Eindverslag - Opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

19237

Opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet

IMr. 6

1 Samenstelling: Leden: Scholten, Poppe (PvdA), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), De Korte (VVD). Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Toussaint (PvdA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Dales (PvdA), Korthals (VVD), Linschoten (VVD), Paulis (CDA), Nijhuis (VVD), Bosman (CDA) Plv. leden: Worrell (PvdA), Hermsen (CDA), Van Dam (CDA), Leijnse (PvdA), Alders (PvdA), Van Erp (VVD), Van Muiden (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Salomons (PvdA), Hermans (VVD), Nypels (D'66), Wolters (CDA), Wöltgens (PvdA), Knol (PvdA), Kamp (VVD), De Grave (VVD), Evenhuis-van Essen (CDA), Metz (VVD), Van der Linden (CDA)

EINDVERSLAG Vastgesteld 21 maart 1986

Na kennisneming van de memorie van antwoord zijn in de vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1 nog verschillende opmerkingen gemaakt en vragen gesteld. Onder het voorbehoud dat de regering deze tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

De leden van de P.v.d.A.-fractie wezen nog op een huns inziens niet onbelangrijk onderdeel van het voorliggende wetsvoorstel, te weten de mogelijke samenloop van door de rechter op te leggen sancties ingevolge de artikelen 84e en 84f enerzijds, en de strafkortingen op te leggen door de gemeente «wegens onvoldoende besef van verantwoordelijkheid» anderzijds. Deze leden vreesden dat hier een ongewenste cumulatie van sancties zou kunnen optreden. Is deze vrees gegrond, zo vroegen zij.

De leden van de fractie van de P.S.P. waren door de antwoorden van het kabinet in de memorie van antwoord geenszins overtuigd geraakt van de noodzaak van het onderhavige wetsvoorstel. Op een aantal van de gegeven antwoorden wensten deze leden een nadere verduidelijking. Een belangrijk deel van de argumentatie om strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet (ABW) op te nemen wordt ontleend aan de niet goed functionerende toepassingsmogelijkheden van bepalingen in het Wetboek van Strafrecht. In de praktijk hebben deze bepalingen nogal eens problemen gegeven met het aantonen van de vereiste opzet, aldus antwoordt het kabinet op een vraag naar nadere voorbeelden daarvan. De leden van de fractie van de P.S.P. achtten dit nauwelijks een verhelderende motivering en toelichting. Kan nogmaals uitgebreid worden aangeduid welke problemen zich nu exact voordeden en voordoen, gestaafd aan de hand van voorbeelden, die ertoe noodzaken strafbepalingen in de ABW zelf op te nemen? Wat betekent in dit verband dat de strafbepalingen «minder goed toegesneden» zijn op misbruik van de sociale wetten en tot welke «problemen» leidt dit? De verwijzing naar de bijlage bij de brief van de staatssecretaris over misbruik en oneigenlijk gebruik op het gebied van belastingen, sociale zekerheid en subsidies van 29 januari 1986, maakte de leden van de P.S.P.-fractie weinig wijzer. Aangetoond wordt in de bijlage dat in gemeenten waar sociale controleurs dan wel rechercheurs actief zijn een hoger aantal gevallen van fraude en misbruik geconstateerd kan worden

in vergelijking met gemeenten waar deze niet actief zijn. Een nogal voor de hand liggende en weinig schokkende conclusie. Van veel meer belang is de omvang van de vastgestelde fraude in relatie tot het totale bedrag dat met bijstand gemoeid is. Zo resteert, bij voorbeeld, een totaal bedrag aan ter vordering gestelde bedragen bij de aanwezigheid van bijzondere controleurs van f83 900 (na aftrek van de kosten van deze controleurs). Maar welk totaal bedrag aan bijstand werd in dezelfde gemeenten waar de controleurs actief zijn verstrekt? Welk percentage maakt deze f83 000 op dat totaal uit? Geeft dat aanleiding om de controle op fraude te intensiveren en strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet zelf op te nemen? De leden van de fractie van de PSP. achtten het voorliggende wetsvoorstel wel degelijk ingegeven door vooroordelen over vermeend misbruik door uitkeringsgerechtigden. Het wetsvoorstel zelf en de hoge strafmaat die aangelegd wordt, versterken eerder die vooroordelen op hun beurt, zeker als niet aangeduid kan worden waarom bestaande bepalingen in het Wetboek van Strafrecht niet goed functioneren en de omvang van de fraude geen enkele aanleiding vormt om tot de voorliggende maatregelen over te gaan. De hier aan het woord zijnde leden verwezen daarbij nogmaals naar de discussie die over het opnemen van strafbepalingen in het begin van de jaren zeventig werd gevoerd. Alle destijds aangevoerde argumenten om dat niet te doen zijn, naar de mening van deze leden, nog steeds valide. De leden van de fractie van de P.S.P. moesten constateren dat het kabinet opnieuw niet in staat blijkt een lijstje met informatiepunten over te leggen omtrent de gegevens die de cliënt moet verstrekken over (veranderingen) in onder andere zijn/haar leefsituatie. «Waar het om gaat is dat de betrokkene voldoende informatie geeft over datgene wat voor de verlening van bijstand van belang is», antwoordt de bewindsman op de vraag welke informatie dan van belang is. Toch achtten de leden van deze fractie duidelijkheid hierover cruciaal nu een simpel foutje de bijstandsgerechtigde op een half jaar gevangenisstraf kan komen te staan. Men kan niet van de bijstandsgerechtigde zelf verwachten dat hij/zij steeds bij een verandering in zijn/haar leef-of woonsituatie de sociale dienst belt met de vraag of dit van belang is, zoals het kabinet blijkbaar veronderstelt. De invoering van de woningdelersmaatregelen heeft het bepalen wat van belang is bijzonder gecompliceerd gemaakt, te meer daar de maatregel in diverse gemeenten op verschillende wijze wordt uitgevoerd. Een verandering in het (mede)gebruik van een keuken kan van belang zijn, maar ook bij voorbeeld veranderingen in het huurbedrag bij kamerbewoning; maar ook veranderingen die zich in relatievormen voordoen. De leden van de fractie van de P.S.P. vonden het van groot belang dat het kabinet duidelijk maakt welke informatie, en op welke punten, daarbij van belang is. Een nadere uitwerking van de informatieplicht is dus zeker gewenst. Indien het kabinet volhardt bij zijn standpunt (memorie van antwoord, blz. 3) dat die «niet gegeven kan worden» dan mag op zijn minst verwacht worden dat het duidelijk maakt waarom die niet gegeven kan worden, en dat het zorgvuldig afweegt en nagaat of dit mogelijkerwijs tot misverstanden en nadelige effecten voor de betrokken bijstandscliënt kan leiden. Wat is het commentaar en de visie van het kabinet op dit punt?

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie, Van der Windt

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.