Nota naar aanleiding van het eindverslag - Opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 7

NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET EINDVERSLAG Ontvangen 6 juni 1 986

De in het eindverslag door enkele fracties gemaakte nadere opmerkingen en gestelde vragen geven mij aanleiding tot de volgende reactie.

De leden van de P.v.d.A.fractie wijzen nog op een mogelijke samenloop van door de rechter op te leggen sancties ingevolge de voorgestelde artikelen enerzijds en de strafkortingen door de gemeente op te leggen wegens onvoldoende besef van verantwoordelijkheid anderzijds. Zij vrezen dat hier een ongewenste cumulatie van sancties zou kunnen optreden. Deze vrees lijkt mij onvoldoende gegrond. Indien men nalatig is de verplichting om mededeling te doen van al datgene wat voor de verlening van bijstand van belang is na te komen, zal de gemeente een administratieve sanctie kunnen toepassen wegens onvoldoende betoond besef van verantwoordelijkheid. In lichte gevallen zal veelal met toepassing van een dergelijke sanctie kunnen worden volstaan. In de richtlijnen van het openbaar ministerie voor het aangifte-en vervolgingsbeleid (Stcrt. 12 oktober 1981, nr. 195) is ook aangegeven dat de reactie van het uitvoeringsorgaan primair dient te staan. Daarom wordt het verantwoord geacht dat de overheid in die gevallen volstaat met toepassing van een administratieve sanctie of terugvordering, en dat strafvervolging dan achterwege blijft. In meer ernstige gevallen zal strafvervolging moeten worden overwogen. Daarbij wordt ingevolge de vorenbedoelde richtlijnen door het openbaar ministerie gelet op de omvang en de tijdsduur van het delict en mede op de omstandigheden ten aanzien van de persoon. Voorts zal de rechter bij zijn oordeelsvorming omtrent de op te leggen straf een door de gemeente opgelegde administratieve sanctie laten meewegen. In verband hiermede is het niet aannemelijk dat in de praktijk van een ongewenste cumulatie van sancties sprake zal zijn.

De leden van de PSP. fractie, die niet overtuigd zijn geraakt van de noodzaak van het onderhavige wetsvoorstel, wensen een nadere verduidelijking op een aantal van de gegeven antwoorden. Zij vragen nogmaals aan te duiden welke problemen zich onder de huidige bepalingen van het Wetboek van Strafrecht precies voordeden en waarom deze bepalingen minder goed toegesneden zijn op misbruik van de sociale wetten. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat specifieke strafbepalingen in vrijwel alle sociale wetten zijn opgenomen. Het belang van dergelijke

bepalingen is dat de delictsomschrijving duidelijk is gericht op de handelingen of gedragingen welke in het kader van de betreffende wet uit strafrechtelijk oogpunt niet toelaatbaar worden geacht. Daarbij kan tevens een duidelijk onderscheid worden gemaakt tussen gevallen van ernstige aard (misdrijf) en gevallen van minder ernstige aard (overtreding). Ook voor de Algemene Bijstandswet acht ik dergelijke strafbepalingen wenselijk, temeer omdat nu strafbaarstelling ontbreekt indien men nalatig is de wettelijke informatieplicht na te komen (artikel 84f van het wetsvoorstel). In dat geval kan namelijk geen oplichting of valsheid in geschrifte ten laste worden gelegd. In verband hiermede is in de memorie van antwoord vermeld dat de bestaande bepalingen uit het Wetboek van Strafrecht minder goed zijn toegesneden op het tegengaan van misbruik. Met name in het kader van de verlening van bijstand kan met de huidige strafbepalingen misbruik onvoldoende worden bestreden. De problemen die zich in de praktijk bij oplichting of valsheid in geschrifte voordeden hebben veelal betrekking op het aantonen van de vereiste opzet. Als formulieren onvoldoende zijn ingevuld of als schriftelijke bewijsstukken geheel ontbreken, is opzet moeilijk aan te tonen. Deze leden achten de verwijzing naar mijn brief van 29 januari 1986 over misbruik en oneigenlijk gebruik weinig verhelderend, waar het de relatie van de sociale recherche tot het aantal geconstateerde gevallen van fraude en misbruik betreft. Van meer belang achten zij de omvang van de vastgestelde fraude in relatie tot het totaal bedrag dat met bijstand is gemoeid. Hieromtrent merk ik op dat in bijlage I van genoemde brief een samenvatting is gegeven van een onderzoek naar het aantal opsporingsambtenaren in de gemeenten en de loonkosten van deze ambtenaren. Het onderzoek had voorts betrekking op een steekproef in een beperkt aantal gemeenten omtrent het totale aantal geconstateerde gevallen van misbruik in de Wet Werkloosheids Voorziening en de Algemene Bijstandswet. Bij dat onderzoek is de verhouding van de omvang van de vastgestelde fraude tot de totale bijstandsuitgaven per gemeente niet aan de orde geweest, zodat daaromtrent geen feitelijke gegevens beschikbaar zijn gekomen. Bovendien geven de resultaten van het onderzoek slechts een indicatie omtrent de omvang van de fraude en geen representatief beeld van de landelijke situatie. Een intensivering van de fraudebestrijding in gemeenten, waar dit tot nu toe in onvoldoende mate plaatsvindt, acht ik een goede zaak. Het totaal bedrag dat wegens fraude mogelijkerwijs kan worden teruggevorderd vormt evenwel niet de aanleiding om strafbepalingen in de wet op te nemen. De gronden daarvoor heb ik in de memorie van toelichting aangegeven. Voorts bestrijd ik de opvatting van deze leden dat het wetsvoorstel zou zijn ingegeven door vooroordelen over vermeend misbruik door uitkeringsgerechtigden en dat de hoge strafmaat die vooroordelen versterkt. De voorgestelde bepalingen richten zich uitsluitend tegen degenen onder de bijstandsgerechtigden, die opzettelijk onjuiste gegevens hebben verstrekt of nalatig zijn hun wettelijke informatie verplichtingen na te komen, waardoor ten onrechte bijstandsuitkeringen zijn ontvangen. Dit heeft met vooroordelen jegens uitkeringsgerechtigden niets te maken. In alle andere sociale wetten zijn ook strafbepalingen opgenomen. De argumenten die in het begin van de jaren zeventig tegen het opnemen van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet zijn aangevoerd behoeven naar mijn mening niet nogmaals te worden vermeld. Ik ben daar in de memorie van toelichting reeds op ingegaan. Een lijst met informatiepunten die de cliënt omtrent zijn leefsituatie en veranderingen daarin aan de gemeente moet verstrekken acht ik in het kader van dit wetsvoorstel niet gewenst. De wet legt aan de betrokkene de algemene verplichting op om al van datgene wat van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan mededeling te doen (artikel 30, tweede lid). Wordt deze verplichting niet nagekomen dan zal,

als sprake is van onvoldoende besef van verantwoordelijkheid, veelal een administratieve sanctie worden toegepast en geldt hetgeen in de aanhef in antwoord op vragen van de leden van de fractie van de P.v.d.A. is gezegd. Alleen in meer ernstige gevallen zal strafvervolging worden overwogen. Voor een verantwoorde toepassing van strafsancties acht ik een uitwerking van de informatieplicht niet nodig. Het feit dat bijstand slechts wordt gegeven bij het ontbreken van eigen middelen en dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke omstandigheden, waaronder de woon-en leefsituatie, is voldoende bekend en geeft de cliënt naar mijn mening voldoende houvast om in redelijkheid aan zijn informatieplicht te voldoen. In dit verband kan dan ook niet worden gesteld dat een simpel foutje de bijstandsgerechtigde op een half jaar gevangenisstraf kan komen te staan.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. De Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.