Eindverslag - Nadere wijziging van de Wet Werkloosheidsvoorziening (invoering gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen)

Inhoudsopgave

  1. Tekst
  2. Meer informatie

Tekst

Nr.8

1 Samenstelling: Leden: Scholten (de groep Scholten/Dijkman), Keja (VVD), Poppe (PvdA), Weijers (CDA), Kraaijeveld-Wouters (CDA), voorzitter, Beckers-de Bruijn (PPR), Spieker (PvdA), Moor (PvdA), De Korte (VVD), Gerritse (CDA), Buurmeijer (PvdA), ondervoorzitter, Toussaint (PvdA), Buikema (CDA), Rempt-Halmmans de Jongh (VVD), Leerling (RPF), Schutte (GPV), Groenman (D'66), Van der Vlies (SGP), Willems (PSP), Brouwer (CPN), Oomen-Ruijten (CDA), Ter Veld (PvdA), Paulis (CDA), Dales (PvdA), Ubels-Veen (EVP), Korthals (VVD), Linschoten (VVD). Plv. leden: De Grave (VVD), Worrell (PvdA), Hermsen (CDA), G. C. van Dam (CDA), Leijnse (PvdA), Kombrink (PvdA), Van Erp (VVD), Van Muiden (CDA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Salomons (PvdA), Faber (CDA), Hermans (VVD), Nypels (D'66), Eshuis (CPN), Wolters (CDA), Wöltgens (PvdA), Evenhuis-van Essen (CDA), Knol (PvdA), Kamp (VVD), Nijhuis (VVD).

EINDVERSLAG Vastgesteld 29 november 1984

In de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid' zijn, na kennisneming van de memorie van antwoord nog verschillende vragen gesteld en opmerkingen gemaakt. Onder het voorbehoud dat de regering deze tijdig zal hebben beantwoord, acht de commissie de openbare beraadslaging over het wetsvoorstel genoegzaam voorbereid.

  • Algemeen

De leden van de P.v.d.A.-fractie hadden in het voorlopig verslag overduidelijk blijk gegeven van hun afwijzende gevoelens ten aanzien van het voorliggend wetsvoorstel. De omvangrijke en verhullende wijze waarop de memorie van antwoord is geredigeerd, versterkte deze benadering en maakte een duidelijke afwijzing van het wetsvoorstel onvermijdelijk. Onvermijdelijk, omdat het kabinet -voor een noodoplossing kiest, waarbij men stelt niet vooruit te willen lopen op de definitieve oplossing, maar waarbij men niet kiest voor een interimmaatregel in de richting van die definitieve oplossing, maar juist in een tegengestelde richting; -een verscherping in plaats van een versoepeling van de kostwinnerseis voorstaat en deze verscherping, waardoor aan mannen, niet-kostwinnerzijnde, rechten onthouden worden, iedere rechtvaardiging anders dan de financiële, mist; -wel degelijk de richtlijn misbruikt om een besparing te bewerkstelligen, terwijl, zoals ook de Raad van State constateert, de «meerkosten voor een gelijke behandeling eerder door de staatssecretaris aanwezig geacht werden» en in de memorie van antwoord geen afdoende reactie hierop wordt gegeven; -in de memorie van antwoord geen nieuwe argumenten aanvoert, waarmee de stelling dat niet in de géést van de Derde EG-richtlijn wordt gehandeld, weerlegd wordt; -de argumentatie van de Raad van State, dat geen objectieve en redelijke grond is aangevoerd om het vermoeden van discriminatie weg te nemen, welke argumentatie door bijna alle fracties wordt gedeeld, volstrekt onvoldoende weet te weerleggen, waardoor de Raad van State en de meerderheid van de Kamer enerzijds en de regering anderzijds lijnrecht tegenover elkaar blijven staan.

De leden van de P.v.d.A.-fractie zouden, in weerwil van hun teleurstelling over de vertraging bij de definitieve invulling van de Derde EG-richtlijn, begrip hebben kunnen opbrengen voor een noodmaatregel, mits deze in de geest van de richtlijn zou hebben gelegen. De in de memorie van antwoord berekende alternatieven (blz. 12b en c) gaan tenminste nog enigszins in die richting. Het kabinet zou bij een keuze daarvoor er dan nog blijk van hebben gegeven als lidstaat een loyaal uitvoerder van de richtlijn te willen zijn door per bedoelde ingangsdatum de achterstelling van vrouwen, niet-kostwinner, ongedaan te maken, maar zelfs die keuze -hoe tegenvallend die op zich al zou zijn geweest -maakt het kabinet niet. In dit verband achtten deze leden het teleurstellend dat het kabinet getuige de memorie van antwoord, niet bereid is thans reeds toe te zeggen gevolgen te zullen verbinden aan een eventueel negatief commentaar van de zijde van de Europese Commisissie. Nu dit commentaar bij schrijven van 21 november 1984 van Commissiesecretaris Ivor Richards gericht aan de Minister van Sociale Zaken en Welzijn, inmiddels is verschenen waren deze leden extra benieuwd naar de reactie van de bewindslieden. Indien het kabinet dit wetsvoorstel ondanks alles handhaaft kan alleen maar afwijzend gereageerd worden, zo meenden de P.v.d.A.-fractieleden. Dit temeer omdat dit kabinet ondanks het noemen van streefdata geen enkele zekerheid kan bieden omtrent inhoud en datum van invoering van een nieuwe geïntegreerde Werkloosheidswet. Het moet ten zeerste betwijfeld worden of deze interimmaatregel, die niet alleen geen verbetering inhoudt, maar daarentegen ook nog eens een verslechtering van de financiële situatie voor velen met zich meebrengt ten opzichte van de huidige regeling, wel per 1 juli 1985 kan komen te vervallen. Waar ook uit de memorie van antwoord duidelijk wordt dat een aantal definitieve keuzes over de voorgenomen Werkloosheidswet door het kabinet nog niet zijn gemaakt, waardoor de Kamer thans volstrekt onvoldoende inzicht geboden wordt in de contouren van het in te dienen wetsvoorstel, konden de fractieleden van de P.v.d.A. op geen enkele manier instemmen met een slechte maatregel voor een onzekere periode en een onzekere afloop, waarbij alle risico's aan de kant van de uitkeringsgerechtigden komen te liggen. De leden van de P.v.d.A.-fractie wensten zich verder te onthouden van gedetailleerde behandeling van de reacties in de memorie van antwoord dan wel van niet beantwoorde vragen uit het voorlopig verslag. Zij stelden het kabinet voor te bevorderen dat het voorliggend wetsvoorstel ingetrokken zal worden, dan wel dat andere voorstellen ingediend zullen worden.

De leden van de C.D.A.-fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de uitvoerige memorie van antwoord. Zij hadden er evenwel moeite mee, dat daarin niet steeds een duidelijk onderscheid wordt aangehouden tussen de maatregelen waartoe Nederland op grond van de Derde Richtlijn verplicht is en de maatregelen die het kabinet, met name op grond van haar emancipatiedoelstellingen de meest wenselijke vindt. Met het introduceren van de sexeneutrale kostwinnerseis meent het kabinet te kunnen voldoen aan de Derde Richtlijn. Het onderscheid, dat het kabinet maakt tussen verplichtingen krachtens de Derde Richtlijn en haar emancipatiebeleid kwam deze leden niet overtuigend voor. Zij meenden dat de Derde Richtlijn, die gelijkheid beoogt van man en vrouw op het gebied van de sociale zekerheid, duidelijk emancipatoir van karakter is. Zij wezen er op dat Nederland als één der lidstaten een stukje soevereiniteit op dit punt heeft afgestaan. Over het emancipatiedoel, dat in de Derde Richtlijn besloten ligt, wilden de C.D.A.-fractieleden met betrekking tot de WWV de volgende opmerkingen maken. Het uitgangspunt van het kabinet, waarbij het recht op uitkering mede bepaald wordt door het inkomen van de partner is, volgens deze leden, moeilijk te rijmen met het beginsel van gelijke behandeling in de loonder-

vingsverzekeringen. Artikel 4 van de Richtlijn verbiedt immers indirecte discriminatie door te verwijzen naar met name echtelijke staat of gezinssituatie. De C.D.A."fractieleden wezen er op dat de emancipatiedoelstelling van het kabinet parallel loopt aan de eis die de richtlijn stelt. De vraag, welke situatie zou ontstaan indien de rechter tot de conclusie zou komen, dat de WWV na 22 december 1984 niet aan de Derde EG-Richtlijn voldoet, is uiteraard geen vraag van slechts theoretisch belang, aldus de C.D.A."fractieleden.

De leden van de V.V.D."fractie hadden met belangstelling kennis genomen van de memorie van antwoord. Zij herhaalden hun mening dat de verantwoordelijkheid op de wetgever rust er zorg voor te dragen dat per 23 december a.s. wordt voldaan aan de derde EG-richtlijn. De leden meenden te moeten vaststellen dat het kabinet er in de memorie van antwoord niet in is geslaagd hen ervan te overtuigen dat het onderhavige wetsvoorstel voldoet aan die derde richtlijn. Deze leden betreurden het dat niet is ingegaan op de vraag welke situatie ontstaat, indien de rechter tot de conclusie zou komen dat de WWV na 22 december a.s. niet aan de derde richtlijn voldoet. De bewindslieden achtten die vraag slechts van theoretisch belang. De leden van de V.V.D."fractie drongen er op aan in de nota naar aanleiding van het eindverslag wel uitvoerig op deze vraag in te gaan daar zij van mening zijn dat de vraagstelling bepaald meer dan slechts van theoretisch belang is. De bewindslieden stellen dat de interpretatieve uitlatingen van de Europese Commissie in dit stadium slechts een voorlopig karakter hebben. Formeel mag dat juist zijn, aldus deze leden, maar dat neemt overigens niet weg dat materieel gesproken de interpretatie van de Commissie niets aan duidelijkheid te wensen overlaat. Daar zowel de Raad van State als diverse fracties in het voorlopig verslag hebben laten weten de interpretatie van de Commissie op het punt van de indirecte discriminatie te delen, waren de leden van de V.V.D.-fractie van mening dat materieel ingegaan dient te worden op het standpunt van de Commissie. Bovendien waren deze leden van mening dat de voorlopigheid van het standpunt van de Commissie aanzienlijk dient te worden genuanceerd, nu slechts korte tijd voor de totstandkoming van een eindoordeel de Commissie bij monde van Commissaris Richard nadrukkelijk haar standpunt heeft bevestigd.

De leden van de fractie van D'66 waren zeer teleurgesteld over de memorie van antwoord. Zij bleven het een onjuiste gang van zaken vinden om, op grond van financiële overwegingen op dit moment geen recht te doen aan het emancipatiedoel van het kabinet en bovendien het realiseren van een eigen recht op uitkering voor ieder individu, als ook de derde EG-richtlijn te negeren. Het kabinet heeft geconstateerd dat voornemens bestaan voor het starten van gerechtelijke procedures bij het Europese Hof. In dat kader wordt meegedeeld dat de daaruit voortvloeiende kosten niet te schatten zijn. Los daarvan zou het kabinet zich wellicht ook kunnen voorstellen dat het de Nederlandse regering, en het beeld dat daarvan bestaat in Europees verband, géén goed zou doen indien eisen zouden worden toegewezen door het Europese Hof. De reactie van Europees commissaris Ivor Richard, welke de Kamer onlangs heeft bereikt, is naar de mening van de leden van de fractie van D'66 duidelijk en niet voor tweeërlei uitleg vatbaar. Aangezien in de memorie van antwoord wordt gesteld dat elke brief uit Brussel serieus genomen wordt, zijn deze leden zeer benieuwd naar de reactie op de brief van de heer Richard, zeker als nog wordt toegevoegd dat thans niet te voorspellen is welke gevolgen het kabinet aan een reactie uit Brussel zal verbinden.

De leden van de P.S.P.-fractie constateerden tot hun groot leedwezen dat het kabinet star vasthoudt aan zijn stellingname. Zij achtten dit uit politiek en bestuurlijk standpunt volstrekt onverantwoord. Een deugdelijke wetgeving dreigt nu niet voor 23 december 1984 te kunnen worden gerealiseerd. Erger nog, deze leden kregen uit de memorie van antwoord de sterke indruk dat de schrapping van het kostwinnersbeginsel bij de stelselherziening op 1 juli 1985, die in de memorie van toelichting nog onomwonden werd aangekondigd, niet langer vaststaat. Het kabinet weigert zich vast te leggen op de structurele uitgavenverhoging die afschaffing van de kostwinnerseis zou betekenen. Wel legt zij zich vast op «budgettaire neutraliteit». Gelet op bij voorbeeld de geluiden om de «glijdende schaal» niet te laten doorgaan, dreigt er dus een zeer kwalijk uitspelen van de rechten van vrouwen op een werkloosheidsuitkering versus de bovenminimale uitkeringsgerechtigde werklozen en arbeidsongeschikten.

Deze leden achtten het voorts onverantwoord dat het kabinet zich blijkbaar niet wenst te beraden op de situatie die ontstaat, indien de rechter tot de conclusie zou komen dat de WWV na 22 december 1984 niet aan de Derde EG-richtlijn voldoet. Van vele zijden wordt op die mogelijkheid gewezen. Het zou daarom getuigen van verantwoord beleid om daarmee rekening te houden. Deze leden vroegen daarom een reactie op de recente brief van de heer Richards over het voorliggende wetsvoorstel, waarin hij ondubbelzinnig herhaalt dat een kostwinnersbeginsel niet conform de richtlijn is. De commissie is dus blijkbaar niet overtuigd van de argumenten die het kabinet aanvoert om de redenering van de commissie in haar voortgangsverslag niet te volgen.

De leden van de C.P.N.-fractie waren teleurgesteld door het antwoord van de bewindslieden op de in het voorlopig verslag gestelde vragen en opmerkingen. In de op het eerste gezicht nogal omvangrijke memorie van antwoord vonden deze leden weinig reacties terug op de kritische opmerkingen van vrijwel alle fracties. Zij vonden het opvallend dat de enige positieve geluiden over dit wetsvoorstel kwamen van de kant van de fractie van de R.P.F, en het G.P.V., fracties die, zoals bekend, de emancipatiedoelstellingen van dit kabinet niet steunen. Is bij de bewindslieden de gedachte opgekomen dat dit gegeven een signaal zou moeten zijn over inhoud en strekking van dit wetsvoorstel? De leden van de C.P.N.-fractie hadden met verbazing kennis genomen van de passage waarin de bewindslieden naar voren brengen dat naar hun oordeel niet steeds een duidelijk onderscheid gemaakt wordt tussen maatregelen die te maken hebben met de derde richtlijn en de emancipatiedoelstellingen. Het is volgens deze leden voor iedereen duidelijk dat we het hier hebben over een aanpassing van Nederlandse wetgeving aan de derde richtlijn. Zij vreesden dat de uiteenzetting van de bewindslieden op dit punt bedoeld is om de afwijzing van een aantal fracties van dit wetsvoorstel te verklaren vanuit het gegeven dat zij een en ander niet helemaal begrepen zouden hebben. Is deze vrees gegrond? Deze leden bleven van mening dat de ER advies gevraagd had moeten worden vóór de indiening van dit wetsvoorstel. De formulering van de bewindslieden ten aanzien van het ongevraagd advies van de ER riep bij deze leden herinneringen op aan eerdere gelegenheden waarbij verzuimd was advies te vragen. Zij vonden dit een bedenkelijke zaak. Deze leden konden volstrekt niet begrijpen waarom uitspraken van de rechter en een negatief commentaar van Europese instanties vragen van slechts theoretisch belang en nu niet aan de orde zouden zijn. Zijn de bewindslieden niet van mening dat onderdeel van zorgvuldige wetgeving behoort te zijn dat de mogelijk gevolgen worden overwogen en afgewogen. Wat betreft een negatief oordeel van Europese instanties merkten deze leden op dat inmiddels een reactie van Ivor Richards is ingezonden. Wat is de mening van de bewindslieden over deze reactie en welke gevolgen

menen zij te moeten trekken uit dit commentaar? Het moest deze leden nog van het hart dat het voorlopig karakter van het voortgangsverslag niet tot logisch gevolg heeft dat een en ander met terughoudendheid bekeken moet worden. Is het te verwachten dat de Europese Commissie tot totaal andere standpunten zal komen?

  • Verplichtingen, voortvloeiend uit de Richtlijn, alsmede toetsing van het wetsvoorstel daaraan

Ook de leden van de C.D.A.-fractie erkenden het belang van het arrest van 31 maart 1981 (Jenkins/Kingsgate). Het vermoeden van indirecte discriminatie kan alleen worden weggenomen door objectief gerechtvaardigde factoren, die geen verband houden met discriminatie op grond van geslacht. Op de toetsing van het wetsvoorstel aan de Richtlijn en aan genoemd criterium uit de jurisprudentie zouden de C.D.A."fractieleden hieronder terugkomen. Zij wilden eerst ingaan op de vraag of de Derde Richtlijn directe werking heeft. Het kabinet is van mening, dat de Derde Richtlijn weliswaar een belangrijke randvoorwaarde stelt, namelijk gelijke behandeling, waaraan de wettelijke uitkeringen moeten voldoen, doch dat de Richtlijn de lidstaten de bevoegdheid laat om te bepalen of, onder welke omstandigheden en tot welke hoogte, uitkeringen zullen worden verleend. Het kabinet constateert vrije beleidsruimte in de Richtlijn, zodat deze vermoedelijk directe werking zal ontberen. De leden van de C.D.A.-fractie betwijfelden de juistheid van dit standpunt. Kijkend naar de tekst van artikel 4 van de Richtlijn: «iedere vorm van discriminatie op grond van geslacht is uitgesloten in het bijzonder met betrekking tot de werkingssfeer van de regelingen (i.c. van de WWV), alsmede de voorwaarden inzake toelating tot de regelingen, alsmede de berekening van de prestaties ...», moesten de leden van de C.D.A.-fractie tot de conclusie komen dat in dit artikel geen beleidsvrijheid valt te bespeuren. In het artikel staat heel dwingend het beginsel van gelijke behandeling verwoord. Zij achtten het aannemelijk dat het Europese Hof van Justitie directe werking zal toekennen aan artikel 4 of meer artikelen van de Richtlijn. Overigens zagen zij met belangstelling uit naar een nadere argumentatie van het kabinet. Uitgangspunt van de regeling van de WWV is, dat aan een werkloze werknemer, aansluitend op de WW-fase, gedurende twee jaar een aan het vroeger verdiende loon gerelateerde uitkering wordt toegekend. Het kabinet hecht er aan de verschillende afwijkingen van dit uitgangspunt op te sommen, die het gevolg zijn van een maatschappelijke prioriteit wat betreft de besteding van de collectieve middelen. De vraag is nu of die maatschappelijke prioriteit die ten grondslag ligt aan de sexeneutrale kostwinnerseis, kan worden bestempeld als een objectieve redelijke grond die geen verband houdt met discriminatie op grond van geslacht. Het kabinet meent van wel en verwijst naar de memorie van toelichting, waarin één en ander is uiteengezet. De leden van de C.D.A.-fractie herhaalden hun standpunt, zoals neergelegd in het voorlopig verslag, dat de aan de kostwinnerseis ten grondslag liggende motieven: a. loondervingsvoorziening voor de meewerkende partner als het gezinsinkomen relatief laag is b. loondervingsvoorziening voor de meewerkende partner als het aandeel van die partner in het gezinsinkomen relatief hoog is met name een uitwerking is van het kostwinnersbeginsel (inkomenspolitieke aspecten). Het kabinet heeft geen nieuwe gronden genoemd op basis waarvan het vermoeden van indirecte discriminatie zou kunnen worden weerlegd.

De C.D.A.-fractie wilden in dit verband nog verwijzen naar de brief van de heer Richards 21 november 1984 (punten 1 t/m 4). Wat is hierop de reactie van het kabinet? Naar het oordeel van de leden van de V.V.D.-fractie spitst de schriftelijke gedachtenwiss:ling, zoals die tot nogtoe is gevoerd, zich toe op een tweetal hoofdpunten, te weten 1. wat is indirecte discriminatie; 2. welke ruimte laat de derde richtlijn voor het hanteren van een kostwinnersbeginsel. De leden van de V.V.D.-fractie wensten te herhalen dat naar hun opvatting het beginsel van gelijke behandeling, in die zin moet worden opgevat dat iedere vorm van discriminatie is uitgesloten op grond van geslacht hetzij direct, hetzij indirect door verwijzing naar bij voorbeeld echtelijke staat of gezinssituatie. Naar het oordeel van de leden van de V.V.D.-fractie is het begrip indirecte discriminatie in de tweede en derde richtlijn expliciet opgenomen om te voorkomen dat de indruk zou ontstaan dat een sexeneutrale formulering voldoende zou zijn om regelgeving in overeenstemming te brengen met artikel 119 van het EG-verdrag en de daarop volgende richtlijnen. Discriminatiefvan mannen of vrouwen) kan immers niet alleen openlijk plaatsvinden, maar ook heimelijk, doordat in een maatregel of regeling maatstaven worden aangelegd, die ogenschijnlijk sexeneutraal zijn, doch die in feite tot bevoordeling of benadeling van mannen of vrouwen leiden. De leden van de V.V.D.-fractie waren van oordeel dat, gezien de verhoudingen op de Nederlandse arbeidsmarkt, het hanteren van een kostwinnersbeginsel in het onderhavige wetsvoorstel impliceert dat vrouwen materieel worden achtergesteld bij mannen. Dat betekent echter niet, dat waren deze leden met het kabinet eens, dat dat voldoende is om strijdigheid met de derde richtlijn voor bewezen te houden. Een dergelijke situatie levert, aldus deze leden, een vermoeden van discriminatie op. Een vermoeden dat de wetgever kan wegnemen door te bewijzen dat objectief gerechtvaardigde factoren, die geen verband houden met discriminatie, daaraan ten grondslag liggen. Dat bewijs is echter, aldus deze leden, niet geleverd. Het kabinet voert als bewijsmiddel de bestaande genuanceerde kostwinnersregeling aan, zoals vervat in het Besluit van 5 april 1976. De leden van de V.V.D.-fractie waren van mening dat het nooit de bedoeling van de Europese wetgever kan zijn geweest dat een nationale wetgever, met een beroep op een door die nationale wetgever zelf in het leven geroepen regeling, onder een Europese richtlijn uitkan. Bovendien mag niet worden aangenomen dat genoemd Besluit van 5 april 1976 kan worden gezien als een objectief gerechtvaardigde grond. Het kostwinnersbesluit zelf en de beide basisprincipes die aan dat Besluit ten grondslag liggen zijn gebaseerd op inkomenspolitieke overwegingen die, indien al gerechtvaardigd, toch zeker niet als objectief zijn te bestempelen. De leden van de V.V.D.-fractie verzochten het kabinet, indien geen nadere bewijsmiddelen kunnen worden aangedragen die het vermoeden van discriminatie van vrouwen weerleggen, zijn standpunt in deze te herzien. Deze leden wezen voorts op het expliciete standpunt van de Commissie van de EG, hierop neerkomende dat het onmogelijk is om het begrip gezinshoofd/kostwinner op neutrale wijze te definiëren en dat dit begrip bijgevolg onverenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling en tegengaan van discriminatie. Ingevolge dit beginsel is de Commissie van oordeel dat geen van beide echtgenoten als gezinshoofd/kostwinner dient te worden beschouwd, aldus uitgaande van enigerlei rangorde tussen echtgenoten; beiden moeten, aldus de Commissie, op voet van gelijkheid worden geplaatst. Is het kabinet het eens met de leden van de V.V.D.-fractie dat, indien beide partners het tot hun verantwoordelijkheid rekenen een deel van de kost te winnen, beiden als kostwinner moeten worden beschouwd, en dat

I

het derhalve in strijd is met het beginsel van gelijke behandeling indien de wetgever een onderlinge rangorde bepaalt? De leden van de V.V.D.-fractie waren gerustgesteld door de expliciete verklaring in de memorie van antwoord dat, zoals ook door de Raad van State was verdedigd, financiële overwegingen uitstel van de uitvoering van de richtlijnverplichtingen niet kunnen rechtvaardigen. De leden van de V.V.D.-fractie herhaalden hun vraag uit het voorlopig verslag met betrekking tot de aanwezigheid van derdenwerking, daar geen sprake was van een typefout. Het kabinet stelt in de memorie van antwoord dat het bij de vraag of een wettelijke norm derdenwerking heeft het er om gaat of die norm alleen juridische gelding heeft in de verhouding overheidburger, dan wel tevens geldt in het rechtsverkeer tussen burgers onderling. Het begrip derdenwerking kan, aldus de leden, niet alleen worden gehanteerd met betrekking tot wettelijke normen, die de verhouding tussen overheid en burger raken. Ook indien een norm gelegen is in Europese regelgeving en juridische gelding heeft in de verhouding tussen de Europese regelgever en de nationale wetgever, kan een dergelijke norm gelden in het rechtsverkeer tussen derden onderling, bij voorbeeld in het rechtsverkeer tussen een uitvoeringsinstantie van de WWV (in casu de sociale diensten) en een potentiële WWV-gerechtigde. De leden van de V.V.D.-fractie wensten een antwoord op de vraag of, los van de interpretatie met betrekking tot de strekking van de derde richtlijn, een Europese richtlijn deze vorm van derdenwerking kan hebben. Het kabinet spreekt in dit verband van rechtstreekse werking. Deze vraag is, aldus deze leden, daarom relevant, omdat het Europese Hof van Justitie er in haar jurisprudentie sinds 1974 van uitgaat dat richtlijnen onder bepaalde voorwaarden ook zonder aanpassing van de nationale wetgeving, rechten in het leven kunnen roepen. Daarvan is sprake indien de richtlijn de lidstaten geen beleidsvrijheid laat in de uitvoering. Naar het oordeel van deze leden laat de derde richtlijn inderdaad geen beleidsvrijheid ten aanzien vanhet al dan niet direct of indirect discrimineren van vrouwen. Zij ontvingen hierop gaarne een reactie van het kabinet.

De leden van de D'66-fractie merkten op dat de stelling van de Europese commissaris, dat op grond van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Jenkins/Kingsgate een vermoeden van indirecte discriminatie kan worden aangenomen ingeval ogenschijnlijk neutrale maatregelen in feite in overwegende mate werknemers van één geslacht betreffen, met name de aandacht verdient. Het kabinet kan toch niet volhouden dat dit wetsvoorstel in zijn uitwerking geen indirecte discriminatie betekent. Immers, in de memorie van toelichting is aangegeven dat circa 6000 mannen en 26000 vrouwen getroffen zullen worden. Naar de mening van de leden van de fractie van D'66 moeten er dan wel sterke objectief gerechtvaardigde gronden worden aangevoerd om alsnog deze wetgeving door te zetten. De uiteenzetting over het aan de kostwinnerseis ten grondslag liggende motief, op bladzijde 10 van de memorie van antwoord, baart de leden van de fractie van D'66 dan ook grote zorgen. Het kabinet zegt daar dat in die gevallen, waarbij beide huwelijkspartners een bijdrage leveren aan het gezinsinkomen een uitkering uit overheidsmiddelen in geval van werkloosheid van één van de partners minder nodig wordt geacht indien het gezinsinkomen relatief hoog is, c.q. indien het aandeel dat de werkloze partner in het gezinsinkomen leverde relatief klein was. Indien het kabinet dit motief een legitieme grond acht voor handhaving van de kostwinnerseis, vragen de aan het woord zijnde leden zich echt in gemoede af, of het kabinet wel iets van het eigen emancipatiebeleid begrijpt, laat staan van de derde EG-richtlijn. Met deze redenering zou immers steeds aan die richtlijn voorbijgegaan kunnen worden. De opmerking dat op grond van die redenering het wetsvoorstel derhalve geheel voldoet aan de derde richtlijn, achtten deze leden dan ook volstrekt misplaatst.

Dicussiëren over de juridische werking van de derde richtlijn kan zinvol zijn, hoewel de leden van de fractie van D'66 deze volstrekt duidelijk achtten. Met de genoemde passage over het nut van de kostwinnerseis laat het kabinet zich heel duidelijk 'in de kaart kijken'.

De leden van de P.S.P.-fractie waren volstrekt niet overtuigd door de redenering van de bewindslieden dat geen sprake is van indirecte discriminatie, dan wel dat daarvoor objectieve en redelijke grond bestaat. In hoeverre het kabinet zich hiermee binnen de mazen van de richtlijnen begeeft, achtten deze leden in wezen een minder relevante vraag. Het gaat immers om de politieke afweging in eerste instantie. Indien het kabinet het kostwinnersbeginsel zou schrappen, voldoet ze in ieder geval aan de verplichtingen van de richtlijn. De leden van de P.S.P.-fractie waren het niet eens met het kabinet dat er een legitieme grond is voor handhaving van de kostwinnerseis. Het is volstrekt duidelijk dat hantering van een kostwinnersbeginsel vrouwen veel sterker benadeelt dan mannen. In hoeverre een kostwinnersbeginsel in bij voorbeeld de RWW overigens wel in overeenstemming is met de richtlijn, is zeer de vraag; deze leden meenden van niet. In ieder geval gaat het niet aan om, met de arbitraire stelling dat de WWV een «tussenvorm» tussen WW en RWW is, op grond daarvan te concluderen dat er goede grond is voor het hanteren van een kostwinnersbeginsel in de WWV. Voor verreweg de meeste mensen met een mogelijke aanspraak op een WWV-uitkering geldt momenteel de kostwinnerseis niet. Het is immers een loondervingsuitkering, waarbij de hoogte van de uitkering is gerelateerd aan het laatstverdiende loon.

Het stoorde en bevreemdde de leden van de C.P.N.-fractie dat, terwijl van de kant van de Raad van State, alsmede van de kant van vrijwel alle fracties, en bovendien van de kant van de ER en de FNV, en nu ook nog expliciet van de zijde van de Europese commissie zeer duidelijke en beargumenteerde kritiek op dit wetsvoorstel komt, de bewindslieden op vrijwel elke gestelde vraag niet veel anders kunnen uitbrengen dan een «wij hebben gelijk». Zij wilden graag nogmaals vernemen waarom de bewindslieden eigenlijk gelijk hebben. In hun betoog over de definitie van discriminatie geven de bewindslieden de formulering van de tweede en derde richtlijn weer. (direct, indirect, echtelijke staat en gezinssituatie) Onderschrijven de bewindslieden deze definitie? Zo ja, waarom werken zij er dan niet mee? Eenzelfde vraag geldt de onderschrijving door de bewindslieden van het standpunt van de Raad van State, namelijk dat financiële overwegingen geen rechtvaardiging kunnen zijn van uitstel van de uitvoering van de richtlijn. Is deze onderschrijving niet in strijd met het in de memorie van toelichting gestelde, herhaald in de memorie van antwoord, over de invloed van die financiële overwegingen? De kritiek van de Raad van State en de vragen vanuit de Kamer kwamen toch juist voort uit het vermoeden dat er wel sprake is van prioriteit aan financiële overwegingen?

  • Beleidsoverwegingen die ten grondslag liggen aan de voorgestelde maatregel De leden van de C.D.A.-fractie wilden in dit verband uitdrukkelijk verwijzen naar de beleidsoverwegingen van het kabinet met betrekking tot het emancipatiebeleid. Op verzoek van de Raad van State zegt het kabinet in zijn nader rapport dat in de toelichting bij het interimvoorstel expliciet tot uitdrukking is gebracht, dat het kabinet onverminderd voornemens is in de nieuwe werkloosheidsverzekering, die in het kader van de stelselherziening tot stand wordt gebracht, conform de adviesaanvrage géén kostwinnerseis te stellen. De besluitvorming betreffende de structuur van de nieuwe Werkloosheidswet is nog niet afgerond en daarom kan op dit moment de

kostwinnerseis nog niet vervallen. Een en ander impliceert, dat handhaving in het voorliggende wetsvoorstel van het kostwinnersbeginsel een tijdelijke zaak is, met de beperkte financiële gevolgen van dien. Het kabinet noemt mede naar aanleiding van suggesties van C.D.A.-zijde een drietal mogelijke overgangsregelingen met betrekking tot de schrapping van de kostwinnersbepaling. De C.D.A.-fractieleden zeiden van mening te zijn dat zowel variant a. als variant b. in overeenstemming is met de richtlijn. Variant c. daarentegen: «voor gehuwde vrouwen, die na 23 december 1984 werkloos worden, vervalt de kostwinnersbepaling», zal vermoedelijk in strijd zijn met de Derde Richtlijn. Artikel 8 Derde Richtlijn bepaalt immers, dat de lidstaten binnen een termijn van zes jaar de nodige wettelijke bepalingen in werking doen treden om aan deze Richtlijn te voldoen. De C.D.A.-leden vreesden, dat een redelijke interpretatie van artikel 8 zal leiden tot afwijzing van c, omdat deze variant naar hun oordeel zou kunnen worden uitgelegd als een uitstel van een half jaar. Een eventuele wettelijke regeling conform c. wordt pas effectief op 23 juni 1985. Tegen de achtergrond van het voorgaande wilden de leden van de C.D.A.-fractie nog geen definitief oordeel geven over het voorliggende wetsvoorstel. Wel vestigden zij opnieuw de aandacht van het kabinet op de overgangsregeling b, zoals reeds door hen in het voorlopig verslag bepleit. Deze luidt als volgt: «De kostwinnersbepaling vervalt voor gehuwde vrouwen, die na 23 december 1984 aangewezen waren op WWV-uitkering, hetzij omdat zij na die datum werkloos worden, hetzij omdat op die datum hun recht op WW-uitkering eindigt». Hoewel overgangsregeling a. zuiverder is, meenden de leden van de C.D.A.-fractie toch te moeten kiezen voor variant b. om financiële redenen. Het voordeel van variant b is, dat de financiële gevolgen naar alle waarschijnlijkheid beperkt zullen blijven tot f55 min. Deze leden waren bevreesd, dat bij ongewijzigde aanvaarding van het voorliggende wetsvoorstel er zeer vergaande financiële gevolgen kunnen optreden als gevolg van een te verwachten uitspraak van het Europees Hof van Justitie (f 400 a f 500 min. op jaarbasis). Een bezwaar van het wetsvoorstel is voorts aldus deze leden, dat enkele duizenden mannen van het ene ogenblik op het andere van een WW-uitkering vervallen in een situatie zonder uitkering.

De leden van de V.V.D..-fractie hadden geconstateerd dat in de memorie van antwoord is ingegaan op een drietal varianten met betrekking tot deze interimmaatregel. Naar het oordeel van deze leden voldoen de varianten a en b aan hun opvattingen over de derde richtlijn. Deze leden wensten in dit eindverslag nog geen eindoordeel uit te spreken over dit wetsvoorstel; wel deelden zij nu reeds mede dat zij positief zouden reageren indien het kabinet zich voor variant b zou uitspreken. Deze variant betekent, zo hadden zij begrepen, dat voor gehuwde vrouwen die na 23 december 1984 aangewezen zullen zijn op een WWV-uitkering hetzij omdat zij na die datum werkloos zijn geworden, hetzij omdat op die datum hun recht op WW-uitkering eindigt, de kostwinnersbepaling vervalt.

De leden van de P.S.P.-fractie vonden het argument dat niet vooruit mag worden gelopen op de stelselherziening volledig uit de lucht gegrepen, nu dat wel is gedaan met de korting van de uitkeringspercentages. Bovendien is het schrappen van de kostwinnerseis geen grotere ingreep in de WWV dan de uitbreiding daarvan. Het financiële argument is dan ook al niet sterk. Als het het kabinet ernst is met het schrappen van het kostwinnersbeginsel bij de stelselherziening, dan kan het nooit een argument zijn dat schrapping tot een structurele uitgavenverhoging leidt van f450 min. Dat gebeurt anders per 1 juli 1985. De «extra lasten» zouden hooguit een incidenteel bedrag van ca f245 min. zijn. Deze leden vroegen overigens hoeveel het kabinet eigenlijk heeft bespaard door vrouwen niet al met ingang van 1978 volledig recht op WWV te geven. Dat leek hen een betere benadering van de financiële problematiek.

Voorts vroegen deze leden zich af wat de redenen zijn om mogelijk een overgangsregeling zoals genoemd onder b of c te maken. Dat zou nog steeds neerkomen op het onthouden van een WWV-uitkering aan vrouwen die daarop wel recht behoren te hebben. Deze leden vroegen of het ook vanuit de dereguleringsfilosofie niet veel verstandiger is de kostwinnerseis geheel te schrappen, en waarom dit wetsvoorstel daaraan niet getoetst is. Het door het kabinet genoemde argument dat het laten vervallen van de kostwinnerseis tot gevolg kan hebben dat over een langere duur dan voorzien in de stelselherziening een uitkering zou moeten worden verleend, achtten deze leden wel hoogst merkwaardig. Dat geldt toch voor alle bestaande uitkeringen? Waarom dan niet voor getrouwde vrouwen die nu ten onrechte een WWV-uitkering wordt onthouden?

Met ontzetting hadden de leden van de C.P.N.-fractie kennis genomen van het feit dat de bewindslieden in hun antwoord beweren dat «ook de voorstellen voor 1 januari 1985 terzake van de uitkeringspercentages (wetsvoorstel 18664) lopen niet op de stelselherziening vooruit, doch vormen een op zichzelf staande, uit ombuigingsoogpunt noodzakelijke maatregel.» (blz. 11) Hebben de bewindslieden niet bij de behandeling (zowel mondeling als schriftelijk) van dit wetsvoorstel zelf aangegeven dit te zien als eerste stap in de stelselherziening en deze maatregel als zodanig afgezet tegen de eerdere maatregelen die in 1984 genomen waren? Waren het niet deze bewindslieden die meldden dat er helaas nog geen totaalvisie was, maar dat deze eerste stap moet en kon worden genomen? Het is toch ongehoord dat deze argumenten met een dergelijke willekeur worden gebruikt? Zij wilden graag een duidelijke uiteenzetting van de bewindslieden over hoe het nu werkelijk is. De leden van deze fractie bleven bij hun afwijzing van dit wetsvoorstel en wilden graag de overwegingen van de bewindslieden vernemen waarom zij, ondanks alle argumenten tegen dit wetsvoorstel, dit willen handhaven.

  • Overige financiële en inkomensaspecten

De leden van de P.S.P.-fractie betreurden het dat geen aanvullende informatie ter beschikking is ten behoeve van een betere onderbouwing van de berekening van de kosten. Het bedrag van f490 min. leek hen nog erg hoog. Zij vroegen of het hier een brutodan wel een nettobedrag betreft.

De voorzitter van de commissie, Kraaijeveld-Wouters De griffier van de commissie, Van der Windt

 
 
 

Meer informatie

 
Deze website is tot stand gekomen mede dankzij een subsidie van Instituut Gak.