Memorie van antwoord - Opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

MEMORIE VAN ANTWOORD Ontvangen 7 maart 1986

Algemeen De leden van de fractie van de P.v.d.A. hebben reeds tijdens de ISMO-rapportages laten blijken, dat zij in principe kunnen instemmen met de opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet. Zij hebben evenwel enkele vragen bij het voorliggende wetsvoorstel waarop ik als volgt wil ingaan. Deze leden zien de aansluiting van dit wetsvoorstel bij andere sociale wetten niet zo duidelijk. Zij treffen in die andere wetten (AAW, WAO, WWV, AWBZ, ZW) geldboetebedragen aan van f 100 dan wel f 600 en vrijheidsstraffen van 1 dan wel 6 maanden. Voorts zien zij niet steeds naast een vrijheidsstraf van 2 jaar de mogelijkheid van subsidiaire geldboete. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat het onderhavige wetsvoorstel bij andere sociale wetten in die zin aansluit, dat daarin reeds van de aanvang af strafbepalingen zijn opgenomen. De in die wetten voorkomende lage boetebedragen zijn niet overgenomen. Die dateren uit een vroegere periode van wetgeving. Boetebedragen van maximaal f 100 kunnen naar mijn mening uit een oogpunt van misbruikbestrijding thans niet meer effectief geacht worden. Overigens is sedertdien in artikel 23, vijfde en zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht een nadere regeling tot stand gekomen in verband met de indeling van de strafbare feiten in geldboetecategorieën. Deze regeling impliceert dat voor overtredingen, waarop een boete is gesteld van minder dan f 500 een geldboete van de eerste categorie kan worden opgelegd (f 500). Verder kan -en dit is vooral van belang voor misdrijven -ook indien in een wet niet de mogelijkheid van geldboete is opgenomen toch steeds een geldboete worden opgelegd. Voor misdrijven geldt dan een geldboete van de derde categorie (f 10000). De ingevoerde geldboetebedragen bij misdrijven hebben dus niets van doen met een tekort aan cellen, zoals deze leden zich hebben afgevraagd. De leden van deze fractie stellen voorts de vraag of het in de bedoeling ligt de maximale geldboetes ook in andere sociale wetten te verhogen. Zij vonden geldboetes van de derde en vierde categorie in absolute zin erg hoog, ook in vergelijking met artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht en met de fiscale wetten. Naar mijn mening kunnen geldboetes van de derde en vierde categorie in absolute zin aanvaardbaar worden geacht. In beginsel worden de geldboetes in verband gebracht met de op het feit gestelde vrijheidsstraf.

Bij een vrijheidsstraf van zes maanden hoort een geldboete van de derde categorie en bij een vrijheidsstraf van twee jaar een geldboete van de vierde categorie. Zie voor deze criteria de memorie van toelichting bij de Wet indeling geldboetecategorieën (kamerstukken II, 1981/82, 17 524, nr. 3, blz. 30-33). Van de voorgestelde bepalingen behoort overigens naar mijn mening een duidelijk preventieve werking uit te gaan. Afgezien daarvan gaat het steeds om maximum bedragen, welke door de rechter zelden worden opgelegd. Het ligt niet voor de hand dat dit ten aanzien van de voorgestelde bijstandsdelicten anders zal zijn. De rechter houdt in het algemeen bij de vaststelling van de geldboete rekening met de draagkracht van de betrokkene in de mate waarin hij dat nodig acht met het oog op een passende bestraffing. In de fiscale wetgeving (Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 68) is bij het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen hechtenis van twee maanden mogelijk c.q. boete van tienduizend gulden. Dit laatste bedrag komt overeen met een geldboete van de derde categorie. Worden vorenbedoelde feiten opzettelijk begaan dan is gevangenisstraf van vier jaren mogelijk en een geldboete van twintigduizend gulden. Dat bedrag kan echter worden verhoogd tot het bedrag van de te weinig geheven belasting. De verschillen met de in dit wetsvoorstel voorgestelde geldboetes zijn dus niet groot. Met betrekking tot de vraag van deze leden naar voorbeelden van strafbepalingen die in de praktijk niet altijd goed bruikbaar blijken te zijn, werd reeds in de memorie van toelichting vermeld dat bijstandsfraude thans onder de delictsomschrijvingen van het Wetboek van Strafrecht moet worden gebracht (valsheid in geschrifte c.q. oplichting). Gezien de delictsomschrijving hebben die bepalingen, waarop overigens veel hogere maximum straffen zijn gesteld, in de praktijk nogal eens problemen gegeven met het aantonen van de vereiste opzet. Herziening van de richtlijnen voor het vervolgings-en straftoemetingsbeleid bij de sociale zekerheid, waarnaar deze leden vragen, wordt thans door het openbaar ministerie voorbereid en is nagenoeg afgerond. Daarbij wordt er tevens naar gestreefd deze zo goed mogelijk in overeenstemming te brengen met de capaciteit van het justitiële apparaat.

De leden van de fractie van het C.D.A. kunnen instemmen met het wetsvoorstel. Zij wijzen in dit verband op de aanbevelingen van de Interdepartementale Stuurgroep Misbruik en Oneigenlijk gebruik (ISMO). Aantasting van de geloofwaardigheid van de uitvoering door de overheid en een groeiend onbehagen bij hen die op correcte wijze gebruik maken van sociale voorzieningen, maken strafsancties naar hun mening onvermijdelijk. Ik sta achter deze argumenten. Ook het verschil met andere sociale wetten en het feit dat bijstandsontvangers niet anders behoren te worden behandeld dan andere personen met een sociale uitkering, zijn naar mijn mening overtuigende gronden die het opnemen van strafsancties in de Algemene Bijstandswet rechtvaardigen.

De leden van de V.V.D.-fractie hebben naar aanleiding van de ISMO-interimrapportage reeds gepleit voor een wettelijke regeling als nu wordt voorgesteld. Zij stellen dat de voorgestelde bepalingen in dit opzicht duidelijkheid scheppen en de uitvoerders van de regeling een belangrijk instrument in handen geven. Terecht wijzen deze leden er op dat het bij fraudegevoelige wetgeving essentieel is dat ook de uitvoerders hun verantwoordelijkheden kennen in het kader van misbruik van de regeling. Mede gezien de bezwaren verbonden aan de toepassing van de artikelen uit het Wetboek van Strafrecht, kunnen deze leden dan ook met het wetsvoorstel instemmen.

De leden van de PSP. fractie, die grote bezwaren hebben tegen de voorgestelde regeling, vragen op een aantal punten een nadere toelichting en motivering. De problematiek inzake de toepassing van de bepalingen

uit het Wetboek van Strafrecht ten aanzien van bijstandsfraude is hiervoor al aangeduid. De delictsomschrijvingen voor oplichting en valsheid in geschrifte dateren uit een periode van het strafrecht toen de sociale wetgeving nog van de grond moest komen en zijn derhalve minder goed toegesneden op misbruik van de sociale wetten. Daarom zijn in de sociale wetten bijzondere strafbepalingen opgenomen. Deze leden willen in dit verband weten waarom het niet invullen van een formulier geen valsheid in geschrifte is. Het lijkt mij duidelijk, dat als er geen formulier is ingevuld er geen sprake is van een geschrift. Is een formulier onjuist ingevuld dan moet worden aangetoond dat hierbij beoogd werd bijstand op meer bijstand te verkrijgen. Een andere kwestie is of aangenomen moet worden dat, als de betrokkenen aannemelijk maakt dat hij de vraagstelling van het formulier niet goed heeft begrepen, de vereiste opzet ontbreekt. In beginsel is deze vraagstelling juist. Het lijkt mij echter niet aannemelijk dat de rechter zonder meer genoegen zal nemen met het enkele verweer van de betrokkene dat hij het formulier niet goed heeft begrepen. In het algemeen wordt ernaar gestreefd dat de aanvraagformulieren voor de bijstand voldoende duidelijk zijn. Begrijpt de betrokkene enig onderdeel niet, dat kan hij bovendien daaromtrent nadere uitleg vragen en door de sociale dienst nader worden geïnformeerd. Het lijkt mij overtrokken om in dit verband te spreken van volstrekt cryptische en onbegrijpelijke formulieren die in de praktijk aan bijstandsgerechtigden worden toegezonden. De leden van deze fractie brengen eveneens in herinnering de notitie «Leefvormen» die bij de Kamer in behandeling is. Daaruit blijkt dat tal van feitelijke omstandigheden bij het vaststellen van diverse soorten leefvormen een rol spelen, bij voorbeeld ten aanzien van woningdelers en economische eenheden. Zij achten het nodig dat een lijst met informatiepunten wordt gegeven, zodat de duidelijkheid bestaat omtrent de gegevens die de betrokkene dient te verstrekken en op welk moment. Een nadere uitwerking van de informatieplicht, zoals deze leden vragen, kan naar mijn mening niet worden gegeven. Waar het om gaat is dat de betrokkene voldoende informatie geeft omtrent datgene wat voor de verlening van bijstand van belang is. Dat is voorgeschreven in artikel 30, tweede lid, van de wet. Algemeen bekend is dat bij de verlening van bijstand rekening wordt gehouden met de financiële omstandigheden en de leefsituatie van de betrokkene. Dat is niet alleen het geval op het moment dat de bijstand wordt gevraagd, maar tijdens de hele duur van de bijstand. Het afstemmen van de bijstand op de feitelijke leefsituatie en de wijzigingen daarin zal steeds een beoordeling aan de hand van de individuele situatie vergen. Indien bij de betrokkenen onzekerheid bestaat of een verandering in zijn omstandigheden uit bijstandsoogpunt van belang is, mag van hem worden verwacht dat hij hieromtrent bij de sociale dienst informatie inwint. De leden van deze fractie vragen voorts waarom aan de gebleken omvang van misbruik in het verleden geen betekenis kan worden toegekend. Ik heb in de memorie van toelichting vermeld, dat destijds in het algemeen minder aandacht aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik werd besteed. Om die reden was ook de omvang van de geconstateerde bijstandsfraude relatief gering. De regering besteedt de laatste jaren in het algemeen veel meer aandacht aan de bestrijding van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wetgeving en heeft ter zake diverse maatregelen genomen. Naarmate hieraan meer aandacht wordt gegeven ligt het voor de hand dat ook meer fraudegevallen aan het licht komen. Ik acht niet wenselijk om de opneming ervan in de wet afhankelijk te stellen van de uitkomst van een nader onderzoek naar de omvang van de fraude. De gegevens ter zake van de sociale dienst te Rotterdam geven mij geen aanleiding voor een ander oordeel. Ten aanzien van het eerder toegezegde onderzoek wijs ik op het verslag van een onderzoek inzake misbruik in de sociale zekerheid dat door dit ministerie is verricht. Dit verslag is aan de

Voorzitter van de Bijzondere Commissie ISMO van de Tweede Kamer gezonden, als bijlage bij mijn brief dd. 29 januari jl. inzake de beleidsmatige aanpak van misbruik en oneigenlijk gebruik in de sociale zekerheid. Daarin komt ook de sociale recherche aan de orde. Omtrent de vraag of strafbepalingen in andere sociale wetten tot een aanzienlijke reductie van het misbruik hebben geleid zijn geen onderzoekgegevens beschikbaar. Het opnemen van strafbepalingen in die wetten is in het verleden niet afhankelijk gesteld van de gebleken omvang ervan. Naar mijn mening kan aan strafbepalingen als zodanig ook een preventieve werking niet worden ontzegd. Voor al degenen die terecht een beroep op bijstand moeten doen zullen strafbepalingen in de wet geen enkele belemmering vormen. Ik zie niet in dat hierdoor wordt meegewerkt aan het versterken van vooroordelen ten aanzien van degenen die terecht een uitkering ontvangen. Het achterwege laten van strafbepalingen heeft eerder een omgekeerd effect in die zin, dat door bestraffing van degenen die misbruik maken van deze sociale voorziening, zij die terecht hiervan gebruik maken van iedere blaam worden gezuiverd.

De leden van de S.G.P. fractie stellen de vraag in hoeverre met dit voorstel is afgeweken van het advies van het College Algemene Bijstandswet. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat genoemd college het opnemen van strafbepalingen in de wet noodzakelijk acht en tegen de voorgestelde artikelen geen bezwaar heeft. Het college meent overigens dat het wenselijk zou zijn als de strafbepalingen op het hele terrein van de sociale zekerheidsfraude te zijnder tijd in het Wetboek van Strafrecht worden opgenomen. Dit wordt in overleg met het Ministerie van Justitie nader bezien. Ik wijs hierbij ook op de motie Van der Burg c.s. (kamerstukken II, 1985/86, 17 050, nr. 49), die door de Kamer is aanvaard. In zijn advies wijst het college voorts op het belang van voldoende controle en hercontrole door de gemeentelijke uitvoeringsorganen. Gezien de bestaande richtlijnen voor het vervolgings-en strafvorderingsbeleid is het college voorts van mening dat bij het brengen van onjuiste handelingen in de strafrechtelijke sfeer grote terughoudendheid dient te worden betracht. De leden van deze fractie willen ook vernemen of het voorstel ook in die zin gemotiveerd kan worden, dat waar andere mogelijke sancties -zoals verhaal -geen grote betekenis hebben, de behoefte aan een strafrechtelijke voorziening als sluitstuk onmisbaar is om de naleving van de wet te verzekeren. Naar mijn mening zijn de voorgestelde bepalingen nodig in het kader van de bestrijding van fraude en misbruik en dienen deze uit strafrechtelijk oogpunt te worden toegepast. Zij zijn niet bedoeld als alternatief voor sancties van andere aard bijvoorbeeld als van verhaal van ten onrechte genoten bijstand weinig of niets te verwachten valt. Wel kan en zal de strafrechter bij zijn vonnis rekening houden met reeds toegepaste administratieve sancties. Met betrekking tot de wijziging van artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering (kamerstukken II, 1982/83, 18054), welke onlangs door de Tweede Kamer is aanvaard, wordt opgemerkt dat deze van algemene strekking en derhalve in algemene zin van belang zal zijn voor het aangiftebeleid. Voorts vragen deze leden naar de mogelijkheid om bij de aangifte van een strafbaar feit tegelijkertijd een burgerrechtelijke procedure aan te spannen tot verhaal van ten onrechte genoten bijstand. Naar aanleiding hiervan merk ik op dat het hier om verschillende procedures gaat. Van het «ineenschuiven» van beide procedures kan derhalve geen sprake zijn. Weliswaar kent het Wetboek van Strafvordering onder bepaalde omstandigheden de mogelijkhied van voeging van de beledigde partij in een strafzaak, maar dat heeft betrekking op een vordering tot schadevergoeding. Een verhaalsvordering is wettelijk meer het geëigende middel.

De leden van de C.P.N, fractie wijzen de voorgestelde opneming van strafbepalingen af. Zij zijn van mening dat deze in strijd zijn met het specifieke karakter van de wet. Met deze zienswijze kan ik mij niet verenigen. De argumenten daarvoor heb ik in memorie van toelichting genoemd. Ten aanzien van de vraag van de leden naar de advisering door het College Algemene Bijstandswet verwijs ik naar hetgeen ik ter zake heb geantwoord aan de leden van de S.G. P-fractie. Ook de vraag wanneer er sprake is van opzet kwam in het voorgaande aan de orde. Hierover zal de rechter aan de hand van de delictsomschrijving moeten oordelen. Wanneer een gegrond vermoeden van een strafbaar feit aanwezig is behoort het uitvoeringsorgaan daarvan in principe aangifte te doen. Het openbaar ministerie beslist vervolgens wat er verder met de zaak moet gebeuren. Voor de taak en werkwijze van de sociale recherche bestaan geen uniforme voorschriften. Het behoort tot de bevoegdheid van de gemeenten om dit zelf te regelen. De werkwijze kan derhalve per gemeente verschillen en is onder meer afhankelijk van al dan niet toegekende strafrechtelijke opsporingsbevoegdheid. Deze leden stellen voorts een vraag omtrent het ontbreken van opzet bij niet goed ingevulde formulieren. Hierop ben ik in het voorgaande in antwoord op vragen van leden van de P.S.P-fractie al ingegaan. Met de betreffende passage in de memorie van toelichting is bedoeld aan te geven dat, wil er sprake zijn van strafbaarheid op grond van de bepalingen van het Wetboek van Strafrecht, steeds opzet moet worden aangetoond. Het voorgestelde artikel 84f beoogt daarnaast gevallen waarin sprake is van verwijtbare nalatigheid ten aanzien van het nakomen van de wettelijke verplichting tot het verstrekken van inlichtingen als overtreding strafbaar te stellen. Kan de verdachte aannemelijk maken dat iedere schuld afwezig is, dan gaat hij uiteraard vrijuit. De vraag van deze leden of, indien de vroeger aangevoerde argumenten tegen strafbepalingen niet meer gelden, dit niet betekent dat de Algemene Bijstandswet zijn specifieke karakter verloren zou hebben, beantwoord ik ontkennend. De bezwaren die hiertegen in het verleden zijn aangevoerd kunnen mij niet van het tegendeel overtuigen. Het specifieke karakter van de wet, waaronder begrepen de afstemming van de bijstand op individuele omstandigheiden c.q. het nemen van maatregelen voor bijzondere categorieën als woningdelers, wordt door de voorgestelde strafbepalingen naar mijn mening in het geheel niet aangetast.

Het lid van de fractie van de R.P.F, acht opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet zeer gewenst. Hij vraag in het bijzonder meer aandacht voor preventie en een zorgvuldige controle van de aanvragen om en voortzetting van een bijstandsuitkering, waarvan naar mijn mening mede een preventieve werking uitgaat. In dit verband vraagt het lid van deze fractie in hoeverre de Algemene Bijstandswet van andere sociale verzekeringswetten verschilt, waar het gaat om de mate van afhankelijkheid van de door betrokkene zelf verstrekte inlichtingen, alsmede in hoeverre er verschillen zijn in controlemogelijkheden en de effectuering daarvan. Ook naar mijn mening is het van groot belang dat door de gemeenten veel aandacht wordt gegeven aan het voorkomen van misbruik. Dit impliceert dat de voor de bijstand van belang zijnde gegevens zoveel mogelijk dienen te worden geverifieerd en dat regelmatig heronderzoek plaats vindt met het oog op de noodzaak tot herziening c.q. voortzetting van de bijstand. De bijstand verschilt in dit opzicht van andere sociale uitkeringen doordat de mate van afhankelijkheid van de door betrokkene zelf te verstrekken inlichtingen groter is. In de meeste sociale wetten is sprake van een eenmalige beoordeling van de hoogte van de uitkering aan de hand van het laatstgenoten inkomen. Met de aanwezigheid van eigen middelen wordt in beginsel geen rekening gehouden. De bijstand dient echter bij voortduring te worden afgestemd op de eigen middelen

en de feitelijke leefsituatie van de betrokkene, Wijzigingen daarin zijn in de regel direct van invloed op de bijstand. Dit maakt dat ook aan de controle en de effectuering daarvan voornoemde uitgangspunten van de Algemene Bijstandswet ten grondslag moeten liggen. Voorts wordt gevraagd of enige indicatie kan worden gegeven van het aantal gevallen waarin op grond van de huidige strafbepalingen vervolging is ingesteld, inclusief het aantal seponeringen. Hieromtrent zijn geen representatieve gegevens beschikbaar. Een indicatie van het aantal geconstateerde gevallen over de jaren 1981-1 984 is vermeld in de bijlage van de eerder genoemde brief d.d. 29 januari 1986 aan de Voorzitter van de Bijzondere Commissie ISMO van de Tweede Kamer. De bereidheid bij de uitvoeringsinstanties om aandacht te besteden aan de sociale recherche is naar mijn mening zeker aanwezig. Dit blijkt onder meer uit het feit dat steeds meer gemeenten beschikken over ambtenaren belast met bijzondere controles c.q. sociale rechercheurs en dat er op dit terrein ook veel samenwerkingsverbanden tussen gemeenten bestaan.

Het lid van de fractie van de G.P.V., dat met instemming heeft kennis genomen van het onderhavige wetsvoorstel, heeft de vraag gesteld of de gemeentelijke sociale diensten voldoende zijn geëquipeerd om overtredingen op te sporen en aangifte te doen. Hij vraagt om hoeveel gevallen het naar verwachting zal gaan, alsmede of inzicht bestaat in de mate waarin tot nu toe verkeerde opgaven zijn gedaan of gegevens zijn verzwegen. Ik heb al vermeld dat de laatste jaren door de gemeenten meer aandacht aan het tegengaan van misbruik wordt gegeven. Hiervoor zijn van rijkswege ook financiële middelen verstrekt. Ik heb geen reden om aan te nemen dat de sociale diensten onvoldoende toegerust zijn om deze taak te vervullen en verder te intensiveren. Wat betreft het aantal gevallen waarin misbruik van de bijstand wordt gemaakt moge ik verwijzen naar hetgeen daaromtrent in het voorgaande is gezegd. De vraag wordt voorts gesteld of de strafbaarstelling reëel uitgevoerd kan worden, gezien het feit dat de financiële situatie van de betrokkenen veelal zo zal zijn dat aan opgelegde boetes niet kan worden voldaan. Het alternatief gevangenisstraf zou moeilijk ten uitvoer gelegd kunnen worden, als bij de justitiële autoriteiten prioriteit wordt gegeven aan de tenuitvoerlegging van veroordeling wegens zwaardere delicten. Naar aanleiding hiervan merk ik dat in de vraagstelling ligt besloten dat opgelegde boetes vaak niet betaald kunnen worden en dat ook vervangende vrijheidsstraf vaak niet ten uitvoer wordt gelegd. Dit dient te worden bezien in het kader van het te voeren justitieel beleid. Aan de bestrijding van fraude wordt in beginsel prioriteit gegeven, zij het dat aan de zwaardere vormen van fraude weer prioriteit wordt gegeven ten opzichte van de lichtere. Bij bijstandsfraude zal het in de regel gaan om deze laatste vorm. In de totale prioriteitenafweging zal aan de bijstandsfraude een eigen, passende plaats moeten worden toegekend.

Toetsing aan de aanwijzingen voor terughoudendheid met de regelgeving De leden van de C.P.N, fractie hebben op dit onderdeel enkele vragen gesteld. Met «andere gevallen» bedoeld onder punt 21, wordt gedoeld op de gevallen die niet onder de delictsomschrijvingen van de artikelen 325 en 326 van het Wetboek van Strafrecht vallen. De voorgestelde artikelen 84e en 84f hebben hierop betrekking. Punt 1 1, dat betrekking heeft op de vraag welke neveneffecten van de regeling zijn te verwachten, is niet van toepassing geacht omdat in het bestuurlijke vlak naar mijn mening geen neveneffecten zijn te verwachten. De bezwaren die destijds werden geuit tegen de opneming van strafbepalingen in de wet vallen hier niet onder.

De verwijzing in de beantwoording van punt 22 en 23 naar de ISMO-kamerstukken is juist, behoudens de vermelding nr. 2. Dit moet zijn nr. 1. Het betreft het eindrapport van de ISMO, dat op 8 september 1981 aan de Tweede Kamer is aangeboden. Bijstelling van de justitiële richtlijnen voor de vervolging, waarnaar de leden van de R.P.F.-fractie vragen kwam in het voorgaande reeds ter sprake. De vermelding dat de uitvoeringsorganen hun aangiftebeleid plegen af te stemmen op het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie, is mede gebaseerd op het bestaan van die richtlijnen. Daarin is onder meer opgenomen dat bij geringe fraude, indien het daarbij bovendien gaat om z.g. first offender, aangifte doorgaans achterwege kan blijven. Welke invloed de in het beleidsplan «Samenleving en Criminaliteit» aangekondigde gedragslijn om het aantal beleidssepots terug te dringen zal hebben kan thans nog niet worden aangegeven. De effectuering hiervan moet worden afgewacht.

Artikelen 84e en 84f

Op de vraag van de leden van de C.D.A.fractie hoe de richtlijnen van het openbaar ministerie zullen luiden, kan op dit ogenblik nog geen antwoord worden gegeven, aangezien herziening ervan in voorbereiding is. De bestaande richtlijnen zijn gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant nr. 195 van 12 oktober 1981. De vraag van de P.SP.fractie of de toegemeten strafmaat niet versterkend zal werken, beantwoord ik ontkennend. Misdrijven waarop eveneens een maximum gevangenisstraf van 2 jaar is gesteld zijn in de meeste sociale wetten te vinden. De realiteitswaarde van een geldboete van f 25 000 moet niet alleen aan het bedrag als zodanig worden afgemeten. Het gaat er in de eerste plaats om dat in bepaalde ernstige gevallen ook een passende straf kan worden opgelegd. Daarnaast mag niet worden onderschat de preventieve werking die van een dergelijke bepaling uitgaat. In de praktijk van de straftoemeting worden in de regel uiteraard veel lagere boetebedragen opgelegd. Voor een vergelijking met de geldboetes die door de belastingdienst kunnen worden opgelegd verwijs ik naar hetgeen hiervoor is geantwoord aan de leden van de P.v.d.A.-fractie. Concrete opbrengsten van dit wetsvoorstel zijn niet geraamd.

Artikel 84e

De leden van de CD.A-fractie vragen zich af of geen moeilijkheden met de bewijsvoering kunnen ontstaan als de behandelend ambtenaar van mondelinge mededelingen onvoldoende aantekening houdt of gegevens niet snel genoeg verwerkt. Terecht merken deze leden op dat het geven van inlichtingen door de bijstandscliënt en een snelle administratieve verwerking daarvan voor de bewijsvoering van belang zijn. Het uitvoerend apparaat zal hier attent op moeten zijn. Voorts lijkt het mij wenselijk dat de betrokkene bij de bijstandsaanvrage op de strafbaarstelling wordt gewezen. Hiervan kan op de aanvraagformulieren melding worden gemaakt. Het lid van de R.P.F.-fractie vraagt enige verduidelijking van de bewoordingen «degene voor wie hij optreedt». Het komt in de praktijk voor dat een bijstandsuitkering namens de betrokkene door een derde wordt aangevraagd. Dit kan een advocaat of andere deskundige zijn, maar bij voorbeeld ook een familielid. Bij de strafbaarstelling van deze personen is niet aan een strafverzwarende omstandigheid gedacht. Het gaat er om dat, als de aanvraag met instemming van de betrokkene door een derde wordt verzorgd, ook de laatstgenoemde strafrechtelijk kan worden aangesproken voor het opzettelijk verstrekken van onjuiste gegevens. Voor wat betreft de vraag van dit lid naar de hercontroles door de gemeenten wordt erop gewezen dat hiervoor duidelijke richtlijnen door dit Ministerie zijn gegeven. Aan de naleving hiervan wordt in het kader van het toezicht op de uitvoering regelmatig aandacht gegeven.

Artikel 84f

De vraag van de leden van de S.G.P-fractie of men zich bij de toepassing van dit artikel zou kunnen verontschuldigen door zich te beroepen op het feit, dat de reeds verstrekte gegevens wel door andere diensten van de gemeente (bij voorbeeld de belastingdienst) zijn geaccepteerd, beantwoord ik ontkennend. Het gaat hier om een eigen beoordeling van de strafbaarheid aan de hand van de voorgestelde bepalingen.

De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L. de Graaf

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.