Tweede nota van wijzigingen - Nadere wijziging van de Werkloosheidswet (Wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 12

TWEEDE NOTA VAN WIJZIGINGEN Ontvangen 11 december 1992

In het gewijzigde voorstel van wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:

I Artikel I wordt gewijzigd als volgt:

1°. Onderdeel A komt te luiden:

Artikel 8 wordt gewijzigd als volgt: 1°. In het derde lid wordt de zinsnede «bij de aanvang bij die werkzaamheden» vervangen door: bij de aanvang van die werkzaamheden. 2°. Het vierde lid wordt vervangen door: 4. Onverminderd het tweede en derde lid herkrijgt de persoon na afloop van de in het eerste lid bedoelde werkzaamheden de hoedanigheid van werknemer, indien deze niet langer hebben geduurd dan zes maanden. 2°. Onder wijziging van onderdeel Aa in Ab wordt een nieuw onderdeel Aa ingevoegd, luidende: In artikel 11, derde lid, wordt na «Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering» ingevoegd: (Stb. 1987, 89).

3°. Onderdeel Ab wordt vervangen door:

AbArtikel 16 wordt gewijzigd als volgt: 1°. De tweede volzin van het tweede lid wordt vervangen door: Indien de werknemer minder dan vijf arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, wordt bij de bepaling van het aantal arbeidsuren, bedoeld 21045 0FISSN0921737 ISdu Uitgeverij Plantijnstraat 's Gravenhage 1992

in de eerste volzin, mede in aanmerking genomen het aantal uren waarin de werknemer in de 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week werkzaamheden heeft verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer wordt beschouwd.

2°. Onder vernummering van het derde tot vierde lid wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:

  • Voor de toepassing van dit artikel wordt: a. indien de dienstbetrekking anders dan door opzegging is geemdigd, of b. indien de dienstbetrekking door opzegging is geëindigd zonder dat de werkgever de voor opzegging geldende bepalingen in acht heeft genomen, met loon gelijkgesteld: de inkomsten die de werknemer ontvangt in verband met de eindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door de werkgever met inachtneming van de termijn van opzegging zou zijn beëindigd. Dit bedrag wordt toegekend aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd, als ware de termijn van opzegging in acht genomen.

3°. Na het nieuwe vierde lid wordt onder vernummering van het huidige vierde en vijfde lid in zesde en zevende lid een nieuw vijfde lid ingevoegd, luidende:

  • De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd ten aanzien van groepen van werknemers die in de regel meer dan 50 uren per kalenderweek werken, bij verlies van arbeidsuren uit een dienstbetrekking, waarin over de laatste 26 kalenderweken onmiddellijk voorafgaande aan het intreden van het verlies van arbeidsuren gemiddeld meer dan 50 uren is gewerkt, voor de toepassing van het tweede lid te bepalen welk aantal uren ten hoogste in aanmerking wordt genomen.

4°. In het nieuwe zevende lid wordt de komma na de zinsnede «als bedoeld in het eerste lid» vervangen door een punt en vervalt de daarop volgende zinsnede.

5°. Na het nieuwe zevende lid wordt onder vernummering van het huidige zesde lid in negende lid, een nieuw artikellid ingevoegd, luidende: 8. Indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies bedoeld in het eerste lid aan een van de overige in dat lid genoemde voorwaarden niet wordt voldaan, of zich een omstandigheid voordoet als bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, of 19a, wordt in afwijking van het zevende lid voor de toepassing van deze wet en de daarop berustende bepalingen als eerste werkloosheidsdag aangemerkt, de dag van de kalenderweek waarop aan de overige voorwaarden als bedoeld in het eerste lid wordt voldaan, en zich geen omstandigheden meer voordoet als bedoeld in de artikelen 19, eerste lid, of 19a.

4°. Onderdeel B wordt gewijzigd als volgt:

1°. In de eerste volzin van het voorgestelde tweede lid van artikel 17 wordt de zinsnede «perioden waarin» vervangen door: weken gedurende welke.

2°. In onderdeel b van het voorgestelde tweede lid van artikel 17 wordt de zinsnede: «en hij de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen» vervangen door: en hij op grond van dat artikel de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen.

5°. Onderdeel C wordt gewijzigd als volgt:

1°. In het eerste lid van het voorgestelde artikel 17a wordt de zinsnede «binnen een termijn van twee weken» vervangen door: in de kalenderweek. 2°. Het voorgestelde derde lid van artikel 17a vervalt.

6°. In onderdeel D wordt in het voorgestelde tweede lid van artikel 18 «per week» vervangen door: per kalenderweek.

7°. Onderdeel E wordt vervangen door:

E Artikel 19 wordt gewijzigd als volgt:

1°. Het eerste lid, onderdeel a, wordt vervangen door: a. een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet of een uitkering die naar aard en strekking daarmee overeenkomt;

2°. In het eerste lid, onderdeel b, vervalt na «Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekerin g», «(Stb. 1977, 492)» en wordt ingevoegd de zinsnede: of een uitkering die naar aard en strekking hiermee overeenkomt. 3°. Het eerste lid, onderdeel e, wordt vervangen door: e. vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken, bestemd voor bij of krachtens collectieve arbeidsovereenkomst aangewezen feest-en verplichte snipperdagen, heeft verkregen, over die dagen, tenzij deze vakantiebonnen of daarmee overeenkomende aanspraken zijn verstrekt als een deel van een uitkering op grond van dit hoofdstuk, dan wel naast een uitkering op grond van de Ziektewet, indien de ziekengeldverzekering is ontleend aan artikel 7 van die wet;

4°. Het tweede lid wordt vervangen door: 2. Indien een uitkering als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, b, c of d niet wordt betaald wegens voor de werknemer geldende wachtdagen of wegens enig handelen of nalaten dat hem redelijkerwijs kan worden verweten, wordt het niet betalen daarvan voor de toepassing van het eerste lid gelijkgesteld met het ontvangen van die uitkering.

5°. Het vierde lid vervalt, waarna het vijfde tot en met het achtste lid worden vernummerd tot het vierde tot en met het zevende lid.

6°. Aan het nieuwe vijfde lid, wordt onder vervanging van een punt door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende: c. regels te stellen met betrekking tot het buiten aanmerking laten van vakantiebonnen en daarmee overeenkomende aanspraken, bedoeld in het eerste lid, onderdeel e.

8°. Onderdeel F wordt vervangen door:

Artikel 20 wordt gewijzigd als volgt:

1°. In het eerste lid, onderdeel d, wordt «artikel 19, eerste lid» vervangen door: de artikelen 19, eerste llid, of 19a.

2°. het vierde lid vervalt, waarna onder vernummering van het tweede en derde lid in het derde en vierde lid, een nieuw tweede lid wordt ingevoegd, luidende: 2. Voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel a, van toepassing is eindigt het recht op uitkering terzake van het aantal uren dat hij werkzaamheden verricht uit hoofde waarvan hij niet als werknemer in de zin van deze wet wordt beschouwd.

3°. In het nieuwe derde en vierde lid vervallen de zinsneden: «a en» en «of werkzaamheden als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin,» en wordt de zinsnede: «beschikbaar is om arbeid als werknemer te aanvaarden» vervangen door: beschikbaar is voor arbeid.

4°. Het vijfde lid wordt vervangen door: 5. Voor de werknemer op wie: a. het vierde lid, onderdeel a, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij arbeid als werknemer verricht; b. het vierde lid, onderdeel b, van toepassing is, eindigt het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij minder beschikbaar is voor arbeid.

5°. Het zesde lid wordt vervangen door: 6. De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd: a. voor de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in het derde en vierde lid, terzake waarvan het recht op uitkering eindigt, uren waarin arbeid wordt verricht buiten beschouwing te laten en uren waarin geen arbeid is verricht gelijk te stellen met uren waarin arbeid wordt verricht; b. regels te stellen met betrekking tot het geheel of gedeeltelijk eindigen van een recht op uitkering bij samenloop van uitkeringen op grond van deze wet.

9°. Onder wijziging van de aanduiding van onderdeel G in Gb worden twee nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:

Artikel 21 wordt gewijzigd als volgt:

1°. In het eerste lid wordt de zinsnede «van artikel 8 en de op grond van het tweede lid gestelde regels,» vervangen door: van de in artikel 8 en het tweede lid genoemde termijnen en de op grond van het derde lid gestelde regels.

2°. Het tweede lid wordt vervangen door twee nieuwe leden luidende:

  • Een recht op uitkering dat geheel of gedeeltelijk is geëindigd: a. wegens een omstandigheid als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel f, h of k; of b. op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel b, als gevolg van het niet kunnen voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, wegens andere omstandigheden dan ziekte of arbeidsonge-

schiktheid terzake waarvan de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid; of c. wegens een combinatie van de hier bedoelde omstandigheden, kan, ook indien deze omstandigheden zich aaneensluitend voordoen, slechts herleven indien de periode tussen de eindiging van het recht en het vervallen van de omstandigheid of omstandigheden als hier bedoeld niet langer is dan zes maanden.

  • De Sociale Verzekeringsraad is bevoegd regels te stellen op grond waarvan voor groepen van werknemers de termijn genoemd in het eerste lid buiten toepassing wordt verklaard.

GaIn artikel 24, eerste lid, wordt de puntkomma aan het slot van onderdeel b vervangen door een punt en vervalt onderdeel c.

10°. In onderdeel H vervalt onderdeel 2°, wordt onderdeel 3° aangeduid als onderdeel 4° en worden twee nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:

2°. Het derde lid vervalt, waarna het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot het derde en vierde lid.

3°. In het nieuwe vierde lid wordt «het vierde lid» vervangen door: het derde lid.

Voorts wordt in het nieuwe onderdeel 4° de aanduiding van de leden 6 tot en met 9 gewijzigd in 5 tot en met 8.

11°. In onderdeel Ha wordt in artikel 34a, tweede lid, «Artikel 19, zesde lid,» vervangen door: Artikel 19, vijfde lid,.

12°. Onderdeel I wordt vervangen door:

I In artikel 35 vervallen de zinsneden: «of werkzaamheden als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin,» en «of werkzaamheden».

13°. Na onderdeel I worden twee nieuwe onderdelen ingevoegd, luidende:

la In artikel 42, tweede lid, onderdeel a, wordt «het jaar waarin zijn werkloosheid is ingetreden» vervangen door: het jaar waarin zijn eerste werkloosheidsdag is gelegen.

Ib Artikel 43 wordt vervangen door:

Artikel 43

  • Telkens nadat het recht op uitkering na gehele eindiging van dat recht is herleefd op grond van artikel 21, eindigt het recht op uitkering met inachtneming van het tweede en derde lid, zoveel later dan de in artikel 42, eerste en tweede lid, genoemde periode als de periode tussen de eindiging en herleving van het recht op uitkering heeft geduurd.
  • Voor de vaststelling van de periode tussen de eindiging en de herleving van het recht op uitkering worden, telkens nadat het recht op uitkering geheel is geëindigd wegens ziekte, de eerste drie maanden waarin de werknemer een uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, buiten beschouwing gelaten.
  • Voor de bepaling van de periode van drie maanden bedoeld in het tweede lid, worden perioden waarover de in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, bedoelde uitkeringen worden ontvangen samengesteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan een maand opvolgen. 4. Artikel 19, tweede lid, is van toepassing op het tweede en derde lid.
  • Indien het recht op uitkering, waarvan de duur wordt bepaald door artikel 42, eerste en tweede lid, geheel of gedeeltelijk is geëindigd en vervolgens een nieuw recht op uitkering is ontstaan als bedoeld in artikel 15, zonder dat aan de voorwaarde bedoeld in artikel 42, tweede lid, wordt voldaan, wordt met inachtneming van het zesde lid, de duur van die uitkering verlengd met de duur van de verlengde uitkering, bedoeld in artikel 42, tweede lid, die de werknemer als gevolg van de eindiging van het eerdere recht niet heeft ontvangen.
  • Het vijfde lid vindt geen toepassing voor zover het eerdere recht geheel of gedeeltelijk was geëindigd op grond van artikel 20, eerste lid, onderdeel a, b, c of d en op grond van artikel 21 niet voor herleving in aanmerking zou zijn gekomen wegens het overschrijven van de in laatstgenoemd artikel bedoelde termijnen.

14°. Onderdeel J wordt gewijzigd als volgt:

In onderdeel 1 ° wordt «de eerste dag van zijn werkloosheid» vervangen door: het intreden van het arbeidsurenverlies als bedoeld in artikel 16, eerste lid.

15°. Onderdeel K vervalt.

16°. Onderdeel L wordt vervangen door:

L Artikel 90, eerste lid, wordt gewijzigd als volgt:

1°. De aanduiding van de onderdelen b tot en met c wordt vervangen door c tot en met d. 2°. Na onderdeel a wordt een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende: b. de op grond van artikel 18 te betalen uitkeringen; 3°. In het nieuwe onderdeel c wordt «onderdeel a» vervangen door: onderdeel a en b. 4°. In het nieuwe onderdeel d wordt «onderdeel a» vervangen door: onderdeel a en b.

17°. Onderdeel La wordt vervangen door:

LaIn artikel 113 wordt «19, achtste lid, 34, zevende lid» vervangen door: 19, zevende lid, 34, achtste lid.

18°. In onderdeel M wordt «16, vierde lid» vervangen door: 16, vijfde lid.19°. Onderdeel N wordt vervangen door:

N 1°. In artikel 119 wordt onder vernummering van het tweede en het derde lid in het derde en het vierde lid een nieuw lid ingevoegd, luidende: 2. De bedrijfsvereniging behoeft voor het stellen van regels als bedoeld in artikel 18, tweede lid, de goedkeuring van de Sociale Verzekeringsraad alvorens zij in werking kunnen treden.

2°. In het nieuwe vierde lid wordt «103, zesde lid,» vervangen door: 103, zevende lid.

Artikel II en artikel III vervallen, waarna de artikelen la en IV worden vernummerd tot II en III.

TOELICHTING

  • Inleiding

Op 31 oktober 1991 heeft de Sociale Verzekeringsraad (SVr) mij een spontaan advies doen toekomen met betrekking tot een aantal aspecten van het recht op uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Aanleiding hiertoe vormde een aantal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) inzake onder meer het bepaalde in artikel 16, vijfde lid, WW en artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW, waarin de CRvB, aangezien naar zijn oordeel bepaalde veronderstellingen van de wetgever niet in de wettekst tot uitdrukking zijn gebracht, afstand neemt van hetgeen in de uitvoeringspraktijk voor wat de uitleg van deze bepalingen betreft als bedoeling van de wetgever is gekenschetst. In het advies komt de SVr tot de conclusie dat het gewenst is de wet-en regelgeving op een aantal punten aan te passen aan de uitspraken van de CRvB.

De desbetreffende uitspraken van de CRvB alsmede het advies van de SVr zijn de voornaamste aanleiding voor deze nota van wijziging. In het vervolg van deze toelichting zal in paragraaf 2 dan ook eerst worden ingegaan op de totstandkoming van artikel 16, vijfde lid, WW en op de vraag of ingestemd kan worden met het advies van de SVr om de wettelijke bepalingen aan te passen aan de uitspraken van de CRvB inzake dit artikellid Vervolgens wordt in paragraaf 3 ingegaan op de visie van de CRvB inzake het bepaalde in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW en op het standpunt van de SVr in deze. In paragraaf 4 en bij de artikelsgewijze toelichting zullen de overige onderdelen van het advies worden besproken, althans voor zover van belang voor deze nota van wijziging.

Voorts heeft de CRvB een tweetal uitspraken gedaan over de toepassing van artikel 19, eerste lid, onderdeel e, WW jo, artikel 19, vierde lid, WW die aanleiding zijn geweest om de redactie van laatstgenoemd artikellid aan te passen. Hierop wordt in paragraaf 5 nader ingegaan. Tevens wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om op een aantal andere meer technische punten wijzigingen in het wetsvoorstel aan te brengen. Eén daarvan heeft betrekking op de voorstellen in het wetsvoorstel betreffende de omzetting van het begrip «kalenderweek» in «week». Deze worden ongedaan gemaakt. Aanleiding hiertoe is een wijziging in de standpuntbepaling met betrekking tot de begrippen «week» en «kalenderweek», die zich binnen de Federatie van Bedrijfsverenigingen (FBV) heeft voorgedaan. Indertijd heeft de SVr, mede op verzoek van de FBV, geadviseerd het begrip «kalenderweek» te vervangen door «week». Naar de FBV achteraf is gebleken bestaan hiertegen echter overwegende bezwaren van uitvoeringstechnische aard. Nadat de FBV deze kwestie ter kennis van de SVr had gebracht verzocht de SVr mij bij brief van 31 mei 1991, gelet op de koerswijziging bij de FBV, te gemogen terugkomen op zijn eerder uitgebrachte advies, waarin deze omzetting was geadviseerd. Nu hetgeen dat werd beoogd met het omzetten van het begrip kalenderweek in week te weten: het voorkomen van het ontstaan van meerdere rechten, alsmede het voorkomen van ongelijke behandeling van soortgelijke gevallen grotendeels (zo niet geheel) wordt bereikt met het nieuwe artikel 17a, heb ik geen bezwaar tegen het handhaven van het begrip kalenderweek.

  • Artikel 16, vijfde lid, WW

Bij de indiening van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de nieuwe Werkloosheidswet in oktober 1985 (kamerstukken 19261) werd voor wat betreft het ontstaan van een recht op WW-uitkering uitgegaan van de systematiek van de positieve en negatieve ontstaansvoorwaarden. Het recht op uitkering ontstaat van rechtswege als aan de positieve voorwaarden is voldaan (werkloosheid en wekeneis) en zich geen negatieve voorwaarde (uitsluitingsgrond) voordoet. Deze systematiek impliceert, dat bij een samenval van rechtsmomenten er geen recht op uitkering ontstaat. Onder samenval van rechtsmomenten wordt in casu verstaan, de situatie waarin enerzijds sprake is van een voor de WW relevant arbeidsurenverlies alsmede van het verlies van het recht op doorbetaling van loon over die uren en anderzijds betrokkene niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden of dat er tegelijkertijd een uitsluitingsgrond voor het recht op uitkering van toepassing is.

Het niet kunnen ontstaan van een recht in situaties als hier geschetst, werd bezwaarlijk geacht omdat dit ertoe zou kunnen leiden dat werknemers die qua leeftijd en arbeidsverleden in een vergelijkbare situatie verkeerden ongelijk zouden worden behandeld. Die mogelijke ongelijke behandeling had onder meer betrekking op de duur van de uitkering, nu deze voor een deel gekoppeld is aan de leeftijd van betrokkene op het moment van het ontstaan van werkloosheid, waarbij tevens de mogelijkheid tot oneigenlijk gebruik een rol speelde. Door zich tijdelijk niet beschikbaar te stellen op het moment dat aan de overige voorwaarden voor het recht zou worden voldaan, was in theorie manipulatie van de ontstaansdatum van het recht op uitkering en daarmee van de uitkeringsduur mogelijk. Verder kon de oorspronkelijke systematiek tot ongelijke behandeling leiden vanwege het feit, dat bij niet beschikbaarheid na het ontstaan van een recht of bij het van toepassing zijn van één van de uitsluitingsgronden «vakantie», «detentie» of «buitenands verblijf», de herlevingsmogelijkheid van een recht in de tijd beperkt is. Hieraan zijn immers termijnen gesteld. Deze termijnen zouden niet gelden -indien het recht bij samenval van momenten niet zou ontstaan -voor degenen die aansluitend op het arbeidsurenverlies niet beschikbaar zijn danwel op wie, aansluitend op het arbeidsurenverlies, één van de hiervoor genoemde uitsluitingsgronden van toepassing is. Voor hen bestond in beginsel een onbeperkte termijn waarbinnen het recht alsnog zou kunnen ontstaan. Om te voorkomen dat in de situatie van samenval van rechtsmomenten geen recht op uitkering zou kunnen ontstaan, is tijdens de schriftelijke behandeling in de Tweede Kamer van het wetsvoorstel WW, bij Tweede Nota van Wijziging (kamerstukken 19261, nr. 16) in artikel 16, vijfde lid (destijds vierde lid), een bepaling inzake de eerste werkloosheidsdag opgenomen. Voor de vaststelling van de eerste werkloosheidsdag en daarmee het ontstaan van het recht op uitkering, was het naar de opvatting van het toenmalige kabinet niet van belang of men op dat moment niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden dan wel of op dat moment een uitsluitingsgrond van toepassing was. Met andere woorden, het recht ontstaat als aan de voorwaarden genoemd in artikel 16, eerste lid, onderdeel a, wordt voldaan en eindigt tegelijkertijd als zich op dat moment een uitsluitingsgrond voordoet of als men niet beschikbaar is in de zin van artikel 16, eerste lid, onderdeel b (het fictief ontstaan en eindigen van een recht bij samenval van rechtsmomenten; ook wel genoemd «de samenval theorie»).

Uit onder meer zijn uitspraak van 24 juli 1990 (WW 1989/195; RSV 1990/350) waaraan door de SVr in zijn advies aandacht wordt besteed

blijkt, dat de CRvB aan het bepaalde in artike! 16, vijfde lid WW, gelet op de tegenstnjdigheid in deze bepaling, niet dezelfde waarde toekent als de wetgever had beoogd, en met zijn interpretatie van de wettelijke bepalingen in feite aansluit bij de oorspronkelijke wetssystematiek waaraan hiervoor werd gerefereerd. Het gevolg hiervan is, dat de bedrijfsverenigingen niet langer de wet overeenkomstig de bedoeling van de wetgever kunnen toepassen.

Nu de CRvB impliciet te kennen heeft gegeven dat hetgeen door de wetgever is beoogd niet op een toereikende wijze in de wettekst tot uitdrukking is gebracht, is de vraag aan de orde of dit alsnog gerealiseerd dient te worden. Ik ben met de SVr van mening, dat hiertoe niet moet worden overgegaan. Enerzijds omdat de bezwaren tegen de systematiek van het oorspronkelijke wetsvoorstel WW achteraf gezien niet zo zwaarwegend zijn dat zij thans (een vrij ingrijpende) wetswijziging rechtvaardigen. Anderzijds omdat het laten vervallen van de samenval theorie betekent, dat teruggekeerd wordt naar een logische en consistente wetssystematiek die zoals ook door de SVr wordt opgemerkt voldoet aan eisen als eenvoud en eenduidigheid terwijl zij bovendie begrijpelijk en uitvoerbaar is.

De bezwaren zijn naar mijn mening niet zwaarwegend mede gezien het feit dat het aantal gevallen waarin de samenval van rechtsmomenten zich voordoet waarschijnlijk van geringe omvang is. De situatie waarin de bedoelde samenval het meest voorkomt, is die waarin een werknemer bij ontslag volledig arbeidsongeschikt is. Juist in deze situatie leidt de samenval theorie tot ongewenste uitkomsten, omdat de eerste werkloosheidsdag (bepalend voor de duur van de uitkering) moet worden vastgesteld op de dag dat de dienstbetrekking wordt beeindigd en niet op de dag van afschaffing van de arbeidsongeschikte werknemer.

Voorts is de mogelijkheid van het later ontstaan van een recht niet onbegrensd behoudens ingeval van ziekte omdat het recht pas kan ontstaan als aan de wekeneis bedoeld in artikel 17 WW is voldaan. Als de periode tussen het arbeidsurenverlies en het opnieuw beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt langer is dan 6 maanden, dan kan niet meer aan de wekeneis worden voldaan en kan het recht dus niet meer ontstaan. Opmerking verdient, dat de uitkomst in deze niet wezenlijk verschilt van de uitkomst die zou zijn verkregen bij handhaving van de samenval theorie. In die situatie zou het recht bij niet beschikbaarheid bij het intreden van het arbeidsurenverlies ontstaan en tegelijkertijd eindigen. Het recht zou in verband met de door de SVr terzake gestelde termijn slechts kunnen herleven indien betrokkene binnen een half jaar zich opnieuw beschikbaar stelt voor het verrichten van arbeid. Verder zijn de mogelijkheden tot manipulatie van de ontstaansdatum en daarmee de uitkeringsduur beperkt omdat over de periode waarin geen recht bestaat in de regel ook niet over inkomsten kan worden beschikt. Bovendien zou manipulatie pas op termijn een onzeker voordeel opleveren, omdat betrokkene wellicht voor de eindigingsdatum van de uitkering al niet meer werkloos is.

Wat resteert is de mogelijkheid van het op een (veel) later moment kunnen ontstaan van een recht op WW-uitkering, indien bij het intreden van de werkloosheid een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 19, eerste lid, WW van toepassing is. Hiervoor is een oplossing gevonden door aanpassing van de definitie van de eerste werkloosheidsdag. Deze strekt ertoe, dat ook in deze situatie het recht niet meer zal kunnen ontstaan indien de periode tussen het intreden van de werkloosheid en het vervallen van de uitsluitingsgrond langer is dan zes maanden. In de

artikelsgewijze toelichting is hier nader op ingegaan. Ook hier geldt, dat de situatie niet wezenlijk verschilt met de situatie zoals die zou zijn bij handhaving van de samenvaltheorie. Bij handhaving van de samenvaltheorie zou het recht bij het van toepassing zijn van een uitsluitingsgrond ontstaan, doch tegelijkertijd worden beëindigd. Het recht zou slechts kunnen herleven indien de daarvoor gestelde termijnen (3 of 6 maanden) in het besluit van de SVr niet zouden zijn overschreven.

  • Artikel 19, eerste lid, onderdeel a, WW

Voorts is van belang de uitspraak van de CRvB inzake de zieke werkloze (WW 1989/364; RSV 1991/98). In deze uitspraak laat de CRvB het ontbreken van het beschikbaarheidsvereiste om als werkloos te worden aangemerkt prevaleren boven hetgeen de wetgever met het bepaalde in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, heeft beoogd In artikel 19, eerste lid, onderdeel a, is bepaald, dat de werknemer eerst nadat hij vanaf of na het intreden van de werkloosheid drie maanden aaneengesloten ziekengeld heeft ontvangen, uitgesloten wordt van het recht op WW-uitkering. Tijdens de eerste drie maanden als bedoeld in dit artikellid loopt het recht op WW-uitkering door en wordt het ziekengeld op grond van artikel 34 WW hierop in mindering gebracht. In het oorspronkelijk bij de Tweede Kamer ingediende wetsvoorstel WW was de uitkering in het kader van de Ziektewet (ZW) in het geheel niet als uitsluitingsgrond opgenomen, omdat een dergelijke bepaling ook niet bestond in de WWV. Op aandrang van de Tweede Kamer, die het geheel ontbreken van een dergelijke uitsluitingsgrond onbillijk achtte, is artikel 19, eerste lid, onderdeel a, in de wet opgenomen. In relatie tot het beschikbaarheidsvereiste ex artikel 16, moet uit artikel 19, eerste lid, onderdeel a, worden geconcludeerd, dat naar de opvatting van de toenmalige wetgever alleen een onafgebroken ziekteperiode van langer dan drie maanden de beschikbaarheid om arbeid te aanvaarden in de weg staat, ook al zouden de omstandigheden in het individuele geval op zichzelf beschouwd aanleiding vormen de werknemer op een eerder moment niet beschikbaar te achten voor arbeid. In bovengenoemde uitspraak overweegt de CRvB echter, dat die veronderstelling niet in de wettekst tot uitdrukking is gebracht en alleen via een a contrario redenering aan de hand van het bepaalde in artikel 19 daaruit kan worden afgeleid. In het bestaan van een dergelijke veronderstelling, zonder dat deze op de daarvoor geëigende plaatsen in de WW op enigerlei wijze in de tekst van de wet tot uitdrukking is gebracht, acht de CRvB onvoldoende grond gelegen om van zijn inmiddels gevormde jurisprudentie op het begrip «beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden» af te wijken. Hiervan uitgaande komt hij tot de conclusie, dat het gegeven dat een werknemer die een uitkering ontvangt krachtens de ZW de veronderstelling rechtvaardigt, dat die werknemer tijdens de duur van dat ziekengeld niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, tenzij uit de overige feiten en omstandigheden van het concrete geval aanwijzingen kunnen worden ontleend welke de juistheid van die veronderstelling aantasten. Ook hier is de vraag aan de orde, of de wettelijke bepalingen aangepast dienen te worden teneinde de bedoeling van de wetgever alsnog te realiseren. Het advies van de SVr op dit punt is verdeeld. De werkgeversvertegenwoordigers zijn van mening, dat de meerkosten die het gevolg kunnen zijn van de uitspraak van de CRvB gecompenseerd dienen te worden.

Naar het oordeel van deze leden, kan compensatie gevonden worden door het opnemen van een bepaling in artikel 43 inhoudende dat het eerste lid van dit artikel niet wordt toegepast gedurende de eerste drie maanden van ziekte. Met andere woorden, het recht wordt ten dele niet verlengd als het beeindigd is wegens ziekte. De kroonleden en de werknemersleden, die in herinnering brengen van begin af aan afwijzend te hebben gestaan tegen de samenloop van werkloosheids-en arbeidsongeschiktheidsuitkering, zijn van mening dat geen compensatie hoeft te worden gezocht. Zij zijn van oordeel, dat nu de CRvB uitdrukkelijk de mogelijkheid heeft opengelaten tot het vaststellen van beschikbaarheid tijdens ziekte, de bedrijfsvereniging voldoende gelegenheid heeft om na te gaan of de werknemer daadwerkelijk niet beschikbaar is. Voorts wijzen zij op de -in het kader van het streven naar volumebeperking -voorgenomen intensivering van de controle ZW uitkeringsgerechtigden waarmee misbruik kan worden voorkomen.

Hoewel de argumenten van de leden van de SVr die tegen compensatie van de meerkosten zijn plausibel genoemd kunnen worden, gaat de voorkeur in deze uit naar het volgen van het voorstel van de werkgeversleden. In deze nota van wijzigingen wordt dan ook voorgesteld om de artikelen 19 en 43 WW zodanig aan te passen dat hetgeen destijds door de wetgever is beoogd -kortdurende ziekteperioden behoren niet van invloed te zijn op de periode waarover een WW-uitkering wordt verstrektlangs een andere weg wordt gerealiseerd. Dit wordt bereikt door de werknemer die ziek wordt uit te sluiten van het recht op WW-uitkering, doch aan deze uitsluiting geen opschortende werking toe te kennen dan nadat het recht gedurende een periode van drie maanden beëindigd is geweest. Dit betekent, dat bij een aaneengesloten ziekteperiode van vier maanden het recht op WW-uitkering met een maand wordt verlengd. Ik heb hierbij het volgende overwogen. De WW voorziet in een inkomensgarantie bij loonderving ten gevolge van werkloosheid. De bescherming die de WW biedt is echter niet alleen van financiële aard. Het streven is er vanuit de sociale zekerheid en de omliggende beleidsvelden zoals arbeidsvoorziening op gericht, om zo spoedig mogelijk wederom actief te zijn op de arbeidsmarkt in een baan waarvoor betrokkene gezien zijn opleiding en werkervaring is gekwalificeerd. De uitkering krachtens de WW geeft betrokkene in beginsel ook de mogelijkheid (c.q. financiële ruimte) om een baan te vinden die zoveel mogelijk aansluit bij verworven kennis en werkervaring.

Uitgaande van het feit, dat langdurige ziekteperioden de kansen op de arbeidsmarkt voor betrokkene negatief beïnvloeden, is het gerechtvaardigd dat dergelijke perioden leiden tot opschorting van het recht op WW-uitkering zodat de beschermende werking als het ware niet wordt opgesoupeerd. Kortdurende ziekteperioden daarentegen hoeven niet van invloed te zijn op de kansen die iemand heeft op het herintreden op de arbeidsmarkt op een vergelijkbaar niveau als voorheen. Om die reden wordt het gerechtvaardigd geacht, dat dergelijke ziekteperioden ook niet leiden tot een verlenging van de periode waarover een WW-uitkering wordt verstrekt.

  • Overige onderdelen van het SVr-advies

Maximale herlevingstermijnen

In verband met de uitspraken van de CRvB inzake de samenval van momenten komt de SVr in dit advies tot de terechte conclusie, dat het

aanbeveling verdient om de door hem gestelde -verschillende -termijnen waarbinnen een recht kan herleven te wijzigen in één uniforme termijn van zes maanden. In de huidige regels ex artikel 21, tweede lid, (Besiuit van 18 december 1986, nr. 86/8029, Stcrt. 1986/24, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 16 juni 1988, nr. 88/4017, Stcrt. 1988/125) heeft de SVr termijnen van 3 maanden (vakantie en verblijf buitenland) en 6 maanden (detentie en beschikbaarheid) vastgesteld.

De SVr komt tot deze conclusie nu het aanhouden van een termijn van drie maanden tot rechtsongelijkheid kan leiden tussen de werknemer die bijvoorbeeld direct aansluitend aan het intreden van zijn werkloosheid in het buitenland verblijft en de werknemer die tijdens het ontvangen van een uitkering voor enige tijd naar het buitenland vertrekt. De wekeneis bewerkstelligt, dat eerstgenoemde werknemer na een verblijf van 6 maanden in het buitenland nog aanspraak kan maken op een WW-uitkering, terwijl laatstgenoemde werknemer binnen drie maanden dient terug te keren teneinde nog met succes een beroep te kunnen doen op het herlevingsrecht.

Met het voorstel om een uniforme termijn van zes maanden vast te stellen voor de herleving van een recht indien dit is beëindigd wegens niet beschikbaarheid, detentie, vakantie of buitenlands verblijf kan worden ingestemd. Uit hoofde van het streven naar duidelijke en inzichtelijke regelgeving verdient het echter aanbeveling om deze termijn in de wet zelf op te nemen. In deze nota van wijziging wordt dan ook voorgesteld om artikel 21 hierop aan te passen. Bij de artikelsgewijze toelichting wordt hier nader op ingegaan.

Beëindiging van recht op uitkering Met betrekking tot de eindiging van het recht wordt in het advies in overweging gegeven om de uitwerking van artikel 20, eerste lid, onderdeel a (het recht eindigt wegens het verlies van de hoedanigheid van werknemer) en onderdeel b (het recht eindigt wegens het niet langer werkloos zijn) in de overige leden van dit artikel afzonderlijk uit te werken. Aanleiding hiertoe is de uitspraak van de CRvB, WW 1989/49 (RSV 1991/102), waarin de Raad concludeert, dat in de situatie waar bij verlies van arbeid in dienstbetrekking, aansluitend werkzaamheden als zelfstandige worden verricht, er sprake is van werkloosheid, doch dat het terzake ontstane recht op uitkering tegelijkertijd op grond van artikel 20 WW eindigt, onder meer vanwege het feit dat betrokkene niet langer werkloos is.

Het afzonderlijk regelen van het eindigen van het recht op uitkering waartoe de SVr adviseert, zou erop neer komen, dat duidelijker dan thans het geval is, een onderscheid wordt gemaakt tussen het beëindigen van het recht wegens het verliezen van de hoedanigheid van werknemer, bij het verrichten van niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden en het niet langer werkloos zijn wegens het verrichten van verzekeringsplichtige werkzaamheden. Mede in verband hiermee adviseert de SVr om de anticumulatie van inkomsten uit niet-verzekeringsplichtige werkzaamheden voor minder dan vijf uur per week -zoals geregeld in artikel 35 WW -te vervangen door een gedeeltelijke beëindiging van het recht op grond van artikel 20. Een bijkomende reden hiervoor is, aldus de SVr, dat in de praktijk de hoogte van deze inkomsten vaak moeilijk is vast te stellen.

Uit de wijzigingen van de artikelen 20 en 35 WW, zoals in deze nota van wijziging voorgesteld, blijkt dat het advies van SVr ook op dit onderdeel is overgenomen.

  • Artikel 19, vierde lid, WW

Verder zijn van belang twee uitspraken van de CRvB inzake de toepassing van artikel 19, eerste lid, onderdeel e, WW jo. artikel 19, vierde lid, WW, waarin de CRvB voorbijgaat aan hetgeen met laatstgenoemd artikellid is beoogd (WW 1988/412; RSV 1991/217 en WW 1990/80; nog niet gepubliceerd). Alvorens hier nader op in te gaan wordt opgemerkt, dat in deze nota van wijziging om technische redenen wordt voorgesteld om onderdeel e van artikel 19, eerste lid, te laten vervallen en hetgeen thans in het vierde lid is bepaald over te brengen naar artikel 16 WW. In de artikelsgewijze toelichting is hier nader op ingegaan. In het hiernavolgende wordt echter uitgegaan van de huidige wettekst.

In artikel 19, eerste lid, onderdeel e, is bepaald, dat de werknemer die recht heeft op onverminderde doorbetaling van zijn loon geen recht heeft op WW-uitkering. In het vierde lid van artikel 19 wordt voor de toepassing van het eerste lid, onder e, met loon gelijkgesteld, het deel van de inkomsten dat de werknemer ontvangt in verband met de eindiging van de dienstbetrekking, dat overeenkomt met het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen over de voor hem geldende termijn van opzegging, indien deze in acht zou zijn genomen. In de memorie van toelichting (Tweede Kamer, 1985-1986, 19261, nr. 3, blz. 137 en 148) worden twee voorbeelden van situaties genoemd waarin artikel 19, vierde lid, van toepassing is. Die situaties betreffen de toekenning van een schadevergoeding of schadeloosstelling ex artikel 1639o jo. 1639r BW, wegens het niet of op een onjuiste wijze in acht nemen van de opzegtermijn bij beëindiging van de dienstbetrekking door de werkgever en de situatie waar de werkgever en de werknemer bij beemdiging («met wederzijds goedvinden») van de dienstbetrekking onderling afspreken, dat in plaats van loon over de opzegtermijn een vergoeding wordt toegekend. Voor beide situaties geldt, dat een gedeelte van deze inkomsten overeenkomende met het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking met inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen zou zijn geëindigd, wordt beschouwd als loon en daarmee leidt tot uitsluiting van het recht op werkloosheidsuitkering.

De reden om artikel 19, vierde lid, op te nemen was om te voorkomen, dat de werknemer die een schadevergoeding of een schadeloossstelling eist in plaatst van doorbetaling van zijn loon, of met de werkgever bij beemdiging van de arbeidsovereenkomst overeenkomt af te zien van loon over de opzegtermijn in ruil voor een vergoeding, in een gunstiger positie kan komen dan degene die een loonvordering instelt of loon over de opzegtermijn betaald krijgt. Aangezien inkomsten in verband met de eindiging van een dienstbetrekking ingevolge artikel 34 WW niet op de uitkering in mindering kunnen worden gebracht zou dit het geval kunnen zijn. Naast de uitkering heeft men dan immers aanspraak op een schadevergoeding of schadeloosstelling, die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op niet genoten loon over de niet of onjuist in acht genomen opzegtermijn. Voor degenen die een loonvordering instellen of het loon over de opzegtermijn betaald krijgen, ontstaat het recht op WW-uitkering pas later, te weten: op het moment dat het recht op doorbetaling van loon eindigt.

Zoals uit de toelichting op het betreffende artikellid blijkt, is destijds niet stilgestaan bij de ontbindingsprocedure ex artikel 1639w van het

BW. Bij een ontbinding van de arbeidsovereenkomst op grond van artikel 1639w van het BW eindigt de dienstbetrekking zonder een opzeggingstermijn, evenals dat het geval is bij de beemdiging met wederzijds goedvinden. De rechter kan bij de ontbinding rekening houden met dit gemis door de ontbindingsdatum naar de toekomst te schuiven of in de vergoeding hiervoor een compensatie te bieden. Om dezelfde reden als hiervoor genoemd is er aanleiding om artikel 19, vierde lid ook van toepassing te achten bij een in een ontbindingsprocedure toegekende vergoeding. In het verleden is dan ook door de toenmalige Staatssecretaris in het kader van de «Evaluatie Stelselherziening sociale zekerheid» in antwoord op een daartoe strekkende vraag van mevrouw Soutendijk-Apeldoorn het standpunt ingenomen, dat artikel 19, vierde lid, wel toepassing dient te vinden bij toekenning van een vergoeding bij ontbinding als hier bedoeld. Hierbij werd tevens aangegeven dat de vaststelling van het loon over de opzegtermijn dient te geschieden aan de hand van de uitspraak van de rechter indien deze de vergoeding heeft gespecificeerd. Als dit niet het geval is zou een fictieve vaststelling moeten plaatsvinden (Tweede Kamer 1987-1988, 20416, nr. 7, blz. 2 e.v.).

In de hierboven genoemde uitspraken komt de CRvB echter tot de conclusie, dat artikel 19, vierde lid, niet van toepassing kan zijn op de situatie waarin bij ontbinding van een arbeidsovereenkomst door de rechter een vergoeding wordt toegekend aan de werknemer en evenmin op de situatie waarin de dienstbetrekking met wederzijds goedvinden wordt beemdigd onder toekenning van een schadeloosstelling aan de werknemer. In beide situaties is geen sprake van opzegging, hetgeen, aldus de Raad, gegeven de bewoordingen van het artikellid -en in het bijzonder de zinsnede: «de voor hem geldende termijn van opzegging, indien deze in acht zou zijn genomen» -voor de toepassing van het vierde lid van artikel 19 vereist is.

Deze uitspraken zijn aanleiding geweest om de redactie van het betreffende artikellid (het thans voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 16) aan te passen. Die aanpassing, met de hier gegeven toelichting, strekt ertoe om duidelijk te maken, dat dit artikellid mede betrekking heeft op vergoedingen van de werkgever toegekend aan de werknemer in de hiervoor genoemde situaties. Langs deze weg worden werknemers die in verschillende ontslagrechtelijke posities verkeren voor de toepassing van de WW gelijk behandeld. Aldus zal immers de situatie ontstaan, dat het niet meer uitmaakt of een dienstbetrekking met wederzijds goedvinden wordt beëindigd, of op grond van artikel 1639o, 1639s of 1639w van het BW en of in verband met die beëindiging respectievelijk een vergoeding, schadeloosstelling of schadevergoeding ex artikel 1639o, vierde lid, 1639r, 1639s, 1639t of 1639w, achtste lid, van het BW wordt toegekend.

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I, onderdeel A

(Artikel 8, vierde lid) Deze wijziging houdt verband met het in de praktijk geconstateerde probleem, dat WW-uitkeringsgerechtigden die als ambtenaar gaan werken en deze werkzaamheden langer dan drie maanden doch niet langer dan zes maanden verrichten, niet kunnen terugvallen op hun oude WW-rechten. Zij kunnen evenmin aanspraak maken op een uitkering op

grond van een ambtelijke regeling omdat zij hiervoor te kort in dienst zijn geweest. Om te voorkomen dat deze categorie tussen de wal en het schip raakt, wordt voorgesteld de huidige termijn van drie maanden in het vierde lid van artikel 8, te vervangen door een termijn van zes maanden. De wijziging van artikel 8, vierde lid, in combinatie met het voorstel tot wijziging van artikel 21 zoals in het algemeen deel van de toelichting aangegeven, heeft als bijkomend voordeel, dat voor wat betreft het kunnen herleven van een recht op uitkering meer dan tot nu sprake zal zijn van een uniforme termijn waarbinnen dit kan plaatsvinden, te weten: zes maanden.

Verder wordt opgemerkt, dat in het huidige vierde lid van artikel 8 het hergeven van de status van werknemer een bevoegdheid van de bedrijfsvereniging is. In het thans voorgestelde vierde lid is deze bevoegdheid komen te vervallen en vloeit uit de wet zelf voort dat een persoon de status van werknemer binnen de daarvoor gestelde termijn kan herkrijgen. Hiervoor is gekozen om de rechtszekerheid te bevorderen en mogelijke rechtsongelijkheid te voorkomen. Tevens is hierbij overwogen dat voor personen die de hoedanigheid van werknemer verliezen als gevolg van het verrichten van werk als zeifstandige of als politiek ambtsdrager, het herkrijgen van de status van werknemer eveneens -zonder tussenkomst van de bedrijfsvereniging -uit de wet zelf voortvloeit.

Artikel I, onderdeel Aa

(Artikel 16) De wijziging van de tweede volzin van artikel 16, tweede lid, is aangebracht op advies van de SVr. In deze volzin is bepaald, dat bij de berekening van het gemiddeld aantal arbeidsuren over de 26 weken voorafgaand aan de week waarin het arbeidsurenverlies optreedt, niet verzekerde arbeid mede in aanmerking moet worden genomen. Hoewel de bepaling de indruk wekt dat dit te allen tijde het geval diende te zijn, was het de bedoeling van de wetgever de niet verzekerde arbeid alleen in aanmerking te nemen, indien de werknemer minder dan 5 arbeidsuren heeft verloren. In die gevallen dient voor de beoordeling of voldaan wordt aan het criterium «de helft van zijn arbeidsuren» de niet verzekerde arbeid te worden betrokken. De voorgestelde redactionele wijziging is bedoeld om dit beter tot uitdrukking te brengen.

In het voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 16 is de gelijkstellingsbepaling opgenomen die thans nog is opgenomen in artikel 19, vierde lid. De reden hiervoor is als volgt. Bij de indiening van het wetsvoorstel WW bevatte het werkloosheidsbegrip in artikel 16 nog niet de eis, dat de werknemer het recht op onverminderde doorbetaling van loon moest hebben verloren alvorens als werkloos te kunnen worden aangemerkt. De loonbetalingsverplichting is tijdens de parlementaire behandeling aan artikel 16, eerste lid toegevoegd. Daarbij is echter verzuimd de gelijkstellingsbepaling ex artikel 19, vierde lid eveneens naar artikel 16 over te brengen. Het verdient vanuit wetssystematisch oogpunt aanbeveling hiertoe alsnog over te gaan. Deze wijziging wordt ook door de SVr voorgesteld. Voor een toelichting op de redactionele aanpassing van het artikellid zij verwezen naar paragraaf 5 van deze nota van toelichting. In aanvulling hierop kan nog worden vermeld, dat de tweede volzin van dit artikellid aangeeft aan welke periode het met loon gelijkgestelde deel van de hierbedoelde inkomsten moet worden toegerekend.

Het tot het zevende lid vernummerde vijfde lid is in verband met de jurisprudentie van de CRvB aangepast. In de aldus bijgestelde definitie van de eerste werkloosheidsdag wordt aangegeven, dat er van een eerste werkloosheidsdag gesproken kan worden indien in een kalenderweek aan de voorwaarden van artikel 16, eerste lid, is voldaan. Dat wil zeggen, indien in een kalenderweek een relevant arbeidsurenverlies is geleden alsmede een verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van loon over die uren en betrokkene beschikbaar is voor arbeid. In de betreffende week dient de eerste werkloosheidsdag te worden vastgesteld op de eerste dag van de kalenderweek waarop sprake is van het verlies van één of meer arbeidsuren. Aan de hand van de eerste werkloosheidsdag wordt beoordeeld of voldaan kan worden aan de wekeneis van artikel 17 en de arbeidsverledeneis van artikel 42. Voorts is deze dag bepalend voor de duur van de uitkering. Het nieuwe achtste lid voorziet in de vaststelling van de eerste werkloosheidsdag indien bij het intreden van arbeidsurenverlies als bedoeld in het eerste lid van artikel 16 aan één van de overige in dat lid genoemde voorwaarden niet wordt voldaan of een uitsluitingsgrond van toepassing is als bedoeld in artikel 19, eerste lid, of artikel 19a. Deze -in vergelijking met de formulering van de in het zevende lid gegeven -afwijkende definitie van de eerste werkloosheidsdag, is onder meer bedoeld om te voorkomen dat er geen eerste werkloosheidsdag kan worden vastgesteld, indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies betrokkene bij voorbeeld niet beschikbaar is voor arbeid en dit op een later moment terzake van dat arbeidsurenverlies wel het geval is. Op grond van het voorgestelde zevende lid van artikel 16 moet de eerste werkloosheidsdag immers worden vastgesteld op de eerste dag van de kalenderweek waarop een verlies van één of meer uren alsmede het verlies van het recht op onverminderde doorbetaling van loon over die uren intreedt in de kalenderweek waarin zich een situatie voordoet als bedoeld in artikel 16, eerste lid. Indien bij het intreden van het arbeidsurenverlies betrokkene niet beschikbaar is voor arbeid en dit twee weken later wel het geval is, kan op grond van de definitie van het zevende lid in de betreffende week geen eerste werkloosheidsdag worden vastgesteld, omdat in die week geen dag is aan te wijzen waarop (feitelijk) één of meer arbeidsuren zijn verloren. In die gevallen dient ingevolge het nieuwe achtste lid, de eerste werkloosheidsdag te worden vastgesteld op de eerste dag in de kalenderweek waarop betrokkene wel beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

Verder ziet het bepaalde in het achtste lid er op toe, dat in de situatie waar bij het intreden van de werkloosheid gelijktijdig sprake is van het van toepassing zijn van een uitsluitingsgrond als bedoeld in artikel 19, eerste lid, of artikel 19a, het recht niet nog na lange tijd -bij het vervallen van de uitsluitingsgrond -zal kunnen ontstaan. Dit wordt bereikt door de combinatie van de definitie van de eerste werkloosheidsdag in het achtste lid -die in een situatie als hier bedoeld moet worden toegepast -en de werking van de wekeneis ex artikel 17. In het eerste lid van artikel 17, zoals voorgesteld bij onderdeel B van het onderhavige wetsvoorstel, is bepaald dat een recht op uitkering ontstaat voor de werknemer indien hij in 52 weken onmiddellijk voorafgaande aan de eerste dag van werkloosheid in tenminste 26 weken als werknemer arbeid heeft verricht. Voor de vaststelling van de 52 weken als hier bedoeld, worden de weken waarin betrokkene is uitgesloten van het recht in beginsel mede in aanmerking genomen. Degenen op wie sinds het intreden van werkloosheid gedurende een langere periode dan een

half jaar een uitsluitingsgrond van toepassing is geweest, kunnen dientengevolge niet meer aan de wekeneis voldoen en komen dus niet meer in aanmerking voor een recht op uitkering. Uitzondering hierop vormt de situatie waarin het recht niet kan ontstaan omdat betrokkene arbeidsongeschikt is. In die gevallen zal het recht op uitkering kunnen ontstaan ook indien de periode van ziekte langer heeft geduurd dan een half jaar. Perioden waarin de werknemer wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid geen arbeid kon verrichten, worden voor de vaststelling van het eerder genoemde aantal van 52 weken immers niet in aanmerking genomen. Opgemerkt wordt dat hiermee wordt afgeweken van het SVr-advies. In het advies stelt de SVr voor om het na lange tijd alsnog kunnen ontstaan van een recht, in situaties als hier bedoeld, te voorkomen door een nieuwe bepaling op te nemen bij artikel 17. Die bepaling zou moeten inhouden dat -bij het zich gelijktijdig voordoen van werkloosheid en een uitsluitingsgrond -het recht op uitkering niet meer kan ontstaan indien het recht uitsluitend door het van toepassing zijn van een uitsluitingsgrond binnen 6 maanden na het intreden van de werkloosheid niet is ontstaan. Hierbij zou dan een uitzondering moeten worden gemaakt voor de uitsluitingsgronden die betrekking hebben op ziekte en volledige arbeidsongeschiktheid. In die gevallen dient het recht immers te kunnen ontstaan ook al heeft de uitsluitingsgrond langer geduurd dan een half jaar. Het advies is niet gevolgd omdat het aantal situaties waarin het van toepassing zijn van een uitsluitingsgrond, niet leidt tot de conclusie dat betrokkene niet beschikbaar is voor arbeid, gering zal zijn. Met andere woorden, in het merendeel van de gevallen zal de reden voor uitsluiting van het recht, ook reden zijn om te concluderen dat betrokkene niet werkloos is wegens het ontbreken van beschikbaarheid in de zin van artikel 16, eerste lid, onderdeel b. Het geringe aantal gevallen waarin dit niet het geval is rechtvaardigt dan ook niet een aparte regeling zoals door de SVr geadviseerd, die bovendien ingewikkelder is dan de thans voorgestelde regeling. In die gevallen waar ondanks het van toepassing zijn van een uitsluitingsgrond geconcludeerd wordt dat betrokkene beschikbaar is voor arbeid, zal er bij de door de SVr geadviseerde regeling voorts een situatie ontstaan waarin voor de vaststelling van het recht uitgegaan moet worden van twee momenten, hetgeen uitvoeringstechnisch bezien geen aanbeveling verdient. Immers, om te kunnen vaststellen of voldaan kan worden aan de wekeneis van artikel 17 moet dan worden uitgegaan van de dag waarop werkloosheid is ingetreden. Vervolgens zal aan de hand van de dag waarop de uitsluitingsgrond vervalt moeten worden nagegaan of het recht al dan niet alsnog kan ontstaan. Bij de voorgesteide definitie van de eerste werkloosheidsdag in het achtste lid wordt voor de vaststelling van het recht daarentegen uitgegaan van één moment, in casu de eerste dag van de kalenderweek waarop de uitsluitingsgrond vervalt.

Tot slot wordt opgemerkt, dat de in de huidige definitie van de eerste werkloosheidsdag opgenomen zinsnede: «terzake waarvan de werknemer een aanvraag om uitkering indient», is komen te vervallen. Dit houdt verband met het laten vervallen van de samenval theorie. Volgens de toelichting op de Vierde nota van wijziging bij het oorspronkelijke wetsvoorstel WW (kamerstukken 19261, nr. 60) werd met deze zinsnede beoogd te voorkomen dat er werkloosheid (bedoeld is: een recht) zou ontstaan in de situatie waar de werknemer tussen twee dienstbetrekkingen enige tijd niet heeft gewerkt en om hem moverende

redenen (bij voorbeeld vakantie) over die periode geen uitkering heeft aangevraagd. Indien er in die situatie wel sprake zou zijn van werkloosheid, dan zou er eveneens een recht op uitkering ontstaan (het recht ontstaat van rechtswege) hetgeen voor de werknemer voor wat betreft de duur van de uitkering nadelige consequenties kon hebben. Dit werd ongewenst geacht. Met het vervallen van de samenval theorie zal de situatie die de wetgever op het oog had zich in de praktijk niet meer voordoen. Zolang deze theorie werd gevolgd ontstond het recht van rechtswege ook al was betrokkene bij het intreden van het arbeidsurenverlies niet beschikbaar voor arbeid. Het recht werd tegelijkertijd beëindigd op grond van het feit dat men niet beschikbaar was. In de situatie die de wetgever voor ogen stond had dit tot gevolg, dat bij werkloosheid uit de tweede dienstbetrekking zonder dat opnieuw aan de 26 wekeneis werd voldaan, er geen recht ontstond doch het eerder van rechtswege ontstane recht herleefde. Met het vervallen van de samenval theorie ontstaat er echter geen recht als betrokkene bij het intreden van het arbeidsurenverlies niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden. In de situatie waar betrokkene tussen twee dienstbetrekkingen om hem moverende redenen geen aanvraag om uitkering indient, zal over het algemeen ook geen sprake zijn van beschikbaarheid en dus geen recht kunnen ontstaan. De betreffende zinsnede is dus overbodig geworden.

Artikel I, onderdeel B

(Artikel 17) De wijziging in de eerste volzin van het voorgestelde tweede lid van artikel 17 is van technische aard. Op grond van de huidige -alsook de in het wetsvoorstel voorgestelde -bepalingen van artikel 17, dient de referteperiode te worden verlengd met perioden waarin de werknemer ziek is geweest. Dit heeft tot gevolg, dat indien een werknemer een gedeelte van een week ziek is geweest en de rest van de week heeft gewerkt, de referteperiode voor de wekeneis met deze periode verlengd moet worden. Tegelijkertijd echter dient de betreffende week te worden meegeteld als gewerkte week. Een week wordt immers als gewerkte week beschouwd indien er op éèn of meer dagen is gewerkt. In feite is er dus sprake van dubbeltelling.

De voorgestelde wijziging is bedoeld om dit te voorkomen en voorziet er in, dat perioden van ziekte alleen tot verlenging van de referteperiode kunnen leiden indien het gehele weken betreft gedurende welke men ziek is geweest.

Verder is in het voorgestelde tweede lid van artikel 17 onder meer bepaald, dat voor de vaststelling van de referteperiode voor de wekeneis, niet in aanmerking worden genomen perioden waarin de werknemer werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 en «hij de hoedanigheid van werknemer heeft verkregen». Hetgeen tussen aanhalingstekens is geplaatst leidt in de praktijk tot interpretatieproblemen. Bedoeld is, dat die perioden alleen dan buiten beschouwing gelaten worden, als betrokkene binnen de daarvoor in artikel 8 gestelde termijnen de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen. De wijziging is bedoeld om dit duidelijker tot uitdrukking te brengen

Artikel I, onderdelen C en D

(Artikelen 17aen 18) Deze wijzigingen houden verband met het laten vervallen van het voorstel om het begrip kalenderweek te vervangen door een week van

zeven opeenvolgende dagen. De reden hiervoor is genoemd in paragraaf 1 van het algemene deel van de toelichting.

Aparte vermelding verdient het laten vervallen van het voorgestelde derde lid van artikel 1 7a. Hierin is bepaald, dat voor de vaststelling van de duur van een samengesteld recht als bedoeld in het eerste iid van artikel 17a, uitgegaan moet worden van de duur van het tweede recht. Zowel uit de brief van de SVr waaraan hievoor werd gerefereerd als uit de daaraan ten grondslag liggende informatie van de FBV blijkt echter, dat het ontstaan van een tweede recht in de kalenderweek na het ontstaan van een eerste recht over het algemeen het gevolg is van het hanteren van het kalenderweekcriterium. Met andere woorden, artikel 17a zal feitelijk alleen worden toegepast in de situatie waar een werknemer als gevolg van een midweeks ontslag twee uitkeringsrechten verwerft terzake van één en hetzelfde arbeidsurenverlies. Het is dan ook logisch en gerechtvaardigd om voor wat betreft de duur van een samengesteld recht uit te gaan van de duur die geldt voor het eerste recht.

Artikel I, onderdeel E

(Artikel 19) De wijziging van artikel 19, eerste lid, onder a, houdt verband met de jurisprudentie van de CRvB inzake de «zieke werkloze» waar in paragraaf 3 van deze toelichting op is ingegaan.

Artikel 19, eerste lid, onderdeel b, is zodanig aangepast, dat dit artikelonderdeel ook betrekking heeft op invaliditeitspensioenen toegekend op grond van de Algemene burgerlijke pensioenwet (Stb. 1986, 540} en de Spoorwegpensioenwet (Stb. 1986, 541). De wijziging is van technische aard en behoeft geen verdere toelichting.

De wijziging van artikel 19, tweede lid, houdt verband met de wijziging van het eerste lid, doch is mede bedoeld om te voorkomen, dat degene die geen uitkering ontvangt als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onder a, b, c of d, wegens voor hem geldende wachtdagen of wegens zodanig verwijtbaar handelen dat hem een uitkering als in die onderdelen bedoeld wordt geweigerd, voor een recht op WW-uitkering in aanmerking komt. Thans is dit laatste wel het geval. Op grond van de huidige bepalingen heeft een werknemer die in eerste instantie is uitgesloten van het recht op WW-uitkering wegens het ontvangen van een ZW-of WAO-uitkering, recht op een WW-uitkering indien hij laatstgenoemde uitkeringen niet ontvangt wegens verwijtbaar handelen of nalaten. Alsdan kan immers niet meer worden gesproken van een «ontvangen van» als bedoeld in artikel 19, eerste lid, en vervalt de uitsluitingsgrond. Vervolgens dient de bedrijfsvereniging op grond van artikel 24, eerste lid, onder c, WW een sanctie op de WW-uitkering te treffen wegens het verwijtbaar niet ontvangen van een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid.

Het behoeft mijns inziens weinig betoog dat deze regeling omslachtig is en vanuit wetssystematisch oogpunt geen voorkeur verdient. Het is immers op zijn minst vreemd, dat een sanctie in het kader van de ene wet leidt tot een recht uit hoofde van een andere wet. Een recht dat vervolgens weer gesanctioneerd moet worden om te voorkomen dat betrokkene voordeel zou hebben van zijn verwijtbaar handelen. De voorgestelde wijziging is dan ook bedoeld om hierin verandering te brengen.

Artikel I, onderdeel F

(Artikel 20) Bij de wet van 29 mei 1991 (Stb. 1991, 250) is artikel 19a in de WW ingebracht. Hierbij is echter verzuimd artikel 20 van de WW hierop aan te passen. Met de voorgestelde wijziging van onderdeel d van het eerste lid van laatstgenoemd artikel wordt dit verzuim goedgemaakt. Het betreft hier dus een zuiver technische aanpassing die geen verdere toelichting behoeft.

De overige hier voorgestelde wijzigingen van artikel 20, betreffen de door de SVr geadviseerde gescheiden uitwerking van het bepaalde in de onderdelen a en b van het eerste lid van dit artikel. Hieraan is in het algemene deel van de toelichting reeds aandacht besteed.

Aparte vermelding verdient de vervanging van de zinsnede «beschikbaar is om arbeid als werknemer te aanvaarden» door de zinsnede «beschikbaar is voor arbeid» in het tot respectievelijk derde lid en vierde lid vernummerde huidige tweede en derde lid van artikel 20. Hiermee wordt bereikt, dat deze bepaling overeenstemt met het bepaalde in artikel 16, eerste lid, onderdeel b, waardoor het verschil tussen het beschikbaarheidsvereiste in de artikelen 16 en 20 wordt opgeheven. Deze wijziging is dan ook in overeenstemming met het streven om bij wetgevintg zoveel mogelijk eenduidige begrippen te hanteren. De wijziging heeft voorts tot gevolg, dat degene die zich uitsluitend beschikbaar stelt voor arbeid als zelfstandige, het recht op uitkering behoudt tot aan het moment dat hij daadwerkelijk als zelfstandige aan de slag gaat. Met andere woorden, tijdens de zogenaamde voorbereidende periode (het verkennen van de mogelijkheden) kan het recht op WW-uitkering blijven bestaan. Dit in tegensteiling tot hetgeen waar de huidige redactie van artikel 20, tweede lid, onderdeel b toe leidt. Opgemerkt wordt echter, dat het zich uitsluitend beschikbaar stellen voor arbeid als zelfstandige kan leiden tot een sanctie in het kader van de weigeringsgronden. Namelijk in die gevallen waar de bedrijfsvereniging van oordeel is, dat er sprake is van een te beperkte beschikbaarstelling voor arbeid, mede in het licht van de kansen die iemand heeft om weer in dienstbetrekking aan de slag te kunnen.

Artikel I, onderdeel G

(Artikel 21) De in dit onderdeel voorgestelde wijzigingen van artikel 21 vloeien voort uit de in het algemeen deel toegelichte beslissing om de termijn van zes maanden waarbinnen een recht kan herleven in de wet vast te leggen. Deze termijn geldt, indien het recht is beëindigd wegens vakantie, detentie, buitenlands verblijf of het niet beschikbaar zijn voor arbeid, dan wel bij het zich volgtijdelijk voordoen van deze omstandigheden of bij het zich gelijktijdig voordoen hiervan. Een uitzondering hierop wordt gevormd door de situatie waarin het recht is beëindigd wegens het niet beschikbaar zijn voor arbeid als gevolg van (langdurige) ziekte. Op grond van het bepaalde in het voorgestelde tweede lid, onderdeel b, kan een recht dat op die grond is beëindigd herleven ook indien de periode van ziekte -c.q. de periode waarover men om die reden niet beschikbaar is voor arbeid -langer is dan zes maanden.

Op grond van het voorgestelde derde lid van artikel 21 wordt aan de SVr de bevoegdheid verleend om regels te stellen waarbij voor bepaalde groepen van werknemers de hierbedoelde termijn buiten toepassing wordt verklaard. Hierbij wordt gedoeld op de werknemers behorend tot de categorie van 57,5 jaar en ouder voor wie ook thans op grond van het bepaalde in het besluit van de SVr ex artikel 21, tweede lid geen termijnen zijn gesteld aan de mogelijkheid tot herleving van het recht op uitkering.

Artikel I, onderdelen Ga, H en Ha (Artikelen 24, 34 en 34a) Deze wijzigingen zijn van zuiver technische aard, voortvloeiend uit de wijzigingen van artikel 19. Zij behoeven geen verdere toelichting.

Artikel I, onderdeel I

(Artikel 35) Deze wijziging is reeds toegelicht in paragraaf 4 van het algemene deel van de toelichting.

Artikel I, onderdeel la

(Artikel 42) Deze wijziging houdt verband met het feit, dat er verschil kan bestaan tussen het intreden van de werkloosheid als bedoeld in artikel 16, eerste lid, en de eerste werkloosheidsdag als bedoeld in het voorgestelde achtste lid van artikel 16. Dit doet zich voor indien bij het intreden van de werkloosheid een uitsluitingsgrond als bedoeld in de artikelen 19 of 19a van toepassing is. De wijziging maakt het mogelijk, hetgeen wenselijk wordt geacht, om zowel voor de vaststelling van de referteperiode bedoeld in artikel 17 als voor de vaststelling van de duur van de uitkering van éèn en dezelfde dag uit te gaan.

Artikel I, onderdeel Ib

(Artikel 43) De wijziging van het eerste lid en het bepaalde in het nieuwe tweede lid van dit artikel houden verband met de jurisprudentie van de CRvB waar in paragraaf 3 van het algemene deel van de toelichting op in is gegaan. De wijzigingen hebben tot gevolg, dat een recht dat is beëindigd wegens ziekte, bij herleving van dat recht niet verlengd wordt met perioden van ziekte indien zij korter hebben geduurd dan drie maanden. Indien ziekteperioden langer duren dan drie maanden, dan wordt het recht verlengd met de periode dat zij langer hebben geduurd dan drie maanden. Het bepaalde in het nieuwe derde lid stemt ook qua strekking overeen met het in het onderhavige wetsvoorstel voorgestelde tweede lid van artikel 19 -dat in verband met het hier voorgestelde komt te vervallen -en behoeft geen verdere toelichting. Ditzelfde geldt voor het bepaalde in het nieuwe vierde lid.

Voorts is de redactie van het oude tweede lid van artikel 43 -het nieuwe vijfde lid -aangepast. In de eerste plaats is de zinsnede: «door het verrichten van arbeid als werknemer» komen te vervallen. De reden hiervan is, dat in de praktijk onduidelijkheid bestond over de vraag hoe gehandeld diende te worden in een situatie waarin een recht op uitkering wegens een andere omstandigheid dan het verrichten van arbeid als werknemer was beëïndigd -bij

voorbeeld wegens het niet beschikbaar zijn voor arbeid -en betrokkene aansluitend hierop werk aanvaardde en een nieuw recht had opgebouwd zonder opnieuw aan de arbeidsverledeneis te kunnen voldoen. Uitgaande van de letterlijke tekst van het oude tweede lid van artikel 43 kan de duur van de nieuwe uitkering niet verlengd worden met de duur van de verlengde uitkering die de werknemer als gevolg van de eindiging van het eerdere recht niet heeft ontvangen. Het oorspronkelijke recht was immers niet beëindigd wegens het aanvaarden van werk als werknemer doch -in dit voorbeeld -wegens het niet beschikbaar zijn voor arbeid. Om deze ongewenste uitkomst te voorkomen is de hierboven genoemde zinsnede in het nieuwe vijfde lid komen te vervallen. Deze wijziging dient echter in relatie te worden gezien met het nieuwe zesde lid. Hierin is bepaald, dat een nieuw recht slechts verlengd kan worden met een deel van de verlengde uitkering van het oude recht, indien de grond voor beëindiging van het oude recht vervallen is binnen de daarvoor gestelde termijnen. Dit betekent, dat het deel van de verlengde uitkering van een oud recht dat -bij voorbeeld wegens buitenlands verblijf -is beëindigd voor een langere periode dan zes maanden en nadien een nieuw recht is opgebouwd zonder dat opnieuw aan de arbeidsverledeneis kan worden voldaan, dit nieuwe recht niet verlengd kan worden met het restant van de uitkeringsduur van het oude recht. Dit is gerechtvaardigd omdat de oude uitkering immers nooit meer had kunnen herleven wegens het overschrijden van de in artikel 21 gestelde termijn. In de tweede plaats kan de redactie van het oude tweede lid leiden tot een dubbele verlenging van een recht. Namelijk in de situatie dat een WW-uitkeringsgerechtigde ziek wordt, vervolgens volledig arbeidsongeschikt en hij na gedeeltelijke afschatting en werkaanvaarding een nieuw recht op WW-uitkering verwerft zonder aan de arbeidsverledeneis te kunnen voldoen als bedoeld in artikel 42, eerste lid, onderdeel a. In dat geval dient op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 43 het nieuwe recht te worden verlengd met het deel van de verlengde uitkering van zijn oude recht dat hij nog niet had ontvangen. Omdat in een situatie als deze betrokkene wel zal kunnen voldoen aan het bepaalde in artikel 42, tweede lid, onderdeel b en uit dien hoofde dus wèl voor een verlenging van zijn nieuwe recht in aanmerking kan komen, is er sprake van een dubbele verlenging. Dit wordt ongedaan gemaakt door in het nieuwe vijfde lid niet meer te spreken over het niet kunnen voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 42, tweede lid, onderdeel a, doch alleen over het niet kunnen voldoen aan de voorwaarde bedoeld in artikel 42, tweede lid.

Artikel I, onderdeel J

(Artikel 45) Deze wijziging houdt verband met de wijziging van de definitie van de eerste werkloosheidsdag en is bedoeld om tot een juiste dagloonvaststelling te kunnen komen daar waar de eerste werkloosheidsdag op een later moment is gelegen dan het intreden van het arbeidsurenverlies.

Artikel I, onderdeel K

(Artikel47) Het laten vervallen van dit onderdeel houdt verband met het handhaven van het begrip kalenderweek.

Artikel I, onderdeel L

(Artikel 90) De wijzigingen in dit onderdeel zijn van technische aard en houden enerzijds verband met het handhaven van het begrip kalenderweek en het op die grond laten vervallen van artikel 17a, derde lid, anderzijds met het laten vervallen van Artikel III van het wetsvoorstel.

Artikel I, onderdeel La

(Artikel 113) De wijzigingen van dit onderdeel houden verband met de wijzigingen van de artikelen 19 en 34 en zijn van zuiver technische aard.

Artikel I, onderdeel M

(Artikel 116) Ook deze wijziging is van technische aard verband houdende met de vernummering van de artikelleden in artikel 16.

Artikel I, onderdeel N

(Artikel 119) De wijziging van dit onderdeel houdt verband met een geconstateerde onjuiste verwijzing in het huidige derde -het nieuwe vierde -lid van artikel 119. In dit artikellid wordt verwezen naar artikel 103, zesde lid. Dit moet zijn artikel 103, zevende lid.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.