota (blz. 12 van voornoemd kamerstuk). De tabel beperkt zich tot regelingen die behoren tot het beleidsterrein van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Voorts betreft de tabel met name inkomensvervangende uitkeringen en niet de inkomensaanvullende regelingen (zoals de AKW en de TW). De WSW is niet opgenomen omdat daarbij geen sprake is van uitkering maar van loon.

Uit de tabel blijkt dat in de afgelopen decennia het volume van de sociale zekerheid sterk is toegenomen. Die sterke groei kwam voor een deel tot stand door vergrijzing van de bevolking. Dit effect zet zich in de eerstkomende decennia nog voort. In de jaren zeventig en begin jaren tachtig maakte ook het volume van de werkloosheidsregelingen een sterke groei door. De volumedaling die zich hier in de tweede helft van de jaren tachtig voltrok, werd echter meer dan tenietgedaan door de aanhoudend sterke volumegroei in de arbeidsongeschiktheidsregelingen. Voor de jaren na 1992 wordt een afzwakking van de volumegroei voorzien. Daarbij speelt uiteraard het volumebeleid arbeidsongeschiktheid een rol.

Tabel 2. Volumeontwikkeling in de sociale zekerheid 1970-1997 (x 1000 uitkeringsjaren)

AWW/ANW zw AAW/WAO WW. W, WWV, RWW. IOAW. IOAZ" ABW- Subtotaal

AOW-

Totaal

1970 151 234 196 72 70

723

1329

2052

1980 168 306 608 240 117

1439

1639

3078

1985 171 257 698 659 183

1968

1781

3749

1990 187 346 778 540 176

2027

1956

3983

1991 190 351 801 529 175

2046

1982

4028

1992 191 351 809 541 177

2069

2008

4077

1993 192 338 817392 335

2074

2037

4111

1994 185 322 820241 492

2060

2069

4129

1997 179 318 827260 489

2073

2175

4248

  • • 
    Rww, IOAW, IOAZ, ABW: personen x 1000 " Ter voorkoming van dubbeltellingen zijn alleen bijstandsgerechtigden jonger dan 65 jaar met een periodieke uitkering opgenomen. "" Omdat dls gevolg van de herinrichting van de ABW niet langer een onderscheid zal worden gernaakt tussen ABW-gerechtigdensec en Rww-gerechtigden, zijn vanaf 1 juli 1993 de Rww-gerechtigden ondergebracht in de ABW Dit verklaart in belangrijke mate de stijging in het volume ABW vanaf 1993. "'" De volumecijfers AOW voor de jaren vóór 1985 zijn herberekend.

4 De huidige uitvoeringsorganisatie 4.1 De uitvoering door de bedrijfsverenigingen

De ZW, de WW, de WAO, de AAW, de TW, de WAGW en de Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) en dientengevolge de premieheffing ingevolge de ZFW worden uitgevoerd door de bedrijfsverenigingen voor zover die uitvoering niet aan anderen is opgedragen. De bedrijfsverenigingen kunnen hun administratie opdragen aan anderen bijvoorbeeld het GAK of het GUO. De spreiding van de uitvoeringskantoren van de bedrijfsverenigingen is zeer verschillend. Het GAK heeft een wijd verspreid net van vestigingen door het hele land. Het Sociaal Fonds Bouwnijverheid (die de uitvoering van de bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid verzorgt) daarentegen kent een sterk centrale opzet van de uitvoering. In het uitvoeringsproces kunnen overeenkomstig het «Alternatievenrapport» van de volgende functies worden onderscheiden:

-de collecterende functie: vergaring van middelen; -de distribuerende functie: toekenning van rechten en betaalbaarstelling van uitkeringen; -de informerende functie: verzamelen en verspreiden van informatie bij en ten behoeve van gebruikers; -de begeleidende functie: door middel van preventieve of curatieve benadering van personen sociale risico's voorkomen of beperken.

De bedrijfsverenigingen voeren al deze functies ten aanzien van de reeds genoemde wetten uit op een aantal uitzonderingen na. Zo is de collecterende functie voor de AAW in handen van de belastingdienst. In het kader van hun collecterende functie stellen de bedrijfsverenigingen zelf de premies vast voor de uitgaven van de wachtgeldfondsen in het kader van de WW en de ziekengeldkassen in het kader van de ZW. Deze fondsen en kassen worden door de bedrijfsverenigingen zelf beheerd.

De begeleidende functie van de bedrijfsverenigingen is momenteel gering en beperkt zich tot het Ziektewettraject. Immers de GMD heeft een wettelijk vastgelegde rol voor de begeleiding van mensen met AAW/WAO-uitkering. De arbeidsbemiddeling van de WAGW-doelgroep is aan de GMD opgedragen. In de gevalsbehandeling is tweedeling in het begeledingstraject tussen Ziektewet en AAW/WAO een hindernis voor een goede gevalsbehandeling. Momenteel is er sprake van een nauwe samenwerking tussen het GAK (als uitvoerder van de Ziektewet voor een aantal bedrijfsverenigingen) en de GMD. Echter van een geïntegreerde gevalsbehandeling kan geen sprake zijn omdat niet het bestuur van de bedrijfsvereniging verantwoordelijk is voor de begeleiding maar het GMD-bestuur. Daarnaast zijn in de huidige constructie de niet bij het GAK administrerende bedrijfsverenigingen onvoldoende in staat om naar eigen inzicht de gevalsbehandeling vorm te geven.

Naast de uitvoering van de sociale zekerheidswetten verrichten de bedrijfsverenigingen andere werkzaamheden, die al dan niet bij wet zijn opgedragen. Zo innen zij de premie voor de Ziekenfondswet en verrichten zij werkzaamheden voor vrijwillige aanvullende en verwante regelingen en dienstverlenende activiteiten. Dit betreft bijvoorbeeld de uitvoering van bedrijfspensioenfondsen, risicofondsen, vakantiefondsen en VUT-regelingen. Bij de dienstverlenende activiteiten gaat het om ten behoeve van de bedrijfstak, of ten oehoeve van werknemers-of werkgeversorganisaties verrichten van werkzaamheden. Er zijn 18 (aanvankelijk 25) vakbedrijfsverenigingen waarvan de besturen zijn samengesteld uit de vertegenwoordigers van werkgevers-en werknemersorganisaties uit de bedrijfstakken. Er is voorts nog één algemene (rest-)bedrijfsvereniging, waarvan het bestuur is samengesteld uit vertegenwoordigers van de centrale werkgevers-en werknemersorganisaties. De administratie van 14 bedrijfsverenigingen wordt verzorgd door het GAK. Voorts is er één bedrijfsvereniging, te weten de bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid, die zijn administratie laat verzorgen door een stichting (Sociaal Fonds Bouwnijverheid). De zelfadministrerende bedrijfsverenigingen zijn de bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen (Detam) en de bedrijfsvereniging voor de Gezondheid, Geestelijke en Maatschappelijke Belangen (BVG). Met ingang van 1 januari 1992 hebben de bedrijfsvereniging voor de Tabaksverwerkende en de Agrarische Bedrijven (BVTAB), de bedrijfsvereniging voor het Bakkersbedrijf (althans gedeeltelijk) en de bedrijfsvereniging voor het Slagers-en Vleeswarenbedrijf, de Groothandel in Vlees en de

Pluimveeslachterijen, hun administratie opgedragen aan het Gemeenschappelijk Uitvoeringsorgaan (GUO).

De bedrijfsverenigingen hebben zich onder meer met het oog op een gecoördineerde uitvoering op vrijwillige basis verenigd in de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV).

4.2 De Gemeenschappelijke Medische Dienst De medische, arbeidsdeskundige en verwante taken in het kader van de AAW en de WAO worden verricht door de GMD. Deze door de minister erkende dienst wordt bestuurd door vertegenwoordigers van centrale werkgevers-en werknemersorganisaties. De administratie van de GMD wordt gevoerd door het GAK. De GMD adviseert de bedrijfsverenigingen onder meer bij het vaststellen van de hoogte van de uitkeringen. Dit advies komt tot stand op grond van beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid. Daarnaast is de GMD belast met de arbeidsbemiddeling van de WAGW-populatie en adviseert zij aan derden op punten als arbeidsongeschiktheidsschatting en aanpassingen van de woon-en werkplek.

4.3 De rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen Er zijn vier centrale rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen. De besturen van deze fondsen zijn tripartite (werkgevers, werknemers en onafhankelijke leden) samengesteld. Het zijn het Algemeen Werkloosheidsfonds (AWf), het Algemeen Arbeidsongeschiktheidsfonds (AAf), het Arbeidsongeschiktheidsfonds (Aof) en het Toeslagenfonds (Tf) ter uitvoering van respectievelijk de WW, de AAW, de WAO en de TW. De besturen zijn verantwoordelijk voor het beheer en de administratie van deze fondsen. De administratie van deze fondsen is opgedragen aan de SVr. Sinds enige tijd is bij het secretariaat van de SVr de administratie van de fondsen zoveel mogelijk gescheiden van de overige werkzaamheden van het secretariaat.

De besturen van het AWf, het AAf en het Aof stellen, onder goedkeuring van de minister die daarbij geadviseerd wordt door de SVr, de uniforme premies vast voor respectievelijk de WW, de AAW en de WAO. Het deel van de WW-premie dat ten gunste komt van de wachtgeldfondsen wordt echter door de desbetreffende bedrijfsvereniging vastgesteld. In de middelen ter dekking van de uitgaven van de TW wordt voorzien door het Rijk.

Het AAf en het Aof zijn voorts bevoegd, onder goedkeuring van de minister, toelagen te verlenen aan instellingen of organisaties, die ten doel hebben het nemen of bevorderen van revalidatiemaatregelen.

4.4 De Sociale verzekeringsbank De uitvoering van de AOW, de AWW en de AKW is opgedragen aan de Svb. Het uitvoeringsproces van deze verzekeringen spitst zich toe op de distribuerende en de informerende functies. De Rijksbelastingdienst is belast met de uitvoering van de collecteren de functie. De Svb beheert en administreert het Ouderdomsfonds, het Weduwen-en Wezenfonds en het Algemeen Kinderbijslagfonds, als bedoeld in respectievelijk de AOW, de AWW en de AKW. Met ingang van 1 januari 1990 vindt de regeling van bedoelde fondsen (en het AAf) niet meer plaats in de drie genoemde wetten, maar in de Wet financiering volksverzekeringen. Ook beheert de Svb nog enkele fondsen in het kader van de Invaliditeitswet, de Liquidatiewet invaliditeitswetten en de Ouderdomswet 1919. Tot slot is de Svb

belast met het beheer van het Fonds Voorheffing Pensioenen (FVP) en de uitvoering van de remigratieregeling.

De SVB stelt de premies vast voor de AOW en de AWW, onder goedkeuring van de minister, die hieromtrent de SVr hoort. De uitgaven in het kader van AKW komen ten laste van het Rijk. Het bestuur van de Svb is tripartiete (werkgevers, werknemers en onafhankelijke) samengesteld. De Svb heeft 23 districtskantoren.

4.5 De Sociale Verzekeringsraad De SVr bestaat uit een voorzitter, 24 leden en eenzelfde aantal plaatsvervangende leden. De SVr is tripartiet samengesteld. De taken van de SVr kunnen als volgt worden samengevat:

a Toezicht houden

De SVr is, voor zover het toezicht niet aan anderen is opgedragen, belast met het toezicht op onder meer: -de uitvoering van de OSV, de Wet op de SVB, de ZW, de AAW, de WAO, de WW, de TW, de AOW, de AWW, de AKW, de CSV en de WAGW; -de instanties die de genoemde wetten uitvoeren of administreren (bedrijfsverenigingen, GAK, SVB, rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen); -de GMD. De SVr heeft de mogelijkheid om zijn taken op te dragen aan commissies of kamers van de Raad. De toezichttaak van de Raad is met ingang van 1 januari 1992 opgedragen aan de Toezichtkamer van de Raad. Deze Kamer kent een bijzondere samenstelling in die zin dat de vertegenwoordiging van de werkgevers-en werknemersorganisaties te zamen even groot is als het aantal onafhankelijke leden. De voorzitter van de Raad is tegelijk de voorzitter van de Toezichtkamer. Omdat de voorzitter van de SVr een onafhankelijk voorzitter is, bestaat uiteindelijk de meerderheid van de Toezichtkamer uit onafhankelijke leden. Op deze manier heeft de Raad, hoewel dit niet wettelijk is voorgeschreven, het toezicht op de uitvoering van de sociale verzekeringen op een meer onafhankelijke wijze vormgegeven.

b Adviseren De SVr dient de minister gevraagd of uit eigen beweging van advies. Bij deze adviesfunctie ligt de nadruk op uitvoeringstechnische aspecten.

c Coördineren De SVr is bevoegd aan de uitvoeringsorganen voorschriften te geven welke strekken tot een goede en gecoördineerde uitvoering van de ZW, de WAO, de AAW, de WW, de TW, de CSV en de WAGW.

d Regelgeving Aan de SVr is een groot aantal regelgevende taken opgedragen. Dat betreft dan hetzij het autonoom stellen van regels of het stellen van regels onder goedkeuring van de minister. Voorbeelden: dagloonregelen en uitvoeringsbesluiten op grond van de CSV .

e Beslissen in geschillen De SVr is in een aantal specifieke situaties belast met het nemen van beslissingen in geschillen. Dat betreft bijvoorbeeld geschillen over de vraag bij welke bedrijfsvereniging een werkgever is aangesloten en geschillen tussen een gemoedsbezwaarde en een uitvoeringsorgaan.

f Administratie van de rechtspersoonlijkheid bezittende fondsen De administratie van het AWf, het AAf, het Aof en het Tf geschiedt door het secretariaat van de SVr.

5 Uitgebrachte adviezen en rapporten inzake de herziening van de uitvoeringsorganisatie 5.1 Samenvatting adviezen en rapporten

5.1.1 Alternatievenrapport en Eindrapport Op 10 februari 1967 heeft het kabinet de Sociaal-Economische Raad (SER) advies gevraagd over een vereenvoudiging van de uitvoering van de sociale verzekeringen. In juni 1968 laat de Raad weten dat het voor een sociaal-politiek verantwoord oordeel over de uitvoeringsorganisatie noodzakelijk is om te beschikken over de resultaten van een onderzoek waarin alle facetten van de uitvoeringsorganisatie worden belicht en bij de opzet waarvan ermee rekening is gehouden dat de gegevens ook kunnen worden gebruikt om de doelmatigheid van verschillende vormen van uitvoering te beoordelen. Om dit organisatie-onderzoek mogelijk te maken werd een wettelijke voorziening getroffen, te weten de Wet onderzoek vereenvoudiging sociale verzekering (wet van 22 maart 1969, Stb. 122 ).

In opdracht van de SER hebben het Raadgevend Bureau Ir. B.W. Berenschot NV en het Raadgevend Efficiency Bureau NV Bosboom en Hegener een oriënterend onderzoek verricht. Dit onderzoek heeft geleid tot het Rapport betreffende alternatieven voor de uitvoering van de sociale verzekering van 26 september 1972 (Alternatievenrapport, SER 1972, no. 14).

In dit Alternatievenrapport lag het accent op een meer op regionaal niveau georganiseerde uitvoering. De SER bepaalde echter, in de opdracht voor een vervolgonderzoek, dat de bedrijfstakgewijze gedifferentieerde uitvoering bij de toekomstige uitvoeringsorganisatie het uitgangspunt moest zijn. In het in 1979 uitgebrachte Eindrapport werd een zodanige invulling voorgesteld dat met de behoefte aan de versterking van regionaal en lokaal gedifferentieerde uitvoering rekening kon worden gehouden. De verantwoordelijkheid voor de uitvoering werd bij beleidsorganen gelegd, die respectievelijk gericht zijn op de werknemers-en demografische verzekeringen. De bedrijfsverenigingen en de SVr werden in deze opzet in een enigszins aangepaste vorm gehandhaafd. In het rapport werden regionale uitvoeringskantoren geïntroduceerd, die in beperkte mate gedelegeerde verantwoordelijkheden zouden moeten hebben. De regionale organen werden derhalve niet zelfstandig en zouden bij de uitvoering dus gebonden zijn aan de richtlijnen van de beleidsorganen. De afstemming tussen de activiteiten van de beleidsorganen en de regionale uitvoeringsorganen zou voornamelijk op grond van regelmatige informatie-overdracht moeten geschieden. De voorgestelde regionale organen zouden taken gaan verrichten die tot dan toe door meerdere uitvoeringsorganen werden vervuld. De uitvoering van het GAK, zelfadministrerende bedrijfsverenigingen, GMD en Svb zou worden geïntegreerd. Op deze wijze zou volgens het Eindrapport een individu-of cliëntgerichte organisatievorm tot stand komen.

100

5.1.2 Comedrapport

In 1973 vroeg het kabinet advies aan de SER over onder meer de kostenbeheersing in de sociale zekerheid. De SER heeft terzake een externe commissie (Comed) ingesteld.

In 1979 bracht de Comed aan de Raad haar eindrapport uit, getiteld «Rapport van de Externe Commissie van Deskundigen inzake de informatiestromen en de reservevorming in de sociale verzekeringen, (SER 1979, no. 10).

Het Comedrapport bevatte onder meer aanbevelingen die voorzagen in een centralisatie van de kas-en liquiditeitsbeheersfunctie èn van de informatie-en calculatiefuncties van de Svb, het AAf, het Aof en het AWf. Een Centrale Kas (CK) zou in eerste aanleg het liquiditeitsbeheer en de beleggingsactiviteiten van genoemde fondsen moeten gaan verzorgen en moeten waarborgen dat de uitvoeringsinstanties over voldoende middelen beschikken om de uitkeringen tijdig te kunnen uitbetalen. In een later stadium zou de CK moeten uitgroeien tot de instantie die de premies int en de betalingsopdrachten van de uitvoeringsorganen voldoet. Daarnaast zou een Calculatie-en Informatiecentrum (CIC) in het leven moeten worden geroepen met als taak het zorgdragen voor consistentie in de informatievoorziening, gericht op de berekening van de calculatiepremies, zowel wat betreft inhoud als tijdstippen waarop de informatie beschikbaar moet komen.

De SER heeft zich in zijn advies van 18 mei 1984 over de vereenvoudiging van de uitvoering van de sociale verzekering (SER 1984, no. 12) uitgesproken over de Comedaanbevelingen, voor zover deze onmiddellijk samenhingen met de herziening van de uitvoeringsorganisatie aan de top. De Raad heeft in dit onderdeel van de advisering als zijn oordeel uitgesproken dat de SVr taken heeft ten aanzien van de consistentie van aan premies ten grondslag liggende ramingen en met betrekking tot de noodzakelijke continuïteit van informatiestromen. De SVr zou in dit verband meer operationeel moeten worden en indien nodig van zijn verordenende bevoegdheid gebruik moeten maken. Tevens zou de SVr ervoor zorg moeten dragen dat de verschillende onder zijn toezicht staande kassen en fondsen een goed financieel beheer voeren en dient hij continu zicht te hebben op het liquiditeitsverloop, de stand der middelen en de kortetermijnramingen van de verschillende kassen en fondsen. De SVr zou terzake de nodige regelen dienen te geven, onder voorafgaande goedkeuring van de Kroon.

De Raad onderschreef niet de Comedaanbevelingen om een Centrale Kas en een Calculatie-en Informatiecentrum in het leven te roepen. Dit zou een aantasting betekenen van de huidige uitvoeringsorganisatie «aan de voet». Wel hechtte de Raad eraan dat de nodige scheiding zou worden aangebracht tussen SVr en uitvoeringsorganen en dat bij de herziening van de uitvoeringsorganisatie de fondsen werden losgekoppeld van de SVr. De voorkeur ging uit naar het onderbrengen van het beheer (liquiditeits-en kasbeheer) van de drie fondsen (AAf, Aof en AWf) bij de Svb. Het beheer zou plaats dienen te vinden met inachtneming van door de SVr gestelde regelen. De overige meer beleidsmatige taken van de fondsen, zoals de bevoegdheid na te gaan of de besluiten van de bedrijfsverenigingen met betrekking tot het verlenen van uitkeringen in overeenstemming zijn met de wet en de bevoegdheid correcties op het beleid van de bedrijfsverenigingen aan te brengen, dienden te worden ondergebracht bij de SVr. De rechtspersoonlijkheid van de drie fondsen zou dienen te worden opgeheven. Na onderbrenging

101

van de fondsen bij de Svb diende wel wettelijk te worden vastgelegd dat de administraties gescheiden zouden worden gevoerd.

Wat de premievaststelling betreft ging de voorkeur van de SER uit naar een premievaststelling door de SVr, nadat de Svb de nodige gegevens vanuit het kas-en liquiditeitsbeheer heeft aangeleverd. De minister zou de premiebesluiten achteraf moeten goedkeuren.

5.1.3 Interimrapport Commissie Lamers De gewijzigde sociaal-economische omstandigheden en het uitblijven van een standpunt van de SER over een vereenvoudiging van de sociale verzekering op basis van de adviesaanvrage van 1967, waren in september 1976 voor de bewindslieden van Sociale Zaken aanleiding voor de instelling van een ambtelijke projectgroep onder voorzitterschap van drs. L. Lamers en aangevuld met externe deskundigen, onder wie het Bureau Berenschot. Haar taakopdracht luidde: -het vraagstuk van de uitvoeringsorganisatie van de sociale zekërheid primair te benaderen vanuit een streven naar verbetering van de beheersing van het uitvoeringsproces en voorstellen te doen voor een nadere regeling van de taak, plaats en functie van de SVr, alsmede; -het voorbereiden van een gerichte adviesaanvrage terzake aan de SER en daarbij een blauwdruk voor een nieuwe organisatiestructuur.

Op 28 mei 1979 heeft de Staatssecretaris van Sociale Zaken het Interimrapport van de projectgroep getiteld «Organisatie van de beheersing van de sociale zekerheid (Interimrapport), aangeboden aan de Tweede Kamer (Tweede Kamer, zitting 1978-1979, 15594, nr. 2). Het rapport bestaat uit twee delen. Het eerste deel behandelt uitputtend het beheersingsproces en de plaats van het beheersingsorgaan daarin; het tweede deel geeft de richting aan waarin de uitvoeringsorganisatie als geheel zich zou dienen te ontwikkelen, waarbij is volstaan met een uitwerking van deze richting in verkennende zin onder de toezegging dat meer definitieve voorstellen zouden worden neergelegd in volgende rapporten van de projectgroep. In deel I van het Interimrapport wordt de instelling van een zelfstandig beheersingsorgaan van onafhankelijke, door de Kroon (op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid) te benoemen deskundigen bepleit. Dit beheersingsorgaan zou moeten optreden als ontmoetingspunt tussen beleid (de overheid) en uitvoering (het georganiseerde bedrijfsleven). De belangrijkste taken van dit orgaan zouden zijn: a. toezicht; b. (gedelegeerde) regelgeving; c. interne en externe coördinatie; d. advisering; e. informatievoorziening en onderzoek.

Door onafhankelijke deskundigen met het bestuur van dit beheersingsorgaan te belasten (en niet vertegenwoordigers van het georganiseerde bedrijfsleven) wilde de projectgroep bereiken dat afstand zou worden gecreëerd tussen toezichthouder en uitvoering. Het beheersingsorgaan zou in hoge mate onafhankelijk van de overheid moeten kunnen functioneren. Om te voorkomen dat regering en parlement bij de beleidsuitvoering buiten spel zouden staan werd ervoor gepleit de minister de bevoegdheid te verlenen om aan het beheersingsorgaan aanwijzingen van algemene aard te geven.

102

In deel II van het Interïmrapport wordt uitdrukkelijk de voorkeur uitgesproken voor een regionale uitvoering van de sociale zekerheid. In het rapport worden regionale uitvoeringsorganen voorgesteld die gericht zijn op een geïntegreerde gevalsbehandeling. De gecombineerde uitvoering van de WW, de ZW, de AAW en de WAO zou tot een meer individugerichte begeleiding moeten leiden. De nieuwe regionale organen zouden zelfstandig bestuurlijke bevoegdheden met betrekking tot de individuele gevalsbehandeling dienen te krijgen. Hierdoor zou de uitvoering meer worden gedecentraliseerd. De positie van de bedrijfsverenigingen zou in deze visie veranderen. De uitoefening van de taken zou meer gericht moeten zijn op algemene beleidsbepaling. De bedrijfsverenigingen zouden hiertoe op landelijk niveau beter moeten coördineren en bindende afspraken dienen te maken. Deze afspraken zouden in richtlijnen voor de regionale uitvoeringsorganen dienen te worden opgenomen.

Tevens wordt een vereenvoudiging in de organisatiestructuur van de bedrijfsverenigingen gewenst geacht, hetgeen vooral bereikt zou kunnen worden door het aantal bedrijfsverenigingen te verminderen. Hierbij wordt overigens voor een aanpak gekozen die aan de bedrijfsverenigingen zelf overlaat op welke wijze aan deze organisatieveranderingen specifiek inhoud zou worden gegeven.

5.1.4 SER-advies van 18 mei 1984 inzake vereenvoudiging sociale verzekering (uitvoeringsorganisatie aan de top)

Op 11 juli 1980 heeft het kabinet aan de SER een gerichte adviesaanvrage gezonden over deel I van het Interimrapport en een adviesaanvrage met een meer open karakter over deel II van dit rapport. De adviesaanvrage was vergezeld van een ambtelijke proeve van een wetsontwerp waarin het eerste deel van het rapport was uitgewerkt. In afwijking van het Interimrapport voorzag de adviesaanvrage in het betrekken van sociale partners bij de regelgevende en adviserende taken van het beheersingsorgaan via een College van Advies en Bijstand (paritair samengesteld) en Commissies van Overleg (samengesteld uit vertegenwoordigers van het beheersingsorgaan, de sociale partners en de uitvoerïngsorganen).

In zijn advies van 1984 onderschreef de SER de probleemanalyse van het Interimrapport. Tevens onderschreef de SER de noodzaak van een beheersingsorgaan als ontmoetingspunt tussen beleid en uitvoering en betuigde instemming met de aan dit orgaan op te dragen taken.

De SER maakte echter bezwaar tegen onafhankelijke deskundigen en tegen de bevoegdheid van de minister aanwijzingen te geven. De Raad was van oordeel dat het georganiseerde bedrijfsleven, als uitvoerder van de sociale verzekeringen, zelf volledig verantwoordelijkheid zou moeten dragen voor het toezicht, de coördinatie, de regelgeving en de advisering. Deze verantwoordelijkheid zou op zelfstandige basis moeten kunnen worden gedragen zonder aanwijzingen door de minister. De Raad sprak zich uit voor een autonoom functioneel gedecentraliseerd bestuurlijk toporgaan met een tripartite samenstelling. De mogelijkheden van de overheid om het toezicht te beïnvloeden zouden beperkt moeten blijven tot die situaties waarin door de wetgever is voorzien in de mogelijkheid door middel van amvb's (gehoord de SER) nadere regels te stellen. Wat betreft de coördinerende taken was de SER overigens van oordeel dat de verantwoordelijkheid hiervoor formeel bij het beheersingsorgaan zou moeten liggen, doch dat deze taken in de praktijk zouden moeten

103

worden uitgeoefend door de FBV, die daarvoor wettelijke erkenning zou moeten krijgen.

In het Alternatievenrapport, het Eindrapport en het Interimrapport zijn aanzetten tot mogelijke veranderingen van de uitvoeringsorganisatie aan de voet gegeven, maar deze zijn -na aanvankelijke voorbereiding -uiteindelijk niet door de SER in de advisering betrokken. De Raad heeft hiermee gehoor gegeven aan verzoeken van de bewindslieden van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om met name voorrang te geven aan een advies over een versterking van de beheersfunctie in de sociale zekerheid.

Overigens heeft de SER ook in dit advies benadrukt dat het uitgangspunt voor de gehele reorganisatie het handhaven van de bedrijfstakgewijze uitvoering moet zijn.

5.2 De adviesaanvrage van 8 september 1989

Na de ontvangst van het SER-advies van 18 mei 1984 heeft de Minister de Stichting van de Arbeid om een gesprek gevraagd teneinde te trachten een synthese te vinden met betrekking tot het standpunt van de SER en de visie van het Interimrapport. Een gesprek daaromtrent vond plaats op 24 maart 1987 aan de hand van een door het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid opgestelde notitie van oktober 1986 «Plaatsbepaling, taken en samenstelling van de Sociale Verzekeringsraad. In deze notitie is verwoord op welke wijze een synthese zou kunnen worden bereikt.

In zo'n synthese zou de SVr zijn tripartite samenstelling kunnen behouden, wanneer de onafhankelijkheid van het toezicht op andere wijze gewaarborgd zou kunnen worden. Gedacht werd vermenging van uitvoerende (coördinerende en regelgevende) en toezichthoudende taken in deze variant te beperken en derhalve de onafhankelijkheid van het toezicht te versterken door het toezicht als exclusieve taak op te dragen aan het presidium van de Raad en niet aan de voltallige Raad.

Wel zou de minister de bevoegdheid moeten houden uit hoofde van zijn politieke verantwoordelijkheid door middel van het geven van algemene aanwijzingen het toezicht te beïnvloeden. In de wet zou limitatief moeten worden aangegeven op welke onderdelen de minister aanwijzingen mag geven.

Wat betreft het toezicht zou de SVr derhalve in zekere zin ondergeschikt zijn aan de minister. De centrale sturingsfunctie en de adviesfunctie zou de SVr echter in volledige autonomie, d.w.z. onafhankelijk van de minister, uitoefenen.

De Stichting had met name reserves ten aanzien van de voornemens om: a. binnen het totale takenpakket het toezicht af te splitsen van de overige taken van de Raad, b. de minister de bevoegdheid te laten behouden om ten aanzien van het toezicht algemene aanwijzingen te geven.

De Stichting herhaalde de opvatting van de SER dat de minister en het georganiseerde bedrijfsleven een gedeelde verantwoordelijkheid hebben en dat de aanwijzingsbevoegdheid daarmee in strijd zou zijn.

104

Het resultaat van dit gesprek was voor het kabinet aanleiding voor nader beraad.

De uitkomst van dit nader beraad is verwerkt in de eerste aanzet voor het voorliggende wetsvoorstel in de vorm van de nota die het kabinet op 17 juni 1988 aan de Tweede Kamer heeft gezonden. Deze «Discussienota herziening uitvoeringsorganisatie Sociale Verzekeringen (Tweede Kamer 1987-1988, 20601, nr. 1) was mede een uitvloeisel van een door de Tweede Kamer tijdens de behandeling van het wetsvoorstel tot samenvoeging van de Sociale Verzekeringsbank met de Raden van Arbeid (Tweede Kamer, 1986-1987, 19545 nr. 17) aangenomen motie (motie-Nijhuis c.s.). In die motie werd het kabinet gevraagd een totaalvisie met uitgangspunten (een blauwdruk op hoofdlijnen dan wel een eerste uitwerking van de uitgangspunten) in de vorm van een discussienota aan de Tweede Kam er voor te leggen. De Tweede Kamer achtte een algehele herziening van de uitvoeringsorganisatie van de sociale verzekeringen dringend gewenst.

De uitgangspunten uit de Discussienota zijn opgenomen in het voorontwerp van wet voor een nieuwe Organisatiewet Sociale Verzekeringen dat op 8 september 1989 voor advies is aangeboden aan de SER, de SVr, de Commissie voor de Toetsing van Wetgevingsprojecten, de Nationale Ombudsman, het Algemeen burgerlijk pensioenfonds (Abp) en de Raad voor de Persoonsregistratie. In 1990 is door al deze organen een advies uitgebracht.

105

BIJLAGE 2

Ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 107 van de Organisatiewet sociale verzekeringen Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van (datum en nummer van het Ministerie van SZW);

Overwegende, dat het wenselijk is een regeling tot stand te brengen waarin wordt bepaald in welke gevallen het College van toezicht sociale verzekeringen, de Sociale verzekeringsbank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen verplicht of bevoegd zijn tot verstrekking van gegevens aan bestuursorganen en in hoeverre kosten voor de verstrekking van gegevens in rekening mogen worden gebracht;

Gelet op artikel 107 van de Organisatiewet sociale verzekeringen;

De Raad van State gehoord (advies van ...);

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van (datum en nummer van Ministerie van SZW); Hebben goedgevonden en verstaan:

Artikel 1

Indien het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, een bedrijfsvereniging of een uitvoeringsinstelling bij de uitvoering van een wet, kennis krijgt van een misdrijf dat is gepleegd ten nadele van een overheidsorgaan, voorzover dit is belast met het verstrekken van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, stelt het College, de Bank, het Gemeenschappelijk instituut van bedrijfsverenigingen, de bedrijfsvereniging of de uitvoeringsinstelling het benadeelde overheidsorgaan hiervan in kennis.

Artikel 2

Het College, de Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek aan elkaar, kosteloos, uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie, de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de sociale zekerheidswetten door de rechtspersoon waaraan de gegevens worden verstrekt.

Artikel 3

  • Het College, de Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek, kosteloos, uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie, aan de rijksbelastingdienst de gegevens te verstrekken die noodzakelijk nodig zijn voor de heffing of invordering van enige rijksbelasting of premies volksverzekeringen. 2. Het College, de Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek, kosteloos, uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie, aan gemeentebesturen de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn

106

voor de uitvoering van de Wet Werkloosheidsvoorziening (Stb. 1964, 485), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (Stb. 1987, 92), de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Stb. 1987, 281), de Algemene Bijstandswet (Stb. 1973, 395) en de op de Algemene Bijstandswet gebaseerde Rijksgroepsregelingen. 3. Het College, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek, kosteloos, uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie, aan de Bank de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Algemene Ouderdomswet, de Algemene Weduwen-en Wezenwet en de Algemene Kinderbijslagwet. 4. Het College, de Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek, kosteloos, uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie, aan de Ziekenfondsraad en de ziekenfondsen de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Ziekenfondswet (Stb. 1992, 391) en de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (Stb. 1992, 392). 5. Het College, de Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie aan de Sociaal-Economische Raad de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 46a van de Wet op de ondernemingsraden (Stb. 1979,449). 6. De bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht op verzoek uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie aan de Regionale Besturen voor de Arbeidsvoorziening de gegevens te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de Arbeidsvoorzieningswet (Stb. 1990, 402).

Artikel 4

Het College, de Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen verstrekken op verzoek bij of krachtens verdragen inzake sociale zekerheid overeengekomen gevallen, uit de onder hun verantwoordelijkheid gevoerde administratie, aan buitenlandse organen die belast zijn met de uitvoering van sociale zekerheidsregelingen, de gegevens die noodzakelijk zijn voor de door die buitenlandse organen uitgevoerde regelingen.

Artikel 5

Het belang van verstrekking van gegevens op grond van deze regeling weegt op tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, indien het de in artikel 1 bedoelde verstrekking van gegevens betreft.

TOELICHTING

Algemeen De Bank, de bedrijfsverenigingen en de uitvoeringsinstellingen houden persoonsregistraties in de zin van de Wet persoonsregistraties. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van deze wet mogen uit persoonsregistraties slechts gegevens aan derden worden verstrekt voor zover zulks voortvloeit uit het doel van de registratie, voorzover zulks wordt vereist ingevolge een wettelijk voorschrift (bijvoorbeeld de OSV of de Wet

107

openbaarheid van bestuur (WOB)) of voorzover zulks geschiedt met toestemming van de geregistreerde. De Wet persoonsregistratie staat derhalve niet in de weg aan de verstrekking van gegevens uit persoonsregistraties op grond van verplichtingen die voortvloeien uit de artikelen 105, 106 of 107 van de OSV of de op artikel 107 van de OSV gebaseerde algemene maatregel van bestuur. De Wet persoonsregistraties staat evenmin in de weg aan de verstrekking van gegevens waarvoor de OSV, of de op artikel 107 van de OSV gebaseerde algemene maatregel van bestuur, geen verplichting maar een bevoegdheid bevat. De bij en krachtens de OSV gestel de regels, waarin die bevoegdheden worden geregeld, berusten op bijzondere belangenafwegingen die de wetgever tegen de achtergrond van de bestaande Wet persoonsregistraties heeft gemaakt. Deze bijzondere regels prevaleren boven de algemene bepalingen van d e Wet persoonsregistratie.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1

Artikel 1 komt overeen met artikel 50h, eerste lid, van de huidige Organisatiewet Sociale Verzekering, met dien verstande dat overeenkomstig het advies van de Commissie voor de toetsing van wetgevingsprojecten de bevoegdheid tot gegevensverstrekking in artikel 1 is vervangen door een verplichting tot gegevensverstrekking. Overheidsorganen die zijn belast met het verstrekken van uitkeringen, het doen van verstrekkingen dan wel het heffen van bijdragen, moeten worden aangemerkt als bestuursorganen in de zin van het wetsvoorstel Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 2

Artikel 2 regelt de onderlinge uitwisseling van gegevens tussen instellingen van de uitvoeringsorganisatie. Artikel 2 komt in de plaats van artikel 50i van de huidige OSV.

Artikel 3

Artikel 3 komt in de plaats van artikel 50j van de huidige OSV.

Artikel 4

Artikel 4 komt in de plaats van artikel 50k van de huidige OSV.

Artikel 5

Ingevolge artikel 107, tweede lid, van de OSV moet het bestuursorgaan voorafgaand aan eventuele verstrekking van gegevens, het belang van verstrekking van die gegevens afwegen tegen het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van degene op wie de gegevens betrekking hebben. Met betrekking tot de artikel 5 bedoelde gegevensverstrekking is die afweging reeds bij algemene maatregel van bestuur gemaakt.

108

BIJLAGE 3

Termijnen in relatie tot fondsbeheer, uitvoeringskosten en verslaglegging (hoofdstuk 6OSV)

art.

1169

71 71 73

§2 79

§3 87 87

Onderwerp

betreft

Fondsbeheer Overheveling gelden termijn waarbinnen tussen fondsen Overhevelings gelden

duur overheveling tussen fondsen Overhevelings termijn waarbinnen gelden/rente tussen fondsen Lening t.l.v. Awf van Gib maximale duur aan Wgf Lening t.l.v. Aof van Gib maximale duur aan ziekengeldkas Lening Rijk aan Gib/Svb maximale duur Lening Rijk aan Gib/Svb tijdschema aflossing Rapportage Gib/Svb aan frequentie oplevering Minister/Ctsv (per fonds) tijdstip oplevering met betrekking tot: -overzicht financiële ontwikkeling -begroting komend jaar -advies premiepercentages Rapportage BV aan Gib frequentie oplevering mbt. fin. ontwikkeling per fonds Uitvoeringskosten Begroting uitv kst van tijdstip oplevering Ctsv aan Minister Begroting uitv kst van tijdstip oplevering Gib/Svb aan Ctsv Begroting uitv kst van BV tijdstip oplevering aan Gib Vaststelling budget tijdstip oplevering uitv.kst Ctsv door Min. Vaststelling budget tijdstip vaststelling uitv.kst. Gib/Svb door Ctsv Vaststelling budget tijdstip vaststelling uitv.kst. BV door Gib Verslaglegging Jaarrekening/verlag Ctsv tijdstip vaststelling Jaarrekening/verslag tijdstip vaststelling Gib/Svb/BV/Uitv.inst. Jaarrekening/verslag per tijdstip vastïtelling fonds door Gib/Svb Jaarrekening/verslagen tijdstip oplevering van Ctsv naar Min. Verklaring van tijdstip oplevering rechtmatigheid per fonds door Ctsv aan Min. mbt. ontvangen premies tijdstip oplevering door RBD aan Ctsv Liquidatiebalans OW/IW tijdstip vaststelling door Svb Balans vrijw.

frequentie vaststelling ouderdomsverz OW door Svb

termijn

via besluit Ctsv

via regels Min

via regels Min

1 jaar

1 jaar

via regels Min via regels Min 1x per jaar

via regels Min

1 x per maand

voor 1 aug.

voor 1 aug.

voor 1 aug

voor 1 dec.

voor 1 dec.

voor 1 dec.

voor 1 juli voor 1 juli

voor 1 juli

voor 1 nov.

voor 1 nov.

voor 1 okt.

via besluit Min.

1 x per jaar

109

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.