Voorlopig verslag - Opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr. 4

' Samenstelling: Leden: Scholten, Poppe (PvdA), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), De Korte (VVD), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Toussaint (PvdA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Dales (PvdA), Korthals (VVD), Linschoten (VVD), Paulis (CDA), Nijhuis (VVD), Bosman (CDA). Plv. leden: Worrell (PvdA), Hermsen (CDA), G. C. van Dam (CDA), Leijnse (PvdA), Kombrink (PvdA), Van Erp (VVD), Van Muiden (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Salomons (PvdA), Hermans (VVD), Nypels (D'66), Wolters (CDA), Wöltgens (PvdA), Knol (PvdA), Kamp (VVD), De Grave (VVD), Evenhuis-van Essen (CDA), Metz (VVD), Van der Linden (CDA).

VOORLOPIG VERSLAG Vastgesteld 26 november 1985

De vaste Commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid1, belast met het voorbereidend onderzoek, brengt van haar voorlopige bevindingen als volgt verslag uit.

Algemeen De leden van de fractie van de P.v.d.A. hadden reeds tijdens de behandeling van de ISMO-rapportages laten blijken in principe te kunnen instemmen met de opneming van strafbepalingen in de Algemene Bijstandswet (ABW). Zij hadden evenwel enkele vragen bij het voorliggende wetsvoorstel. Het kabinet stelt in de memorie van toelichting dat in de artikelen van het wetsvoorstel is aangesloten bij andere sociale wetten. Deze leden zagen die aansluiting niet zo duidelijk. Zij troffen in andere sociale zekerheidswetten, bij voorbeeld AAW, WAO, WWV, AWBZ, ZW steeds geldboetes aan van f 100 dan wel f600, subsidiair vrijheidsstraffen van 1 dan wel 6 maanden. Bij opzettelijke gedragingen zagen zij bij voorbeeld in de WW en WWV naast een vrijheidsstraf van 2 jaar geen mogelijkheden van een subsidiaire geldboete gegeven. Zij meenden derhalve dat wei sprake is van aansluiting bij andere sociale zekerheidswetten voor zover het de maximale vrijheidsstraf betreft, maar zeker niet wat betreft de geldboetes. Zij vroegen zich af welke verklaring de bewindsman heeft voor deze verschillen. Is de nieuw ingevoerde geldboete bij misdrijven wellicht te verklaren uit het cellentekort? Ligt het soms in de bedoeling van het kabinet de nu gecreëerde verschillen in maximale geldboetes recht te trekken door ook de bedragen in andere genoemde wetten te verhogen, zo vroegen deze leden. De geldboetes van de 3e en 4e categorie vonden deze leden behalve in vergelijking met andere sociale wetten ook in absolute zin erg hoog. Eveneens zijn de geldboetes zoals voorgesteld in de ABW erg hoog in vergelijking met artikel 23 Wetboek van Strafrecht, dat naar de mening van deze leden integraal van toepassing is, en de toepasselijke fiscale wetten. Zij vroegen dan ook een nadere verklaring van de Staatssecretaris over de hoogte van de nieuwe invoering van geldboetes. Voorts verzochten deze leden enkele voorbeelden te geven van strafbepalingen in sociale wetten die in de praktijk niet altijd goed bruikbaar blijken te zijn.

Zagen deze leden het juist, dat er thans geen reden is de richtlijnen voor het vervolgings-en straftoemetingsbeleid bij de sociale zekerheidsfraude te herzien? De leden van de C.D.A.-fractie konden instemmen met het voorliggende wetsvoorstel. Zij hadden geconstateerd dat, in het kader van de bestrijding van fraude en misbruik van sociale voorzieningen, de Interdepartementale Stuurgroep Misbruik en Oneigenlijk gebruik (ISMO) heeft gepleit voor het opnemen van strafsancties in de Algemene Bijstandswet. Aantasting van de geloofwaardigheid van de uitvoering door de overheid en een groeiend onbehagen bij hen, die op correcte wijze gebruik maken van sociale voorzieningen, maken deze strafsancties onvermijdelijk, zo meenden ook deze leden. Andere sociale wetten kennen wel strafsancties, de ABW vormt hierop een uitzondering. Bijstandsontvangers behoren niet anders te worden behandeld dan andere personen met een sociale uitkering. Drempelvrees en aantasting van de vertrouwensrelatie achtten zij dan ook geen overtuigende argumenten als het gaat om opzettelijk verkeerde opgaven (opzet) of het niet voldoen aan de informatieplicht (schuld). Bovendien merkten zij op dat de algemene delictsomschrijvingen in het Wetboek van Strafrecht terzake van valsheid in geschrifte en/of oplichting meestal niet toereikend zijn voor de hier in het geding zijnde misdragingen. Ten slotte meenden deze leden dat toetsing aan de aanwijzingen voor terughoudendheid met de regelgeving heeft opgeleverd, dat doorslaggevende argumenten aanwezig zijn om tot deze strafbaarstellingen over te gaan.

De leden van de V.V.D.-fractie hadden al tijdens de UCV naar aanleiding van de ISMO-interimrapportage gepleit voor een wettelijke regeling zoals nu wordt voorgesteld. Tot nu toe zijn geen specifieke strafbepalingen opgenomen in de Algemene Bijstandswet door een amendement op het oorspronkelijke wetsvoorstel. In dat opzicht wijkt de ABW, aldus deze leden, af van de andere sociale zekerheidswetten en dat leverde bezwaren op bij de bestrijding van misbruik. Juist indien wetgeving zo fraudegevoelig is als de Algemene Bijstandswet, is het, volgens deze leden, essentieel dat de uitvoerders van de wet weten wat hun verantwoordelijkheden zijn in het kader van misbruik van de regeling. De nu voorgestelde strafbepalingen scheppen in dat opzicht een stuk duidelijkheid en geven de uitvoerders van de regeling een belangrijk instrument in handen. Deze leden stelden vast dat de huidige praktijk heeft aangetoond dat slechts strafrechtelijke vervolging mogelijk is, indien wordt voldaan aan de delictsomschrijving van de artikelen 325 of 326 van het Wetboek van Strafrecht. De delictsomschrijving in de ABW is in onvoldoende mate toegesneden op de bestrijding van misbruik van sociale voorzieningen. Zij konden dan ook instemmen met het voorliggende wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de P.S.P. hadden grote bezwaren tegen de voorgestelde wetswijziging. Zij achtten de onderbouwing van de noodzaak ervan uiterst mager, de strafmaat absurd hoog, de prioriteit die aan dit soort wetsvoorstellen wordt gegeven in schrille tegenstelling tot de traagheid (of het ontbreken) van wetsvoorstellen die fraude of onjuiste opgave van gegevens bij de belastingen regelt. De leden van de fractie van de P.S.P. vroegen over een groot aantal punten dan ook een nadere toelichting en motivering van de Staatssecretaris. Indien het zo is dat zich in de praktijk bij het hanteren van het Wetboek van Strafrecht moeilijkheden voordoen bij het vervolgen van eventuele fraude met bijstandsuitkeringen achtten de leden van de fractie van de P.S.P. nadere informatie daarover noodzakelijk. Zij wensten een nadere uiteenzetting van de bedoelde artikelen in het Wetboek van Strafrecht (W.v.Sr.). Zij wilden weten waarom bij voorbeeld in het W.v.Sr. niet is

opgenomen dat «het niet invullen van een formulier geen valsheid in geschrift is». Zonder twijfel staat hierover in het W.v.Sr. met reden niets vermeld. Acht de bewindsman het onwenselijk dat als een verdachte aannemelijk maakt dat hij het formulier niet goed begrepen heeft de vereiste opzet ontbreekt? Gaat het kabinet van het omgekeerde uit? Zijn de formulieren dermate helder dat die per definitie te begrijpen zijn, vroegen de leden.

De leden van de fractie van de P.S.P. wensten op dit punt de talloze incidenten en misverstanden en de onbegrijpelijkheid van sommige formulieren in het geheugen te brengen, daarbij verwezen zij naar de formulieren voor het aanvragen van een éénmalige uitkering, in het verleden en recentelijk, en de soms volstrekt cryptische en onbegrijpelijke formulieren die bijstandsgerechtigden in diverse gemeenten worden toegestuurd om vast te stellen of zij «woningdeler» zijn. Zij riepen eveneens in herinnering de notitie «Leefvormen», die op dit moment bij de Kamer in behandeling is. Uit die notitie blijkt dat talloze «feitelijke omstandigheden» een rol kunnen spelen bij het vaststellen van diverse soorten leefvormen. Het kabinet geeft in die notitie aan dat géén eenduidige en uitsluitende criteria te ontwikkelen zijn om bij voorbeeld woningdelers van economische eenheden te onderscheiden. Toch wordt voetstoots aangenomen dat «bijstandsgerechtigden informatie die van belang is doorgeven aan de sociale dienst». Zo niet, dan kan dat leiden tot een half jaar gevangenisstraf. Acht de bewindsman het niet op zijn minst noodzakelijk, zo wilden zij vernemen, exact te omschrijven welke informatie van belang is? Kan een lijst met dergelijke informatiepunten verstrekt worden, zodat dit tot geen enkel misverstand bij de bijstandsgerechtigde aanleiding behoeft te geven? Een dergelijke lijst leek de leden van deze fractie van zeer groot belang, daar het kabinet het als een probleem ervaart dat «het enkel verzwijgen van een voor de bijstandsverlening van belang zijnd gegeven geen oplichting vormt». Op zijn minst mag toch duidelijkheid gevraagd worden omtrent de gegevens die de bijstandsgerechtigde dient te verstrekken en op welk moment. Wat wordt verstaan onder «al datgene wat van belang is»?

De leden van de fractie van de P.S.P. achtten de weerlegging van in het verleden aangevoerde argumenten om geen strafbepalingen op te nemen volstrekt onvoldoende en wilden weten waarom aan de gebleken omvang van misbruik in het verleden geen wezenlijke betekenis kan worden toegekend. Geeft de huidige omvang enige reden tot de noodzaak van strafbepalingen? Zo ja, welke gegevens over de omvang van het misbruik staan de Staatssecretaris ter beschikking? De leden van de fractie van de P.S.P. vroegen om commentaar op de gegevens van de sociale dienst in Rotterdam waaruit blijkt dat misbruik en oneigenlijk gebruik slechts zeer gering zijn. Tevens wezen zij op het al vóór de UCV over de ISMO toegezegde onderzoek naar de omvang van de fraude. Zij pleitten er nogmaals voor om geen strafbepalingen op te nemen alvorens de noodzaak daartoe door middel van dit onderzoek aangetoond is en vroegen om een reactie van de bewindsman op deze suggestie. De leden van de fractie van de P.S.P. vroegen voorts of er aanwijzingen zijn dat de strafbepalingen in andere sociale wetten tot een aanzienlijke reductie van het misbruik hebben geleid «nu aan de sociale recherche wel aandacht wordt besteed». Zo ja, in welke omvang? Ook wilden de leden vernemen of het feit dat honderdduizenden op dit moment noodgedwongen een beroep op de bijstand moeten doen van invloed zal zijn op de «drempelvrees» die door het opnemen van strafbepalingen zal ontstaan. Zo ja, welke? Zij vroegen tenslotte of het kabinet niet van mening is dat het met het opstellen van dit soort wetsvoorstellen zelf meewerkt aan het versterken van vooroordelen die er ten opzichte van bijstandsgerechtigden en uitke-Tweede Kamer, veigaderjaar 1985-1986, 19 237, nr. 4

ringsgerechtigden in het algemeen bestaan, zonder dat enig concreet bewijsmateriaal over de omvang van de fraude op tafel wordt gelegd.

De leden van de S.G.P.-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van het wetsvoorstel. Zij waren van mening dat het onderscheid dat nu tussen de ABW enerzijds en de andere sociale wetten anderzijds bestaat zich niet langer laat rechtvaardigen en vroegen of en, zo ja, in hoeverre met dit voorstel is afgeweken van het advies van het college ABW. Zij wilden vernemen of het voorstel ook in die zin gemotiveerd kan worden, dat waar andere mogelijke sancties, zoals verhaal van ten onrechte genoten bijstand, theoretisch weliswaar bestaan maar concreet geen grote betekenis hebben, de behoefte aan een strafrechtelijke voorziening (inclusief de mogelijkheid van gevangenisstraf) als sluitstuk onmisbaar is om de naleving van de wet te verzekeren. Zij vroegen voorts of bij het aangiftebeleid ook van toepassing zal zijn het onlangs door deze Kamer aanvaarde wetsvoorstel tot wijziging van artikel 162 van het Wetboek van Strafvordering. De leden van de fractie van de S.G.P. vroegen voorts nog hoe de bewindsman zich de gang van zaken voorstelt indien de gemeente zowel aangifte van een strafbaar feit doet als tegelijkertijd een burgerrechtelijke procedure aanspant tot verhaal van ten onrechte genoten bijstand. Zouden beide procedures ineengeschoven kunnen worden, dit ter ontlasting van zowel de verdachte/gedaagde als van de rechterlijke macht, zo wilden zij vernemen. De leden van de C.P.N.-fractie wezen de voorgestelde opneming van strafbepalingen in de ABW af. Zij waren van mening dat deze maatregel in strijd is met het specifieke karakter van die wet. Naar het oordeel van deze leden behoefde de memorie van toelichting op een aantal punten verduidelijking en zij wilden daarom graag antwoord op de volgende vragen. Waarom is de Staatssecetaris in de memorie van toelichting niet inhoudelijk ingegaan op het advies van het College Algemene Bijstandswet? Wie bepaalt nu of er sprake is van opzet? Wil de Staatssecretaris in het kader van dit wetsvoorstel nog eens de taakomschrijving en de bevoegdheden van de sociale recherche geven? Kan hij mededelen op welke wijze de sociale recherche werkt? Komt het nog voor dat geen formulieren worden ingevuld, aldus vroegen de leden van deze fractie. Indien een verdachte aannemelijk maakt dat hij het formulier niet goed heeft begrepen, is het toch duidelijk dat geen sprake is van opzet? Deze leden konden de in de betreffende passage vertolkte gedachtengang niet goed volgen. Zij vroegen voorts of het feit dat de Staatssecretaris meent dat de bezwaren die in het verleden aangevoerd zijn niet meer gelden, betekent dat de ABW zijn specifieke karakter verloren heeft. Zo ja, op grond van welke ontwikkelingen? Hoe verhoudt zich een dergelijk standpunt met eerder genomen maatregelen, zoals bij voorbeeld de woningdelersmaatregel, waarbij juist het specifieke karakter van de ABW als argument werd aangedragen? Nadat het onderhavige wetsvoorstel werd aangekondigd in de toelichting op de begroting 1984 voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft het -zo constateerde het lid van de fractie van de R.P.F. -nog twee jaar geduurd eer het bij deTweede Kamer kon worden ingediend. Naar hij aannam, is dit voornamelijk een gevolg geweest van de werkbelasting op het Ministerie. Dit lid had voortdurend aangedrongen op verdere intensivering van de bestrijding van fraude en oneigenlijk gebruik ook in de ABW. Derhalve betuigde hij zijn erkentelijkheid, dat het wetsvoorstel nu ter tafel ligt en sprak de hoop uit, dat met voortvarendheid zal worden gewerkt aan een spoedige afronding. Dit lid stemde in met de constatering van de ISMO, dat misbruik en oneigenlijk gebruik van wetgeving leidt tot

aantasting van de geloofwaardigheid van de doeleinden van de centrale overheid, tot een groeiend onbehagen bij hen die van de wetten correct gebruik maken en tot hogere uitgaven voor de sociale zekerheid. Hij voegde eraan toe, dat het ongestraft laten van misbruik en oneigenlijk gebruik ook leidt tot verdere normvervaging en wetsovertredingen op andere terreinen, met alle gevaren van dien voor de ordening van de samenleving. Waar de praktijk helaas leert, dat ook de ABW misbruikt en oneigenlijk wordt gebruikt achtte dit lid het in hoge mate gewenst, dat in de ABW strafbepalingen worden opgenomen. Echter, gelet op het gezegde «voorkomen is beter dan genezen» vroeg het lid van de fractie van de R.P.F, ook meer aandacht voor preventie, een zorgvuldige controle van in dit geval de aanvragen om en voortzetting van een bijstandsuitkering of -voorziening. Immers wanneer mensen weten, zo meende hij, dat door hen verstrekte gegevens zorgvuldig worden nagegaan en consequent met eventuele onjuiste of onvolledige gegevens worden geconfronteerd, dan zal via het mechanisme van de generale preventie al een deel van de potentiële overtreders teruggehouden worden. In dit verband wilde dit lid weten in hoeverre de ABW van andere sociale verzekeringswetten verschilt, waar het gaat om de mate van afhankelijkheid van de door de betrokkene zelf verstrekte inlichtingen. In het verlengde daarvan stelde hij de vraag, in hoeverro er verschillen zijn in controlemogelijkheden en de effectuering daarvan in de onderscheiden sociale wetten. Wanneer ondanks een goede controle onjuiste of zelfs valse gegevens aan de uitkeringsinstantie worden verstrekt, vond het lid van de fractie van de R.P.F, het gewenst dat de mogelijkheid van sanctie aanwezig is. Dat in het verleden deze sanctie niet in de ABW is opgenomen, achtte hij een omissie, maar gelet op de historische omstandigheden wel begrijpelijk omdat ten tijde van de inwerkingtreding van de ABW het ontvangen van de bijstandswetuitkering werd gezien als een gunst, veel meer dan als een recht. Het lid van de fractie van de R.P.F, onderschreef echter het betoog van de Staatssecretaris, dat de omvang en de aard van het cliëntenbestand wezenlijk veranderd zijn en de wet een volwaardige plaats heeft ingenomen in het sociale zekerheidsstelsel. Derhalve is het gerechtvaardigd nu wel strafbepalingen in de wet op te nemen. Natuurlijk bleef voor hem wel de vraag in hoeverre deze bepalingen ook werkelijk gehanteerd zullen worden. Kan de Staatssecretaris daarom enige indicatie geven van het aantal gevallen, waarin vervolging is ingesteld opgrond van de huidige strafrechtsbepalingen (inclusief het aantal seponeringen), zo vroeg dit lid. Voorts verzocht hij de Staatssecretaris in te gaan op de bereidheid van de uitvoeringsinstanties aandacht te besteden aan sociale recherche. Meer in het algemeen wilde hij weten of nu nog geldt dat de strafbepalingen in de sociale zekerheidswetten in de praktijk niet goed bruikbaar blijken.

Het lid van de fractie van het G.P.V. had met instemming kennis genomen van het voorstel strafbepalingen op te nemen in de ABW. Hij was van oordeel dat het kabinet terecht afstand neemt van de argumenten die indertijd zijn gehanteerd om geen strafbepalingen op te nemen in de ABW. Ontvangers van een bijstandsuitkering hoeven inderdaad niet anders te worden behandeld dan ontvangers van welke andere uitkering krachtens een sociale voorziening dan ook, zo meende hij. Wel stelde dit lid de vraag in hoeverre inhoud gegeven zou kunnen worden aan de thans voorgestelde bepalingen. Zijn de gemeentelijke sociale diensten voldoende geëquipeerd om mogelijke overtredingen van de voorgestelde artikelen 84e en 84f op te sporen, c.q. te signaleren en aangifte te doen, zo vroeg hij. Om hoeveel gevallen zal het naar verwachting gaan? Bestaat inzicht in de mate waarin tot nu toe verkeerde opgaven zijn gedaan of gegevens zijn verzwegen? Het lid van de fractie van het G.P.V. vroeg voorts of de strafbaarstelling reëel uitgevoerd zal kunnen worden, aangezien de financiële situatie van

eventuele veroordeelden veelal niet zo zal zijn dat de opgelegde geldboetes binnen een redelijke termijn voldaan kunnen worden, terwijl het alternatief gevangenisstraf ook moeilijk ten uitvoer gelegd kan worden. Zal bij de justitiële autoriteiten niet de neiging bestaan bij de tenuitvoerlegging van gevangenisstraffen prioriteit te geven aan mensen die voor zwaardere delicten zijn veroordeeld? Wat zal in deze omstandigheden het preventief effect van deze strafbaarstelling zijn?

Toetsing aan de aanwijzingen voor terughoudendheid met de regelgeving Wat betreft de toetsing hadden de leden van de C.P.N.-fractie de volgende vragen en opmerkingen. Welke «andere gevallen» worden bedoeld onder punt 2? Waarom is vraag 11 niet van toepassing? Is het niet zo dat de in 1970/1971 geopperde bezwaren juist in ieder geval voor een deel betrekking hadden op neveneffecten? Is de verwijzing in de beantwoording van 22 en 23 een drukfout? De leden van de C.P.N.-fractie waren van mening dat dergelijke, zeer storende, fouten vermeden dienen te worden en vroegen om herstel van deze fout.

Met betrekking tot de dereguleringstoets wilden de leden van de fractie van de R.P.F, weten in hoeverre op dit moment bijstelling van de «vervolgingsrichtlijnen» wordt overwogen. Verder stelde dit lid de vraag, wat moet worden verstaan onder de zinsnede dat «uitvoeringsorganen van de sociale zekerheidswetten hun aangiftebeleid op het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie afstemmen». Is er in het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie ruimte voor méér fraudezaken? Welke invloed heeft hierop de in het beleidsplan «Samenleving en Criminaliteit» aangekondigde gedragslijn het aantal beleidssepots terug te dringen?

Artikelen

Artikelen 84e en 841

De geldboetes zullen als regel moeilijk te verhalen zijn en vrijheidsstraffen opleggen vraagt om een zekere beperking uit hoofde van resocialisering van de gestrafte en een tekort aan cellen. Hoe zullen de richtlijnen van het openbaar ministerie in deze luiden, zo vroegen de C.D.A."fractieleden.

De leden van de P.S.P.-fractie vroegen of de toegemeten strafmaat niet versterkend zal werken. Kan worden medegedeeld welke misdrijven eveneens een maximum gevangenisstraf van 2 jaar kennen? Acht de bewindsman een geldboete van f25000 enige realiteitswaarde bezitten? Kan een vergelijking worden gemaakt van geldboetes die opgelegd kunnen worden wanneer onvoldoende of onjuiste informatie aan de belastingdienst verstrekt wordt? Wat is bij voorbeeld de maximale geldboete die aan personen of bedrijven bij onjuiste informatieverschaffing kan worden opgelegd? Tot slot wensten de leden van de fractie van de P.S.P. te vernemen welke opbrengst van dit wetsvoorstel wordt verwacht.

Artikel 84e

De leden van de C.D.A.-f ractie vroegen, of in verband met de bewijslevering geen moeilijkheden kunnen ontstaan indien de behandelend ambtenaar, onder andere door zware werkbelasting, onvoldoende aantekening houdt van mondelinge mededelingen, respectievelijk gegevens niet snel genoeg worden verwerkt. Bij een gesprek onder vier ogen valt moeilijk bewijs van een misdrijf te leveren. De ernst van de betekenis van het geven van inlichtingen zal bij zowel bijstandscliënt als de ambtenaar duidelijk aanwezig moeten zijn.

Bestaan voornemens om bij gebruikmaking van formulieren op de strafbaarstelling te wijzen?

Ten aanzien van de bewoordingen «degene voor wie hij optreedt» vroeg het lid van R.P.F.-fractie enige verduidelijking. Komt het veelvuldig voor dat anderen voor de betrokkene een bijstandsuitkering aanvragen? Hij ging ervan uit, dat wanneer dit bij voorbeeld een advocaat of andere deskundige betreft, dit in de opvatting van de Staatssecretaris als een strafverzwarende omstandigheid kan worden aangemerkt. Overigens had dit lid tot zijn voldoening geconstateerd, dat zowel bij aanvraag als hercontrole de strafbepalingen van kracht zullen zijn. Worden op dit moment door alle gemeenten regelmatig hercontroles uitgevoerd? Voorts achtte hij het juist, dat onjuiste of onvolledige informatie over de leefsituatie nadrukkelijk wordt genoemd als mogelijk strafbare gedraging.

Artikel 84f

Wat betreft de delictsomschrijving van artikel 84f stelden de leden van de S.G.P.-fractie de vraag of onder het niet behoorlijk nakomen van de verplichting van artikel 30, tweede lid, ook valt het verstrekken van onjuiste inlichtingen die hun grondslag vinden in eerdere onjuiste, aan andere diensten van de gemeente (bij voorbeeld de belastingdienst) verstrekte gegevens, met andere woorden dat men zich nimmer ter verontschuldiging kan beroepen op het feit dat de verstrekte gegevens gebaseerd zijn op door andere diensten of organen geaccepteerde opgaven.

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier voor dit verslag, Janssen

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.