Tekst

Sprekers


Aan de orde is de behandeling van: ē het wetsvoorstel Wijziging van de Organisatiewet sociale verzekering en enkele andere sociale verzekeringswetten tot invoering van een sociaal-fiscaal nummer, nadere regeling van het gegevensverkeer tussen verzekerde, werkgever en uitvoeringsorgaan en aanpassing van de geheimhoudingsbepalingen (invoering sociaal-fiscaal nummer) (20854)

De voorzitter: Door de Commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid is een eindverslag uitgebracht.

De beraadslaging wordt geopend.

©

J.H. (Jo)  FranssenDe heer Franssen (CDA): Mijnheer de voorzitter! Ook ik stel vast dat de wijziging van de Organisatiewet sociale verzekering en enkele andere sociale verzekeringswetten tot invoering van een sociaal-fiscaal nummer, nadere regeling van het gegevensverkeer en geheimhoudingsbepalingen, onder heel bijzondere omstandigheden plaatsvindt. Ik ben er overigens nog steeds van overtuigd dat de behandeling van dit wetsvoorstel, uitgaande van de ons bekende gegevens en feiten, voor 1 januari aanstaande moet plaatsvinden om al te grote risico's van ernstige vertraging te vermijden. Vertraging van de sofi-behandeling kan immers zeer nadelig werken voor vele bonafide belastingĽ en premiebetalers. Het kan ook zeer nadelig zijn voor uitkeringsgerechtigden. Wat dat betreft is het artikel "Senaat" onder "Ten geleide" in de Volkskrant van donderdag 22 december jl. alleszins lezenswaard voor alle betrokkenen; kabinet, oppositie en regeringsfracties. Hierbij maak ik wel de aantekening die ook al door mijn politieke vriend Wagemakers is gemaakt, namelijk dat er ťťn pertinente onjuistheid in staatdan gaat het om de behandeling van de Wet persoonsregistratiesdie mede debet was aan de problemen rondom het nu aan de orde zijnde wetsvoorstel. Dat de afhandeling van de WPR, die op 8 september 1987 in de Tweede Kamer werd aangenomen, hier pas vandaag aan de orde is, is een gevolg van de zeer lange tijd die het betrokken departement of de betrokken departementen namen voor de reacties op de schriftelijke inbreng van deze Kamer. Het is dus niet veroorzaakt doordat deze Kamer haar werk een jaar lang liet liggen. Ik neem aan dat de zojuist vertrokken minister hierop nog zal ingaan naar aanleiding van de opmerking die de heer Wagemakers hierover maakte. Deze staatssecretaris mag zich daarvan dan ontslagen achten. Mijnheer de voorzitter! Hoe dit alles ook zij, wij hebben het sofivoorstel in definitieve vorm sinds 1 december ter beschikking. Dat de behandeling van de WPR daaraan vandaag toch nog voorafgaat, is zeker fraai, omdat de WPR het algemene kader en de gewenste zekerheden aan geregistreerden biedt. Overigens gaat de WPR conform artikel 54, lid 1, binnen zes maanden na afkondiging gefaseerd in werking in verband met de vereiste uitvoeringswetgeving en de instelling van de Registratiekamer, met uitzondering van de paragrafen 5, 6 en 10. Die zullen nog een halfjaar later in werking treden, terwijl voor dan reeds bestaande registraties nog eens zes maanden beschikbaar blijven. (Zie de brief van de minister van Justitie, nr. 554/688.) Dit gegeven plaatst de formeel te verdedigen koppeling tussen WPR en sofi in een genuanceerd licht. In het sofiwetsvoorstel is uiteraard gestreefd naar een zorgvuldige afstemming op de WPR. Daartoe zijn de hoofdlijnen van de WPR op het punt van aanleg en gebruik van persoonsregistraties ook in het nu aan de orde zijnde voorstel neergelegd in bepalingen die concreter op de praktijk van de sociale verzekering zijn toegesneden. Wat de geheimhouding betreft, is er zelfs een verdergaande regeling met een gesloten stelsel van gegevensuitwisseling. Ook nu de WPR samen met het onderhavige wetsvoorstel per 1 januari aanstaande in werking lijkt te kunnen treden, moet er tussentijdse reglementering door de uitvoeringsorganen worden gemaakt voor bepalingen van de WPR die later van kracht worden. Daartoe behoren de onzes inziens belangrijke bepalingen inzake kennisneming en eventuele correctie, alsmede die over de inhoud van een reglement. De minister van Justitie wijst daar ook op in zijn eerder genoemde brief. Het was pas echt fraai geweest, wanneer de WPR ten minste een halfjaar voor de sofiwet in werking was getreden. Als de bewindsman dat met mij eens is, rijst de vraag: waarom heeft men dan geen ander tijdspad gekozen? Tijdens de voor deze Kamer ongewoon moeilijk procedurele weg van dit wetsvoorstel naar deze plenaire behandeling is de SVR met zijn uitvoeringsorganen niet alleen van cruciale betekenis geweest, maar ook bekritiseerd, niet alleen in dit huis, maar ook daarbuiten. De CDA-fractie wilde niet in andermans (lees: de SVR) verantwoordelijkheden treden, ook al hebben de Staten-Generaal het primaat bij de wetgeving.

Dat zou ook niet hebben gepast bij onze opvatting over maatschappelijke verantwoordelijkheden en overbelaste overheidsschouders in een verantwoordelijke samenleving. Wij achten de tripartiete raad met zijn deskundigen zeer wel in staat, dit te dragen; hoogstwaarschijnlijk doet deze raad dat beter dan de centrale overheid. De SVR heeft niet voor niets een belangrijke bijdrage geleverd aan de voorbereiding van het onderhavige wetsvoorstel. De opvatting dat de uitvoering zich maar aan het beleid, in dit geval ons beleid, moest aanpassen, is op haar minst voor discussie vatbaar. Verstandig beleid dient ernstig rekening te houden met de mogelijkheden van de uitvoering binnen de gestelde termijnen. Wie dat niet doet, bezondigt zich echt aan bureaucratie! Overigens bestond en bestaat er hier noch aan de overzijde nauwelijks meningsverschil over de doelstellingen van het wetsvoorstel als zodanig. Het draagt bij tot een efficiŽntere administratie, wat ook de dienstverlening aan de gebruiker van sociale verzekering verbetert. Ik denk aan snellere en betere verstrekkingen door verbeterde communicatie. Ik noem ook beter beheer en controlemogelijkheden en in het verlengde daarvan voorkomen en/of ontdekken van fouten en oneigelijk gebruik of zelfs misbruik door adequaat onderling berichtenverkeer. Dat laatste achten wij vooral van belang voor de meerderheid van de belas-ting-en premiebetalers die hun verplichtingen correct nakomen. Het als gevolg hiervan geraamde besparingsbedrag van ruim 500 min. structureel is niet niks, maar het is slechts een kwart van een totaalfrau-de die op 2 mld. per jaar geraamd wordt. De SVR is al sinds medio 1986 in overleg met de bedrijfsverenigingen bezig met de regels voor de inrichting en het gebruik van de verzekerdenadministraties. Het is echter ook geen sinecure, een bestand van 6 min. personen in te voeren en aan te passen. Dat men er in onderlinge samenwerking in is geslaagd, een en ander voor 1 januari aanstaande rond te krijgen, verdient grote waardering. Daarenboven is men er vergaand in geslaagd, de noodzakelijke reglementeringen, in het bijzonder gericht op de privacybescherming, af te ronden. Want hoe eenstemmig men ook over de doelstellingen van dit wetsvoorstel moge zijn, de privacy van personen lijkt ook ons een nauwelijks of niet geheel af te schermen punt. Zelfs bij optimaal beschermde systemen blijken vindingrijke geesten of menselijke tekortkomingen inbraakkansen te bieden. Met wetsvoorschriften alleen is men er niet geheel zeker van dat een en ander 100% bescherming krijgt. Ik stel het op prijs, wanneer de bewindsman hieraan nog eens een algemene beschouwing wil wijden. Ook wij hechten aan de optimale bescherming van de persoonlijke levenssfeer, die door de voortschrijdende technische ontwikkeling der registraties sterker bedreigd wordt. WPR en sofiwet kunnen die risico's zeker beperken. Adressenbestanden, gezondheidsgegevens, huishoudsamenstelling, schoolgegevens etc. vereisen de bescherming die ook dit wetsvoorstel zoveel mogelijk biedt. Mijnheer de voorzitter! De Federatie van bedrijfsverenigingen had al eerder per circulaire een model privacyreglement gedistribueerd, maar niet alle bedrijfsverenigingen zullen dat reglement per 1 januari a.s. hebben vastgesteld. Daarom heeft het presidium van de SVR een circulaire doen uitgaan ter waarborging van een adequate privacybescherming. Deze circulaire houdt onder meer in dat gegevensverstrekking aan derden -tenzij anders vermeld, zoals de Rijksbelastingdienstniet mag voordat een privacyreglement door de bedrijfsvereniging is vastgesteld en door de raad is getoetst. Uit de aanpak van de raad spreekt onzes inziens grote zorgvuldigheid. Is de bewindsman dat met mij eens? Voorzitter! Nu de WPR toch nog tijdig de wettelijke basis voor privacybescherming kan bieden, zal de sofiwet daarop voortbouwen en vanuit de volgende uitgangspunten zorg dragen voor: -de verzekerdenadministratie als persoonsadministratie; ē het gebruik van het sofinummer voor socialeverzekeringsdoeleinden; ē de berichtenstroom tussen uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen enerzijds en werkgevers en werknemers anderzijds en ē de verificatieprocedures bij de fiscus en de gemeenten. Over het laatstgenoemde punt werd overleg gevoerd met het ministerie van FinanciŽn, dat inmiddels lijkt te zijn afgerond. Wij kunnen vandaag dus de laatste obstakels voor een tijdige invoering opruimen, maar daaraan voorafgaan-de heb ik nog enkele meer specifieke vragen. Van de Bedrijfsvereniging voor Haven en aanverwante bedrijven Binnenscheepvaart en Visserij werd ook ons schriftelijk gewezen op het vervallen van artikel 12, lid 1 van de Ziektewet, artikel 11, lid 1 WAO en artikel 12, lid 1 van de WW. Daarmee zou de bestaansgrond komen te vervallen voor het Centraal Administratie Bureau van het Visserijbedrijf ca. te Umuiden in verband met het fictief werkgeverschap. Vanochtend kregen wij een brief als reactie van het departement op het schrijven van deze bedrijfsvereniging. Misschien wil de staatssecretaris deze nog eens nader toelichten, nu wij nauwelijks de gelegenheid hebben gehad om daarnaar te kijken. Ik heb in ieder geval begrepen dat de directe problemen voor deze bedrijfsvereniging zijn opgelost en dat verheugt ons. Onder de privacygevoelige gegevens nemen de medische zeker een bijzondere plaats in, die bijzondere zorgvuldigheid vereist. Ik wijs in dit verband op de artikelen 23 en 23a van dit voorstel maar ook artikel 7 WPR besteedt daaraan bijzondere zorg. Gezien het gevoelige karakter van deze informaties, zou ik de staatssecretaris willen vragen ons dienaangaande nog eens zijn visie op de bescherming te willen geven. Het voorbeeldreglement van de Sociale verzekeringsraad bevat 21 paragrafen en 61 artikelen met een negental bijlagen. Daarnaast wordt de Wet op de Sociale Verzekeringsbank met 10 artikelen uitgebreid. Ofschoon deze cijfers niet alles zeggen, mag men er wel uit afleiden hoe zwaar de Federatie van bedrijfsverenigingen aan haar privacybeschermende taken tilt. Wij hebben daar grote waardering voor. Van grote betekenis voor de privacy in verband met de in het wetsvoorstel opgenomen wijzigingen van de organisatiewet van de sociale verzekering is het geheel nieuwe hoofdstuk IVa met zijn artikelen 50a t/m 50n, waarbij de Tweede Kamer erop heeft gestaan om de algemene maatregelen van bestuur, waar genoemd, in het voorstel zelf op te nemen met de voor beide Kamers van de Staten-Generaal opgenomen termijn van 30 dagen. De wijze waarop de verstrekking van de gegevens, de geheimhouding en de strafbaarstelling in het genoemde hoofdstuk 4a plaatstvindt, geeft onzes inziens overduidelijk aan dat ernaar gestreefd is, zowel de rechten als de plichten van de verzekerden optimaal te waarborgen. Bij de vorming van een eindoordeel over dit sofi wetsvoorstel zijn zowel het advies van de Voorlopige raad voor de persoonsregistratie als de toetsing van wetgevingsprojecten door de commissie-Hirsch Ballin uiteraard mede van belang. De voorlopige raad heeft naast het uiten van kritiek, waarmee zoveel mogelijk rekening is gehouden, geconcludeerd dat invoering van het sociaal-fiscaal nummer onontkoombaar is geworden, gezien het belang van de verbetering van de uitwisseling van gegevens tussen de sociale en fiscale sector en gezien het feit dat het reeds op grote schaal gebruiken van het fiscale nummer in de sociale sector regelgeving noodzakelijk maakt. Wij zijn met de commissie-Hirsch Ballin van mening dat het onderhavige wetsvoorstel op evenwichtige wijze rekening houdt met de uitgangspunten: -bevordering van een goede uitvoering bij zo goed mogelijke bescherming van de persoonlijke levenssfeer; -goede afstemming van sociale en fiscale regelingen; ē samenhang met het rijksoverheids-beleid inzake het gebruik van administratienummers. Vrijdagavond 23 december ontvingen wij een afschrift van de brief van de SVR aan de staatssecretaris, waarin werd medegedeeld dat aan drie belangrijke randvoorwaarden is voldaan wanneer vandaag de WPR en de sofiwet worden aange nomen. De derde voorwaarde, betreffende voorzieningen bij de Rijksbelastingdienst voor verificatie van persoonsgegevens volgens de voorschriften, zijn door de SVR op 21 december vastgesteld, nadat men zich ervan heeft kunnen vergewissen dat die in maart 1989 beschikbaar zullen zijn. Daardoor kan de initiŽle vulling van de verzekerdenadministratie en het testen van die administratie als systeem per 1 januari 1989 verantwoord beginnen, schrijft de raad. Wij zijn dat met de raad eens. Ook de circulaire die de privacybescherming tijdens de fasegewijze invoering van de WPR nader aanscherpt, werd reeds vastgesteld, zoals ik al opmerkte. Men kan dus aan de slag om deze geweldige operatie tot een succes te maken. Maar het zal heel wat van alle betrokkenen vragen. Door dit wetsvoorstel te steunen, werken wij er graag aan mee dat tot een afgeronde administratie 1989 gekomen kan worden. Daarna zullen waarschijnlijk nieuwe belangrijke taken wachten in het kader van de belasting-en premiehervorming, ook al is opnieuw gebleken dat vereenvoudiging van wetgeving niet gemakkelijk is. Billijkheid, rechtvaardigheid, doelstellingen en doelgroepen vereisen vaak fijnmazigheid, waarvan ook dit goede wetsvoorstel weer een voorbeeld is. De verfijning moet het wel eens van de deregulering winnen.

©

H.F. (Han)  HeijmansDe heer Heijmans (VVD): Mijnheer de voorzitter! Ik begin de bijdrage van mijn fractie aan dit debat met een uiteenzetting van de motieven die ons tot het besluit hebben gebracht, het voorliggende wetsontwerp vandaag te behandelen. Hierbij komen, overigens in grote lijnen, de wat meer in het verleden liggende voorgeschiedenis van en de recente gebeurtenissen rond dit wetsontwerp ter sprake. Laat ik aanvangen met een constatering: het begin van alle narigheidwant zo mag ik het toch wel noemenligt in de veel te late indiening van het wetsontwerp, namelijk op 28 september. Dit late tijdstip leidde tot een min of meer geforceerde behandeling aan de overzijde. Het leidt nu tot een te geforceerde behandeling in dit huis. Dat late tijdstip van indiening wordt de laatste weken wat verdoezeld door alles wat zich rond de sofiwet heeft afgespeeld en zich nog steeds afspeelt. Daarom wil ik hierop met enige nadruk wijzen. Ik kom er overigens nog op terug. Uitgangspunt voor mijn fractie is vanaf het begin geweest dat uit een oogpunt van zorgvuldige wetgeving de Wet persoonsregistraties door dit huis moet zijn aanvaard, voordat wij zouden kunnen beginnen met de behandeling van de sofiwet. Het gebeurt nu dakpansgewijze, maar het effect zal uiteindelijk hetzelfde zijn: eerst afwerking van de WPR, daarna van de sofiwet. Toen het College van Senioren besloot om de WPR op 24 januari te behandelen, heeft mijn fractie ingestemd om eraan mee te werken dat voor dezelfde datum het onderhavige wetsontwerp zou worden geagendeerd, ondanks de maning tot spoed van de staatssecretaris die overigens een weinig consistente visie op de noodzaak van die spoed bleek te hebben. Een dag na het besluit van senioren kwam de Sociale verzekeringsraad in actie. Hij gooide een aantal argumenten op tafel en hij voegde er een dreigement aan toe. Kort en goed kwam het hierop neer. Omdat bij de behandeling van het wetsontwerp op 24 januari een vervuiling van het bestand dreigde, zou de verzekerdenadministratie een jaar moeten worden verschoven. Ik moet zeggen dat de aangevoerde argumenten van de SVR op mijn fractie weinig indruk maken, dit bij voorbeeld omdat de schatting van de hoeveelheid "vuil" bleek te berusten op niet meer dan een gevoelen naar aanleiding van enkele telefoontjes. Bovendien waren er, zo werd gezegd, technische noch juridische argumenten die zich tegen de datum van 24 januari verzetten. Toen bleek dat dit huis bezwaren bleef houden tegen een meer vroegtijdige behandeling -in gesprekken werd nog wel als compromis 10 januari genoemd, maar volgens de staatssecretaris zou de SVR hiermee evenmin akkoord gaankwam plotseling als een laatste dreigement Oort bijna als een duveltje uit het bekende doosje gezwiept: uitstel van de verzekerdenadministratie zou de belastingoperatie in 1990 op het spel zetten. Toegegeven, Oort was eerder genoemd, ook in de memorie van antwoord en de nota naar aanleiding van het eindverslag aan de overzijde. In de nota van de SVR 3/337-een onderliggend stuk voor het te nemen raadsbesluit om de verzekerdenadministratie al dan niet onder stoom te zettenwordt hierover slechts het volgende gezegd: De Federatie (van Bedrijfsverenigingen) is van mening dat vertragingen in de afhandeling van de sofiwet respectievelijk het op gang komen van de berichtenstroom Melding BV. geen positieve invloed zullen hebben op de mogelijkheden tot voorbereiding van de belastinghervorming (Oort). Voorzitter! Een dergelijke negatieve formulering in een nota, die ook nog drie weken na de genoemde nota naar aanleiding van het eindverslag verscheen en die dus de meest actuele informatie moest bevatten, gaf ons geen aanleiding tot ongerustheid. Bovendien hoorde Oort niet tot de argumenten die de SVR als vurige kolen op onze senatoriale hoofden probeerde te stapelen. Vorige week dinsdag bleek dat dit huis, om aan de bezwaren van de SVR tegemoet te komen, bereid was om de sofiwet op 10 januari, ja zelfs op 3 januari te behandelen. Maar ook dit laatste voorstel stuitte af op de toch wel brute, bijna ultimatieve weigering van de voorzitter van de SVR. "Voor de eerste knal van het vuurwerk zult gij..." Dit ook ondanks de mededeling van de computerdeskundige van het GAK in De Volkskrant van 17 december: "Een paar dagen uitstel kan." Ook De Telegraaf bericht vandaag dat de organisaties van werkgevers die mening zijn toegedaan. Toen knapte het bij de oppositie. Ik moet zeggen dat ik daar meer dan begrip voor heb, buiten beschouwing latend de merites van haar besluit om vandaag niet te verschijnen. Ik heb met aandacht geluisterd naar de opvattingen van de heer Steenkamp, als voorzitter van dit huis, hierover. Immers, in het standpunt van de raadsvoorzitter is geen enkele ratio te vinden. Een behandeling op 3 januari kan geen bestandsvervuiling veroorzaken, laat staan een significante. Op dit punt aangekomen, wil ik aan de staatssecretaris vragen of en, zo ja, met welke graad van intensiteit, hij heeft geprobeerd om de SVR enige souplesse aan te praten. Ik ken eigenlijk zijn antwoord wel. "Ik heb geen enkel machtsmiddel om de raad te dwingen", zal hij zeggen. Dat weet ik, maar het laat onverlet dat hij zijn overredingskracht zou hebben kunnen aanwenden. En dat deze niet gering is, weten wij uit ervaring. Ik zou in dit verband de staatssecretaris ook willen vragen hoe hij enerzijds zijn optreden jegens ons en anderzijds zijn vrijblijvende houding ten opzichte van de SVR kan rijmen met de opmerking van de minister-president tijdens de laatste algemene beschouwingen in dit huis: "Als er onverhoopt toch een vrij beperkte tijd beschikbaar isdat moet een uitzondering zijn en mag beslist geen regel wordendan zal er overleg moeten plaatsvinden over de vraag of het al dan niet verantwoord is tot behandeling over te gaan. Daar wil ik dus niet op afdingen." Vindt de staatssecretaris dat hij "overleg" heeft gepleegd? Zijn optreden in dit huis kreeg in elk geval contraproduktieve effecten. Mijnheer de voorzitter! Ik denk dat de kern van het probleem hierin ligt. Wie zijn specifieke verantwoordelijkheid naar inhoud verengt en daardoor impliciet naar werkterrein verruimt, dreigt inbreuk te maken op andermans verantwoordelijkheid. Dat is onverantwoordelijk, omdat dan het dragen van gezamenlijke verantwoordelijkheid onmogelijk wordt. Dit heeft naar het oordeel van mijn fractie de SVR gedaan door zijn weigering, akkoord te gaan met een behandeling op 3 januari. Op het verschijnsel dat een benoemd orgaan, dat geen verantwoording behoeft af te leggen, de gekozen medewetgever een -ik durf het zo toch wel te noemenultimatum stelt, past slechts de gevleugelde woorden van de minister-president: eens, maar nooit meer. Waarom heeft mijn fractie toegestemd, het wetsontwerp vandaag toch te behandelen? Het is bekend dat wij zeer veel waarde hechten aan de belastingoperatie. Wij willen dan ook niet riskeren dat deze als gevolg of mede als gevolg van ons doen en laten in gevaar komt. Of dat gevaar in dit geval reŽel aanwezig is, berust op een taxatie, en een inschatting onttrekt zich nu eenmaal aan een op rationele grondslagen stoelende kwantificering. Kort en goed: mijn fractie wilde, nadat er uitvoerig over was gesproken, het risico niet nemen. Hier komt uiteraard bij dat ook het tegengaan van fraude vertraging zou krijgen, wanneer de verzekerdenadministratie een jaar naar achter zou worden geschoven. Ook hier kom ik nog op terug. Onverlet bleef desalniettemin de voorwaarde van tenminste een gelijktijdige behandeling van de WPR. Bovendien moest de vraag worden beantwoord of een agendering van de sofiwet tussen kerst en nieuwjaar zou voldoen aan de eisen van zorgvuldigheid. Het kost mij geen moeite, evenmin als het de heer Franssen moeite heeft gekost, om op deze laatste vraag met een volmondig "ja" te antwoorden. Een vergelijking met de Harmonisatiewet gaat dan ook niet op. Deze werd immers slechts een week eerder door de overzijde aangenomen en op het moment dat dit huis die wet behandelde, ontbraken nog relevante stukken. De Tweede Kamer heeft de sofiwetnogmaals: na een wat geforceerde behandeling -op 1 december aanvaard. Ongeveer vier weken geleden dus. Alle kamerstukken hebben ons bereikt. Ik herhaal dat de agendering op 24 januari slechts samenhing met de behandeling van de WPR op die dag. Dat voor de sofiwet geen schriftelijke voorbereiding heeft plaatsgevonden, is een besluit van de Commissie sociale zaken, dat werd ingegeven door het feit dat alle trammelant van de laatste weken zo'n procedure wel erg weinig zinvolle mogelijkheden liet. Maar dit staat los van de omstandigheid dat de tijd voor het bestuderen van het ontwerp-zij het aan de krappe kanttoch wel aanwezig was. Wij hebben het heel vaak veel erger meegemaakt. Gezien de inzet van het pokerspelwant dat was het toch geworden-en gezien de positieve invulling van de randvoorwaarden, besloot mijn fractie weliswaar de zwakste-of in feite toch niet-maar in elk geval de meest wijze te willen zijn. Voorzitter! Het is bekend dat de SVR op 1 5 december jongstleden de beslissing over het aanleggen van noodverbanden uitstelde tot 21 december, wanneer zekerheid was verkregen over de agendering van het wetsvoorstel door de Eerste Kamer. Een merkwaardige beslissing, omdat voor dit huis een van de voorwaarden voor behandeling was dat de raad tot het aanleggen van die noodverbanden zou hebben besloten. En zo gingen wij krijgertje spelen. Ik vraag mij af waarom op die vijftiende geen geclausuleerde beslissing is genomen; een "ja, tenzij" of voor mijn part een "neen, mits". Dat zou ons huis in ieder geval enige zekerheid hebben gegeven, zij het dat dit niet van doorslaggevende betekenis was. Gaat het hierbij om psychologisch of bestuurlijk onbegrip of gaat het om "kinnesinne"? Wie dit laatste woord in de mond neemt, plaatst zich op de drempel van het duistere rijk van speculaties met zijn vele dwaalwegen. Ik beperk mij dan ook tot enkele feiten, in de hoop dat de staatssecretaris straks op de verbanden tussen die feiten zal kunnen en willen ingaan. Het is bekend dat de bedrijfsverenigingen destijds nogal hebben tegengestribbeld toen zij het verzoek kregen een verzekerdenadministratie in te richten. Het was in de tijd dat de stelselherziening uitvoeringstechnisch moest worden voorbereid en het werd allemaal een beetje veel van het goede. Tussen haakjes: niet alleen van die kant werden bezwaren geuit, zij het op andere gronden. Ik herinner mij dat mijn toenmalige fractievoorzitter, Zoutendijk, aan de staatssecretaris indringende vragen heeft gesteld en dat de bewindsman een hele kluif heeft gehad aan de beantwoording daarvan. Enkele weken voordat die stelselherziening in dit huis werd behandeld, sprak professor Breevoord -een erkend deskundige op het gebied van de automatiseringop de jaarvergadering van de Federatie van bedrijfsverenigingen. Op dat moment was de datum van invoering van de verzekerdenadministratie nog 1 januari 1987. Breevoord hield de bedrijfsverenigingen toen voor dat zij te defensief waren. Zij moesten zeggen: "heer staatssecretaris, wat U nu vraagt is niet zinnig haalbaar en is in strijd met de meest fundamentele eisen van zorgvuldigheid en betrouwbaarheid bij het ontwikkelen van nieuwe systemen." Dit was nadat de staatssecretaris voor de eerste en enige keer tot nu toedit was overigens al twee jaar eerder gebeurd, namelijk in april 1985-de SVR een aanwijzing voor de inrichting van de verzekerdenadministratie had gegeven. Je zou bijna van rebellie spreken! Professor Breevoord is lid van de SVR; dit voor een goed begrip van de situatie. Wanneer dan later blijkt dat, hoewel de ingangsdatum twee jaar is verschoven, de staatssecretaris op zijn beurt zijn huiswerkzijn wetsvoorstel dusnog niet op tijd klaar heeft, zijn irritaties begrijpelijk. Dit te meer omdat de stuurgroep voor het project medio 1987 startte. In die stuurgroep zaten ambtenaren van Sociale Zaken en het departement kon dus van dag tot dag op de hoogte zijn van de vorderingen en van de krimp in de tijd die resteerde voor wetgeving. Die irritaties van de raad dienen zich echter te richten op de Nieuwe Uitleg en ze moeten niet aan het Binnenhof worden geadresseerd, zeker niet op de manier waarop dit vorige week is gebeurd. Voorzitter! Niet vrij van ironie is het feit dat dit alles zich afspeelt rond een wetsvoorstel dat niet omstreden is en dat dan ook met overgrote meerderheid aan de overzijde is aanvaard. Mij heeft tot nu toe geen verzoek bereikt om ons ertegen te verzetten. Dit is toch wel opvallend bij een gevoelige materie als deze. De sofiwet werkt aanvullend op de WPR. Zij is als het ware een nadere specificatie, een "toescherping" van deze wet op het gebruik van het sociaal-fiscaal nummer. De Tweede Kamer heeft bovendien enkele amenderingen ten goede aangebracht. Ik noem het tenminste jaarlijks geven van een overzicht aan degenen die in de administratie zijn opgenomen, het schild van het "redelijkerwijze weten" voor verzekerden en uitkeringsgerechtigden en het aan de Staten-Generaal voorleggen van de algemene maatregel van bestuur voor het verstrekken van gegevens voor wetenschappelijk onderzoek en statistiek. Wat het laatste betreft is de sofiwet een aanzienlijke verbetering ten opzichte van de belastingwetgeving, waarin is bepaald dat een ministeriŽle beschikking hiervoor voldoende is. En ook daar leven wij al enkele jaren in vrede mee. Ik breng in herinnering dat de Sociale verzekeringsraad en de staatssecretaris op het standpunt stonden dat de WPR in werking moest zijn getreden voordat het sofinummer zou kunnen worden ingevoerd. De Sociale verzekeringsraad heeft zich op dit punthet was een van de drie randvoorwaarden voor het starten van de verzekerdenadministratiesoepel opgesteld en was bereid, nu de relevante artikelen van de WPR pas medio 1989 in werking kunnen treden, "noodverbanden" aan te leggen: voor het nog ontbrekende toezicht van de Registratiekamer; voor het nog ontbreken van de wettelijke verplichting om privacyreglementen aan te nemendit zowel voor de uitvoeringsorganen als voor de publiekrechtelijke organen buiten de sociale verzekeringswereld-en ten slotte voor de rechtsbescherming. Die "noodverbanden" zijn op het allerlaatste nippertje, op 21 decenv ber, gelegd. Toch rijzen er in dit verband wel enkele vragen. Waarom wordt in de reeds genoemde nota van de Sociale verzekeringsraad 3/337 gesproken van een "zo veel als mogelijk" tegemoet komen om de gaten te vullen die vallen tot de inwerkingtreding van de betrokken artikelen in de WPR? En is de mededeling in dezelfde nota, dat het presidium "veronderstelt" dat een beroep op de rechter kan worden gedaan, een formulering die voldoende handen en voeten heeft? In het verlengde van deze vragen, voorzitter, zou ik graag van de staatssecretaris willen weten, welke staatsrechtelijke betekenis moet worden gegeven aan de door hem in zijn brief van 8 december aan de SVR gedane mededeling, dat hij zich politiek verantwoordelijk acht voor de inwerkingtreding van de verzekerdenadministratie op 1 januari, zonder dat aan de door de raad gestelde randvoorwaarden geheel is voldaan. Gaat het hier in feite niet om een volstrekt overbodige mededeling? Ik zou de staatssecretaris nog enkele vragen willen stellen over de betekenis van de "noodverbanden" en dan speciaal in relatie tot de procesgang. Is mijn conclusie juist dat de verzekerdenadministratie, omdat geheel of nagenoeg geheel 1989 nodig zal zijn voor de invulling ervan, het volgende jaar nog niet operationeel wordt? Gebeurt de acceptatie pas wanneer het sommetje jaaropgave 1988 + MBV = jaaropgave 1989 blijkt te kloppen? Dan zijn wij reeds enkele maanden in 1 990 en dan zijn de relevante artikelen van de WPR al een tijdje in werking. Is het juist dat het gebruik van de verzekerdenadministratie, dus ook de toegankelijkheid van de gegevens voor andere uitvoeringsorganen, dan pas in werking treedt? Wie heeft tot die datum inzage in de gegevens? Zijn dat alleen zij die deze moeten intoetsen? Of zijn deze toch al beschikbaar dan wel bereikbaar voor derden? In verband hiermee staat mijn vraag wanneer de verzekerden en uitkeringsgerechtigden voor het eerst een overzicht van hun in de administratie opgenomen gegevens krijgen. Gebeurt dit successievelijk of in ťťn klap, na acceptatie van het systeem? Hiermee hangt, denk ik, het tijdstip samen waarop de rechtsbescherming actueel wordt. In dit verband wil ik nog een andere vraag aan de staatssecretaris stellen. Waarop baseert hij zijn mededeling dat de verzekerdenadministratie in 1989 330 min. netto zal opbrengen als gevolg van de bestrijding van fraude? Naar mijn mening is die opbrengst nul komma nul cent. Dit is mij van de kant van het GAK bevestigd. Immers, het volgende jaar wordt de administratie alleen ingevuld en is zijik heb het al gezegdnog niet operationeel. Ik sluit natuurlijk niet uit dat de opgave van het sofinummer enige preventieve werking zal hebben. Dit neemt overigens niet weg dat een verschuiving met een jaar het structurele effect van de gehele operatie ook met een jaar zal vertragen. De becijferingen van de staatssecretaris zijn aan de overzijde in twijfel getrokken. De woordvoerders noemden ze daar met een mooi woord "tentatief". Voorzitter! Vanuit mijn wantrouwen tegen cijfermatige toekomstkijkerij, zeg ik: er zijn voorspellers-en daar horen het CPB maar ook de weerman bijdie met enig aplomb zeggen hoe het straks zal zijn. Je kunt er echter met een redelijke zekerheid tot overleven vergif op innemen dat het allemaal niet uitkomt. Ik behoef de staatssecretaris maar te herinneren aan zijn voorspelling over de financiŽle effecten van de stelselherziening. Natuurlijk hecht mijn fractie er zeer aan, dat fraude wordt aangepakt; de door de staatssecretaris genoemde bedragen relativeert zij echter vooralsnog. Voorzitter! Het is mij opgevallen dat de redactie van het geheimhoudingsartikel 50g veel stringenter is dan de formulering van de geheimhoudingsbepalingen in de door ons onlangs aangenomen "Stroomlijningswet" die dezer dagen onder nummer 572 in het Staatsblad stond. Kan de bewindsman zeggen, waarom in de sofiwet is afgeweken van deze formulering? Hadden de artikelen in de wet van 1 december niet een zelfde redactie kunnen of moeten hebben, al was het alleen maar om te stroomlijnen? Of bestonden hier bezwaren tegen? Aan de overzijde is uitvoerig gepraater is zelfs een motie over aangenomenover een koppeling tussen de bestanden van de toekonv stige GBA en die van de sociale verzekeringen. Er is ook gesproken over de wenselijkheid, het A-nummer hetzelfde te laten zijn als het sofinummer. Dit zou dan het "sofianummer" moeten worden. Je zou hiervan echter een anagram kunnen maken en kunnen komen tot "asofinummer". Dat doet dan denken aan het Griekse "asophos": niet wijs, niet verstandig. Ik ben van mening dat het inderdaad niet zo verstandig is, nu al te speculeren over wat er straks moet gebeuren. Ik ben het helemaal met de staatssecretaris eens dat een afwachtende houding voorlopig de voorkeur verdient. Er zijn nu eenmaal verschillen in benadering tussenom het maar heel zwartwit te zeggentechnocraten en ethici. Meer duidelijkheid over de gevolgen van een dergelijke koppeling is dan ook een eerste vereiste. Ik besef dat ik mij enigszins op het terrein van het vorige wetsontwerp begeef, als ik stel dat het op zichzelf niets bijzonders is, opgenomen te zijn in een administratie. Dat begint al met het op de lat laten schrijven bij kruidenier of kroegbaas, een administratieve handeling. En kregen wij onlangs niet een kerstkaart van een overigens uitstekend Haags restaurant, doodeenvoudig omdat wij nu eenmaal op een lijst staan? De handadministratie maakt steeds vaker plaats voor een administratie op een mini-of personalcomputer. Zo kan de tandarts op zijn scherm zien hoeveel vals en hoe weinig echt de patiŽnt meedraagt, de dokter kan zien of de blinde darm naar links of naar rechts kronkelt en de kapper welke shampoo de geachte clientŤle gebruikt. Dit alles wordt pas eng, wanneer de bestanden grijsdus buiten de wettelijke bescherming en ongereglementeerdzouden worden gekoppeld. Laten wij daarom de uitwerking van de WPR afwachten, alvorens in het bijzonder de overheid het voortouw neemt, bij voorbeeld door sofia te verwekken. Aan de staatssecretaris stel ik nog de volgende vraag, die minder onnozel is dan op het eerste gezicht misschien lijkt. Zij ligt in het verleng-de van de opmerking die ik zojuist maakte. Heeft de staatssecretaris, de SVR of wie dan ook, ergens een potje met virus staan of een pondje buskruit in voorraad om het hele bestand op te blazen wanneer wij een herhaling van mei 1940 zouden beleven? Een bescherming tegen een bezetter tref ik bij de veiligheidsmaatregelen in het onderhavige wetsontwerp niet aan. Of wordt zoiets elders geregeld? Ik kan mij voorstellen dat het moeilijk is, nader op dit aspect in te gaan, juist om redenen van veiligheid. Als de staatssecretaris zegt dat hieraan is gedacht en dat maatregelen zijn genomen, dan ben ik tevreden. Ten slotte vraag ik de staatssecretaris of het juist is dat ook voor de volksverzekeringen een verzekerdenadministratie wordt overwogen. De stukken voor de Tweede Kamer gaven mij hier geen duidelijk uitsluitsel over. Of kan straks nauwer dan voor de werknemersverzekeringen mogelijk is, worden aangesloten bij de GBA? Als ik het goed zie, is voor de AOW als extra handeling alleen een administratie nodig voor niet-verzekerde tijdvakken. Hiervoor bestaat sinds jaar en dag het Bureau beperkte registratie van de Sociale verzekeringsbank. Moet een kind bij zijn geboorte in een administratie, omdat het wellicht straks zelf kinderen zal krijgen? Voorzitter! Mijn fractie zal het wetsontwerp graag steunen, als de gestelde vragen ten minste naar tevredenheid beantwoord zijn. Ik weet dat ik wat harde opmerkingen heb gemaakt aan het adres van de staatssecretaris, maar ik meen dat wij toch zo met elkaar moeten kunnen omgaan. Persoonlijk wens ik hem dan ook het komende jaar veel "sophia" toe -veel wijsheid-en hem en zijn gezin veel geluk.

©

H.G. (Driekus)  BarendregtDe heer Barendregt (SGP): Mijnheer de voorzitter! Deze Kamer vergadert vandaag op een blijvend ongebruikelijke datum, met een ongebruikelijke absentie en, jammer genoeg, ondereen niet-ongebruikelijke druk. Die druk is afkomstig van vele kanten. Zo heeft de regering op deze Kamer zware druk uitgeoefend om het nu geagendeerde wetsvoorstel nog dit jaar te behandelen. Daarbij is de regering weer onder druk gezet door de SVR, die grote problemen op zich af zag komen als het sofinummer niet op 1 januari wettelijk zou zijn geregeld. Lange tijd bestond er over de noodzaak daarvan onzekerheid en nog steeds heerst er een verdeelde opvatting over de noodzakelijke afhandeling voor het einde van dit jaar. Uiteindelijk heeft een meerderheid in deze Kamer toegegeven aan de uitdrukkelijke wens van de regering om het wetsvoorstel vandaag te behandelen. Hoewel de SGP door zich democratisch noemende partijen zo nu en dan wordt afgeschilderd als een ademocratische partij, heeft zij zich niet gedistantieerd van een behandeling die door een meerderheid in deze Kamer werd gewenst. Daar komt nog bij dat wij vandaag tegemoet komen aan een uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer, in het bijzonder de fractie van de PvdA in die Kamer, om het sofinummer niet eerder in te voeren dan nadat het wetsvoorstel inzake de persoonsregistratie tot wet zou zijn verheven. Een motie van de PvdA daaromtrent zweeft tijdens dit reces rond in de Tweede Kamer en boven de regering. Deze Kamer voldoet vandaag aan de uitdrukkelijke wens van de PvdA door het wetsontwerp inzake de persoons registratie zelfs voorafgaand aan de sofiwet af te handelen. Wij hebben ons vanaf het begin achter deze volgorde gesteld en zijn de fractie van de PvdA in de Tweede Kamer dan ook erkentelijk voor haar initiatief. De invoering van het sofinummer is in de Tweede Kamer met een overgrote meerderheid aanvaard en het ziet ernaar uit dat de aanwezige leden van de Eerste Kamer vandaag unaniem dit wetsvoorstel zullen aanvaarden. Dit zal de regering deugd doen maar de noodzaak van de voorgestelde wetgeving ligt in de grond van de zaak in de ondeugd die in ons allen woont. Deze wetgeving is gericht op het bestrijden van de menselijke ondeugd die in de Tien Geboden van Gods Wet wordt verboden. Het achtste gebod luidt immers: Gij zult niet stelen. In de Heidelberger Catechismus wordt dit gebod nader geconcretiseerd. Daarin wordt niet alleen het stelen veroordeeld maar ook alle gierigheid, alle misbruik en verkwisting van gaven. De overheid als Gods dienaresse is verordend uit oorzaak van de verdorvenheid van het menselijke geslacht opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde en dat alles met goede orde onder de mensen toega.

De staatssecretaris heeft in de Tweede Kamer de noodzaak van het sofinummer in deze zin verklaard maar heeft de principiŽle overwegingen, door mij genoemd, tot nu toe onbesproken gelaten. Gelukkig is er nog een Eerste Kamer, waarin de regering alsnog op deze principiŽle kant van het wetsvoorstel kan ingaan. Wij wachten zijn reactie af. Naast de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en toeslagen, bestaat het voornemen om de administratieve gegevens van zes miljoen mensen te bundelen en daarmee een inzicht te krijgen in de verhoudingen tussen werkgever, werknemer en uitvoeringsorgaan. Het is een gegevensbestand dat zeer omvangrijk zal zijn maar ook door de geschatte ťťn miljoen mutaties per jaar een bron van gegevens zal opleveren die een beter zicht op de ontwikkeling van de arbeidsmarkt geeft. Een vraag die zich hierbij opdringt, is of het sofinummer ook een bijdrage kan leveren aan het opschonen van het werklozenbestand. Dat zou een bijkomend voordeel kunnen zijn. Naast de voordelen van een betrouwbare registratie bestaan er vele bedenkingen tegen een "vernummerde" samenleving waarbij de privacy van de burger in gevaar komt. Dat gevaar doet zich voor als verschillende admmistratienummers, die voor verschillende doeleinden worden gebruikt, samengevoegd worden in ťťn dossier. Van vele zijden is bij de behandeling in de Tweede Kamer op deze ongewenste ontwikkeling gewezen en de regering op het hart gebonden, niet tot verdere concentratie van persoonsgegevens over te gaan. De staatssecretaris heeft hierop min of meer ontwijkend gereageerd in die zin, dat hij die vraag nog niet kon beantwoorden, omdat er eerst een zorgvuldige afweging zou dienen plaats te vinden. Wat moet er dan tegen elkaar worden afgewogen, zo vraag ik hem. Welke factoren en elementen zullen daarbij worden betrokken? De staatssecretaris heeft gesteld dat er op dit moment geen behoefte bestaat aan een nader onderzoek naar mogelijkheden tot integratie. Welke motieven kunnen of zullen er moeten zijn alvorens er wel behoefte ontstaat aan een nader onderzoek? Gelezen de terminologie die de staatssecretaris in de Tweede Kamer hanteerde, bekruipt mij de vrees dat wij bij de aanvaarding van dit wetsvoorstel in feite de eerste stap zetten op de weg die leidt naar een volledige integratie van alle bestanden. Ik weet, vrees is een slechte raadgeefster, maar daarom vragen wij de staatssecretaris, geen raadsels op te geven, maar duidelijk raad te geven, zodat onze vrees kan worden weggenomen. Wij zouden graag zonder reserves voor dit wetsvoorstel stemmen. Een duidelijk antwoord kan daaraan bijdragen. Nog een vraag daarbij is of de materie nog in het kabinet besproken is na de behandeling in de Tweede Kamer. Voorzitter! Het is duidelijk geworden dat er voor alle belangrijke gegevensverstrekkingen een AMvB komt, die aan de Tweede Kamer zal worden voorgelegd. Dat lijkt mij in dit geval een juiste procedure. Hoe denkt de staatssecretaris deze Kamer daarbij te betrekken? Naast de beveiliging van de persoonlijke levenssfeer is de beveiliging van de geautomatiseerde gegevensbestanden een groot goed, dat alle aandacht verdient. Zijn hierover reeds schriftelijke afspraken gemaakt met de toezichthouder, te weten de Sociale verzekeringsraad? Het lijkt ons niet overbodig dat vroegtijdig te doen, aangezien is gebleken dat deze raad een eenmaal ingenomen standpunt niet snel loslaat. Standvastigheid is een deugd, maar halsstarrigheid valt niet onder deze kwalificatie. Om dat laatste te voorkomen zijn tijdige en duidelijke afspraken gewenst. Kan de staatssecretaris ons hierover geruststellen? Afgelopen vrijdagavond zijn wij in kennis gesteld van het standpunt van de Sociale verzekeringsraad dat er geen problemen ontstaan met de uitvoering, nu deze Kamer heeft besloten beide wetsvoorstellen voor 1 januari 1989 af te handelen. In de brief die wij ontvingen wordt tevens melding gemaakt van de vaststelling van een circulaire inzake de privacybescherming. Daarbij wordt vermeld, dat eerdere voorschriften ter zake nader zijn aangescherpt. Waaruit die nadere aanscherping bestaat blijft helaas onbesproken. Aangezien wij in de veronderstelling verkeren dat de staatssecretaris hiervan wel op de hoogte is, verzoeken wij hem hierover nadere mededelingen te doen. Het heeft ons overigens bevreemd dat de SVR de Kamer daarover niet zelf nader heeft geÔnformeerd. De SVR heeft toch geen geheimen te bewaren die de Kamer niet behoeft te weten? In de Tweede Kamer bestond verschil van opvatting over de materiŽle resultaten die met het sofinummer zouden kunnen worden bereikt. Uit de reactie van de staatssecretaris daarop is overduidelijk gebleken, dat slechts 20% van de veronderstelde fraude zal kunnen worden bestreden. Dat leidt vanzelfsprekend tot de vraag welke voornemens er bij de regering leven om het resterende deel ook te bestrijden. Is de staatssecretaris bereid en in staat om daarover ook nadere inlichtingen te verschaffen? Het sofinummer heeft twee kanten, een immateriŽle en een materiŽle. Beide verdienen de volle aandacht. Voorkomen dient te worden dat met het voorstel wel een stap vooruit wordt gezet op het terrein van de efficiency, maar tegelijkertijd een stap terug wordt gezet op het gebied van de privacy. Dan zouden wij in feite meer immaterieel verlies lijden dan materieel winst boeken. Wij zouden het op prijs stellen als de regering ons ook op dit punt kan geruststellen, want bonafide burgers mogen niet lijden onder maatregelen die erop gericht zijn, de malafide burgers te beteugelen. In de brief van de Sociale verzekeringsraad van 22 december 1988 wordt 1989 bij voorbaat een succesvol jaar genoemd. Wij willen er echter op wijzen, dat het streven naar succes toch tot de nodige spanningen bij betrokkenen kan leiden. Het bedrijfsleven zal goed moeten worden voorgelicht. Is ook daarover overeenstemming bereikt met de SVR? De uitzendbureaus, die als paddestoelen uit de grond zijn gerezen, vallen toch zeker ook onder de meldingsplicht in het kader van deze wetgeving? Wij willen daar in ieder geval voor pleiten. De staatssecretaris zal begrepen hebben dat wij niet afwijzend staan tegenover dit wetsvoorstel. Alvorens er echter mee in te stemmen, willen wij graag nader geÔnformeerd worden over een aantal zaken. Wij hebben nog enkele reserves en met belangstelling zien wij daarom de reactie van de staatssecretaris tegemoet.

©

J. (Jan) van der JagtDe heer Van der Jagt (GPV): Mijnheer de voorzitter! Ik spreek mede namens de fractie van de RPF. Andere sprekers hebben al uitgebreid hun ongenoegen geuit over de agendering op deze dag. Kortheidshalve sluit ik mij daarbij aan. Mijnheer de voorzitter! Het was een logisch besluit om de op de groene agenda voorkomende volgorde van de twee vandaag te behandelen wetsvoorstellen om te keren. Het is immers de Wet persoonsregistraties die een wettelijke basis biedt voor de bescherming van de privacy van de burger. De wijziging van de Organisatiewet sociale verzekering, die nu aan de orde is en die onder meer de invoering van een sociaal-fiscaal nummer regelt, werkt aanvullend op de Wet persoonregistraties. Vandaar dat ook steeds bepleit is, eerst de Wet persoonsregistraties te behandelen en daarna de invoering van het sofinummer. De uitvoeringsorganen zijn nu wettelijk verplicht tot het opstellen van privacyreglementen. Hetzelfde geldt voor de publiekrechtelijke organen buiten de wereld van de sociale verzekeringen. Het zal duidelijk zijn, dat de vaststelling van deze reglementen zo snel mogelijk moet plaatsvinden voor zover dat nog niet is gebeurd. De staatssecretaris heeft in de Tweede Kamer meegedeeld, dat de uitvoeringsorganen hun privacyreglementen voor 1 januari 1989 zullen hebben vastgesteld. Die reglementen moeten gebaseerd zijn op de Wet persoonsregistraties. Uit de ons toegezonden concept-brief, die de SVR van plan was te versturen aan de bedrijfsverenigingen, blijkt evenwel dat nog niet elke bedrijfsvereniging beschikt over zo'n reglement. Uit de concept-brief blijkt overigens, dat de SVR eventuele tijdelijke risico's op dit punt voldoende heeft afgedekt. Is het de staatssecretaris bekend of de SVR deze concept-brief in de extra raadsvergadering van 21 december jongstleden in de voorgestelde vorm heeft goedgekeurd en verzonden? Als dat het geval is, geloof ik dat de bescherming van de privacy van de burgers goed geregeld is. Omdat een enkel onderdeel van de Wet persoonsregistraties pas een half jaar na vaststelling in werking treedt, is de rechtsgang van de burgers nog niet voor de volle 100% sluitend. Uit de brief van de minister van Justitie d.d. 7 december 1988 maak ik evenwel op, dat ook dit risico voldoende is afgedekt. Tot slot zou ik graag van de staatssecretaris vernemen, of het recht van kennisneming en verbetering afdoende is gewaarborgd. Wat het toezicht betreft, heb ik uit de brieven van de Sociale verzekeringsraad begrepen, dat deze raad effectief het toezicht zal uitoefenen op een correcte uitvoering door de uitvoeringsorganen. Mijnheer de voorzitter! Na deze algemene opmerkingen zou ik graag met de staatssecretaris van gedachten willen wisselen over het wetsvoorstel zelve en wat daarover in de Tweede Kamer te berde is gebracht. De omvang van de ingeschatte fraude in de sociale verzekeringssfeer is aan de overzijde uitgebreid aan de orde geweest. De staatssecretaris stelde daar, dat de totale omvang van het misbruik en oneigenlijk gebruik wordt geraamd op ruim 3 mld.-je schrikt ervan als zo'n bedrag over de tafel gaat-en dat hij op grond van veronderstellingen tot dit bedrag is gekomen. Waar zijn die veronderstellingen op gebaseerd? De staatssecretaris merkt ergens op, dat in dit verband gebruik is gemaakt van de eindrapportage van de ISMO. Kan hij daarover nog iets meer concreet meedelen? De staatssecretaris stelt, dat dankzij dit wetsvoorstel aan de inkomenszijde bij een voorzichtige schatting 20% van de fraudegevallen, ofte wel 400 min., boven tafel is te krijgen, maar bij de uitkeringszijde zal het percentage ontdekte fraude minder hoog moeten worden ingeschat. Wat is de reden van deze minder hoge inschatting? In de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer heeft de staatssecretaris gesteld, dat met de voorgestelde maatregelen niet alle doelgroepen worden bereikt die premie ontduiken. Aan welke doelgroepen denkt hij dan? Mijnheer de voorzitter! Ik heb er goede nota van genomen dat de regering er voorshands van uitgaat, dat het sociaal-fiscaal nummer en het in de toekomst bij de gemeentelijke bevolkingsadministratie in te voeren nummer gescheiden nummers zullen zijn. Of in de toekomst dit A-nummer vruchtbaar zal kunnen worden ingepast, zal op een later moment in de Staten-Generaal worden besproken. Zelf denk ik dat deze koppeling mogelijk moet zijn, maar dat zal uit de later te voeren discussie moeten blijken. Wij kunnen, dat ben ik met de voorgaande sprekers eens, hier niet voorzichtig genoeg zijn. In de Tweede Kamer bestond terecht de bezorgdheid of de privacy wel voldoende beschermd zou zijn. Zo werd gesteld dat toch niet opgegeven behoefde te worden of iemand nu wel of niet een duurzame samenlevingsrelatie onderhield. Daarom diende de burgerlijke staat niet opgenomen te worden in de verzekerdenadministratie, ook de leefvorm niet. De registratie van een partner zou overbodig zijn en vanuit privacyoogpunt ongewenst. Ik meen evenwel dat bij een duurzame samenlevingsrelatie niet gesproken kan worden van een aantasting van de privacy, want een huwelijksvoltrekking is een publieke aangelegenheid. De ambtenaar van de burgerlijke stand komt eraan te pas. Als iemand geen huwelijk wil sluiten, maar wel een duurzame zorgrelatie begeert, dan wordt zo'n relatie in het kader van de sociale wetgeving, hoezeer ik deze ontwikkeling ook betreur, gelijk gesteld aan het huwelijk. Dat betekent dat ook ongetrouwd samenwonen een publieke aangelegenheid is. Daarom ben ik van mening dat de burgerlijke staat wel kan worden opgenomen in de verzekerdenadministratie. Is ťťn van de misbruiken in de AOW niet, dat ongetrouwd samenwonen ook gebeurt om een voordeel van 40% ten opzichte van degenen die hun huwelijk wel hebben geregistreerd, uit de publieke kas te ontvangen? Zou een eventuele koppeling van het gemeentelijk administratienummer aan het sociaal-fiscaal nummer het oneigenlijk gebruik van sociale wetgeving niet beter kunnen tegengaan, of biedt het sociaal-fiscaal nummer hiertoe al voldoende mogelijkheden? Overigens mogen wij dit wetsvoorstel en in de toekomst wellicht een koppeling met het gemeentelijk administratienummer, nooit gebruiken om een verzekerde een belastend verleden zijn leven lang mee te laten dragen. Dat zou voor hem stigmatiserend werken. Ik neem aan dat de staatssecretaris het daar volledig mee eens is.

Mijnheer de voorzitter! Aan de overzijde is een motie van de leden Van Nieuwenhoven, Linschoten en De Leeuw, voorkomend op stuk nr. 24, aangenomen. In die motie werd geconstateerd dat de geheimhoudingsplicht in de wet tot invoering van het fiscaal nummer anders is geregeld dan in de wet met betrekking tot het sociaal-fiscaal nummer. De regering werd daarom verzocht, de Kamer te informeren hoe beide wetten met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht. Heeft de staatssecretaris intussen al vorderingen op dit punt geboekt? De integratie van financiŽle en sociale gegevens zou kunnen leiden tot vereenvoudiging van het verkeer tussen verzekerde, werkgever en uitvoeringsorganen. In de Tweede Kamer vroeg de heer De Leeuw in dit verband of het formulier voor de invulling van de werknemersverklaring in verband met de loonbelasting zou kunnen samenvallen met de aanmelding voor de sociale verzekering. Dat zou toch heel eenvoudig moeten zijn. Hij vroeg zich af waarom dit niet was gelukt. De staatssecreta ris vroeg zich dit ook af, maar hij kon op dat moment geen antwoord geven. Intussen heeft hij er verder over kunnen denken. Heeft hij het antwoord al gevonden? Het sociaal-fiscaal nummer is onder andere dienstig bij een snelle en accurate uitvoering van de sociale wetgeving. Het belang van de burger is een belangrijk aspect in deze wet. Bij voorbeeld valt te denken aan de nieuwe werkloosheidwet, waarbij het arbeidsverleden een gegeven is. Nu heeft de staatssecretaris in de Tweede Kamer gesteld dat een werknemer in het algemeen zijn arbeidsverleden niet behoeft aan te tonen. Begrijp ik het goed dat dit wel moet gebeuren, indien er gerede twijfel is aan de juistheid van de opgave? Aan de overzijde is door mevrouw Groenman gevraagd of het wellicht zinvol zou zijn om op het loonstrookje kenbaar te maken dat de werknemer verplicht is, de bedrijfsvereniging op de hoogte te stellen, indien hij geen registratieformulier heeft gekregen. De staatssecretaris zou deze suggestie met de SVR bespreken. Heeft hij dit al kunnen doen en zo ja, wat is daarvan het resultaat? Zelf betwijfel ik of dit wijs zou zijn. Ook de Raad van State had kennelijk zijn twijfels op dit punt. Hij stelde namelijk de vraag: legt artikel 50d niet een zware druk op de verhouding tussen werkgever en verzekerde? Immers, de verzekerde is verplicht om, als de werkgever in gebreke blijft, dit te melden aan de bedrijfsvereniging. De staatssecretaris moet zich eens voorstellen wat dit in de onderlinge verhouding tussen werkgever en werknemer betekent. Was een soepeler oplossing niet mogelijk geweest? De Raad van State adviseerde in dit verband een heroverweging. De motivering van de staatssecretaris om de wetstekst te handhaven, heeft mij nog niet ten volle overtuigd. Ik nodig hem uit, op dit punt nog een poging te wagen. Ik stel deze kwestie expres aan de orde, omdat ik op dit onderdeel de consistentie in het beleid niet begrijp. Ik doel met name op de interessante gedachtenwisseling in de Tweede Kamer met de heer Schutte over de betekenis van artikel 50h. Tegenover de verplichting van de werknemer, genoemd in artikel 50d, staat de niet-verplichting in artikel 50h voor de instellingen, genoemd in artikel 50a. Is dit geen meten met twee maten? Waarom moet een werknemer een tekortkoming van zijn werkgever verplicht melden en waarom is bij voorbeeld een bedrijfsvereniging niet verplicht, als zij kennis krijgt van een misdrijf, dit ter bevoegde plaatse aan te geven? De staatssecretaris heeft dit in de Tweede Kamer verdedigd door te zeggen: ja, maar dan krijgt zo'n bedrijfsvereniging wellicht te veel te doen. Maar, neemt u mij niet kwalijk, het gaat hierbij om een geconstateerd misdrijf! Kun je dan zo luchtig over dit feit heen stappen? Daarom was er naar mijn gevoel geen consistentie in het beleid. Of onderscheid ik op dit punt niet goed waar het op aankomt? Het heeft mij verbaasd dat in de discussie aan de overzijde over artikel 50f serieus gesproken is alsof dit artikel de minister de mogelijkheid zou geven om nadere regels te stellen die in strijd zijn met de onderhavige wet. Die gedachte alleen al is merkwaardig! Natuurlijk kan dit niet. Als dat het geval zou zijn, zou wetgeving overbodig zijn. Je kunt de regering dan maar beter ineens een blanco cheque geven. In artikel 50n wordt gesteld dat de daar bedoelde gegevens niet worden verstrekt, indien de persoonlijke levenssfeer niet onevenredig wordt geschaad. Deze uitdrukking zal wel van juridische aard zijn. Op een niet-jurist komt deze uitdrukking wat vreemd over. Je mag, aldus dit artikel, niet onevenredig schaden. Wel evenredig? Bij de bestudering van de stukken bemerkte ik dat niet alleen de Kamers van de Staten-Generaal onder hoogspanning hebben moeten werken. Ook de Sociale verzekeringsraad en de andere organen die bij de uitvoering van deze wet zijn betrokken, alsmede de staatssecretaris met zijn medewerkers hebben in een korte tijd veel werk moeten verzetten. Ik dacht dat dit voor een goede zaak was. De Raad van State concludeer-de terecht dat dit voorstel van wet voortvloeide uit de buitengewoon snelle groei en de sterke onderlinge verwevenheid van de regelingen op het terrein van de sociale zekerheid. De noodzaak is er, aldus de Raad van State, om de voor de uitvoering onmisbare gegevens te verwerken enerzijds op een doelmatige en anderzijds op een voor de verzekerde beschermde wijze. Welnu, wij geloven dat het een en het ander op een evenwichtige wijze is gelukt. Dit wetsvoorstel heeft daarom terecht in de Tweede Kamer op een brede steun mogen rekenen. Ook van onze steun mag de regering verzekerd zijn.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele minuten geschorst.

 
 

Meer informatie

 
 

Minidossiers

Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.