Nota naar aanleiding van het eindverslag - Nadere wijziging van de Werkloosheidswet (Wijziging enkele bepalingen inzake het recht op uitkering)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 11

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG Ontvangen 11 december 1992

  • Inleiding

Met belangstelling heb ik kennisgenomen van de bijdragen van de verschillende fracties aan het eindverslag inzake dit wetsvoorstel. De uitgesproken dank en waardering voor de memorie van antwoord deden mij genoegen en ik wil dan ook gaarne nader ingaan op de in het eindverslag gestelde vragen en geplaatste opmerkingen. Het is u bekend om welke redenen deze nota zo lang op zich heeft laten wachten. Naast de omstandigheid, dat een aantal fracties het wenselijk achtten voor de plenaire behandeling van het wetsvoorstel te mogen beschikken over de resultaten van het onderzoek betreffende de WW-uitkering bij onwerkbaar weer is de voorbereiding en het uitbrengen van een advies van de Sociale Verzekeringsraad (SVr) aanleiding geweest voor de vertraging. Dit advies, dat voor een belangrijk deel betrekking heeft op bepalingen, die in dit wetsvoorstel aan de orde zijn is gebaseerd op recente jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep. Dit advies heeft geleid tot een omvangrijke tweede nota van wijzigingen, die bij deze nota is gevoegd.

  • Het werkloosheidsbegrip
  • Arbeidsurenverlies

De leden van de PvdA-fractie vroegen zich af of een werknemer, die gemiddeld meer dan 50 uren per week werkt en over het gehele inkomen uit die 50 uren premie betaalt, rechten geldend kan maken op een WW-uitkering gebaseerd op de volledige werktijd waarover premie wordt afgedragen. In antwoord hierop kan worden meegedeeld, dat in principe ter zake van ieder arbeidsurenverlies van 5 uur of meer per week recht op werkloosheidsuitkering bestaat, terwijl het dagloon, waarop de uitkering is gebaseerd zijn grondslag vindt in het premieloon. Op grond van de dagloonbepalingen wordt slechts voor een aantal looncomponenten van dit beginsel afgeweken, onder meer voor bepaalde incidentele vergoedingen en bepaalde vergoedingen voor overwerk.

21045 0FISSN0921737 ISdu Uitgeverij Plantijnstraat 's Gravenhage 1992

De leden van de fractie van D66 vroegen met betrekking tot het eventueel vervangen van het vijfurencriterium door een verhoudingsgetal op welke termijn het SVr-advies daarover kan worden verwacht. In antwoord daarop kan ik genoemde leden mededelen, dat de SVr mij op 10 oktober 1991 heeft bericht, dat de Raad wegens het ontbreken van statistisch materiaal de desbetreffende adviesaanvraag pas dan in behandeling zou kunnen nemen als hij in het kader van de evaluatie stelselherziening over deze gegevens beschikt. Gelet op het vorenstaande is niet mogelijk een datum te noemen waarop het advies zal worden uitgebracht.

  • Kalenderweekcriterium

Het is begrijpelijk, dat de leden van de fractie van de PvdA verrast waren over de mededeling dat de bedrijfsverenigingen in afwijking van het advies van de SVr het begrip kalenderweek in artikel 16 gehandhaafd willen zien. Inmiddels heeft de SVr ter zake ook zijn standpunt bepaald en mij verzocht aan het verzoek van de bedrijfsverenigingen gevolg te geven. In verband daarmee is in de eerdergenoemde tweede nota van wijzigingen het aanvankelijke voornemen om het begrip kalenderweek te schrappen teruggedraaid. Voor de motivering daarvan moge vooreerst naar de toelichting bij deze nota van wijzigingen worden verwezen. Aangezien ook de leden van de VVD-fractie hun verbazing uitspraken over het feit, dat de uitvoeringsorganen op hun eerder ingenomen standpunt, dat het begrip kalenderweek diende te worden vervangen door week volledig waren teruggekomen meen ik echter niet te kunnen volstaan met deze verwijzing. Zoals bekend, is in het wetsvoorstel naast de vervanging van kalenderweek door week ook voorgesteld twee uitkeringsrechten die binnen 14 dagen ontstaan samen te voegen. Tijdens de voorbereiding van het advies, dat heeft geleid tot het wetsvoorstel hebben de bedrijfsverenigingen en de SVr zich onvoldoende gerealiseerd, dat het voor de oplossing van problemen samenhangend met een niet bij de aanvang van een kalenderweek ontstaan recht op uitkering niet nodig is deze twee afzonderlijke maatregelen te treffen. Ook bij het redigeren van het wetsvoorstel op het ministerie is dit destijds niet onderkend. Dit is wellicht veroorzaakt doordat tijdens de voorbereiding van het advies een omvangrijk aantal wijzigingsvoorstellen de revue is gepasseerd. In dit verband moge ik verwijzen naar hoofdstuk 3 van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel (kamerstukken 1989-1990, 21608, nr. 3 blz. 3 e.v.). Naar aanleiding van de desbetreffende vraag van de leden van de VVD-fractie merk ik nog op, dat door het treffen van de maatregel van samenvoeging van rechten de rechtsgelijkheid voldoende is gewaarborgd.

  • Loonverlies a/s mogelijk nieuwcriterium

De leden van de VVD-fractie brachten opnieuw een mogelijke introductie van het begrip loonverlies als criterium voor werkloosheid ter sprake. Zij achtten mijn reactie op dit punt teleurstellend. Hierover zou ik nog het volgende willen opmerken. Van de kant van de uitvoeringsorganen hebben mijn ambtsvoorganger en mij bij verschillende gelegenheden signalen bereikt, dat het hanteren van het urencriterium bij gedeeltelijke werkhervatting in een aantal gevallen problemen oplevert omdat het aantal uren moeilijk is te bepalen en te controleren, waardoor het ook fraudegevoelig is.

Hier staat tegenover dat het hele systeem van de WW is gebaseerd op urenverlies. WW-rechten met ieder een eigen duur en hoogte ontstaan of herleven bij het optreden van urenverlies en gaan te niet als het urenverlies ongedaan wordt gemaakt. Een systeem, dat weliswaar gecompliceerd is, maar dat qua opzet consistent is en met betrekking tot de uitkeringsrechten een ieder gelijk behandelt. De grote vraag is dan ook of een ander systeem is te vinden dat aan dezelfde voorwaarden voldoet. Wellicht zou handhaving van het urensysteem onder toevoeging van het element loonverlies een nog betere oplossing bieden. Hierdoor wordt immers de controleerbaarheid bevorderd en zal de fraudegevoeligheid afnemen. Het systeem zal echter, zoals ook al in de memorie van antwoord is vermeld, hierdoor nog gecompliceerder worden dan het nu al is. Overigens acht ik het in het huidige stadium niet wenselijk -zonder het functioneren van de WW in haar geheel ter discussie te stellen -de mogelijkheden te onderzoeken of loonverlies een element kan zijn in het werkloosheidsbegrip. Zoals reeds in de memorie van antwoord is aangegeven zal in de evaluatie stelselherziening het begrip werkloosheid, zoals het in de WW is gedefinieerd, volledig worden doorgelicht. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten zal worden overwogen of het werkloosheidsbegrip aanpassing behoeft. Daarbij zal onder meer aandacht worden besteed aan de vraag of, en zo ja, hoe een element van loonverlies in het werkloosheidsbegrip moet worden geïntroduceerd. Voorts mag, mede in verband met de vraag van de leden van de VVD-fractie over de adviesaanvraag dagloonsystematiek, niet onvermeld blijven, dat zoals u bekend is deze adviesaanvraag op 18 december 1991 is toegezonden aan de SVr en de SVr thans ter zake zijn advies voorbereidt. Mij is bekend, dat de SVr in het kader van dit uit te brengen advies de mogelijkheden onderzoekt om de dagloonvaststelling te verbeteren en te vereenvoudigen. Mocht dit resultaat opleveren dan is het denkbaar dat de bezwaren van de zijde van de uitvoeringsorganen tegen de introductie van loonverlies verminderen.

  • De wïjzigingsvoorstellen
  • Werkloosheid bij onwerkbaar weer

De leden van de fractie van het CDA was het niet duidelijk waarom de mogelijke vrijstelling van het 5-urencriterium noodzakelijkerwijs samen moest gaan met de wijziging van het financieringsregiem. Ik wil in dit verband er op wijzen, dat hoewel er uiteraard verband tussen deze twee maatregelen bestaat, zij als afzonderlijke maatregelen moeten worden gezien. Door het indertijd door de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid gedane verzoek om vrijstelling van het 5 uren criterium bij vorstwerkloosheid is ook de aandacht gevestigd op de wijze van financiering van deze uitkeringen. Daarbij is vastgesteld, dat deze uitkeringen in een beperkt aantal bedrijfstakken plaatsvinden. Hierdoor en door het feit, dat het kortlopende uitkeringen betreft, die als er in de voor de betrokkene geldende cao niet van de loondoorbetalingsplicht ex artikel 1638d van het BW was afgeweken, veelal voor rekening van de werkgever waren gekomen, is geconcludeerd, dat het een specifiek bedrijfstaksrisico betreft. Dit is de aanleiding geweest deze uitkeringen ten laste te brengen van de wachtgeldfondsen. Zowel de leden van de CDA-fractie als die van de PvdA waren benieuwd naar de resultaten van het SVr-onderzoek bij de Bedrijfsvereniging voor het Agrarisch Bedrijf (BVAB). De leden van de CDA-fractie gaven zelfs te kennen, dat verdere behandeling van het wetsvoorstel voor wat hen betreft pas zou kunnen plaatsvinden, nadat de resultaten van dit onderzoek duidelijkheid zouden hebben gebracht. De resultaten van dit onderzoek zijn inmiddels bekend en neergelegd in het rapport «Weer of geen weer», dat in december 1991 is uitgebracht door de SVr. Dit rapport nr. R92/1, dat ook in februari ]l. aan de Tweede Kamer is toegezonden, is volledigheidshalve als bijlage bij deze nota gevoegd ' In dit rapport komt de SVr tot de conclusie, dat de toepassing van de bepalingen inzake onwerkbaar weer (artikel 18 van de WW) bij de Bedrijfsvereniging voor de Tabaksverwerkende en Agrarische Bedrijven (TAB), de rechtsopvolger van de BVAB, niet afdoende is terug te voeren op de weersomstandigheden. Volgens het rapport kan in de wijze waarop de TAB uitvoering geeft aan artikel 18 van de WW worden afgeleid dat de volgende factoren van invloed zijn op de omvang van de werkloosheid wegens onwerkbaar weer en de duur van de werkloosheidsperiode: -continuering van een in de praktijk gegroeide wijze van toepassing van artikel 18 van de WW: werkgevers gaan er van uit dat artikel 18 van de WW op dezelfde wijze wordt toegepast als voor de stelselherziening artikel 10 van de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV); -ontbreken van beoordelingscriteria voor onwerkbaar weer waardoor de uitvoeringsfunctionaris geen objectief referentiekader heeft; -afwezigheid van controles als eenmaal sprake is van onwerkbaar weer; -de werkgever bepaalt meestal wanneer de werkzaamheden hervat worden. Uit het vorenstaande kan in ieder geval de conclusie worden getrokken, dat, ook bij een ruime interpretatie, de perioden van werkloosheid wegens onwerkbaar weer in feite aanmerkelijk korter zijn, dan tot dusverre in de uitvoering door de TAB als zodanig werd beschouwd. Dit impliceert, dat ook zonder wetswijziging een belangrijk deel van de lasten voor rekening van het wachtgeldfonds had moeten komen. Immers, pas wanneer er sprake is van een aaneensluitende periode van werkloosheid wegens onwerkbaar weer van langer dan 8 weken dient de uitkering in de huidige situatie ten laste van het AWf te komen. Naar aanleiding van de opmerking van de leden van de fractie van het CDA, dat wijziging van het financieringsstelsel wellicht overbodig zou zijn, omdat vrijwel alle kosten bij een correcte toepassing van de bepaling toch al ten laste van de wachtgeldfondsen zullen komen, wil ik opmerken dat het toch mijn voorkeur houdt de wet op dit punt te wijzigen. Alleen door wetswijziging immers, wordt duidelijk gesteld, dat hier sprake is van een specifiek bedrijfstaksrisico. De leden van de fractie van de PvdA waren van mening, dat de solidariteitsgedachte in de huidige financieringssystematiek met betrekking tot onwerkbaar weer niet volledig losgelaten moet worden. Deze leden vroegen zich af, of artikel 90 niet zodanig kan worden geformuleerd dat uitkeringen wegens onwerkbaar weer slechts ten laste van het AWf kunnen worden gebracht, voorzover de periode waarover die uitkering wordt verstrekt, de voor de bedrijfstak gebruikelijke periode van onwerkbaar weer overschrijdt. Ik acht het niet wenselijk een dergelijke regeling te treffen, al was het alleen maar omdat dan perioden zouden moeten worden vastgesteld, die als in de bedrijfstak gebruikelijke periode van onwerkbaar weer worden aangemerkt. Bovendien geldt op grond van de in de artikelen 90 en 94 opgenomen bepalingen al een maximum aan hetgeen in een boekjaar ten laste van 1 Ter inzage geiegd bij de afdeiing Parie-een wachtgeldfonds kan komen. Het meerdere komt ten laste van het mentaire Documentatie AWf. Op deze wijze vindt dan ook al een verevening van een bovenmatig risico van het wachtgeldfonds plaats, zodat de solidariteitsgedachte niet volledig is losgelaten.

Ik nam er nota van, dat de leden van de VVD-fractie na nadere overweging geheel afwijzend staan tegenover het laten vervallen van de 5-ureneis bij onwerkbaar weer en de bevoegdheid aan de bedrijfsverenigingen om terzake vrijstelling te verlenen. Indertijd is door mijn ambtsvoorganger afwijzend gereageerd op een eerste verzoek van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid om wetswijziging op dit punt te bewerkstelligen. Pas na een tweetal unanieme adviezen van de SVr heeft mijn ambtsvoorganger besloten de regeling, zoals die thans voorligt, in het wetsvoorstel op te nemen, waarin op pragmatische gronden van administratieve en uitvoeringstechnische aard voor de werkloosheid wegens onwerkbaar weer, die vooralsnog in de WW een aparte plaats inneemt, de 5-uren eis is losgelaten. Niet ontkend kan worden, dat in afwijking van alle andere vormen van werkloosheid bij werkloosheid wegens onwerkbaar weer het bij het intreden van het arbeidsurenverlies niet vaststaat, dat dit verlies een periode van langer dan 5 uur zal gaan omvatten. Bovendien bestaat bij handhaving van het 5-uren criterium het gevaar, dat men in individuele gevallen in de casustiek verzeild raakt of er in een bepaalde kalenderweek wel of niet een arbeidsurenverlies van tenminste 5 uur heeft plaatsgevonden, hetgeen kan leiden tot conflicten tussen werkgevers en bedrijfsverenigingen en oneigenlijk gebruik of misbruik. Ik ben dan ook, zoals de leden van de VVD-fractie verzochten, niet voornemens de voorgestelde bepaling in heroverweging te nemen en een nota van wijziging in te dienen. Het deed me genoegen, dat de leden van de VVD-fractie in principe konden instemmen met de voorstellen inzake de financiering van de werkloosheid wegens onwerkbaar weer.

Evenzeer deed het mij genoegen, dat de leden van de fractie van D66 de argumentatie met betrekking tot onwerkbaar weer konden onderschrijven. Dat geldt ook voor het gegeven dat deze leden het voor wat betreft de financiering eens waren met de opvatting van het kabinet dat het risico van inkomensverlies wegens een gering verlies van arbeidsuren óf voor rekening van de werkgever komt öf door de betrokkene zelf dient te worden gedragen. Tevens betuigden deze leden hun instemming met de toepassing van artikel 1638d BW. Voor wat betreft de vraag van deze leden over het onderzoek van de SVr bij de BVAB kan worden verwezen naar het eerdergenoemde rapport «Weer of geen weer». Voorts constateerden deze leden, dat het hanteren van twee premiegroepen bij de BVAB (thans TAB) in haar wachtgeldfonds leidt tot een wachtgeldpremie van 0,3% voor de vaste werknemers en 7,8% voor de overige werknemers, waarbij zij zich verbaasden over het feit, dat alle lasten wegens onwerkbaar weer ten laste komen van de groep overige werknemers. Deze leden hadden wegens de extreme verschillen in premiehoogte tussen deze twee groepen hun twijfels over het handhaven van de bevoegdheid van de bedrijfsvereniging tot deze vorm van premiedifferentiatie. Naar aanleiding van de vraag van deze leden of het nodig is deze bevoegdheid van de bedrijfsverenigingen te handhaven wil ik opmerken, dat intrekking van deze bevoegdheid niet strookt met het sedert de invoering van de werkloosheidsverzekering geldende uitgangspunt, dat de bedrijfsvereniging de premie voor de wachtgeldverzekering zelfstandig vaststelt. Intrekking van de bevoegdheid kan dan ook slechts aan de orde komen als dit principe wordt verlaten. Overigens wil ik niet onvermeld laten, dat deze verschillen ook bij mij in eerste instantie een gevoel van gebrek aan onderlinge solidariteit binnen de bedrijfstak opriepen, terwijl de regeling anderzijds tot gevolg heeft, dat tot de categorie «overige werknemers» behorenden, die niet afhankelijk zijn van seizoensinvloeden dienen mee te betalen voor de uitkeringen wegens onwerkbaar weer. In dit verband valt bij voorbeeld te denken aan de glastumbouw. Niettemin ga ik er van uit, dat, de sociale partners in de desbetreffende bedrijfstak die het bestuur van de bedrijfsvereniging vormen, deze aspecten in hun besluitvorming hebben betrokken en de wellicht voor henzelf geldende nadelige consequenties hebben geaccepteerd. Tenslotte kan de leden van de fractie van D66 naar aanleiding van hun vraag over het in de memorie van antwoord opgenomen overzicht van de uitkeringsbedragen worden meegedeeld dat er geen sprake is geweest van een trendbreuk in 1988 bij het wachtgeldfonds van de Bedrijfsvereniging voor de Bouwnijverheid. Bij deze bedrijfsvereniging bestaat de uitkering wegens onwerkbaar weer vrijwel uitsluitend uit uitkering wegens vorst. In de kalenderjaren 1988 en 1989 zijn relatief weinig vorstdagen voorgekomen, en dat verklaart deze lage uitkeringsbedragen in die jaren. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat inmiddels uit recentere gegevens is gebleken dat ook in 1990 door de BV Bouw een relatief laag bedrag is uitgekeerd (1,1 miljoen) doch in 1991 een aanmerkelijk hoger bedrag (12,7 miljoen).

  • Verruiming sanctietoepassing

Ik heb goede nota genomen van de opvatting van de leden van de VVD-fractie, dat zij volledig konden instemmen met de verruiming van de sanctietoepassing ingeval van verwijtbare werkloosheid.

  • Vakantiebonnen

De leden van de fracties van het CDA, de VVD en D66 brachten de bij nota van wijziging in het wetsvoorstel opgenomen bepalingen inzake het recht op uitkering bij het verzilveren van vakantiebonnen ter sprake. In dit verband stelden de leden van de CDA-fractie de vraag of het niet wenselijk was geweest, te meer daar ter zake is afgeweken van het SVr-advies, met betrekking tot dit punt, alvorens deze wijziging in te dienen, de Raad van State te laten adviseren. Met betrekking tot deze kwestie zou ik graag het volgende onder de aandacht van deze leden willen brengen, waarbij moge worden verwezen naar het schematisch overzicht van het SVr-advies, dat is opgenomen in de toelichting bij de nota van wijziging (kamerstukken 1990-1991, 21608, nr. 7, blz. 6). Uit dit overzicht blijkt, dat de noodzaak voor het treffen van een wettelijke maatregel beperkt blijft tot een minderheid van de gevallen, waarin een werknemer beschikt over vakantiebonnen. Immers ter zake van bonnen, die door de werkgever zijn verstrekt en die voor de normale vakantie worden gebruikt, voldoen de huidige bepalingen geheel. Ten aanzien van bonnen, die tijdens het ontvangen van een uitkering zijn verstrekt en voor de normale vakantie zijn bestemd, is een wettelijke regeling wenselijk, omdat de huidige bepalingen ertoe kunnen leiden, dat betrokkene enkele weken te lang uitkering krijgt. Een voordeel dat uiteraard pas gaat spelen als hij de maximumuitkeringstermijn bereikt. Ten aanzien van de bonnen over feestdagen en verplichte snipperdagen is, zoals in het schema is aangegeven, het scheppen van een wettelijk kader vereist.

Gelet op het vorenstaande en de -blijkens het SVr-advies -reeds bestaande uitvoeringspraktijk en voorts wetend dat het fenomeen vakantiebon slechts in een beperkt deel van het bedrijfsleven voorkomt, heb ik het niet nodig geoordeeld omtrent deze nota van wijziging het advies van de Raad van State te vragen, ook niet vanwege de afwijkingen van het SVr-advies. Met betrekking tot de afwijking van de door de SVr voorgestelde systematiek van dienstbetrekkingsbonnen en niet-dienstbetrekkingsbonnen hadden alle bovengenoemde fracties nadere vragen.

Ter verduidelijking en mede ter beantwoording van desbetreffende vragen van de fractie van D66 volgt hieronder een overzicht van het verschilpunt tussen het SVr-advies en de nota van wijziging.

S V r -advles

Le nota van w 1 1 z_Lj glng 1 .1

1 .2

2.1

2.2

2.3

2.4 op&chortendienstbetrekkingsbonnen

nlet

niet-dienstbetrekkingsopschorten

bonnen

opschortenwerkgeversbonnen uitkeringsbonnen zw

niet

u/tkeringsbonnen ww opschortenuitkeringsbonnen zieke werklozen bonnen die tijdens dienstbetrekking worden verstrekt bonnen die tijdens uitkering worden verstrekt, terwijl de dienstbetrekking niet voortduurt bonnen, die door de werkgever worden verstrekt

bonnen, die tijdens zw-uitkering door de bedrijfsvereniging worden verstrekt, behalve de bonnen genoemd onder 2.4

bonnen, die tijdens ww-uitkering door de bedrijfsvereniging worden verstrekt bonnen, die door de bedrijfsvereniging tijdens ziekte aan personen met een WW-uitkering worden verstrekt Uit dit overzicht blijkt, dat het verschil tussen de SVr-systematiek en die van de nota van wijziging in wezen gering is. De onder 1.1. genoemde bonnen komen volledig overeen met die onder 2.1 en 2.2. Alleen met betrekking tot de onder punt 2.3. genoemde bonnen doet zich dit verschil voor, omdat zich gevallen kunnen voordoen, dat tijdens WW-uitkering de dienstbetrekking voortduurt. Niet te ontkennen valt, dat deze bon, die voor een zekere tijdsduur voorziet in het inkomen van de betrokkene tijdens de vakantieperiode, wordt gefinancierd vanuit de werkloosheidsfondsen. Zo'n bon moet dan ook in dit licht bezien, gelijkgesteld worden met een WW-uitkering. Zou gedurende deze tijdsduur het WW-recht worden opgeschort dan kan de betrokkene als hij werkloos blijft als het ware over een te lange periode recht op WW-uitkering hebben. Ik blijf dan ook van mening, dat ik op dit punt het SVr-advies niet moet volgen. Overigens kan in antwoord op desbetreffende vragen van de VVD-fractie worden meegedeeld, dat in het SVr-advies van 6 september 1990 zonder meer is gekozen voor het onderscheid tussen dienstbetrekkingsbonnen en niet-dienstbetrekkingsbonnen. Aan een mogelijke enigszins andere benadering, zoals die welke thans in het wetsvoorstel is opgenomen, is in het advies geen beschouwing gewijd.

  • Overige opmerkingen

De leden van de VVD-fractie informeerden naar de gevolgen van de recente uitspraken van de Centrale Raad van Beroep inzake de eerste werkloosheidsdag en de beschikbaarheid voor arbeid tijdens het ontvangen van een ziekengelduitkering. Voor een uitvoerig antwoord hierop moge worden verwezen naar de eerder genoemde tweede nota van wijzigingen. De leden van de fractie van D66 kwamen terug op hun reeds in het voorlopig verslag geuite bezwaren betreffende de uitkeringsrechten van oudere WW-uitkeringsgerechtigden, die naar het buitenland wensen te vertrekken. Deze leden achten het onterecht, dat werklozen van 57'/2 jaar en ouder, die langer dan drie maanden in het buitenland verblijven doorgaans hun uitkering verliezen. Wat dit punt betreft wil ik in de eerste plaats verwijzen naar hetgeen ik hieromtrent in de memorie van antwoord heb gesteld. Met betrekking tot de opmerking van deze leden, dat de desbetreffende groep werklozen formeel door de arbeidsbureaus als onbemiddelbaar wordt beschouwd en dat voor hen geen sollicitatieplicht en geen inschrijvingsplicht geldt wil ik opmerken, dat indertijd bij de totstandkoming van de desbetreffende regels is gesteld, dat deze vrijstellingen als tijdelijke maatregel dienden te worden beschouwd en zodra de arbeidssituatie voor ouderen zou verbeteren opnieuw zouden worden bezien. Het is dan ook niet zo, dat deze vrijstellingen de betrokkene ontslaat van zijn verplichting tot het aanvaarden van passend werk. Alleen het feit, dat door de arbeidsmarktsituatie van het merendeel van deze personen, noch van henzelf noch van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie kan worden gevergd, dat zij activiteiten ontplooien, waarvan vrijwel vaststaat dat zij zinloos zijn, is de aanleiding geweest tot deze vrijstellingen te komen. Overigens gelden deze vrijstellingen niet voor alle werklozen van 57'/2 jaar en ouder. In artikel 3 van het Besluit van de SVr van 18 september 1986, Stcrt. 240, is bepaald, dat de bedrijfsvereniging bevoegd is, na advies van het arbeidsbureau, ook aan een WW-gerechtigde van 57'/2 jaar en ouder sollicitatieplicht en inschrijvingsplicht op te leggen. Uit de opmerking, die deze leden maakten naar aanleiding van hetgeen ik in de memorie van antwoord heb opgemerkt over het verschil in karakter tussen de werkloosheids-en arbeidsongeschiktheidsregelingen, leid ik af, dat ik er blijkbaar niet in ben geslaagd tegenover deze leden mijn opvatting duidelijk te maken. Ik heb met deze vergelijking slechts willen aangeven, dat bij de arbeidsongeschiktheidsregelingen het verzekerde risico arbeidsongeschiktheid is m.a.w. het medisch vastgestelde verlies van arbeidsvermogen. Zolang men ongeschikt is, maakt het dan ook niet uit waar men verblijft. Neemt de arbeidsongeschiktheid af dan wordt de uitkering herzien. Het verzekerde risico bij de werkloosheidsverzekering betreft het verlies van het werk, waarbij het beschikbaar blijven voor de Nederlandse arbeidsmarkt een voorwaarde is voor het verkrijgen van de uitkering. Zo zal een WAO-gerechtigde, die in het buitenland verblijft en wiens arbeidsongeschiktheid afneemt in tegenstelling tot zijn in Nederland verblijvende lotgenoot ter zake van die afgenomen arbeidsongeschiktheid geen recht op WW-uitkering hebben. Tenslotte betwijfelden de leden van de fractie van D66 de precedentwerking van boven 571/2-jarigen met andere kansarme groepen werklozen. Ik blijf van mening, dat deze precedentwerking aanwezig is, te meer, zoals in het vorenstaande is vermeld, niet alle boven 57'/2-jarigen zo kansarm zijn als deze leden veronderstellen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, E. ter Veld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.