Voorlopig verslag van de vaste commissie voor sociale zaken en werkgelegenheid - Opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 79

19237

Opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet VOORLOPIG VERSLAG VAN DE VASTE COMMISSIE VOOR SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID' Vastgesteld 2 december 1986

De leden van de fractie van de P.v.d.A. merkten om te beginnen op dat zij ten principale volstrekt geen bezwaar hebben tegen een mogelijke opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet. Juist omdat zij de sociale zekerheid als een zeer groot goed waarderen, beschouwen zij misbruik en oneigenlijk gebruik als een ondermijning van het maatschappelijk draagvlak van de sociale zekerheid. Een adequaat sanctiesysteem (hetzij administratief, hetzij strafrechtelijk, hetzij dat beide mogelijkheden openstaan) en een alert vervolgingsbeleid biedt de overgrote meerderheid van bonafide gebruikers van sociale zekerheidsuitkering een zekere bescherming tegenover beweringen inzake oneigenlijk of frauduleus gebruik. De aan het woord zijnde leden erkenden eveneens dat administratiefrechtelijke repressieve sancties niet in alle gevallen toepasselijk zijn en wegvallen wanneer het recht op uitkering niet (meer) bestaat. Op zichzelf onderschreven zij daarom de wenselijkheid van de mogelijkheid strafrechtelijke sancties op te leggen. Niettemin traden zij het onderhavige wetsvoorstel met grote aarzeling tegemoet, terwijl het wetsvoorstel bij hen eveneens een aantal vragen opriep. Deze leden wensten de kwestie van administratiefrechtelijke en/of strafrechtelijke sancties te plaatsen in het kader van verdediging en bescherming van de sociale zekerheid. In dat kader horen naar hun mening evenzeer thuis een actief werkgelegenheidsbeleid, herverdeling van arbeid, een zo goed mogelijke bescherming van de inkomens van uitkeringsgerechtigden, goede beroepsmogelijkheden, een sociaal zekerheidssstelsel dat voor betrokkenen en anderen doorzichtig is en een Samenstelling:

onderlinge afstemming van de diverse wet-en regelgeving, een actief Franssen (CDA), voorzitter, Van Dalen

....

. , _,

.

....

, •

, . . (CDA), mw. uiterwaai Cox (CDA). Van de voorlichtingsbeleid en begeleiding van uitkeringsgerechtigden naar Zandschuip (PvdA), Oskamp (PvdA), re-integratie in het arbeidsproces, scholing en/of andere maatschappelijke Heijmans (VVD). Van Tets (VVD), mw activiteiten. Nu naar hun oordeel een dergelijk evenwichtige aanpak in het Vonhoff-Luijendijk (VVD) mw.

overheidsbeleid op een aantal onderdelen faalt, traden zij dit wetsvoorstel Gelderblom Lanknout (D66), mw. Van

r

' Leeuwen (PSP), mw Bolding (CPN), De met en'9e argwaan tegemoet. Gaay Fortman (PPR), Barendregt (SGP), De aan het woord zijnde leden wensten de volgende vragen te stellen Schuurman (RPF) en Van der Jagt (GPV)

en opmerkingen te maken.

  • Kan aangegeven worden in welk stadium van voorbereiding plannen tot introductie van een onafhankelijke beroepsgang in het kader van Bijstandsbeschikkingen zich thans bevinden en wanneer concrete voorstellen dienaangaande te verwachten zijn? 2. Kan concreet aangegeven worden op welke termijn de aangekondigde «herziening van de richtlijnen voor het vervolgings-en straftoemetingsbeleid bij de sociale zekerheid» (die blijkens de memorie van antwoord Tweede Kamer d.d. 7 maart 1986 «nagenoeg afgerond» is) haar beslag zal krijgen? 3. Kan nader verduidelijkt worden waarom en wanneer de delictsomschrijving van artikel 225 en 326 Wetboek van Strafrecht niet of onvoldoende adequaat zijn voor vervolging van bijstandsfraude? Kan zulks aan de hand van enkele praktijkvoorbeelden geadstrueerd worden? Kan het kabinet eveneens een reactie geven op het in de Tweede Kamer aangehaalde citaat van de Haagse fraudeofficier De Wit «Ik kan niet bevestigen dat we nu veel zaken moeten laten lopen bij gebrek aan bewijs» (Handelingen Tweede Kamer, 23 september 1986, blz. 4-119, 2e en 3e kolom)? In welke opzichten onderscheidt het thans voorgestelde nieuwe artikel 84e ABW zich in de praktijk van de artikelen 225 en 326 WvS? 4. Inzake het nieuw voorgestelde artikel 84f ABW (strafrechtelijke sanctie op het vereiste van het -(eventueel spontaan) -verstrekken van informatie «van al datgene wat van belang is voor de verlening van bijstand of voortzetting van de verleende bijstand») constateerden de leden van de P.v.d.A.fractie dat de wet-en regelgeving thans zelf een schemerzone heeft gecreëerd tussen het vrij recente begrip «woningdeler» en het reeds lang bekende begrip concubinaat of economische eenheid en dat het begrip economische eenheid binnenkort vervangen wordt door het begrip «gezamenlijke huishouding». Waar de staatssecretaris zelf onlangs bij het debat over de stelselherziening in deze Kamer een week bedenktijd nodig had om -met de nodige reserve -een niet al te ingewikkelde casuspositie (oud-tante Jans en achternicht Emmy) aan te vatten, dient naar hun mening bij de toepassing van het nieuwe voorgestelde artikel 84f een buitengewoon grote terughoudendheid in acht genomen te worden. Zij vroegen zich zelfs af of het geen aanbeveling verdient om de inwerkingtreding van artikel 84f voorlopig maar uit te stellen totdat via jurisprudentie meer duidelijkheid is verkregen over de afbakening van het begrip «gezamenlijke huishouding» en aan die afbakening een ruime bekendheid is gegeven. Waar de wetgever thans zelf nog niet kan aangeven welke informatie relevant is voor het al dan niet concluderen tot een gezamenlijke huishouding, kan onvoldoende spontane informatieverschaffing de bijstandscliënt toch moeilijk tegengeworpen worden. 5. Tenslotte wensten de leden van de P.v.d.A.-fractie een nadere verduidelijking van het standpunt van het kabinet inzake het debat over een mogelijke samenloop van administratiefrechtelijke en strafrechtelijke sancties. Zij wilden graag weten of een dergelijke samenloop van sancties inzake misbruik of oneigenlijk gebruik van bijstandsuitkeringen thans wel eens plaatsvindt en in welke mate? Zij hadden begrepen dat het ne bis in idemprinc'tpe thans formeel slechts de sfeer van het strafrecht betreft en niet direct geldt voor een eventuele samenloop van administratiefrechtelijke en strafrechtelijke sancties. Niettemin is dit principe om goede redenen in de vorm van «anticumulatiebepalingen» doorgetrokken naar de algemene wet rijksbelastingen en de thans voorgestelde wijziging van de Coördinatiewet sociale verzekeringen. Zij vermochten vooralsnog geenszins in te zien waarom deze lijn niet eveneens doorgetrokken zou kunnen worden of redelijkerwijs zou moeten worden naar de Algemene Bijstandswet. Het aangevoerde argument van onderscheid naar «de hoedanigheid van de

betaling» (Handelingen Tweede Kamer, 23 september 1986, pagina 4-127) kwam hun gekunsteld voor. Wat is ten principale hel onderscheid tussen boete (anticumulatiebepaling van administratieve en strafrechtelijke boete) en korting op de uitkering (geen anticumulatiebepaling van administratiefrechtelijke sanctie en strafrechtelijke boete), zo wilden zij weten. Voorts waren zij van mening dat tegenover belasting-en premie-afdracht toch eveneens duidelijk aanwijsbare en controleerbare tegenprestaties van overheid, c.q. bedrijfsvereniging staan. Kan het kabinet tenslotte een reactie geven op het arrest van de Hoge Raad van 1986, nr. 104?

De voorzitter van de commissie, Franssen De griffier van de commissie, Mevrouw Dijkstra-Liesveld

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.